Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 29 oktober 2007

Uittreksel uit arrest nr. 116/2007 van 19 september 2007 Rolnummer 4051 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. D(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2007203239
pub.
29/10/2007
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 116/2007 van 19 september 2007 Rolnummer 4051 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 8 augustus 2006 in zake G.R., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 september 2006, heeft een onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 462 van het Strafwetboek, eventueel in samenhang gelezen met artikel 78 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschoningsgrond invoert voor de diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, terwijl voor de personen die samenwonen niet in een dergelijke verschoningsgrond wordt voorzien ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 462 van het Strafwetboek, eventueel in samenhang gelezen met artikel 78 van datzelfde Wetboek, in zoverre het een verschoningsgrond invoert voor de diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, terwijl in die verschoningsgrond niet wordt voorzien voor de personen die ongehuwd samenwonen.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de enkele vergelijking van de echtgenoten en de categorie van de ongehuwd samenwonenden.

B.2. Artikel 462 van het Strafwetboek bepaalt : « Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding.

Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heeft, wordt gestraft alsof de vorige bepaling niet bestond ».

Artikel 78 van het Strafwetboek bepaalt : « Geen misdaad of wanbedrijf is verschoonbaar dan in de gevallen bij de wet bepaald ».

B.3. In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling worden verscheidene uittreksels weergegeven van de memorie van toelichting bij artikel 380 van het Strafwetboek van 1810, dat aan die bepaling ten grondslag ligt. « Zij niet alleen daarop gebaseerd dat ' de verhouding tussen die personen te intiem is, opdat het zou betamen om, naar aanleiding van geldelijke belangen, het openbaar ministerie ermee te belasten de familiegeheimen die misschien nooit zouden worden onthuld te doorgronden ... en straffen te veroorzaken waarvan het gevolg zich niet ertoe zou beperken alle familieleden met verbijstering te slaan, maar bovendien een eeuwige bron van verdeeldheid en haat zou zijn. ' [...] Het zou uiterst gevaarlijk zijn dat er op grond van een beschuldiging zou kunnen worden vervolgd in zaken waarin de grens tussen het gebrek aan fijngevoeligheid en het echte misdrijf vaak moeilijk vast te stellen is. [...] Tussen echtgenoten en tussen verwanten in de opgaande en de nederdalende lijn, zijn de grenzen van eigendom die in de ogen van de wet zeer duidelijk afgebakend zijn in feite niet zo duidelijk; hiermee willen we niet gezegd hebben dat er een mede-eigendom bestaat, maar wel een soort van recht op elkaars eigendom, dat alhoewel het geen open recht is, duidelijk een invloed uitoefent op het karakter van de ontvreemding » (eigen vertaling) (Parl. St., Kamer, vergadering van 7 december 1860, nr. 35, pp. 6-7).

B.4.1. Het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling is gebaseerd op een objectief element, namelijk dat de echtgenoten jegens elkaar in het Burgerlijk Wetboek gedefinieerde rechten en plichten hebben die de niet-gehuwde paren niet kennen.

Laatstgenoemden zijn immers jegens elkaar niet dezelfde juridische verbintenissen aangegaan.

B.4.2. De wetgever vermocht wettig te oordelen dat een bijzondere immuniteit moest worden toegekend teneinde een door de wet georganiseerde levensgemeenschap te beschermen, die de vermogenssituatie van de echtgenoten wijzigt en die wederzijdse verplichtingen in het leven roept.

De omstandigheid dat de bij de in het geding zijnde bepaling ingevoerde verschoningsgrond niet wordt uitgebreid tot de niet-gehuwde paren, is redelijkerwijze verantwoord, aangezien de door de ongehuwd samenwonenden gevormde gemeenschap niet met dezelfde zekerheid wordt aangetoond als die welke ontstaat uit het huwelijk en daaruit niet dezelfde rechten en plichten voortvloeien.

B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 462 van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 19 september 2007.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^