Wet
gepubliceerd op 30 juli 2010
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 54/2010 van 12 mei 2010 Rolnummer 4752 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 82,

bron
grondwettelijk hof
numac
2010203067
pub.
30/07/2010
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 54/2010 van 12 mei 2010 Rolnummer 4752 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gesteld door het Arbeidshof te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter P. Martens, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 17 juli 2009 in zake de nv « Bank van De Post » tegen Nicole Mouton, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 juli 2009, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in die zin geïnterpreteerd dat het alleen toestaat de periodes die zijn gepresteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitsluiting van de periodes die daarvóór onder statuut zijn gepresteerd, in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de werknemer die gedurende een deel van zijn tewerkstelling onder statuut heeft gewerkt anders behandelt dan diegene die uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst heeft gewerkt, terwijl beiden tijdens hun hele tewerkstelling aan het gezag van de werkgever waren onderworpen ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Die bepaling, waarvan alleen de paragrafen 2 tot 4 in het geding zijn, luidt : « § 1. De bij artikel 37 bepaalde opzeggingstermijn begint te lopen op de eerste dag van de maand volgend op die waarin kennis van de opzegging is gegeven. § 2. Wanneer het jaarlijks loon niet hoger is dan 16 100 EUR, bedraagt de opzeggingstermijn welke door de werkgever moet worden in acht genomen, ten minste drie maanden voor de bedienden die minder dan vijf jaar in dienst zijn.

Deze termijn wordt vermeerderd met drie maanden bij de aanvang van elke nieuwe periode van vijf jaar dienst bij dezelfde werkgever.

Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, worden de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen van opzegging tot de helft teruggebracht zonder dat ze drie maanden mogen te boven gaan. § 3. Wanneer het jaarlijks loon 16 100 EUR overschrijdt, worden de door de werkgever en de bediende in acht te nemen opzeggingstermijnen vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter.

Indien de opzegging wordt gegeven door de werkgever, mag de opzeggingstermijn niet korter zijn dan de in § 2, eerste en tweede lid, vastgestelde termijnen.

Indien de opzegging wordt gegeven door de bediende, mag de opzeggingstermijn niet langer zijn dan vier en een halve maand indien het jaarlijks loon hoger is dan 16 100 EUR zonder 32 200 EUR te overschrijden, noch langer dan zes maanden indien het jaarlijks loon 32 200 EUR overschrijdt. § 4. De opzeggingstermijnen moeten berekend worden volgens de verworven anciënniteit op het ogenblik dat de opzegging ingaat. § 5. Wanneer het jaarlijks loon 32 200 EUR overschrijdt op het ogenblik van de indiensttreding, mogen de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijnen, in afwijking van § 3, ook vastgesteld worden bij overeenkomst, gesloten ten laatste op dat ogenblik.

De opzeggingstermijnen mogen in elk geval niet korter zijn dan de in § 2, eerste en tweede lid, vastgestelde termijnen.

Bij ontstentenis van een overeenkomst blijven de bepalingen van § 3 van toepassing.

Deze paragraaf is slechts van toepassing voor zover de indiensttreding plaatsheeft na de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt ».

B.2. De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of artikel 82, §§ 2 tot 4, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die interpretatie dat het « alleen toestaat de periodes die zijn gepresteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitsluiting van de periodes die daarvóór onder statuut zijn gepresteerd, in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer ».

Het aan het oordeel van het Hof voorgelegde verschil in behandeling is het verschil dat, in die interpretatie, zou worden gemaakt tussen, enerzijds, de werknemer die, gedurende een deel van zijn tewerkstelling, in statutair verband was tewerkgesteld en, anderzijds, diegene die uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, terwijl - zo merkt de verwijzende rechter op - « beiden tijdens hun hele tewerkstelling aan het gezag van de werkgever waren onderworpen ».

B.3.1. Met de regeling voor de berekening van de opzeggingstermijn voor bedienden in artikel 82 van de arbeidsovereenkomstenwet, in samenhang gelezen met artikel 131 ervan, beoogt de wetgever de gevolgen van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst voor de partijen bij die overeenkomst op te vangen. In geval van opzegging door de werkgever - zoals te dezen - moet de opzeggingstermijn het voor de betrokken werknemer mogelijk maken een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd, het belang van zijn functie en het bedrag van zijn loon.

B.3.2. Die maatregel is geïnspireerd op de wet van 7 augustus 1922 op het bediendencontract, waarvan de artikelen 12 tot 17 de opzeggingen en opzeggingstermijnen hebben geregeld; die artikelen, zoals wordt opgemerkt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 1978 (Parl. St., Senaat, 1977-1978, nr. 258/2, p. 12), preciseerden « de schadevergoeding die moet worden toegekend wanneer die termijnen niet worden in acht genomen. In tegenstelling tot de wet van 1900 worden de opzeggingstermijnen imperatief vastgesteld door de wet ».

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 augustus 1922 heeft de Regering de opzeggingstermijnen als volgt becommentarieerd : « Het wetsontwerp neemt zeer eenvoudige regels aan. Is het loon 250 frank of minder, dan bedraagt de opzeggingstermijn één maand; ligt het loon hoger dan die som, dan bedraagt de opzeggingstermijn drie maanden. Die termijn wordt gebracht op zes maanden, zonder onderscheid ten aanzien van de omvang van die wedden, wanneer het een klerk betreft die sinds minstens tien jaar in dienst is in hetzelfde huis.

Het is gerechtvaardigd gebleken dat, na zovele jaren te kunnen hebben samenleven, iets meer geduld aan de dag wordt gelegd wanneer men uit elkaar gaat » (Hand., Senaat, 1921-1922, zitting van 15 maart 1922, p. 367).

In dezelfde zin is tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 maart 1954 « tot wijziging en aanvulling van de wet van 7 augustus 1922 op het bediendencontract en tot wijziging van de wet van 16 december 1851 op de voorrechten en hypotheken, gewijzigd bij de besluitwet van 28 februari 1947 » gepreciseerd : « Anderzijds meent de Commissie dat de bedienden die lange jaren dienstprestaties in dezelfde onderneming geleverd hebben, om hun trouw aan deze laatste moeten worden beloond. Zulks kan geschieden door hiermede rekening te houden bij de vaststelling van de opzeggingstermijn » (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 287, p. 12).

B.4.1. Om de grondwettigheid van artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978 te beoordelen in de interpretatie die de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd, dient te worden nagegaan of het, ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstellingen, redelijk is verantwoord de anciënniteit die een werknemer daarvóór als statutair personeelslid bij dezelfde werkgever heeft verworven, uit te sluiten van de berekening van diens opzeggingstermijn, terwijl voor de werknemer wiens anciënniteit uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst is verworven, integraal met die anciënniteit rekening wordt gehouden.

B.4.2. De verwijzende rechter heeft geoordeeld dat « De Post en de Bank van De Post dezelfde werkgever zijn in de zin van artikel 82 van de wet van 3 juli 1978, zodat, voor het personeel dat betrokken is bij de voortzetting van de activiteiten tussen beide entiteiten, de bij De Post verworven anciënniteit moet worden nageleefd door de Bank van de Post ».

Het Hof dient niet de omstandigheden te onderzoeken waarin de geïntimideerde voor de verwijzende rechter ontslag heeft genomen uit haar statutaire betrekking bij De Post en een arbeidsovereenkomst met de nv « Bank van De Post » heeft gesloten.

Ten slotte beperkt het Hof zijn onderzoek tot de aan de verwijzende rechter voorgelegde hypothese, namelijk de vraag van de inaanmerkingneming van een statutaire anciënniteit, verworven bij dezelfde werkgever, voor de vaststelling van de duur van de opzeggingstermijn, waarbij de opzegging door de werkgever is gegeven.

B.5.1. Zoals is aangegeven in B.3, moet de opzeggingstermijn in het geval van een opzegging door de werkgever de werknemer in staat stellen een nieuwe aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met zijn anciënniteit, zijn leeftijd, het belang van zijn functie en het bedrag van zijn loon; de wetgever heeft eveneens de trouw van een werknemer willen belonen, door bij de berekening van de opzeggingstermijn rekening te houden met de anciënniteit die hij heeft verworven bij de werkgever die hem zijn opzegging heeft gegeven.

B.5.2. De specifieke kenmerken die het statuut ten opzichte van de arbeidsovereenkomst vertoont, kunnen naar gelang van het geval worden geanalyseerd als voordelen (dat is met name het geval voor de grotere vastheid van betrekking of de pensioenregeling, die voordeliger is), of als nadelen (zoals het veranderlijkheidsbeginsel, de discretie- en neutraliteitsplicht of de regeling inzake de cumulatie of de onverenigbaarheden).

Die specifieke kenmerken dienen evenwel alleen in aanmerking te worden genomen in het licht van het onderwerp en de finaliteit van de in het geding zijnde bepaling : de ontslagen werknemer, door hem een toereikende opzeggingstermijn toe te kennen, in staat stellen een nieuwe aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden, en daarbij rekening te houden met het aantal jaren dat hij in dienst van zijn voormalige werkgever is geweest. In dat opzicht blijkt niet dat de werknemer die zijn opzegging krijgt, zich in een verschillende situatie bevindt naargelang de bij zijn werkgever verworven anciënniteit al dan niet gedeeltelijk als statutair personeelslid is verworven : immers, in de veronderstelling dat de andere criteria die op het vlak van de opzegging relevant zijn (leeftijd, belang van de functie en bedrag van het loon), identiek zijn en dat de anciënniteit in de onderneming dezelfde is, blijkt niet dat een werknemer die die anciënniteit gedeeltelijk als statutair heeft verworven, over meer kansen beschikt om een nieuwe betrekking te vinden dan een werknemer die uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld geweest; overigens wordt niet ingezien om welke reden de trouw van een werknemer aan dezelfde werkgever zou moeten worden beloond wanneer de diensten uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst zijn gepresteerd, maar dat niet zou moeten wanneer die diensten gedeeltelijk onder statuut zijn gepresteerd.

B.6. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer enkel toestaat periodes in aanmerking te nemen die zijn gepresteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, met uitsluiting van de periodes die daarvóór onder statuut zijn gepresteerd bij dezelfde werkgever.

B.7. Het Hof merkt evenwel, samen met de verwijzende rechter, op dat de in het geding zijnde bepaling anders kan worden geïnterpreteerd.

Om de in B.5 aangegeven redenen kan immers worden aangenomen dat de wetgever, wanneer hij verwijst naar de periodes in « dienst bij dezelfde werkgever », niet heeft willen uitsluiten dat voor de berekening van de opzeggingstermijn van een werknemer de anciënniteit in aanmerking wordt genomen die hij daarvóór onder statuut heeft verworven.

In die interpretatie bestaat het aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling niet en is het artikel 82, §§ 2 tot 4, niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : - Artikel 82, §§ 2 tot 4, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, in die zin geïnterpreteerd dat het, voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer, de periodes uitsluit die daarvóór onder statuut bij dezelfde werkgever zijn gepresteerd, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Artikel 82, §§ 2 tot 4, van dezelfde wet, in die zin geïnterpreteerd dat het, voor de vaststelling van de anciënniteit met het oog op de berekening van de opzeggingstermijn van de werknemer, de daarvóór onder statuut bij dezelfde werkgever gepresteerde periodes omvat, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 mei 2010.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, P. Martens.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^