Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 24 juli 2014

Uittreksel uit arrest nr. 95/2014 van 30 juni 2014 Rolnummers : 5465 en 5467 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers, ing Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. (...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2014204450
pub.
24/07/2014
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 95/2014 van 30 juni 2014 Rolnummers : 5465 en 5467 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers, ingesteld door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone » en anderen en door Roger Hallemans en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 augustus 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 augustus 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, c), 5, 6, 11 en 12 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2012, tweede editie) door de vzw « Défense des Enfants - International - Belgique - Branche francophone (D.E.I. Belgique) », de vzw « Ligue des Droits de l'Homme » en de vzw « ATD Quart Monde Belgique », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Dupuis, advocaat bij de balie te Brussel. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 augustus 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 augustus 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 12 van dezelfde wet door Roger Hallemans, de vzw « Medische Raad van het UVC BRUGMANN », de publiekrechtelijke vereniging « Ziekenhuisvereniging van Anderlecht, Sint-Gillis, Etterbeek en Elsene - Iris Ziekenhuizen Zuid », de publiekrechtelijke vereniging « Ziekenhuisvereniging van Brussel - Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola », de publiekrechtelijke vereniging « Ziekenhuisvereniging van Brussel - Universitair Verplegingscentrum Sint-Pieter », de publiekrechtelijke vereniging « Ziekenhuisvereniging van Brussel en Schaarbeek - Universitair Verplegingscentrum Brugmann » en de publiekrechtelijke vereniging « Ziekenhuisvereniging van Brussel - Universitair Verplegingscentrum Jules Bordet », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr.J. Bourtembourg en Mr. C. Molitor, advocaten bij de balie te Brussel.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5465 en 5467 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5465 vorderen de vernietiging van de artikelen 4, c), 5, 6, 11 en 12 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Het verzoekschrift in de zaak nr. 5467 heeft betrekking op artikel 12 van dezelfde wet.

B.2.1.1. Het bestreden artikel 4, c), vervangt het woord « derde » door het woord « tweede » in artikel 4 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen (hierna : de Opvangwet). Artikel 4, eerste lid, van de Opvangwet bepaalde aldus : « Het Agentschap kan beslissen dat de asielzoeker die een tweede asielaanvraag indient geen beroep kan doen op artikel 6, § 1, van deze wet, tijdens het onderzoek van de aanvraag, zolang het dossier door de Dienst Vreemdelingenzaken niet is doorgestuurd naar het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen met toepassing van artikel 51/10 van wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en dit middels een individueel gemotiveerde beslissing. Dit principe kan gelden voor elke nieuwe asielaanvraag ».

Het bestreden artikel 4, c), van de wet van 19 januari 2012 is in werking getreden op 31 maart 2012 (artikel 14 van diezelfde wet).

B.2.1.2. Artikel 22 van de wet van 8 mei 2013 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijke welzijn » heeft artikel 4, eerste lid, van de Opvangwet vervangen als volgt : « Het Agentschap kan, middels een individueel gemotiveerde beslissing, beslissen dat de asielzoeker die een tweede asielaanvraag indient, geen beroep kan doen op artikel 6, § 1, van deze wet, tijdens het onderzoek van de aanvraag, tenzij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing tot inoverwegingname met toepassing van artikel 57/6/2 of een beslissing met toepassing van artikel 57/6, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft genomen. Dit principe kan gelden voor elke nieuwe asielaanvraag ».

Die bepaling is in werking getreden op 1 september 2013, tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

B.2.1.3. In zijn aanvullende memorie voert de Ministerraad aan dat het beroep zonder voorwerp is geworden in zoverre het betrekking heeft op het bestreden artikel 4, c).

Aangezien artikel 4, eerste lid, van de Opvangwet, zoals gewijzigd door het bestreden artikel 4, c), van de wet van 19 juli 2012, evenwel gevolgen heeft kunnen hebben vóór de vervanging ervan bij artikel 22 van de wet van 8 mei 2013, is het beroep tot vernietiging niet zonder voorwerp geworden ten gevolge van de inwerkingtreding van die wet.

B.2.2. Het bestreden artikel 5 wijzigt artikel 5 van de Opvangwet, dat voortaan bepaalt : « Onverminderd de toepassing van artikels 4, 35/2 en de bepalingen van Boek III, Titel III betreffende ordemaatregelen en sancties, kan het recht op materiële hulp zoals beschreven in deze wet in geen geval opgeheven worden ».

B.2.3.1. Artikel 6, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij het bestreden artikel 6 van de wet van 19 januari 2012, bepaalde : « Onverminderd de toepassing van artikelen 4 en 35/2 van de huidige wet, geldt het [recht op materiële hulp] voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is.

Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

B.2.3.2. Na de inwerkingtreding op 31 maart 2012 van artikel 6 van de wet van 19 januari 2012, werd artikel 6, § 1, van de Opvangwet met ingang van 1 juli 2012 gewijzigd door artikel 5 van de wet van 22 april 2012 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en tot wijzigingen van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen ».

Die bepaling luidt als volgt : « In artikel 6, § 1, eerste lid, van [de Opvangwet], gewijzigd bij de wetten van 30 december 2009 en 19 januari 2012, worden de woorden ' artikel 4 en artikel 35/2 ' vervangen door de woorden ' artikelen 4, 4/1 en 35/2 ' ».

Die wetswijziging heeft evenwel geen invloed op het onderwerp van het beroep tot vernietiging, dat zich volgens de uiteenzetting van de grieven in het verzoekschrift beperkt tot artikel 6, § 1, tweede lid, van de Opvangwet, gewijzigd door de bestreden wet.

B.2.3.3. Artikel 6, § 1, tweede lid, van de Opvangwet is als volgt aangevuld bij artikel 23 van de wet van 8 mei 2013, dat in werking is getreden op 1 september 2013 : « Het indienen van een cassatieberoep bij de Raad van State doet geen recht op materiële hulp ontstaan. Tijdens de behandeling van het cassatieberoep is er slechts recht op materiële hulp nadat het cassatieberoep toelaatbaar is verklaard met toepassing van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 ».

B.2.4. Het bestreden artikel 11 vult artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aan met een derde lid, dat luidt : « De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien ten aanzien van een vreemdeling een beslissing is genomen overeenkomstig artikel 4 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen ».

B.2.5. Ten slotte voegt het bestreden artikel 12 in de voormelde wet van 8 juli 1976 een artikel 57quinquies in, dat bepaalt : « In afwijking van de bepalingen van deze wet is de maatschappelijke dienstverlening door het centrum niet verschuldigd aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van het verblijf of, in voorkomend geval de langere periode zoals bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen B.3.1. In zijn memorie betwist de Ministerraad de ontvankelijkheid van het beroep van de eerste en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 5465, omdat niet zou zijn aangetoond dat de beslissing om in rechte op te treden, op regelmatige wijze is genomen door hun raad van bestuur.

B.3.2. Het beroep tot vernietiging in die zaak is ingesteld door drie verenigingen zonder winstoogmerk.

Volgens haar statuten heeft de tweede verzoekende partij, de vzw « Ligue des Droits de l'Homme », tot doel « het bestrijden van onrecht en van elke willekeurige inbreuk op de rechten van een individu of een gemeenschap. Zij verdedigt de beginselen van gelijkheid, vrijheid, solidariteit en humanisme waarop de democratische samenlevingen zijn gegrondvest en die zijn afgekondigd onder meer door de Belgische Grondwet [en] het Europees Verdrag voor de rechten van de mens [...] ».

B.3.3. Er kan worden aangenomen dat bepalingen die een einde maken aan het recht op materiële hulp voor sommige categorieën van vreemdelingen van dien aard zijn dat zij het maatschappelijk doel van de voornoemde vereniging kunnen raken.

B.3.4. Aangezien de tweede verzoekende partij doet blijken van een belang om in rechte op te treden en de Ministerraad de regelmatigheid van de beslissing om in rechte op te treden ten aanzien van die partij niet betwist, hoeft het Hof niet na te gaan of de eerste en de derde verzoekende partij op regelmatige wijze hebben beslist om in rechte op te treden.

B.4.1. De Ministerraad betwist eveneens het belang om in rechte op te treden van de derde, vierde, vijfde, zesde en zevende verzoekende partij in de zaak nr. 5467, omdat uit de door hen voorgelegde stukken zou blijken dat de beslissingen om het beroep in te dienen, zijn genomen door elk van hun algemeen directeurs, terwijl krachtens artikel 33 van hun statuten de bevoegdheid om in rechte op te treden aan hun raad van bestuur toekomt.

B.4.2. Het verzoekschrift in de zaak nr. 5467 is ingesteld door een doctor in de geneeskunde, door de vzw « Medische Raad van het UVC BRUGMANN » en door vijf publiekrechtelijke ziekenhuisverenigingen.

B.4.3. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

De eerste verzoeker oefent de functie uit van geneesheer, onder het sociaal statuut van zelfstandige, binnen de ziekenhuisvereniging « IRIS Ziekenhuizen Zuid ». Volgens hem beschikt hij over een rechtstreeks en persoonlijk belang om in rechte op te treden, in zoverre artikel 12 van de bestreden wet betrekking heeft op de dringende medische hulp die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn verlenen aan de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en aan hun familie, en in zoverre hij, bij de uitoefening van zijn geneeskunst, mogelijk zorg moet verstrekken die onder de dringende medische hulp valt. Hij verantwoordt zijn belang om in rechte op te treden eveneens door het feit dat hij, voor de uitoefening van dergelijke prestaties, het risico liep geen bezoldiging meer te ontvangen.

B.4.4. In zoverre het gevolgen zou kunnen hebben voor de bezoldiging van de geneesheren die zorg moeten verstrekken in het kader van een dringende medische hulp in een ziekenhuismilieu, kan het bestreden artikel 12 hun financiële situatie of beroepsactiviteit rechtstreeks en ongunstig aantasten. De eerste verzoekende partij heeft dus belang erbij de vernietiging van die bepaling te vorderen.

B.4.5. Aangezien de eerste verzoekende partij doet blijken van een belang om in rechte op te treden en haar beroep ontvankelijk is, dient het Hof niet na te gaan of dat ook geldt voor de andere verzoekende partijen.

Ten gronde Wat de artikelen 4, c) en 5 van de wet van 19 januari 2012 betreft B.5. Het eerste middel in de zaak nr. 5465 is afgeleid uit de schending, door de bestreden artikelen 4, c) en 5 van de wet van 19 januari 2012, van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met de richtlijn 2003/9/EG van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, met de artikelen 2, 4, 9, 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met de artikelen 13, 30 en E van het Herziene Europees Sociaal Handvest.

B.6.1. Artikel 23, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden en het derde lid, 2°, vermeldt onder de economische, sociale en culturele rechten « het recht op sociale bijstand ». Die bepalingen preciseren niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, aangezien elke wetgever ermee belast is die rechten te waarborgen, overeenkomstig artikel 23, tweede lid, « rekening houdend met de overeenkomstige plichten ».

B.6.2. Artikel 23 van de Grondwet bevat inzake het recht op sociale bijstand een standstill-verplichting die de bevoegde wetgever verbiedt het beschermingsniveau aanzienlijk te verminderen, zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan.

B.7. In zijn arrest nr. 135/2011 van 27 juli 2011 moest het Hof zich uitspreken over de bestaanbaarheid, met artikel 23 van de Grondwet, van het nieuwe artikel 4, tweede lid, van de Opvangwet, ingevoegd bij artikel 160 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen.

Dat artikel 4, tweede lid, maakte het het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers (hierna : Fedasil) mogelijk de vreemdeling die een derde asielaanvraag en elke latere asielaanvraag indient, materiële hulp, met uitzondering van het recht op medische begeleiding, te ontzeggen zolang de Dienst Vreemdelingenzaken het dossier niet heeft doorgestuurd naar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

Het Hof heeft het middel om de volgende redenen niet gegrond geacht : « B.8.1. Artikel 23, eerste lid, van de Grondwet vereist niet dat de bedoelde rechten door de wetgever voor ieder individu op dezelfde manier moeten worden gewaarborgd en die grondwetsbepaling staat derhalve niet eraan in de weg dat die rechten voor sommige categorieën van personen worden beperkt en gemoduleerd, op voorwaarde dat voor het onderscheid in behandeling een redelijke verantwoording bestaat.

B.8.2. In de arresten nrs. 21/2001, 148/2001 en 50/2002 heeft het Hof geoordeeld dat vreemdelingen, naargelang zij een eerste of een tweede asielaanvraag indienen, zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden en dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zich niet ertegen verzetten dat het recht op sociale bijstand tijdens het onderzoek van de beroepen met betrekking tot de tweede aanvraag niet op dezelfde wijze wordt gewaarborgd als tijdens de behandeling van de eerste aanvraag. Het Hof heeft in die arresten aanvaard dat de wetgever een legitieme doelstelling nastreeft, indien hij maatregelen neemt die beogen misbruik door de indiening van opeenvolgende asielaanvragen tegen te gaan.

B.8.3.1. Uit de parlementaire voorbereiding die betrekking heeft op artikel 23 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever ' de burgers [niet] in een passieve rol [wilde dwingen] of tot een passieve houding [aanzetten] ', maar dat hij daarentegen wilde bevestigen dat ' wie rechten heeft, [...] ook plichten [heeft] ', vanuit de idee dat ' het de plicht van de burger is om mee te werken aan de sociale en economische vooruitgang van de maatschappij waarin hij leeft ' (Parl.

St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-2/4°, pp. 16-17). Daarom heeft hij het de wetgevers die hij belast met het waarborgen van de economische, sociale en culturele rechten, mogelijk gemaakt rekening te houden met de ' overeenkomstige plichten ', zoals verwoord in het tweede lid van artikel 23.

B.8.3.2. Aan de burgers die de in artikel 23 van de Grondwet vermelde economische, sociale en culturele rechten genieten, kunnen dus verplichtingen worden opgelegd om toegang te verkrijgen tot die rechten. Het woord ' daartoe ', aan het begin van dat tweede lid, geeft niettemin aan dat die verplichtingen moeten zijn verbonden met de algemene doelstelling die is vermeld in het eerste lid van artikel 23, namelijk eenieder in staat stellen een menswaardig leven te leiden door het genot van de rechten die zijn opgesomd in het derde lid van hetzelfde artikel. Die verplichtingen moeten de personen aan wie zij worden opgelegd, in staat stellen bij te dragen tot de effectieve verwezenlijking van die doelstelling voor henzelf, alsook voor de andere personen die de in artikel 23 opgesomde rechten genieten, en moeten evenredig zijn met de aldus bepaalde doelstelling.

B.8.3.3. Artikel 23 van de Grondwet verhindert de wetgever dus niet om een eventueel misbruik van het recht op maatschappelijke dienstverlening door de begunstigden ervan te voorkomen of strafbaar te stellen, teneinde het genot van dat recht te waarborgen voor diegenen die terecht aanspraak erop kunnen maken.

B.9.1. De wetgever streeft een legitieme doelstelling na indien hij het ' carrouselmechanisme ' wil doorbreken van opeenvolgende asielaanvragen, ingediend met de enkele bedoeling het verblijf in een opvangcentrum te verlengen. Een dergelijk mechanisme leidt immers niet alleen tot een procedurele overbelasting van de asielinstanties, maar heeft ook tot gevolg dat de opvangstructuren, die een beperkte capaciteit hebben, oververzadigd geraken zodat geen opvang kan worden verleend aan personen die daar recht op hebben. Met de bestreden maatregel wordt dus een doelstelling van algemeen belang nagestreefd.

B.9.2. De bestreden maatregel is pertinent om die doelstelling te bereiken en is daarmee niet onevenredig. De mogelijkheid die voortaan aan FEDASIL wordt geboden om middels een individuele gemotiveerde beslissing vanaf de derde asielaanvraag het recht op materiële opvang in de zin van artikel 2, 6°, van de wet van 12 januari 2007 te beperken, geldt ten aanzien van een beperkte groep van vreemdelingen, namelijk diegenen die reeds tweemaal zonder gunstig gevolg een asielprocedure hebben doorlopen en die hun recht op materiële hulp op onrechtmatige wijze willen verlengen.

B.9.3. Indien er sinds het beëindigen van de vorige asielprocedure nieuwe elementen voorhanden zijn die de toekenning van de vluchtelingenstatus zouden kunnen verantwoorden, zal de Dienst Vreemdelingenzaken het dossier doorzenden aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en wordt de materiële hulp opnieuw gewaarborgd. Tijdens de behandeling van de aanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken behoudt de betrokken vreemdeling het recht op medische begeleiding overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van de wet van 12 januari 2007. Artikel 23 van die wet preciseert dat het gaat om medische begeleiding die noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

B.9.4. Bovendien druist de bestreden wetswijziging niet in tegen wat wordt voorgeschreven bij de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, waarvan de voormelde wet van 12 januari 2007 de omzetting vormt. Luidens artikel 16 van die richtlijn mogen de lidstaten het recht op opvang immers beperken of zelfs weigeren aan asielzoekers die al een asielaanvraag hebben ingediend in diezelfde lidstaat, en dus a fortiori ook wanneer de asielzoeker eerder al minstens twee asielaanvragen heeft ingediend.

Ten slotte zal het aan de met de toepassing van die bepaling belaste autoriteiten toekomen om het noodzakelijke overleg te organiseren opdat het recht op opvang van de asielzoekers die opeenvolgende aanvragen indienen, met kennis van zaken wordt onderzocht.

B.9.5. De bestreden maatregel houdt dus geen aanzienlijke achteruitgang in van het recht op maatschappelijke dienstverlening van de betrokkenen die niet zou worden verantwoord door redenen van algemeen belang, en doet bijgevolg geen afbreuk aan artikel 23 van de Grondwet. De combinatie van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kan niet tot een ander resultaat leiden ».

B.8.1. Door de werking van het te dezen bestreden artikel 4, c), kan Fedasil voortaan de in artikel 6, § 1, van de Opvangwet bedoelde materiële hulp weigeren aan iedere vreemdeling die, niet meer een derde, maar een tweede asielaanvraag indient.

B.8.2. Die wijziging is als volgt verantwoord in de parlementaire voorbereiding : « Het recht op opvang wordt, conform richtlijn 2003/9/EG, beperkt tot de eerste aanvraag. Hiervoor worden dezelfde bewoordingen gebruikt als deze die vandaag toelaten de opvang te beperken vanaf de derde aanvraag. Conform richtlijn 2003/9/EG dient dit te gebeuren via een individuele, gemotiveerde beslissing.

Ook het principe dat een meervoudige aanvraag die in overweging wordt genomen, die met andere woorden door de Dienst Vreemdelingenzaken aan het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen wordt overgemaakt, opnieuw een recht op opvang heropent, blijft behouden. Het recht op opvang wordt dus enkel beperkt voor zij die de eerste asielprocedure volledig hebben doorlopen, uitgeprocedeerd en dus illegaal zijn. Indien zij, omwille van een latere aanvraag die in overweging wordt genomen, wederom een verblijfsrecht bekomen, kunnen zij opnieuw beroep doen op het recht op opvang.

Bovendien dient deze wijziging te worden samen gelezen met het amendement op artikel 6 van de opvangwet, waar de termijn om het opvangcentrum te verlaten in lijn wordt gebracht met de termijn van uitvoerbaarheid van het bevel die, zoals verder zal worden uiteengezet, op 30 dagen zal worden gezet. De afgewezen asielzoeker heeft binnen die termijn afdoende tijd om een eventuele tweede aanvraag in te dienen en de beslissing tot overzending aan het Commissariaat-Generaal af te wachten.

De bedoeling van de indieners is dat het loutere indienen van een tweede aanvraag niet langer automatisch recht geeft op een verlenging van de opvang. Dit is belangrijk, omdat de afgewezen asielzoeker er vandaag alle belang bij heeft om een tweede aanvraag in te dienen na afwijzing van de eerste aanvraag, om zo zijn recht op opvang te verlengen. Door dit automatisme los te koppelen, hopen de indieners een aantal tweede aanvragen die enkel dienen om het opvangrecht te verlengen, en niet omdat de aanvrager werkelijk denkt dat er nieuwe elementen zijn, te ontmoedigen en zo de asielprocedure zelf enigszins te ontlasten.

De overbelasting van de asielprocedure en het opvangnetwerk houdt immers, zoals de praktijk meermaals bewees, een risico in op een schending van de rechten van andere asielzoekers, die met recht en reden hun land ontvluchten, omdat voor er hen geen opvang is.

Richtlijn 2003/9/EG staat ook toe om het recht op opvang in te perken voor de asielzoeker die zijn opvangplaats verlaat, zonder toestemming of kennisgeving. In dat geval kan het Agentschap beslissen om de asielzoeker uit te sluiten van materiële hulp.

De indieners voegen hier nog een hypothese aan toe : namelijk de asielzoeker die er zelf voor kiest zijn opvangplaats niet in te nemen.

Een asielzoeker kan beslissen dat hij (tijdelijk) geen nood heeft aan opvang. Deze bepaling dient samen gelezen te worden met de aanpassingen aan de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, waarbij voor deze categorie van asielzoekers het recht op maatschappelijke integratie eveneens wordt beperkt. Uit de adviezen die de commissie ontving, bleek immers dat er momenteel op dit punt een lacune is in de wetgeving, die door de administratie op een creatieve wijze wordt opgelost. De indieners hebben hieraan willen verhelpen.

Het is belangrijk dat het recht op opvang niet permanent wordt ingetrokken, en dat het terug opeisbaar is. Deze bepaling, in samenhang met de wijzigingen aan de OCMW-wet, sluit geen mensen uit van het recht op opvang annex maatschappelijke dienstverlening, maar hij biedt een sluitende regeling voor die gevallen waarin de asielzoeker zelf beslist geen beroep te doen op de opvang, of zich door zijn eigen gedrag er van onttrekt. Vermits zijn recht op opvang steeds opnieuw opeisbaar is, blijven zijn rechten gegarandeerd.

Wel schrijft deze bepaling voor dat als de asielzoeker de regels niet heeft gevolgd, er sancties kunnen worden genomen. Deze sancties betreffen niet de essentiële elementen van de opvang die overeenkomen met de basisbehoeften.

Tot slot wensen de indieners, in het algemeen, te wijzen op de noodzaak om aanvragen die enkel zijn gericht op het verlengen van de opvang af te blokken. Een in de tijd beperkte inperking van het recht op opvang van de asielzoekers die een tweede of meervoudige aanvraag indienen is noodzakelijk om de rechten van de asielzoekers die een eerste aanvraag indienen te garanderen. Zonder deze maatregel is er een groter risico op misbruik en door dit misbruik daalt het algemeen niveau van sociale bescherming » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-0813/011, pp. 6 en 7).

In het verslag namens de commissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke Hernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers is, in verband met de bestreden bepaling, nog vermeld : « De heer [...] laat weten dat het nieuw voorgestelde artikel 4 van de opvangwet tot doel heeft toepassing te maken van de door Richtlijn 2003/9/ EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten geboden mogelijkheid, het recht op opvang te beperken tot de eerste asielaanvraag. Wordt de tweede asielaanvraag echter als ontvankelijk aangemerkt, dan zou het recht op opvang behouden blijven. Het voormelde artikel 4 moet worden samengelezen met het nieuwe artikel 6, die de voortzetting van het recht op opvang van vijf tot tien dagen uitbreidt, te rekenen van het bevel om het grondgebied te verlaten.

Dank zij die uitbreiding zal men de datum van de ontvankelijkheidsbeslissing immers kunnen doen aansluiten bij de datum waarop het recht op opvang eventueel een einde neemt.

De op artikel 5 van de opvangwet voorgestelde wijziging is niet meer dan een technische aanpassing die noodzakelijk is gemaakt door het voormelde artikel 4.

Aangezien de geraadpleegde instellingen hebben aangegeven dat een termijn van tien dagen zou moeten volstaan om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van een asielaanvraag, strekt het nieuw voorgestelde artikel 6 ertoe wat te doen aan de anomalie in de vigerende wetgeving. Het valt namelijk voor dat iemand de opvangstructuren moet verlaten voordat hij, amper enkele dagen later, ervan in kennis wordt gesteld dat zijn tweede asielaanvraag ontvankelijk is en dat hij opnieuw recht heeft op opvang.

Mevrouw [...] vindt deze wijziging conform de aanbevelingen geformuleerd tot besluit van het namens de Senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden uitgebrachte verslag over de evaluatie van de nieuwe asielprocedure (S. 4-1204/1). De wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen heeft reeds als beginsel gesteld dat voor het recht op opvang nog slechts drie asielaanvragen mogen worden ingediend. Dat aantal wordt teruggebracht tot twee, althans voor zover de tweede als ontvankelijk wordt aangemerkt. [...] Mevrouw [...] dient subamendement nr. 25 (DOC 53 0813/011) in, waarmee beoogd wordt de materiële hulp te behouden tijdens de eerste zeven dagen na het indienen van een tweede asielaanvraag, om te voorkomen dat de materiële hulp wordt onderbroken tussen twee aanvragen. De indienster vreest dat de OCMW's anders zullen moeten bijspringen.

Mevrouw [...] is er niet voor te vinden dat de termijn waarbinnen een beslissing over de ontvankelijkheid voor de tweede asielaanvraag moet worden genomen, in de wet wordt vastgelegd. Dertig dagen lijkt haar voldoende om desgewenst een tweede aanvraag in te dienen. Het is zaak de aanvrager en de persoon die hem adviseert of verdedigt tot grotere spoed aan te zetten. De wet moet grenzen stellen die gelden voor iedereen. Het voorstel voorziet trouwens ook in de mogelijkheid om de Dienst Vreemdelingenzaken te vragen de termijn met dertig dagen te verlengen.

Om deze kritiek ten dele tegemoet te komen, trekt mevrouw [...] subamendement nr. 25 in en dient in de plaats subamendement nr. 28 (DOC 53 0813/011) in, waarin bepaald wordt dat de verlenging met zeven dagen alleen geldt wanneer de tweede aanvraag binnen 23 dagen na de weigering van de eerste aanvraag wordt ingediend. Op die manier bedraagt de totale termijn nog steeds 30 dagen.

Mevrouw [...] is van mening dat dit subamendement aansluit bij de geest van amendement nr. 24. Wat sommige leden ook mogen beweren, de Dienst Vreemdelingenzaken is in de praktijk niet bij machte een tweede asielaanvraag binnen zeven dagen te behandelen. Asielzoekers mogen volgens de spreekster niet het slachtoffer zijn van mogelijk niet naar behoren werkende instanties.

De heer [...] stelt vast dat, ingevolge subamendement nr. 28, het recht op opvang in totaal geldt voor dertig dagen, vanaf de dag waarop de termijn van het bevel het grondgebied te verlaten, verstrijkt. Dat is net wat hij met zijn wetsvoorstel beoogde. Het komt erop aan de asielzoeker goed te informeren over het aantal dagen materiële hulp dat hem rest en hem ertoe aan te sporen geen tijd te verliezen. Meer tijd laten voor een tweede aanvraag zou trouwens ook de belangen van de asielzoeker zelf niet dienen. De spreker herhaalt voorts dat hij een principe van wantrouwen niet wettelijk wil verankeren. Ook is het zijn overtuiging dat een snel optreden van de besturen afhangt van politieke keuzes op regeringsniveau » (Parl. St., Kamer, DOC 53-0813/012, pp. 20-21 en 41-42).

B.9.1. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat de bij de wet van 30 december 2009 in de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen aangebrachte wijzigingen onvoldoende waren om het hoofd te bieden aan een overbelasting van de asielprocedure en van de opvangstructuur, waardoor de rechten in het gedrang konden komen van de asielzoekers die voor een eerste keer een aanvraag indienen en geen enkele plaats in een opvangcentrum kunnen genieten. Door de onrechtmatige indiening van aanvragen, alleen om het verblijf in de opvangcentra te verlengen, te willen ontmoedigen, en aldus de asielprocedure te willen verlichten, streeft de wetgever een wettig doel na.

B.9.2. De maatregel die erin bestaat het automatische karakter van de verlenging van de materiële hulp op te heffen wanneer een tweede asielaanvraag wordt ingediend, is relevant om het hiervoor omschreven doel te bereiken.

B.9.3. Het Hof moet voorts nagaan of een dergelijke maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de betrokken personen.

B.10.1. De bestreden bepaling heeft een beperkte draagwijdte, daar zij zich richt tot een categorie van vreemdelingen die reeds een aanvraag hebben ingediend bij de bevoegde overheden, die die aanvraag hebben onderzocht en hebben besloten dat de voorwaarden niet waren vervuld om die aanvraag te kunnen inwilligen.

B.10.2. Fedasil kan beslissen dat een vreemdeling die tot die categorie behoort, de maatschappelijke dienstverlening niet langer kan genieten. Hieruit volgt dat, wanneer een dergelijke beperking wordt opgelegd, zij alleen kan voortvloeien uit een individuele en gemotiveerde beslissing van die overheid, waarbij de toekenning van de dienstverlening het beginsel is.

In dat opzicht staat het niet aan het Hof te oordelen over de wijze waarop de wet wordt toegepast en op de snelheid waarmee de voorgelegde aanvragen worden onderzocht. Het staat aan de bevoegde rechter na te gaan of de weigering om materiële hulp toe te kennen, voortvloeit uit een individuele, op passende wijze gemotiveerde beslissing.

B.10.3. Indien er sinds het beëindigen van de vorige asielprocedure nieuwe elementen voorhanden zijn die de toekenning van de vluchtelingenstatus zouden kunnen verantwoorden, moest de Dienst Vreemdelingenzaken - op grond van artikel 4 van de Opvangwet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan door de eerder vermelde wet van 8 mei 2013 - het dossier doorzenden aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en werd de materiële hulp opnieuw gewaarborgd. Tijdens de behandeling van de aanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken behield de betrokken vreemdeling het recht op medische begeleiding, overeenkomstig de artikelen 24 en 25 van de wet van 12 januari 2007. Artikel 23 van die wet preciseert dat het gaat om medische begeleiding die noodzakelijk is om een leven te kunnen leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

B.11. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de wetswijziging met de richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten dient te worden opgemerkt dat artikel 16 van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten het recht op opvang kunnen beperken of zelfs weigeren voor asielzoekers die reeds in dezelfde lidstaat een asielaanvraag hebben ingediend. Hetzelfde artikel preciseert, in lid 4 ervan, dat de beslissingen tot beperking, intrekking of weigering van het voordeel van de opvangvoorzieningen individueel, objectief en onpartijdig moeten worden genomen en met redenen moeten worden omkleed, op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor personen die zich in een kwetsbare situatie bevinden, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel.

Zoals het Hof in B.10.2 heeft aangegeven, staat het niet aan het Hof toe te zien op de wijze waarop de wet door de bevoegde overheden wordt toegepast.

Artikel 24 van de richtlijn verplicht de lidstaten ertoe de nodige middelen toe te kennen voor de uitvoering van nationale bepalingen die voor de omzetting ervan zijn genomen. Ten slotte komt het aan de met de toepassing van artikel 16 van de richtlijn belaste autoriteiten toe om het noodzakelijke overleg te organiseren opdat het recht op opvang van de asielzoekers die opeenvolgende aanvragen indienen, met kennis van zaken wordt onderzocht.

B.12. De bestreden maatregel houdt dus geen aanzienlijke achteruitgang in van het recht op sociale bijstand van de betrokkenen die niet zou worden verantwoord door redenen van algemeen belang, en doet bijgevolg geen afbreuk aan artikel 23 van de Grondwet. De samenlezing van die bepaling met de in het middel vermelde internationale verdragsbepalingen kan niet tot een ander resultaat leiden.

B.13. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat de in het middel beoogde bepalingen in strijd zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de asielzoekers die een tweede aanvraag indienen op dezelfde wijze zouden behandelen als de illegaal verblijvende vreemdelingen, en dit zonder objectieve en redelijke verantwoording.

B.14. Het Hof heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat de vreemdelingen zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden naargelang zij een eerste dan wel een tweede asielaanvraag indienen en dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zich niet ertegen verzetten dat het recht op sociale bijstand gedurende het onderzoek van de beroepen betreffende de tweede aanvraag niet op dezelfde wijze wordt gewaarborgd als gedurende het onderzoek van de eerste aanvraag (arresten nrs. 21/2001, 148/2001 en 50/2002). Het Hof heeft, met de voormelde arresten, aanvaard dat de wetgever een wettig doel nastreeft wanneer hij maatregelen neemt om de misbruiken te bestrijden die voortvloeien uit de indiening van opeenvolgende aanvragen. Om dezelfde motieven zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelet op het in B.8.2 omschreven doel, te dezen niet geschonden.

B.15. Het eerste middel is niet gegrond.

B.16. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5465 leiden een tweede middel af uit de schending, door de voormelde bepalingen, van artikel 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met de artikelen 2, 3, 4, 24, lid 1, en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met de artikelen 17 en 18 van richtlijn 2003/9/EG, met artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, alsook met artikel 17 van het Herziene Europees Sociaal Handvest.

Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen, toegepast op minderjarigen, de belangen van het kind niet als de eerste overweging beschouwen door hen ertoe te verplichten zonder middelen op straat te leven en door hen geen bijzondere beschermingsmaatregelen toe te kennen.

De bestreden bepalingen zouden eveneens in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie door, zonder objectieve en redelijke verantwoording, categorieën van personen die zich in verschillende situaties bevinden, op identieke wijze te behandelen, namelijk de minderjarige asielzoekers en de meerderjarige asielzoekers.

B.17. Krachtens artikel 22bis van de Grondwet is « het belang van het kind [...] de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat ».

Luidens artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind « vormen de belangen van het kind de eerste overweging ». Artikel 3, lid 2, van dat Verdrag bepaalt dat de lidstaten zich ertoe verbinden « het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn, rekening houdende met de rechten en de plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn » en « hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen [nemen] ».

Artikel 17 van richtlijn 2003/9/EG verplicht de Staten ertoe rekening te houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen bij hun omzettingsmaatregelen. Artikel 18 van de richtlijn preciseert, in verband met de minderjarigen, dat men zich voor die omzetting primair moet laten leiden door het belang van het kind.

Artikel 10, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten bepaalt dat de Staten bijzondere maatregelen ter bescherming van en ter verlening van bijstand aan kinderen en jeugdige personen moeten nemen, zonder enigerlei discriminatie.

Artikel 17 van het Herziene Europees Sociaal Handvest schrijft eveneens voor dat de partijen zich ertoe verbinden alle nodige en passende maatregelen te treffen die erop gericht zijn de kinderen en de jeugdige personen het recht te waarborgen op te groeien in een omgeving die gunstig is voor de ontplooiing van hun persoonlijkheid en voor de ontwikkeling van hun fysieke en mentale mogelijkheden.

B.18.1. Uit de bestreden bepalingen kan niet worden afgeleid dat de wetgever heeft willen afwijken van de artikelen 37, 38, 40, 41, 59 en 60 van de Opvangwet, van artikel 479 van de programmawet van 24 december 2002, alsook van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die het recht van minderjarigen op materiële hulp regelen.

De artikelen 37 en 38 van de Opvangwet bepalen dat bij alle beslissingen met betrekking tot de minderjarige het hoogste belang van de minderjarige primeert, en dat die minderjarige wordt gehuisvest bij zijn ouders of bij de persoon die het ouderlijk gezag of de voogdij over hem uitoefent. Er is overigens voorzien in een aangepaste omkadering, door Fedasil, voor de niet-begeleide minderjarigen gedurende een observatie- en oriëntatiefase, die hoogstens twintig dagen mag duren (artikelen 40, 41 en 59 van de Opvangwet).

Artikel 479 van de programmawet van 24 december 2002 bepaalt dat iedere niet-begeleide minderjarige asielzoeker de hulp geniet van een voogd, die met name ermee is belast voor hem te zorgen tijdens zijn verblijf in België, erover te waken dat hij onderwijs kan volgen, psychologische bijstand en passende medische verzorging krijgt en, wanneer hij niet in een gespecialiseerd opvangcentrum is geplaatst, dat de overheden bevoegd voor de opvang maatregelen nemen die vereist zijn om passende huisvesting te bieden. De opdracht van de voogd eindigt wanneer de niet-begeleide minderjarige daadwerkelijk van het Belgische grondgebied wordt verwijderd.

Artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt : « In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning.

De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd. [...] ».

Artikel 60 van de Opvangwet bepaalt dat Fedasil belast is met de toekenning van de materiële hulp aan minderjarigen die illegaal met hun ouders op het grondgebied verblijven en van wie de staat van behoeftigheid door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is vastgesteld, wanneer de ouders niet in staat zijn om hun onderhoudsplicht na te komen. Die hulp wordt toegekend binnen de opvangstructuren die door Fedasil worden beheerd.

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 24 juni 2004 « tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen van materiële hulp aan een minderjarige vreemdeling die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft » preciseert voorts dat de materiële hulp rekening houdt met de specifieke situatie van de minderjarige en bestaat uit huisvesting in gemeenschapsverband, voeding, sociale en medische begeleiding, hulp bij vrijwillige terugkeer en het recht op onderwijs waarborgt.

B.18.2. Uit de voormelde bepalingen blijkt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, de minderjarige asielzoekers het recht op materiële hulp dat hun aldus, onder de daarin vastgestelde voorwaarden, is erkend, niet verliezen.

B.19. Onder voorbehoud van de interpretatie vermeld in B.18, is het tweede middel niet gegrond.

Wat artikel 11 van de wet van 19 januari 2012 betreft B.20. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5465 voeren twee middelen aan tegen het bestreden artikel 11 van de wet van 19 januari 2012, dat artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wijzigt.

Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met de richtlijn 2003/9/EG van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, met de artikelen 2, 4, 9, 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met de artikelen 13, 30 en E van het Herziene Europees Sociaal Handvest.

Een tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met de artikelen 2, 3 en 4 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met de artikelen 17 en 18 van richtlijn 2003/9/EG, met artikel 10 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met artikel 17 van het Herziene Europees Sociaal Handvest.

De verzoekende partijen verwijzen, wat de uiteenzetting van die twee middelen betreft, naar de middelen die zijn ontvouwd met betrekking tot artikel 4, c), en artikel 5 van de bestreden wet.

B.21. De wijziging van artikel 57ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ingevoerd bij het bestreden artikel 11, is noodzakelijk geacht, rekening houdend met het nieuwe artikel 4 van de Opvangwet (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0813/011, p. 11).

In het verslag namens de commissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke Hernieuwing is, in verband met die bepaling, vermeld : « Mevrouw [...] zou niet willen dat het einde van het recht op opvang met materiële hulp leidt tot een recht op financiële of andere hulp in het raam van de sociale bijstand. Een en ander zou een voor de OCMW's gevaarlijk aanzuigeffect met zich brengen. In bepaalde steden werden EU-lidstaten al terecht uitgesloten. Die uitsluiting wordt in principe ook in Nederland toegepast. Ze moet in de Belgische wet worden verankerd.

Volgens mevrouw [...] is het van wezenlijk belang te voorkomen dat de materiële steun wordt omgevormd tot een recht op financiële bijstand.

In nagenoeg alle schriftelijke adviezen werd gewezen op het gevaar dat iemand zonder materiële steun zich tot het OCMW wendt om financiële bijstand te krijgen. Wel impliceert deze regeling ook dat het recht op opvang moet worden gehandhaafd tijdens de hele procedure, inclusief die voor de Raad van State » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-0813/12, p. 23).

B.22. Rekening houdend met het doel dat de wetgever wilde nastreven, namelijk een zeker aantal tweede aanvragen ontmoedigen die alleen bedoeld zijn om het recht op opvang te verlengen, is het, om motieven die identiek zijn aan die welke in B.9 en B.11 zijn uiteengezet, redelijk verantwoord dat de wetgever een maatregel neemt om te vermijden dat de aldus voorziene beperking van de materiële hulp wordt omzeild door de toekenning van een financiële hulp ten laste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Een dergelijke maatregel doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken asielzoekers indien de bij de wet bepaalde voorwaarden, waaraan in B.10 en B.11 wordt herinnerd, in acht worden genomen bij de uitvoering ervan.

B.23. Het middel is niet gegrond.

Wat artikel 6, b), c) en d), van de wet van 19 januari 2012 betreft B.24. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5465 voeren de schending aan van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met het algemeen evenredigheidsbeginsel alsook met artikel 2 van richtlijn 2003/9/EG, door het bestreden artikel 6, b), c) en d), van de wet van 19 januari 2012, in zoverre het het recht op materiële hulp van de asielzoekers zou hebben opgeheven, enerzijds, tijdens de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroepsprocedure en tijdens de voor de Raad van State ingestelde cassatieprocedure en, anderzijds, gedurende de termijnen om die beroepen in te stellen.

B.25.1. Artikel 6, § 1, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij artikel 161 van de wet van 30 december 2009, bepaalde : « Onverminderd de toepassing van artikel 4, tweede lid, van de huidige wet, geldt het voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure, met inbegrip van de beroepsprocedure, ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het recht op materiële hulp is eveneens van kracht tijdens de procedure van het administratieve cassatieberoep bij de Raad van State op grond van artikel 20, § 2, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Het recht op materiële hulp blijft behouden gedurende de termijnen voor het instellen van de in voorgaande lid bedoelde beroepsprocedures.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp : 1° na een termijn van vijf dagen die volgt op de datum waarop een beslissing van een van de organen, bedoeld in het eerste lid, definitief wordt en niet vatbaar voor beroep, als op dat moment de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is;2° de dag volgend op de dag waarop de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstrijkt als op de datum waarop een beslissing van de organen bedoeld in het eerste lid definitief wordt en niet vatbaar voor beroep, de uitvoeringstermijn om het grondgebied te verlaten nog niet verstreken is maar ten vroegste na een termijn van vijf dagen te rekenen vanaf de bovengenoemde beslissing. Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

Luidens de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 30 december 2009 : « Op dit ogenblik hebben alle asielzoekers recht op materiële hulp binnen een opvangstructuur vanaf het ogenblik dat ze asiel aanvragen en dit gedurende de hele asielprocedure, met inbegrip van de beroepen.

In grote lijnen wordt de hulp toegekend zodra zij een asielaanvraag indienen bij de Dienst Vreemdelingenzaken en voorts gedurende de procedure bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en tijdens het onderzoek van de beroepen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de Raad van State. Zodoende worden door artikel 6, § 1, van de voornoemde wet van 12 januari 2007, alleen de beroepen bedoeld die werden ingediend op basis van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffend de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met andere woorden, de beroepen in volle rechtsmacht ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

In zijn huidige vorm voorziet artikel 6, § 1, van de ' opvangwet ' van 12 januari 2007, gelezen in het licht van het voorbereidende werk erop (Parlementaire documenten, Senaat, Memorie van toelichting, Gewone Zitting 2005-2006, nr. 2565/001, p. 14-15), echter dat asielzoekers die een tweede asielaanvraag indienen of elke volgende asielaanvraag slechts recht hebben op opvang tussen het indienen van de nieuwe asielaanvraag en de weigering tot inoverwegingname door de Dienst Vreemdelingenzaken. De hulp wordt dus niet voortgezet wanneer een niet-schorsend beroep wordt aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van de artikelen 51/8 en 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen tegen een beslissing van niet-inoverwegingname van een meervoudige asielaanvraag (bijlage 13quater). Dat is nochtans het geval, en dit principe wordt in niets gewijzigd door de bepalingen van het ontwerp, wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag voor behandeling naar het CGVS doorstuurt » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2299/001, pp. 83-84).

B.25.2. Als gevolg van de wijziging ervan bij de bestreden bepaling en vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 april 2012, luidde artikel 6, § 1, van de wet van 12 januari 2007 als volgt : « Onverminderd de toepassing van artikel 4 en artikel 35/2 van de huidige wet, geldt het voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is.

Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

B.26. In zijn memorie voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepaling, door de woorden « met inbegrip van de beroepsprocedure, ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen » op te heffen, niet tot gevolg heeft gehad de regeling van de materiële hulp te wijzigen die van toepassing is in het kader van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroepen.

B.27.1. Artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 15 maart 2012 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » en vóór het werd gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 8 mei 2013 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen II », bepaalde : « § 1. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

De Raad kan : 1° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen;2° de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1° bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. In afwijking van het tweede lid, staat tegen de in de artikelen 57/6, eerste lid, 2° en 57/6/1 bedoelde beslissingen enkel het in § 2 bepaalde annulatieberoep open. § 2. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht ».

Artikel 39/70 van dezelfde wet bepaalt dat, behoudens toestemming van de betrokkene, geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied of terugdrijving op gedwongen wijze kan worden uitgevoerd ten aanzien van de vreemdeling tijdens de voor het indienen van het beroep vastgestelde termijn en tijdens het onderzoek van dat beroep.

B.27.2. Hieruit vloeit voort dat de op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroepen een opschortende werking hebben. De vreemdeling die een dergelijk beroep instelt, kan het recht op materiële hulp bijgevolg niet worden ontzegd.

B.28. Doordat het bestreden artikel 6 wordt verweten een einde te maken aan het recht op materiële hulp van de asielzoekers gedurende de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingestelde beroepsprocedure en gedurende de termijn om dat beroep in te stellen, is het middel bijgevolg niet gegrond.

B.29. Het Hof wordt voorts verzocht het bestreden artikel 6 te toetsen aan de in het middel beoogde grondwets- en verdragsbepalingen, wat de cassatieprocedure voor de Raad van State betreft.

B.30. Artikel 23 van de wet van 8 mei 2013 « tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » bepaalt : « Artikel 6, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 januari 2012, wordt aangevuld met de volgende zin : ' Het indienen van een cassatieberoep bij de Raad van State doet geen recht op materiële hulp ontstaan. Tijdens de behandeling van het cassatieberoep is er slechts recht op materiële hulp nadat het cassatieberoep toelaatbaar is verklaard met toepassing van artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. ' ». Die wijziging is in werking getreden op 1 september 2013. Vanaf die datum is het recht op materiële hulp hersteld voor de asielzoekers wanneer het door hen ingestelde administratief cassatieberoep toelaatbaar is verklaard.

Dat artikel 23 is tijdens de parlementaire voorbereiding als volgt verantwoord : « Het recht op materiële hulp zal worden gehandhaafd tijdens het administratief cassatieberoep voor de Raad van State, terwijl erop zal worden toegezien dat de procedures worden verkort en dat de uitvoering van de bevelen om het grondgebied te verlaten niet wordt onderbroken.

Het cassatieberoep dient te worden ingesteld tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die de asielprocedure negatief afsluit in toepassing van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Opdat geen aanzuigeffect wordt gecreëerd, zal een recht op materiële hulp pas worden verkregen nadat het administratief cassatieberoep toelaatbaar werd verklaard door de Raad van State » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2555/001 en 53-2556/001, pp. 28-29).

B.31. Nu materiële hulp van nature niet met terugwerkende kracht kan worden verleend, doen de verzoekende partijen, die verenigingen zijn, niet van een actueel belang blijken om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepaling zoals zij van toepassing is geweest in de periode van 31 maart 2012 tot 31 augustus 2013.

Wat artikel 12 van de wet van 19 januari 2012 betreft B.32.1. In een eerste middel gericht tegen het bestreden artikel 12 van de wet van 19 januari 2012 voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 5465 de schending aan van artikel 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, met de artikelen 2, 4, 9, 11, 12 en 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, alsook met de artikelen 13, 16, 30 en E van het Herziene Europees Sociaal Handvest.

B.32.2. Het bestreden artikel 12 bepaalt dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen maatschappelijke dienstverlening is verschuldigd aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, noch aan hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf of, in voorkomend geval, de langere periode bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen.

B.32.3. De bestreden bepaling wordt verweten een einde te maken aan het recht op maatschappelijke dienstverlening, met inbegrip van het recht op dringende medische hulp, voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf, alsook voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie die op het Belgische grondgebied zijn gekomen op zoek naar werk, en hun familieleden, gedurende hun hele zoektocht naar werk.

Dezelfde bepaling wordt eveneens verweten een einde te maken aan de steun voor levensonderhoud voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie tot het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht.

B.33. Het amendement dat aan de oorsprong ligt van het bestreden artikel 12, is als volgt verantwoord : « De mogelijkheid om EU-burgers uit te sluiten van bijstand tijdens de eerste maanden van hun verblijf wordt expliciet geboden door de richtlijn van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. De indieners wensen deze bepaling uit de richtlijn om te zetten. Financiële steun zal slechts mogelijk zijn nadat het duurzaam verblijf bekomen is.

De Europese richtlijn 2004/38 voorziet inderdaad in het verblijfsrecht voor EU-onderdanen en hun familieleden in een andere EU-lidstaat (= de vrije termijn) om zich naar die lidstaat te begeven als werknemer of er een zelfstandige activiteit uit te oefenen. Rekening houdende met considerans 10 van de richtlijn, behoudt de lidstaat nog steeds de mogelijkheid om het recht op sociale bijstand niet toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van het verblijf van de EU-burger in de andere lidstaat. Het artikel 24, 2°, voorziet uitdrukkelijk in deze bepaling.

Het niet omzetten van deze bepaling zou ons systeem van sociale bescherming op de helling zetten, doordat we momenteel, ingevolge de soepelere regels inzake vrij verkeer, worden geconfronteerd met een massale toestroom van EU-onderdanen, die, in tegenstelling tot hetgeen in de ons omringende landen het geval is, in België onmiddellijk sociale bijstand kunnen genieten, waarmee op termijn een nog grotere schending van de standstill-verplichting vervat in artikel 23 van de Grondwet dreigt. Het risico is immers reëel dat door het niet omzetten van deze bepaling uit de richtlijn de overheid het beschermingsniveau dat bestond ten tijde van de invoering van artikel 23 van de Grondwet in de toekomst niet langer zal kunnen garanderen. Een wetgevend ingrijpen is dan ook nodig en verantwoord. Bij de opstelling van richtlijn 2004/38/EG is gestreefd naar een balans tussen enerzijds het belang van een onbelemmerd personenverkeer binnen het grondgebied van de EU, en anderzijds de door het Gemeenschapsrecht erkende belangen van de lidstaten. Naast overwegingen inzake openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid moet bij het laatste onder meer worden gedacht aan overwegingen inzake de financierbaarheid van de (niet geharmoniseerde) sociale stelsels; ten gevolge van migratiebewegingen zou onder omstandigheden een disbalans kunnen ontstaan tussen enerzijds de mate waarin personen - direct of indirect - bijdragen aan de financiering van de sociale stelsels, en anderzijds de mate waarin aan personen de voordelen uit die stelsels toekomen.

Richtlijn 2004/38/EG vormt de resultante van deze afwegingen.

Enerzijds uitgaande van de wens de belemmeringen voor het personenverkeer binnen de EU zo veel mogelijk weg te nemen, zijn anderzijds beperkingen mogelijk gemaakt teneinde de risico's van de hiervoor genoemde disbalans te voorkomen. Beide zaken vullen mekaar aan. Bij een vergaande vrijheid van personenverkeer is een verdergaande mogelijkheid om uitkeringsrechten te kunnen beperken noodzakelijk. Omgekeerd zal, bij een geclausuleerd verkeers- en verblijfsrecht, het minder nodig zijn om uitkeringsrechten te beperken van personen die van dit verkeersrecht gebruik hebben gemaakt; ten gevolge van de clausuleringen van het verblijfsrecht zijn de financiële risico's voor de stelsels dan controleerbaar. Zoals de Gemeenschapswetgever zijn wij van oordeel dat een inperking van de rechten van EU-onderdanen inzake het recht op sociale bijstand om al die redenen noodzakelijk en verantwoord is.

Bovendien heeft de minister nu reeds de mogelijkheid het verblijfrecht in te trekken indien de EU-burger niet langer voldoet aan de voorwaarden om in ons land te verblijven, met name als werknemer of als zelfstandige en hij een onredelijke belasting zou betekenen voor het sociaal bijstandsstelsel (artikel 42bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen). Art. 7, 3, b van de Richtlijn 2004/38 stelt zelfs dat de EU-burger minimaal 1 jaar als werknemer of zelfstandige moet hebben gewerkt om het recht op verblijf te behouden indien hij onvrijwillig werkloos zou worden » (Parl. St., Kamer, 2011-2012, DOC 53-0813/011, pp. 10 en 11).

B.34.1. Considerans 10 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, waarnaar in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling wordt verwezen, bepaalt : « Personen die hun recht van verblijf uitoefenen mogen evenwel tijdens het begin van hun verblijfsperiode geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland. Daarom dient het recht van verblijf van een burger van de Unie en zijn familieleden voor perioden van meer dan drie maanden aan bepaalde voorwaarden te zijn verbonden ».

B.34.2. Artikel 24 van dezelfde richtlijn waarnaar eveneens wordt verwezen, bepaalt : « 1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten. 2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of -lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden ». B.35. Volgens de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, beoogt die laatste de omzetting van de mogelijkheid waarin artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38/EG voorziet, teneinde te vermijden dat de overheden het niveau van bescherming dat bestond vóór de aanneming van de bestreden bepaling in de toekomst niet meer kunnen waarborgen, rekening houdend met de massale toestroom van onderdanen van de Unie waaraan België het hoofd moet bieden. Voor de wetgever ging het immers erom een evenwicht na te streven tussen het vrije verkeer van personen op het grondgebied van de Unie en de mogelijkheid om de sociale stelsels verder te kunnen blijven financieren.

B.36.1. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat ieder het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de onderscheiden wetgevers, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op sociale bijstand. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt niet wat die rechten, waarvan enkel het beginsel wordt uitgedrukt, impliceren, waarbij elke wetgever ermee is belast die rechten te waarborgen, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten.

B.36.2. Artikel 23 van de Grondwet bevat inzake het recht op sociale bijstand een standstill-verplichting die de bevoegde wetgever verbiedt het beschermingsniveau aanzienlijk te verminderen zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan.

B.36.3. Die grondwetsbepaling vereist niet dat de bedoelde rechten door de wetgever voor ieder individu op dezelfde manier moeten worden gewaarborgd en staat derhalve niet eraan in de weg dat die rechten voor sommige categorieën van personen worden beperkt en gemoduleerd, op voorwaarde dat voor het verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat.

B.37. In beginsel kan die achteruitgang die de bestreden bepaling invoert ten aanzien van het recht op maatschappelijke dienstverlening worden verantwoord door de noodzaak, voor de wetgever, om het bestaande systeem van sociale bescherming te vrijwaren. Rekening houdend met het vrije verkeer dat de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie genieten en dat aanzienlijke migratiestromen mogelijk maakt, vermocht de wetgever immers ervan uit te gaan dat gebruik moest worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 24, lid 2, van de voormelde richtlijn hem biedt om het recht van die onderdanen op maatschappelijke dienstverlening bij hun aankomst op het Belgische grondgebied te beperken. Aangezien de bestreden maatregel in de tijd is beperkt, doet een dergelijke achteruitgang in beginsel niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen.

B.38. Het motief dat steunt op de omzetting van een Europese richtlijn, terwijl die omzetting niet overeenstemt met de voorschriften ervan en met de interpretatie die het Hof van Justitie van de Europese Unie eraan geeft, zou evenwel geen motief van algemeen belang kunnen vormen, dat een achteruitgang van de sociale bijstand zoals bedoeld in artikel 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zou kunnen verantwoorden.

Er dient bijgevolg te worden bepaald of artikel 12 van de bestreden wet verenigbaar is met artikel 24 van de voormelde richtlijn 2004/38/EG, waarin het beginsel van gelijkheid tussen de eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat en de onderdanen van andere lidstaten die op het grondgebied van die eerstgenoemde Staat verblijven, is verankerd.

B.39. Volgens het Hof van Justitie moet artikel 24, lid 2, van de richtlijn « als afwijking van het beginsel van gelijke behandeling dat is neergelegd in artikel 18 VWEU en waaraan artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 slechts specifieke uitdrukking geeft, [...] strikt en in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, met inbegrip van die inzake het burgerschap van de Unie en het vrije verkeer van werknemers, worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C-22/08 en C-23/08, Jurispr. blz. I-4585, punt 44, en arrest Commissie/Oostenrijk, reeds aangehaald, punten 54 en 56 » (HvJ, 21 februari 2013, L.N., C-46/12, punt 33).

B.40. Het Hof onderzoekt de aangevoerde grieven in het licht van het bovenstaande.

Ten aanzien van de Unieburgers, niet-Belgen, die de status van werknemer hebben of behouden en hun familieleden B.41. De verzoekende partijen verwijten het bestreden artikel 12 van de wet van 19 januari 2012, dat het door de algemene bewoordingen waarin het is gesteld, ook toelaat om maatschappelijke dienstverlening te weigeren aan Unieburgers, niet-Belgen, die de status hebben van werknemer, of deze status hebben behouden en hun familieleden, wat niet wordt toegelaten door artikel 24, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG. B.42.1. Zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld, blijkt uit de bewoordingen van artikel 24, lid 2, van de richtlijn dat de daarin vervatte afwijking op het gelijkheidsbeginsel niet tegenstelbaar is aan werknemers, of personen die die status hebben behouden, of hun familieleden (HvJ, 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C-22/8 en C-23/08, punt 34; 21 februari 2013, L.N., C-46/12, punt 35; 19 september 2013, Brey, C-140/12, punt 66). Dit beginsel geldt niet enkel voor de sociale bijstand bedoeld in artikel 24, lid 2, van de richtlijn, maar tevens voor de steun voor levensonderhoud, in de vorm van een studiebeurs of -lening, bedoeld in die bepaling, wanneer deze wordt toegekend aan werknemers (HvJ, 21 februari 2013, L.N., C-46/12, punten 50 en 51).

B.42.2. Hieruit vloeit voort dat, in zoverre artikel 12 van de bestreden wet van toepassing is op, enerzijds, de Europese burgers, onderdanen van een andere lidstaat, die werknemers zijn of personen die die status behouden, en, anderzijds, hun familieleden, die bepaling - en de perken die zij bevat ten aanzien van de toegang tot de maatschappelijke dienstverlening en de steun voor levensonderhoud - buiten het personele toepassingsgebied van artikel 24, lid 2, van de voormelde richtlijn 2004/38/EG valt.

B.42.3. Door het het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogelijk te maken om aan de Europese burger, niet-Belg, die de hoedanigheid van werknemer heeft of behoudt, alsook aan zijn familieleden, het voordeel van de maatschappelijke dienstverlening te weigeren gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf, alsook het voordeel van de steun voor levensonderhoud tot het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht in België, heeft artikel 12 van de bestreden wet bovendien een verschil in behandeling ingevoerd dat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 24, lid 1, van de richtlijn (HvJ, 21 februari 2013, L.N., C-46/12, punt 51; 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C-22/8 en C-23/8, punt 32).

B.43. Hieruit vloeit voort dat, ten aanzien van de burgers van de Unie, niet-Belgen, die de hoedanigheid van werknemer (al dan niet in loondienst) hebben of behouden, alsook hun familieleden, de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 24 van de richtlijn 2004/38/EG. B.44. Artikel 12 van de bestreden wet dient bijgevolg te worden vernietigd in zoverre het van toepassing is op de burgers van de Unie, niet-Belgen, die de status van werknemer (al dan niet in loondienst) hebben of behouden, alsook op hun familieleden die legaal op het grondgebied verblijven.

Ten aanzien van de steun voor levensonderhoud voor de burgers van de Unie andere dan werknemers en hun familieleden B.45. Het Hof dient nog te onderzoeken of artikel 12 van de wet van 19 januari 2012 in overeenstemming is met de in B.32.1 vermelde bepalingen, doordat het de steun voor levensonderhoud ontzegt aan de burgers van de Unie, niet-Belgen, andere dan werknemers, en hun familieleden, vooraleer zij een duurzaam verblijfsrecht hebben verworven.

B.46.1. In zoverre artikel 12 van de wet van 19 januari 2012 de omzetting beoogt van artikel 24, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG, is het - zoals de Ministerraad opmerkt - redelijk ervan uit te gaan dat de wetgever aan het begrip « steun voor levensonderhoud » dezelfde inhoud heeft willen geven als die welke de Europese wetgever eraan heeft gegeven en derhalve toe te laten de steun voor levensonderhoud voor studies toegekend in de vorm van een studiebeurs of een studielening, te weigeren zolang geen duurzaam verblijfsrecht is verkregen.

B.46.2. In de interpretatie vermeld onder B.46.1, valt artikel 12 van de bestreden wet onder het toepassingsgebied van artikel 24, lid 2, van de richtlijn, in zoverre zij het mogelijk maakt om, vóór de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht, een « steun voor levensonderhoud », te weigeren aan de burger van de Europese Unie die geen Belg is, op voorwaarde evenwel - zoals aangegeven in B.42.1 - dat hij geen werknemer is, noch een persoon die die hoedanigheid heeft behouden, of diens familielid.

B.47. In die interpretatie, schendt de bestreden bepaling de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet niet.

Ten aanzien van werkzoekende Unieburgers en hun familieleden B.48.1. Op grond van artikel 24, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG is het gastland niet verplicht om een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden van verblijf. Voor werkzoekende Unieburgers die zich naar een andere lidstaat begeven, kan deze uitsluiting langer duren, met name gedurende de periode bedoeld in artikel 14, lid 4, onder b), van de richtlijn. Die burgers van de Unie kunnen immers langer dan drie maanden in de gastlidstaat verblijven zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld. Gedurende die periode mag hen volgens artikel 24, lid 2, van de vermelde richtlijn het recht op sociale bijstand worden geweigerd.

B.48.2. Volgens het bestreden artikel 12 van de wet van 19 januari 2012 is geen maatschappelijke dienstverlening verschuldigd aan werkzoekende burgers van de Unie, niet-Belgen, en hun familieleden gedurende de periode bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Op grond van die laatste bepaling kan een verblijfsrecht worden toegekend aan burgers van de Unie die werk zoeken, zolang zij kunnen bewijzen dat zij werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

B.49. Volgens het Hof van Justitie vallen « uitkeringen van financiële aard bestemd om de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken », buiten het toepassingsgebied van artikel 24, tweede lid, van de vermelde richtlijn (HvJ, 4 juni 2009, Vatsouras en Koupatantze, C-22/08 en C-23/08, punt 45). De toegang tot dergelijke uitkeringen is evenwel niet onvoorwaardelijk en kan afhankelijk worden gemaakt van het bestaan van een werkelijke band met de arbeidsmarkt, waarbij die band « met name [kan] blijken uit de vaststelling dat de persoon in kwestie tijdens een redelijke periode effectief werk heeft gezocht in de betrokken lidstaat » (ibid., punten 38-39).

B.50.1. De maatschappelijke dienstverlening die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verschuldigd is, heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid (artikel 1, eerste lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn) en wordt toegekend rekening houdend met de individuele behoeften van de aanvrager. Hoewel bij de toekenning van dergelijke sociale bijstand rekening wordt gehouden met de werkbereidheid van de aanvrager of in een individueel geval ook de inschakeling in het beroepsleven kan worden bevorderd, kan niet worden gesteld dat het gaat om « uitkeringen van financiële aard bestemd om de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken », in de zin zoals bedoeld in B.49.

Indien aan die interpretatie de voorkeur zou worden gegeven, dan zou immers elke werkzoekende burger van de Unie om maatschappelijke dienstverlening kunnen verzoeken, omdat hij als werkzoekende per definitie werkbereid is en in het beroepsleven wil worden ingeschakeld, wat ingaat tegen artikel 24, lid 2, van de richtlijn, dat juist de uitsluiting van werkzoekenden uit het sociale bijstandsstelsel toelaat tijdens de periode dat zij werk zoeken.

B.50.2. Het bovenstaande sluit niet uit dat die werkzoekende burgers van de Unie onder bepaalde voorwaarden recht kunnen hebben op uitkeringen van financiële aard bestemd om de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, wanneer zij een werkelijke band met de arbeidsmarkt vertonen. Het onderzoek daarvan valt evenwel niet binnen het voorwerp van het beroep tot vernietiging.

B.51. In zoverre zij de situatie beogen van werkzoekende burgers van de Unie, niet-Belgen, zijn de middelen niet gegrond.

Wat de dringende medische hulpverlening betreft B.52.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5465 voeren aan dat de bestreden bepaling een discriminerend verschil in behandeling tot stand zou brengen ten opzichte van de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden aangezien zij geen aanspraak meer kunnen maken op de dringende medische hulp ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, terwijl de illegaal in het Rijk verblijvende vreemdelingen daarop aanspraak kunnen maken met toepassing van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

B.52.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5467 voeren van hun kant aan dat de bestreden bepaling een discriminerend verschil in behandeling invoert tussen, enerzijds, de geneesheren en de ziekenhuizen die levensnoodzakelijke zorg verstrekken aan illegaal in België verblijvende vreemdelingen en, anderzijds, de geneesheren en de ziekenhuizen die zorg verstrekken aan onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf of de langere periode bepaald in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980, aangezien in het laatste geval het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de kosten voor de dringende medische hulp die werd verstrekt, niet ten laste moet nemen.

B.53.1. Het voormelde artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt : « In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot : 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; [...] ».

B.53.2. Artikel 57, § 2, derde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigt de Koning ertoe te bepalen wat onder dringende medische hulp moet worden begrepen.

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 december 1996 « betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven » definieert die als : « hulp die een uitsluitend medisch karakter vertoont en waarvan de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. Deze hulp kan geen financiële steunverlening, huisvesting of andere maatschappelijke dienstverlening in natura zijn.

Dringende medische hulp kan zowel ambulant worden verstrekt als in een verplegingsinstelling, zoals bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Dringende medische hulp kan zorgverstrekking omvatten van zowel preventieve als curatieve aard ».

B.54. Zoals aangegeven in B.33 tot B.35, beoogt het bestreden artikel 12 van de wet van 19 januari 2012, evenals artikel 24, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG waarvan het de omzetting vormt, een evenwicht te vinden tussen het vrije verkeer van personen op het grondgebied van de Unie en de zorg om het systeem van sociale bescherming van de lidstaten te kunnen blijven financieren.

B.55.1. Het is niet uitgesloten dat er burgers van de Unie zijn die gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf noch onder de Belgische ziekteverzekering vallen, noch onder die van hun land van herkomst, noch over een verzekering beschikken die de ziektekosten in het land volledig dekken.

B.55.2. Wanneer zij een beroep doen op het sociale bijstandstelsel, kan er in de artikel 42bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoelde gevallen een einde worden gesteld aan hun verblijfsrecht en kunnen zij, overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn 2004/38/EG, het voorwerp uitmaken van een verwijderingsmaatregel.

B.55.3. Aldus verschilt hun situatie niet fundamenteel van die van de vreemdelingen die illegaal in het Rijk verblijven. Luidens artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten aanzien van die categorie van vreemdelingen beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp.

Ten gevolge van de bestreden bepaling blijven burgers van de Unie gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf daarentegen verstoken van die dringende medische hulp.

B.55.4. Het Hof dient na te gaan of het verschil in behandeling dat hieruit voortvloeit, redelijk is verantwoord.

B.55.5. In zoverre de wetgever beoogt de financierbaarheid van de sociale bijstand te verzekeren, streeft hij een wettig doel na. Uit de artikelen 14 en 24 van de richtlijn 2004/38/EG blijkt overigens de zorg van de Uniewetgever dat de burgers van de Unie die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer, geen onredelijke belasting zouden vormen voor het sociale bijstandsstelsel van het gastland.

B.55.6. Door burgers van de Europese Unie de dringende medische hulpverlening te ontzeggen gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf heeft de wetgever een maatregel genomen die pertinent is ten aanzien van het nagestreefde doel : die beperking van het recht op dringende medische hulp leidt er immers toe dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de federale overheid de medische kosten die voortvloeien uit de dringende medische hulp niet te hunnen laste moeten nemen.

B.55.7. Het Hof dient evenwel nog na te gaan of de bestreden maatregel evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel.

B.55.8. Te dien aanzien dient te worden opgemerkt dat in de meeste gevallen burgers van de Unie tijdens de eerste drie maanden van hun verblijf op het Belgische grondgebied hetzij onder de Belgische ziekteverzekering of onder die van hun land van herkomst vallen, hetzij over een verzekering dienen te beschikken die de ziektekosten in het land volledig dekken.

B.55.9. Opdat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dringende medische hulp dient te verlenen, volstaat het niet dat, overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 december 1996 « betreffende de dringende medische hulp die door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven », een medisch getuigschrift de dringendheid ervan aantoont. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dient middels een sociaal onderzoek na te gaan of de behoefte aan dienstverlening bestaat en welke de omvang ervan is (artikel 60, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976). De dringende medische hulp zal niet verschuldigd zijn wanneer uit dat onderzoek zou blijken dat de betrokkene onder de Belgische ziekteverzekering of onder die van zijn land van herkomst valt of dat hij over een verzekering zou beschikken die de ziektekosten in het land volledig dekken. Hetzelfde geldt wanneer de betrokkene over andere bestaansmiddelen beschikt.

B.55.10. Ten slotte bepaalt artikel 42bis, § 1, van de wet van 15 december 1980 : « Er kan een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie door de minister of zijn gemachtigde indien hij niet meer voldoet aan de in artikel 40, § 4, en de in artikel 40bis, § 4, tweede lid, bedoelde voorwaarden of, voor de in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen, indien hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandstelsel van het Rijk.De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan ».

In zoverre de burger van de Unie die dringende medische hulp ontvangt niet langer aan de voormelde voorwaarden voldoet of een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, kan er, behoudens in de in artikel 42bis, § 2, van diezelfde wet bepaalde gevallen, een einde worden gesteld aan het verblijfsrecht. Bijgevolg zal de dringende medische hulp beperkt zijn tot de tijd die nodig is om de betrokkene van het grondgebied te verwijderen.

B.55.11. Gelet op het voorgaande, is het betwiste verschil in behandeling niet redelijk verantwoord.

B.55.12. In zoverre het de openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toelaat de dringende medische hulp te weigeren aan de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en aan hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van het verblijf, schendt het bestreden artikel 12 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In die mate is het middel gegrond en is er geen noodzaak het middel van de verzoekende partijen in de zaak nr. 5467 te onderzoeken.

Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 12 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers in zoverre het van toepassing is op de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie, die de status van werknemer (al dan niet in loondienst) hebben of behouden, alsook op hun familieleden die legaal op het grondgebied verblijven, en in zoverre het de openbare centra voor maatschappelijke welzijn toelaat de dringende medische hulp te weigeren aan de onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie en aan hun familieleden gedurende de drie eerste maanden van het verblijf; - verwerpt de beroepen voor het overige, onder voorbehoud van de interpretaties vermeld in B.18 en B.46.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 30 juni 2014.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, J. Spreutels

^