Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 27 december 2016

Uittreksel uit arrest nr. 170/2016 van 22 december 2016 Rolnummer 6532 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 11 en 12 van de wet van 10 juli 2016 « tot wijziging van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezo Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2016206529
pub.
27/12/2016
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 170/2016 van 22 december 2016 Rolnummer 6532 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 11 en 12 van de wet van 10 juli 2016 « tot wijziging van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen [enerzijds] en tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 anderzijds », ingesteld door Rose-Anne Ducarme en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 oktober 2016 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 31 oktober 2016, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 11 en 12 van de wet van 10 juli 2016 « tot wijziging van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen [enerzijds] en tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 anderzijds » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2016) door Rose-Anne Ducarme, Laurence Erlich-Hislaire, Sander Kirsch, Alain Marteaux, Ngimbi Pasi, Chantal Schreder, Régine Gossart, Myriam Berquin, Christine Henseval, Carine Duray-Parmentier, Cédric Fogeron, Sophie Vandevelde, Sabine Muller, Marie-Hélène Dubois, Marie-Géralde Alcindor, Jean-Bernard Lievens, Hélène Baeten, Vincent Dupont, Philippe Vrancken, Ybe Casteleyn, Myriam Eliat, Felice Dattoli, Kristel Ogiers, Véronique Diliën, Anouk Pierre, Eva Van Tilburgh, Mark Luyten, Tanja Buyst, Maxime Radisson, Katrien Wybaillie, Katia Rizzi, Sylvie Kaye, Christiane Franken, Nancy Verlée, Nathalie Piron, Sara Hendrick, Anne d'Haeyere, Walter Engelen, Ann Van Hecke, Ann Van Ingelghem, Isabelle Kopp, Wendy Schram, Ariane Vilain, Sabine Pelgrims, Lieve Lammertyn, Lief Konings, Yves Scherpereel, Catherine Pilet, Christine Janssens, Sonja Delbeecke, Carola Coenjaerts, Ann Phillips, Veerle Claes, Johan Samson, Linda Ceyssens, Marianne Philippart, Isabelle Gérard, Carla Verbeke, Ann Ceulemans, Violaine Van Custem, Sarah Papia, Nicole Mahieux, Sabine Oosthuyse, Anne De Mees, Hilde Klerkx, Elke Driesen, Myriam Vanschel, Marie-Jeanne Graindorge, Chantal Bertrand, Isabelle Taquin, Viviane Peeraer, Brigitte Verdonk, Ann Jansen, Nathalie Nenin, Martine Lagarrigue, Ilse Wils, Véronique Rogiers, Carol Devleeshouver, Carmen De Laere, Reinhilde Vermeulen, Bruno Milone, Marion Willemsen, Annick Gellens, Myriam Vandenbroeke, Marilyn Fossion, Corine Peteau, Hilde Desmyter, Sandrine Collet, Anne Chotteau, Sylvie Van Nieuwenhuyse, Sandra Salamero Imbert, Brigitte Reusens, Eléonore Crickx, Caroline Bracke, Nicolas Bay, Hilde Breda, Anja Wouters, Lara Weigel, San Vanderputten, Corinne Lenoir, Lieze Gheysens, Tat Deroost, Anne Hodiamont, Chantal Leroy, Anne Goiris, Johan Smets, Marie-Thérèse Vandenbosch, Christian Dumeunier, Katrien Van Roosendael, Corinne Urbain, Véronique De Vrieze, Françoise Thonon, Muriel Van Hauwaert, Lauro Da Silva Castelli, Mariane Lefere, Marie Huybrechts, Evi Plasschaert, Christiane Van Thielen, Myriam Ladeuze, Catherine Absil, Mathilde Chomé, Kirsten Schramme, Jeannine Gillessen, Elisabeth Kaizer, Alain Timmermans, Olivier Schouteten, François-Xavier Cabaraux, Caroline Bockstael, Carine Bossuyt, Anne Dasnoy-Sumell, Marie Liebert, Anne Bienfait, Sandra della Faille de Leverghem, Lucie Braeckevelt, Caroline Horschel, Daniel Collet-Cassart, Mercedes d'Hoop, Hilde Libbrecht, Béatrice Beghein, Juliette Raoul-Duval, Florence Bernard, Francine Schoesetters-Van Oost, Joëlle Hullebroeck, Cindy Hullebusch, Claudine Pauwels, Katrien Vandermarcke, Cédric Clause en Siegi Hirsch, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wetsbepalingen. (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging en de schorsing van de artikelen 11 en 12 van de wet van 10 juli 2016 « tot wijziging van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen [enerzijds] en tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 anderzijds ». Die artikelen bepalen : «

Art. 11.In [de wet van 10 mei 2015] wordt een artikel 68/2/1 ingevoegd, luidende : ' Art. 68/2/1. § 1. Psychotherapie is een behandelingsvorm in de gezondheidszorg waarin men op een consistente en systematische wijze een samenhangend geheel van psychologische middelen (interventies) hanteert, die geworteld zijn binnen een psychologisch wetenschappelijk referentiekader en waarbij interdisciplinaire samenwerking is vereist. § 2. De psychotherapie wordt uitgeoefend door een beoefenaar, zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2, binnen een relatie psychotherapeut-patiënt, teneinde psychologische moeilijkheden, conflicten en stoornissen bij de patiënt op te heffen of te verminderen. § 3. Om de psychotherapie te mogen uitoefenen, heeft de beoefenaar, zoals bedoeld in § 2, een specifieke opleiding psychotherapie gevolgd bij een universitaire instelling of een hogeschool. De opleiding telt minstens 70 ECTS punten.

De beoefenaar heeft tevens een professionele stage in het domein van de psychotherapie gevolgd van minstens twee jaar voltijdse uitoefening of het equivalent hiervan ingeval van deeltijdse uitoefening.

De specifieke opleiding en de professionele stage kunnen simultaan plaatsvinden.

De Koning kan nadere regels bepalen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde professionele stage. § 4. In afwijking [van de] §§ 2 en 3, kunnen ook andere beroepsbeoefenaars dan beroepsbeoefenaars zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2 op autonome wijze de psychotherapie uitoefenen voor zover zij ressorteren onder een van de volgende categorieën : a) beroepsbeoefenaars die uiterlijk in de loop van het academiejaar 2015-2016 hun studies hebben beëindigd onder volgende cumulatieve voorwaarden : 1° zij beschikken over een beroepstitel overeenkomstig deze wet;2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;3° zij kunnen uiterlijk op 1 september 2018 een bewijs voorleggen van uitoefening van de psychotherapie;b) beroepsbeoefenaars die een specifieke opleiding psychotherapie op 1 september 2016 hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten onder volgende cumulatieve voorwaarden : 1° zij beschikken over een beroepstitel overeenkomstig deze wet;2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;c) beroepsbeoefenaars die een opleiding van minimaal bachelorniveau die recht geeft op een beroepstitel overeenkomstig deze wet hebben aangevat op 1 september 2016 of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten, onder volgende cumulatieve voorwaarden : 1° zij beschikken over een beroepstitel overeenkomstig deze wet;2° zij hebben de specifieke opleiding psychotherapie zoals bedoeld in § 3, eerste lid, met vrucht beëindigd;3° zij hebben tevens een professionele stage gevolgd, zoals bedoeld in § 3, tweede lid. § 5. In afwijking [van] de §§ 2 tot 4 kunnen ook niet-beroepsbeoefenaars de psychotherapie uitoefenen mits naleving van volgende cumulatieve voorwaarden : a) het gaat om niet-autonome uitoefening van de psychotherapie onder toezicht van een beoefenaar, zoals bedoeld in de §§ 2 tot 4;b) de uitoefening heeft plaats in interdisciplinair verband met intervisie. De in het eerste lid bedoelde personen ressorteren bovendien onder één van de volgende categorieën : a) zij die uiterlijk in de loop van het academiejaar 2015-2016 hun studies hebben beëindigd onder volgende cumulatieve voorwaarden : 1° zij hebben een opleiding van minimaal bachelorniveau met vrucht beëindigd;2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;3° zij kunnen uiterlijk op 1 september 2018 een bewijs voorleggen van uitoefening van de psychotherapie;b) zij die een specifieke opleiding in de psychotherapie op 1 september 2016 hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten onder volgende cumulatieve voorwaarden : 1° zij hebben een opleiding van minimaal bachelorniveau met vrucht beëindigd;2° zij hebben een specifieke opleiding in de psychotherapie met vrucht volbracht aan een instelling;c) zij die een opleiding van minimaal bachelorniveau hebben aangevat op 1 september 2016 of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten onder volgende cumulatieve voorwaarden : 1° zij hebben een opleiding van minimaal bachelorniveau met vrucht beëindigd;2° zij hebben de specifieke opleiding psychotherapie zoals bedoeld in § 3, eerste lid, met vrucht beëindigd;3° zij hebben tevens een professionele stage gevolgd, zoals bedoeld in § 3, tweede lid. De wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt is van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde beoefenaars van de psychotherapie. § 6. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na het advies van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen te hebben ingewonnen, ook andere beroepsbeoefenaars toelaten om de psychotherapie uit te oefenen.

Desgevallend stelt Hij de voorwaarden vast waaronder zij de psychotherapie mogen uitoefenen. Deze voorwaarden hebben minstens betrekking op hun vooropleiding. § 7. De Koning kan, na advies van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, de psychotherapie nader omschrijven en voorwaarden vaststellen in verband met de uitoefening ervan, waaronder de leerstof die moet zijn verwerkt en de professionele stage, zoals bedoeld in § 3, tweede lid. '.

Art. 12.In dezelfde wet wordt een artikel 68/2/2 ingevoegd, luidend als volgt : ' Art. 68/2/2. § 1. De beroepsbeoefenaars, zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2, die op autonome wijze de psychotherapie uitoefenen, alsook de autonome beoefenaars van de psychotherapie, zoals bedoeld in artikel 68/2/1, § 4, kunnen worden bijgestaan door assistenten, de zogenoemde ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen.

De ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen stellen geen autonome diagnostische en therapeutische handelingen maar voeren voorschriften uit op verzoek en onder supervisie van de in het eerste lid vermelde beroepsbeoefenaars of van de in het eerste lid vermelde beoefenaars van de psychotherapie. § 2. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na het advies te hebben ingewonnen van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, de lijst vaststellen van de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen alsook de algemene criteria voor de erkenning van de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen.

De Koning kan, na het advies te hebben ingewonnen van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, de specifieke criteria bepalen die gelden voor ieder van de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen. ' ».

B.2.1. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat de bestreden wet is geworden, zijn de nieuwe regels met betrekking tot de uitoefening van de psychotherapie als volgt uitgelegd : « Logischerwijze dient de psychotherapie een plaats te krijgen binnen het wettelijk kader van de gezondheidszorgberoepen zodat dezelfde kwaliteitsgaranties en beschermingsmaatregelen van toepassing zijn als voor de andere gezondheidszorgberoepen.

Het ontwerp voorziet in dergelijke verankering in de wet van 10 mei 2015 op de gezondheidszorgberoepen.

In tegenstelling tot de gezondheidszorgberoepen, zoals omschreven in de wet van 10 mei 2015, is het systeem van erkenning van beroepstitels niet van toepassing op de beoefenaars van de psychotherapie. Zoals onder punt c). ' Omschrijving ' (cf. infra) wordt toegelicht, is de psychotherapie geen beroep op zich maar wel een behandelvorm die kan worden uitgeoefend door personen die reeds over een welbepaalde beroepstitel en bijhorende erkenning beschikken.

Zij dienen geen bijkomende erkenning te bekomen om de psychotherapie te mogen uitoefenen.

Zij dienen evenmin over een specifiek visum voor psychotherapie te beschikken. [...] Er werd geopteerd voor een beperkt wettelijk kader met een omschrijving van de psychotherapie; de verdere uitwerking ervan zal bij uitvoeringsbesluit worden geregeld. [...] Eerder dan een sui generis gezondheidszorgberoep, wordt de psychotherapie geconcipieerd als een behandelingsvorm die wordt beoefend door een arts, een klinisch psycholoog of een klinisch orthopedagoog in navolging van het advies nr. 7855 van de Hoge Gezondheidsraad.

Dit advies stelt dat de psychotherapie een specialisatie is van een aantal gezondheidszorgberoepen en dat het belang van de wetenschappelijke onderbouw en de complexiteit van de evaluatie van de psychotherapeutische praktijk vereist dat de basisopleiding minimaal van het masterniveau moet zijn (cfr. p. 32).

Er wordt evenwel in de mogelijkheid voorzien om bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na advies van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen ook andere beroepsbeoefenaars toe te laten de psychotherapie uit te oefenen. [...] De klinische psychologie omvat een zeer breed spectrum van psychologische zorgen gaande van infoverlening, voorlichting, preventie, sensibilisering tot psychodiagnostiek, behandeling en revalidatie. Het gaat hier met andere woorden om het basisniveau van psychologische gezondheidszorgverstrekkingen.

De psychotherapie daarentegen is één van de specialisaties binnen één aspect van de geestelijke gezondheidszorg, met name het behandelluik.

Het is een behandelvorm die zich richt tot mensen met een complexere psychologische problematiek of psychologische stoornis die nood hebben aan een vaak langer durende behandeling ingebed in een specifieke therapeutische relatie; hiervoor is een specifieke aanvullende training vereist » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1848/001, pp. 7-9).

B.2.2. Wat in het bijzonder de opleiding betreft die is vereist voor het uitoefenen van de psychotherapie, wordt in de memorie van toelichting vermeld : « Gegeven het feit dat de psychotherapie het basisniveau van psychologische gezondheidszorg overstijgt en dat het een specialistische therapievorm is voor behandeling van complexe psychische problemen, impliceert dat een aanvullende training is vereist voor het uitoefenen ervan. [...] De opleiding psychotherapie omvat minstens 70 ECTS of het equivalent hiervan indien een ander waarderingsmechanisme voor opleidingen werd gehanteerd (bijvoorbeeld opleidingen van vóór de invoering van het ECTS-systeem). [...] Daarnaast dient de beoefenaar van de psychotherapie tevens een professionele stage te hebben gevolgd die overeenstemt met twee jaar voltijdse uitoefening of het equivalent hiervan » (ibid., pp. 9-10).

B.2.3. Wat in het bijzonder de « verworven rechten » betreft van de personen die vóór de inwerkingtreding van de wet activiteiten die onder de psychotherapie ressorteren, uitoefenden, wordt in de memorie van toelichting vermeld : « In afwijking op het principe dat de psychotherapie uitsluitend kan worden uitgeoefend door een arts, klinisch psycholoog of klinisch orthopedagoog, voorziet het ontwerp zeer ruime verworven rechten voor de reeds bestaande beoefenaars van de psychotherapie alsook voor studenten die de psychotherapie wensen uit te oefenen. [...] Samengevat wordt in artikel 68/2/1, § 4, een volledige regeling voorzien van verworven rechten voor beoefenaars van de psychotherapie met WUG-titel en voor studenten in opleiding; wanneer zij aan de voorwaarden voldoen zullen zij de psychotherapie mogen (blijven) uitoefenen. De bepaling bevat met andere woorden een regularisatie voor alle personen die momenteel reeds de psychotherapie uitoefenen of een opleiding volgen om nadien de psychotherapie uit te oefenen. [...] Binnen de verworven rechten voor WUG-beroepen worden 3 categorieën voorzien, met name afgestudeerden, studenten psychotherapie en studenten basisopleiding WUG. Alle afgestudeerden die over een WUG-beroepstitel beschikken, een specifieke opleiding psychotherapie hebben gevolgd en uiterlijk op 1 september 2018 bewijs kunnen leveren van uitoefening van de psychotherapie, mogen de psychotherapie op autonome wijze blijven beoefenen.

Studenten die op 1 september 2016 een specifieke opleiding in de psychotherapie hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten, zullen de psychotherapie op autonome wijze mogen beoefenen op voorwaarde dat zij beschikken over een WUG-beroepstitel en de opleiding psychotherapie met vrucht afronden.

Studenten die op 1 september 2016 een basisopleiding WUG-beroep hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten, zullen de psychotherapie op autonome wijze mogen beoefenen op voorwaarde dat zij hun basisopleiding met vrucht beëindigen, een opleiding psychotherapie eveneens met vrucht afronden en een professionele stage van 2 jaar volgen.

De voorwaarden voor niet-WUG-beroepen om van verworven rechten voor de uitoefening van de psychotherapie te genieten, zijn een afspiegeling van die van de WUG-beroepen.

Afgestudeerden moeten beschikken over een niet-WUG beroepstitel van minimaal bachelorniveau, hebben een opleiding in de psychotherapie gevolgd en moeten op 1 september 2018 bewijs leveren van uitoefening van de psychotherapie.

De studenten psychotherapie, inclusief zij die de opleiding zullen aanvatten tijdens het academiejaar 2016-17, en die beschikken over een niet-WUG beroepstitel, zullen de psychotherapie mogen uitoefenen voor zover zij hun opleiding met vrucht afronden.

De studenten die een basisopleiding niet-WUG volgen, inclusief zij die de opleiding zullen aanvatten tijdens het academiejaar 2016-2017 zullen de psychotherapie mogen uitoefenen voor zover zij hun opleiding met vrucht afronden, vervolgens een opleiding psychotherapie met vrucht afronden en bovendien een professionele stage van 2 jaar hebben gevolgd.

Niettegenstaande de omschrijving van de voorwaarden voor verworven rechten psychotherapie identiek is voor beide categorieën, bestaat op vlak van uitoefening van de psychotherapie wel een wezenlijk verschil tussen WUG-beroepen enerzijds en niet-WUG-beroepen anderzijds.

Zo mogen de WUG-beroepen die aanspraak kunnen maken op verworven rechten autonoom de psychotherapie uitoefenen, terwijl dit niet het geval is voor niet-WUG-beroepen met verworven rechten.

Niet-WUG-beroepen mogen de psychotherapie uitsluitend op niet-autonome wijze uitoefenen binnen een interdisciplinair verband.

Deze personen staan onder supervisie van een autonome beoefenaar van de psychotherapie [...]. [...] Beroepsbeoefenaars kunnen de psychotherapie uitsluitend uitoefenen binnen het kader van de wet van 10 mei 2015. Niet-beroepsbeoefenaars vallen buiten dit kader maar zullen enkel in opdracht van en onder supervisie van een autonoom beoefenaar van de psychotherapie bepaalde handelingen kunnen stellen. Bovendien wordt de wet betreffende de rechten van de patiënt van 22 augustus 2002 expliciet op hen van toepassing verklaard.

Hoewel het op het eerste zicht paradoxaal lijkt met de nogal enge omschrijving van de psychotherapie als het specialistische niveau binnen de geestelijke gezondheidszorg waarvoor een afzonderlijke bijkomende opleiding is vereist, werd in het ontwerp geopteerd voor zeer ruime verworven rechten voor bestaande beoefenaars van de psychotherapie alsook voor de studenten in opleiding.

Enerzijds stelt men hoge eisen aan de uitoefening van de psychotherapie in de toekomst, anderzijds wil men voorkomen dat de huidige beoefenaars van de psychotherapie aan de kant worden geschoven en wil men hen nog een plaats geven binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Dit heeft onder meer voor gevolg dat ook niet-beroepsbeoefenaars (personen zonder beroepstitel conform de WUG) onder welbepaalde voorwaarden (supervisie en intervisie (cf. supra)) de psychotherapie mogen uitoefenen en zodoende de gezondheidszorg beoefenen, zij het zeer beperkt en voorwaardelijk.

Op dit vlak vormen zij een uitzondering op de definitie van gezondheidszorg zoals omschreven in artikel 2, 3°, van de wet van 10 mei 2015, met name ' diensten verstrekt door een beroepsbeoefenaar '.

Zij zijn immers geen beroepsbeoefenaar maar kunnen bij wege van overgangsmaatregel uitzonderlijk en onder strikte voorwaarden de psychotherapie als behandelvorm binnen de gezondheidszorg uitoefenen, en dit onder verantwoordelijkheid van de werkgever. [...] De bepaling die de verworven rechten omschrijft voor beoefenaars van de psychotherapie zonder WUG-titel (artikel 68/2/1, § 5, van de WUG) heeft tot doel te verhinderen dat zij die nu reeds aan de slag zijn als beoefenaar van de psychotherapie alsook zij die een carrière als beoefenaar van de psychotherapie ambiëren en hiervoor in opleiding zijn, van de ene dag op de andere de toegang tot de psychotherapie wordt ontzegd. Niettegenstaande de principieel enge visie op de psychotherapie waarbij deze een specialisme uitmaakt van de basis gezondheidszorgpsychologie of klinische psychologie, omwille van kwaliteitsoverwegingen enkel voorbehouden aan artsen, klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen (cf. supra), is het uitdrukkelijk de bedoeling om mensen die nu reeds de psychotherapie beoefenen of in opleiding zijn, niet aan de kant te schuiven maar wel een plaats te geven binnen de geestelijke gezondheidszorg, weliswaar met respect voor enkele minimale kwaliteitsgaranties. Voor hen wordt een volledige wettelijke regeling uitgewerkt.

De bepaling met betrekking tot de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen daarentegen bevat een wettelijk kader dat toelaat om professionele bachelors die zich momenteel situeren buiten de WUG maar wel in het psycho-sociale domein, een plaats te geven binnen de geestelijke gezondheidszorg.

Wil men dit wettelijk kader uitvoeren, dan moeten er bijkomende uitvoeringsbesluiten worden uitgevaardigd, met name de vaststelling van een lijst van ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen, de bepaling van transversale criteria voor alle ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen alsook de bepaling van specifieke criteria per beroep.

In tegenstelling tot artikel 68/2/1, § 5, dat een volledige regeling bevat met betrekking tot verworven rechten teneinde de huidige situatie te regulariseren, bevat artikel 68/2/2 enkel een wettelijk kader dat kan worden aangewend om eventueel (er is immers geen verplichting om dit verder uit te voeren) in de toekomst een koninklijk besluit uit te vaardigen » (ibid., pp. 10-15).

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.3.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden nagegaan.

B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.3.3. De verzoekende partijen konden tot 1 september 2016 allen zonder meer activiteiten uitoefenen die ressorteren onder de omschrijving van psychotherapie in artikel 68/2/1, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (hierna : WUG). Sinds de inwerkingtreding van de bestreden regeling op 1 september 2016 zijn zij ofwel uitgesloten van elke praktijk van de psychotherapie omdat zij geen enkel diploma op bachelorniveau hebben, ofwel zijn zij gedwongen een beperkte praktijk uit te oefenen onder het gezag van een derde die, volgens de vereisten waarin is voorzien bij de bestreden regeling, de psychotherapie op autonome wijze kan uitoefenen. Zij tonen aan dat zij aanzienlijk wat tijd hebben besteed aan opleidingen in de psychotherapie alsook aan supervisies. De meesten oefenden de activiteiten die onder de in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven psychotherapie ressorteren sedert meer dan tien jaar uit en meerderen onder hen geven opleidingen in erkende instellingen.

In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad betoogt, blijkt dat de bestreden bepaling wel degelijk de toegang tot een beroep regelt.

Artikel 68/2/1 van de WUG, in zijn geheel gelezen, definieert immers de regeling waarbinnen en de voorwaarden waaronder personen een bepaalde beroepsactiviteit kunnen uitoefenen, namelijk de psychotherapie.

De bestreden regeling bevat geen overgangsbepaling die de verzoekende partijen toestaat vanaf de inwerkingtreding van de wet van 10 juli 2016 de psychotherapie, al dan niet autonoom, verder uit te oefenen.

Die regeling lijkt de situatie van de verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig te raken, zowel diegenen die definitief van het uitoefenen van de psychotherapie worden uitgesloten als diegenen die haar voortaan niet langer autonoom kunnen uitoefenen.

B.3.4. De Ministerraad betoogt dat het beroep tot vernietiging en dus de vordering tot schorsing zouden moeten worden beperkt tot artikel 11 van de bestreden wet in zoverre het een artikel 68/2/1, § 5, heeft ingevoegd in de voormelde wet van 10 mei 2015, aangezien de andere paragrafen van die bepaling in het verzoekschrift niet worden bekritiseerd.

Hetzelfde zou gelden met betrekking tot artikel 12 van dezelfde wet, dat ook wordt bestreden, aangezien de Ministerraad betoogt dat ook die bepaling in het verzoekschrift niet zou worden bekritiseerd.

Ten slotte zouden de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep omdat zij artikel 6 van de wet van 10 juli 2016 niet hebben bestreden. Daaruit zou volgen dat in geval van vernietiging of schorsing van alleen de artikelen 11 en 12 van die wet, geen enkele overgangsmaatregel of afwijkende maatregel op hen van toepassing zou zijn, aangezien het - niet-bestreden - artikel 6 van de wet van 10 juli 2016 tot doel heeft de wet van 4 april 2014 en derhalve artikel 49 van deze laatste wet op te heffen, dat de overgangsregeling instelde die de verzoekende partijen, volgens de Ministerraad, op zich zouden willen zien toegepast worden.

B.3.5. Het onderzoek van het verzoekschrift in het huidige stadium van de procedure laat niet toe ervan uit te gaan dat de uiteenzettingen van het verzoekschrift geen betrekking hebben op het volledige artikel 11 van de wet van 10 juli 2016. Artikel 11 strekt er immers toe een omvattende regeling inzake de toegang tot het beroep van psychotherapeut vast te stellen. De verzoekende partijen voeren aan dat hun situatie, onder meer het voortzetten van beroepsactiviteiten zonder te beschikken over de vereiste titels, niet wordt geregeld bij artikel 11 van de wet van 10 juli 2016.

Die grief komt er in wezen op neer dat hun in geen enkel van de paragrafen van het artikel 68/2/1 van de WUG het recht wordt toegekend om de beroepsactiviteiten voort te zetten die ressorteren onder de omschrijving in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG. Aangezien de verzoekende partijen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe toegangsregeling op 1 september 2016 hun beroepsactiviteiten vrij konden beoefenen en die activiteiten thans uitsluitend worden voorbehouden aan de in artikel 11 van de wet van 10 juli 2016 vermelde personen en zij niet tot die categorieën behoren, vloeit het risico van het nadeel voor de verzoekende partijen uit artikel 11 in zijn geheel voort.

Hoewel het juist is dat de verzoekende partijen niet de vernietiging en de schorsing van artikel 6 van de wet van 10 juli 2016 vorderen, maakt die omstandigheid het beroep tegen de artikelen 11 en 12 van dezelfde wet niet zonder voorwerp. Het niet-bestrijden van artikel 6 heeft weliswaar tot gevolg dat artikel 49 van de wet van 4 april 2014 - waarin een overgangsregeling, die de verzoekende partijen in voorkomend geval dienstig kan zijn, vervat is - niet kan herleven, maar het impliceert eveneens dat de bij de artikelen 34 en 38, § 1, van de wet van 4 april 2014 voor het eerst opgelegde strikte voorwaarden inzake het uitoefenen van de psychotherapie opgeheven blijven, hetgeen de verzoekende partijen niet tot nadeel strekt.

B.3.6. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt, in het huidige stadium van de procedure, niet dat het beroep tot vernietiging - en derhalve eveneens de vordering tot schorsing - niet-ontvankelijk moet worden geacht.

Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.4. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot de verwerping van de vordering tot schorsing.

Wat het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft B.5. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat voor de verzoekende partijen een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen.

B.6. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.7. Als risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren de verzoekende partijen de nadelige gevolgen aan van het volledige en onmiddellijke verbod, voor sommigen van hen, om nog de psychotherapeutische praktijk uit te oefenen en, voor de anderen, het onmiddellijke verbod om nog de psychotherapeutische praktijk autonoom uit te oefenen, omdat zij niet voldoen aan de nieuwe vereisten waarin is voorzien bij de bestreden regeling.

De verzoekende partijen leiden dat risico af uit de ontstentenis van een overgangsmaatregel in de bestreden regeling. Door de inwerkingtreding van die regeling te bepalen op 1 september 2016, zonder, via een overgangsmaatregel, erin te voorzien dat alle personen die vóór die datum activiteiten uitoefenden die onder de in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven psychotherapie ressorteren, die activiteiten kunnen blijven voorzetten, zou de wetgever onherroepelijk afbreuk doen aan hun recht om hun beroep uit te oefenen, zou hij een einde maken aan hun therapeutische relatie met hun patiëntengroep, waarbij ten aanzien van die laatste de vertrouwensrelatie die in het kader van een soms langdurig therapeutisch proces is opgebouwd, wordt verbroken, en zou hij aan de oorsprong liggen van een definitief inkomensverlies.

B.8.1. Het bestreden artikel 11 verbiedt, met ingang van 1 september 2016, de verzoekende partijen de psychotherapie uit te oefenen of te blijven uitoefenen.

B.8.2.1. Luidens artikel 68/2/1, § 3, van de WUG, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 11 van de wet van 10 juli 2016, mogen alleen bepaalde beoefenaars van een gezondheidszorgberoep, in beginsel artsen, klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen, de psychotherapie uitoefenen, op voorwaarde dat zij een specifieke opleiding psychotherapie van ten minste 70 ECTS-punten hebben gevolgd bij een universitaire instelling of een hogeschool en dat zij een professionele stage in het domein van de psychotherapie hebben gevolgd van ten minste twee jaar of het equivalent hiervan in geval van deeltijdse uitoefening.

B.8.2.2. Op de voormelde regeling heeft de wetgever voorzien in twee afwijkingen.

B.8.2.3. Artikel 68/2/1, § 4, van de WUG, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 11 van de wet van 10 juli 2016, bepaalt dat andere beroepsbeoefenaars, die over een beroepstitel vermeld in de WUG beschikken, de psychotherapie kunnen uitoefenen. In tegenstelling tot wat de in B.2.3 vermelde parlementaire voorbereiding lijkt voorop te stellen, richt die eerste afwijking zich niet tot alle personen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het bestreden artikel op 1 september 2016 reeds activiteiten uitoefenden die onder de in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven psychotherapie ressorteren.

De eerste afwijking strekt immers ertoe drie categorieën van personen die reeds over een andere in de WUG vermelde beroepstitel beschikken of daarover in de nabije toekomst zullen beschikken, onder een aantal cumulatieve voorwaarden toe te laten het beroep op autonome wijze uit te oefenen : (1) de personen die uiterlijk in het academiejaar 2015-2016 hun studie hebben beëindigd; (2) de personen die reeds de specifieke opleiding psychotherapie op 1 september 2016 hebben aangevat of die deze in de loop van het academiejaar 2016-2017 aanvatten; (3) de personen die een bacheloropleiding die overeenkomstig de WUG recht geeft op een in die wet vermelde beroepstitel, op 1 september 2016 hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten.

Het bezit van minstens een diploma van bachelorniveau dat recht geeft op een beroepstitel die is vermeld in de WUG, is derhalve determinerend om de psychotherapie op autonome wijze te mogen blijven uitoefenen of in de toekomst te mogen uitoefenen.

B.8.2.4. Artikel 68/2/1, § 5, van de WUG, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 11 van de wet van 10 juli 2016, bepaalt dat ook niet-beroepsbeoefenaars, zijnde personen die niet over een beroepstitel vermeld in de WUG beschikken, de psychotherapie op niet-autonome wijze kunnen uitoefenen. In tegenstelling tot wat de in B.2.3 vermelde parlementaire voorbereiding lijkt voorop te stellen, betreft die tweede afwijking niet alle personen die, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de bestreden wet, op 1 september 2016 reeds activiteiten uitoefenden die onder de in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven psychotherapie ressorteren.

De tweede afwijking strekt immers ertoe drie categorieën van personen die minstens over een bachelordiploma beschikken dat geen recht geeft op een in de WUG vermelde beroepstitel, of daarover in de nabije toekomst zullen beschikken, onder een aantal cumulatieve voorwaarden toe te laten het beroep op niet-autonome wijze, want onderworpen aan toezicht en intervisie, uit te oefenen : (1) de personen die uiterlijk in het academiejaar 2015-2016 hun studie hebben beëindigd; (2) de personen die reeds de specifieke opleiding psychotherapie op 1 september 2016 hebben aangevat of die deze in de loop van het academiejaar 2016-2017 aanvatten; (3) de personen die een bacheloropleiding op 1 september 2016 hebben aangevat of tijdens het academiejaar 2016-2017 aanvatten.

Het bezit van minstens een diploma van de bachelorniveau is derhalve determinerend om de psychotherapie op niet-autonome wijze te mogen blijven uitoefenen of in de toekomst te mogen uitoefenen.

B.8.2.5. Naast de in B.8.2 vermelde personen die de psychotherapie mogen uitoefenen, machtigt artikel 68/2/1, § 6, van de WUG, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 11 van de wet van 10 juli 2016, de Koning om, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na advies van de Federale Raad voor de geestelijke gezondheidszorgberoepen, andere beroepsbeoefenaars toe te laten de psychotherapie uit te oefenen, en in voorkomend geval de voorwaarden vast te stellen waaronder zij de psychotherapie mogen uitoefenen.

B.8.3. Artikel 68/2/2, § 1, van de WUG, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 12 van de wet van 10 juli 2016, stelt « de ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen » in, waarvan de beoefenaars, in hun hoedanigheid van « assistenten », de beroepsbeoefenaars die de psychotherapie op autonome wijze uitoefenen, kunnen « bijstaan ». Die ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepsbeoefenaars mogen echter geen autonome diagnostische of therapeutische handelingen stellen, maar alleen voorschriften uitvoeren op verzoek en onder supervisie van de beroepsbeoefenaars die de psychotherapie op autonome wijze uitoefenen.

B.8.4. De bestreden regeling heeft tot gevolg dat personen die op 1 september 2016 geen houder zijn van een WUG-beroepstitel, de uitoefening van hun beroepsactiviteiten niet op autonome wijze mogen voortzetten. Degenen, die op 1 september 2016 geen houder zijn van een bachelordiploma, kunnen geen enkele praktijk, zelfs geen niet-autonome, meer uitoefenen.

B.8.5. Het door de verzoekende partijen aangevoerde risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt gelijkgesteld met een vorm van beroepsverbod, op zijn minst voor een autonome psychotherapeutische praktijk : bij ontstentenis van enige overgangsmaatregel die hun, in voorkomend geval en met inachtneming van bepaalde voorwaarden, de mogelijkheid zou bieden om vanaf 1 september 2016 hun activiteiten voort te zetten, berokkent dat verbod hun rechtstreeks een nadeel dat niet kan worden hersteld door een eventuele vernietiging van het bestreden artikel 11.

Wat de ernst van de middelen betreft B.9.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 16, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, alsook met de algemene rechtsbeginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde bepalingen en beginselen.

B.9.2. Het aangevoerde risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vloeit uitsluitend voort uit de ontstentenis van enige overgangsmaatregel die de verzoekende partijen de mogelijkheid biedt de uitoefening van hun activiteiten die onder de in de artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven psychotherapie ressorteren, voort te zetten.

Het Hof beperkt zijn onderzoek van het ernstige karakter tot het eerste en het tweede middel in zoverre zij zijn gericht tegen de bepaling waarvan de onmiddellijke uitvoering een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan de verzoekende partijen kan berokkenen.

B.9.3. Het ernstig middel mag niet worden verward met het gegrond middel.

Opdat een middel als ernstig wordt beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, volstaat het niet dat het kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure.

B.10. De ontstentenis van overgangsmaatregelen zou, volgens de verzoekende partijen, niet redelijk verantwoord zijn. Zij zouden zich in geen geval kunnen aanpassen aan de nieuwe regeling, die onmiddellijk en ongeacht de ervaring die zij hebben verworven, de opleidingen die zij hebben gevolgd, de omvang van hun patiëntengroep of de anciënniteit van de uitoefening van de psychotherapie, van toepassing is. Door met onmiddellijke ingang en zonder overgangsperiode te voorzien in de verplichting om nieuwe voorwaarden in acht te nemen om de psychotherapie uit te oefenen, en in het onmiddellijke verbod om die uitoefening voort te zetten, zou artikel 11 afbreuk doen aan hun rechtmatige verwachtingen.

B.11.1. Niemand kan aanspraak maken op het ongewijzigd blijven van een beleid of te dezen het blijvend niet-regelen van de uitoefening van de psychotherapie. Elke wetswijziging of het uitvaardigen van een volledig nieuwe regeling zou immers onmogelijk worden, mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling in strijd zou zijn met het beginsel van rechtszekerheid om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt of dat zij een volledig nieuwe verbodsregeling invoert, en om de enige reden dat zij bepaalde beroepskeuzen in de war zou sturen.

Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden.

Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het - tevens door de verzoekende partijen aangevoerde - rechtszekerheidsbeginsel, dat de wetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien.

B.11.2. Bij de beoordeling, in de in B.9.2 gepreciseerde mate, van de ernst van het eerste en het tweede middel dient het Hof rekening te houden met de omstandigheid dat de wet van 10 juli 2016 de wet van 4 april 2014 « tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen » heeft vervangen. Die wet, die eveneens op 1 september 2016 in werking moest treden, is dus nooit toegepast.

De voormelde wet van 4 april 2014 strekte onder meer ertoe voor de eerste keer een wetgevend kader te scheppen voor de uitoefening van de psychotherapie door die uitoefening en het voeren van de titel van psychotherapeut te onderwerpen aan het verkrijgen van een machtiging verleend door de Federale Raad voor de psychotherapie met inachtneming van de voorwaarden die door de Koning dienden te worden bepaald, en mits werd voldaan aan de bij artikel 38 ervan opgelegde diploma- en opleidingsvoorwaarden. Artikel 49 van die wet bevatte echter een overgangsbepaling die « de beoefenaars die op de datum waarop [de] wet wordt bekendgemaakt een voldoende psychotherapeutische praktijk en een voldoende opleiding ter zake kunnen bewijzen » de mogelijkheid bood om de psychotherapeutische praktijk te blijven uitoefenen tot de inwerkingtreding van een koninklijk besluit dat de procedure diende te bepalen waarmee diezelfde personen « hun opleiding en hun vroegere ervaring » zouden « kunnen doen gelden om de titel van psychotherapeut te kunnen voeren ».

B.11.3. Hoewel in de memorie van toelichting van het wetsontwerp wordt aangegeven dat de bestreden wet voorziet in een volledige regeling van verworven rechten voor reeds bestaande beoefenaars van activiteiten die onder de in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven psychotherapie ressorteren, behoudt artikel 11 van de wet van 10 juli 2016 vanaf de inwerkingtreding ervan de voortzetting van de uitoefening van die beroepsactiviteiten op autonome wijze voor aan de houders van een WUG-beroepstitel of aan diegenen die uiterlijk in het academiejaar 2016-2017 een opleiding op bachelorniveau die recht geeft op een WUG-titel hebben aangevat. De voortzetting van die activiteiten op niet-autonome wijze is vanaf de inwerkingtreding van artikel 11 voorbehouden aan de houders van een ander bachelordiploma. Door die nieuwe vereisten op datum van 1 september 2016 in werking te doen treden zonder het mogelijk te maken dat de personen die voorafgaand aan die datum de in artikel 68/2/1, § 1, van de WUG omschreven activiteiten uitoefenden, die activiteiten onder de door de wetgever bepaalde voorwaarden kunnen voortzetten zonder te beschikken over de titels die thans vereist zijn, dan wel, gelet op de snelle inwerkingtreding van de bestreden regeling op 1 september 2016, zonder te voorzien in een redelijke aanpassingstermijn om die vereiste titels te behalen, terwijl de verdere uitoefening van psychotherapie, zonder aan strenge diploma- en opleidingsvoorwaarden te moeten voldoen, nog werd gedoogd in de wet van 4 april 2014, die eveneens op 1 september 2016 in werking had moeten treden, heeft de wetgever een maatregel genomen die ernstige gevolgen heeft in zoverre de invoering van de nieuwe regelgeving niet voldoende voorzienbaar was voor zowel de beoefenaars van de psychotherapie als voor hun patiënten. Het bestreden artikel 11 van de wet van 10 juli 2016 doet dus afbreuk aan de rechtmatige verwachtingen van de betrokken personen zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een overgangsregeling te hunnen aanzien kan verantwoorden.

B.11.4. Binnen het beperkte kader van het onderzoek waartoe het Hof bij de behandeling van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, moet het middel dat is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, als ernstig worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, maar enkel in zoverre de verzoekende partijen de ontstentenis aanklagen van een overgangsregeling voor personen die vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet de psychotherapeutische praktijk uitoefenden zonder aan de nieuw ingevoerde vereisten te voldoen.

B.12. Aan de voorwaarden voor de schorsing van artikel 11 is voldaan, maar enkel in de in B.11.4 aangegeven mate.

Bijgevolg mogen de personen die vóór de inwerkingtreding van de bestreden wet de psychotherapeutische praktijk uitoefenden, zonder aan de vereisten van die wet te voldoen, die praktijk voortzetten in afwachting van de uitspraak van het Hof over het beroep tot vernietiging.

Om die redenen, het Hof - schorst artikel 11 van de wet van 10 juli 2016 « tot wijziging van de wet van 4 april 2014 tot regeling van de geestelijke gezondheidszorgberoepen en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen [enerzijds] en tot wijziging van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015 anderzijds », in zoverre het geen overgangsregeling voorziet voor personen die vóór de inwerkingtreding van die wet de psychotherapeutische praktijk uitoefenden; - verwerpt de vordering tot schorsing voor het overige.

Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 december 2016.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, J. Spreutels

^