Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 26 februari 2004

Uittreksel uit arrest nr. 147/2003 van 19 november 2003 Rolnummer 2611 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 55, § 1, 1°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium, zoals van kracht vóór 1 m Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter L. François, waarnemend voorzitter, en voorzitter A.(...)

bron
arbitragehof
numac
2004200107
pub.
26/02/2004
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 147/2003 van 19 november 2003 Rolnummer 2611 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 55, § 1, 1°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium, zoals van kracht vóór 1 maart 1998, gesteld door de Raad van State.

Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter L. François, waarnemend voorzitter, en voorzitter A. Arts, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter L. François, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 114.361 van 9 januari 2003 in zake H. Grégoire en A. Rowart tegen het Waalse Gewest en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 januari 2003, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 55, § 1, 1°, van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedebouw en patrimonium, zoals het van kracht was vóór 1 maart 1998, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de bouwaanvraag die voorziet in de aanleg van wegen niet onderwerpt aan een openbaar onderzoek, terwijl een soortgelijk onderzoek wel vooraf vereist is voor de behandeling van de verkavelingsaanvragen die in de aanleg van wegen voorzien ? » (...) III. In rechte (...) Ten aanzien van de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 55 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium, zoals het van kracht was vóór 1 maart 1998 - hierna afgekort het vroegere W.W.R.O.S.P. Die bepaling, waarvan enkel de eerste paragraaf, 1°, in het geding is, stelde : «

Art. 55.§ 1. Indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding op [lees : of] opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen bevindt dat de vergunning zijnentwege kan worden verleend, gelden voor de behandeling van de aanvraag de volgende bijkomende formaliteiten : 1° het college van burgemeester en schepenen onderwerpt de aanvraag aan een openbaar onderzoek, waarvan de kosten ten laste van de aanvrager komen.De Executieve bepaalt de wijze waarop dit onderzoek plaatsheeft; 2° de gemeenteraad neemt een besluit over de zaak van de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist.Dat raadsbesluit is niet onderworpen aan de bepalingen van artikel 76, 7°, der gemeentewet. § 2. In geval van beroep worden de in artikel 52, § 1, derde lid, en § 2, vierde lid, bedoelde termijnen van zestig dagen verdubbeld.

Heeft de gemeenteraad over de zaak van de wegen geen beslissing moeten nemen of zich van beslissing over de zaak van de wegen onthouden en is beroep ingesteld, dan roept de Gouverneur van de provincie de gemeenteraad samen op verzoek van de bestendige deputatie of van de Executieve, al naar het geval. De raad moet dan over de zaak van de wegen een besluit nemen en dit mededelen binnen een termijn van negentig dagen te rekenen vanaf de samenroeping door de Gouverneur; zo nodig houdt het college van burgemeester en schepenen het in § 1, 1°, bedoelde openbaar onderzoek.

In dat geval wordt de termijn van honderdtwintig dagen die aan de bestendige deputatie of de Executieve voor de mededeling van hun beschikking op het beroep is voorgeschreven, verlengd met de tijd die de gemeenteraad werkelijk heeft gebruikt om zijn besluit over de zaak van de wegen mede te delen. § 3. Niemand mag een in een dergelijke verkaveling of verkavelingsfase begrepen perceel vrijwillig te koop zetten of verkopen, voor meer dan negen jaar te huur zetten of verhuren, dan nadat de houder van de vergunning de voorgeschreven werken en lasten heeft uitgevoerd, of de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan heeft verschaft.

De vervulling van deze formaliteit wordt geconstateerd door een bewijs dat door het college van burgemeester en schepenen afgegeven en bij ter post aangetekende brief aan de verkavelaar medegedeeld wordt. Het college zend aan de gemachtigde ambtenaar een afschrift van dat bewijs.

Behalve wanneer de uitrusting door de overheid is uitgevoerd, blijft de houder van de verkavelingsvergunning met de aannemer en de architect tien jaar lang voor de uitrusting van de verkaveling hoofdelijk aansprakelijk tegenover het Waalse Gewest, de provincie, de gemeente en de kopers van de percelen, binnen de in de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken. § 4. De vergunning betreffende dergelijke verkavelingen vervalt indien de vergunninghouder de voorgeschreven werken en lasten binnen vijf jaar na de afgifte van de vergunning niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verschaft. § 5. Indien de verkaveling in fasen mag worden uitgevoerd, bepaalt de vergunning het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste. » B.2.1. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter verzoekt het Hof, in hoofdorde, artikel 55, § 1, van het vroegere W.W.R.O.S.P. in die zin te interpreteren dat het eveneens van toepassing is op de bouwaanvragen die voorzien in de aanleg van wegen.

Aangezien artikel 55, volgens die partij, de verplichting van een openbaar onderzoek oplegde zowel voor de verkavelingsvergunningen als voor de bouwvergunningen die een weerslag hebben op het vlak van de verkeerswegen, zou die bepaling, aldus geïnterpreteerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden.

B.2.2. In de formulering die voorafging aan de wijzing ervan bij het decreet van 27 november 1997, voorzag artikel 55 van het vroegere W.W.R.O.S.P. in een openbaar onderzoek voor de verkavelingsaanvragen die « de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding op [lees : of] opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat[ten] ».

Die bepaling beperkte uitdrukkelijk die vereiste tot de enkele verkavelingsvergunningen; zij stond overigens in titel 3 van boek I van het genoemde Wetboek, een titel die uitsluitend aan de verkavelingsvergunning is gewijd.

Het Hof merkt bovendien op dat paragraaf 1 van artikel 55 een letterlijke weergave was van artikel 57bis, § 1, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, een artikel dat in die wet is ingevoegd bij artikel 15 van de wet van 22 december 1970. In de parlementaire voorbereiding in verband met die wetswijziging wordt die verantwoord als volgt : « In het Parlement en in gemeentelijke kringen zijn suggesties voor het geven van een grotere openbaarheid aan de belangrijke verkavelingen gemaakt.

De Regering meent dat een openbaar onderzoek moet worden geëist wanneer een verkaveling de aanleg, de wijziging of de opheffing van verkeerswegen omvat, voor welke zaken in het gemeen recht van een rooiplan insgelijks een openbaar onderzoek plaats heeft. Aangezien dit onderzoek ten bate van een particulier belang gebeurt, is het niet meer dan billijk dat de gemeente de daaruit voortvloeiende kosten op de verkavelaar verhaalt. » (Parl. St., Senaat, 1968-1969, nr. 559, 2 oktober 1969, p. 39) B.2.3. Naast het feit dat het Hof in beginsel de voorgelegde bepaling dient te onderzoeken in de interpretatie van de verwijzende rechter, stelt het Hof vast dat, zoals blijkt uit de in B.2.2 uiteengezette elementen, de door de verzoeker voor de verwijzende rechter gesuggereerde afwijkende interpretatie geen steun vindt in de bewoordingen van het in het geding zijnde artikel 55, noch in het onderwerp van de titel waarvan die bepaling deel uitmaakt, noch in de tekst en de parlementaire voorbereiding van de federale bepaling waarvan dat artikel 55 een weergave is.

Die andere interpretatie dient dus niet te worden onderzocht.

Wat betreft de ontvankelijkheid Ten aanzien van de door de verzoeker voor de verwijzende rechter opgeworpen exceptie B.3.1. In haar memorie van antwoord betwist die partij de ontvankelijkheid van het optreden van de gemeente Orp-Jauche, om reden dat de verwijzende rechter, in het arrest waarbij aan het Hof de prejudiciële vraag wordt gesteld, zelf het door diezelfde gemeente geformuleerde verzoek om tussenkomst in de rechtspleging ten gronde heeft verworpen.

B.3.2. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet op het Arbitragehof bepaalt dat wanneer het Arbitragehof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof kan richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74 en hij daardoor geacht wordt partij in het geding te zijn.

B.3.3. Aangezien de door de gemeente Orp-Jauche ingediende memorie ontvankelijk is, met name ratione temporis, op grond van artikel 87 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 - en zij, op grond van artikel 89 van diezelfde wet, partij in het geding voor het Hof is geworden -, dient de ontvankelijkheid van de door die partij ingediende memories niet te worden onderzocht in het licht van de artikelen 85 en 89.

B.3.4. De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de exceptie opgeworpen door de gemeente Orp-Jauche en de coöperatieve intercommunale vereniging Sedilec (in het kort Sedilec) B.4.1. Volgens die partijen zou de prejudiciële vraag geen antwoord behoeven : aangezien de ontstentenis van openbaar onderzoek in het geval van een bouwvergunning niet voortvloeit uit het aan het Hof voorgelegde artikel 55, zou een mogelijke vaststelling van ongrondwettigheid van die bepaling niet tot gevolg hebben dat een dergelijk onderzoek in dat geval wordt opgelegd.

B.4.2. Aangezien die exceptie verbonden is met de interpretatie die aan de in het geding zijnde bepaling moet worden gegeven, verbindt het Hof zijn toetsing aan het onderzoek ten gronde.

Wat betreft de draagwijdte van de prejudiciële vraag B.5. Het ter toetsing aan het Hof voorgelegde verschil in behandeling bestaat, volgens de verwijzende rechter, daarin dat het voormelde artikel 55 de bouwaanvragen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen impliceerde niet onderwierp aan het openbaar onderzoek, terwijl het een dergelijk onderzoek wel voorschreef voor de verkavelingsaanvragen die wat het wegennet betreft diezelfde implicatie hadden.

B.6.1. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter spitst, met name in haar memorie van antwoord, de essentie van haar argumentering toe op het geval van de « collectief » genoemde bouwvergunningen, teneinde te besluiten tot het discriminerende karakter van de interpretatie volgens welke het openbaar onderzoek dat is voorgeschreven in het in het geding zijnde artikel 55, niet van toepassing zou zijn op de bouwaanvragen.

B.6.2. De partijen voor het Hof vermogen niet de draagwijdte van de prejudiciële vraag te wijzigen of te laten wijzigen.

Ten gronde B.7. Aan Hof wordt gevraagd te beoordelen of, ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel, het redelijkerwijze verantwoord is dat artikel 55 een openbaar onderzoek oplegt voor de verkavelingsaanvragen en dat niet doet voor de bouwaanvragen, terwijl die beide vergunningen een weerslag op het wegennet zouden hebben.

B.8.1. De verkavelingsvergunning roept niet alleen rechten en verplichtingen in het leven voor de kopers van verkavelde goederen : zij heeft ook, anders dan de bouwvergunning, een verordenend karakter.

De verkavelingsvergunning heeft in dat opzicht een waarde die vergelijkbaar is met die van een bijzonder plan van aanleg doordat haar functie niet alleen erin bestaat de kopers en de gemeenten te beschermen, maar ook het algemeen belang te vrijwaren door een goede ruimtelijke ordening. De finaliteit van een openbaar onderzoek is overigens precies zich ervan te vergewissen dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt aangetast door een stedenbouwkundig project, waarbij enkel overwegingen in verband met die finaliteit in aanmerking kunnen worden genomen.

Zoals in de in B.2.2 geciteerde parlementaire voorbereiding wordt aangegeven, vertonen de in het betwiste artikel 55, § 1, bedoelde verkavelingsvergunningen - namelijk diegene die een weerslag hebben op het gebied van het wegennet - bovendien een analogie, met name wat betreft hun verordenend karakter, met de rooiplannen, waarvoor eveneens een openbaar onderzoek voorgeschreven was.

B.8.2. Rekening houdend met die elementen, legde het gelijkheidsbeginsel aan de wetgever niet de verplichting op om, zoals hij dat deed voor de verkavelingsvergunningen die voorzien in de aanleg van wegen, een openbaar onderzoek voor te schrijven voor de bouwvergunningen die voorzien in de aanleg van wegen.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 55, § 1, 1°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedebouw en Patrimonium, zoals het van kracht was vóór 1 maart 1998, de bouwaanvraag die voorziet in de aanleg van wegen niet onderwerpt aan een openbaar onderzoek, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 19 november 2003.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter, L. François.

^