Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 07 augustus 2019

Uittreksel uit arrest nr. 85/2019 van 28. mei 2019 Rolnummer 6867 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 216bis, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Grondwett samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. (...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2019203227
pub.
07/08/2019
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 85/2019 van 28. mei 2019 Rolnummer 6867 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 216bis, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het Hof van Beroep te Luik.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul, T. Giet en J. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 22 februari 2018 in zake het openbaar ministerie en M. D.P. tegen L.P. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 1 maart 2018, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : « Schendt artikel 216bis, § 4, van het Wetboek van strafvordering, zo geïnterpreteerd dat het het debat met betrekking tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inzake de aspecten van de schade en van het oorzakelijk verband, onttrekt aan de bevoegdheid van de strafrechter wanneer een burgerlijke partij is betrokken bij een schikkingsonderhandeling die het voorwerp moet uitmaken van een homologatie teneinde het verval van de strafvordering te laten vaststellen, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aangezien de burgerlijke partij, in het gemeen recht van de strafrechtspleging, ervoor kan kiezen de vergoeding van haar schade, zo die strafrechtelijk is, voor de strafrechter te verkrijgen ? Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, dan wordt aan het Grondwettelijk Hof nog gevraagd of artikel 216bis, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in het licht van de wettigheid en voorzienbaarheid van de strafrechtspleging wat dat laatste betreft, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt in zoverre het de homologatie van een schikking afhankelijk maakt van een debat, voor de strafrechter, met betrekking tot de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, terwijl de schikking niet gelijkstaat met een schulderkenning en terwijl de schade voor de correctionele rechtbanken, overeenkomstig het gemeen recht van de op alle in leven zijnde beklaagden toepasselijke rechtspleging, strafrechtelijk moet zijn ». (...) III. In rechte 1. Vóór de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 18 maart 2018Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/03/2018 pub. 02/05/2018 numac 2018011394 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht sluiten houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht, bepaalde artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering : « § 1.De procureur des Konings kan, indien hij meent dat een feit niet van aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf, desgevallend met inbegrip van de verbeurdverklaring, en dat het geen zware aantasting inhoudt van de lichamelijke integriteit, de dader verzoeken een bepaalde geldsom te storten aan de Federale Overheidsdienst Financiën.

De procureur des Konings bepaalt op welke wijze en binnen welke termijn de betaling geschiedt en de precieze feiten omschreven in tijd en ruimte waarvoor hij de betaling voorstelt. Die termijn is ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden. De procureur des Konings kan deze termijn verlengen wanneer bijzondere omstandigheden het wettigen of verkorten indien de verdachte hiermee instemt.

Het voorstel en de beslissing tot verlenging stuiten de verjaring van de strafvordering.

De in het eerste lid bedoelde geldsom mag niet meer bedragen dan het maximum van de in de wet voorziene geldboete, verhoogd met de opdeciemen, en dient in verhouding te staan tot de zwaarte van het misdrijf. [...] Wanneer het misdrijf kosten van analyse of van deskundig onderzoek heeft veroorzaakt, kan de bepaalde som worden verhoogd met het bedrag van die kosten of met een gedeelte ervan; het gedeelte van de som dat gestort is om die kosten te dekken, wordt toegewezen aan de instelling waaraan of aan de persoon aan wie ze verschuldigd zijn.

De procureur des Konings verzoekt de verdachte van het misdrijf waarop de verbeurdverklaring staat of kan staan, binnen een door hem bepaalde termijn afstand te doen van de in beslag genomen goederen of vermogensvoordelen, of indien de goederen of vermogensvoordelen niet in beslag genomen zijn, deze af te geven op de door hem bepaalde plaats.

Betaling, afstand en afgifte doen de strafvordering vervallen, mits zij binnen de bepaalde termijn plaatshebben.

De aangestelden van de Federale Overheidsdienst Financiën geven de procureur des Konings kennis van de verrichte storting. § 2. Het recht, in paragraaf 1 aan de procureur des Konings toegekend, kan ook worden uitgeoefend wanneer de onderzoeksrechter met een onderzoek is gelast of wanneer de zaak reeds bij de rechtbank of het hof aanhangig is gemaakt, indien de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde zijn bereidheid te kennen geeft de aan een ander veroorzaakte schade te vergoeden, voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken. Het initiatief kan ook uitgaan van de procureur des Konings.

In voorkomend geval laat de procureur des Konings zich het strafdossier in mededeling geworden door de onderzoeksrechter, die een advies kan geven over de stand van het onderzoek.

Hetzij op vraag van de verdachte, hetzij ambtshalve stelt de procureur des Konings, indien hij van oordeel is dat toepassing kan gemaakt worden van deze paragraaf, de verdachte, het slachtoffer en hun advocaten in kennis dat zij inzage in het strafdossier krijgen voor zover zij dat nog niet hadden.

De procureur des Konings bepaalt dag, uur en plaats van de oproeping van de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde en het slachtoffer en hun advocaten, hij licht zijn voornemen toe en bepaalt op welke feiten omschreven in tijd en ruimte de betaling van de geldsom betrekking zal hebben.

Hij bepaalt het bedrag van de geldsom, de kosten en de goederen of vermogensvoordelen waarvan afstand of afgifte dient gedaan te worden, overeenkomstig de in paragraaf 1 bepaalde wijze.

Hij bepaalt de termijn binnen dewelke de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde en het slachtoffer tot een akkoord kunnen komen in verband met de omvang van de schade en de regeling van de schadevergoeding.

Indien bovenvermelde partijen tot een akkoord zijn gekomen, melden zij dat aan de procureur des Konings die het akkoord akteert in een proces-verbaal.

In overeenstemming met paragraaf 1 vervalt de strafvordering tegen de dader die de door de procureur des Konings voorgestelde minnelijke schikking heeft aanvaard en nageleefd. De minnelijke schikking doet evenwel geen afbreuk aan de strafvordering tegen de overige daders, mededaders of medeplichtigen, noch aan de vorderingen van de slachtoffers tegen hen. De wegens hetzelfde misdrijf veroordeelde personen zijn hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding en, onverminderd artikel 50, derde lid, van het Strafwetboek, tot betaling van de gerechtskosten, ook al heeft de dader die een minnelijke schikking heeft aanvaard, hieraan reeds voldaan.

Wanneer een minnelijke schikking is uitgevoerd in een zaak die aanhangig werd gemaakt en over de strafvordering nog geen vonnis of arrest werd uitgesproken dat in kracht van gewijsde is gegaan, geeft al naar het geval de procureur des Konings of de procureur-generaal bij het hof van beroep of het arbeidshof daarvan zonder verwijl officieel bericht aan de gevatte politierechtbank, correctionele rechtbank of hof van beroep en, in voorkomend geval, aan het Hof van Cassatie.

Op vordering van de procureur des Konings en na te hebben nagegaan of voldaan is aan de formele toepassingsvoorwaarden van § 1, eerste lid, of de dader de voorgestelde minnelijke schikking heeft aanvaard en nageleefd, en het slachtoffer en de fiscale of sociale administratie werden vergoed overeenkomstig § 4 en § 6, tweede lid, stelt de bevoegde rechter het verval van de strafvordering vast ten aanzien van de dader.

Indien de procureur des Konings geen akkoord kan akteren kunnen de documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet ten laste van de dader worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis. [...] § 4. De eventueel aan een ander veroorzaakte schade dient geheel vergoed te zijn vooraleer de schikking kan worden voorgesteld. De schikking kan evenwel ook worden voorgesteld op voorwaarde dat de dader in een geschrift zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het schadeverwekkende feit heeft erkend en hij het bewijs heeft geleverd van de vergoeding van het niet-betwiste gedeelte van de schade en de regeling ervan. In ieder geval kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde rechtbank. In dat geval geldt de betaling van de geldsom door de dader als een onweerlegbaar vermoeden van fout. [...] ». 2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de grondwettigheid van artikel 216bis, § 4, van het Wetboek van strafvordering, in zoverre die bepaling de burgerlijke partij het recht zou ontzeggen om de rechter aan wie wordt gevraagd het verval van de strafvordering vast te stellen met toepassing van artikel 216bis, § 2, tiende lid, van hetzelfde Wetboek, te verzoeken zich uit te spreken over het bestaan van de schade die de burgerlijke partij beweert te hebben geleden wegens misdrijven die ten grondslag liggen aan de strafvordering, alsook over het oorzakelijk verband tussen die schade en die misdrijven.3. Aan M.D.P. werd gevraagd aan het Hof een memorie te richten binnen de termijn bepaald in artikel 85, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof.

De advocaat die de belangen van M. D.P. verdedigde voor het Hof van Beroep te Luik heeft het Hof erover ingelicht dat zijn cliënt was overleden en dat hijzelf niet in staat was het Hof in te lichten over het bestaan van een gedinghervatting door zijn eventuele erfgenamen, en het blijkt niet dat een gedinghervatting heeft plaatsgehad. 4. Daar de inzet van het antwoord op de prejudiciële vraag die in hoofdorde wordt gesteld, alleen betrekking heeft op de bevoegdheid van het Hof van Beroep te Luik om kennis te nemen van de burgerlijke vordering die M.D.P. heeft ingesteld, dient de vraag te worden teruggezonden naar dat rechtscollege, opdat het kan oordelen of, gelet op het overlijden van de burgerlijke partij, een antwoord op die vraag nuttig blijft voor de oplossing van het voor dat rechtscollege hangende geschil.

Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar het Hof van Beroep te Luik.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 28 mei 2019.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, F. Daoût

^