Wet
gepubliceerd op 09 maart 2017
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 2/2017 van 19 januari 2017 Rolnummer 6338 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, gesteld door de Franstalige Rechtbank Het Grond

bron
grondwettelijk hof
numac
2017200875
pub.
09/03/2017
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2017200875

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 2/2017 van 19 januari 2017 Rolnummer 6338 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 24 december 2015 in zake Annie Bourlard tegen de Franse Gemeenschap en de Pensioendienst voor de Overheidssector, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 januari 2016, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schendt artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het voor de berekening van het bedrag van het ambtenarenpensioen een onderscheid maakt tussen de personen die een toelage genieten met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 en diegenen die een toelage genieten met toepassing van de artikelen 4bis tot 4quater van het voormelde koninklijk besluit ? »;2. « Schendt artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het voor de berekening van het bedrag van het ambtenarenpensioen een onderscheid maakt tussen de personen die niet vastbenoemd zijn en die de aan hun ambten inherente weddebijslagen niet kunnen doen gelden, en de andere ambtenaren die, krachtens datzelfde artikel, sommige toelagen kunnen doen gelden bij de berekening van hun pensioen, terwijl zij eveneens voorlopig zijn aangesteld ? ». (...) III. In rechte (...) Ten aanzien van de prejudiciële vragen B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen (hierna : de wet van 21 juli 1844), zoals het werd vervangen bij artikel 231 van de wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 25/01/1999 pub. 19/02/1999 numac 1999003046 bron ministerie van financien Wet houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen sluiten houdende sociale bepalingen, dat bepaalt : « § 1. Het rustpensioen wordt berekend op de grondslag van, voor elk jaar dienst, 1/60 van de referentiewedde.

De referentiewedde is de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan of van de volledige duur van de loopbaan als die minder dan vijf jaar bedraagt. De gemiddelde wedde wordt bepaald op basis van de wedden zoals die vastgelegd zijn in de weddenschalen verbonden aan de ambten waarin de betrokkene vast was benoemd. Indien de betrokkene, die vast was benoemd in een ambt, gedurende de hiervoor bedoelde tijd een ander ambt heeft uitgeoefend waarin hij niet vast was benoemd, worden alleen de wedden verbonden aan het ambt waarin hij vast was benoemd, in aanmerking genomen. Indien de betrokkene niet vast was benoemd gedurende de hele hiervoor bedoelde tijd, worden de wedden verbonden aan de tijdelijk of krachtens overeenkomst uitgeoefende betrekkingen die aan de vaste benoeming zijn voorafgegaan, eveneens in aanmerking genomen. In dat geval mogen die wedden evenwel niet hoger zijn dan die welke toegekend zouden zijn indien de tijdelijk of krachtens overeenkomst uitgeoefende bedieningen door de betrokkene zouden zijn gepresteerd in het ambt waarin hij vast was benoemd.

Indien de vaste benoeming in een bevorderingsambt eerst kon plaatsvinden na een proeftijd, en de betrokkene na die tijd vast is benoemd in dat bevorderingsambt, wordt hij geacht vanaf het begin van de proeftijd vast benoemd te zijn.

Voor de toepassing van deze wet wordt met een vaste benoeming gelijkgesteld, een mandaat verleend met toepassing, hetzij van artikel 74bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, hetzij van artikel 22 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren, die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (, hetzij van artikel (65 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten)). De Koning kan, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad, andere mandaten van vergelijkbare aard die Hij aanwijst, met een vaste benoeming gelijkstellen.

Voor het bepalen van de in het tweede lid bedoelde referentiewedde wordt in voorkomend geval eveneens rekening gehouden met de in § 2 bepaalde weddenbijslagen die verbonden zijn aan de ambten waarin de betrokkene vast was benoemd of waarin de betrokkene overeenkomstig de artikelen 182 en 261 van het Gerechtelijk Wetboek was aangewezen. Deze bijslagen worden in aanmerking genomen voor de perioden gedurende welke zij werkelijk werden toegekend, en ten belope van het bedrag of de bedragen die gedurende diezelfde perioden toegekend werden. Indien de weddenbijslag toegekend werd in de vorm van een bepaald percentage van de wedde, wordt de in aanmerking te nemen bijslag evenwel vastgesteld op grond van de weddenschaal die werd toegekend of zou toegekend zijn onder de voorwaarden bepaald door het geldelijk statuut dat van kracht was op de ingangsdatum van het pensioen en ten belope van het percentage of de percentages die werkelijk toegekend werden. [...] § 2. Voor de toepassing van § 1, vierde lid, worden de volgende weddenbijslagen in aanmerking genomen : [...] 47° de toelage die toegekend wordt met toepassing van de artikelen 4bis, 4ter en 4quater van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 tot regeling van de toekenning van een toelage aan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en aan de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap die voorlopig aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt. [...] 60° [...] De Koning kan, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad, de lijst van de in het eerste en tweede lid bedoelde weddenbijslagen aanvullen. Hij kan, voor de bijslagen die Hij aanwijst, afwijken van de bepalingen van het derde lid en besluiten dat de verhogingen inzake weddenbijslagen, die zich voordoen na 31 december 1998, eveneens in aanmerking komen voor de toepassing van § 1, vierde lid ».

B.2. Aan het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij, wat de berekening van het pensioen betreft, een onderscheid maakt tussen, enerzijds, de personen die een toelage genieten met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 « tot regeling van de toekenning van een toelage aan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en aan de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap die voorlopig aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt » (hierna : het koninklijk besluit van 13 juni 1976), zoals het opschrift ervan werd gewijzigd bij artikel 96 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 31 januari 2002 en zoals het geldig werd verklaard bij artikel 5 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 13 december 2012, en, anderzijds, diegenen die een toelage genieten met toepassing van de artikelen 4bis tot 4quater van het voormelde koninklijk besluit (eerste prejudiciële vraag), alsook een onderscheid tussen, enerzijds, de ambtenaren die niet vastbenoemd zijn en die de aan hun ambt inherente weddebijslag niet kunnen doen gelden en, anderzijds, de andere ambtenaren die, krachtens datzelfde artikel, sommige toelagen kunnen doen gelden bij de berekening van hun pensioen terwijl zij eveneens voorlopig zijn aangesteld (tweede prejudiciële vraag).

B.3.1. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil heeft betrekking op een leerkracht, die door de Franse Gemeenschap is benoemd in de hoedanigheid van lerares Frans en die tussen 2006 en 2013 het hogere ambt heeft uitgeoefend van inspecteur algemene vakken - specialiteit Frans - in het hoger secundair onderwijs, waarvoor zij een toelage heeft ontvangen voor de uitoefening van het hogere ambt van inspecteur.

De eisende partij voor de verwijzende rechter verzoekt erom dat die toelage in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van haar pensioen en bekritiseert eveneens het feit dat de Franse Gemeenschap geen procedures voor opleiding en selectie heeft georganiseerd die haar zouden hebben toegelaten aanspraak te maken op een vaste benoeming in het ambt van inspecteur.

B.3.2. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.

B.4. Bij zijn arrest nr. 25/2011 van 10 februari 2011 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 8, § 1, tweede lid van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, in zoverre het een verschil in behandeling invoert tussen vastbenoemde ambtenaren en ambtenaren die tijdelijk zijn aangesteld in een hoger ambt, wat de referentiewedde voor de berekening van hun pensioen betreft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond.

De voorliggende prejudiciële vragen hebben daarentegen betrekking op de weddebijslagen die in aanmerking kunnen worden genomen voor het bepalen van de referentiewedde voor de berekening van het pensioen.

B.5.1. Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht, wat de berekeningswijze van het pensioen betreft, de situatie van de door de Franse Gemeenschap vast benoemde leerkrachten die tijdelijk een hoger ambt uitoefenen te vergelijken met de situatie van de personen die tijdelijk mandaten uitoefenen, meer bepaald diegenen die de toelage bedoeld in de artikelen 4bis tot 4quater van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 genieten : voor de eerstgenoemden houdt de referentiewedde voor de berekening van het pensioen geen rekening met de toelage die verbonden is aan het hogere ambt dat als « waarnemende » is uitgeoefend, terwijl voor de laatstgenoemden de referentiewedde voor de berekening van het pensioen wel rekening houdt met de toelage die men ontving voor de tijdelijk uitgeoefende ambten.

B.5.2. Aangezien zij, wat betreft het in aanmerking nemen van weddebijslagen voor de berekening van het pensioen, kritiek uitoefenen op een en hetzelfde verschil in behandeling tussen leerkrachten die tijdelijk een hoger ambt uitoefenen zonder vastbenoemd te zijn in dat ambt en personen die tijdelijk mandaten uitoefenen, onderzoekt het Hof die prejudiciële vragen samen.

Ten gronde B.6.1. In de parlementaire voorbereiding van de bepaling die artikel 231 van de wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 25/01/1999 pub. 19/02/1999 numac 1999003046 bron ministerie van financien Wet houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen sluiten houdende sociale bepalingen is geworden, dat de in het geding zijnde bepaling heeft vervangen, wordt het volgende uiteengezet : « Het huidige artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 bepaalt dat voor de vaststelling van de gemiddelde wedde die tot grondslag dient voor de berekening van het pensioen, rekening gehouden wordt met de wedde die verbonden is aan het ambt waarin het personeelslid was benoemd alsmede, in voorkomend geval, met de weddebijslagen die inherent zijn aan dit ambt.

Om iedere betwisting te vermijden stelt de nieuwe tekst van dit artikel 8 zoals het vervangen wordt door artikel 188 duidelijk dat de referentiewedde enkel de wedde kan zijn vastgesteld door de schaal die verbonden is aan het ambt waarin betrokkene vast werd benoemd.

Daar voortaan tijdelijke mandaten kunnen worden verleend aan bepaalde ambtenaren, werd verder geoordeeld dat het verantwoord is, dergelijke mandaten gelijk te stellen met benoemingen in vast verband. Hieruit vloeit voort dat, voor zover het mandaat uitgeoefend werd gedurende het geheel of gedurende een gedeelte van de laatste vijf jaar van de loopbaan, voor de berekening van het pensioen rekening zal worden gehouden met de weddeschaal die verbonden is aan het mandaat. Daaruit volgt dat het onontbeerlijk is dat voor dergelijke mandaten een weddeschaal wordt vastgesteld, in welke vorm ook. De gelijkstelling van een mandaat met een vaste benoeming heeft tot gevolg dat zelfs iemand die, op het ogenblik dat hem een dergelijk mandaat wordt toegekend, niet vast is benoemd in een openbare dienst, voor de periode waarin dit mandaat werd uitgeoefend, toch recht kan hebben op een pensioen in een pensioenstelsel van de openbare sector; dit pensioenrecht kan uiteraard slechts worden toegekend indien de in dit stelsel gestelde voorwaarden vervuld zijn. Bovendien zal het geheel van de in de openbare pensioenstelsels gestelde regels van toepassing zijn voor de berekening van een dergelijk pensioen, meer bepaald de berekening van het pensioen op basis van de aan het mandaat verbonden weddeschaal en, in voorkomend geval, de toepassing van het absoluut of relatief maximum.

De tekst van het ontwerp stelt enkel mandaten die werden toegekend krachtens het statuut van de Rijksambtenaren en het koninklijk besluit-algemene principes, met een vaste benoeming gelijk. Aan de Koning wordt evenwel de bevoegdheid verleend om niet door deze bepalingen bedoelde mandaten op dezelfde wijze te behandelen, uiteraard op voorwaarde dat deze mandaten in hoge mate overeenstemmen met die welke uitdrukkelijk door het ontwerp bedoeld zijn.

Vanzelfsprekend kan betrokkene niet zelf voor een dergelijke gelijkstelling opteren, maar gebeurt ze enkel op vraag van de instelling en moet ze worden toegepast op alle personen die een dergelijk mandaat uitoefenen. Als een mandaat met een vaste benoeming wordt gelijkgesteld, is het niet mogelijk om voor de periode van het mandaat nog pensioenrechten in een ander pensioenstelsel op te bouwen, in welke vorm ook.

Met betrekking tot de voor de berekening van het pensioen in aanmerking te nemen weddebijslagen, stapt de nieuwe tekst af van het door de wet van 21 mei 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/05/1991 pub. 13/07/2012 numac 2012203809 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot vaststelling van een zeker verband tussen Belgische pensioenregelingen en die van instellingen van internationaal publiek recht. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten ingevoerde begrip ' aan het ambt inherent karakter ', daar in de praktijk gebleken is dat de vaststelling van het al dan niet inherent karakter van een weddebijslag aanleiding geeft tot heel wat moeilijkheden. Het probleem heeft daarenboven een grotere draagwijdte gekregen dan verwacht in 1991 omwille van de snelle toename van het aantal premies, vergoedingen, toelagen, weddebijslagen en andere voordelen van dezelfde aard die door de verschillende inzake het geldelijk statuut bevoegde overheden toegekend worden.

In deze omstandigheden acht de Regering het belangrijk om klaarheid te scheppen en in de mate van het mogelijke terug te keren naar het basisprincipe dat erin bestaat inzake pensioenen enkel rekening te houden met de in de weddeschalen vastgestelde wedden.

De bijslagen die momenteel in aanmerking worden genomen voor de berekening van de pensioenen zullen evenwel in de toekomst nog in aanmerking worden genomen, maar in principe zal dit niet meer het geval zijn voor andere bijslagen. Het nieuwe artikel 8, § 2 bevat een exhaustieve opsomming van de weddebijslagen die in aanmerking mogen worden genomen voor de vaststelling van de gemiddelde wedde die tot grondslag dient voor de berekening van het pensioen.

Bovendien preciseert de nieuwe bepaling dat deze bijslagen slechts in aanmerking worden genomen ten belope van de bedragen vastgesteld op 31 december 1998. Indien het bedrag van een van deze bijslagen achteraf wordt verhoogd, zal deze verhoging voor de berekening van het pensioen slechts in aanmerking mogen genomen worden indien de Koning dit uitdrukkelijk bepaalt.

De Koning heeft eveneens de bevoegdheid om nieuwe bijslagen aan te wijzen die eveneens in aanmerking zullen mogen worden genomen voor de vaststelling van de referentiewedde. Het is de bedoeling van de Regering om voor de toekomst de inaanmerkingneming van nieuwe bijslagen of van de verhoging van bestaande bijslagen te beperken.

Daarom zal de Koning enkel in gevallen waarin objectieve redenen beletten om een loonsverhoging om te zetten in een herziening van de weddeschalen, per specifieke situatie onderzoeken of het nodig is om van de Hem verleende bevoegdheid gebruik te maken.

Het nieuwe artikel 8, § 1 bevestigt de huidige praktijk volgens welke de inaanmerkingneming van weddebijslagen in principe beperkt is tot de maanden tijdens welke de bijslag werkelijk werd toegekend en ten belope van de bedragen toegekend op basis van de bestuursrechtelijke bepalingen van kracht op het ogenblik van de uitbetaling van deze bedragen en dus niet op basis van het op het ogenblik van de ingangsdatum van het pensioen van kracht zijnde geldelijk statuut » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1722/1,pp. 82-84).

Er wordt ook het volgende uitgelegd : « De minister geeft te kennen dat dit artikel voortvloeit uit de invoering van het principe van de mandaten die worden verleend aan sommige ambtenaren en ertoe strekt die mandaten gelijk te stellen met benoemingen in vast verband voor het bepalen van de gemiddelde wedde op grond waarvan het pensioen wordt berekend. Voorts heeft dat artikel betrekking op de weddesupplementen die inherent zijn aan het door de rijksambtenaren beklede ambt en bepaalt het dat met die supplementen ook rekening wordt gehouden voor het vaststellen van de gemiddelde wedde die als basis dient voor het berekenen van het pensioen. Er wordt echter afgestapt van het begrip ' aan het ambt inherent karakter ' en de supplementen die kunnen dienen als grondslag voor de berekening van het pensioen worden uitputtend opgesomd. Ten slotte kan voor de berekening van het pensioen slechts met een eventuele verhoging van een van die supplementen rekening worden gehouden indien zulks is vastgesteld in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Dezelfde procedure zou worden gevolgd in het - uitzonderlijke - geval van het in aanmerking nemen van een nieuw supplement » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1722/14, p. 85).

B.6.2. Uit het voorgaande volgt dat het basisprincipe voor de berekening van het ambtenarenpensioen is dat de wedde verbonden aan het ambt waarin de ambtenaar vast is benoemd, in aanmerking wordt genomen, zelfs indien hij een ander ambt heeft uitgeoefend (artikel 8, § 1, tweede lid, derde zin, van de wet van 21 juli 1844), onder voorbehoud dat, enerzijds, bepaalde mandaten kunnen worden gelijkgesteld met een vaste benoeming (artikel 8, § 1, derde lid) en, anderzijds, eveneens rekening kan worden gehouden met weddebijslagen voor het bepalen van de referentiewedde voor de berekening van het pensioen, op voorwaarde dat zij zijn opgenomen in de limitatieve opsomming van het in het geding zijnde artikel 8, § 2, eerste lid (artikel 8, § 1, vierde lid), die de Koning kan aanvullen bij een besluit dat is genomen na overleg in de Ministerraad (artikel 8, § 2, vierde lid).

B.7.1. De manier waarop een inspecteur vast kan worden benoemd in het secundair onderwijs wordt geregeld door het decreet van de Franse Gemeenschap van 8 maart 2007 « betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs en betreffende het statuut van de personeelsleden van de algemene inspectiedienst en van de pedagogische adviseurs » (hierna : het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten), zoals het onder meer is gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2012 pub. 30/08/2012 numac 2012029341 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving sluiten.

Artikel 28, 1°, van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten is een opsomming van de verschillende bevorderingsambten van inspecteur, waaronder dat van « Inspecteur cursussen Frans bij de hogere graad van het gewoon secundair onderwijs ». De artikelen 45 en volgende van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten, zoals het werd gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2012 pub. 30/08/2012 numac 2012029341 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving sluiten, bepalen de voorwaarden om te kunnen worden benoemd in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 28, 1°.

B.7.2. Zoals het werd gewijzigd bij het decreet van 12 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2012 pub. 30/08/2012 numac 2012029341 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving sluiten, bepaalt artikel 45 van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten : « Niemand kan in een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 28, 1°, benoemd worden, indien hij niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° Belg zijn of onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie, behoudens door de Regering toe te kennen vrijstelling;2° van onberispelijk gedrag zijn;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° voldaan hebben aan de dienstplichtwetten;5° in regel zijn met de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de taalregeling;6° in vast verband benoemd of aangeworven zijn in een ambt met ten minste een halve opdracht of in verschillende ambten met onvolledige prestaties die prestaties met ten minste een halve opdracht dekken, of, in voorkomend geval, in een psycho-medisch-sociaal centrum dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd behoudens voor het onderwijs voor sociale promotie waarvoor de persoon in vast verband benoemd of aangeworven moet zijn in een ambt ten belope van minstens een halve opdracht in dat onderwijs;7° in vast verband, in verhouding tot ten minste een halve opdracht, titularis zijn van één van de ambten vermeld in de tabel van de bijlage I bij dit decreet, naast het toe te kennen ambt van inspecteur, en houder zijn van het bekwaamheidsbewijs vereist voor dit ambt of van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs van het type getuigschrift van pedagogische bekwaamheid, het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid aangepast aan het hoger onderwijs, het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs, het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs, het bekwaamheidsbewijs van onderwijzer lager onderwijs, het bekwaamheidsbewijs kleuteronderwijs;8° een dienstanciënniteit van ten minste tien jaar en een ambtsanciënniteit van ten minste zes jaar tellen;9° geen tuchtsanctie of -straf hebben ondergaan die niet doorgehaald of geschrapt werd;10° niet van zijn ambt ontheven zijn bij toepassing van artikel 64 of 73;11° voor de stage voor het beoogde ambt slagen. In een bevorderingsambt van inspecteur bedoeld in artikel 28, 1° kan eveneens worden benoemd, het personeelslid dat in vast verband benoemd of aangeworven is in een ambt van rang 1 of van rang 2 in een hogeschool, en dat, in het kader van zijn loopbaan in het onderwijs, in vast verband benoemd of aangeworven is in één van de ambten vermeld naast het toe te kennen ambt van inspecteur. In dit geval worden de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 6° tot 8°, in aanmerking genomen voor dit laatste ambt ».

Niemand wordt toegelaten tot de selectieproef voor het behalen van de bevordering tot het ambt van inspecteur als hij op de datum van de oproep tot de kandidaten niet de voorwaarden vervult voor de benoeming in vast verband in het ambt van inspecteur, met uitzondering van de voorwaarde bedoeld bij artikel 45, eerste lid, 11° (artikel 49).

B.7.3. Terwijl het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten de bevordering in het ambt van inspecteur afhankelijk maakte van het volgen van aanvullende opleidingen, bekrachtigd door een brevet, omvat de procedure voor de benoeming in het bevorderingsambt van inspecteur die bij het decreet van 12 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2012 pub. 30/08/2012 numac 2012029341 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving sluiten is ingevoerd, een selectieproef bij de aanvang van de procedure (artikel 50), gevolgd, indien daarvoor geslaagd, door een stage van twee jaar (artikel 51) tijdens welke de stagiair ertoe gehouden is 250 uur opleiding te volgen (artikel 52). De kandidaat-inspecteur wordt tijdens de stage tweemaal geëvalueerd (artikel 53). De stage eindigt met het opstellen en het indienen van een « beroepsdossier » dat een persoonlijk schriftelijk verslag van de stagiair bevat, en met een eindevaluatie door de examencommissie op het einde van de stage (artikel 54). De stagiair wordt vast benoemd in de graad van inspecteur indien de examencommissie op het einde van de stage de vermelding « gunstig » toekent (artikel 55).

In beginsel wordt een vastbenoemd inspecteur voor het leven in zijn ambt benoemd. Zijn ambt kan slechts worden beëindigd in de gevallen waarin het voormelde decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten voorziet.

B.8.1. De manier waarop men voorlopig kan worden aangesteld in het ambt van inspecteur bedoeld in artikel 28, 1°, wordt geregeld door de artikelen 70 tot 74 van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten. Die voorlopige aanstelling wordt toegestaan indien een personeelslid van de Algemene inspectiedienst tijdelijk afwezig is of een betrekking van inspecteur vacant verklaard wordt waarvoor het niet mogelijk is een stagiair aan te wijzen (artikel 70). Daaruit volgt dat de voorlopige uitoefening van het bevorderingsambt van inspecteur in die zin wordt opgevat dat zij beperkt moet zijn in de tijd; die voorlopige aanstelling laat overigens toe de ambtsanciënniteit bedoeld in artikel 45, eerste lid, 8°, van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten te verwerven.

Diegene die het ambt van inspecteur voorlopig uitoefent, wordt bij voorrang aangewezen onder de geslaagden van de reserve die overeenstemt met het toe te kennen ambt (artikel 71, eerste lid). Net zoals een inspecteur die in vast verband benoemd is, legt een inspecteur die voorlopig is aangesteld de eed af bij zijn indiensttreding (artikel 29). Voor het overige is een voorlopige aanstelling in het ambt van inspecteur niet onderworpen aan de voorwaarden die gelden voor een vaste benoeming, meer bepaald slagen voor een selectieproef (artikelen 49 en 50) en slagen voor de stage voor het beoogde ambt (artikel 45, eerste lid, 11°). Er kan een einde worden gemaakt aan de voorlopige aanstelling in een bevorderingsambt van inspecteur mits een opzeggingstermijn van veertien dagen in acht wordt genomen en een hoorzitting wordt georganiseerd met de betrokkene over de redenen voor het beëindigen van de aanstelling (artikel 73), of van ambtswege, wanneer de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een van de tuchtsancties bedoeld in artikel 116, 4° tot 7° (artikel 74).

B.8.2. Een voorlopige uitoefening van het bevorderingsambt van inspecteur verleent bijgevolg geen enkel recht op een vaste benoeming die, met uitzondering van de toepassing van artikel 162 van dat decreet, afhankelijk wordt gesteld van het slagen voor de selectieproef. Krachtens artikel 71, tweede lid, van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten, kan de periode gedurende welke een personeelslid van de Algemene inspectiedienst voorlopig wordt aangewezen, overigens niet worden gelijkgesteld met een stage zoals bedoeld bij artikel 54 van hetzelfde decreet.

B.9.1. Voor de voorlopige uitoefening van het bevorderingsambt van inspecteur kan men niettemin een toelage genieten gedurende de periode dat dat ambt wordt uitgeoefend.

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 bepaalt : « Een vastbenoemd personeelslid van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, behorend tot de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het paramedisch personeel, alsook het lid van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap dat vastbenoemd is, geniet een toelage gedurende de periode waarin hij, op grond van een beslissing die bekrachtigd is door een ministerieel besluit, een selectie- of bevorderingsambt voorlopig uitoefent ».

B.9.2. De toelage voor de voorlopige uitoefening van een hoger ambt wordt toegekend wanneer het selectie- of bevorderingsambt gedurende ten minste tien opeenvolgende dagen voorlopig werd uitgeoefend (artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 juni 1976). De duur van de voorlopige aanstelling in het selectie- of bevorderingsambt wordt vastgelegd in een ministerieel besluit tot aanstelling en stemt overeen met de duur van de afwezigheid van de titularis of van een titularis (artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 juni 1976).

Het dagbedrag van die toelage voor de voorlopige uitoefening van een hoger ambt komt overeen met 1/360ste van het verschil tussen de bezoldiging die het personeelslid zou genieten indien het benoemd was in het selectie- of bevorderingsambt dat hem voorlopig is toevertrouwd en de bezoldiging die het geniet in het ambt waarin het vastbenoemd is (artikel 4, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 13 juni 1976), zonder dat voor een dienstonderbreking van korte duur de toelage kan worden ingetrokken tijdens de duur van de afwezigheid (artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 13 juni 1976).

B.9.3. Uit artikel 8, § 1, vierde lid, van de wet van 21 juli 1844 volgt dat, bij ontstentenis van een vaste benoeming, de toelage ontvangen door een leerkracht die bij afwezigheid van een of de titularis het hogere ambt van inspecteur voorlopig uitoefent, niet in aanmerking kan worden genomen als weddebijslag bij de berekening van het pensioen van die leerkracht.

B.10.1. Artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 21 juli 1844 stelt bepaalde mandaten gelijk met een vaste benoeming en machtigt de Koning, bij een besluit genomen na overleg in de Ministerraad, om andere mandaten van vergelijkbare aard die Hij aanwijst, met een vaste benoeming gelijk te stellen.

Bij artikel 8, § 2, vierde lid, van de wet van 21 juli 1844 wordt de Koning eveneens gemachtigd om de lijst van de met name in het eerste lid van dezelfde paragraaf bedoelde weddebijslagen aan te vullen.

B.10.2. Ter uitvoering van die bepalingen, bepalen de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/06/2007 pub. 15/06/2007 numac 2007022892 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 8, § 1, derde lid en § 2, vierde lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen type koninklijk besluit prom. 03/06/2007 pub. 15/06/2007 numac 2007022891 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 8, § 2, vierde lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen sluiten « tot uitvoering van artikel 8, § 1, derde lid en § 2, vierde lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen » : «

Artikel 1.De mandaten van Directeur-Voorzitter en van categoriële directeur [lees : categoriedirecteur], bedoeld in de artikelen 67, 70 en 71 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, worden gelijkgesteld met een vaste benoeming.

Art. 2.Artikel 8, § 2, eerste lid, van de wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/01/1999 pub. 06/02/1999 numac 1999021025 bron diensten van de eerste minister Wet houdende sociale bepalingen type wet prom. 25/01/1999 pub. 19/02/1999 numac 1999003046 bron ministerie van financien Wet houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr. 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen sluiten en gewijzigd bij de wet van 30 maart 2001 en bij de koninklijke besluiten van 25 maart 2003, 3 april 2003 en 7 mei 2004, wordt aangevuld als volgt : ' 47° de toelage die toegekend wordt met toepassing van de artikelen 4bis, 4ter en 4quater van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 tot regeling van de toekenning van een toelage aan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en aan de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap die voorlopig aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt. ' ».

B.10.3. In het verslag aan de Koning dat aan dat besluit voorafgaat, wordt het volgende uitgelegd : « Dit besluit stelt de mandaten van Directeur-Voorzitter en van Categoriedirecteur, bedoeld in de artikelen 67, 70 en 71 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, gelijk met een vaste benoeming.

Aangezien deze mandaten enkel toegekend kunnen worden aan personen die reeds vast benoemd zijn, zal deze gelijkstelling tot gevolg hebben dat er bij de pensioenberekening, in voorkomend geval, rekening zal kunnen gehouden worden met de wedde die verbonden is aan het mandaat. [...] Dit besluit vult deze lijst van weddensupplementen aan met de toelage die, door de artikelen 4bis, 4ter en 4quater van het koninklijk besluit van 13 juni 1976 tot regeling van de toekenning van een toelage aan de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap en aan de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap die voorlopig aangesteld zijn in een selectie- of bevorderingsambt, toegekend wordt tijdens hun mandaat van respectievelijk Directeur-Voorzitter en van Categoriedirecteur. Deze toelage zal derhalve in aanmerking genomen worden voor de pensioenberekening voor de periodes tijdens welke ze toegekend werd.

De inaanmerkingneming van deze toelage voor de pensioenberekening heeft tot gevolg dat er een afhouding van 7,5 pct. moet op gebeuren, bestemd voor de Pensioendienst voor de overheidssector » (Verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad van 15 juni 2007, p. 32.685).

B.11.1. De artikelen 4bis tot 4quater van het koninklijk besluit van 13 juni 1976, ingevoegd bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 8 november 2007, bepalen : «

Artikel 4bis.Het bedrag van de toelage van de categoriedirecteur naargelang het geval aangesteld of benoemd, binnen de naleving van de artikelen 15 en 16 van het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, punt 1 van de rubriek ' Bij verkiezing toegekende ambten ' van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 5 mei 1999 tot vaststelling van de schalen voor de ambten van de leden van het onderwijzend personeel van de Hogescholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, zoals gewijzigd.

Artikel 4ter.Het bedrag van de toelage van de directeur-voorzitter die aangesteld is binnen de naleving van de artikelen 15 en 16 van het decreet van 25 juli 1996 betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, punt 2 van de rubriek ' Bij verkiezing toegekende ambten ' van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 5 mei 1999 tot vaststelling van de schalen voor de ambten van de leden van het onderwijzend personeel van de Hogescholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, zoals gewijzigd.

Artikel 4quater.De vaststelling van de bezoldiging van het personeelslid dat vóór 1 september 1996 definitief benoemd of aangeworven was voor het ambt van onderdirecteur, directeur in het niet-universitair hoger onderwijs van de tweede en derde graad [lees : van de eerste en tweede graad] of adjunct-directeur, van directeur in het niet-universitair hoger onderwijs van de derde graad zoals bepaald in het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, wordt bepaald in artikel 1, punt 3 van de rubriek ' Bij verkiezing toegekende ambten ' van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 5 mei 1999 tot vaststelling van de schalen voor de ambten van de leden van het onderwijzend personeel van de Hogescholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, zoals gewijzigd ».

B.11.2. De voormelde artikelen 4bis tot 4quater hebben betrekking op de bij verkiezing toegekende ambten van directeur-voorzitter en categoriedirecteur in de hogescholen die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, alsook op de personeelsleden die, binnen een overgangsregeling, ambten uitoefenen die kunnen worden gelijkgesteld; die bij verkiezing toegekende ambten worden beoogd door artikel 1 van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 5 mei 1999 « tot vaststelling van de schalen voor de ambten van de leden van het onderwijzend personeel van de Hogescholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap », zoals het werd gewijzigd bij het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 30 maart 2007.

De directeuren-voorzitters en categoriedirecteuren van de Hogescholen worden beoogd in de artikelen 67, 70 en 71 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 augustus 1995 « houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen ». De directeuren-voorzitters en categoriedirecteuren worden aangesteld door de Franse Gemeenschapsregering voor zover zij voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd bij de artikelen 15 en 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 juli 1996 « betreffende de opdrachten en betrekkingen in de door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde Hogescholen »; zij oefenen een mandaat uit voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar (artikelen 67, vierde lid, 70, vierde lid, en 71, vijfde lid, van het decreet van 5 augustus 1995).

B.12. Uit het voorgaande volgt, overeenkomstig artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 21 juli 1844, dat de mandaten van directeur-voorzitter en categoriedirecteur van de hogescholen worden gelijkgesteld met een vaste benoeming en dat, overeenkomstig artikel 8, § 2, vierde lid, van dezelfde wet, de toelage verbonden aan de uitoefening van die mandaten in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de referentiewedde voor de berekening van hun pensioen.

B.13.1. De verschillen in reglementering tussen een leerkracht die het bevorderingsambt van inspecteur voorlopig uitoefent en een persoon die een met een vaste benoeming gelijkgesteld tijdelijk mandaat uitoefent, meer bepaald een mandaat van directeur-voorzitter of van categoriedirecteur van een hogeschool, rechtvaardigen dat hun pensioenen op een verschillende grondslag worden berekend, meer bepaald wat betreft het in aanmerking nemen van een weddebijslag.

B.13.2. Zoals hiervoor in herinnering is gebracht, is een voorlopige uitoefening van het bevorderingsambt van inspecteur niet aan dezelfde voorwaarden onderworpen als een vaste benoeming en verleent zij geen enkel recht op een vaste benoeming, die in principe veronderstelt dat men slaagt voor een selectieproef en voor een stage; een voorlopige uitoefening van het ambt van inspecteur wordt opgevat als zijnde tijdelijk, en dat wegens een afwezigheid van de titularis of een vacantverklaring binnen het ambt.

Diegene die een mandaat uitoefent, met name een mandaat van directeur-voorzitter of van categoriedirecteur van een hogeschool, moet daarentegen voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot het ambt dat aan dat mandaat verbonden is, en krijgt ten volle de uitoefening van de aan dat mandaat verbonden ambten toegewezen. Het tijdelijke karakter van de uitoefening van dat mandaat volgt uit de aard zelf van de opdrachten verbonden aan dat mandaat, dat de wetgever dan ook uitdrukkelijk heeft willen gelijkstellen met een vaste benoeming.

Bovendien, in tegenstelling tot de toelage voor een voorlopige uitoefening van het bevorderingsambt van inspecteur, zijn de toelagen bedoeld in artikel 8, § 2, eerste lid, van de wet van 21 juli 1844, aangezien zij in aanmerking worden genomen voor de berekening van het pensioen, onderworpen aan de verplichte afhouding van 7,5 pct., om de financiering van de overlevingspensioenen in de pensioenregeling van de openbare sector te verzekeren (artikel 60 van de wet van 15 mei 1984Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/05/1984 pub. 21/02/2012 numac 2012201027 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen type wet prom. 15/05/1984 pub. 03/06/2010 numac 2010000322 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 15/05/1984 pub. 06/02/2015 numac 2015000046 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 15/05/1984 pub. 17/11/2015 numac 2015000649 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen).

B.13.3. Indien, ten slotte, de toelage verbonden aan de voorlopige uitoefening van een hoger ambt in aanmerking zou worden genomen als weddebijslag voor de berekening van het pensioen, zou dat erop neerkomen dat het basisprincipe van de pensioenregeling van de openbare sector, volgens welk een pensioen wordt berekend op basis van de wedde verbonden aan het ambt waarin men vastbenoemd is, opnieuw ter discussie wordt gesteld.

B.14.1. Voor het overige dient in herinnering te worden gebracht dat het de Franse Gemeenschap toebehoort om, minstens om de vier jaar (artikel 50, eerste lid, van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten), de selectieproeven te organiseren die kandidaat-inspecteurs de mogelijkheid bieden om toegang te verkrijgen tot een vaste benoeming.

B.14.2. Toen hij het decreet van 12 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2012 pub. 30/08/2012 numac 2012029341 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving sluiten aannam, beoogde de decreetgever overigens de rechtsonzekerheid te verhelpen die voortvloeide uit de vertraging die men had opgelopen bij het organiseren van de procedures met het oog op een vaste benoeming in het bevorderingsambt van inspecteur.

De aanneming van dat decreet is gemotiveerd door het gegeven dat de bij het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten ingevoerde procedure « praktische moeilijkheden met zich meebracht in verband met onder meer het bijeenkomen van de examencommissies en met het organiseren van de opleidingen ». Bovendien heeft de decreetgever ermee rekening gehouden dat een zekere rechtsonzekerheid heerste die was ontstaan uit de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 27 mei 2009 tot samenstelling van de examencommissies met toepassing van artikel 53, tweede lid, van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2011-2012, nr. 381/1, p. 3).

Daar die praktische moeilijkheden hebben belet de proeven te organiseren tot bekrachtiging van alle opleidingen die zijn georganiseerd met het oog op het uitreiken van de brevetten van inspecteur, is geen enkel brevet uitgereikt en heeft er geen enkele vaste benoeming in het ambt van inspecteur met toepassing van het decreet van 8 maart 2007Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/03/2007 pub. 05/06/2007 numac 2007029052 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap ge type decreet prom. 08/03/2007 pub. 03/07/2007 numac 2007201835 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende diverse maatregelen met het oog op de regularisatie van de inschrijvingen en van de veranderingen van school in het leerplichtonderwijs sluiten plaatsgehad, met uitzondering van de toepassing van artikel 162 van dat decreet, dat een benoeming mogelijk maakt nadat het ambt tien jaar werd uitgeoefend.

Het decreet van 12 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 12/07/2012 pub. 30/08/2012 numac 2012029341 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet houdende wijziging van het decreet van 8 maart 2007 betreffende de algemene inspectiedienst, de dienst voor pedagogische raadgeving en begeleiding van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, de cellen voor pedagogische raadgeving sluiten, dat de benoemingsprocedure voor inspecteurs wijzigde door de vereiste van aanvullende opleidingen bekrachtigd door een brevet te vervangen door die van een selectieproef gevolgd door een stage, heeft dus overgangsbepalingen ingevoerd die, onder de kandidaten die geslaagd zijn voor de selectieproef, voorrang verlenen aan kandidaat-inspecteurs die reeds geruime tijd het ambt van inspecteur tijdelijk uitoefenen, meer bepaald aan diegenen die de leeftijd naderen waarop zij aanspraak kunnen maken op een rustpensioen (artikelen 173bis en 173ter).

B.15. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 8 van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 19 januari 2017.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, J. Spreutels


begin


Publicatie : 2017-03-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^