Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 28 januari 2011

Uittreksel uit arrest nr. 138/2010 van 9 december 2010 Rolnummer 4912 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State. Het Grondw samengesteld uit rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, en, overeenkomstig artikel 60bis van (...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2011200278
pub.
28/01/2011
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 138/2010 van 9 december 2010 Rolnummer 4912 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 11 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gesteld door de Raad van State.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter E. De Groot, waarnemend voorzitter, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Melchior, en de rechters J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter E. De Groot, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest nr. 202.433 van 29 maart 2010 in zake Marcel de Chaffoy tegen de nv « NMBS Holding », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 april 2010, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zo gelezen dat geen bijzondere verjaringstermijn geldt binnen dewelke de betrokkene de hierin bepaalde procedure tot het verkrijgen van een herstelvergoeding wegens buitengewone schade bij het bestuur dient in te stellen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij aan de administratieve overheid elke bevrijdende verjaring ontzegt, terwijl een vordering tot vergoeding van buitencontractuele schade verjaart door het verloop van een bepaalde termijn, die gemeenrechtelijk is vastgesteld in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat bepaalt : « Als geen ander rechtscollege bevoegd is, doet de afdeling bestuursrechtspraak naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang, bij wege van arrest uitspraak over de eisen tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade, veroorzaakt door een administratieve overheid.

De eis tot herstelvergoeding is niet ontvankelijk dan nadat de administratieve overheid een verzoekschrift om vergoeding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen of gedurende zestig dagen verzuimd heeft daarop te beschikken ».

B.1.2. De Raad van State vraagt of die bepaling het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schendt, in de interpretatie dat zij aan het bestuur elke bevrijdende verjaring ontzegt, doordat zij geen termijn bepaalt waarbinnen de betrokkene het verzoekschrift om herstelvergoeding aan het bestuur dient voor te leggen, terwijl een vordering tot vergoeding van buitencontractuele schade verjaart door het verloop van de termijnen bepaald in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, namelijk vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, of in ieder geval twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

B.2. Het Hof dient dus het verschil in behandeling te onderzoeken tussen de administratieve overheden die worden geconfronteerd met een eis tot herstelvordering in de zin van de in het geding zijnde bepaling, en de administratieve overheden die worden geconfronteerd met een vordering op grond van de gemeenrechtelijke buitencontractuele aansprakelijkheid. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn beide categorieën van administratieve overheden vergelijkbaar.

Zij worden immers allebei aangesproken voor een vergoeding tot herstel van een schade als gevolg van vaststaande feiten die door de eiser dienen te worden aangetoond.

B.3. Met de in het geding zijnde bepaling beoogde de wetgever te voorzien in een schadeloosstelling op basis van billijkheidsmotieven (Parl. St., Senaat, B.Z. 1939, nr. 80, pp. 34-36), met inachtneming van de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke macht en de Raad van State (ibid., pp. 28-29).

B.4. Gelet op die grondwettelijke bevoegdheidsverdeling is de procedure vervat in de in het geding zijnde bepaling noodzakelijkerwijze residuair van aard. Aangezien de eiser veelal de uitkomst van een burgerrechtelijke procedure of een procedure voor een ander administratief rechtscollege dient af te wachten, is het niet onredelijk dat de wetgever ervoor heeft geopteerd om, in tegenstelling tot de gemeenrechtelijke overheidsaansprakelijkheid, niet te voorzien in een verjaringstermijn die begint te lopen op het ogenblik van de feiten. De duur van de burgerrechtelijke procedure is immers niet afhankelijk van de eiser.

B.5.1. Het Hof dient evenwel nog te onderzoeken of het gebrek aan vervaltermijn na de uitputting van de andere rechtsmiddelen redelijkerwijze kan worden verantwoord. Krachtens de in het geding zijnde bepaling is de eis tot herstelvergoeding pas ontvankelijk nadat « de administratieve overheid een verzoekschrift om vergoeding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen of gedurende zestig dagen verzuimd heeft daarop te beschikken ».

Krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verjaart de eis tot herstelvordering « zestig dagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing houdende afwijzing van het verzoekschrift tot vergoeding », of, indien de administratieve overheid verzuimt een beslissing te nemen, « drie jaar te rekenen van de datum van dat verzoekschrift ».

Daarentegen is er geen termijn bepaald waarbinnen, na afloop van de burgerrechtelijke procedure of de procedure voor andere administratieve rechtscolleges, de verzoeker zijn verzoekschrift om vergoeding dient in te dienen bij de administratieve overheid.

B.5.2. Dat gebrek aan vervaltermijn is verantwoord doordat dergelijke verzoeken geen subjectief recht betreffen, zodat er geen noodzaak is om nuttig verweer te kunnen voeren betreffende een fout die de administratieve overheid zou worden verweten. Bovendien kan de Raad van State, die over de eis tot herstelvordering uitspraak doet « met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang », het stilzitten van de verzoeker, alsook de oorzaak daarvan, in aanmerking nemen (RvSt, 12 maart 2007, Van Eeckhout, nr. 168.782).

Bovendien zou het tijdsverloop nadelige gevolgen kunnen hebben voor de verzoeker, zoals de moeilijkheid om het bewijs te leveren van het oorzakelijk verband tussen de niet-foutieve handeling en de schade.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zo gelezen dat er geen verjaringstermijn geldt binnen welke de betrokkene de hierin bepaalde procedure tot het verkrijgen van een herstelvergoeding wegens buitengewone schade bij de administratieve overheid dient in te stellen, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 december 2010.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De wnd. voorzitter, E. De Groot.

^