Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 22 september 2017

Uittreksel uit arrest nr. 70/2017 van 15 juni 2017 Rolnummers : 5621 en 5814 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de recht(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2017204540
pub.
22/09/2017
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 70/2017 van 15 juni 2017 Rolnummers : 5621 en 5814 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, gesteld door de Raad van State.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters E. De Groot en J. Spreutels, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter E. De Groot, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij arrest nr.222.969 van 25 maart 2013 in zake Paul Vervloet en anderen tegen de Belgische Staat, met als tussenkomende partijen de cvba « Arcofin », de cvba « Arcopar » en de cvba « Arcoplus », allen in vereffening, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 maart 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is ? ». b. Bij arrest nr.226.095 van 15 januari 2014 in zake het organisme voor de financiering van pensioenen « Ogeo Fund » tegen de Belgische Staat, tussenkomende partijen : de cvba « Arcofin », de cvba « Arcopar » en de cvba « Arcoplus », allen in vereffening, en in zake de gemeente Schaarbeek tegen de Belgische Staat, met dezelfde tussenkomende partijen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 januari 2014, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, terwijl het eerste lid, 3°, de Koning de bevoegdheid verleent in een systeem te voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die financiële holdings zijn die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gemengde financiële holdings, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekeringsondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochtervennootschappen, of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen, Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de vennoten of de aandeelhouders van elke andere vennootschap die in de financiële sector actief is, inzonderheid een kredietinstelling ? 2. Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, terwijl het eerste lid, 3°, de Koning de bevoegdheid verleent in een systeem te voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die financiële holdings zijn die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gemengde financiële holdings, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekeringsondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochtervennootschappen, of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen, Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de instellingen voor de financiering van pensioenen, en van de aangeslotenen en rechthebbenden ervan, of ten voordele van de gemeenten die verenigd zijn binnen de Gemeentelijke Holding ? ».c. Bij arrest nr.226.096 van 15 januari 2014 in zake Frédéric Ensch Famenne tegen de Belgische Staat, tussenkomende partijen : de cvba « Arcofin », de cvba « Arcopar » en de cvba « Arcoplus », allen in vereffening, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 januari 2014, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5621, 5814 en 5818 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

Bij tussenarrest nr. 15/2015 van 5 februari 2015, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 april 2015, heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « 1. Dienen de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemene gelijkheidsbeginsel, in die zin te worden geïnterpreteerd dat : a) zij aan de lidstaten de verplichting opleggen om de aandelen van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, op dezelfde wijze te waarborgen als de deposito's ? b) zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat aan de entiteit die gedeeltelijk belast is met de waarborg van de in die richtlijn beoogde deposito's de opdracht toevertrouwt om eveneens, ten belope van 100 000 euro, de waarde van de aandelen van de vennoten, natuurlijke personen, van een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector, te waarborgen ? 2.Is het besluit van de Europese Commissie van 3 juli 2014 ' betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd - Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties ' verenigbaar met de artikelen 107 en 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in zoverre het de waarborgregeling die het voorwerp van dat besluit uitmaakt, kwalificeert als nieuwe staatssteun ? 3. In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag, dient artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat een regeling van staatswaarborg toegekend aan de vennoten, natuurlijke personen, van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, in de zin van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, nieuwe staatssteun vormt die bij de Europese Commissie moet worden aangemeld ? 4.In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, is hetzelfde besluit van de Europese Commissie verenigbaar met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun tot uitvoering is gebracht vóór 3 maart 2011 of 1 april 2011 of op een van beide data, of, omgekeerd, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun op een latere datum tot uitvoering is gebracht ? 5. Dient artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, aan te nemen, indien die maatregel staatssteun tot uitvoering brengt of staatssteun vormt die reeds tot uitvoering is gebracht en die staatssteun nog niet is aangemeld bij de Europese Commissie ? 6.Dient artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om, zonder voorafgaande kennisgeving aan de Europese Commissie, een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, aan te nemen, indien die maatregel staatssteun vormt die nog niet tot uitvoering is gebracht ? ».

Bij arrest van 21 december 2016 in de zaak C-76/15 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vragen geantwoord. (...) Bij beschikking van 29 maart 2017 heeft het Hof, gelet op het bericht van overlijden van Frédéric Ensch Famenne, beslist de zaak nr. 5818 te ontvoegen en de rechtspleging in die zaak te schorsen. (...) II. In rechte (...) B.1. Bij zijn arrest nr. 222.969 van 25 maart 2013 (zaak nr. 5621) vraagt de Raad van State of artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België (hierna : wet van 22 februari 1998) bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, « doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is ».

Bij zijn arrest nr. 226.095 van 15 januari 2014 vraagt de Raad van State of diezelfde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het in het geding zijnde artikel de Koning de mogelijkheid geeft om die staatswaarborg te verlenen aan natuurlijke personen die vennoot zijn in een erkende coöperatieve vennootschap, terwijl die bepaling « Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de vennoten of de aandeelhouders van elke andere vennootschap die in de financiële sector actief is, inzonderheid een kredietinstelling » (eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 5814) en terwijl die bepaling « Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de instellingen voor de financiering van pensioenen, en van de aangeslotenen en rechthebbenden ervan, of ten voordele van de gemeenten die verenigd zijn binnen de Gemeentelijke Holding » (tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 5814).

B.2.1. Artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998, ingevoegd bij artikel 195 van het koninklijk besluit van 3 maart 2011 betreffende de evolutie van de toezichtsarchitectuur voor de financiële sector, bepaalde vóór de wijziging ervan bij de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling : « § 1. De Koning kan, na advies van de Bank, ingeval zich een plotse crisis voordoet op de financiële markten of in geval van een ernstige dreiging van een systemische crisis, teneinde de omvang of de gevolgen hiervan te beperken : 1° aanvullende of afwijkende reglementen vaststellen ten opzichte van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, het Boek VIII, Titel III, hoofdstuk II, afdeling III van het Wetboek van vennootschappen en het koninklijk besluit nr.62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 27 januari 2004; 2° in een systeem voorzien waarbij een staatswaarborg wordt verleend voor verbintenissen die zijn aangegaan door de krachtens voornoemde wetten aan toezicht onderworpen instellingen die Hij bepaalt, of de staatswaarborg toekennen aan bepaalde schuldvorderingen gehouden door dergelijke instellingen;3° in een systeem voorzien, in voorkomend geval door middel van reglementen vastgesteld overeenkomstig 1°, van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die instellingen zijn onderworpen aan toezicht krachtens voornoemde wetten of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen;4° in een systeem voorzien van toekenning van de dekking door de Staat van verliezen opgelopen op bepaalde activa of financiële instrumenten door krachtens voornoemde wetten aan toezicht onderworpen instellingen;5° in een systeem voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor verbintenissen aangegaan door entiteiten waarvan de activiteit bestaat in het verwerven en beheren van bepaalde activa gehouden door krachtens voornoemde wetten aan toezicht onderworpen instellingen;6° alsook de staatswaarborg toekennen voor verbintenissen aangegaan door de Gemeentelijke Holding NV. De koninklijke besluiten genomen krachtens het eerste lid, 1°, hebben geen gevolg meer indien zij niet worden bekrachtigd door de wet binnen de twaalf maanden vanaf hun datum van inwerkingtreding. De bekrachtiging werkt terug tot op de datum van inwerkingtreding van de koninklijke besluiten. De koninklijke besluiten genomen op grond van het eerste lid, 2° tot 6°, worden overlegd in de Ministerraad. § 2. De instellingen die aan toezicht onderworpen zijn krachtens de toezichtswetten als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° zijn, voor de toepassing van paragraaf 1, eerste lid, 2° tot 5°, de financiële holdings die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de gemengde financiële holdings, de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de verzekeringsondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochtervennootschappen ».

B.2.2. Het voormelde koninklijk besluit van 3 maart 2011 is bekrachtigd bij artikel 298 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, die bij de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders is omgedoopt in « wet betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen ». De in het geding zijnde bepaling heeft dus kracht van wet en het staat derhalve aan het Hof om die bepaling aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te toetsen.

B.2.3. Artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de wet van 15 oktober 2008 houdende maatregelen ter bevordering van de financiële stabiliteit en inzonderheid tot instelling van een staatsgarantie voor verstrekte kredieten en andere verrichtingen in het kader van de financiële stabiliteit, voor wat betreft de bescherming van de deposito's en de levensverzekeringen, en tot wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten houdende de uitbreiding van de beschermingsregeling tot het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen » staat, overeenkomstig artikel 36/24 van de voormelde wet van 22 februari 1998, de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, toe om deel te nemen aan het vroegere « Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen », dat is opgericht bij het koninklijk besluit van 14 november 2008 en waarvan de benaming bij artikel 4 van dat besluit van 10 oktober 2011 is vervangen door « Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's, levensverzekeringen en kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen ». Er wordt hun geen enkele verplichting tot aansluiting opgelegd.

Dat Bijzonder Beschermingsfonds waarborgt derhalve de aandelen van de vennoten, natuurlijke personen, van de coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector die ervoor gekozen hebben zich daarbij aan te sluiten, ten belope van 100 000 euro, de levensverzekeringsovereenkomsten van tak 21, bedoeld in artikel 5, 3°, van het koninklijk besluit van 14 november 2008, ten belope van 100 000 euro en de deposito's bedoeld in artikel 5, 1° en 2°, van het hetzelfde koninklijk besluit, ten belope van een schijf van 50 000 tot 100 000 euro, waarbij de aan de eerste schijf van 50 000 euro toegekende staatswaarborg ten laste wordt genomen door het Beschermingsfonds voor deposito's en financiële instrumenten.

B.2.4. Bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 tot toekenning van een garantie tot bescherming van het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen wordt de aanvraag tot bescherming van het kapitaal van de erkende coöperatieve vennootschappen « Arcopar », « Arcofin » en « Arcoplus » aanvaard.

Op diezelfde datum geeft de Belgische Staat de Europese Commissie kennis van het feit dat hij een garantieregeling heeft opgezet ten gunste van de vennoten, natuurlijke personen, van erkende coöperatieve vennootschappen die ofwel onder prudentieel toezicht van de Nationale Bank van België staan, ofwel ten minste de helft van hun activa hebben geïnvesteerd in een instelling die onder dergelijk toezicht staat.

Bij schrijven van 6 december 2011 heeft de Europese Commissie de Belgische Staat medegedeeld dat zij een onderzoek naar mogelijk onrechtmatige staatssteun opstartte en heeft de Europese Commissie de Belgische Staat opgedragen geen stappen te zetten om de kwestieuze staatswaarborg ten uitvoer te brengen.

B.2.5. De koninklijke besluiten van 10 oktober 2011 en van 7 november 2011 vormen het onderwerp van de beroepen tot nietigverklaring die voor de Raad van State zijn ingesteld in de zaken nrs. 5621 en 5814.

B.3. De Raad van State stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, van de voormelde wet van 22 februari 1998, in zoverre dat artikel de Koning toestaat te voorzien in een regeling waarbij de Staat de terugbetaling waarborgt, aan de vennoten die natuurlijke personen zijn, van de aandelen die zij bezitten in de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector.

De Raad van State vergelijkt de situatie van die vennoten, natuurlijke personen, met die van verschillende andere categorieën van personen ten aanzien van wie de Koning niet ertoe gemachtigd is een dergelijke waarborgregeling in te voeren, namelijk (1) de vennoten, natuurlijke personen, van een andere vennootschap dan een erkende coöperatieve vennootschap, (2) de vennoten of aandeelhouders van elke andere vennootschap die optreedt in de financiële sector, met name een kredietinstelling, (3) de instellingen voor de financiering van pensioenen en hun aangeslotenen en rechthebbenden en (4) de gemeenten die verenigd zijn binnen de nv « Gemeentelijke Holding ».

B.4. De Ministerraad verantwoordt met name de verschillen in behandeling waarop de Raad van State wijst, door te steunen op de soortgelijke aard tussen, enerzijds, de aandelen van een erkende coöperatieve vennootschap en, anderzijds, de bankdeposito's - waarvoor de richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels de lidstaten ertoe verplicht te voorzien in een waarborgregeling - en, daaruit voortvloeiend, op het verschil in aard tussen de aandelen van een erkende coöperatieve vennootschap en de investeringen waarmee de Raad van State die vergelijkt.

De coöperatieve vennootschappen « Arcopar », « Arcoplus » en « Arcofin » voeren aan dat de in het geding zijnde bepaling een omzetting is van de voormelde richtlijn 94/19/EG om reden dat de aandelen van de erkende coöperatieve vennootschappen alle kenmerken van een spaarproduct vertonen.

B.5.1. Artikel 3, lid 1, van de voormelde richtlijn 94/19/EG bepaalt : « Iedere Lid-Staat ziet erop toe dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend.

Uitgezonderd in de omstandigheden bedoeld in de tweede alinea en in lid 4, mogen kredietinstellingen waaraan op grond van artikel 3 van Richtlijn 77/780/EEG in die Lid-Staat vergunning is verleend, alleen deposito's aanvaarden indien zij aan een van die stelsels deelnemen ».

B.5.2. Artikel 2 van de voormelde richtlijn 94/19/EG bepaalt : « Van terugbetaling door een garantiestelsel zijn uitgesloten : [...] - alle instrumenten die zouden vallen onder de definitie van ' eigen vermogen ' in artikel 2 van Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen; [...] ».

B.5.3. De vraag is derhalve gerezen of de wetgever, zonder artikel 2 van de voormelde richtlijn 94/19/EG te schenden, de Koning vermocht ertoe te machtigen een waarborgregeling in te voeren waarbij aan het Fonds dat ermee belast is de bankdeposito's te waarborgen ten belope van de tweede schijf van 50 000 euro, de opdracht wordt toevertrouwd om, ten belope van 100 000 euro, de waarde te beschermen van de aandelen van de vennoten, natuurlijke personen, van de erkende coöperatieve vennootschappen die tot die waarborgregeling zijn toegetreden en die gecontroleerde instellingen kunnen zijn krachtens de wetgeving betreffende de kredietinstellingen of waarvan de helft van het vermogen in dergelijke instellingen wordt geïnvesteerd.

Gelet op de proceduregeschriften van de coöperatieve vennootschappen « Arcopar », « Arcofin » en « Arcoplus » is eveneens de vraag gerezen of, omgekeerd, de genoemde richtlijn, in voorkomend geval in samenhang gelezen met het gelijkheidsbeginsel, aan de wetgever de verplichting oplegt dat hij het kapitaal van die erkende coöperatieve vennootschappen, die actief zijn in de financiële sector, moet waarborgen of de Koning ertoe moet machtigen het te waarborgen.

B.5.4. Teneinde te bepalen of de wetgever, zonder de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te schenden, de Koning vermocht ertoe te machtigen een dergelijke regeling in te voeren die ertoe strekt, naast de bankdeposito's, de waarde te waarborgen van de aandelen die een natuurlijke persoon, in zijn hoedanigheid van vennoot, bezit in het kapitaal van een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector, dient bijgevolg te worden nagegaan of de wetgever, op grond van artikel 2 van de voormelde richtlijn 94/19/EG, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemene gelijkheidsbeginsel, in staat was of ertoe was verplicht op zulk een wijze te handelen.

B.5.5. Te dien einde heeft het Grondwettelijk Hof bij zijn arrest nr. 15/2015 van 5 februari 2015 de volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie : « 1. Dienen de artikelen 2 en 3 van de richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het algemene gelijkheidsbeginsel, in die zin te worden geïnterpreteerd dat : a) zij aan de lidstaten de verplichting opleggen om de aandelen van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, op dezelfde wijze te waarborgen als de deposito's ? b) zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat aan de entiteit die gedeeltelijk belast is met de waarborg van de in die richtlijn beoogde deposito's de opdracht toevertrouwt om eveneens, ten belope van 100 000 euro, de waarde van de aandelen van de vennoten, natuurlijke personen, van een erkende coöperatieve vennootschap die actief is in de financiële sector, te waarborgen ? ». B.6. Bij zijn arrest van 21 december 2016 heeft het Hof van Justitie, met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag, geoordeeld : « 63. Krachtens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 moet iedere lidstaat erop toezien dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend. 64. Om de draagwijdte te kunnen beoordelen van de verplichting die deze bepaling aan de lidstaten oplegt en meer bepaald te kunnen uitmaken of zij ook de plicht omvat om een garantieregeling in te stellen voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden onderzocht of dergelijke aandelen binnen de materiële en personele werkingssfeer van richtlijn 94/19 vallen.65. Wat in de eerste plaats de materiële werkingssfeer van richtlijn 94/19 betreft, blijkt reeds uit de titel van deze richtlijn dat zij betrekking heeft op depositogarantiestelsels.Krachtens artikel 1, punt 1, eerste alinea, van deze richtlijn wordt in deze richtlijn onder ' deposito ' een creditsaldo verstaan dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, alsmede schulden belichaamd in door deze kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen. 66. Uit de stukken waarover het Hof beschikt, blijkt dat aandelen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, niet onder die definitie vallen.Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt immers dat het bij dergelijke aandelen in wezen om een deelneming in het eigen vermogen van een vennootschap gaat, en dat de in richtlijn 94/19 bedoelde deposito's daarvan verschillen in die zin dat zij deel uitmaken van het vreemd vermogen van een kredietinstelling. 67. Voorts moeten deposito's op grond van de definitie ervan in artikel 1, punt 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 aan hun houders worden terugbetaald onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden, terwijl het bedrag dat de aandeelhouders van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector ontvangen wanneer zij uit de betrokken vennootschappen uittreden, de evolutie van het rendement van deze vennootschappen weerspiegelt.De verwerving van aandelen in financiële coöperaties valt dus eerder te vergelijken met de aankoop van vennootschapsaandelen, waarvoor richtlijn 94/19 niet in een waarborg voorziet, dan met het plaatsen van gelden op een bankrekening. 68. Anders dan de Belgische regering lijkt aan te nemen, kunnen aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, bovendien niet worden gelijkgesteld met aandelen van Britse of Ierse building societies, die overeenkomstig artikel 1, punt 1, tweede alinea, van richtlijn 94/19 worden aangemerkt als deposito's.69. Die bijzondere uitbreiding van het begrip ' deposito ' ziet volgens de bewoordingen ervan immers uitsluitend op aandelen van Britse of Ierse building societies, en niet op aandelen van erkende Belgische coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector.Niets in de tekst of de ontstaansgeschiedenis van artikel 1, punt 1, tweede alinea, van richtlijn 94/19 wijst erop dat deze bepaling ook zou moeten worden toegepast op andere dan de daarin uitdrukkelijk vermelde instrumenten. Voorts sluit deze bepaling uitdrukkelijk uit dat aandelen van building societies met een vermogenskarakter onder deze uitbreiding zouden vallen. Aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, vormen - zoals uit punt 66 hierboven blijkt - een deelneming in het eigen vermogen van een vennootschap. 70. Wat in de tweede plaats de personele werkingssfeer van richtlijn 94/19 betreft, moet worden opgemerkt dat de twee in artikel 1, punt 1, eerste alinea, van deze richtlijn bedoelde types van deposito's met elkaar gemeen hebben dat zij zijn verricht bij een kredietinstelling. Aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector kunnen dus hoe dan ook maar als ' deposito's ' in de zin van richtlijn 94/19 worden aangemerkt indien deze vennootschappen kunnen worden aangemerkt als ' kredietinstellingen ' in de zin van deze richtlijn. 71. Het begrip ' kredietinstelling ' in artikel 1, punt 4, van richtlijn 94/19 wordt gedefinieerd als een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening.Noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat de activiteit van bovengenoemde vennootschappen bestaat in het verlenen van kredieten voor eigen rekening. Nergens blijkt uit dat dergelijke vennootschappen deposito's in ontvangst nemen van het publiek of, net als banken, regelmatig kredieten verlenen voor eigen rekening. 72. Hieruit volgt dat aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, noch binnen de materiële noch binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 94/19 vallen. Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat artikel 3, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 94/19 de lidstaten ertoe verplicht om voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, een garantieregeling in te stellen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is. 73. Aan die conclusie kan niet worden afgedaan door overwegingen in verband met het algemene beginsel van gelijke behandeling, dat door de verwijzende rechter eveneens in de eerste prejudiciële vraag wordt aangehaald. 74. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het beginsel van gelijke behandeling een algemeen beginsel van Unierecht is dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest is verankerd en dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie met name arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C-550/07 P, EU: C: 2010: 512, punten 54 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 75. Zoals uit de punten 65 tot en met 72 van het onderhavige arrest volgt en zoals de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie heeft opgemerkt, onderscheiden aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, zich - vanuit het oogpunt van het voorwerp van de door het Unierecht voorgeschreven depositogarantie - van deposito's die worden aangehouden bij kredietinstellingen, ook al lijken zij wellicht in meerdere opzichten - met name wat de wijze betreft waarop zij worden belast en door de Belgische Staat worden gereglementeerd en wat hun populariteit bij het publiek betreft - op klassieke spaarproducten.76. Derhalve moet worden onderzocht of richtlijn 94/19 zich ertegen verzet dat een lidstaat een garantieregeling instelt voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.77. In dit verband dient te worden opgemerkt dat krachtens artikel 2, tweede streepje, van richtlijn 94/19 alle instrumenten die vallen onder de definitie van ' eigen vermogen ' in artikel 2 van richtlijn 89/299, zijn uitgesloten van terugbetaling door een garantiestelsel.78. Artikel 2 van richtlijn 89/299 ziet enkel op het niet-geconsolideerde eigen vermogen van ' kredietinstellingen '.Die term wordt overeenkomstig artikel 1, lid 2, van deze richtlijn - dat verwijst naar artikel 1 van richtlijn 77/780, zoals gewijzigd door richtlijn 86/524 - gedefinieerd als ondernemingen waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening. Die definitie stemt overigens overeen met de definitie in artikel 1, punt 4, van richtlijn 94/19. 79. Zoals uit punt 71 van het onderhavige arrest blijkt, vallen erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, evenwel niet onder deze definitie van kredietinstellingen.80. In dit verband moet worden opgemerkt dat ook artikel 57 van richtlijn 2006/48, die richtlijn 89/299 heeft vervangen, ziet op het niet-geconsolideerde eigen vermogen van ' kredietinstellingen ', die in artikel 4, punt 1, van eerstgenoemde richtlijn eveneens op dezelfde manier worden gedefinieerd als in richtlijn 94/19.81. Het is dus op zich niet onverenigbaar met artikel 2, tweede streepje, van richtlijn 94/19 dat een depositogarantiestelsel als dat waarin het Belgische recht voorziet, wordt uitgebreid tot aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.82. Deze uitlegging vindt steun in het feit dat richtlijn 94/19, zoals uit de achtste, de zestiende en de zeventiende overweging ervan blijkt, slechts een minimale harmonisatie op het gebied van depositogaranties tot stand brengt.83. Richtlijn 94/19 belet de lidstaten dus niet om het depositogarantiestelsel waarin hun nationale recht overeenkomstig deze richtlijn voorziet, uit te breiden tot de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, maar een dergelijke uitbreiding mag de nuttige werking van het krachtens die richtlijn in te stellen depositogarantiestelsel niet ondergraven (zie in die zin arrest van 23 november 2006, Lidl Italia, C-315/05, EU: C: 2006: 736, punt 48) en mag evenmin in strijd zijn met de voorschriften van het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU.84. Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, valt niet uit te sluiten dat aan de nuttige werking van de door het Unierecht opgelegde depositogarantie wordt afgedaan indien een lidstaat zijn nationaal depositogarantiestelsel op grote schaal risico's zou laten dragen die niet rechtstreeks in verband staan met het doel van dit stelsel.Hoe groter de te verzekeren risico's zijn, des te meer de depositogarantie verwaterd raakt en des te minder het depositogarantiestelsel, bij onveranderd gebleven middelen, kan bijdragen tot de verwezenlijking van het dubbele doel van richtlijn 94/19, dat blijkens de eerste overweging ervan erin bestaat de spaarders een garantie te bieden in geval van onbeschikbaarheid van de deposito's die zij bij kredietinstellingen aanhouden en de stabiliteit van het bankwezen te versterken (zie in die zin arrest van 2 september 2015, Surmacs, C-127/14, EU: C: 2015: 522, punt 21). 85. Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om na te gaan of de goedkeuring van een garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de nuttige werking kan ondergraven van het depositogarantiestelsel waarin het Belgische recht overeenkomstig richtlijn 94/19 voorziet.86. In dat verband moet de verwijzende rechter met name rekening houden met het feit dat in casu een groot aantal kleine beleggers binnen de werkingssfeer van het Belgische depositogarantiestelsel wordt gebracht door de instelling van een regeling voor de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, alsook met het feit dat de vennootschappen van de Arco-groep maar kort voordat aanspraak werd gemaakt op de garantie in dat stelsel zijn opgenomen en in het verleden niet hebben bijgedragen aan de financiering ervan.87. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19 aldus moeten worden uitgelegd dat zij de lidstaten er niet toe verplichten een regeling als die van het hoofdgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en er zich evenmin tegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt, voor zover deze niet afdoet aan de nuttige werking van het depositogarantiestelsel dat de lidstaten krachtens deze richtlijn moeten instellen en voor zover zij strookt met het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU.Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan ».

B.7.1. Bij haar besluit 2014/686/EU van 3 juli 2014 « betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd - Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties » oordeelde de Europese Commissie dat « de garantieregeling » « in het voordeel van de financiële coöperatieven van ARCO en in het bijzonder ARCOFIN, ARCOPAR en ARCOPLUS », enerzijds, « in strijd met artikel 108, lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie [is] verstrekt [door België] » en, anderzijds, als « onverenigbaar met de interne markt » moet worden beschouwd (artikel 1 van het besluit).

B.7.2. In hun aanvullende memorie bekritiseren zowel de Ministerraad als de vennootschappen « Arcofin », « Arcopar » en « Arcoplus » de geldigheid van dat besluit.

Die vennootschappen en het Koninkrijk België hebben voor het Gerecht van de Europese Unie, binnen twee maanden na de publicatie van het bestreden besluit van de Europese Commissie, een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaken respectievelijk ingeschreven onder de rolnummers T-664/14 en T-711/14) en een afschrift van die twee beroepen aan het Hof overgezonden.

B.7.3. Om de redenen die zijn aangehaald in B.6.6 tot B.8.3 van zijn arrest nr. 15/2015 heeft het Hof de volgende tweede prejudiciële vraag gesteld : « Is het besluit van de Europese Commissie van 3 juli 2014 ' betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd - Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties ' verenigbaar met de artikelen 107 en 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in zoverre het de waarborgregeling die het voorwerp van dat besluit uitmaakt, kwalificeert als nieuwe staatssteun ? ».

B.8. Bij zijn arrest van 21 december 2016 heeft het Hof van Justitie, met betrekking tot die tweede prejudiciële vraag, geoordeeld : « 89. Wat in de eerste plaats artikel 107 VWEU betreft, moet in herinnering worden gebracht dat een maatregel volgens vaste rechtspraak slechts staatssteun in de zin van die bepaling uitmaakt indien aan alle hiernavolgende voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten derde moet de maatregel de begunstigde ervan een voordeel verschaffen. Ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie met name arresten van 10 juni 2010, Fallimento Traghetti del Mediterraneo, C-140/09, EU: C: 2010: 335, punt 31, en 29 maart 2012, 3M Italia, C-417/10, EU: C: 2012: 184, punt 37). 90. In casu bestaat als zodanig geen betwisting over het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, toerekenbaar is aan de staat en een inzet van staatsmiddelen impliceert, maar volgens de vennootschappen van de Arco-groep en de Belgische regering is niet voldaan aan de drie andere voorwaarden die moeten zijn vervuld om deze garantieregeling als ' staatssteun ' aan te merken.Zij betwisten namelijk dat deze regeling een selectief voordeel verschaft aan de vennootschappen van de Arco-groep, dat zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt en dat zij de mededinging vervalst. Om te kunnen uitmaken of de Commissie deze regeling in haar besluit van 3 juli 2014 op goede gronden als ' staatssteun ' kon aanmerken, moet derhalve worden onderzocht of deze drie voorwaarden zijn vervuld. 91. Wat de voorwaarde betreft dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector een voordeel heeft verstrekt aan de vennootschappen van de Arco-groep, dient ten eerste te worden geconstateerd dat de Commissie in de overwegingen 82 tot en met 84 van het besluit van 3 juli 2014 heeft aangenomen dat Arco de enige echte begunstigde van deze regeling was.92. Volgens de vennootschappen van de Arco-groep komt deze regeling echter niet hun ten goede, maar strekt zij ertoe een voordeel toe te kennen aan de particuliere vennoten van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, alsook aan de bank Dexia.De Arco-groep was een van de hoofdaandeelhouders van die bank en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector werd geacht bij te dragen tot de redding van die bank. 93. In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat alle overheidsmaatregelen die, in welke vorm ook, ondernemingen rechtstreeks of indirect kunnen bevoordelen of die moeten worden beschouwd als een economisch voordeel dat de begunstigde onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen, als steun worden beschouwd (zie met name arresten van 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU: C: 2013: 288, punt 83, en 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C-559/12 P, EU: C: 2014: 217, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 94. Zoals de advocaat-generaal in de punten 74 tot en met 76 van haar conclusie heeft opgemerkt, lijdt het geen twijfel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, een voordeel heeft opgeleverd aan de Arco-groep.De vennootschappen van deze groep hebben - anders dan de andere erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector - overigens zelf een aanvraag ingediend om onder deze regeling te vallen, die vervolgens ook is aanvaard. Door deze garantieregeling werd de Arco-groep beschermd tegen een dreigende uittocht van de particuliere beleggers uit de vennootschappen van deze groep, en werd het haar tegelijk mogelijk gemaakt om als hoofdaandeelhouder van de bank Dexia mee te werken aan de herkapitalisatie van deze bank. 95. Het feit dat andere belanghebbenden, te weten de particuliere aandeelhouders van de vennootschappen van de Arco-groep alsook de bank Dexia, ingevolge deze regeling eveneens bepaalde voordelen hebben kunnen genieten, sluit niet uit dat deze groep als begunstigde ervan moet worden beschouwd.96. Ten tweede zij eraan herinnerd dat artikel 107, lid 1, VWEU steunmaatregelen verbiedt die ' bepaalde ondernemingen of bepaalde producties ' begunstigen, dat wil zeggen selectieve steun (arresten van 28 juli 2011, Mediaset/Commissie, C-403/10 P, niet gepubliceerd, EU: C: 2011: 533, punt 36, en 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, EU: C: 2015: 9, punt 54).97. In casu heeft de Commissie in overweging 101 van het besluit van 3 juli 2014 aangenomen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector ' duidelijk selectief ' is, maar volgens de vennootschappen van de Arco-groep is deze regeling niet selectief. 98. Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat op grond van artikel 107, lid 1, VWEU moet worden bepaald of een nationale maatregel in het kader van een bepaalde rechtsregeling ' bepaalde ondernemingen of bepaalde producties ' begunstigt ten opzichte van andere die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden (arresten van 28 juli 2011, Mediaset/Commissie, C-403/10 P, niet gepubliceerd, EU: C: 2011: 533, punt 36, en 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, EU: C: 2015: 9, punt 55, alsook arresten van heden, Commissie/Hansestadt Lübeck, C-524/14 P, punt 41, en Commissie/World Duty Free Group e.a., C-20/15 P en C-21/15 P, punt 54). 99. Zoals uit de punten 65 tot en met 83 van het onderhavige arrest volgt, heeft het Koninkrijk België de in het Belgische recht geldende depositogarantieregeling uitgebreid tot de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.Doordat deze vennootschappen in aanmerking komen voor deze regeling, genieten zij een economisch voordeel ten opzichte van andere marktdeelnemers die het publiek de mogelijkheid bieden om door de aankoop van aandelen een participatie te verwerven, zonder onder een dergelijke garantieregeling te vallen. 100. Zoals de advocaat-generaal in punt 81 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, bevinden erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, zoals de vennootschappen van de Arco-groep, zich - gelet op de doelstelling van het depositogarantiestelsel, die er blijkens de eerste overweging van richtlijn 94/19 in bestaat de spaarders een garantie te bieden in geval van onbeschikbaarheid van de deposito's die zij bij kredietinstellingen aanhouden, en de stabiliteit van het bankwezen te versterken - in een feitelijke en juridische situatie die, ondanks bepaalde bijzonderheden die uit de rechtsvorm van deze vennootschappen voortvloeien, vergelijkbaar is met die van andere marktdeelnemers (al dan niet coöperatieve vennootschappen) die het publiek de mogelijkheid bieden om door de aankoop van aandelen een participatie te verwerven en dit publiek daarmee een soort kapitaalbelegging ter beschikking stellen waarvoor in beginsel geen depositogarantie geldt.101. De uitbreiding van de in het Belgische recht geldende garantieregeling tot aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector heeft dus tot gevolg dat aan deze vennootschappen een economisch voordeel wordt verleend ten opzichte van andere marktdeelnemers die zich - gelet op de doelstelling van deze regeling - in een feitelijke en juridische situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van deze coöperatieve vennootschappen.Derhalve is deze maatregel selectief van aard. 102. Wat de voorwaarde betreft dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling voor aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer tussen de lidstaten, en de voorwaarde dat deze regeling de mededinging kan verstoren, dient in herinnering te worden geroepen dat voor de kwalificatie van een nationale maatregel als staatssteun niet hoeft te worden vastgesteld dat de betrokken steun de handel tussen de lidstaten werkelijk heeft beïnvloed en de mededinging daadwerkelijk heeft verstoord, maar enkel dient te worden onderzocht of die steun dat handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan verstoren (arresten van 29 april 2004, Italië/Commissie, C-372/97, EU: C: 2004: 234, punt 44;15 december 2005, Unicredito Italiano, C-148/04, EU: C: 2005: 774, punt 54, en 19 maart 2015, OTP Bank, C-672/13, EU: C: 2015: 185, punt 54). 103. In casu blijkt dat de Commissie in overweging 108 van het besluit van 3 juli 2014 mocht aannemen dat de Arco-groep, dankzij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling, haar marktaandeel langer kon behouden en niet te maken kreeg met een uitstroom van kapitaal - of pas later en in mindere mate dan zonder deze regeling het geval was geweest - en dat daardoor kapitaal dat anders beschikbaar was geweest om te investeren, niet beschikbaar kwam voor andere spelers, die op hun merites moesten concurreren en geen beroep konden doen op deze garantieregeling. 104. Voorts moet het handelsverkeer tussen de lidstaten worden geacht door een steunmaatregel van een lidstaat te worden beïnvloed, wanneer die maatregel de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in dat handelsverkeer versterkt (zie met name arresten van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, EU: C: 2006: 8, punt 141, en 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU: C: 2013: 288, punt 77). In dit verband is het niet noodzakelijk dat de begunstigde onderneming zelf aan het handelsverkeer tussen de lidstaten deelneemt. Wanneer een lidstaat steun toekent aan een onderneming, kan de binnenlandse activiteit immers in stand blijven of stijgen, waardoor de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om in die lidstaat op de markt te komen, slinken (arrest van 8 mei 2013, Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU: C: 2013: 288, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 105. Het Hof heeft ook reeds geoordeeld dat het feit dat een economische sector als die van de financiële diensten sterk is geliberaliseerd op het niveau van de Unie, waardoor de mededinging die reeds het gevolg kan zijn van het in het Verdrag verankerde vrije kapitaalverkeer nog is versterkt, een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op het handelsverkeer tussen de lidstaten nog duidelijker kan doen uitkomen (zie in die zin arresten van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, EU: C: 2006: 8, punten 142 en 145, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU: C: 2015: 151, punt 51). 106. De door de Belgische regering en de vennootschappen van de Arco-groep aangevoerde omstandigheid dat de waarde van de deelneming van de particuliere vennoten in de coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector doorgaans van geringe omvang is, sluit niet uit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling de mededinging verstoort en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.107. Bij de beoordeling van de impact van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling op de mededinging en op het handelsverkeer tussen de lidstaten moet immers worden gekeken naar het geheel van de onder deze regeling vallende aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector en niet naar het beschermde kapitaal van een afzonderlijke particuliere vennoot.Hoe dan ook sluit de omstandigheid dat het steunbedrag betrekkelijk gering is of de begunstigde onderneming vrij klein, volgens de rechtspraak van het Hof niet a priori de mogelijkheid uit dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed (arresten van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU: C: 2003: 415, punt 81, en 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, EU: C: 2015: 9, punt 68). 108. Hieruit volgt dat de Commissie op goede gronden mocht aannemen dat in casu was voldaan aan de voorwaarden dat de mededinging is verstoord en dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig is beïnvloed.109. Wat in de tweede plaats artikel 296 VWEU betreft, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Commissie in haar besluit van 3 juli 2014 afdoende heeft gemotiveerd waarom zij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling heeft aangemerkt als ' staatssteun ' in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.110. Zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof, moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten van 15 april 2008, Nuova Agricast, C-390/06, EU: C: 2008: 224, punt 79, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU: C: 2015: 151, punt 44).111. Aangezien een maatregel slechts als ' staatssteun ' in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt indien is voldaan aan elk van de in die bepaling gestelde voorwaarden, moet de Commissie in een besluit waarin zij concludeert dat staatssteun is verleend, uiteenzetten waarom zij van mening is dat de betrokken overheidsmaatregel aan al deze voorwaarden voldoet (arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU: C: 2015: 151, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).112. In casu voldoet het besluit van 3 juli 2014 aan die eisen. [...] 117. Derhalve is bij het onderzoek van de tweede vraag niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van het besluit van 3 juli 2014 ». B.9. Om de redenen die zijn aangehaald in B.9.1 tot B.12.2 van zijn arrest nr. 15/2015 heeft het Hof de volgende derde tot en met zesde prejudiciële vraag gesteld : « 3. In geval van een ontkennend antwoord op de tweede vraag, dient artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat een regeling van staatswaarborg toegekend aan de vennoten, natuurlijke personen, van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, in de zin van artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, nieuwe staatssteun vormt die bij de Europese Commissie moet worden aangemeld ? 4. In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag, is hetzelfde besluit van de Europese Commissie verenigbaar met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun tot uitvoering is gebracht vóór 3 maart 2011 of 1 april 2011 of op een van beide data, of, omgekeerd, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat daarin wordt geoordeeld dat de in het geding zijnde staatssteun op een latere datum tot uitvoering is gebracht ? 5.Dient artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, aan te nemen, indien die maatregel staatssteun tot uitvoering brengt of staatssteun vormt die reeds tot uitvoering is gebracht en die staatssteun nog niet is aangemeld bij de Europese Commissie ? 6. Dient artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in die zin te worden geïnterpreteerd dat het een lidstaat verbiedt om, zonder voorafgaande kennisgeving aan de Europese Commissie, een maatregel, zoals die welke is vervat in artikel 36/24, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, aan te nemen, indien die maatregel staatssteun vormt die nog niet tot uitvoering is gebracht ? ». B.10. Bij zijn arrest van 21 december 2016 heeft het Hof van Justitie, met betrekking tot die derde tot en met zesde prejudiciële vraag, geoordeeld : « Derde vraag 118. Gelet op het antwoord op de tweede vraag behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord. Vierde tot en met zesde vraag 119. Met zijn vierde tot en met zesde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 108, lid 3, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling en voorts of het besluit van 3 juli 2014 in strijd is met die bepaling, voor zover het gaat om de datum waarop volgens de Commissie de door haar vastgestelde staatssteun ten uitvoer is gelegd.120. Opgemerkt zij dat de lidstaten krachtens artikel 108, lid 3, eerste volzin, VWEU verplicht zijn om elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen aan te melden.Overeenkomstig artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU kan de lidstaat die voornemens is steun te verlenen, de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing van de Commissie heeft geleid. Het in die bepaling neergelegde verbod beoogt te waarborgen dat een steunmaatregel geen gevolgen sorteert voordat de Commissie een redelijke tijd heeft gehad om het plan nauwkeurig te onderzoeken en, in voorkomend geval, de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden (arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU: C: 2015: 151, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 121. Bij artikel 108, lid 3, VWEU is dus een preventieve controle op voorgenomen nieuwe steunmaatregelen ingesteld (zie arresten van 11 december 1973, Lorenz, 120/73, EU: C: 1973: 152, punt 2;21 november 2013, Deutsche Lufthansa, C-284/12, EU: C: 2013: 755, punt 25, en 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU: C: 2015: 151, punt 58). 122. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een steunmaatregel onrechtmatig indien hij tot uitvoering wordt gebracht zonder dat de uit artikel 108, lid 3, VWEU voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen (arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C-667/13, EU: C: 2015: 151, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).123. In casu volgt uit overweging 1 van het besluit van 3 juli 2014 dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling pas op 7 november 2011 bij de Commissie is aangemeld, met andere woorden op de dag waarop het verzoek om het kapitaal van de vennootschappen van de Arco-groep door deze garantieregeling te laten beschermen, is aanvaard bij koninklijk besluit van diezelfde dag.124. Een zo late aanmelding kan niet worden aangemerkt als ' tijdig ' in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU.125. Het is juist dat op basis van overweging 110 van het besluit van 3 juli 2014 - waarin is aangegeven dat de elementen om van staatssteun te kunnen spreken ten laatste aanwezig waren toen het koninklijk besluit van 10 oktober 2011 werd aangenomen, maar dat het voordeel dat werd gecreëerd door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling al bestond vanaf het ogenblik dat de Belgische regering op 10 oktober 2008 aankondigde dat deze maatregel in het leven zou worden geroepen - niet ondubbelzinnig kan worden bepaald op welk ogenblik de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling volgens de Commissie tot uitvoering is gebracht.126. Evenwel moet - zonder dat hoeft te worden bepaald of de bij het besluit van 3 juli 2014 vastgestelde staatssteun reeds ten uitvoer is gelegd op 10 oktober 2008, te weten de dag waarop hij voor het eerst is aangekondigd bij een persbericht van de Belgische regering, of pas bij het koninklijk besluit van 7 november 2011, dan wel op een van de door de verwijzende rechter aangegeven data tussen die twee data - worden geconstateerd dat de begunstigden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling ten laatste bij het koninklijk besluit van 7 november 2011 het recht hebben verworven om tot deze regeling toe te treden, zodat de aanmelding van deze regeling (die eveneens op 7 november 2011 is gebeurd) hoe dan ook pas heeft plaatsgevonden toen het al niet meer ging om een louter ' voornemen ' tot invoering in de zin van artikel 108, lid 3, VWEU.Zoals de advocaat-generaal in punt 118 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het beginsel van voorafgaande toetsing door de Commissie dus niet in acht genomen. 127. Bijgevolg kon de Commissie in overweging 143 van het besluit van 3 juli 2014 hoe dan ook op goede gronden concluderen dat ' [het Koninkrijk] België [de in het hoofdgeding aan de orde zijnde garantieregeling] in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU] onrechtmatig ten uitvoer heeft gelegd '.128. Gelet op een en ander moet op de vierde tot en met de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 108, lid 3, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een garantieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze tot uitvoering is gebracht zonder dat de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen.129. Bij het onderzoek van deze vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van het besluit van 3 juli 2014 ». B.11. In het dictum van zijn arrest van 21 december 2016 verklaart het Hof van Justitie voor recht : « 1) De artikelen 2 en 3 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2005, moeten aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten er niet toe verplichten een regeling als die van het hoofdgeding aan te nemen, op grond waarvan de aandelen van erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector worden gewaarborgd, en er zich evenmin tegen verzetten dat een lidstaat een dergelijke regeling aanneemt, voor zover deze niet afdoet aan de nuttige werking van het depositogarantiestelsel dat de lidstaten krachtens deze richtlijn moeten instellen en voor zover zij strookt met het VWEU en met name de artikelen 107 en 108 VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan eerstgenoemde voorwaarde is voldaan. 2) Bij het onderzoek van de door het Grondwettelijk Hof (België) gestelde prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van besluit 2014/686/EU van de Commissie van 3 juli 2014 betreffende steunmaatregel SA.33927 (12/C) (ex 11/NN) door België ten uitvoer gelegd - Garantieregeling ter bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties. 3) Artikel 108, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een garantieregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze tot uitvoering is gebracht zonder dat de uit die bepaling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen ». B.12. Zoals mede uit het antwoord van het Hof van Justitie op de bij het arrest nr. 15/2015 van het Hof gestelde vragen blijkt, heeft de wetgever met het in het geding zijnde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 22 februari 1998, in zoverre het de Koning ertoe machtigt een waarborgregeling in te voeren ten behoeve van de vennoten, natuurlijke personen, van de erkende coöperatieve vennootschappen die actief zijn in de financiële sector, ten voordele van die categorie van personen en van die vennootschappen waarin zij hebben geparticipeerd, een maatregel genomen die, in tegenstelling tot wat de coöperatieve vennootschappen « Arcopar », « Arcoplus » en « Arcofin » hebben aangevoerd, niet kan worden verantwoord als zijnde genomen ter uitvoering van de richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad heeft aangevoerd, kan evenmin worden aangenomen dat de aandelen die de natuurlijke personen hebben bij de bedoelde coöperatieve vennootschappen, moeten worden beschouwd als bankdeposito's bij kredietinstellingen en dat die aandelen om die reden gelijk hadden moeten worden behandeld als klassieke spaarproducten, ook al vertonen zij daarmee een aantal gelijkenissen.

Vermits de in het geding zijnde bepaling in strijd is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU, dient niet te worden nagegaan of al dan niet afbreuk wordt gedaan aan de nuttige werking van het Belgisch depositogarantiestelsel.

B.13. Uit het antwoord van het Hof van Justitie op de vierde tot en met zesde vraag van het Hof is gebleken dat de in het geding zijnde machtiging aan de Koning minstens moest worden beschouwd als een voornemen tot invoering van een nieuwe maatregel die, om in overeenstemming te zijn met artikel 108, lid 3, van het VWEU « tijdig » had moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie, opdat die had kunnen beoordelen of de maatregel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van dat Verdrag diende te worden aangemerkt en, zo ja, of een dergelijke staatssteun in het licht van artikel 107, lid 3, van dat Verdrag als verenigbaar met de interne markt had kunnen worden beschouwd.

Uit het hiervoor vermelde besluit 2014/686/EU van de Europese Commissie van 3 juli 2014 is daarentegen gebleken dat de Europese Commissie de garantieregeling tot bescherming van de aandelen van individuele leden van financiële coöperaties als ongeoorloofde staatssteun heeft gekwalificeerd. Het Koninkrijk België en de coöperatieve vennootschappen « Arcopar », « Arcoplus » en « Arcofin » hebben weliswaar bij het Gerecht van de Europese Unie beroepen tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld en die beroepen zijn nog hangende, maar het Hof van Justitie heeft bij zijn onderzoek naar aanleiding van de tweede tot en met zesde prejudiciële vraag van het Hof geen feiten of omstandigheden vastgesteld die afbreuk zouden doen aan de geldigheid van het voormelde besluit van de Europese Commissie.

B.14. Zonder dat het nodig is de afloop van de voor het Gerecht hangende rechtspleging af te wachten, dient te worden vastgesteld dat de in het geding zijnde maatregel is genomen met het oog op de bevoordeling van een specifieke categorie van personen, maatregel die in ieder geval als een voornemen tot nieuwe staatssteun in de zin van artikel 108, lid 3, van het VWEU bij de Europese Commissie had moeten worden aangemeld.

Door zulks na te laten heeft de wetgever ten aanzien van die categorie van personen gehandeld zonder redelijke verantwoording en met veronachtzaming van het Europees Unierecht, en derhalve in strijd met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.15. De prejudiciële vragen dienen derhalve bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 15 juni 2017.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, E. De Groot

^