Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 28 februari 2003

Uittreksel uit arrest nr. 168/2002 van 27 november 2002 Rolnummers 2200, 2261 en 2262 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 36 en 56 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Fra(...)

bron
arbitragehof
numac
2003200105
pub.
28/02/2003
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 168/2002 van 27 november 2002 Rolnummers 2200, 2261 en 2262 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 36 en 56 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gesteld door het Arbeidshof te Brussel en de Arbeidsrechtbank te Brussel.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. François, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen a. Bij arrest van 31 mei 2001 in zake het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Brussel tegen F.Benabdelkrim, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 11 juni 2001, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap [inzake hulpverlening aan de jeugd], inzonderheid de artikelen 36 en 56 ervan, de grondwettelijke voorschriften waarbij de bevoegdheidsverdeling wordt vastgesteld tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en met name artikel 134 nieuw (26bis oud) van de Grondwet, in zoverre het ervan zou uitgaan of tot noodzakelijk gevolg zou hebben dat de door de Franse Gemeenschap verschuldigde financiële hulp subsidiair, bijkomend en aanvullend is ten opzichte van die welke prioritair zou moeten worden toegekend door het bevoegde O.C.M.W. ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2200 van de rol van het Hof. b. Bij vonnissen van 19 september 2001 in zake H.Vandenbossche tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Sint-Gillis en in zake F. Ezzouaoui tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Brussel, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 4 oktober 2001, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het decreet van 4 maart 1991 van de Franse Gemeenschap [inzake hulpverlening aan de jeugd], inzonderheid de artikelen 36 en 56 ervan, de grondwettelijke voorschriften waarbij de bevoegdheidsverdeling wordt vastgesteld tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en met name artikel 134 nieuw (26bis oud) van de Grondwet, in zoverre het ervan zou uitgaan of tot noodzakelijk gevolg zou hebben dat de door de Franse Gemeenschap verschuldigde financiële hulp subsidiair, bijkomend en aanvullend is ten opzichte van die welke prioritair zou moeten worden toegekend door het bevoegde O.C.M.W. ? » Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 2261 en 2262 van de rol van het Hof. (...) IV. In rechte (...) B.1. In de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de mogelijke schending, door de artikelen 36 en 56 van het decreet van de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd, van de bevoegdheidverdelende regels, in zoverre die artikelen tot gevolg zouden hebben dat de door de Franse Gemeenschap verschuldigde financiële hulp « subsidiair, bijkomend en aanvullend » is ten opzichte van die welke in de eerste plaats zou moeten worden toegekend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.

B.2. Artikel 36 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd bepaalt : « § 1. De adviseur onderzoekt de hulpaanvragen met betrekking tot de jongere en de personen bedoeld in artikel 2, lid 1, van dit decreet. § 2. De adviseur : 1° oriënteert de betrokkenen naar elke geschikte particulier of dienst, die al dan niet in het kader van dit decreet erkend is, waaronder inzonderheid het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een ploeg S.O.S.-Kinderen; 2° verleent bijstand aan de betrokkenen bij de onderneming van stappen met het oog op het bekomen van de aangevraagde hulp;3° geeft, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 56, toelating voor de terugbetaling van de kosten gemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. § 3. Wanneer de adviseur in kennis is gesteld van mishandeling, ontberingen of nalatigheid waarvan een kind het slachtoffer is, of wanneer hij vermoedt dat die er zijn, kan hij het optreden van een ploeg S.O.S.-Kinderen aanvragen. Deze brengt hem op de hoogte van de evolutie van de toestand. § 4. De adviseur coördineert de acties die worden gevoerd ten aanzien van de personen voor wie zijn optreden wordt aangevraagd, inzonderheid door de samenwerking aan te moedigen tussen de verschillende diensten die moeten optreden. § 5. Op aanvraag van de jongere, van een lid van zijn gezin of van één van zijn leefgenoten, of van de algemeen afgevaardigde voor de rechten van het kind en bij de hulpverlening aan de jeugd, interpelleert de adviseur elke privé- of openbare dienst, die al dan niet in het kader van dit decreet erkend is, en die zich met de jongere bezighoudt, om hem inlichtingen te vragen over zijn optreden of zijn weigering van optreden ten gunste van die jongere. § 6. Wanneer aan al de voorwaarden bedoeld in artikel 7, lid 1, van dit decreet voldaan is, kan de adviseur, nadat hij heeft vastgesteld dat geen andere dienst of particulier er op dat ogenblik in staat toe is een aangepaste hulp aan de jongere te verlenen, uitzonderlijk en voorlopig, zolang de stappen bedoeld in § 2 niet tot resultaten hebben geleid, aan de diensten voor hulpverlening aan de jeugd en aan de particulieren en diensten die hun medewerking verlenen voor de toepassing van dit decreet, opdracht geven de aangepaste hulp te verlenen gedurende de nodige periode. § 7. In geval van ontzetting van de ouderlijke macht, wordt de rechtstreekse hulpverlening door de Franse Gemeenschap aan het kind waarvan vader en moeder of één van hen van de ouderlijke macht ontzet zijn, afhankelijk gemaakt van de beslissing van de jeugdrechtbank de minderjarige toe te vertrouwen aan de adviseur overeenkomstig artikel 34, lid 1, van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming of van een schriftelijke aanvraag om optreden van de vervangende voogd, gericht aan de adviseur. » Artikel 56 van het decreet van 4 maart 1991 bepaalt : « Het ministerie tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming behoren betaalt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met inbegrip van die van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, de kosten terug die werden gemaakt met het oog op de uitvoering van hun wettelijke opdracht inzake maatschappelijke hulpverlening aan de jongeren bedoeld bij dit decreet, naar rata van een percentage dat wordt bepaald volgens de door de Regering vast te stellen criteria en normen.

De Regering stelt de nadere regels voor die terugbetaling vast.

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen toelagen die inherent zijn aan hun opdrachten inzake hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming alleen genieten op voorwaarde dat ze zich schikken naar de door de Regering bepaalde criteria voor selectie en oriëntatie van de dossiers en op voorwaarde dat ze de terzake door de Regering vast te stellen procedures in acht nemen. » B.3. Uit de motieven van de beslissingen van de verwijzende rechters blijkt dat het Hof zich moet uitspreken over de overeenstemming van de bepalingen van het voormelde decreet met artikel 128, § 1, eerste lid, van de Grondwet, alsmede met artikel 5, § 1, II, 2° en 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Het Hof oordeelt of een norm die aan zijn toetsing wordt voorgelegd in overeenstemming is met de bevoegdheidverdelende regels die van kracht zijn op de datum waarop die norm is aangenomen : het voormelde decreet moet worden getoetst aan de bijzondere wet van 8 augustus 1980, zoals die van kracht was vóór de wijziging ervan bij de bijzondere wet van 16 juli 1993.

B.4.1. Artikel 128, § 1, eerste lid, van de Grondwet luidde op het ogenblik waarop het decreet werd aangenomen als volgt : « De Gemeenschapsraden regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen. » Luidens het toen van kracht zijnde artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen waren de persoonsgebonden aangelegenheden : « Wat de bijstand aan personen betreft : [...] Het beleid inzake maatschappelijk welzijn met uitzondering van : a) de regelen tot inrichting van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;b) de vaststelling van het minimumbedrag, de toekenningsvoorwaarden en de financiering van het wettelijk gewaarborgd inkomen overeenkomstig de wetgeving tot instelling van het recht op een bestaansminimum.» Het 6° van hetzelfde artikel kende op dat ogenblik aan de gemeenschappen de volgende aangelegenheden toe : « De jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, maar met uitzondering van : a) de burgerrechtelijke regels met betrekking tot het statuut van de minderjarigen en van de familie, zoals die vastgesteld zijn door het Burgerlijk Wetboek en de wetten tot aanvulling ervan;b) de strafrechtelijke regels waarbij gedragingen die inbreuk plegen op de jeugdbescherming, als misdrijf worden omschreven en waarbij op die inbreuken straffen worden gesteld, met inbegrip van de bepalingen die betrekking hebben op de vervolgingen, onverminderd artikel 11;c) de organisatie van de jeugdgerechten, hun territoriale bevoegdheid en de rechtspleging voor die gerechten;d) de opgave van de maatregelen die kunnen worden genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;e) de ontzetting uit de ouderlijke macht en het toezicht op de gezinsbijslag of andere sociale uitkeringen.» B.5.2. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd organiseert verscheidene hulpverlenende maatregelen ten gunste van personen van minder dan achttien jaar of ten gunste van personen van minder dan twintig jaar voor wie de hulpverlening is aangevraagd vóór de leeftijd van achttien jaar.

De aan de jongeren in moeilijkheden toegekende hulpverlening strekt volgens artikel 2 van het decreet ertoe, hen gelijke kansen te bieden met het oog op hun ontplooiing zodat ze een menswaardig bestaan kunnen leiden.

De eigenlijke hulpverlenende maatregelen worden vermeld in artikel 36 van het decreet. Het gaat onder meer, wat de adviseur bij de hulpverlening aan de jeugd betreft, erom de betrokkenen te oriënteren naar elke geschikte particulier of dienst, waaronder inzonderheid het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De adviseur moet tevens de jongere bijstand verlenen bij het ondernemen van stappen met het oog op het verkrijgen van de aangevraagde hulp. Uitzonderlijke en voorlopige hulp kan verder aan de betrokkene worden toegekend, wanneer wordt vastgesteld dat de stappen bij geschikte diensten of particulieren geen resultaat hebben opgeleverd.

B.5.3. De in het geding zijnde bepalingen betreffen maatregelen van sociale jeugdbescherming, die met toepassing van artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren.

Het Hof moet onderzoeken of de Franse Gemeenschap, bij de uitoefening van de aan haar toegewezen bevoegdheid, geen afbreuk heeft gedaan aan de bevoegdheden welke de bijzondere wetgever bij artikel 5, § 1, II, 2°, a) en b) op het ogenblik van het aannemen van de in het geding zijnde bepalingen had voorbehouden aan de Staat.

B.5.4. Noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan, blijkt dat de decreetgever afbreuk heeft willen doen aan de bevoegdheid van de Staat inzake de regelen tot oprichting van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of inzake de vaststelling van het minimumbedrag, de toekenningsvoorwaarden en de financiering van het wettelijk gewaarborgd inkomen overeenkomstig de wetgeving tot instelling van het recht op een bestaansminimum.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt integendeel dat de decreetgever erover heeft gewaakt geen afbreuk te doen aan die bevoegdheid van de Staat en, bijgevolg, aan de verplichtingen die door de organieke wetgeving betreffende de O.C.M.W.'s aan hen zijn opgelegd wat de in het decreet bedoelde jongeren betreft.

Het ten opzichte van die wetgeving aanvullende en bijkomende karakter van de door de Franse Gemeenschap toegekende hulp is expliciet ingevoerd in artikel 36 van het decreet, om rekening te houden met het advies van de Raad van State, die het nodig achtte « elke overlapping te vermijden met de dienstverlening bedoeld in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn » (Doc. , C.C.F., 1990-1991, nr. 165/1, p. 102).

In de parlementaire voorbereiding van het decreet heeft de decreetgever de betekenis gepreciseerd die moest worden gegeven aan die twee kenmerken van de gespecialiseerde dienstverlening : « bijkomend, doordat zij het mogelijk maakt om op een meer aangepaste wijze de dienstverlening te vinden of te versterken die de maatschappij biedt aan alle gezinnen, vanaf de geboorte tot de meerderjarigheid van de kinderen; aanvullend, doordat de gespecialiseerde dienstverlening enkel moet worden toegekend in de gevallen waar de zogenaamde ' eerstelijnsdiensten ' niet op een adequate wijze hulp hebben kunnen bieden » (ibid. , p. 2).

Verder is er gepreciseerd dat de gespecialiseerde dienstverlening moest worden opgevat « als elke vorm van andere dienstverlening dan die welke wordt georganiseerd in de andere wetgevingen zoals, bijvoorbeeld, de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.[...] Die dienstverlening kan elke vorm aannemen die de adviseur eraan wil geven en waarmee de jongere en zijn gezin instemt, bijvoorbeeld in de vorm van financiële hulp zoals de betaling van verblijf op bosklassen of nog huisvesting in een instelling of een opvanggezin of ook in de vorm van bijstand van de jongere bij zijn stappen naar een administratieve dienst, voor zover die vormen van dienstverlening niet kunnen worden uitgevoerd met toepassing van een andere wetgeving dan onderhavig decreet » (ibid. , p. 10). B.5.5. De aanneming van artikel 56 van het decreet, dat bepaalt dat de Franse Gemeenschap, onder bepaalde door de Regering vast te stellen voorwaarden, de kosten terugbetaalt die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn hebben gemaakt ten voordele van de in het decreet bedoelde jongeren, is verantwoord door het feit dat er een stimulans moest worden ingebouwd ten aanzien van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn teneinde hun rechtstreekse tegemoetkoming te verkrijgen ten gunste van de kinderen in moeilijkheden (ibid., p. 36; C.R.I., Franse Gemeenschapsraad, 19 februari 1991, nr. 10, pp. 32 en 33). Die terugbetaling kan enkel betrekking hebben op de aanvullende en bijkomende hulpverlening waarin het decreet voorziet.

B.6. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 36 en 56 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd schenden noch artikel 128, § 1, eerste lid, van de Grondwet, noch artikel 5, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 27 november 2002.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^