Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 10 juni 2020

Uittreksel uit arrest nr. 107/2019 van 3 juli 2019 Rolnummer 6848 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik. Het Gron samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E.(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2020200371
pub.
10/06/2020
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 107/2019 van 3 juli 2019 Rolnummer 6848 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, R. Leysen en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 februari 2018 in zake M.D. tegen de bvba « Sogesco » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 februari 2018, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, in voorkomend geval ingevolge een lacune in de wetgeving, het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bedoelde beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het EVRM ten aanzien van het recht op een eerlijk proces en ten aanzien van het recht op een proces binnen een redelijke termijn, in zoverre het, door de werking van de dagvaarding voor het gerecht, een onverjaarbare vordering instelt zolang er geen definitief vonnis is gewezen, terwijl artikel 2262bis, in zoverre het van toepassing is op het definitieve vonnis, de schuldenaar tien jaar na de uitspraak van de beslissing verzekert van de beëindiging van elke tenuitvoerlegging ? ». (...) III. In rechte B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.

B.1.2. Artikel 2244, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.

Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Voor de toepassing van deze afdeling heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de [...] administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht ».

Het tweede en het derde lid van die bepaling werden ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 25 juli 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/07/2008 pub. 22/08/2008 numac 2008009714 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State sluiten « tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State ».

Zoals het opschrift ervan aangeeft, had die wet hoofdzakelijk tot doel de door de Raad van State uitgesproken vernietigingsarresten gepaard te doen gaan met een verjaringstuitende werking van de daarop betrekking hebbende aansprakelijkheidsvordering. Bij dezelfde wet heeft de wetgever een wettelijke grondslag verleend aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgens welke de stuiting van de verjaring door een dagvaarding voor het gerecht blijft duren tot het einde van het geding. De wetgever heeft zich daarbij geïnspireerd op de bewoordingen van artikel 101 van de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (zie amendement nr. 6, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/005, p. 2; verslag, Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0832/006, pp. 8-10).

B.2.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij, door de verjaringstuitende werking van een dagvaarding voor het gerecht te laten voortduren tot het einde van het geding, de bij het gerecht ingestelde vordering onverjaarbaar maakt zolang er geen definitieve beslissing is uitgesproken, terwijl de vordering tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing volgens artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek verjaart door verloop van tien jaar vanaf de uitspraak ervan.

B.2.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de rechtzoekende die, in het kader van een burgerlijk proces, wordt geconfronteerd met de inertie van zijn vermeende schuldeiser en, anderzijds, de rechtzoekende die, na de uitspraak van een definitieve gerechtelijke beslissing waarbij een schuld te zijnen aanzien wordt vastgesteld, wordt geconfronteerd met de inertie van zijn schuldeiser wat de tenuitvoerlegging van die beslissing betreft. Terwijl in het eerste geval de verjaring van de oorspronkelijke vordering voor onbepaalde duur gestuit wordt tot de uitspraak van een definitieve gerechtelijke beslissing, kan in het tweede geval de verjaring van de vordering met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het vonnis intreden na tien jaar vanaf het vonnis.

B.3.1. De Ministerraad doet gelden dat er tussen de twee categorieën van personen die in de prejudiciële vraag worden vermeld, verschillen bestaan die van dien aard zijn dat hun situaties niet kunnen worden vergeleken ten aanzien van de toetsingsnormen.

B.3.2. De omstandigheid dat de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personen zich in verschillende stadia van een contentieux bevinden, waarbij de ene zich bevindt in het kader van de jurisdictionele procedure tot beslechting ervan en de andere in het stadium van de tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij het geschil definitief is beslecht, volstaat niet om te kunnen oordelen dat die categorieën van personen niet met elkaar zouden kunnen worden vergeleken : in beide gevallen is er sprake van de situatie van een persoon die door een andere persoon voor het gerecht is opgeroepen teneinde zijn veroordeling met betrekking tot een bepaalde schuldvordering te verkrijgen. Ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel, die de verjaring van schuldvorderingen betreft, zijn beide categorieën van personen dan ook voldoende vergelijkbaar.

B.4.1. De verjaring is een wijze van verval van de vordering wegens het verstrijken van de door de wet vastgestelde termijn om ze in te stellen (Cass., 18 maart 2013, S.12.0084.F).

Luidens artikel 2244, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door een dagvaarding voor het gerecht.

Wanneer een dagvaarding voor het gerecht de verjaring stuit, loopt de verjaring ervan niet meer tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken (artikel 2244, § 1, tweede lid).

B.4.2. Wanneer de betwisting wordt beslecht bij een definitieve beslissing, neemt de stuiting van de verjaring een einde. In het geval waarin de eis wordt afgewezen, wordt de stuiting van de verjaring voor niet-bestaande gehouden (artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek). In het geval waarin de schuldeiser in het gelijk is gesteld, ontstaat een vordering tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Zoals het Hof van Cassatie bij een arrest van 7 november 2014 (C.14.0122.N) heeft geoordeeld, is die vordering onderworpen aan de in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verjaringstermijn van tien jaar.

B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of een geding met betrekking tot de betwiste schuldvordering hangende is dan wel bij een definitieve beslissing werd beslecht. Het Hof dient nog te onderzoeken of dat verschil in behandeling gebaseerd is op een relevant criterium en of het geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt.

B.6. De verjaringstermijnen hebben verschillende doeleinden, waaronder het waarborgen van de rechtszekerheid door een termijn voor de rechtsvorderingen vast te stellen. De verjaring strekt er aldus toe een persoon ertoe aan te zetten zijn recht tijdig te doen erkennen.

Het feit dat de stuiting van de verjaring, door een dagvaarding voor het gerecht, blijft duren tot de uitspraak van een definitieve beslissing, vloeit voort uit de aard zelf van die stuitingsgrond. De dagvaarding voor het gerecht is immers de handeling waarmee een persoon een vordering instelt om het bestaan van een recht door het gerecht te doen erkennen (Cass., 19 september 2016, C.16.0021.F). Het is bijgevolg niet onredelijk dat de stuiting van de verjaring, die de dagvaarding met zich meebrengt, blijft duren totdat een beslissing definitief een einde maakt aan het geschil.

B.7.1. In tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter lijkt aan te voeren, houdt het onbepaalde karakter van de duur van de stuiting van de verjaring niet in dat de verweerder, in geval van inertie van de eiser, volledig machteloos zou staan en dat het geding bijgevolg oneindig zou duren.

Tijdens het geding maakt het Gerechtelijk Wetboek het de partijen, met inbegrip van de verweerder, mogelijk om op te treden tegen de inertie van de andere partij opdat uitspraak wordt gedaan over de zaak. Aldus bepaalt artikel 747, § 2, vijfde lid, dat, wanneer de zaak naar de rol is verwezen of werd verdaagd naar een latere datum, iedere partij, door middel van een gewoon schriftelijk verzoek neergelegd ter of gezonden aan de griffie, om de instaatstelling van de zaak kan verzoeken, overeenkomstig het eerste tot het vierde lid. Artikel 730, § 2, a), derde lid, maakt het daarenboven mogelijk om een zaak die van de algemene rol werd weggelaten, terug in te schrijven op verzoek van de meest gerede partij.

In het kader van een burgerlijk proces hebben de partijen eveneens de verplichting zich loyaal te gedragen. De rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot misbruik van procesrecht maakt het de rechter aldus mogelijk de rechtzoekenden te bestraffen die de procedure gebruiken op een wijze die de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat, door rekening te houden met alle relevante omstandigheden van de zaak (Cass., 17 oktober 2008, C.07.0214.N; 28 juni 2013, C.12.0502.N; 2 maart 2015, C.14.0337.F; 11 juni 2015, C.14.0433.F; 26 oktober 2017, C.16.0393.N).

Artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek maakt nog de veroordeling tot een burgerlijke geldboete mogelijk van de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden, onverminderd eventuele schadevergoeding.

B.7.2. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de rechtzoekende die, in het kader van een burgerlijk proces, wordt geconfronteerd met de inertie van diegene die beweert zijn schuldeiser te zijn.

B.8. Om dezelfde redenen houdt de stuiting van de verjaring tot de uitspraak van een definitieve beslissing op zich geenszins een overschrijding van de redelijke termijn in die in strijd zou zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Het komt in voorkomend geval de verwijzende rechter toe, rekening houdend met de feitelijke elementen die eigen zijn aan het geschil, na te gaan of in een bepaalde zaak de redelijke termijn niet is overschreden.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2244, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 3 juli 2019.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, F. Daoût

^