Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 17 september 2002

Uittreksel uit arrest nr. 119/2002 van 3 juli 2002 Rolnummer 2151 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit re wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van (...)

bron
arbitragehof
numac
2002021382
pub.
17/09/2002
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 119/2002 van 3 juli 2002 Rolnummer 2151 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik.

Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter L. François, waarnemend voorzitter, en voorzitter A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter L. François, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 26 maart 2001 in zake het openbaar ministerie en J. Triolet tegen A. Musiaux, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 maart 2001, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het een strafrechtelijke beslissing die na afloop van een rechtspleging op tegenspraak is uitgesproken na dertien keer te zijn uitgesteld in afwezigheid van de beklaagde, haar contradictoir karakter laat behouden door de termijn voor hoger beroep te laten aanvangen op de datum van de uitspraak, en niet op de datum van de betekening van de beslissing, en doordat het bijgevolg, uit het oogpunt van de vaststelling van de aanvang van de termijn voor hoger beroep de beklaagde die geconfronteerd wordt met het feit dat de uitspraak van de hem betreffende beslissing herhaaldelijk wordt uitgesteld, na afloop van een rechtspleging op tegenspraak, op dezelfde manier behandelt als indien het vonnis op de aanvankelijk vastgestelde datum zou zijn uitgesproken, terwijl voor een beklaagde die verstek laat gaan, de aanvang van de termijn voor hoger beroep wordt bepaald op een voor hem gunstiger manier, hoewel zij te dezen, om de bovengenoemde redenen, in een soortgelijke feitelijke situatie verkeren ? » (...) IV. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 203, § 1, van het Wetboek van Strafvordering. Die bepaling, gewijzigd bij de wet van 15 juni 1981, luidt : « Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. » B.2. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met het gelijkheidsbeginsel in zoverre, wanneer na behandeling op tegenspraak de strafrechtelijke beslissing wordt uitgesproken op de datum waarop ze is vastgesteld, de termijn van hoger beroep ingaat na de uitspraak, terwijl dezelfde regel geldt ook als de uitspraak herhaaldelijk wordt uitgesteld, alhoewel volgens de bewoordingen van de vraag die situatie soortgelijk zou zijn met die van een uitspraak bij behandeling bij verstek waar de termijn van verzet loopt vanaf de betekening van het verstekvonnis.

B.3.1. Tegen een beslissing op tegenspraak gewezen door een vonnisgerecht kan de beklaagde hoger beroep instellen binnen vijftien dagen na de uitspraak.

B.3.2. Tegen een beslissing bij verstek gewezen door een vonnisgerecht kan de beklaagde verzet doen binnen vijftien dagen na de dag waarop de beslissing aan hem of aan zijn woonplaats is betekend.

B.4. De wetgever heeft aan de beklaagde het recht gegeven zijn verdediging te organiseren. De beklaagde moet wel de consequenties dragen van de door hem gekozen verdediging. Eén van die consequenties is dat de aanvang van de termijn van hoger beroep, naargelang het een beslissing betreft op tegenspraak of bij verstek, anders is geregeld.

De afwezigheid van de beklaagde bij de uitspraak ontneemt aan het vonnis zijn contradictoir karakter niet. De beklaagde, al dan niet aanwezig op de zitting vastgesteld voor de uitspraak, kan zich van het resultaat van die zitting (uitspraak of uitstel) vergewissen en zijn recht op hoger beroep binnen de wettelijk bepaalde termijn aldus vrijwaren. Die noodzaak om zich hiervan te vergewissen is geen onevenredig gevolg, zelfs indien de uitspraak herhaaldelijk wordt uitgesteld.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof, zegt voor recht : Artikel 203, § 1, van het Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, doordat het in een verschillende aanvangsdatum voor de termijn van hoger beroep voorziet naargelang het vonnis op tegenspraak of bij verstek wordt gewezen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 3 juli 2002.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De wnd. voorzitter, L. François

^