Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 27 november 2017

Uittreksel uit arrest nr. 89/2017 van 6 juli 2017 Rolnummer : 6502 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2017204596
pub.
27/11/2017
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 89/2017 van 6 juli 2017 Rolnummer : 6502 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 462 van het Strafwetboek, gesteld door een onderzoeksrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beschikking van 18 augustus 2016 in zake H. A.C. tegen A.A., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 september 2016, heeft een onderzoeksrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 462 van het Strafwetboek, eventueel in samenhang gelezen met artikel 78 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschoningsgrond invoert voor de diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, terwijl voor de personen die samenleven onder de regeling van de wettelijke samenwoning, niet in een dergelijke verschoningsgrond wordt voorzien ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 462 van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 78 van hetzelfde Wetboek.

Artikel 462 van het Strafwetboek bepaalt : « Diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, door een weduwnaar of een weduwe wat zaken betreft die aan de overleden echtgenoot hebben toebehoord, door afstammelingen ten nadele van hun bloedverwanten in de opgaande lijn, door bloedverwanten in de opgaande lijn ten nadele van hun afstammelingen, of door aanverwanten in dezelfde graden, geven alleen aanleiding tot burgerrechtelijke vergoeding.

Het eerste lid is niet van toepassing wanneer deze diefstallen zijn gepleegd ten nadele van een persoon die kwetsbaar is ten gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid.

Ieder ander persoon die aan deze diefstallen deelneemt of die de gestolen voorwerpen of een gedeelte ervan heeft, wordt gestraft alsof het eerste lid niet bestond ».

Artikel 78 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Geen misdaad of wanbedrijf is verschoonbaar dan in de gevallen bij de wet bepaald ».

B.2. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid van die bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet na te gaan in zoverre zij een verschoningsgrond invoeren voor de diefstallen gepleegd tussen gehuwden ten nadele van hun echtgenoot, terwijl voor de personen die samenleven onder de regeling van de wettelijke samenwoning, niet in die verschoningsgrond wordt voorzien.

B.3. Uit de memorie die bij het Hof is neergelegd door de persoon die een klacht heeft ingediend en die zich burgerlijke partij heeft gesteld voor de verwijzende rechter, alsook uit het dossier met de erbij gevoegde stukken, blijkt dat die persoon, op het ogenblik van de feiten die aan de oorsprong van de aanhangigmaking van de zaak bij de verwijzende rechter liggen, het contract van wettelijke samenwoning had beëindigd dat hij met de vermoedelijke dader van die feiten had gesloten.

B.4. De prejudiciële vraag beoogt het verschil in behandeling tussen wettelijk samenwonenden en gehuwden ten aanzien van de toepassing van de regels die het Hof wordt verzocht te toetsen.

Vanwege de feiten uiteengezet in B.3 is de prejudiciële vraag niet nuttig voor het onderzoek van de bij de verwijzende rechter ingediende klacht en behoeft zij bijgevolg geen antwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 6 juli 2017.

De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux J. Spreutels

^