Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 24 februari 2006

Uittreksel uit arrest nr. 4/2006 van 11 januari 2006 Rolnummer 3362 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gesteld door Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Mart(...)

bron
arbitragehof
numac
2006200508
pub.
24/02/2006
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 4/2006 van 11 januari 2006 Rolnummer 3362 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 januari 2005 in zake L. Thienpont tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 januari 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Houden de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling, in zover in een overlevingspensioen en niet in een rustpensioen voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar wordt voorzien enerzijds, in vergelijking met de artikelen 74, 75, 76 en 77 van het koninklijk besluit van 21 december 1976 [lees : 1967], genomen ter uitwerking van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, en artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 en artikel 260 van de wet van 22 december 1989, in zover hierin ook in een rustpensioen wordt voorzien voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer anderzijds, een ongelijke behandeling in van de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar, een werknemer en een zelfstandige zodat deze artikelen strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, of schendt minstens het ontbreken van het bestaan van eenzelfde wettelijke regeling aangaande het recht op een deel van het rustpensioen van de ambtenaar voor diens uit de echt gescheiden echtgenoot, door het opleggen van de voorwaarde dat een vonnis dient te zijn geveld dat een onderhoudsgeld wordt toegestaan of dat een inkomstendelegatie werd bekomen, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel, zoals voorzien in artikel 10 en 11 van de Grondwet ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, in zoverre in die bepalingen enkel wordt voorzien in een overlevingspensioen, doch niet in een rustpensioen, voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar, terwijl voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers in een rustpensioen voorziet en, voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een zelfstandige, het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, in een pensioen voorziet.

De in het geding zijnde bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk III - « Het pensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot » van titel I - « Overlevingspensioenen » van de voormelde wet van 15 mei 1984.

Het recht op een overlevingspensioen van de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar wordt uitgewerkt in artikel 6. De regels met betrekking tot de berekening van het overlevingspensioen van die echtgenoot zijn opgenomen in de artikelen 7 en 8.

B.2. De prejudiciële vraag noopt tot een onderzoek van het mogelijk discriminerende karakter van de ontstentenis, in de voormelde wet van 15 mei 1984, van de mogelijkheid om aan de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar een rustpensioen toe te kennen op grond van de beroepsarbeid van de gewezen echtgenoot, terwijl het voormelde koninklijk besluit van 21 december 1967 wel in die mogelijkheid voorziet voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een werknemer, en het voormelde koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 eveneens voorziet in een pensioen voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een zelfstandige.

B.3.1. Volgens de Ministerraad zou het voorgelegde verschil in behandeling betrekking hebben op onvergelijkbare categorieën van personen wegens de fundamenteel verschillende aard van de respectieve pensioenregelingen waaraan de gewezen echtgenoten van de gepensioneerden zijn onderworpen.

B.3.2. Zoals het Hof in verschillende arresten heeft vastgesteld, verschillen de pensioenregelingen wat betreft het doel, de financieringswijze en de toekenningsvoorwaarden ervan. Door die verschillen kan de persoon die recht heeft op een overheidspensioen in principe niet worden vergeleken met diegene die recht heeft op een werknemers- of zelfstandigenpensioen (zie met name de arresten nrs. 17/91, 54/92, 88/93, 48/95, 112/2001).

B.3.3. Wanneer daarentegen de wetgever beslist een rustpensioen toe te kennen aan de uit de echt gescheiden echtgenoot van een gepensioneerde, doet hij dat om een bepaalde bestaanszekerheid te waarborgen voor de personen die, doordat zij minstens ten dele financieel afhankelijk zijn geweest van hun echtgenoot, doordat zij vaak geen eigen inkomsten hebben en niet de mogelijkheid hebben gehad een persoonlijk pensioen op te bouwen, ten gevolge van hun echtscheiding in een precaire materiële situatie dreigen terecht te komen. Het pensioen wordt hun overigens geweigerd indien zij een beroepsactiviteit uitoefenen, en mag niet worden gecumuleerd. Die personen bevinden zich in een identieke situatie, ongeacht de pensioenregeling van hun gewezen echtgenoot, omdat zij dreigen dezelfde materiële moeilijkheden te krijgen ten gevolge van de verbreking van hun huwelijksband. Uit de verschillen tussen de pensioenregelingen kan niet worden afgeleid dat zij niet vergelijkbaar zijn.

B.4. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 15 mei 1984 licht de bevoegde Staatssecretaris als volgt toe waarom, voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar, werd gekozen voor een overlevingspensioen, en niet voor een rustpensioen : « In de pensioenregeling van de overheidsdiensten heeft de uit de echt gescheiden vrouw als dusdanig geen recht op een pensioen op grond van de beroepsarbeid van haar gewezen man.

Maar zij kan een overlevingspensioen verkrijgen wanneer haar gewezen man overlijdt, voor zover bepaalde voorwaarden vervuld zijn [...].

In de pensioenregeling der werknemers kan de beroepsarbeid, verricht door de gewezen man gedurende het huwelijk, aanspraak op een rustpensioen verlenen aan de uit de echt gescheiden vrouw [...].

Het was evenwel onmogelijk de regeling van de overheidssector af te stemmen op die van de werknemers zonder te raken aan het individueel recht op rustpensioen. Met andere woorden, het bestaande statuut moest worden geëerbiedigd en werd verlengd. Een andere werkwijze zou in strijd geweest zijn met het akkoord dat met de vakorganisaties was gesloten » (Parl. St., Senaat, 1982-1983, nr. 557/4, p. 61). « Men kan echter de pensioenregeling van de staatsambtenaren niet wijzigen, aangezien het pensioenrecht een individueel recht is of een uitgesteld loon. Zolang men die interpretatie niet opgeeft, is het dus niet mogelijk aan de uit de echt gescheiden vrouw een rustpensioen toe te kennen. Het ware ondenkbaar aan iemand die niet in dienst van de Staat gewerkt heeft, een uitgesteld loon toe te kennen » (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 855/18, p. 22).

B.5. Uit de vergelijking tussen de echtgenoot van een gepensioneerde uit de overheidssector en die van een gepensioneerde uit de privé-sector blijkt dat, in beide gevallen, de wetgever zich heeft bekommerd om de materiële situatie van de echtgenoot wiens huwelijksband wordt verbroken, maar dat de rechten die hij die echtgenoten heeft toegekend, verschillend zijn.

B.6. Dat verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording.

Zowel in de sector van de overheid als in die van de werknemers en van de zelfstandigen, is het rustpensioen bestemd om de gepensioneerde na het beëindigen van zijn loopbaan een inkomen te waarborgen.

In tegenstelling tot het rustpensioen voor werknemers en zelfstandigen, wordt het rustpensioen in de overheidssector beschouwd als een uitgestelde wedde; het wordt niet gefinancierd door sociale bijdragen. Uit dat fundamentele verschil vloeit een aantal gevolgen voort, die eigen zijn aan de logica van elk van de systemen.

B.7. In de privé-sector verkrijgt de uit de echt gescheiden echtgenoot aldus een autonoom recht op een rustpensioen, maar heeft hij geen recht op een overlevingspensioen. In de overheidssector heeft de uit de echt gescheiden echtgenoot geen recht op een rustpensioen, maar kan hij aanspraak maken op een overlevingspensioen, op voorwaarde dat hij de leeftijd van vijfenveertig jaar heeft bereikt en het huwelijk ten minste één jaar heeft geduurd.

B.8. Het verschil in behandeling zou onevenredige gevolgen hebben indien het ertoe zou leiden dat de uit de echt gescheiden echtgenoot geen inkomsten meer heeft, terwijl hij behoeftig is. Hij kan echter, zoals in de prejudiciële vraag wordt onderstreept, indien hij na de echtscheiding een onderhoudsuitkering of een ontvangstmachtiging heeft verkregen, een gedeelte van het rustpensioen van zijn gewezen echtgenoot toegewezen krijgen, ter uitvoering van een rechterlijke beslissing. Ten slotte, indien hij geen aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering, kan hij een beroep doen op de systemen van maatschappelijke hulpverlening die de federale wetgeving te zijner beschikking stelt.

B.9. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, kunnen de in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschillen in behandeling niet als discriminerend worden beschouwd.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 6, 7 en 8 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre zij enkel in een overlevingspensioen, en niet in een rustpensioen voorzien voor de uit de echt gescheiden echtgenoot van een ambtenaar.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 11 januari 2006.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, A. Arts.

^