Arrest Uittreksel
gepubliceerd op 28 april 2015
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 26/2015 van 5 maart 2015 Rolnummer : 5874 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 16,

bron
grondwettelijk hof
numac
2015201731
pub.
28/04/2015
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 26/2015 van 5 maart 2015 Rolnummer : 5874 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 16, § 2, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door het Hof van Beroep te Gent.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 27 februari 2014 in zake het openbaar ministerie tegen M.C., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 11 maart 2014, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 16, § 2, 1°, van het W.B.N., de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover - ingeval het voorgenomen huwelijk tussen de Belgische partner en de vreemdeling wordt uitgesteld door omstandigheden buiten hun wil, t.w. de nadien bij een definitief geworden gerechtelijke uitspraak ongegrond verklaarde beslissing van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand tot weigering van het huwelijk, waarna ze beiden zijn gehuwd - de voorhuwelijks wettelijke samenwoonst buiten beschouwing moet worden gelaten voor het bereiken van de in dit artikel vereiste termijn van 3 jaar samenleven van de Belgische echtgenoot en de vreemdeling die de Belgische nationaliteit wenst te verkrijgen, om de staat van Belg te verkrijgen, tegenover de vreemdelingen die in het huwelijk wensen te treden in België waarbij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand instemt met het huwelijk ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 16 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in de versie zoals van toepassing in de zaak die hangende is voor het verwijzende rechtscollege, bepaalt : « § 1. Het huwelijk heeft van rechtswege geen enkel gevolg op de nationaliteit. § 2. 1° De vreemdeling die huwt met een Belg of wiens echtgenoot gedurende het huwelijk de Belgische nationaliteit verkrijgt kan, indien de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België samen hebben verbleven en zolang zij in België samenleven, door een overeenkomstig artikel 15 afgelegde verklaring de staat van Belg verkrijgen. 2° De vreemdeling die huwt met een Belg of wiens echtgenoot gedurende het huwelijk de Belgische nationaliteit verkrijgt kan, indien de echtgenoten gedurende ten minste zes maanden in België samen hebben verbleven en zolang zij in België samenleven, door een overeenkomstig artikel 15 afgelegde verklaring de staat van Belg verkrijgen, op voorwaarde dat hij op het ogenblik van de verklaring, sedert ten minste drie jaar, gemachtigd of toegelaten werd tot een verblijf van meer dan drie maanden of om zich te vestigen in het Rijk. 3° (...) 4° Samenleven in het buitenland kan worden gelijkgesteld met samenleven in België, wanneer de belanghebbende bewijst dat er tussen hem en België een werkelijke band is ontstaan ». B.2. Het Hof wordt gevraagd of artikel 16, § 2, 1°, van het voormelde Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in het geval waarin een voorgenomen huwelijk tussen een Belg en een vreemdeling wordt uitgesteld door omstandigheden buiten hun wil, meer bepaald door een nadien bij rechterlijke uitspraak ongegrond bevonden beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering van het huwelijk, het voorhuwelijks wettelijk samenwonen niet wordt meegerekend voor het bereiken van de in die bepaling bedoelde termijn van drie jaar samenleven. Het Hof wordt daarbij gevraagd om de vreemdeling die zich in de voormelde situatie bevindt, te vergelijken met de vreemdeling die niet wordt geconfronteerd met een beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand tot weigering van het huwelijk.

B.3. Krachtens de in het geding zijnde bepaling kan een vreemdeling die huwt met een Belg de staat van Belg verkrijgen door middel van een overeenkomstig artikel 15 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit afgelegde verklaring, op voorwaarde dat de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België samen hebben verbleven en zolang zij in België samenleven. In de interpretatie die het verwijzende rechtscollege in zijn prejudiciële vraag aan die bepaling verleent, dient de betrokken vreemdeling ten minste drie jaar in België gehuwd te hebben samengeleefd met de Belgische partner, zodat periodes van wettelijk samenwonen niet in aanmerking komen voor het voldoen aan die voorwaarde. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag in die interpretatie.

B.4. Volgens artikel 8 van de Grondwet staat het aan de wetgever de voorwaarden te bepalen waaronder de Belgische nationaliteit kan worden verkregen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsmarge.

Wanneer de door de wetgever gemaakte keuzes leiden tot een verschil in behandeling, dient het Hof evenwel na te gaan of dat verschil op een redelijke verantwoording berust.

B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het Wetboek van de Belgische nationaliteit blijkt dat de wetgever, enerzijds, ervan is uitgegaan dat het huwelijk met een Belg in beginsel kan worden beschouwd als een aanwijzing van de wil van de betrokkene om zich blijvend te integreren in de Belgische samenleving en, anderzijds, heeft willen voorkomen dat huwelijken louter zouden worden gesloten om de Belgische nationaliteit te kunnen verkrijgen. Om beide uitgangspunten te verzoenen is hij van oordeel geweest dat het huwelijk van een vreemdeling met een Belg pas kan worden beschouwd als een voldoende aanwijzing van de wil van de vreemdeling om zich blijvend te integreren in de Belgische samenleving, wanneer de echtgenoten gedurende een bepaalde periode in België hebben samengeleefd of, op voorwaarde dat kan worden bewezen dat er tussen de vreemdeling en België een werkelijke band is ontstaan, in het buitenland (Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/1, p. 15; Parl. St., Kamer, 1983-1984, nr. 756/21, pp. 118-119; Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 560/4, pp. 5-6; Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 626-2, p. 7).

B.5.2. De aanvankelijk in het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene periode van zes maanden werd bij de wet van 6 augustus 1993 « tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie » vervangen door een periode van drie jaar. Met die wijziging heeft de wetgever, onder meer, de regels betreffende het verkrijgen van de Belgische nationaliteit op basis van huwelijk, wat de erin bepaalde termijnen betreft, willen afstemmen op, enerzijds, de regels betreffende het verwerven van de Belgische nationaliteit op andere gronden, en dit om ongelijkheden te voorkomen en, anderzijds, de regels die in andere Europese Staten van toepassing waren met betrekking tot het verwerven van de nationaliteit op basis van het huwelijk (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 560/4, pp. 7-10).

B.6. De juridische toestand waarin de echtgenoten, enerzijds, en de wettelijk samenwonenden, anderzijds, zich bevinden, verschilt, zowel wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft. Die verschillende toestanden kunnen bepaalde verschillen in behandeling verantwoorden wanneer zij verband houden met de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel.

B.7.1. Krachtens artikel 227 van het Burgerlijk Wetboek wordt het huwelijk ontbonden door de dood van een van de echtgenoten of door echtscheiding. De ontbinding van het huwelijk door echtscheiding veronderstelt een procedure voor en een uitspraak van een rechterlijke instantie (artikel 1254 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek).

De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek).

B.7.2. Gelet op de eenvoudige wijze waarop het wettelijk samenwonen kan worden beëindigd, is het, mede rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever beschikt bij het bepalen van de voorwaarden waaronder de Belgische nationaliteit kan worden verkregen, niet zonder redelijke verantwoording dat het wettelijk samenwonen van een vreemdeling met een Belg niet in dezelfde mate als het huwelijk in aanmerking wordt genomen in het kader van het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. De wetgever vermocht, op basis van de wijze waarop het wettelijk samenwonen kan worden beëindigd, redelijkerwijze van oordeel te zijn dat dit samenwonen niet in dezelfde mate als het huwelijk kan worden beschouwd als een voldoende aanwijzing van de wil van de vreemdeling om zich blijvend te integreren in de Belgische samenleving.

B.8. Daaruit volgt eveneens dat het niet zonder redelijke verantwoording is dat bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de in het geding zijnde voorwaarde betreffende de duur van het samenleven, enkel rekening kan worden gehouden met het huwelijkse samenleven en dus niet met het samenleven dat aan het huwelijk voorafgaat.

B.9. De omstandigheid dat een voorgenomen huwelijk van een vreemdeling met een Belg wordt uitgesteld om redenen onafhankelijk van hun wil doet geen afbreuk aan het voorgaande, vermits de wetgever vermocht ervan uit te gaan dat de aanwijzing van de wil van de vreemdeling om zich blijvend in de Belgische samenleving te integreren pas vaststaat na een periode van drie jaar huwelijks samenleven. Het gegeven dat het huwelijk wordt uitgesteld door een door de ambtenaar van de burgerlijke stand genomen beslissing tot weigering van het huwelijk die later bij rechterlijke beslissing wordt hervormd, leidt niet tot een andere conclusie. De in de in het geding zijnde bepaling voorgeschreven minimumperiode van huwelijks samenleven is overigens niet zodanig lang dat zij de verwerving van de Belgische nationaliteit overdreven moeilijk maakt voor de vreemdeling van wie het voorgenomen huwelijk wordt uitgesteld.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 16, § 2, 1°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, in de versie zoals van toepassing vóór de opheffing ervan bij artikel 13 van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in de interpretatie dat de periode van wettelijk samenwonen niet in aanmerking wordt genomen voor het bereiken van de erin bedoelde termijn van drie jaar.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 5 maart 2015.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, A. Alen

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^