Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 14 juli 2003

Uittreksel uit arrest nr. 25/2003 van 12 februari 2003 Rolnummer 2408 In zake : de prejudiciële vraag over de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenni Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mar(...)

bron
arbitragehof
numac
2003200691
pub.
14/07/2003
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 25/2003 van 12 februari 2003 Rolnummer 2408 In zake : de prejudiciële vraag over de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij vonnis van 28 maart 2002 in zake J. Debue tegen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (R.V.A.), waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 april 2002, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Roepen de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en haar uitvoeringbesluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, doordat zij wat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot terugvordering van de ten onrechte betaalde bedragen betreft niet verwijzen naar artikel 7, § 13, van de besluitwet van 20 [lees : 28] december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of naar artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en daarbij voor die rechtsvordering niet in enige verjaringstermijn voorzien, al dan niet een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie in het leven tussen de sociaal verzekerden in de zin van artikel 1 van de voormelde wet van 29 juni 1981, naargelang zij werkloosheidsuitkeringen dan wel onderbrekingsuitkeringen genieten, wanneer blijkt dat die uitkeringen hun ten onrechte werden betaald en moeten worden teruggevorderd ? » (...) IV. In rechte (...) B.1. De herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, waarbij de onderbreking van de beroepsloopbaan wordt geregeld en die voorziet in de betaling van een uitkering aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen, bevat geen enkele bepaling in verband met de verjaring die van toepassing zou zijn op de terugvordering van onterecht geïnde uitkeringen. De verwijzende rechter leidt daaruit af dat de terugvordering van die uitkeringen enkel zou kunnen verjaren na de termijn van tien jaar bedoeld in artikel 2262bis , § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

B.2. De verwijzende rechter vergelijkt die situatie met die welke wordt geregeld in andere wetteksten inzake sociale zekerheid : enerzijds, artikel 7, § 13, dat, bij de wet van 30 december 1988 is ingevoerd in de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, volgens hetwelk de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen na drie jaar verjaart, waarbij die termijn op vijf jaar wordt gebracht in geval van arglist of bedrog van de werkloze; anderzijds, artikel 30 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, dat in identieke termijnen voorziet, die echter worden teruggebracht « tot zes maanden indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van de instelling of de dienst, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kon geven ».

B.3. De in B.2 vermelde bepalingen geven aan dat de wetgever ervoor gezorgd heeft niet toe te staan dat de inzake sociale zekerheid gestorte uitkeringen, wanneer die onverschuldigd zijn geïnd, binnen de gemeenrechtelijke termijnen kunnen worden teruggevorderd. Hij heeft rekening willen houden met het feit dat « de eigen aard en het toenemende technische aspect van de normatieve teksten die ons sociale zekerheidssysteem beheersen [...] een bijzondere regeling [vereisen] voor de materie van de terugvordering van onverschuldigde bedragen ten aanzien van de principes van het burgerlijk recht » (Parl. St. , Senaat, 1979-1980, 508, nr. 1, p. 25). Hij heeft tevens erover gewaakt dat de korte verjaringstermijnen niet van toepassing zijn « in geval van bedrog, arglist of bedrieglijke handelingen van de betrokkene » en in dat geval de verjaringstermijn tot vijf jaar beperkt (artikel 30, § 1, derde lid, van voormelde wet van 29 juni 1981).

B.4. Ongeacht het specifieke karakter van het systeem van loopbaanonderbreking verschillen de uitkeringen waarop het recht geeft niet dermate van de andere sociale uitkeringen dat het verantwoord zou zijn de terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkeringen aan een verjaringstermijn van tien jaar te onderwerpen terwijl, voor andere vergelijkbare onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen de verjaringstermijn, naar gelang van de gevallen, zes maanden, drie jaar of vijf jaar bedraagt.

B.5. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij geen enkele bepaling inzake de verjaringstermijn bevat voor de rechtsvordering tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde loopbaanonderbrekingsuitkeringen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 12 februari 2003.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^