Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 10 februari 2010

Uittreksel uit arrest nr. 179/2009 van 12 november 2009 Rolnummer 4632 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 4, § 1, eerste lid en tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de u Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter M. Melchior, waarnemend (...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2009205709
pub.
10/02/2010
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 179/2009 van 12 november 2009 Rolnummer 4632 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 4, § 1, eerste lid en tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door de Raad van State.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter M. Melchior, waarnemend voorzitter, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 189.765 van 26 januari 2009 in zake de Vlaamse Gemeenschap tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 januari 2009, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 4, § 1, eerste en tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, artikel 128 van de Grondwet en artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre het de Koning machtigt aan de werkgevers en de werknemers maatregelen op te leggen die betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid van de werknemers op het werk ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 4, § 1, eerste lid en tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna : de wet van 4 augustus 1996), zoals gewijzigd bij de wet van 7 april 1999.

Het in het geding zijnde artikel 4 bepaalt : « § 1. De Koning kan aan de werkgevers en de werknemers alle maatregelen opleggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Het welzijn wordt nagestreefd door maatregelen die betrekking hebben op : [...] 2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk; [...] ».

B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de mogelijke schending, door de in het geding zijnde bepalingen, van de bevoegdheidverdelende regels, neergelegd in artikel 128 van de Grondwet en in artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

B.3. Naar luid van artikel 128, § 1, van de Grondwet regelen de Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, elk voor zich, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden.

Volgens artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen omvatten de in artikel 128, § 1, van de Grondwet bedoelde persoonsgebonden aangelegenheden onder meer, wat het gezondheidsbeleid betreft, « de gezondheidsopvoeding alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van nationale maatregelen inzake profylaxies ».

B.4. Krachtens artikel 6, § 1, II, eerste lid, 3°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gewesten bevoegd voor de politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven, onder voorbehoud van de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.

Toen de bevoegdheid inzake de politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven door de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de gewesten werd toegewezen, hebben de « maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming » het voorwerp uitgemaakt van een voorbehoud (artikel 6, § 1, II, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980), waarbij in de parlementaire voorbereiding is gepreciseerd dat « het begrip ' interne politie ' uitsluitend betrekking heeft op de arbeidsbescherming in ruimere zin. Daarvoor blijft de Nationale Overheid bevoegd » (Parl.

St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/6, p. 115).

B.5. De wet van 4 augustus 1996 heeft tot doel het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk in het algemeen te beschermen, en niet alleen het welzijn van de werknemers die in gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven zijn tewerkgesteld.

In haar advies over het wetsontwerp dat de wet van 4 augustus 1996 is geworden, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State overigens gesteld dat niet eraan kon worden getwijfeld dat de ontworpen regeling, « in haar algemeenheid beschouwd, een zaak van de federale overheid » was (Parl. St., Kamer, B.Z. 1995, nr. 71/1, p. 74).

B.6. De federale bevoegdheid inzake arbeidsbescherming is niet beperkt door de definitie van de arbeidsverhouding die inzake het arbeidsrecht wordt gegeven. Gelet op het doel van die bescherming heeft de federale wetgever ervan kunnen uitgaan dat zij zich uitstrekt tot alle personen die een vorm van arbeid verrichten, ongeacht hun statuut, onder het gezag van een andere persoon.

B.7. In zijn arrest nr. 147/2006 van 28 september 2006 heeft het Hof geoordeeld : « B.19. Uit de tekst van artikel 6, § 1, II, eerste lid, 1° en 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen vloeit voort dat de federale wetgever inzake het leefmilieu - in de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven of in andere bedrijven - wetgevend mag optreden, op voorwaarde dat hij zich ertoe beperkt maatregelen van interne politie met betrekking tot de arbeidsbescherming uit te vaardigen.

B.20.1. De wet van 4 augustus 1996 strekte ertoe zich in de plaats te stellen van de wet van 10 juni 1952 ' betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen ', door de begrippen ' veiligheid ', ' gezondheid ' en ' hygiëne ' te vervangen door het algemene begrip ' welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk '.

De federale wetgever heeft de arbeidsbescherming aldus willen reglementeren door van de volgende vaststelling uit te gaan : ' Het is niet voldoende de arbeidsveiligheid en -gezondheid in enge zin te behandelen, maar [...] de nodige interesse [moet] uitgaan naar de toestand van de werknemer in zijn totaliteit. Dit impliceert dat men niet alleen onveilige en ongezonde situaties moet vermijden of uitschakelen maar ook dat men op positieve wijze de goede lichamelijke en geestelijke gezondheid en het zich wel bevinden bij de arbeid moet bevorderen ' (Parl. St., Kamer, B.Z. 1995, nr. 71/1, p. 2).

B.20.2. Aldus stelt artikel 4, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 de verschillende aspecten die onder het begrip ' welzijn van de werknemers ' vallen, op beperkende wijze vast.

In verband met die bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding uiteengezet : ' Dit artikel bepaalt dat de Koning de concrete maatregelen uitvaardigt betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Dit is een bevestiging van de bestaande situatie. De wet van 10 juni 1952 geeft de Koning immers een gelijkaardige bevoegdheid. In het huidige voorstel wordt wel nader omschreven waarop deze maatregelen betrekking hebben. Deze lijst is limitatief.

Zij herneemt in de eerste plaats een aantal domeinen waarop thans reeds maatregelen genomen worden, namelijk de arbeidsveiligheid, de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk, de ergonomie, de arbeidshygiëne en de verfraaiing van de werkplaatsen.

Daarnaast verduidelijkt zij dat ook de psycho-sociale belasting veroorzaakt door het werk en de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu wat betreft hun invloed op de hierboven vermelde domeinen behoren tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk ' (Parl. St., Kamer, B.Z. 1995, nr. 71/1, p. 8). [...] B.20.4. Het is coherent dat de federale bevoegdheid inzake arbeidsbescherming de verschillende aspecten van de bescherming van het welzijn van de werknemer, onder meer de bescherming van een gezonde omgeving op het werk, omvat.

Het is immers onbetwistbaar dat de kwaliteit van de arbeidsomgeving een wezenlijk element uitmaakt van het welzijn van de werknemers dat de gezondheid en de veiligheid op het werk kan beïnvloeden ».

B.8. Uit het voorgaande volgt dat de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk een wezenlijk element van het welzijn van de werknemer uitmaakt en bijgevolg tot de federale bevoegdheid inzake arbeidsbescherming behoort.

B.9. Tijdens het onderzoek van het voorontwerp van wet dat de wet van 4 augustus 1996 is geworden, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat « de ontworpen regeling uiteraard geen afbreuk zal kunnen doen aan de bevoegdheid van de Gemeenschappen op het vlak van de erkenning van diensten die, onder welke benaming ook, in de arbeidsrechtelijke sfeer activiteiten ontplooien inzake preventieve gezondheidszorg » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1995, nr. 71/1, p. 77).

Het advies vervolgt : « Men weet immers dat luidens artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, de Gemeenschappen bevoegd zijn voor ' de gezondheidsopvoeding alsook (voor) de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van de nationale maatregelen inzake profylaxis ', en dat er in de loop van de parlementaire behandeling van die bepaling is op gewezen dat tot de voornoemde ' activiteiten en diensten ' onder meer behoort ' de arbeidsgeneeskundige controle, die belast is met de erkenning van de bedrijfsgeneeskundige diensten en met de controle op de naleving van het algemeen reglement op de arbeidsbescherming ' » (ibid. ).

B.10. Door de Koning toe te staan de werkgevers en de werknemers maatregelen op te leggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, heeft de federale wetgever geen inbreuk gepleegd op de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake de preventieve gezondheidszorg, bedoeld in artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Die machtiging, op zich, kan immers niet worden beschouwd als een maatregel die de uitoefening van de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake preventieve gezondheidszorg onmogelijk of overdreven moeilijk maakt.

B.11. Overigens, wanneer een wetgever een machtiging verleent, dient te worden aangenomen, behoudens aanwijzingen in tegenovergestelde zin, dat hij de gemachtigde enkel de bevoegdheid verleent om die machtiging aan te wenden in overeenstemming met de bevoegdheidverdelende regels.

Het staat bijgevolg aan de verwijzende rechter na te gaan of de Koning Zijn machtiging in overeenstemming met die regels heeft uitgeoefend.

B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 1, eerste lid en tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, schendt noch artikel 128 van de Grondwet, noch artikel 5, § 1, I, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 12 november 2009.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Bossuyt.

^