Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 03 september 1997

Arrest nr. 42/97 van 14 juli 1997 Rolnummers 974 en 978 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bes Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters P. (...)

bron
arbitragehof
numac
1997021227
pub.
03/09/1997
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 42/97 van 14 juli 1997 Rolnummers 974 en 978 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters P. Martens, J. Delruelle, E. Cerexhe, H. Coremans en A. Arts, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter L. De Grève, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de beroepen a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 juni 1996 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 juni 1996, heeft A.Goetschalckx, landbouwer-veeteler, wonende te 2321 Hoogstraten, Terbeeksestraat 75, een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1995, 5e uitgave). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 juli 1996 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 juli 1996, hebben de v.z.w. Beroepsvereniging van de Mengvoederfabrikanten, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Gasthuisstraat 31, de v.z.w. Overlegcentrum voor Agrarische Toeleverings-, Producerende en Verwerkende Ondernemingen, met maatschappelijke zetel te 8870 Izegem, Gentsesteenweg 96, de v.z.w. Vereniging Varkenshouders, met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Ottergemsesteenweg 644, de b.v.b.a. Dumovar, met maatschappelijke zetel te 8890 Moorslede, Waterdamstraat 2, de b.v.b.a. Den Bos, met maatschappelijke zetel te 8980 Passendale-Zonnebeke, Paardebosstraat 2, de b.v.b.a. Straathof Borsbeke, met maatschappelijke zetel te 3520 Zonhoven, Bruinstraat 13, de n.v. Moons, met maatschappelijke zetel te 2370 Arendonk, Jokeven 1, de n.v. Vyvarco, met maatschappelijke zetel te 8340 Damme, Vierschaarstraat 27, de n.v. Rupico, met maatschappelijke zetel te 8020 Ruddervoorde, Papenhoekstraat 4, D. Boddez, wonende te 8310 Brugge, Engelendallaan 19, en W. Cornette, wonende te 8650 Klerken-Houthulst, Vijverstraat 82, een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van voormeld decreet van 20 december 1995.

Die zaken zijn ingeschreven respectievelijk onder de nummers 974 en 978 van de rol van het Hof en zijn samengevoegd.

II. De rechtspleging Bij beschikkingen van 27 juni 1996 en 2 juli 1996 heeft de voorzitter in functie voor ieder van beide zaken de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om in de respectieve zaken artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 9 juli 1996 heeft het Hof in voltallige zitting de zaken samengevoegd.

Van de beroepen is kennisgegeven overeenkomstig artikel 76 van de organieke wet bij op 12 augustus 1996 ter post aangetekende brieven.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 1996.

Memories zijn ingediend door : de v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector, Geelhandlaan 8, 2540 Hove, bij op 5 september 1996 ter post aangetekende brief;

F. Leenaerts, Sluiskensweg 2, 2321 Meer, R. Van Der Velden, Maxburgdreef 6, 2321 Meer, J. Delcroix, Maxburgdreef 55, 2321 Meer, L. Leenaerts, Sluiskensweg 5 a, 2321 Meer, R. Lauvrijssen, Sluiskensweg 4a, 2321 Meer, H. Van Bergen, Terbeeksestraat 73, 2321 Meer, M. Drieren, Ouddorpsstraat 2, 2990 Loenhout, J. Tilburgs, Maxburgdreef 1a, 2321 Meer, C. Schalk, De Mosten, 2321 Meer, C. Wuyts, Rijtweg 3, 2310 Rijkevorsel, S. Brughmans, Oudaenstraat 1, 2960 Brecht, J. Van Looveren, Vaalmoer 2, 2321 Meer, J. Brosens, Eindsestraat 3, 2321 Meer, J. Aertsen, Maxburgdreef 29, 2321 Meer, Bastiaansen-Van Opstal, Terbeeksestraat 65 b, 2321 Meer, F. Vriends, Maxburgdreef 27, 2321 Meer, S. Bastiaansen, Venneweg 17, 2321 Meer, M. Van Eirck, Katerstraat, 2990 Loenhout, E. Schrieckx Schalk, Hoogeind 109 a, 2321 Meer, J. Vermeiren, Hoenderstraat 21, 2990 Loenhout, L. Van Aerde, Wuustwezelsesteenweg 2c, 2960 Brecht, M. Grootaert, Lelieplas 1a, 2990 Maldegem, M. Hooruyh, Kestelstroot 98, 9880 Aalter, N. Engelen, 't Hasseltkiezel 30 b, 3960 Bree, G. Soete, Zeeuweg 108, 8460 Roksem, R. Sybens, Dieperstraat 7 c, 2230 Herselt, A. Wellens, De Breem 2, 2350 Vosselaar, G. Van Mechelen, Draaiboom 73, 2360 Oud-Turnhout, E. Both, Herderenweg 11, 3770 Riems, H. Vanthillo, Terbeeksestraat 73 a, 2321 Meer, L. Arnouts, Vaalmoer 9, 2321 Meer, M. Snoeys, Terbeeksestraat 47 a, 2321 Meer, H. Dreezen, Neerhovenstraat 65, 3670 Meeuwen-Gruitrode, R. Meeus, Boekant 23 a, 3390 Tielt-Winge, Van De Walle, Puttendreef 1, 8740 Pittem, J. Wellens, Breem 4, 2350 Vosselaar, G. Cornelis, Boskant 1, 2350 Vosselaar, A. Mols, Hooydonckstraat 770, 2560 Nijlen, L. Van Mechelen, Klein Heerestraat 8, 2360 Oud-Turnhout, E. Loobuyck, Sekorenstraat 27, 8600 Leke-Diksmuide, J. Leenaerts, Terbeeksestraat 44, 2321 Meer, F. Leenaerts, Groot Eyssel 42 a, 2328 Meerle, J. Vermeiren, Meerleseweg 45 a, 2321 Meer, B. Verheyen, Boskantweg 11, 2321 Meer, H. Van Opstal, Meerleseweg 106, 2321 Meer, J. Verschueren, Meerleseweg 108, 2321 Meer, R. Martens, Groot Eyssel 58, 2328 Meerle, J. Rombouts, Dreefweg 11, 2321 Meer, S. Noeyen, Achteraard 11, 2322 Minderhout, J. Kox, Beeksestraat 8 b, 2321 Meer, N. Streng, Terbeeksestraat 23, 2321 Meer, J. Vriends, Maxburgdreef 7, 2321 Meer, M. Verheyen, Boskantweg 13, 2321 Meer, W. Van Otten, Engelenven 9, 2321 Meer, J. Adams, Engelenven 4, 2322 Minderhout, P. Snels, Princeven 4, 2322 Minderhout, L. Snels, Princeven 2 a, 2322 Minderhout, A. Verhoeven, Blauwedraaiboomstraat, 2320 Hoogstraten, F. Schrijvers, Achteraard 36, 2322 Minderhout, F. Aerts, Beekakker 11, 2321 Meer, W. De Bruyn, Merenweg 3, 2321 Meer, en H. Leenaerts, Maxburgdreef 4, 2321 Meer, bij op 11 september 1996 ter post aangetekende brief; de Vlaamse Regering, Martelaarsplein 19, 1000 Brussel, bij op 27 september 1996 ter post aangetekende brief.

Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 15 oktober 1996 ter post aangetekende brieven.

Memories van antwoord zijn ingediend door : de verzoekende partij in de zaak met rolnummer 974, bij op 12 november 1996 ter post aangetekende brief; de Vlaamse Regering, bij op 14 november 1996 ter post aangetekende brief; de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978, bij op 15 november 1996 ter post aangetekende brief.

Bij beschikkingen van 26 november 1996 en 29 mei 1997 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 26 juni 1997 en 26 december 1997.

Bij beschikking van 25 maart 1997 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 17 april 1997.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 26 maart 1997 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 17 april 1997 : zijn verschenen : . Mr. K. Belmans, advocaat bij de balie te Turnhout, voor de verzoekende partij in de zaak met rolnummer 974 en voor F. Leenaerts en anderen; . Mr. G. Sepelie en Mr. J. Declercq loco Mr. J. Steenbergen, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978; . Mr. A. Van Regenmortel, advocaat bij de balie te Antwerpen, voor de v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector; . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; hebben de rechters-verslaggevers A. Arts en J. Delruelle verslag uitgebracht; zijn de voornoemde advocaten gehoord; zijn de zaken in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. Onderwerp van de bestreden bepalingen Over het decreet van 23 januari 1991 Met het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen beoogde de decreetgever de verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater en de luchtverontreiniging veroorzaakt door het overschot aan hoofdzakelijk dierlijke meststoffen die voortkomen uit de explosief gegroeide veeteeltsector in het Vlaamse Gewest, te verhelpen.

Bij het decreet van 23 januari 1991 werd binnen de Vlaamse Landmaatschappij een « Mestbank » opgericht, die de hoeveelheden dierlijke meststoffen zou inventariseren en die bemiddelend zou optreden bij het verhandelen, afnemen, vervoeren of verwerken van dierlijke mest. Er werden regels voor het transport van meststoffen naar mestbehoevende gebruikers alsook bemestingslimieten vastgesteld en op mestoverschotten werd een heffing ingevoerd.

De decreetgever beoogde vooral zicht te krijgen op de productie en het gebruik van meststoffen en de overdracht te regelen van bedrijfsmatige mestoverschotten naar mestbehoevende gebruikers.

In de beginfase werden normen vastgesteld voor het bepalen van de mestoverschotten en werden algehele bemestingslimieten vastgesteld waarbij er op het niveau van het gehele Vlaamse Gewest geen dierlijke mestoverschotten meer waren. Er werd vooropgesteld dat op termijn strengere bemestingslimieten zouden worden bepaald en dat desnoods de productie van dierlijke meststoffen kon worden beperkt.

Voorts werd een « Stuurgroep Vlaamse Mestproblematiek » opgericht, die de Vlaamse Regering zou adviseren met betrekking tot de bescherming van het leefmilieu tegen verontreiniging als gevolg van de productie, het gebruik en de opslag van meststoffen.

Over het decreet van 20 december 1995 Met behoud van het oogmerk van het decreet van 23 januari 1991 tot « bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de produktie en het gebruik van meststoffen » beoogt het aangevochten decreet van 20 december 1995 het oorspronkelijke decreet « aan te passen aan de nieuwe inzichten enerzijds en de milieubeleidsdoelstellingen anderzijds » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 2).

De uitgangspunten van het zogenaamde « mestactieplan » (MAP), zoals goedgekeurd op 29 september 1993 door de Vlaamse Regering, zijn in de memorie van toelichting bij het ontwerp van het decreet van 20 december 1995 (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 2) als volgt opgesomd : « de rechtmatige belangen van de veehouderij worden evenwaardig afgewogen t.o.v. de milieubelangen; het creëren van rechtszekerheid door het vastleggen van een duidelijke lange termijn planning; een timing van de emissieregulerende maatregelen tot het jaar 2002; rekening houden met de socio-economische aspecten in casu het gezinsveeteeltbedrijf, bij het uitwerken van de maatregelen; beperking van de administratie tot het strikt functionele; afstemming van verschillende wettelijke instrumenten om de mestoverschottenproblematiek aan te pakken. » Het decreet van 20 december 1995 handhaaft de basisstructuur van het oorspronkelijke decreet maar wijzigt het grondig wat de inhoud betreft.

Aan de ene kant wordt het stelsel van het oorspronkelijke decreet verfijnd. Aan de andere kant wordt een reeks gunstbepalingen ingevoegd voor de zogenaamde gezinsveeteeltbedrijven, dit zijn de bedrijven die voldoen aan de criteria bepaald in artikel 2bis van het Nieuwe Mestdecreet.

Volgens artikel 3, 2, van het Nieuwe Mestdecreet kan iedere producent die wenst dat zijn bedrijf « genotificeerd » wordt als gezinsveeteeltbedrijf met betrekking tot het jaar van aangifte en het voorgaande jaar ten overstaan van de Mestbank een verklaring op eer afleggen dat zijn bedrijf voldeed en zal voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 2bis.

Onterechte verklaringen worden bestraft met administratieve geldboeten en correctionele straffen en een uitsluiting van « notificatie » gedurende vijf jaar.

IV. In rechte A Ten aanzien van de ontvankelijkheid Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 974 A.1. A. Goetschalckx is een varkenskweker met een vergunning voor het stallen van 2.400 varkens. Vanwege het aantal vergunde dieren komt hij niet in aanmerking voor een « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf.

Hij wordt rechtstreeks en ongunstig geraakt door het decreet van 20 december 1995 doordat hij gediscrimineerd wordt ten opzichte van de bedrijven die door de bestreden bepalingen wel als een gezinsveeteeltbedrijf worden beschouwd. Het nadeel dat hieruit voor de verzoeker voortvloeit, blijkt uit de uiteenzetting van de middelen.

Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.2. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 zijn allen, hetzij als beroepsvereniging, hetzij als individuele veehouders, begaan met de veeteelt in het Vlaamse Gewest en worden vanuit hun professionele bezigheden geconfronteerd met de problematiek van de dierlijke mest.

In het verzoekschrift wordt voor elk van de verzoekers uiteengezet hoe zij door de bestreden bepalingen worden geraakt.

Memorie van de Vlaamse Regering A.3.1. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 die rechtspersonen zijn, dienen op straffe van niet-ontvankelijkheid van hun beroep het bewijs voor te leggen van de bekendmaking van hun statuten en van de beslissing om in rechte te treden.

A.3.2. Het eerste middel in de zaak met rolnummer 974 is gericht tegen, enerzijds, de gewijzigde artikelen 9 en 15 van het decreet van 23 januari 1991, gelezen in samenhang met de besluiten van de Vlaamse Regering van 20 decem-ber 1995 tot uitvoering van die bepalingen, en, anderzijds, het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991.

In zoverre andere dan wetskrachtige normen worden aangevochten, zijn de beroepen niet ontvankelijk.

A.3.3. De beroepen zijn slechts ontvankelijk ten aanzien van bepalingen waartegen daadwerkelijk middelen worden aangevoerd.

Aangezien de middelen enkel betrekking hebben op de bevoordeling van de gezinsveeteeltbedrijven, de retroactieve werking van de heffing en de overgangsregeling, moeten de beroepen worden beperkt tot de bepalingen die daarover handelen.

Meer concreet gaat het om de volgende bepalingen of onderdelen van het decreet van 23 januari 1991, vervangen bij het decreet van 20 december 1995 : artikel 2, tweede lid, 11°, eerste streepje (partim); artikel 2, tweede lid, 11°, tweede, derde en vierde streepje; artikel 8, 1, 3°, b) en c); artikel 9, 2, eerste en tweede lid, en 3, eerste lid, telkens 1° (partim); artikel 15, 5, tweede, vierde (partim) en achtste (lees : negende) lid, en 6, eerste lid, tweede en derde zin; artikel 33, 1, derde lid en vierde lid (partim); artikel 34, 1 (partim); artikel 34, 3, 2°, 3° en 4°; artikel 34, 5 (partim).

A.3.4. Geen van de verzoekende partijen doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de beroepen tot vernietiging.

Zij worden niet rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bepalingen, die gunstnormen uitvaardigen voor gezinsveeteeltbedrijven en waarvan de vernietiging hun geen voordeel oplevert.

Memorie van tussenkomst van de v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector A.4. De v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector, afgekort B.V.K.-België, beoogt het verbruik van kalfsvlees te bevorderen. De aangevochten bepalingen leiden tot hervormingen in de kalversector waardoor de belangen van de leden van de beroepsvereniging rechtstreeks en ongunstig worden geraakt.

Memorie van tussenkomst van F. Leenaerts en anderen A.5. De tussenkomende partijen zijn allen veekwekers in het bezit van vergunningen voor het stallen van dieren. Zij doen blijken van hun belang bij de zaak, aangezien zij vanwege het aantal vergunde dieren niet in aanmerking komen voor een « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf en daardoor gediscrimineerd worden ten opzichte van de bedrijven die door de aangevochten bepalingen wel als een gezinsveeteeltbedrijf worden beschouwd.

Memorie van antwoord van de verzoekende partij in de zaak met rolnummer 974 A.6.1. De verzoekende partij vordert wel degelijk de vernietiging van wetskrachtige bepalingen. In het verzoekschrift wordt weliswaar verwezen naar uitvoeringsbesluiten, maar dan tot ondersteuning van het beroep tot vernietiging van de decretale bepalingen.

A.6.2. De aangeklaagde discriminatie van de niet-gezinsveeteeltbedrijven steunt op de differentiatie aan de hand van de begrippen « gezinsveeteeltbedrijf », « producent » en « bedrijf », die in alle bepalingen van het decreet expliciet of impliciet aanwezig zijn. Het gehele decreet wordt inhoudsloos bij vernietiging van het aangeklaagde onderscheid dat op de voormelde begrippen steunt.

Het onderwerp van het beroep tot vernietiging is duidelijk omlijnd en uitvoerig gemotiveerd.

A.6.3. De verzoeker zal onder een veel strenger stelsel vallen dan datgene dat door de aangevochten bepalingen is uitgewerkt voor de gezinsveeteeltbedrijven.

De exploitatie van de verzoeker wordt moeilijker en duurder en dit zal een weerslag hebben op de verkoopprijs van zijn producten, dermate dat hij in zijn concurrentiepositie wordt aangetast en in zijn voortbestaan wordt bedreigd.

De verzoeker bestrijdt niet het voordeel dat de aangevochten bepalingen aan de gezinsveeteeltbedrijven oplevert, maar de nadelen die zij voor het eigen bedrijf meebrengen.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.7.1. Voor zover de statuten en de stukken in verband met de beslissing tot het instellen van het beroep nog niet bij het verzoekschrift van 1 juli 1996 waren gevoegd, zijn zij bij aangetekende zending van 15 juli 1996 bezorgd.

A.7.2. In tegenstelling tot wat de Vlaamse Regering betoogt, zijn de grieven van de verzoekende partijen geenszins beperkt tot de bevoordeling van de gezinsveeteeltbedrijven, de retroactieve werking van de heffing en het overgangsstelsel.

Het beroep is eveneens gericht tegen de invoering van de noties « producent », « bedrijf » en « gezinsveeteeltbedrijf » en de rechtsgevolgen daarvan.

De beperkende opsomming die de Vlaamse Regering geeft van de aangevochten bepalingen (zie A.3.3), moet worden uitgebreid met artikel 2, tweede lid, 8°, 10°, 11° (volledig), 12°, 28° en 37°; nieuw artikel 2bis; nieuw artikel 3, 1 en 2; nieuw artikel 4, 2; nieuw artikel 6; nieuw artikel 8, 2; nieuw artikel 9, 2, eerste lid, 1° en 3° (volledig), tweede lid, 1° en 2° (volledig), en 3 (volledig);nieuw artikel 15, 5, vierde lid (volledig) en negende lid; nieuw artikel 21, 1 en 3; nieuw artikel 33, 1, tweede lid, tweede zin, en vierde lid (volledig); nieuw artikel 34, 1 (volledig), en de artikelen 31 en 33 van het decreet van 20 december 1995.

De verzoekende partijen streven in wezen een gedeeltelijke vernietiging na. Wel wordt de gehele vernietiging gesuggereerd voor zover het Hof de door de verzoekende partijen bestreden bepalingen vernietigt en daarbij van oordeel is dat de vernietigde bepalingen essentieel zijn voor het gehele decreet.

A.7.3. De Vlaamse Regering wil het zo doen voorkomen dat de grieven enkel gericht zijn tegen de gunstnormen voor gezinsveeteeltbedrijven om de niet-ontvankelijkheid van het beroep te kunnen aanvoeren op grond van de stelling dat de gunstnormen niet op de verzoekende partijen toepasselijk zijn en de vernietiging ervan hun geen voordeel zou opleveren.

De door de verzoekende partijen aangevoerde middelen (zie bijvoorbeeld het vierde, vijfde, zesde en negende middel) laten zich evenwel niet terugbrengen tot middelen die zijn gericht tegen de gunstnormen voor gezinsveeteeltbedrijven.

De grieven zijn niet gericht tegen de gunstbehandeling op zich, maar tegen het opleggen van zwaardere financiële, economische of administratieve lasten aan veehouderijen die niet als gezinsveeteeltbedrijf worden gekwalificeerd.

De verzoekende partijen hebben dan ook een belang bij de vernietiging, aangezien de gewraakte regeling na vernietiging opnieuw bekeken moet worden en de kans bestaat dat een voor de verzoekende partijen gunstiger regeling wordt aangenomen.

Ook de specifieke excepties van niet-ontvankelijkheid die de Vlaamse Regering opwerpt ten aanzien van sommige bestreden bepalingen of ten opzichte van bepaalde verzoekende partijen, moeten worden verworpen.

Memorie van antwoord van de Vlaamse Regering A.8.1. De tussenkomsten zijn niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang.

A.8.2. De v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector lijkt slechts de belangen van de aangesloten leden te behartigen.

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof is niet alleen vereist dat het doel van de vereniging bijzonder is en onderscheiden van het algemeen belang, dat dit doel werkelijk wordt nagestreefd, dat de vereniging blijk geeft van een duurzame werking en concrete activiteiten, zowel in het verleden als in het heden, doch tevens dat het doel van de vereniging niet beperkt is tot de individuele belangen van de leden.

Hoe dan ook, er valt niet in te zien hoe de aangevochten bepalingen of de beslissing van het Hof daarover enige invloed zouden hebben op het verbruik van kalfsvlees.

A.8.3. De tussenkomende partijen worden niet rechtstreeks en ongunstig geraakt door de gunstnormen die bij het aangevochten decreet worden ingevoerd voor gezinsveeteeltbedrijven. De betwiste bepalingen zijn op hen niet toepasselijk en de vernietiging ervan zou hun geen voordeel opleveren.

Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel in de zaak met rolnummer 974 en het eerste middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 974 A.9.1.1. Het middel voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bepalingen die een onderscheid maken tussen gezinsveeteeltbedrijven en bedrijven die niet als gezinsveeteeltbedrijf kunnen worden gekwalificeerd (hierna : niet-gezinsveeteeltbedrijven).

A.9.1.2. Het decreet van 20 december 1995 voert in menig opzicht een onderscheid in tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven : de in aanmerking komende oppervlakte cultuurgronden die tot het bedrijf behoren is veel groter voor gezinsveeteeltbedrijven (112,5 ha) dan voor niet-gezinsveeteeltbedrijven (75 ha) (artikel 2, tweede lid, 11°, van het decreet van 23 januari 1991, vervangen bij artikel 2 van het decreet van 20 december 1995); de meeste uitzonderingen op de in artikel 7 van het decreet van 23 januari 1991 opgelegde verplichting om het vervoer van dierlijke meststoffen te laten gebeuren door een erkende mestvervoerder hebben enkel betrekking op gezinsveeteeltbedrijven (artikel 8 van het decreet van 20 december 1995); van de mogelijkheid voor de overheid om bedrijven te verplichten hun mest te exporteren of te verwerken kan uitgebreider gebruik worden gemaakt ten aanzien van de niet-gezinsveeteeltbedrijven dan ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven (artikel 9 van het decreet van 20 december 1995, gelezen in samenhang met het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 houdende uitvoering van artikel 9, 2 en 3, van het decreet van 23 januari 1991); op een enkele uitzondering na kunnen enkel gezinsveeteeltbedrijven een afwijking verkrijgen van het verbod van dierlijke bemesting op cultuurgronden in bepaalde natuurgebieden. Bovendien kunnen enkel gezinsveeteeltbedrijven als compensatie voor dat verbod vergoed worden (artikel 15, 5, van het decreet van 23 januari 1991, vervangen bij artikel 13 van het decreet van 20 december 1995, en artikel 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot vaststelling van de vergoedingen, voor de jaren 1996 en 1997, ter uitvoering van artikel 15, 9, van het decreet van 23 januari 1991); enkel aan gezinsveeteeltbedrijven wordt nog de mogelijkheid geboden om dierlijke mest te voeren op fosfaatverzadigde gronden (artikel 15, 6, van het decreet van 23 januari 1991, vervangen bij artikel 13 van het decreet van 20 december 1995); de Vlaamse Regering wordt gemachtigd om enkel aan de niet-gezinsveeteeltbedrijven beperkingen op te leggen met betrekking tot de hoeveelheid dierlijke mest, de wijze van afvoer en de maximale veestapel; enkel voor de gezinsveeteeltbedrijven wordt voorzien in de mogelijkheid van een volledige verplaatsing van een bestaande landbouwinrichting naar een nieuwe inrichting (artikel 34, 1, 3 en 5, van het decreet van 23 januari 1991, vervangen bij artikel 27 van het decreet van 20 december 1995); bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 wordt een veel vrijer vergunningenbeleid ingevoerd voor de gezinsveeteeltbedrijven dan voor de niet-gezinsveeteeltbedrijven : enkel voor gezinsveeteeltbedrijven is nog een vergunning mogelijk voor een verandering met uitbreiding van de mestproductie (artikel 4, 2, 3°, a) tot e) van voormeld besluit) en alleen voor gezinsveeteeltbedrijven kan de exploitatie van een nieuwe inrichting gekoppeld worden aan de volledige stopzetting van de bestaande inrichting (artikel 4, 2, 2°, van voormeld besluit).

A.9.1.3. Het decreet heeft volgens artikel 2 ervan tot doel « de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de produktie en het gebruik van meststoffen ».

Er kan niet worden ingezien hoe de notie « gezinsveeteeltbedrijf », zoals ze bij het aangevochten decreet is ingevuld, pertinent kan zijn ten aanzien van die doelstelling : de belasting voor het milieu wordt niet bepaald door het sociaal statuut van de exploitant, zijn inkomen of het al dan niet bestaan van eigendomsrechten op het vee en evenmin door het aandeelhouderschap of de organisatie van het bedrijf, indien de producent een rechtspersoon is.

Evenmin heeft de grootte van het bedrijf in termen van veebezetting enig effect op de milieuproblematiek in globo beschouwd. Ten aanzien van de totale hoeveelheid mest die het bestreden decreet als maximaal vooropstelt, is de weerslag op het milieu dezelfde, ongeacht of er nu weinig grotere bedrijven dan wel vele kleinere bedrijven zijn. Bij grotere bedrijven zijn een betere bezettingsgraad en meer investeringen in milieuvriendelijke technologieën mogelijk.

Ook de voorwaarde met betrekking tot de « mogelijkheid tot opbrenging van mest op de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende cultuurgronden » is allerminst pertinent, aangezien de hinder voor het milieu dezelfde is, ongeacht of de gronden waar de mest wordt afgezet al dan niet tot het bedrijf behoren.

Tot slot zijn noch het aantal tewerkgestelde personeelsleden, noch de economische zelfstandigheid van het bedrijf pertinent ten aanzien van de problematiek van de mestoverschotten.

Uit wat voorafgaat blijkt dat de strengere behandeling van de niet-gezinsveeteeltbedrijven totaal irrelevant is voor de aanpak van de mestproblematiek. Reeds op het vlak van de beoordeling van de pertinentie van het criterium van onderscheid doorstaat het aangeklaagde verschil in behandeling de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel dus niet.

A.9.1.4. Het onderscheid kan ook niet worden verantwoord als een « positieve discriminatie ». De decreetgever beoogde geenszins de feitelijke ongelijkheden uit het verleden weg te werken, maar de negatieve gevolgen van een toekomstige regeling te beperken ten aanzien van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen.

A.9.1.5. Voor zover in de parlementaire voorbereiding aanwijzingen te vinden zijn dat het decreet niet enkel milieudoelstellingen zou dienen zoals uitdrukkelijk gesteld in artikel 2 , maar ook door sociaal-economische motieven zou zijn ingegeven, moet worden opgemerkt dat het doel van het onderscheid minstens in de normatieve bepalingen zelf moet terug te vinden zijn, zo niet wordt een grondwetscontrole die is gebaseerd op een toetsing ten opzichte van de doelstelling van de maatregel onmogelijk. « Het doel op zich van een normatieve maatregel kan derhalve onmogelijk legitiem zijn wanneer deze bepaling zelf uitdrukkelijk stelt dat het doel ervan [de bescherming van] het milieu is, doch er geen eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel mogelijk is zonder dat ook andere doeleinden worden nagestreefd, die in de normatieve bepaling zelf nergens worden vermeld. » Bovendien is de pertinentie van het gemaakte onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven volledig zoek wanneer een verholen en niet in de norm zelf opgenomen doelstelling in aanmerking zou worden genomen.

A.9.1.6. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de doelstellingen van de bestreden bepalingen, die milieugericht zijn, en de doelstellingen van het onderscheid tussen de bedrijven, die erop gericht zijn de sociaal-economische positie van de gezinsveeteeltbedrijven te verstevigen zonder dat er een verband is met de milieugerichte doelstellingen.

Aangezien « het doel van dit onderscheid zuiver sociaal-economisch is en niet milieugericht, alhoewel de bestreden maatregel het tegendeel voorhoudt, is meteen ook bewezen dat het doel onjuist is en derhalve niet legitiem, dat elke relevantie of pertinentie van het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven in milieuperspectief zoek is, en dat de ongelijke behandeling totaal niet proportioneel en dus kennelijk onredelijk is bij gebrek aan legitiem doel ».

Meteen is het bestreden decreet ongrondwettig, minstens de artikelen 2, 3, 4, 8, 9, 13 en 27 ervan.

Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.9.2. Het eerste middel is geredigeerd als volgt : « Schending van artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt;

Doordat artikel 2bis van het Nieuwe Mestdecreet uit hoofde van de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door de produktie en het gebruik van mest een onderscheid in het leven roept tussen de gezinsveeteeltbedrijven en de niet-gezinsveeteeltbedrijven, waardoor alleen de gezinsveeteeltbedrijven kunnen genotificeerd worden met het oog op een minder strenge milieureglementering;

Terwijl eerstens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën een legitieme doelstelling moet dienen;

En terwijl alle aan de invoering van het onderscheid gezinsveeteeltbedrijf niet-gezinsveeteeltbedrijf ten grondslag liggende motieven hetzij helemaal niet onderbouwd zijn door stavingsstukken en/of wetenschappelijke gegevens, hetzij pertinent onjuist zijn, hetzij niet in de bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever liggen, en dus onmogelijk tot een legitieme doelstelling kunnen leiden;

En terwijl een aantal motieven elke relevantie voor de nutriëntenuitstoot bij dierlijke produktie ontberen, en dus onmogelijk een legitieme doelstelling kunnen schragen;

En terwijl een aantal motieven voor de bevoordeling van gezinsveeteeltbedrijven slechts kunnen gelden voor één sector, maar nochtans geëxtrapoleerd worden naar alle sectoren, waardoor zij dus niet tot een legitieme doelstelling kunnen aanleiding geven;

Terwijl tweedens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën adequaat moet zijn om de hoofddoelstelling van de normering te bereiken;

En terwijl het onderscheid in geen enkel opzicht overeenstemt met de door de decreetgever beoogde bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;

Terwijl derdens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën redelijk verantwoord moet zijn in het licht van de doelstelling van de normering;

En terwijl het onderscheid niet evenredig is in het licht van de doelstelling bepaalde bedrijven op grond van sociaal-economische motieven te beschermen tegen de gevolgen van de strikte normen van milieubescherming. » Memorie van de Vlaamse Regering A.9.3.1. De meeste grieven zijn terug te brengen tot een middel dat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanvoert omdat het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven niet redelijk verantwoord zou zijn.

Meer bepaald zou het criterium van onderscheid niet pertinent zijn in het licht van de in artikel 2 van het decreet verwoorde doelstelling, namelijk de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de productie en het gebruik van meststoffen.

A.9.3.2. De verzoekende partijen verliezen om te beginnen uit het oog dat het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven niet noodzakelijk dezelfde doelstelling moet dienen als het decreet in zijn geheel beschouwd.

Zoals in de fiscale wetgeving naast financiële doelstellingen ook andere motieven spelen, en zoals het Hof in zijn arrest nr. 35/95 van 25 april 1995 met betrekking tot het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning heeft aangenomen, kan in het kader van een regeling die in haar geheel genomen is ingegeven door de zorg voor het leefmilieu wel degelijk een onderscheid worden ingevoerd dat steunt op sociaal-economische motieven.

A.9.3.3. Dit neemt niet weg dat het criterium van onderscheid wel degelijk pertinent is in het licht van de milieudoelstelling.

Dat blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van het bestreden decreet (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 6) : het begrip gezinsveeteeltbedrijf werd ingevoerd om bedrijven met een familiaal karakter bepaalde voordelen te kunnen toekennen ten opzichte van grotere en geïntegreerde bedrijven, die potentieel grotere vervuilers zijn, doordat ze verhoudingsgewijs een groter mestoverschot teweegbrengen en, voornamelijk in de sectoren van de varkens- en de pluimveehouderij, door lokale concentratie milieuhinder meebrengen.Gezinsveeteeltbedrijven beantwoorden beter aan de voorwaarden van een duurzame landbouw. Binnen de varkenshouderij zijn vooral de gezinsveeteeltbedrijven gesloten bedrijven, die instaan voor zowel de voortbrenging van de biggen als het opfokken van de mestvarkens en waarvan « algemeen wordt aanvaard dat [zij] een betere rendabiliteit hebben, onder betere sanitaire voorwaarden werken en met gunstiger voederconversie waardoor de uitstoot van fosfaat gevoelig minder is ».

De Raad van State heeft hierover gezegd dat « in zoverre die vaststellingen aan de realiteit beantwoorden en aangetoond is dat de gereleveerde karakteristieken voor al de bedoelde bedrijven gelden, [...] bezwaarlijk betwisting [kan] rijzen over het objectieve, relevante en legitieme karakter van het aangewende criterium van onderscheid ».

Uit een studie van de Administratie van Land- en Tuinbouw van 13 september 1994, aangevuld door studies van mei en december 1995, blijkt dat er duidelijke sectorale verschillen bestaan tussen de mestproductie en -overschotten van gezinsveeteeltbedrijven en die van niet-gezinsveeteeltbedrijven : « zij zijn in de melkveesector 77 % van de bedrijven gezinsveeteeltbedrijven, die verantwoordelijk zijn voor 77 % van de fosfaatproduktie en 47 % van de mestoverschotten. In de gespecialiseerde varkensbedrijven zijn er slechts 17 % gezinsveeteeltbedrijven. De niet-gezinsveeteeltbedrijven zijn er verantwoordelijk voor 87 % van de fosfaatproduktie en -overschotten.

Alle landbouwbedrijven gezamenlijk beschouwd bestaan voor 75 % uit gezinsveeteeltbedrijven, die 64 % van de mestproduktie voor hun rekening nemen, doch slechts 46 % van de mestoverschotten ».

Voorts mag worden opgemerkt dat de hygiëne in de kleine bedrijven beter is dan in grote niet-gezinsveeteeltbedrijven. De verzoekende partijen wijzen op een verband tussen bedrijfsgrootte en minerale uitstoot op basis van cijfers die enkel op de varkenssector betrekking hebben en waarvan de wetenschappelijke juistheid in twijfel kan worden getrokken.

Uit een studie van W. Vandepitte blijkt « dat een mester van vleesvarkens die zijn biggen aankoopt 1,55 maal meer P2O5 uitstoot dan een gesloten bedrijf, en dit voor eenzelfde arbeidsinkomen. Bij het houden van vleesvarkens op contract ligt bij eenzelfde arbeidsinkomen de P2O5-uitstoot 4,64 maal hoger dan op een gesloten bedrijf ».

De kern van de zaak is dat voornamelijk de niet-grondgebonden, intensieve veehouderijen verantwoordelijk zijn voor het probleem van de mestoverschotten, wat door de verzoekende partijen niet wordt weerlegd. De voorwaarden om als gezinsveeteeltbedrijf « genotificeerd » te worden, steunen dan ook in de eerste plaats hierop, wat inzonderheid moge blijken uit de voorwaarden opgesomd in artikel 2bis, 2, 2°, (« Wat de veebezetting betreft ») en 3° (« Wat de mogelijkheid tot opbrenging van mest op de in aanmerking komende tot het bedrijf horende cultuurgronden betreft »).

A.9.3.4. Dat voor de gezinsveeteeltbedrijven gunstiger normen zijn aangenomen, is ook ingegeven door sociaal-economische doelstellingen.

Vooreerst is de regeling voor de gezinsveeteeltbedrijven ingegeven door de bedoeling de exploitatie van kleinschalige en minder draagkrachtige bedrijven niet op onredelijke wijze te bemoeilijken.

Vervolgens heeft het stimuleren van de gezinsveeteeltbedrijven een positieve weerslag op de tewerkstelling omdat die bedrijven arbeidsintensiever zijn dan in de integratielandbouw.

Ten slotte kan ook worden verwezen naar de typisch sociale kenmerken van de gezinsveeteeltbedrijven waarbij « niet zozeer gestreefd wordt naar winstmaximalisatie, maar wel naar de zogenaamde gezinsnutsmaximalisatie ».

Die sociaal-economische doelstellingen komen tot uiting in de voorwaarden opgesomd in artikel 2bis, 2, 1° (« Wat de producent betreft »), 4° (« Wat betreft de tewerkstelling van personeel ») en 5° (« Wat de economische zelfstandigheid van het bedrijf betreft »).

A.9.3.5. De discussie over de vraag of de maatregel als een vorm van positieve discriminatie verantwoord is, doet niet ter zake : te dezen is er geen sprake van een positieve discriminatie in de juiste betekenis van dat begrip. Het volstaat de verschillen in behandeling zonder meer te toetsen aan het gelijkheidsbeginsel.

Memorie van antwoord van de verzoekende partij in de zaak met rolnummer 974 A.9.4.1. Het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven is dermate alomtegenwoordig en decisief voor het decreet dat het met het decreet zelf kan worden gelijkgesteld.

Uiteraard moeten om die reden het doel van het decreet en het erin gemaakte onderscheid ook identiek zijn.

A.9.4.2. De vergelijking die de Vlaamse Regering maakt met de fiscale wetgeving, loopt mank. Te dezen wordt de rechtstak van de milieuwetgeving niet met het bestreden decreet vergeleken, maar het doel van het decreet met het doel van het onderscheid tussen bepaalde categorieën van bedrijven binnen dat decreet.

Ook de vergelijking met het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning gaat niet op.

A.9.4.3. In het verzoekschrift werd duidelijk aangetoond dat noch de begripsbepaling van de notie « gezinsveeteeltbedrijf », noch het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven pertinent zijn ten aanzien van de milieuproblematiek in haar geheel beschouwd.

De door de Vlaamse Regering aangehaalde stukken, adviezen en publicaties brengen niets bij : de memorie van toelichting en de studie van de Administratie van Land- en Tuinbouw zijn eenzijdige stukken zonder enige garantie van objectiviteit; de Raad van State heeft uitdrukkelijk een voorbehoud geformuleerd : het criterium van onderscheid kan slechts verantwoord zijn in zoverre de vaststellingen aan de realiteit beantwoorden, wat uitdrukkelijk wordt betwist; de geciteerde percentages van fosfaatproductie en mestoverschotten zijn irrelevant. Enkel criteria berekend per dier kunnen enige betekenis hebben en het is niet aangetoond dat een dier afkomstig van een niet-gezinsveeteeltbedrijf een meer nadelige verhouding fosfaat-mestoverschot zou teweegbrengen, wel integendeel; indien het werkelijk de bedoeling was om de milieubelastende effecten van de veeteelt te beperken of terug te dringen, dan had men dat op een algemene wijze en zonder discriminerend onderscheid kunnen en moeten doen; noch de begripsbepaling van de notie « gezinsveeteeltbedrijf », noch het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven is pertinent ten aanzien van de milieudoelstelling en blijkbaar wordt in hoofdzaak een sociaal-economische doelstelling nagestreefd waarvan de pertinentie al evenmin is aangetoond en wordt betwist.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.9.5.1. De verzoekende partijen hebben reeds in hun verzoekschrift vastgesteld dat de Vlaamse Regering zowel sociale als milieutechnische oorzaken aanhaalde. Zij hebben vervolgens aangetoond dat in feite geen milieutechnische verantwoording kon worden gegeven.

Met de verwijzing naar het arrest van het Hof van 25 april 1995 inzake het grinddecreet lijkt ook de Vlaamse Regering aan te nemen dat het invoeren van de categorie van de gezinsveeteeltbedrijven niets met het leefmilieu te maken heeft. De situatie van de grindwinning, waarbij om milieuredenen werd beslist elke activiteit te beëindigen, is niet vergelijkbaar met die van de veeteelt, waarbij niet is beslist elke activiteit te beëindigen. Overigens bevat het arrest ook voor de verzoekende partijen gunstige passages.

A.9.5.2. Om de pertinentie van het onderscheid ten opzichte van het milieu aan te tonen, verwijst de Vlaamse Regering naar de passages uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet die de verzoekende partijen juist hebben bekritiseerd als ondeugdelijke uitgangspunten en onjuiste cijfergegevens.

De Vlaamse Regering verwijst naar een actualisering van de studie van de Administratie van Land- en Tuinbouw in december 1995. De decreetgever kon zich bij de voorbereiding van het nieuwe decreet onmogelijk gebaseerd hebben op de geactualiseerde studie.

Als volgens de Vlaamse Regering 75 pct. van de veehouderijen behoren tot de categorie van de gezinsveeteeltbedrijven en deze 64 pct. van de mestproductie (in P2O5) genereren, dan blijft de vraag welke gegevens de Minister hanteerde om in de Commissie te verklaren dat de 30 pct. grootste bedrijven verantwoordelijk zijn voor 50 pct. van de mestproductie (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, p. 11).

De Vlaamse Regering besluit op basis van de aangehaalde studies zelf dat er « duidelijke sectorale verschillen » bestaan. De verzoekende partijen klagen juist aan dat geen rekening is gehouden met de sectorale verschillen en dat de gehele regeling steunt op de situatie van één sector, meer bepaald de varkenshouderij.

Volgens de nieuwe gegevens van de Vlaamse Regering bestaat er een vrij nauwe band tussen het percentage betreffende het bedrijfstype en het percentage mestproductie en zijn er slechts vier sectoren waar het mestoverschot voornamelijk van niet-gezinsveeteeltbedrijven afkomstig is.

Uit de gegevens van de studie van december 1995 blijkt ook dat het zo gelauwerde archetype van het gezinsveeteeltbedrijf, met name het gesloten varkensbedrijf, in 1994 verantwoordelijk was voor 17 pct. van de totale mestproductie en 31 pct. van de mestoverschotten. De als archetype van het niet-gezinsveeteeltbedrijf in de varkenssector verguisde vleesvarkensbedrijven waren in 1994 verantwoordelijk voor 10 pct. van de totale mestproductie en 21 pct. van de mestoverschotten.

Ook de andere grafieken uit de studie van december 1995 tonen de ondeugdelijkheid aan van de veronderstelling van de decreetgever dat de niet-gezinsveeteeltbedrijven overmatig verantwoordelijk zouden zijn voor de mestoverschotten.

De Raad van State oordeelde dat het criterium van onderscheid maar kan worden aanvaard voor zover de vaststellingen aan de realiteit beantwoorden en aangetoond is dat de gereleveerde karakteristieken voor al de bedoelde bedrijven gelden. Op dat vlak falen de decreetgever en de Vlaamse Regering en het antwoord van de Vlaamse Regering toont aan dat de kritiek van de verzoekende partijen terecht was. De « kern van de zaak » volgens de Vlaamse Regering « dat voornamelijk de niet-grondgebonden, intensieve veehouderijen verantwoordelijk zijn voor de mestoverschottenproblemen », beantwoordt niet aan de realiteit.

Tot staving van de bewering dat de hygiëne in de kleine bedrijven beter is dan in grote niet-gezinsveeteeltbedrijven, beroept de Vlaamse Regering zich op de bespreking van W. Vandepitte, woordvoerder van de Boerenbond, van een onderzoek naar de varkensepidemie van 1990. Dit vormt een staal bij uitstek van het veralgemenen van een specifiek probleem. Voorts zijn de cijfers uit de studie Vandepitte gekoppeld aan het criterium « inkomen uit arbeid » en zeggen zij niets over de absolute fosfaatuitstoot van vleesvarkens. Uit een andere studie blijkt dat technisch goed uitgeruste, gemoderniseerde bedrijven met een zekere schaalgrootte zowel sociaal-economisch als milieutechnisch het best presteren.

A.9.5.3. Ook bij het aanhalen van de « sociaal-economische » doelstellingen worden zonder enige wetenschappelijke fundering algemene karakteristieken van kleinschaligheid, mindere draagkracht en beroepsactiviteit aangevoerd.

Eerst schrijft de Vlaamse Regering het gezinsveeteeltbedrijf uit de varkenssector het gesloten bedrijf een « betere rendabiliteit » toe, maar bij de sociaal-economische doelstellingen luidt het dat de gezinsbedrijven minder draagkrachtig, economisch zwakker zijn en « ten dode zouden zijn opgeschreven » als hen de gunstnormen zouden worden ontnomen.

Voor de « typisch sociale kenmerken » steunt de Vlaamse Regering op de visie van de Boerenbond die het familiaal bedrijf beschouwt als de meest aangewezen bedrijfsvorm voor land- en tuinbouw, terwijl volgens andere bronnen het gezinsbedrijf verouderd is en niet meer in staat is om de hedendaagse inspanningen inzake milieu en techniek te dragen.

A.9.5.4. De verzoekende partijen nemen er akte van dat de Vlaamse Regering, die bij de parlementaire voorbereiding van het decreet tot verantwoording van de begunstiging van de gezinsveeteeltbedrijven voortdurend sprak van een positieve discriminatie, in haar memorie aanvoert dat er van een positieve discriminatie in de juiste betekenis van dat begrip geen sprake is.

A.9.5.5. De Vlaamse Regering antwoordt niet op de stelling dat de dynamische aard van de notie gezinsveeteeltbedrijf, waarbij bedrijven van de ene naar de andere categorie kunnen overstappen, essentieel is voor de vaststelling van de onbestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Evenmin wordt geantwoord op het fundamentele bezwaar dat de vrijstellingen voor de gezinsveeteeltbedrijven zo verreikend en evolutief zijn dat de hoofddoelstelling van het mestdecreet volledig op de helling wordt gezet en uitgehold.

Ten aanzien van het tweede middel in de zaak met rolnummer 974 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 974 A.10.1. Artikel 2bis, 2, 2°, b), van het decreet van 23 januari 1991, ingevoegd bij artikel 3 van het decreet van 20 december 1995, schrijft volgende kwantitatieve maxima voor om in aanmerking te komen als gezinsveeteeltbedrijf : « in de varkenssector : voor een niet-gesloten varkenshouderij : 1.500 varkens ouder dan 10 weken in de melkveesector : 100 melkkoeien en het bijhorende jongvee in de pluimveesector : 70.000 stuks pluimvee ouder dan 3 weken. » Het onderscheid tussen respectievelijk de varkenssector, de melkveesector en de pluimveesector is evenwel irrelevant ten aanzien van de bestrijding van de mestoverschotten en de bescherming van het leefmilieu : de mestproductie van de voormelde veebezettingen is immers totaal verschillend.

Ook om die redenen dient het bestreden decreet geheel te worden vernietigd wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Memorie van de Vlaamse Regering A.10.2. Ongeacht het uitgangspunt van de verzoekende partij over de kwantitatieve mestproductie van varkens en pluimvee, moet worden opgemerkt dat er tussen beide diersoorten een fundamenteel verschil bestaat op het stuk van de mestoverschotten : in de pluimveesector zijn er geen of minder problemen van mestafzet, omdat daar nog een markt voor bestaat.

Ten aanzien van het tweede middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.11.1. « Schending van artikelen 10 en 11 van de Gecordineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt, op zich beschouwd en in samenhang met artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het recht op toegang tot een onpartijdige rechter vervat ligt;

En schending van de bevoegdheidsverdelende regels, inzonderheid de materie van het landbouwbeleid die aan de federale wetgever toebehoort;

En schending van de bevoegdheidsverdelende regels, inzonderheid de materies van het handelsrecht, vennootschapsrecht en het burgerlijk recht die aan de federale wetgever toebehoren;

En schending van de bevoegdheidsverdelende regels, inzonderheid de vrijheid van handel en nijverheid vervat in artikel 6, 1, VI van de Bijzondere Wet op de hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;

Doordat eerstens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, a), eerste streepje en artikel 2bis, 2, 1°, b), vijfde streepje, eerste substreepje van het Nieuwe Mestdecreet, bepaalde voorwaarden met betrekking tot het minimale arbeidsinkomen uit het bedrijf en de minimale arbeidsduur in het bedrijf oplegt aan de producent-natuurlijke persoon en aan de persoon die met de dagelijkse leiding van de rechtspersoon belast is om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden;

Doordat tweedens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, a), derde streepje en b), vijfde streepje, derde substreepje voorwaarden m.b.t. de voedering en verzorging van andermans dieren als onderscheidingscriterium invoert om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden;

Doordat derdens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, eerste streepje van het Nieuwe Mestdecreet de vorm van de rechtspersoon bepaalt waaronder een producent-rechtspersoon als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd kan worden;

Doordat vierdens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, b), derde streepje van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt dat alle vennoten van de producent-rechtspersoon natuurlijke personen dienen te zijn;

Doordat vijfdens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, b), vierde streepje van het Nieuwe Mestdecreet vereist dat alle aandelen of deelbewijzen in een producent-rechtspersoon op naam moeten zijn om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden;

Doordat zesdens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, zevende streepje van het Nieuwe Mestdecreet vereist dat alle zaakvoerders of bestuurders in een producent-rechtspersoon natuurlijke personen moeten zijn én zij deel moeten uitmaken van het gezin van de natuurlijke persoon die met het dagelijks bestuur is gelast;

Doordat zevendens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, b), achtste streepje van het Nieuwe Mestdecreet van de producent-rechtspersoon vereist dat de rechtspersoon in de voorbije 5 jaar geen verklaring heeft afgelegd in verband met de notificatievoorwaarden van het gezinsveeteeltbedrijf die door de Mestbank als vals is beschouwd, bovenop de voorwaarde dat de persoon die met de dagelijkse leiding van de rechtspersoon is belast in de voorbije 5 jaar geen veroordeling heeft opgelopen wegens een valse verklaring in verband met de notificatievoorwaarden van het gezinsveeteeltbedrijf;

Doordat achtstens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, b), c) en d) van het Nieuwe Mestdecreet bepaalde vereisten stelt aan de persoon die met de dagelijkse leiding is belast om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden;

Doordat negendens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 1°, a), b), c) en d) van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt welke combinatiemogelijkheden als producent-meervoudige eigenaars mogelijk zijn om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden; Doordat tiendens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 2° van het Nieuwe Mestdecreet limieten vastlegt op het vlak van maximale veebezetting (uitgedrukt in aantal vergunde dieren) om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden;

Doordat elfdens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 3° van het Nieuwe Mestdecreet bepaalde voorwaarden oplegt m.b.t. de opbrenging van mest op bedrijfsgebonden cultuurgronden om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden;

Doordat twaalfdens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 4° van het Nieuwe Mestdecreet bepaalde voorwaarden oplegt m.b.t. de tewerkstelling van personeel op het bedrijf om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden;

Doordat dertiendens artikel 2bis, 1, juncto artikel 2bis, 2, 5° van het Nieuwe Mestdecreet bepaalde voorwaarden oplegt met betrekking tot de economische zelfstandigheid van het bedrijf om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden;

Terwijl eerstens de vereisten in verband met de arbeidstijd en het arbeidsinkomen uit het bedrijf als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, als onderscheidingscriterium niet redelijk verantwoord zijn t.a.v. een milieu-technische of sociaal-economische doelstelling;

Terwijl tweedens het verbod om dieren van anderen te voederen of te verzorgen als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, helemaal niet dienend is ten aanzien van de betrokken doelstelling;

Terwijl derdens het regelen van de vennootschapsvormen voor veeteeltbedrijven tot de federale bevoegdheid behoort en zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling per gewest en de invoering van de vorm ' personenvennootschap ' voor veeteeltbedrijven een fundamentele weerslag heeft op de voorbehouden materie van het vennootschapsrecht;

En terwijl de invoering van het begrip ' personenvennootschap ' als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet objectief is t.a.v. het betrokken doel;

En terwijl de invoering van een burgerlijke vennootschap met rechtspersoonlijkheid als vennootschapsvorm voor veeteeltbedrijven tot de federale bevoegdheid behoort en zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling per gewest en de invoering van deze vorm voor veeteeltbedrijven een fundamentele weerslag heeft op de voorbehouden materie van het burgerlijk recht;

En terwijl de invoering van een burgerlijke vennootschap met rechtspersoonlijkheid als vennootschapsvorm voor veeteeltbedrijven, geen objectief onderscheidingscriterium is t.a.v. de betrokken doelstelling;

En terwijl de vormen van rechtspersonen die in aanmerking komen om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet dienend en manifest onevenredig zijn t.a.v. het betrokken doel;

En terwijl de vormen van rechtspersonen als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, een inbreuk [maken] op de vrijheid van handel en nijverheid zonder dat de noodzaak daartoe voorhanden is en geen evenredige uitoefening van de bevoegdheid inzake leefmilieu vormen;

En terwijl de verzekering van de voorwaarden door een statutaire bepaling voor zover mogelijk als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, in geen enkel opzicht objectief is t.a.v. de betrokken doelstelling;

En terwijl de eis dat de voorwaarden door een statutaire bepaling voor zover mogelijk verzekerd zouden worden als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, tot de federale bevoegdheid behoort en zich niet leent tot een gedifferentieerde regeling per gewest en de invoering van deze vorm voor veeteeltbedrijven een fundamentele weerslag heeft op de federale materie van het vennootschapsrecht;

Terwijl vierdens de vereiste waarbij alle vennoten van de producent-rechtspersoon uit natuurlijke personen [bestaan] om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, manifest onevenredig is met de betrokken doelstelling en de vrijheid van vereniging inperkt, zonder dat de noodzaak daartoe aanwezig is;

Terwijl vijfdens de vereiste waarbij alle aandelen of deelbewijzen in een producent-rechtspersoon op naam dienen te zijn om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet redelijk verantwoord is naar de betrokken doelstelling toe;

Terwijl zesdens de vereiste waarbij alle zaakvoerders of bestuurders in een producent-rechtspersoon natuurlijke personen moeten zijn én zij deel moeten uitmaken van het gezin van de natuurlijke persoon die met het dagelijks bestuur is gelast, om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet dienend en onredelijk verantwoord is naar de betrokken doelstelling toe;

Terwijl zevendens de invoering van een bijkomende voorwaarde m.b.t. de juistheid van de verklaring voor de producent-rechtspersoon als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, in geen enkel opzicht redelijk verantwoord is t.a.v. de betrokken doelstelling;

En terwijl het recht op een onpartijdige rechter impliceert dat vergelijkbare categorieën dezelfde rechtsbescherming en toegang tot de rechter verdienen;

En terwijl de rechtspersonen-producenten blootgesteld worden aan administratieve willekeur die niet dezelfde rechtsbescherming en toegang tot de rechter vereist als voor natuurlijke personen, zodat er aan de zijde van de rechtspersonen een ongelijke behandeling is ten aanzien van hun recht tot een onpartijdige rechter;

Terwijl achtstens de persoon die met de dagelijkse leiding belast is als onderscheidingscriterium niet objectief is t.a.v. de betrokken doelstelling;

Terwijl negendens de Vlaamse decreetgever één categorie van producenten-meervoudige eigenaars uitsluit om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, zonder dat een objectieve en redelijke verantwoording voorhanden is;

Terwijl tiendens de vereiste waarbij een maximumveebezetting gehanteerd wordt (uitgedrukt in het aantal vergunde dieren) om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet dienend en niet redelijk verantwoord is vanuit milieutechnisch en sociaal-economisch standpunt;

Terwijl elfdens de grondgebondenheid van een bedrijf uit de melkveesector, de mestveesector, de varkenssector en de kalversector als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden, niet dienend is t.a.v. de betrokken doelstelling;

En terwijl de algemene uitzondering op de grondgebondenheid voor de pluimveesector en de beperkte uitzondering voor de varkenssector als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden, niet dienend is en onvoldoende rekening houdt met de feitelijke parallellismen en verschillen tussen de betrokken sectoren;

Terwijl twaalfdens de tewerkstelling van maximaal één betaalde, voltijdse arbeidskracht, extern aan het gezin, als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet dienend, zelfs tegenstrijdig, is t.a.v. de milieutechnische en sociaal-economische doelstelling en manifest disproportionele gevolgen heeft;

Terwijl dertiendens de vereiste inzake de eigendomstitel op het roerend kapitaal en het kapitaal onroerend door bestemming en inzake de eigendom of de pacht van de gebouwen als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet objectief en inadequaat is;

En terwijl de vereiste inzake de eigendomstitel op het roerend kapitaal en het kapitaal onroerend door bestemming en inzake de eigendom of de pacht van de gebouwen als onderscheidingscriterium om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, de gezinsbedrijven financieringsinstrumenten ontzeggen die in de Belgisch economische en monetaire unie op wettige wijze worden aangeboden, zonder dat daartoe de noodzaak voor blijkt, laat staan dat deze beperking slechts voor het hoogst noodzakelijke zou worden opgelegd;

En terwijl de vermoedens van gebrek aan economische zelfstandigheid als onderscheidingscriteria om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, niet objectief en dienend zijn ten aanzien van de betrokken doelstelling en evenmin redelijk verantwoord zijn, minstens leiden tot gevolgen die in patente wanverhouding staan tot de objectieven van de decreetgever;

En terwijl de vermoedens van gebrek aan economische zelfstandigheid als onderscheidingscriteria om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te kunnen worden, een inbreuk maken op de federale bevoegdheid inzake integratie in de landbouw, zonder dat de noodzaak daartoe blijkt;

En terwijl de uitzondering van de prijsgarantiecontracten voor de vermoedens van gebrek aan economische zelfstandigheid, niet dienend is voor de betrokken doelstelling, een onderscheid maakt tussen situaties die in een identieke positie t.o.v. de maatregelen zijn doelstelling staan en manifest onredelijk overkomt. » Memorie van de Vlaamse Regering A.11.2.1. Het middel klaagt de schending aan van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met « de bevoegdheidsverdelende regels, inzonderheid de materies van het handelsrecht, vennootschapsrecht en het burgerlijk recht die aan de federale wetgever toebehoren » en met « de vrijheid van handel en nijverheid ».

A.11.2.2. Het ontgaat de Vlaamse Regering in welk opzicht inbreuk zou worden gemaakt op het recht op behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd door artikel 6 van het voormelde Europees Verdrag.

A.11.2.3. In zoverre het middel een schending van de bevoegdheidsregels aanvoert, mist het feitelijke grondslag, aangezien de bestreden bepalingen geen handels-, vennootschaps- of burgerlijke regeling treffen.

De decreetgever gebruikt wel criteria uit het vennootschapsrecht en uit het burgerlijk recht, naast andere feitelijke en juridische criteria waarvan de « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf afhankelijk is, maar daarmee wordt niet wetgevend opgetreden in de bevoegdheidssfeer van een andere wetgever.

Die criteria dragen bij tot het begrip « gezinsveeteeltbedrijf », dat op zijn beurt bijzonder pertinent is in het licht van de doelstelling van het mestdecreet in zijn geheel beschouwd en van dat onderscheid op zich.

A.11.2.4. Wat de vrijheid van handel en nijverheid betreft heeft het Hof reeds in zijn arrest nr. 55/92 van 9 juli 1992 met betrekking tot het mestdecreet van 1991 gezegd en in latere arresten herhaald dat die vrijheid niet onbeperkt is en dat het voor een behoorlijke regeling van de milieuverontreiniging door meststoffen aannemelijk is dat de decreetgever de betrokken personen en ondernemingen een aantal dwingende verplichtingen oplegt met betrekking tot inventarisatie, vervoer, verhandeling, ook indien daardoor de vrijheid van handel niet onevenredig wordt beperkt.

Hiervoor werd uiteengezet dat de ongelijkheid van behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven en de voor dat onderscheid gehanteerde criteria precies door het evenredigheidsbeginsel zijn ingegeven.

Voorts moet de grote verscheidenheid aan individuele situaties van personen noodzakelijk worden opgevangen in categorieën die slechts op vereenvoudigende en benaderende wijze met de werkelijkheid overeenstemmen.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.11.3.1. De Vlaamse Regering laat na in detail te antwoorden op elk van de twaalf onderdelen van het middel. Zo is er geen antwoord op de vraag naar de verantwoording van het verbod op voederen of verzorgen van andermans dieren, noch op de vraag waarom een gezinsveeteeltbedrijf bestaande uit een combinatie van natuurlijke en rechtspersonen onmogelijk is.

A.11.3.2. De Vlaamse Regering zegt dat het haar ontgaat hoe er een onderscheiden regeling inzake het recht op een behoorlijke rechtsbedeling zou ontstaan. Nochtans kan een rechtspersoon uitgesloten worden van « notificatie » louter omdat de Mestbank zijn verklaring als vals beschouwt, terwijl een natuurlijke persoon enkel kan worden uitgesloten na een rechterlijke veroordeling.

A.11.3.3. Volgens de Vlaamse Regering is de decreetgever niet wetgevend opgetreden inzake handels-, vennootschaps- of burgerlijk recht.

De verzoekende partijen hadden twee hypothesen geopperd : ofwel heeft de decreetgever een nieuwe rechtspersoon gecreerd, ofwel een arbitrair of niet-pertinent criterium van onderscheid ingevoerd.

De verzoekende partijen zien in dat de decreetgever niet heeft willen reguleren op het vlak van de vennootschapsvormen. Hun kritiek over het gebruik van arbitraire « notificatievoorwaarden » wint dan evenwel aan kracht en blijft onbeantwoord.

A.11.3.4. Wie zich afvraagt waarom een bedrijf in het ene geval wel en in het andere niet als gezinsveeteeltbedrijf « genotificeerd » kan worden, blijft in het ongewisse. Het volstaat niet te zeggen dat de criteria « bijdragen » tot het begrip gezinsveeteeltbedrijf. Ook de respectieve criteria moeten worden beoordeeld in het licht van de grondwettelijke beginselen.

Voor de meeste voorwaarden voor « notificatie » bieden noch de parlementaire voorbereiding, noch de Vlaamse Regering enige verantwoording.

Ten aanzien van het derde middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.12.1. « Schending van artikel 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt, op zich en in combinatie met het recht op eigendom en het rustig genot daarvan, de vrijheid van contracteren en de vrijheid van handel en schending van de bevoegdheidsverdelende regels tussen de federale staat en de gewesten, inzonderheid m.b.t. het landbouwbeleid;

Doordat eerstens artikel 2bis, juncto artikel 2, tweede alinea, 11° van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor bepaalde gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden;

Doordat tweedens artikel 2bis, juncto artikel 8, 1, 3°, b) van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de mesttransportprocedure in het kader van de burenregeling;

Doordat derdens artikel 2bis, juncto artikel 8, 1, 3°, c) van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de mesttransportprocedure voor een transport naar een verzamelpunt, een bewerkingseenheid of een verwerkingseenheid;

Doordat vierdens artikel 2bis, juncto artikel 8, 2 van het Nieuwe Mestdecreet de Vlaamse regering machtigt om een onderscheiden, gunstigere behandeling in te stellen voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de mesttransportprocedure in het kader van een transport door een erkend mestvoerder;

Doordat vijfdens artikel 2bis, juncto artikel 9, 2, eerste alinea, 1° en tweede alinea, 1° van het Nieuwe Mestdecreet de Vlaamse regering machtigt om een onderscheiden, zwaardere behandeling in te stellen voor niet-gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de afzet van mestoverschotten in bepaalde gemeenten;

Doordat zesdens artikel 2bis, juncto artikel 9, 3, eerste alinea, 1° van het Nieuwe Mestdecreet de Vlaamse regering machtigt om een onderscheiden, zwaardere behandeling in te stellen voor niet-gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke verwerking of export van hun dierlijke mest;

Doordat zevendens artikel 2bis, juncto artikel 15, 2, tweede alinea van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de ontheffing van het bemestingsverbod in bosgebieden, natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden of natuurreservaten;

Doordat achtstens artikel 2bis, juncto artikel 15, 5, negende alinea van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de aankoopverplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest van bepaalde bebouwde en onbebouwde percelen die in bosgebied, natuurgebied, natuurontwikkelingsgebied en natuurreservaat liggen;

Doordat negendens artikel 2bis, juncto artikel 15, 6 van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de bemesting van gronden in fosfaatverzadigde gebieden;

Doordat tiendens artikel 2bis, juncto artikel 33, 1, derde en vierde alinea van het Nieuwe Mestdecreet bij de door de Vlaamse regering vastgestelde overschrijding van de difosforpentoxyde- en stikstofmaxima de Vlaamse regering machtigt om een onderscheiden, gunstigere behandeling in te stellen voor gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot het toekennen van bepaalde milieuvergunningen na de publicatiedatum van de door de Vlaamse regering vastgestelde overschrijding van de difosforpentoxyde- en stikstofmaxima en bij de hierboven vastgestelde overschrijding ingevolge beslissingen tussen 15 mei 1992 en 1 januari 1996 de Vlaamse regering machtigt om een onderscheiden, zwaardere behandeling in te stellen voor niet-gezinsveeteeltbedrijven door in te grijpen op bestaande vergunningen of bepaalde beperkingen op te leggen aan deze bedrijven;

Doordat elfdens artikel 2bis, juncto artikel 34, 1 en 2 van het Nieuwe Mestdecreet de Vlaamse regering machtigt om een onderscheiden, zwaardere behandeling in te stellen voor niet-gezinsveeteeltbedrijven door het opleggen van bepaalde beperkingen m.b.t. de hoeveelheid geproduceerde mest, de wijze van afvoer en de maximale grootte van de veestapel;

Doordat twaalfdens artikel 2bis, juncto artikel 34, 3, 2°, 3° en 4° en 5 van het Nieuwe Mestdecreet een onderscheiden, gunstigere behandeling instelt voor gezinsveeteeltbedrijven m.b.t. het verlenen van bepaalde milieuvergunningen;

Terwijl eerstens het verschil in behandeling tussen bepaalde gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven met betrekking tot de in aanmerking te nemen tot het bedrijf behorende cultuurgronden een legitiem doel moet dienen;

En terwijl het verschil in behandeling tussen bepaalde gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen bepaalde gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling de andere veeteeltbedrijven met een verdoken onteigening confronteert, hen onnodig beperkt in hun vrijheid tot contracteren en hun vrijheid van handel en nijverheid onmogelijk maakt;

En terwijl het verschil in behandeling tussen bepaalde gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven tot een landbouwhervorming leidt, waarvoor de Vlaamse decreetgever onbevoegd is;

Terwijl tweedens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de transportregeling in het kader van de burenregeling een legitiem doel moet dienen;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

Terwijl derdens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de transportregeling naar een verzamelpunt, een bewerkingseenheid of een verwerkingseenheid een legitiem doel moet dienen;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

Terwijl vierdens de decretale basis voor een verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de transportprocedure bij een transport door een erkend mestvoerder impertinent is t.a.v. de betrokken doelstelling;

Terwijl vijfdens de decretale basis voor een verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven met betrekking tot de afzet van mestoverschotten in bepaalde gemeenten impertinent is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

Terwijl zesdens het mogelijke verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de gehele of gedeeltelijke verwerking of export van hun dierlijke mest impertinent is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

Terwijl zevendens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de ontheffing van het bemestingsverbod in bosgebieden, natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden en natuurreservaten impertinent is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken milieudoelstelling;

Terwijl achtstens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de aankoopverplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest van bepaalde bebouwde en onbebouwde percelen in bosgebied, natuurgebied, natuurontwikkelingsgebied en natuurreservaat impertinent is ten aanzien van de betrokken doelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de betrokken doelstelling;

Terwijl negendens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. de bemesting van fosfaatverzadigde gebieden geen legitieme doelstelling dient, aangezien de naar voorgeschoven doelstelling niet deugdelijk is en de wetenschappelijke motieven inzake beperkte bemesting overboord gooit;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is t.a.v. de milieudoelstelling en de maatregel manifest disproportioneel is;

Terwijl tiendens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. een mogelijk onderscheiden, gunstigere behandeling voor gezinsveeteeltbedrijven bij het toekennen van bepaalde milieuvergunningen na de publicatiedatum van de door de Vlaamse regering vastgestelde overschrijding van de difosforpentoxyde- en stikstofmaxima, geen legitieme doelstelling dient, aangezien de naar voorgeschoven doelstelling niet deugdelijk is;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven met betrekking tot een mogelijk onderscheiden, zwaardere behandeling voor niet-gezinsveeteeltbedrijven door het ingrijpen op bestaande vergunningen of door het opleggen van bepaalde beperkingen aan deze bedrijven bij vastgestelde overschrijding ingevolge beslissingen tussen 15 mei 1992 en 1 januari 1996, geen legitieme doelstelling dient, aangezien de naar voorgeschoven doelstelling niet deugdelijk is;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is t.a.v. de milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de milieudoelstelling;

Terwijl elfdens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. een mogelijk onderscheiden, zwaardere behandeling voor niet-gezinsveeteeltbedrijven naar het opleggen van beperkingen toe inzake hoeveelheid geproduceerde mest, wijze van afvoer en maximale grootte van de veestapel, geen legitieme doelstelling dient, aangezien de naar voorgeschoven doelstelling niet deugdelijk is;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is t.a.v. de milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is t.a.v. de milieudoelstelling;

Terwijl twaalfdens het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven m.b.t. het bekomen van bepaalde milieuvergunningen geen legitieme doelstelling dient, aangezien de naar voorgeschoven doelstelling niet deugdelijk is;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven impertinent is ten aanzien van de milieudoelstelling;

En terwijl het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven onredelijk is ten aanzien van de milieudoelstelling. » Memorie van de Vlaamse Regering A.12.2.1. In dit middel wordt de schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met « het recht op eigendom en het rustig genot daarvan, de vrijheid van contracteren en de vrijheid van handel en schending van de bevoegdheidsverdelende regels tussen de federale staat en de gewesten, inzonderheid m.b.t. het landbouwbeleid ».

Het middel is opnieuw gericht tegen de gunstnormen ten voordele van de gezinsveeteeltbedrijven en verschilt nauwelijks van wat hiervoor reeds is weerlegd.

A.12.2.2. Het mestdecreet houdt geen beperking in van het eigendomsrecht op zichzelf beschouwd, laat staan dat het iemand uit zijn eigendom zou ontzetten. Het brengt wel beperkingen aan op het ongebreideld aanwenden van zijn eigendom, maar dit geldt niet voor de door de verzoekers bestreden bepalingen, die de decretale beperkingen milderen ten voordele van de gezinsveeteeltbedrijven.

Voorts zijn het eigendomsrecht, noch de vrijheid om te contracteren absoluut.

A.12.2.3. Wat de federale landbouwbevoegdheid betreft, mag andermaal worden verwezen naar het arrest nr. 55/92 van het Hof, volgens hetwelk de omstandigheid dat de door het decreet opgelegde verplichtingen repercussies hebben op de landbouwsector nog niet betekent dat de decreetgever zijn bevoegdheid heeft overschreden.

De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat het landbouwbeleid van de federale overheid doorkruist wordt. Het decreet zorgt ervoor dat de exploitatie van de bedrijven niet onredelijk wordt verhinderd.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.12.3.1. In dit middel wordt de onverantwoord zwaardere behandeling van de niet-gezinsveeteeltbedrijven aangevochten. De Vlaamse Regering beperkt zich ertoe op te werpen dat het middel opnieuw gericht is tegen de gunstnormen voor gezinsveeteeltbedrijven en dat het middel nauwelijks verschilt van wat reeds vroeger werd weerlegd.

Dat vroegere verweer betreft enkel het niet redelijke karakter van het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven en verklaart niet waarom de onderscheiden maatregelen die de niet-gezinsveeteeltbedrijven treffen wel verenigbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

A.12.3.2. De Vlaamse Regering stelt « dat dit decreet beperkingen aanbrengt op het ongebreideld aanwenden van zijn eigendom, doch dit geldt niet eens voor de door de verzoekende partijen bestreden bepalingen, die, zoals reeds gezegd, de decretale beperkingen milderen ten voordele van de gezinsveeteeltbedrijven ».

Uit het verzoekschrift blijkt integendeel dat de definitie van de « in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden » wordt aangevochten, omdat die op louter arbitraire wijze de in aanmerking komende oppervlakte beperkt tot 75 hectare.

Grondaankopen door niet-gezinsveeteeltbedrijven verliezen daardoor elk nut en het wegnemen van de waarde van die gronden is een verdoken onteigening.

De vergoedingsregeling van artikel 15 van het decreet heeft geen betrekking op de eigendomsbeperking ten gevolge van de nieuwe definitie voor de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende cultuurgronden.

Voorts leidt die beperking ertoe dat niet-gezinsveeteeltbedrijven aangekochte cultuurgrond niet meer kunnen aanwenden met het oog op mestopbrenging overeenkomstig de bemestingsnorm, wat een onaanvaardbare ingreep op de vrijheid van contracteren inhoudt.

A.12.3.3. De verzoekende partijen toonden in hun verzoekschrift reeds aan dat de federale wetgever niet langer een doeltreffend beleid kan voeren doordat de decretale voorwaarden om voor « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen zullen leiden tot een volledige landbouwhervorming waarbij er voor de integratielandbouw geen toekomst meer zal zijn.

De Vlaamse Regering stelt dat de exploitatie van de landbouwbedrijven niet onredelijk wordt verhinderd. Nochtans volstaat het te verwijzen naar de grieven van de verzoekende partijen.

Ten aanzien van het vierde middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.13.1. « Schending van artikel 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt, op zich en in combinatie met artikel 8 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 17 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 22 van de Gecoördineerde Grondwet, waarin het beginsel van de eerbiediging van het gezinsleven vervat ligt;

En schending van artikel 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt, op zich en in combinatie met een schending van het eigendomsrecht;

Doordat eerstens artikel 2, tweede alinea, 10° van het Nieuwe Mestdecreet, juncto alle bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet waarin de term ' bedrijf ' voorkomt (o.a. artikel 6 en 34, 1 van het Nieuwe Mestdecreet), het eigendomsrecht van de dieren als uitgangspunt neemt en aan het begrip ' bedrijf ' verschillende rechtsgevolgen (o.a. berekening van het mestoverschot en de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om beperkingen op te leggen inzake hoeveelheid geproduceerde dierlijke mest, wijze van afvoer en maximale grootte van de veestapel) koppelt;

Doordat tweedens artikel 2, tweede alinea, 10° van het Nieuwe Mestdecreet, juncto alle bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet waarin de term ' bedrijf ' voorkomt (o.a. artikel 6 en 34, 1 van het Nieuwe Mestdecreet), het criterium van de familieband tussen de eigenaars van de op de afzonderlijke entiteiten gehouden dieren als uitgangspunt neemt om te besluiten tot het voorkomen van één bedrijf op grond van familieband waaraan verschillende rechtsgevolgen gekoppeld worden (onder andere berekening van het mestoverschot en de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om beperkingen op te leggen inzake hoeveelheid geproduceerde dierlijke mest, wijze van afvoer en maximale grootte van de veestapel);

Doordat derdens artikel 2, tweede alinea, 10° van het Nieuwe Mestdecreet, juncto alle bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet waarin de term ' bedrijf ' voorkomt (o.a. artikel 6 en 34, 1 van het Nieuwe Mestdecreet), het criterium van de verbonden ondernemingen en de ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben als uitgangspunt neemt om te besluiten tot het voorkomen van één bedrijf waaraan verschillende rechtsgevolgen gekoppeld worden (o.a. berekening van het mestoverschot en de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om beperkingen op te leggen inzake hoeveelheid geproduceerde dierlijke mest, wijze van afvoer en maximale grootte van de veestapel);

Terwijl eerstens de aanwending van een eigendomscriterium om het begrip ' bedrijf ' te definiëren waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld worden, niet dienend is t.a.v. het doel om de verontreiniging van het leefmilieu door dierlijke mest tegen te gaan, en discriminerend werkt voor de veehouderij t.a.v. de andere economische sectoren, zonder dat enige redelijke verantwoording voorhanden is;

Terwijl tweedens het verschil in behandeling van technisch afzonderlijke entiteiten op grond van het criterium van de familieband tussen de eigenaars van de op de respectieve entiteiten gehouden dieren, om tot de samenvoeging tot één bedrijf te komen waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld zijn, niet dienend is t.a.v. de betrokken doelstelling en in geen enkel opzicht redelijk verantwoord kan worden;

En terwijl het verschil in behandeling van technisch afzonderlijke entiteiten op grond van het criterium van de familieband tussen de eigenaars van de op de respectieve entiteiten gehouden dieren, om tot de samenvoeging tot één bedrijf te komen waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld zijn, afbreuk doet aan het recht op bescherming van het gezinsleven dat aan allen op gelijke wijze moet worden gewaarborgd;

En terwijl het verschil in behandeling van technisch afzonderlijke entiteiten op grond van het criterium van de familieband tussen de eigenaars van de op de respectieve entiteiten gehouden dieren, om tot de samenvoeging tot één bedrijf te komen waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld zijn, afbreuk doet aan het vrije genot van de eigendom;

Terwijl derdens het verschil in behandeling van technisch afzonderlijke entiteiten op grond van het criterium van de verbonden ondernemingen en de ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben, om tot de samenvoeging tot één bedrijf te komen waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld zijn, niet objectief, niet dienend en niet redelijk verantwoord is t.a.v. de betrokken doelstelling en leidt tot gevolgen die in manifeste wanverhouding staan tot de doelstelling en de beoogde gevolgen. » Memorie van de Vlaamse Regering A.13.2. Het middel voert de schending aan van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met, enerzijds, het recht op eerbiediging van het gezinsleven en, anderzijds, het eigendomsrecht.

Het ontgaat de Vlaamse Regering in welk opzicht het aanwenden van het criterium « gezin » enige invloed zou hebben op het gezinsleven, laat staan daarop een beperking zou aanbrengen.

Wat het eigendomsrecht betreft, is reeds hoger geantwoord. Daaraan mag worden toegevoegd dat de definitie van de notie « bedrijf » in artikel 2, tweede lid, 10°, van het decreet bedoeld is om te voorkomen dat de voorwaarden om de regeling voor de gezinsveeteeltbedrijven te kunnen genieten zou worden omzeild door één grote onderneming in verschillende kleine op te splitsen.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.13.3. Het eigendomsrecht over de dieren als criterium voor de nieuwe notie « bedrijf » is irrelevant en dit wordt niet weerlegd.

De Vlaamse Regering betoogt alleen dat de notie bedoeld is om het omzeilen door het opsplitsen in kleinere exploitatie-eenheden te voorkomen. Daarmee beaamt zij dat de eigendomsverhouding geen adequaat criterium is. De decreetgever stelt een algemene regel vast vanuit één geval van omzeiling en treft een reeks situaties en familiebanden die niets uit te staan hebben met de situatie die hij beoogt.

De Vlaamse Regering zegt niet in te zien hoe de notie « bedrijf » zou ingrijpen in het recht op eerbiediging van het gezinsleven. De verzoekende partijen hebben in hun verzoekschrift doen opmerken dat de samenvoeging tot één bedrijf geschiedt op grond van de familieband tussen de eigenaars van de dieren, wat zou inhouden dat alle beroepsinkomsten van de personen met een familieband samengeteld worden.

Op de kritiek op de samenvoeging wegens verbonden ondernemingen of ondernemingen met bindingen geeft de Vlaamse Regering geen antwoord.

Ten aanzien van het vijfde middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.14.1. « Schending van artikel 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt;

Doordat artikel 2, tweede alinea, 28° van het Nieuwe Mestdecreet, juncto alle bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet waarin de term ' producent ' voorkomt (onder andere artikel 3, 1 en 2, artikel 4, 2, artikel 9, 1, 2 en 3 en artikel 21 van het Nieuwe Mestdecreet), het eigendomsrecht van de dieren als uitgangspunt neemt en aan het begrip ' producent ' verschillende rechtsgevolgen (onder andere verplichting tot aangifte, registratie, afzet, opbrenging van mest, basisheffing) koppelt;

Terwijl eerstens de aanwending van een eigendomscriterium om het begrip ' producent ' te definiëren waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld worden, niet terzake dienend is t.a.v. de betrokken doelstellingen;

Terwijl tweedens de aanwending van een eigendomscriterium om het begrip ' producent ' te definiëren waaraan bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld worden, buiten elke proportie is t.a.v. de betrokken doelstellingen. » Memorie van de Vlaamse Regering A.14.2. Wat de in dit middel ter discussie gestelde notie « producent » betreft, « kan niet worden ingezien dat de decreetgever de eigenaar van de mestverwekkende dieren niet aansprakelijk kan stellen ' responsabiliseren ' voor de onderscheiden verplichtingen die het mestdecreet aan de producent oplegt, mede gelet op de typische problemen veroorzaakt door de integratie-veeteelt waarbij een veehouder een zogenaamde ' contractkweker ' andermans dieren houdt ».

Of de definitie van het begrip « producent » in artikel 2, tweede lid, 28°, van het decreet inefficiënt of inadequaat is om het gestelde doel te bereiken, is een opportuniteitsoordeel dat enkel de decreetgever toekomt.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.14.3. Dat het oordeel over de efficiëntie of adequaatheid van een definitie aan de decreetgever toekomt, is een miskenning zowel van de inhoud van het verzoekschrift als van de toetsingsbevoegdheid van het Hof : in het verzoekschrift werd uiteengezet hoe het opleggen van verplichtingen aan « de producent » leidt tot een ongelijke behandeling van exploitanten van veehouderijen. De vraag naar de gelijkheid of ongelijkheid in behandeling (aangifteplichten, heffingsplichten, mestopbrenging) is een rechtsvraag die door het Hof moet worden beslecht.

Volgens de Vlaamse Regering was het de bedoeling de integratoren te responsabiliseren. Die responsabilisering wordt niet efficiënt bereikt door het criterium van het eigendomsrecht over de dieren. Zoals uiteengezet in het verzoekschrift, leidt dat criterium tot onredelijke en onnodig complexe gevolgen.

Ten aanzien van het zesde middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.15.1. « Schending van artikel 39 van de Gecoördineerde Grondwet, juncto artikel 6 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd bij de Bijzondere wetten van 8 augustus 1988 en16 juli 1993;

Schending van de bevoegdheidsverdelende regels inzake leefmilieubescherming en het evenredigheidsbeginsel (artikel 6, 1, II van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980);

Schending van de bevoegdheidsverdelende regels inzake landbouwbeleid (artikel 6, 1, V BWHI), inzake prijs- en inkomensbeleid (artikel 6, 1, VI, 5e lid, 3° BWHI) en inzake vennootschapsrecht (artikel 6, 1, VI, 5e lid BWHI);

Schending van de bevoegdheidsverdelende regels inzake de eerbiediging van de vrijheid van handel en nijverheid (artikel 6, 1, VI, 3e lid van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen);

Doordat de Vlaamse decreetgever middels het Nieuwe Mestdecreet een dwingende regeling heeft uitgewerkt t.a.v. de sector van de veeteelt en de integratieveeteelt en onder de vorm van een milieureglementering de bestaande landbouwstructuur hervormt, het vennootschapsrecht wijzigt en aan prijs- en inkomensbeleid in de veeteeltsector doet;

Doordat de decreetgever in het Nieuwe Mestdecreet aan de hand van de kernbegrippen gezinsveeteeltbedrijf, producent en bedrijf een verschillende behandeling heeft ingesteld tussen veeteeltbedrijven naargelang hun samenwerkingsverband, tussen integratoren naargelang de gekozen contractoren, tussen gezinsveeteeltbedrijven en alle andere bedrijven, met het oog op een verschillende materieelrechtelijke behandeling van elke categorie;

Terwijl eerstens de Vlaamse decreetgever de federale bevoegdheid inzake landbouwbeleid, vennootschapsrecht, en prijs- en inkomensbeleid schendt;

Terwijl tweedens de Gewestwetgever aldus het evenredigheidsbeginsel bij de uitoefening van de toegewezen bevoegdheid inzake leefmilieubescherming met de voeten treedt;

Terwijl derdens de Vlaamse decreetgever zich bij de uitwerking van de differentiatie heeft laten leiden door een niet legitiem doel (concurrentievervalsing), en op grond van de onderscheidende criteria inzake bedrijf, producent en gezinsveeteeltbedrijf een wettelijk systeem heeft uitgevaardigd dat de gelijke behandeling van veeteeltbedrijven en integratiesectoren doorbreekt zonder redelijke verantwoording, minstens met manifest disproportionele gevolgen; terwijl de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dergelijke arbitraire regelgeving niet gedogen. » Memorie van de Vlaamse Regering A.15.2. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 39 van de Grondwet, van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen in zijn geheel genomen, alsmede paragraaf 1, II, V en VI, vijfde lid, daarvan, van het evenredigheidsbeginsel en van de vrijheid van handel en nijverheid.

Om te voldoen aan artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof moet een middel niet alleen aangeven welke regel geschonden wordt, maar ook welke van de bestreden bepalingen die regel schenden en in welk opzicht. Aangezien de verzoekende partijen op dat stuk in gebreke blijven, is het middel niet ontvankelijk.

Het middel mist feitelijke grondslag in zoverre het ervan uitgaat dat het mestdecreet « onder de vorm van een milieureglementering de bestaande landbouwstructuur hervormt, het vennootschapsrecht wijzigt en aan prijs- en inkomensbeleid in de veeteeltsector doet ».

Geen van die aanklachten wordt overigens hard gemaakt.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.15.3. Na de eerste vijf middelen hebben de verzoekende partijen een globale of samenvattende grief aangebracht, die alle aangevochten bepalingen betreft. « Na kennisname van de eerste 100 pagina's van het verzoekschrift begrijpt Uw Hof zonder nadere toelichting ' in welk opzicht ' verzoekers de bevoegdheidsverdelende regels geschonden achten ».

Ten aanzien van de schending van de vrijheid van handel en nijverheid hebben de verzoekende partijen bij de uiteenzetting van het zesde middel precies aangegeven hoe de uitzondering voor de prijsgarantiecontracten de grondwettelijke regels schendt.

Voor de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel gaat het verwijt van een gebrek aan feitelijke uiteenzetting helemaal niet op.

Alle schendingen zijn in extenso uiteengezet bij de bespreking van de bedoelde bepalingen. In het verzoekschrift is de kennelijke wanverhouding tussen de effectieve gevolgen en de doelstellingen en beoogde gevolgen toegelicht. De verzoekende partijen staan met die kritiek niet alleen, zoals blijkt uit de aanvullende studie van de Administratie van Land- en Tuinbouw van december 1995.

Ten aanzien van het zevende middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.16.1. « Schending van de artikelen 10 en 11 van de Gecordineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt, op zich en in combinatie met artikel 8 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 17 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 22 van de Gecoördineerde Grondwet, waarin het beginsel van de eerbiediging van het gezinsleven vervat ligt;

Doordat artikel 2, tweede alinea, 12° van het Nieuwe Mestdecreet, in combinatie met artikel 2bis van het Nieuwe Mestdecreet, een eigen begripsbepaling van gezin en de mogelijkheid om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden, invoert waardoor bepaalde feitelijke gezinssituaties uitgesloten worden om als gezinsveeteeltbedrijf genotificeerd te worden;

Terwijl eerstens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën redelijk verantwoord moet zijn, in combinatie met het beginsel dat het gezinsverband onder al zijn feitelijke en wettelijke verschijningsvormen van overheidswege beschermd dient te worden;

En terwijl in casu een verschillende behandeling wordt uitgewerkt voor de categorie van de ene persoon die duurzaam samenleeft met de natuurlijke persoon die niet geldt voor de categorie van verschillende personen die duurzaam samenleven met de natuurlijke persoon elke redelijke grondslag mist en bovendien het gezinsverband nadelig raakt;

Terwijl tweedens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën een legitieme doelstelling moet dienen en redelijk verantwoord dient te zijn;

En terwijl in casu de bloed- en aanverwanten tot in de tweede graad die met het gezinshoofd samenwerken, anders behandeld worden dan dezelfde bloed- en aanverwanten die niet met het gezinshoofd samenwerken en dergelijke differentiatie geen enkele legitieme doelstelling kan dienen minstens niet pertinent is voor de doelstelling en manifest onredelijk is;

Terwijl derdens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën een legitieme doelstelling moet dienen en redelijk verantwoord dient te zijn;

En terwijl in casu een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de aangenomen kinderen en de met een bloedband verbonden kinderen en die ongelijke behandeling geen legitieme doelstelling dient en manifest onredelijk is. » Memorie van de Vlaamse Regering A.16.2. Het middel voert de schending aan van het gelijkheidsbeginsel in samenhang met het recht op de eerbiediging van het gezinsleven.

Wat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel op zich genomen betreft, « kan niet worden ingezien hoe de begripsbepaling van ' gezin ' [...] in artikel 2, 12° van het mestdecreet niet zou beantwoorden aan wat in alle redelijkheid onder ' gezin ' moet worden verstaan en hoe daarin een onderscheid zou worden gemaakt tussen bloed- of aanverwanten tot de tweede graad of tussen die bloed-en aanverwanten en geadopteerde kinderen, dat enige pertinentie zou hebben in het licht van de decretale regeling ».

Wat betreft de schending van het recht op eerbiediging van het gezinsleven, werd reeds hoger geantwoord.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.16.3. De verzoekende partijen hebben aan de hand van een gedetailleerde ontleding van het begrip gezin in artikel 2, tweede alinea, 12°, van het nieuwe decreet aangetoond hoe dat begrip en de toepassing ervan tot een ongelijke behandeling van gezinssituaties leiden.

De Vlaamse Regering betwist de juridische analyse van dat begrip niet en stemt bijgevolg in met de vaststelling van een differentiatie op grond van « 1° het duurzaam samenleven, 2° de samenwerking met het gezinshoofd, 3° het adoptiefschap van kinderen ».

De Vlaamse Regering ziet niet in hoe een onderscheid wordt gemaakt « tussen gezinnen die volgens het Nieuwe Mestdecreet wèl een gezin vormen (bijv. Vader Jan en zijn studerende adoptiefzoon Piet) en gezinnen die volgens het Nieuwe Mestdecreet geen gezin vormen (bijv.

Vader Jan en zijn studerende zoon Piet) ». Nochtans is de bepaling van de personen die tot een « gezin » van de veehouder behoren essentieel voor de toepassing van het decreet.

De Vlaamse Regering betwist het verschil in behandeling niet en er is geen redelijke verantwoording voor het onderscheid.

Ten aanzien van het achtste middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.17.1.1. Het eerste onderdeel van het middel luidt als volgt : « Schending van artikelen 10 en 11 van de Gecordineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt;

Doordat artikel 17 van het Wijzigingsdecreet, in combinatie met artikel 2, tweede alinea, 28° van het Nieuwe Mestdecreet een basisheffing invoert die trapsgewijze verhoogt ten laste van de producent die als de eigenaar van de dieren op een bedrijf wordt gedefinieerd, waardoor eigenaars van dieren die op verschillende entiteiten gehouden worden omwille van het eigendomsrecht op de dieren in de hogere of hoogste schaal van basisheffing terechtkomen;

Terwijl het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën redelijk dient te zijn naar het legitieme doel toe;

En terwijl in casu het verschil in behandeling dat steunt op contractuele, familiale of vennootschapsrechtelijke banden en een getrapte heffingsvoet m.b.t. de hoogte van de basisheffing disproportioneel is ten aanzien van het doel dat bestaat in de loutere financiering van de taken van de Mestbank. » A.17.1.2. Het tweede onderdeel van het middel is als volgt gesteld : « Schending van artikelen 10 en 11 van de Gecordineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt;

Doordat artikel 33, tweede zinsnede van het Wijzigingsdecreet, in combinatie met artikel 17 van het Wijzigingsdecreet, een nieuw heffingsstelsel retroactief invoert waardoor de heffingsplichtigen voor aanslagjaar 1996 hun gedrag niet meer kunnen afstemmen op de gewijzigde heffingsplicht;

Terwijl eerstens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën dienend moet zijn t.a.v. het betrokken doel;

En terwijl in casu het verschil in behandeling tussen de categorie van de voor het eerst in aanslagjaar 1996 heffingsplichtigen en de categorie van de voor het eerst in aanslagjaar 1997 heffingsplichtigen niet dienend is m.b.t. de loutere financiering van de taken van de Mestbank;

Terwijl tweedens het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën redelijk verantwoord dient te zijn;

En terwijl in casu het verschil in behandeling tussen de categorie van de voor het eerst in aanslagjaar 1996 heffingsplichtigen en de categorie van de voor het eerst in aanslagjaar 1997 heffingsplichtigen manifest niet redelijk verantwoord is m.b.t. de loutere financiering van de taken van de Mestbank. » Memorie van de Vlaamse Regering A.17.2.1. Dit middel komt op tegen de basisheffing bepaald bij artikel 17 van het decreet van 20 december 1995, enerzijds, vanwege de progressiviteit van het tarief (eerste onderdeel) naar gelang van de mestproductie en, anderzijds, vanwege de retroactiviteit van de invoering van de heffing bij artikel 33 van het decreet (tweede onderdeel).

In werkelijkheid is de grief gericht tegen de noties « producent » in artikel 2, tweede lid, 28°, en « bedrijf » in artikel 2, tweede lid, 10°, van het mestdecreet, omdat die noties tot gevolg hebben dat de heffingen bedoeld in artikel 21, 2, ervan zwaarder uitvallen dan vroeger voor de eigenaar van het vee dat wordt gehouden op verschillende entiteiten die samen één bedrijf uitmaken.

A.17.2.2. De progressiviteit van de basisheffing is een logische consequentie van het beginsel « de vervuiler betaalt » en dus van « wie meer bijdraagt tot de mestproblemen, draagt meer bij in hun oplossing ». Het doortrekken daarvan tot één producent, zelfs wanneer zijn vee op verschillende exploitatiezetels wordt gehouden, spreekt vanzelf in het licht van de responsabilisering van de eigenaar van de dieren en van de progressiviteit van de vervuiling veroorzaakt door de grote bedrijven.

Dat de basisheffing strekt tot de financiering van de Mestbank, doet aan de redelijke verantwoording van het onderscheid geen afbreuk : die algemene doelstelling moet niet noodzakelijk de doelstelling zijn van de tariefstructuur of de grondslag van de belasting, die niet alleen een financiële functie heeft, maar ook een ontradings- of aanmoedigingsfunctie.

A.17.2.3. Het onderdeel van het middel over de zogenaamde « retroactiviteit » mist feitelijke grondslag : artikel 21, 1, van het mestdecreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1995, maar dit geldt niet voor de bepaling van de belastingplichtige « producent » in het nieuwe artikel 2, 28°, van het decreet, dat pas op 1 januari 1996 in werking is getreden.

Enkel de « producenten » in de zin van de oorspronkelijke definitie daarvan, komen in aanmerking voor de retroactieve toepassing van artikel 21 van het mestdecreet, wat wel degelijk beantwoordt aan de bedoeling van de decreetgever om de nieuwe heffingsregeling van toepassing te maken op producenten en invoerders die in 1995 werkzaam zijn geweest en in 1996 geen activiteit meer uitoefenen.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.17.3.1. Indien al mag worden aangenomen dat naast financieringsmotieven ook nog een afradingsmotief aan de grondslag van de progressieve basisheffing mag liggen, dan nog moet worden vastgesteld dat de Vlaamse Regering geen enkel argument aanvoert om de pertinentie van de regeling ten aanzien van het achterliggende doel aan te tonen : « De Vlaamse regering reikt immers geen enkel gegeven aan dat het bewijs levert dat de verschillende exploitanten van dieren die aan één eigenaar toebehoren, meer verantwoordelijk zijn voor de overbemesting dan de vergelijkbare exploitant-eigenaar van de dieren ».

Door de samenvoeging van de mestproductie op grond van het eigendomsrecht over de dieren, komen de entiteiten met familiale bindingen en vennootschapsrechtelijke bindingen, samen met de grote bedrijven die met integratiecontracten werken, in de hogere schalen van de basisheffing terecht en moeten zij een heffing betalen die onevenredig hoog is ten aanzien van de basisdoelstelling, ongeacht of deze louter de financiering van de Mestbank beoogt of ook andere doelstellingen nastreeft.

A.17.3.2. De verzoekende partijen nemen er nota van dat de retroactieve toepassing van artikel 21 van het decreet enkel geldt ten aanzien van de producenten in de zin van het oorspronkelijke mestdecreet.

Die retroactiviteit wordt niet verantwoord door de overweging van de Vlaamse Regering met betrekking tot de producent die in 1996 geen activiteit meer uitoefent : om ook de producenten en invoerders die in 1995 werkzaam waren, maar niet meer in 1996, aan de heffing te onderwerpen, volstond het een bepaling op te nemen volgens welke die personen, en zij alleen, in 1996 voor hun activiteiten uit 1995 belast zouden worden volgens het nieuwe stelsel. Voor een louter tijdelijke regeling was een overgangsmaatregel nodig en geen retroactief werkend heffingsstelsel, dat ook diegenen treft die in 1995 werkzaam waren en dat in 1996 gebleven zijn.

Ten aanzien van het negende middel in de zaak met rolnummer 978 Verzoekschrift in de zaak met rolnummer 978 A.18.1. « Schending van artikelen 10 en 11 van de Gecordineerde Grondwet waarin het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vervat ligt;

Doordat eerstens artikel 31 van het Wijzigingsdecreet een specifiek overgangsregime voor bestaande veeteelt- en landbouwinrichtingen met een nog hangende ARAB-aanvraag voor een uitbatingsvergunning invoert, waardoor een onderscheiden behandeling t.a.v. de vergelijkbare categorie van andere inrichtingen ontstaat en waardoor het maximum aantal te vergunnen dieren voor de categorie van inrichtingen die onder het specifieke overgangsregime vallen, beperkt wordt tot de aantallen die worden toegelaten voor de notificatie als gezinsveeteeltbedrijf;

Doordat tweedens artikel 31 van het Wijzigingsdecreet, in een letterlijke lezing een specifiek overgangsregime voor bepaalde bestaande veeteelt- en landbouwinrichtingen invoert, waardoor bestaande veeteeltinrichtingen uit artikel 2, tweede alinea, 7° van het Nieuwe Mestdecreet die geen uitstaans hebben met lopende ARAB-dossiers, aan een specifiek voor nog hangende ARAB-dossiers ingesteld overgangsregime worden onderworpen;

Doordat derdens artikel 31 van het Wijzigingsdecreet een specifiek overgangsregime voor bestaande veeteelt- en landbouwinrichtingen met een nog hangende ARAB-aanvraag voor een uitbatingsvergunning in het leven roept, waardoor bestaande veeteelt- en landbouwinrichtingen die zich ten aanzien van het Nieuwe Mestdecreet in dezelfde situatie bevonden, al dan niet hun vergunningsaanvraag volledig ingewilligd zien, afhankelijk van de ijver waarmee de overheid de aanvragen verwerkt heeft;

Terwijl eerstens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën een legitieme doelstelling moet dienen;

En terwijl in casu een verschillende behandeling tussen bestaande veeteelt- en landbouwinrichtingen met een nog hangende ARAB-aanvraag voor een uitbatingsvergunning en andere inrichtingen wordt ingesteld, zonder dat een legitieme doelstelling voor dat onderscheid voorhanden is;

Terwijl tweedens het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën bestaanbaar moet zijn met de legitieme doelstelling;

En terwijl in casu het verschil in behandeling tussen een bestaand veeteeltbedrijf uit artikel 2, tweede alinea, 7° van het Nieuwe Mestdecreet en de andere inrichtingen (met uitsluiting van deze met een nog lopende ARAB-aanvraag) niet bestaanbaar is met de doelstelling om voor de nog lopende ARAB-dossiers een overgangsregime te organiseren;

Terwijl derdens a) het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën moet dienend zijn t.a.v. het betrokken doel;

En terwijl in casu het verschil in behandeling tussen een bestaand veeteelt- en landbouwbedrijf met een nog hangende ARAB-aanvraag en de andere bestaande veeteelt- en landbouwinrichting niet dienend is t.a.v. de inkrimping van de te vergunnen veestapel;

Terwijl derdens b) het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voorschrijft dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare categorieën proportioneel dient te zijn;

En terwijl in casu het verschil in behandeling tussen een bestaand veeteelt- en landbouwbedrijf met een nog hangende ARAB-aanvraag en de andere bestaande veeteelt- en landbouwinrichting manifest onduidelijk is. » Memorie van de Vlaamse Regering A.18.2. In het laatste middel wordt aangevoerd dat artikel 31 van het decreet van 20 december 1995 strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel bij gebrek aan een verantwoording voor de overgangsregeling die bij dat artikel werd ingesteld.

Die regeling is ingegeven door het beginsel van de rechtszekerheid.

Het ging immers niet op de veehouderijen uit te sluiten die om procedureredenen nog niet over een exploitatievergunning beschikten.

Er kan niet worden ingezien dat die doelstelling niet legitiem zou zijn. Voor het overige is niet geheel duidelijk of de verzoekende partijen bezwaar hebben tegen de overgangsregeling dan wel de versoepeling ervan nastreven.

Daarbij moet worden opgemerkt dat het ontbreken van overgangsrecht, a fortiori het gebrek aan een nog soepeler overgangsrecht, bezwaarlijk als een schending van het gelijkheidsbeginsel kan worden opgevat.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 A.18.3. Het beginsel van de rechtszekerheid is niet ter zake dienend, aangezien het nieuwe decreet niet ingrijpt in de dossiers waar een aanvraag voor een vergunning overeenkomstig de ARAB-reglementering hangende is en de hangende dossiers volgens de oude reglementering konden worden afgehandeld.

De verzoekende partijen vechten niet aan dat het decreet geen algemeen overgangsstelsel bevat voor aanvragen die werden ingediend vóór de inwerkingtreding van het nieuwe decreet.

Zij richten zich enkel « tegen het specifiek overgangsstelsel dat ingesteld wordt voor een bepaalde categorie van bedrijven waarop de bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet niet van toepassing zijn, maar de aangevochten bepaling ten onrechte die indruk wekt en waardoor het specifieke overgangsstelsel steunt op een inefficiënt onderscheidingscriterium en leidt tot een manifest willekeurige behandeling van deze categorie bedrijven ».

De verzoekende partijen stellen vast dat de tegenpartij hun grief niet weerlegt.

Memorie van tussenkomst van de v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector A.19. De vereniging komt tussen tot ondersteuning van het beroep tot vernietiging in de zaak met rolnummer 978.

Memorie van tussenkomst van F. Leenaerts en anderen A.20. De tussenkomende partijen behouden zich het recht voor om hun argumentatie en middelen in een memorie van antwoord te formuleren.

B Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen Wat de ontvankelijkheid van de beroepen ingesteld door rechtspersonen betreft B.1. De verzoekende partijen die rechtspersonen zijn, hebben het bewijs van de bekendmaking van hun statuten in het Belgisch Staatsblad en van de beslissingen om in rechte te treden aan het Hof toegezonden, hetzij als bijlage bij de verzoekschriften, hetzij bij de kort daarop volgende brief van 15 juli 1996.

De exceptie van de Vlaamse Regering wat betreft de niet-inachtneming van artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 wordt verworpen.

Wat het belang van de verzoekende partijen betreft B.2.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.2.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk zich op een collectief belang beroept, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat dit belang niet tot de individuele belangen van de leden is beperkt; dat het maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat dit maatschappelijk doel werkelijk wordt nagestreefd, wat moet blijken uit de concrete en duurzame werking van de vereniging, zowel in het verleden als in het heden.

B.2.3. De Vlaamse Regering voert een exceptie van niet-ontvankelijkheid aan op grond dat de verzoekende partijen als niet-gezinsveeteeltbedrijven of als verenigingen die opkomen voor de belangen van niet-gezinsveeteeltbedrijven niet rechtstreeks of ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen die gunstnormen bevatten voor de gezinsveeteeltbedrijven.

De verzoekende partijen hebben belang bij de vernietiging van de gunstnormen die, in geval van vernietiging, het concurrentievoordeel doen vervallen dat de gezinsveeteeltbedrijven uit de voor hen voordeliger regeling halen. Bovendien krijgen de verzoekende partijen bij een vernietiging een kans op een andere regeling die voor hen gunstiger uitvalt.

B.2.4. De verzoekende partij in de zaak met rolnummer 974, die wijst op haar hoedanigheid van exploitant van een varkenshouderij met een vergunning voor het stallen van 2.400 dieren, waardoor zij niet als gezinsveeteeltbedrijf met de door de aangevochten bepalingen daaraan verbonden voordelen in aanmerking komt en onderworpen wordt aan de verstrengde bepalingen inzake het afzetten van dierlijke meststoffen, doet op afdoende wijze blijken van het vereiste belang.

B.2.5. De v.z.w. Beroepsvereniging van de Mengvoederfabrikanten (hierna : v.z.w. Bemefa), eerste verzoekende partij in de zaak met rolnummer 978, is opgericht in 1944 en behartigt met concrete activiteiten en op duurzame wijze de beroepsbelangen van de fabrikanten van mengvoeders, overeenkomstig haar maatschappelijk doel.

De vereniging voert aan dat het decreet, door het geheel van de bepalingen die het bevat, voornoemde fabrikanten voortaan verplicht hun beroep in veel ongunstiger omstandigheden uit te oefenen, doordat hun zware administratieve lasten worden opgelegd, doordat zij zwaardere heffingen moeten betalen en doordat zij niet langer vrij kunnen handelen bij onder meer het verhandelen, het vervoer en de verwerking van dierlijke mest.

Aldus doet de v.z.w. Bemefa blijken van het vereiste belang.

B.2.6. De v.z.w. Overlegcentrum voor Agrarische Toeleverings-, Producerende en Verwerkende Ondernemingen (hierna : v.z.w. Ocato), tweede verzoekende partij in de zaak met rolnummer 978, heeft volgens haar statuten die in 1994 in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt tot doel het waarborgen van een economisch leefbare landbouw in Vlaanderen.

De vereniging behartigt met concrete en duurzame activiteiten de collectieve belangen van de bedrijven uit de agrarische toeleverings-, producerende en verwerkende sector die geen gezinsveeteeltbedrijven zijn en die door de aangevochten bepalingen worden onderworpen aan maatregelen van inkrimping, duurdere methodes van mestafzet en hogere heffingen.

Aldus doet de v.z.w. Ocato blijken van het vereiste belang.

B.2.7. De v.z.w. Vereniging Varkenshouders (hierna : v.z.w. Veva), derde verzoekende partij in de zaak met rolnummer 978, neemt sinds 1992 de belangen ter harte van de varkenshouders, overeenkomstig haar maatschappelijk doel.

De v.z.w. Veva voert aan dat het geheel van de decretale bepalingen tot gevolg heeft dat de varkenshouders verplicht worden hun beroep onder veel ongunstiger omstandigheden uit te oefenen, onder meer door de zwaardere administratieve lasten en de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden.

Aldus doet de v.z.w. Veva blijken van het vereiste belang.

B.2.8. De vierde tot en met elfde verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978, die wijzen op hun hoedanigheid van handelsvennootschappen of natuurlijke personen die varkensbedrijven uitbaten maar niet voldoen aan de vereisten om als gezinsveeteeltbedrijf met de daaraan door de aangevochten bepalingen verbonden voordelen in aanmerking te komen en onderworpen worden aan de verstrengde bepalingen inzake het afzetten van dierlijke meststoffen, doen op afdoende wijze blijken van het vereiste belang.

B.3. De excepties van gemis aan belang worden verworpen.

Wat het belang van de tussenkomende partijen betreft B.4.1. Volgens artikel 87, 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof wordt ieder die tijdig een memorie indient en doet blijken van een belang, geacht daardoor partij in het geding te zijn.

B.4.2. De v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector verklaart tussen te komen ter ondersteuning van het beroep tot vernietiging ingesteld in de zaak met rolnummer 978 in het belang van haar leden, die Belgische fabrikanten en invoerders van kunstmelk of Belgische kalverslachterijen zijn en instaan voor meer dan 90 pct. van de fabricatie en invoer van kunstmelk en van de kalverslachtingen.

Volgens de vereniging leidt het decreet van 20 december 1995 tot een hervorming in de kalversector waarbij de door haar verdedigde collectieve belangen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt.

De aangevochten bepalingen van het decreet van 20 december 1995 hebben geen betrekking op de productie of het invoeren van kunstmelk, noch op het slachten van kalveren en zijn op zich niet van die aard dat zij de belangen van de tussenkomende partij rechtstreeks kunnen raken.

De vraag tot tussenkomst van de v.z.w. Beroepsvereniging voor de Kalfsvleessector is niet ontvankelijk bij gebrek aan het vereiste belang.

B.4.3. In hun hoedanigheid van veekwekers die vanwege het aantal vergunde dieren niet als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking komen en doordat zij aanklagen dat zij gediscrimineerd worden ten opzichte van de bedrijven die door de aangevochten bepalingen wel als een gezinsveeteeltbedrijf worden beschouwd, doen de tussenkomende partijen F. Leenaerts en anderen blijken van het vereiste belang om in de zaak tussen te komen.

De door de Vlaamse Regering aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de tussenkomst van F. Leenaerts en anderen wordt verworpen.

Ten aanzien van de omvang van het beroep B.5. De Vlaamse Regering voert aan dat de beroepen niet ontvankelijk zijn in zoverre andere dan wetskrachtige normen worden aangevochten.

Bij het onderzoek van de middelen die zijn gericht tegen bepaalde artikelen van dat decreet gelezen in samenhang met de besluiten genomen ter uitvoering van die artikelen, of tegen uitvoeringsbesluiten zonder meer, vermag het Hof geen acht te slaan op de grieven die betrekking hebben op uitvoeringsbesluiten en niet op decretale bepalingen.

B.6. Het Hof dient de omvang van het beroep te bepalen aan de hand van de inhoud van de verzoekschriften.

De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de in hun verzoekschrift aangehaalde en in hun memorie van antwoord gepreciseerde onderdelen (zie A.7.2) van het decreet van 20 december 1995 en, subsidiair, de gehele vernietiging ervan in zoverre de vernietiging van de expliciet bestreden bepalingen noodzakelijkerwijze de gehele vernietiging tot gevolg heeft.

Het Hof kan slechts uitdrukkelijk aangevochten wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet werden aangevochten maar onlosmakelijk verbonden zijn met de bepalingen die moeten worden vernietigd.

Ten gronde Ten aanzien van de bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever B.7.1. In hoofdzaak voeren de middelen de schending aan van het beginsel van de gelijkheid en niet-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met andere bepalingen, maar in bepaalde onderdelen van het tweede en derde middel en in het zesde middel aangevoerd in de zaak met rolnummer 978 wordt ook de bevoegdheid van de Vlaamse decreetgever tot het aannemen van het decreet van 20 december 1995 ter discussie gesteld.

B.7.2. Het onderzoek van de overeenstemming met de bevoegdheidsregels moet het onderzoek van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorafgaan.

B.8. De grieven ten aanzien van de bevoegdheid moeten worden begrepen als de schending aanvoerend, door het geheel van de aangevochten bepalingen, van artikel 39 van de Grondwet en van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, meer bepaald van artikel 6, 1, II, V en VI, derde en vijfde lid.

B.9.1. Artikel 6, 1, II, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt : « De aangelegenheden bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet [thans artikel 39] zijn : II. Wat het leefmilieu en het waterbeleid betreft : 1° De bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder; B.9.2. Het aangevochten decreet van 20 december 1995 wijzigt het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, dat een geheel van maatregelen neemt die ertoe strekken de milieuverontreiniging ten gevolge van de overmatige uitspreiding van meststoffen te voorkomen of te verminderen door de productie en het gebruik van meststoffen, vooral van dierlijke oorsprong, onder controle te brengen en de mestoverschotten weg te werken.

B.9.3. De Vlaamse decreetgever is bevoegd tot het nemen van dergelijke maatregelen op grond van het voormelde artikel 6, 1, II, 1°.

B.10.1. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 betogen dat artikel 6, 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, geschonden is doordat het aangevochten decreet onder het mom van een milieureglementering de bestaande landbouwstructuur hervormt en op onevenredige wijze de federale bevoegdheid inzake het landbouwbeleid doorkruist.

B.10.2. De gewesten zijn op grond van artikel 6, 1, V, van de voormelde bijzondere wet bevoegd voor bepaalde aspecten met betrekking tot de landbouw. De overige aspecten van het landbouwbeleid zijn hun niet toegewezen en zijn derhalve tot de bevoegdheidssfeer van de federale overheid blijven behoren.

Het decreet van 23 januari 1991, zoals gewijzigd door het aangevochten decreet (hierna : het Nieuwe Mestdecreet), bepaalt in artikel 2, eerste lid, uitdrukkelijk dat het tot doel heeft « de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging als gevolg van de produktie en het gebruik van meststoffen ».

Het Nieuwe Mestdecreet is wezenlijk ingegeven vanuit overwegingen van milieubeleid.

Een doelmatig milieubeleid impliceert noodzakelijkerwijze dat activiteiten die milieuhinder veroorzaken worden gecontroleerd en gereglementeerd. De omstandigheid dat de door het decreet opgelegde verplichtingen een rechtstreekse of onrechtstreekse weerslag kunnen hebben op de landbouwsector, betekent niet dat de decreetgever zijn bevoegdheid heeft overschreden. Luidens artikel 6, 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 moet weliswaar overleg worden gepleegd tussen de betrokken regeringen en de federale overheid over de maatregelen die een weerslag hebben op het landbouwbeleid, doch die bepaling laat, rekening houdend met dat voorbehoud, de beslissingsbevoegdheid omtrent de te nemen maatregelen bij het gewest, dat de ter zake bevoegde overheid is. De decreetgever zou zijn bevoegdheid slechts overschrijden indien de opgelegde beperkingen van die aard zouden zijn dat de federale wetgever in de onmogelijkheid zou verkeren om zijn bevoegdheden inzake het landbouwbeleid uit te oefenen.

Volgens de parlementaire voorbereiding beoogt het aangevochten decreet « het oorspronkelijke mestdecreet van 1991 aan te passen aan de nieuwe inzichten enerzijds en de milieudoelstellingen anderzijds » (Gedr.

St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 2).

De meest fundamentele wijziging is de invoering van een « notificatieprocedure » voor gezinsveeteeltbedrijven, met hieraan gekoppeld een aantal maatregelen (vergunningenstelsel, mestafzetregeling, een gerichte toepassing van de gebiedsgerichte verscherpingen in het licht van de doelstellingen) die de gezinsveeteeltbedrijven tegenover de industriële veebedrijven moeten bevoordelen (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, pp. 2-3).

B.10.3. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 betogen voorts dat « het verschil in behandeling tussen bepaalde gezinsveeteeltbedrijven en de andere veeteeltbedrijven tot een landbouwhervorming leidt, waarvoor de Vlaamse decreetgever onbevoegd is » (derde middel, eerste onderdeel) en dat de decreetgever « onder de vorm van een milieureglementering de bestaande landbouwstructuur hervormt » (zesde middel).

Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp dat aan het bestreden decreet ten grondslag ligt (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 6) werd het begrip gezinsveeteeltbedrijf ingevoerd : « om aan bedrijven die inzake omvang, beheer, grondgebondenheid, kapitaalstructuur en financiële verantwoordelijkheid een familiaal karakter hebben, bepaalde voordelen te kunnen toekennen ten overstaan van grotere en/of geïntegreerde bedrijven en dit overeenkomstig de beslissing van de Vlaamse regering van 29 september 1993 (betreffende het zogenaamde ' mestactieplan '). Deze positieve discriminatie heeft zowel sociale als milieu-technische oorzaken.

Uit de studie, uitgevoerd door de ALT [de Administratie van Land- en Tuinbouw van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse aangelegenheden en Landbouw] in opdracht van de minister-president, blijkt immers dat de gezinsveeteeltbedrijven voor 70 % van de fosfaatproduktie instaan, daar waar zij slechts verantwoordelijk zijn voor 50 % van de mestoverschotten. De niet-gezinsveeteeltbedrijven zijn met slechts 30 % van de produktie verantwoordelijk voor 50 % van de overschotten en zijn dus potentieel grotere vervuilers ».

De Vlaamse Regering legt twee aanvullende studies bij de ALT-studie voor waarin, rekening houdend met bijkomende statistische gegevens en met de aangepaste criteria voor gezinsveeteeltbedrijven, het door de verzoekende partijen bestreden uitgangspunt bevestigd wordt dat de gezinsveeteeltbedrijven milieuvriendelijker zijn doordat zij verhoudingsgewijs minder verantwoordelijk zijn voor de mestoverschotten (zie A.9.3.3).

Uit de grafieken nrs. 7 tot 10 van het in december 1995 geactualiseerde aanvullende rapport bij de ALT-studie kan worden opgemaakt dat de gezinsveeteeltbedrijven, die ongeveer drie vierden uitmaken van het totaal aantal veeteeltbedrijven, voor de helft van de mestoverschotten verantwoordelijk zijn en dat de overige veeteeltbedrijven de andere helft van de overschotten teweegbrengen.

De verzoekende partijen repliceren dat voor verschillende types gezinsveeteeltbedrijven het aandeel in de mestproductie en het aandeel in de mestoverschotten vergelijkbaar is, maar weerleggen niet dat de gezinsveeteeltbedrijven verhoudingsgewijs minder verantwoordelijk zijn voor het probleem van de mestoverschotten.

Uit wat voorafgaat blijkt dat de decreetgever bij het aannemen van een gunstregeling voor de gezinsveeteeltbedrijven in redelijkheid kon uitgaan van de opvatting dat dit type bedrijven vanuit milieutechnische overwegingen betere waarborgen biedt en dat de positieve maatregelen ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven passen in het kader van het milieubeleid, waarvoor de gewesten bevoegd zijn.

B.10.4. Er dient evenwel nog te worden onderzocht of de decreetgever niet op onevenredige wijze afbreuk heeft gedaan aan de bevoegdheid van de federale wetgever inzake landbouw.

Het overleg tussen de Vlaamse Regering en de federale overheid betreffende maatregelen die een weerslag hebben op het landbouwbeleid, voorgeschreven bij artikel 6, 3bis, van de bijzondere wet, heeft plaatsgehad (zie Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 3) en er blijkt niet dat de federale overheid wat de bevoegdheid betreft bezwaren heeft gemaakt.

Er kan niet worden aangenomen dat het beleid van de decreetgever ten gunste van de gezinsveeteeltbedrijven het landbouwbeleid van de federale overheid doorkruist, nu de instandhouding van dit type van bedrijven ook door de federale wetgever wordt nagestreefd, zoals blijkt uit de wet van 4 februari 1987 betreffende de vestiging van industriële veeteeltbedrijven.

B.11. In hun tweede middel betogen de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 nog dat de bepalingen betreffende de gezinsveeteeltbedrijven van artikel 2bis, van het Nieuwe Mestdecreet en de bepalingen van artikel 2, tweede lid, 10° en 28°, waar de begrippen « bedrijf » en « producent » zijn gedefinieerd, de federale bevoegdheden inzake handelsrecht, vennootschapsrecht en burgerlijk recht schenden.

Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, moeten de Grondwetgever en de bijzondere wetgever worden geacht aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid te hebben toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hen toegewezen aangelegenheden. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen.

Door in artikel 2bis, 2, 1°, b), eerste streepje, te bepalen dat de producent die een rechtspersoon is en die als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking wil komen de vorm moet hebben van « een landbouwvennootschap als bedoeld in de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap, een personenvennootschap, een eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een burgerlijke vennootschap als bedoeld in de artikelen 1832 e.v. van het Burgerlijk Wetboek », heeft de decreetgever geenszins beoogd het federale vennootschapsrecht te wijzigen.

Uit het gebruik van het begrip « personenvennootschap » dat wordt gehanteerd om een onderscheid te maken met de kapitaalvennootschappen, kan niet worden afgeleid dat de decreetgever een nieuwe categorie vennootschappen heeft willen invoeren. Evenmin kan uit het feit dat de decreetgever ook de burgerlijke vennootschappen in aanmerking heeft genomen, worden afgeleid dat hij daaraan rechtspersoonlijkheid heeft willen verlenen.

Door te verwijzen naar begrippen uit het handels-, vennootschaps- of burgerlijk recht bij het bepalen van de voorwaarden waaraan een bedrijf moet voldoen om als gezinsveeteeltbedrijf te worden aangemerkt, heeft de decreetgever geen burgerrechtelijke regeling getroffen, noch een aan de federale wetgever bij artikel 6, 1, VI, vijfde lid, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voorbehouden bepaling inzake handels- of vennootschapsrecht aangenomen en derhalve geen afbreuk gedaan aan de federale bevoegdheid.

B.12. Bij de uiteenzetting van hun zesde middel betogen de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 nog dat « de keuze voor prijsgarantiecontracten en de aanmoediging van één sector uit de integratieteelt [...] een onevenredige ingreep [zijn] in de federale bevoegdheid inzake prijs- en inkomensbeleid ».

Dat de decreetgever bij het bepalen van de voorwaarden om als gezinsveeteeltbedrijf te worden aangemerkt, rekening houdt met bepaalde situaties in feite of in rechte, te dezen het al dan niet bestaan van prijsgarantiecontracten, kan niet worden beschouwd als een ingreep in de bij artikel 6, 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid inzake prijs- en inkomensbeleid.

B.13.1. In hun tweede, derde en zesde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 ten slotte de schending aan van de bevoegdheidsverdelende regels inzake de eerbiediging van de vrijheid van handel en nijverheid.

B.13.2. Artikel 6, 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « In economische aangelegenheden oefenen de Gewesten hun bevoegdheden uit met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen. » De vrijheid van handel en nijverheid kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. De bevoegde wetgever kan ertoe worden gebracht zij het in de economische sector of in andere sectoren de handelingsvrijheid van de betrokken personen of ondernemingen te beperken, wat noodzakelijkerwijze een weerslag zal hebben op de vrijheid van handel en nijverheid. De gewesten zouden de vrijheid van handel en nijverheid bedoeld in artikel 6, 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 slechts schenden, indien ze die vrijheid zouden beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking kennelijk onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel of aan het beginsel op zodanige wijze afbreuk zou doen dat de economische en monetaire unie erdoor in het gedrang komt.

B.13.3. Volgens het tweede middel wordt de vrijheid van handel en nijverheid geschonden doordat de decreetgever in artikel 2bis, 2, 1°, b), van het Nieuwe Mestdecreet op limitatieve wijze bepaalt welke vormen van vennootschap in aanmerking komen als gezinsveeteeltbedrijf, waarbij meer bepaald de naamloze vennootschappen uitgesloten zijn, en doordat de decreetgever in artikel 2bis, 2, 5°, voorschrijft dat het bedrijf 100 pct. van de eigendomstitel op het roerend kapitaal en het kapitaal onroerend door bestemming in zijn bezit moet hebben alsook de eigendomstitel of de pacht van de gebouwen, waarbij de facto een verbod tot leasing en huur van bedrijfsuitrusting wordt opgelegd aan de gezinsveeteeltbedrijven.

De decreetgever heeft de eigenaar van de dieren willen responsabiliseren en bedrijven die inzake omvang, beheer, grondgebondenheid, kapitaalstructuur en financiële verantwoordelijkheid een familiaal karakter hebben, bepaalde voordelen willen toekennen ten opzichte van de grotere en/of gentegreerde bedrijven (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, pp. 4 en 6, en ibidem, nr. 148-3, pp. 17 en 19-22).

Het is niet onredelijk dat de decreetgever, om het familiaal karakter van de gezinsveeteeltbedrijven te waarborgen, enkel de landbouwvennootschappen, personenvennootschappen, eenpersoonsvennootschappen en burgerlijke vennootschappen (artikel 2bis, 2, 1°, b), eerste streepje) in aanmerking heeft genomen.

Overigens sluiten de werkingsvoorwaarden van de voornoemde vennootschapsvormen beter aan bij de andere voorwaarden die voor de gezinsveeteeltbedrijven zijn gesteld.

Dat de naamloze vennootschap, waarin de aandelen in de regel onbeperkt overdraagbaar zijn, daarbij niet in aanmerking is genomen is te dezen geen onevenredige beperking van de vrijheid van handel en nijverheid.

Het is evenzeer verantwoord dat de decreetgever de in artikel 2bis, 2, 5°, van het Nieuwe Mestdecreet gestelde eigendomsvereiste heeft aangenomen. Dat contractvormen als leasing en huur van bedrijfsuitrusting daarbij worden uitgesloten, is niet onevenredig met die doelstelling en derhalve niet in strijd met de vrijheid van handel en nijverheid.

B.13.4.1. In hun zesde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 ten slotte de schending aan van « de bevoegdheidsverdelende regels inzake de eerbiediging van de vrijheid van handel en nijverheid », evenwel zonder te preciseren ten aanzien van welke van de aangevochten bepalingen die grief is gericht.

Bij de uiteenzetting van het middel verklaren de verzoekende partijen hun grief « te concretiseren via een analyse van artikel 2, 10° van het Nieuwe Mestdecreet » en voor het overige besluiten zij dat « gelijkaardige grieven worden aangevoerd tegen het geheel van de bestreden bepalingen ».

B.13.4.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden geschonden zijn, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.

Afgezien van de grief tegen artikel 2, tweede lid, 10°, van het Nieuwe Mestdecreet is het middel, daar niet is gepreciseerd welke bepalingen het beoogt en in welk opzicht zij de bevoegdheidsregels schenden, te onduidelijk om in aanmerking te worden genomen.

B.13.4.3. Wat het voormelde artikel 2, tweede lid, 10°, van het Nieuwe Mestdecreet betreft, zetten de verzoekende partijen uiteen dat uit de bepaling volgens welke « ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben op het vlak van personen en/of kapitaal en/of beleid » als een enkel bedrijf moeten worden beschouwd, voortvloeit « dat bedrijven die werken met een integratiecontract waarbij een integrator een prijsgarantie verleent, niet kunnen genotificeerd worden als gezinsveeteeltbedrijf ».

In artikel 2bis, 2, 5°, a), in fine, van het Nieuwe Mestdecreet is uitdrukkelijk een uitzondering gemaakt voor contracten met vooraf gegarandeerde afnameprijzen, waarmee de zogenaamde prijsgarantiecontracten bedoeld zijn. Die bepaling zou geen betekenis meer hebben indien artikel 2, tweede lid, 10°, de draagwijdte zou hebben die de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 eraan geven.

Dat onderdeel van het zesde middel mist feitelijke grondslag.

B.14. De onderdelen van de middelen die de bevoegdheid van de decreetgever tot het aannemen van het bestreden decreet ter discussie brengen, worden verworpen.

Ten aanzien van de middelen die de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanvoeren B.15. De verzoekende partijen voeren aan dat veeteeltbedrijven die niet voldoen aan de in artikel 2bis van het Nieuwe Mestdecreet bepaalde voorwaarden voor een « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf zwaardere verplichtingen worden opgelegd, waardoor zij gediscrimineerd worden ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven.

B.16. Artikel 2bis van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt : « 1. Een bedrijf waar vee gehouden wordt kan, met het oog op de toepassing van dit decreet, genotificeerd worden als gezinsveeteeltbedrijf. De notificatie geschiedt jaarlijks op basis van de in artikel 3, 1 vermelde aangifte. 2. Voor de notificatie als gezinsveeteeltbedrijf dient tegelijk aan volgende voorwaarden te worden voldaan : 1° Wat de producent betreft : a) Indien de producent een natuurlijk persoon is, is vereist dat deze : de exploitatie van het bedrijf als hoofdberoep heeft en, met name, uit het bedrijf een inkomen verwerft dat 50 % of meer bedraagt van zijn arbeidsinkomen en aan de werkzaamheden buiten het bedrijf minder dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt; verantwoordelijk is voor de voedering en de verzorging van het vee waarvan hij eigenaar is; geen ander vee op permanente wijze voedert of verzorgt dan het vee waarvan hij eigenaar is; geen veroordeling opgelopen heeft in de voorbije 5 jaar wegens een valse verklaring in verband met de notificatievoorwaarden van het gezinsveeteeltbedrijf; b) Indien de producent een rechtspersoon is, moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn : de rechtspersoon heeft de vorm van een landbouwvennootschap als bedoeld in de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap, een personenvennootschap, een eenpersoonsvennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een burgerlijke vennootschap als bedoeld in de artikelen 1832 e.v. van het Burgerlijk Wetboek; de rechtspersoon heeft tot statutair doel de uitbating van een landbouwbedrijf met het oog op het voortbrengen en verhandelen van landbouwprodukten die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de verkoop; de vennoten zijn natuurlijke personen; de aandelen of de deelbewijzen van die vennootschap zijn op naam; de persoon die met de dagelijkse leiding is belast : besteedt ten minste 50 % van zijn arbeidsduur aan werkzaamheden op het bedrijf en haalt ten minste 50 % van zijn arbeidsinkomen uit die activiteit; is verantwoordelijk voor de voedering en de verzorging van het vee waarvan de rechtspersoon eigenaar is; voedert of verzorgt geen andere dieren op permanente wijze dan het vee waarvan de rechtspersoon eigenaar is; heeft in de voorbije 5 jaar geen veroordeling opgelopen wegens een valse verklaring in verband met de notificatievoorwaarden van het gezinsveeteeltbedrijf; ten minste 51 % van de aandelen of deelbewijzen behoren in eigendom toe aan de persoon die belast is met de dagelijkse leiding van het bedrijf of aan leden van zijn gezin : deze voorwaarde geldt niet voor de landbouwvennootschap; de bestuurders en zaakvoerders andere dan deze die met de dagelijkse leiding van het bedrijf zijn belast, zijn natuurlijke personen en maken deel uit van het gezin van de natuurlijke persoon die met het dagelijkse bestuur is belast; heeft in de voorbije 5 jaar geen verklaring afgelegd in verband met de notificatievoorwaarden van het gezinsveeteeltbedrijf die door de Mestbank als vals is beschouwd; voor zover mogelijk wordt de naleving van de bovenvermelde voorwaarden hiervoor verzekerd door een statutaire bepaling; c) Indien de producent bestaat uit meerdere natuurlijke personen, is vereist dat : elk van de personen, belast met de dagelijkse leiding voldoet aan de voorwaarden opgesomd in a); de personen belast met de dagelijkse leiding, deel uitmaken van hetzelfde gezin; d) Indien de producent bestaat uit meerdere rechtspersonen, is vereist dat : elke rechtspersoon, voldoet aan de voorwaarden vernoemd onder b); de personen belast met de dagelijkse leiding, deel uitmaken van hetzelfde gezin; 2° Wat de veebezetting betreft : a) de jaarproduktie van het bedrijf bedraagt minimaal 300 kg difosforpentoxyde;b) het aantal vergunde dieren op het bedrijf is, voor elk van de hierna vermelde diersoorten op geen enkel ogenblik hoger dan : in de varkenssector : een gesloten varkenshouderij met 200 zeugen en de bijhorende mestvarkens;of een niet-gesloten varkenshouderij met 1500 varkens ouder dan 10 weken; in de melkveesector : 100 melkkoeien en het bijhorende jongvee; in de mestveesector : 300 stuks vleesvee ouder dan 6 maanden; in de kalversector : 600 gespeende dieren; pluimveesector : 70.000 stuks pluimvee ouder dan 3 weken; c) de som van (A1/200 of A2/1500) + B/100 + C/300 + D/600 + E/70.000 dient op ieder ogenblik kleiner te zijn dan of gelijk aan één, als op het bedrijf meerdere diersoorten voorkomen. Hierin is A1 gelijk aan het aantal zeugen, exclusief het daarbij horend aantal mestvarkens voor een gesloten varkenshouderij, A2 het aantal varkens ouder dan 10 weken voor een niet-gesloten varkenshouderij, B gelijk aan het aantal melkkoeien, exclusief het daarbij behorende jongvee, C gelijk aan het aantal stuks vleesvee ouder dan 6 maanden, D gelijk aan het aantal gespeende kalveren, E gelijk aan het aantal stuks pluimvee ouder dan 3 weken, dat op het bedrijf wordt gehouden; d) bij wijze van overgangsmaatregel wordt, tot 31 december 1999, in afwijking van de bepalingen van b) en c), aan de voorwaarde met betrekking tot de maximale veebezetting geacht te zijn voldaan, indien de veebezetting van de aangifte van 1995 kleiner was dan 1,5 maal de in b) vermelde maxima of kleiner dan anderhalf, volgens de berekening vermeld in c) en ondertussen niet is toegenomen;e) in afwijking van de bepalingen van b) en c), wordt voor bedrijven, zoals bedoeld in 2, 1° c), of 2, 1° d), aan de voorwaarde met betrekking tot de maximale veebezetting geacht te zijn voldaan, indien deze kleiner is dan 1,5 maal de in b) vermelde maxima of kleiner dan anderhalf, volgens de berekening vermeld in c);cumulatie met de overgangsmaatregel zoals bepaald in d) is uitgesloten; 3° Wat de mogelijkheid tot opbrenging van mest op de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende cultuurgronden betreft : a) in de melkveesector, de mestveesector, de varkenssector en de kalversector moet deze voldoende zijn om 25 % van de produktie van dierlijke mest, MPp, op te brengen op het land, met respect voor de toegelaten hoeveelheden meststoffen zoals bepaald in de artikelen 14 en 15;b) bij wijze van uitzondering in de varkenssector, wordt aan een bestaande varkenshouderij deze voorwaarde niet opgelegd ten belope van de produktie ten gevolge van dieraantallen zoals aangegeven in 1993;c) als een bedrijf meerdere diersoorten houdt, gelden de voorwaarden per diersoort zoals bepaald in a) en b);4° Wat betreft de tewerkstelling van personeel : op het bedrijf mag maximaal 1 betaalde, volwaardige arbeidskracht, extern aan het gezin worden tewerkgesteld.Onder volwaardige arbeidskracht wordt verstaan een volwassen persoon, niet ouder dan 65 jaar, volledig arbeidsgeschikt en bestendig beschikbaar voor het bedrijf; 5° Wat de economische zelfstandigheid van het bedrijf betreft, is het gezinsveeteeltbedrijf, een bedrijf dat 100 % van de eigendomstitel op het roerend kapitaal en het kapitaal onroerend door bestemming in zijn bezit heeft alsook de eigendomstitel of de pacht van de gebouwen. Het bedrijf wordt geacht niet te voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de economische zelfstandigheid indien : a) de teelt van het vee het voorwerp uitmaakt van een contract van veepacht als bedoeld in hoofdstuk IV van titel VIII van het Burgerlijk Wetboek, een overeenkomst als bedoeld in artikel 2, 4° van de pachtwet of een integratiecontract in de zin van de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie, met uitzondering van contracten met vooraf gegarandeerde afnameprijzen;b) de producent met betrekking tot de teelt het nodige kweekmateriaal en de nodige grondstoffen niet zelf heeft aangekocht of deze heeft aangekocht bij de afnemer van het slachtrijpe vee of, indien deze laatste een vennootschap is, een met de afnemer verbonden onderneming in de zin van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekeningen van de ondernemingen;c) de gronden of gebouwen waar het vee wordt geteeld, anders dan door een verkoops- of pachtovereenkomst, aan het bedrijf zijn ter beschikking gesteld door de afnemer van het vee of, indien deze een vennootschap is, door een met de afnemer verbonden onderneming in de zin van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekeningen van de ondernemingen;d) de inkomsten verworven uit de teelt van het betrokken vee in het forfaitair stelsel van de inkomstenbelasting aangegeven of belast is geworden onder rubrieken die betrekking hebben op loonkweek, het vetmesten van dieren tegen vergoeding of het houden van dieren in pension; e) de inkomsten verworven in verband met de teelt van het vee in het B.T.W.-stelsel onderworpen werden aan de bijzondere regeling overeenkomstig art. 2, 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde of aan het tarief van 6 % voor diensten. » B.17. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.18. Het onderzoek van de middelen vergt een inzicht zowel in de oorspronkelijke doelstellingen van het decreet van 23 januari 1991 als in de doelstellingen van het decreet van 20 december 1995, die reeds in deel III van dit arrest zijn weergegeven.

B.19.1. Een aantal bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet legt verplichtingen op ten aanzien van de « producent », die voortaan is gedefinieerd als de « eigenaar van het vee dat op een bedrijf wordt gehouden » (artikel 2, tweede lid, 28°).

Aldus heeft de decreetgever de eigenaar van de dieren willen responsabiliseren (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 4, en ibidem, nr. 148-3, pp. 17 en 19-22). Hij kon ervan uitgaan dat de eigenaars van de dieren, meer nog dan de exploitanten, determinerend zijn voor de aantallen dieren en, derhalve, voor de omvang van de veestapel in het Vlaamse Gewest.

B.19.2. Door het decreet van 20 december 1995 wordt een onderscheid ingevoerd tussen twee categorieën van veeteeltbedrijven, waarbij voor bepaalde aspecten gunstiger normen gelden voor die bedrijven die voldoen aan de in artikel 2bis bepaalde voorwaarden. « Het begrip ' gezinsveeteeltbedrijf ' wordt ingevoerd om aan bedrijven die inzake omvang, beheer, grondgebondenheid, kapitaalstructuur en financiële verantwoordelijkheid een familiaal karakter hebben, bepaalde voordelen te kunnen toekennen ten overstaan van de grotere en/of gentegreerde bedrijven en dit overeenkomstig de beslissing van de Vlaamse Regering van 29 september 1993 » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 6).

B.20. In de parlementaire voorbereiding wordt de begunstiging van de gezinsveeteeltbedrijven voorgesteld als een vorm van « positieve discriminatie » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 6, en ibidem, nr. 148-3, p. 28).

Weliswaar kan worden aanvaard dat in bepaalde omstandigheden ongelijkheden niet onbestaanbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod, indien zij er juist toe strekken een bestaande ongelijkheid te verhelpen. Om bestaanbaar te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet mogen dergelijke corrigerende maatregelen slechts worden genomen wanneer er een kennelijke ongelijkheid blijkt en de wetgever het verdwijnen daarvan als een te bevorderen doelstelling heeft aangewezen. Voorts moeten de maatregelen van tijdelijke aard zijn en moeten zij verdwijnen zodra het door de wetgever beoogde doel is bereikt, en moeten zij niet onnodig andermans rechten beperken.

Te dezen kan de begunstiging van de gezinsveeteeltbedrijven evenwel niet worden beschouwd als een tijdelijke maatregel die ertoe strekt een bestaande kennelijke ongelijkheid recht te trekken.

De maatregelen ten gunste van de gezinsveeteeltbedrijven kunnen derhalve niet worden beschouwd als een vorm van « positieve discriminatie », te weten als een corrigerende ongelijkheid die als dusdanig toelaatbaar zou zijn. Het Hof dient bijgevolg de vraag of de decreetgever bij het aannemen van de aangevochten bepalingen het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht heeft genomen, nader te onderzoeken aan de hand van de door de partijen aangevoerde middelen.

Ten aanzien van het eerste middel in de zaak met rolnummer 974 en het eerste middel in de zaak met rolnummer 978 B.21.1. De verzoekende partijen voeren aan dat het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven niet verantwoord is omdat het onderscheid tussen voormelde categorieën van bedrijven niet relevant is voor het verwezenlijken van de in artikel 2 van het Nieuwe Mestdecreet verwoorde doelstelling.

B.21.2. Bij het onderzoek van de bevoegdheid van de decreetgever tot het aannemen van de aangevochten bepalingen is reeds gebleken dat de decreetgever in redelijkheid kon uitgaan van de opvatting dat de gezinsveeteeltbedrijven vanuit milieutechnische overwegingen betere waarborgen bieden (B.10.2).

Dat een andere regeling, waarbij meer doorgedreven rekening zou worden gehouden met sectorale verschillen, onder meer naar gelang van de diersoort en de teeltwijze, meer milieuvriendelijk zou zijn, zoals de verzoekende partijen stellen, doet hieraan geen afbreuk. Het staat niet aan het Hof te onderzoeken of het door de wetgever nagestreefde doel al dan niet met andere wettelijke maatregelen zou kunnen worden bereikt wanneer de aangevochten maatregelen binnen de perken van de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever blijven en de grondwettigheidstoetsing doorstaan.

B.21.3. Het onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven is ingegeven, enerzijds, vanuit de uitdrukkelijk in artikel 2 van het decreet verwoorde milieudoelstelling en, anderzijds, vanuit socio-economische overwegingen. De decreetgever heeft ook oog gehad voor de rechtmatige belangen van de veehouderij tegenover de milieubelangen en voor de socio-economische aspecten ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven.

Het aangeklaagde verschil in behandeling is derhalve mede verantwoord vanuit de bekommernis van de decreetgever om de levensvatbaarheid van de kleinere zelfstandige en economisch minder draagkrachtige bedrijven niet in het gedrang te brengen. Van die bedrijven kon hij in redelijkheid aannemen dat zij verhoudingsgewijs minder verantwoordelijk zijn voor de mestoverschotten die de decreetgever wil bestrijden, te meer daar het mestprobleem voornamelijk aan de industrialisering en intensivering door integratieveeteelt wordt toegeschreven (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, pp. 10-11, en Hand., Vlaamse Raad, 15 december 1995, pp. 459-460, 464 en 480).

Niets belet de decreetgever, naast de uitdrukkelijk in het decreet verwoorde doelstelling, andere doelstellingen na te streven, zoals die blijken uit de parlementaire voorbereiding of uit de specificiteit van bepaalde maatregelen.

B.21.4. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 doen opmerken dat de notie gezinsveeteeltbedrijf geen statisch gegeven is en dat die categorie bedrijven geen vaststaande omvang heeft.

De in artikel 2bis van het Nieuwe Mestdecreet bepaalde voorwaarden strekken ertoe een objectief onderscheid in te voeren tussen de gezinsveeteeltbedrijven en de niet-gezinsveeteeltbedrijven. Het feit dat bedrijven die niet in aanmerking komen naderhand wel als gezinsveeteeltbedrijf kunnen worden « genotificeerd », doet hieraan geen afbreuk aangezien de « notificatie » jaarlijks geschiedt en bedrijven zich kunnen aanpassen om aan de voorwaarden te voldoen.

De decreetgever was zich ervan bewust dat het aantal gezinsveeteeltbedrijven kan veranderen doordat niet-gezinsveeteeltbedrijven zich zouden herstructureren. In de parlementaire voorbereiding van het aangevochten decreet is herhaaldelijk gewezen op het belang van periodieke evaluaties om de normen bij te sturen indien mocht blijken dat de initiële doelstellingen niet met de aangenomen maatregelen zouden worden verwezenlijkt (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 10; ibidem, nr. 148-3, pp. 3, 9, 12, 17 en 25; Hand., Vlaamse Raad, 15 december 1995, pp. 424, 438-439 en 485).

B.21.5. Uit wat voorafgaat blijkt dat het aangeklaagde onderscheid objectief is en redelijkerwijze verantwoord in het licht van de doelstellingen van het aangevochten decreet.

B.21.6. Nu de decreetgever vaststelt dat de niet-gezinsveeteeltbedrijven een verhoudingsgewijs grotere verantwoordelijkheid dragen voor de mestoverschotten (zie B.10.3 hiervoor), is het niet kennelijk onredelijk dat hij hun verhoudingsgewijs zwaardere lasten oplegt.

B.21.7. Het eerste middel in de zaak met rolnummer 974 en het eerste middel in de zaak met rolnummer 978 worden verworpen.

Ten aanzien van het tweede middel in de zaak met rolnummer 974 B.22.1. Volgens dat middel is het onderscheid, wat betreft het aantal dieren, tussen de onderscheiden veeteeltsectoren niet relevant voor de beoogde doelstelling aangezien de mestproductie van de vermelde aantallen dieren zeer verschillend is naar gelang van de sector. Meer bepaald doet de verzoekende partij opmerken dat de mestproductie in zijn bedrijf met 2.400 varkens beduidend lager is dan die in een pluimveebedrijf met 70.000 dieren.

B.22.2. Om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen mag een bedrijf niet meer dieren hebben dan bepaald in artikel 2bis, 2, 2°, b), van het Nieuwe Mestdecreet.

Bij het bepalen van die maxima heeft de decreetgever rekening kunnen houden met de economische levensvatbaarheidsgrens voor een familiaal bedrijf en met de respectieve mogelijkheden tot het bewerken en verwerken naar gelang van de aard van de dierlijke meststoffen en de verhandelbaarheid ervan.

De vergelijking tussen varkenshouders en pluimveehouders is niet relevant, aangezien er volgens de parlementaire voorbereiding nog een markt is voor kippenmest, zodat het probleem van de afzet van die mest in mindere mate rijst (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, (bijlage) pp. 55-57, en Hand., Vlaamse Raad, 15 december 1995, p. 423).

Er blijkt niet dat de decreetgever bij het bepalen van het maximum aantal dieren om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen een arbitrair onderscheid heeft gemaakt tussen de onderscheiden veeteeltsectoren.

B.22.3. Het tweede middel in de zaak met rolnummer 974 wordt verworpen.

Ten aanzien van het tweede middel in de zaak met rolnummer 978 B.23. Behoudens de reeds behandelde grief ten aanzien van de bevoegdheid, voert het middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de bepalingen van artikel 2bis, 2, 1° tot 5°, van het Nieuwe Mestdecreet, waarin de voorwaarden zijn vastgesteld om in aanmerking te komen als gezinsveeteeltbedrijf.

B.24. Voor een « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf komen de veeteeltbedrijven in aanmerking die voldoen aan de in artikel 2bis, 2, bepaalde voorwaarden, welke betrekking hebben op de hoedanigheid van de producent, het aantal dieren, de beschikbaarheid van cultuurgrond, het aantal werknemers en de economische zelfstandigheid van het bedrijf.

B.25.1. Volgens het eerste onderdeel van het middel zijn de vereisten ten aanzien van de producent in verband met de arbeidstijd en het arbeidsinkomen om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen niet redelijk verantwoord ten aanzien van een milieutechnische of sociaal-economische doelstelling.

B.25.2. De natuurlijke persoon die het bedrijf exploiteert of, ingeval de producent een rechtspersoon is, de persoon die de dagelijkse leiding heeft, moet ten minste 50 pct. van zijn arbeidstijd aan werkzaamheden op het bedrijf besteden en ten minste 50 pct. van zijn arbeidsinkomen uit die activiteit halen (artikel 2bis, 2, 1°, a), eerste streepje, en b), vijfde streepje, eerste substreepje). Die maatregel houdt redelijk verband met het oogmerk om enkel het bedrijf uitgebaat door een persoon die de veeteelt als daadwerkelijke hoofdactiviteit heeft als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te nemen.

B.26.1. Volgens het tweede onderdeel van het middel is het verbod om dieren van anderen te voederen of te verzorgen niet dienend voor de betrokken doelstelling.

B.26.2. De bepaling dat de natuurlijke persoon die het bedrijf exploiteert of, ingeval de producent een rechtspersoon is, de persoon die de dagelijkse leiding heeft, geen ander vee op permanente wijze mag voederen of verzorgen dan het vee waarvan de natuurlijke persoon respectievelijk de rechtspersoon eigenaar is (artikel 2bis, 2, 1°, a), derde streepje, en b), vijfde streepje, derde substreepje) houdt redelijk verband met de bedoeling misbruiken tegen te gaan en inzonderheid te verhinderen dat een beroep zou worden gedaan op personen die, anders dan occasioneel, zouden instaan voor dieren waarvan zij niet de eigenaar zijn, wat afbreuk zou doen aan de wil van de decreetgever om de eigenaar te responsabiliseren.

B.27.1. Wat betreft de in het derde onderdeel aangevoerde grief dat de beperking van de vormen van rechtspersonen die in aanmerking komen als gezinsveeteeltbedrijf de vrijheid van handel en nijverheid miskent, wordt verwezen naar de reeds aangevoerde grief wat de bevoegdheid betreft, die hiervoor (B.13.3) is verworpen.

B.27.2. Voorts wordt nog aangeklaagd dat de verplichting om de naleving van de in artikel 2bis, 2, 1°, b), gestelde voorwaarden « voor zover mogelijk » te verzekeren door een statutaire bepaling, niet objectief is.

De voormelde bepaling is zo te begrijpen dat die voorwaarden die voor het betrokken bedrijf gelden en overeenkomstig de organieke wetgeving betreffende de betrokken rechtspersoon in diens statuten kunnen worden opgenomen, daarin ook daadwerkelijk moeten worden opgenomen. Aldus beschouwd, biedt dat vereiste een objectief criterium van onderscheid.

B.28.1. Volgens het vierde onderdeel is het aan de producenten-veetelers die rechtspersonen zijn opgelegde vereiste volgens welke alle vennoten natuurlijke personen moeten zijn, manifest onevenredig met de betrokken doelstelling, zodat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de vrijheid van vereniging, worden geschonden.

B.28.2. Dat vereiste van artikel 2bis, 2, 1°, b), houdt redelijk verband met het oogmerk om enkel aan familiale veeteeltbedrijven met een bepaalde omvang, beheersvorm en kapitaalstructuur het statuut van gezinsveeteeltbedrijf te verlenen. De maatregel is verantwoord om de transparantie te waarborgen en misbruiken tegen te gaan en houdt geen onevenredige beperking in van de vrijheid van vereniging.

B.29.1. Volgens het vijfde en het zesde onderdeel zijn de vereisten dat alle aandelen of deelbewijzen van de rechtspersoon op naam moeten zijn en dat de bestuurders of zaakvoerders natuurlijke personen moeten zijn die deel uitmaken van het gezin van de persoon belast met de dagelijkse leiding, niet redelijk verantwoord.

B.29.2. De bepalingen van artikel 2bis, 2, 1°, b), vierde en zevende streepje, houden redelijk verband met het oogmerk om enkel familiale veeteeltbedrijven met een bepaalde omvang, beheersvorm en kapitaalstructuur tot het stelsel van de gezinsveeteeltbedrijven toe te laten en om de transparantie te waarborgen en misbruiken tegen te gaan.

B.30.1. Volgens het zevende onderdeel is het niet redelijk verantwoord om, naast de voorwaarde dat de persoon die met het dagelijks beheer is belast in de voorbije vijf jaar geen veroordeling heeft opgelopen wegens een valse verklaring in verband met de « notificatievoorwaarden » van het gezinsveeteeltbedrijf (artikel 2bis, 2, 1°, b), vijfde streepje, vierde substreepje), bovendien te vereisen dat de rechtspersoon in de voorbije vijf jaar geen verklaring heeft afgelegd in verband met de « notificatievoorwaarden » van het gezinsveeteeltbedrijf die door de Mestbank als vals is beschouwd (artikel 2bis, 2, 1°, b), achtste streepje).

Volgens de verzoekers schendt dit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht op toegang tot een onpartijdige rechter waarborgt.

B.30.2. De decreetgever heeft geopteerd voor een « notificatie » in plaats van een vergunningsstelsel. De « notificatie » bestaat in een jaarlijks ten overstaan van de Mestbank af te leggen verklaring op eer dat het bedrijf met betrekking tot het jaar van aangifte voldoet en het voorgaande jaar voldeed aan de voorwaarden bepaald in artikel 2bis. De Vlaamse Regering bepaalt met welke documenten de verklaring op eer gestaafd wordt (artikel 3, 2, van het Nieuwe Mestdecreet).

Dat een bedrijf met betrekking waartoe een valse verklaring is afgelegd gedurende een zekere tijd van de mogelijkheid tot « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf wordt uitgesloten, houdt redelijk verband met het oogmerk van de decreetgever om misbruiken te voorkomen of te bestraffen.

B.30.3. De persoon die in de rechtspersoon de dagelijkse leiding waarneemt, mag in de voorbije vijf jaar geen veroordeling hebben opgelopen wegens een valse verklaring. De rechtspersoon als zodanig mag geen verklaring hebben afgelegd die door de Mestbank als vals is beschouwd.

Dat onderscheid vloeit voort uit de naar Belgisch strafrecht geldende regel dat een rechtspersoon als zodanig niet het voorwerp kan zijn van een strafrechtelijke veroordeling.

B.30.4. De beslissing van de Mestbank dat een valse verklaring is afgelegd, is een administratieve beslissing die in beginsel en bij ontstentenis van enige nadere regeling voor de afdeling administratie van de Raad van State kan worden aangevochten. Te dezen heeft de Vlaamse Regering in artikel 2 van het besluit van 20 december 1995 « tot uitvoering van sommige artikelen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen » bepaald dat het bedrijf als gezinsveeteeltbedrijf niet geldig is « genotificeerd » volgens de voorwaarden van het decreet indien de Mestbank vaststelt dat manifest niet is voldaan aan de « notificatievoorwaarden ». Tegen die beslissing kan worden opgekomen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu wiens beslissing vatbaar is voor beroep bij de Raad van State.

Het aangeklaagde onderscheid is verantwoord en doet geen afbreuk aan het recht op toegang tot de rechter.

B.31.1. Volgens het achtste onderdeel is het criterium « persoon die met de dagelijkse leiding is belast » niet objectief ten aanzien van de betrokken doelstelling.

B.31.2. Dat het in bepaalde gevallen moeilijk kan zijn om te bepalen welke de persoon is die « met de dagelijkse leiding is belast » in de zin van artikel 2bis, 2, 1°, b), vierde streepje, betekent daarom nog niet dat het criterium willekeurig is : ten aanzien van het betrokken bedrijf zal in voorkomend geval onder toezicht van de rechter aan de hand van een geheel van feiten en omstandigheden objectief kunnen worden uitgemaakt wie daadwerkelijk met de dagelijkse leiding is belast.

B.32.1. Volgens het negende onderdeel is er geen objectieve en redelijke verantwoording voor de uitsluiting van « notificatie », zoals die volgt uit de combinatie van de litterae a), b), c) en d) van artikel 2bis, 2, 1°, voor de producenten die bestaan uit één of meer natuurlijke personen en één of meer rechtspersonen tegelijkertijd.

B.32.2. De litterae c) en d) van artikel 2bis, 2, 1°, sluiten geenszins uit dat een « producent » zou zijn samengesteld uit één of meer natuurlijke personen en één of meer rechtspersonen.

Dat onderdeel van het middel mist feitelijke grondslag.

B.33.1. Volgens het tiende onderdeel is de maximale veebezetting, uitgedrukt in het aantal dieren, om als gezinsveeteeltbedrijf « genotificeerd » te worden niet objectief en niet ter zake dienend ten aanzien van de betrokken doelstelling.

B.33.2. De in artikel 2bis, 2, 2°, b), bepaalde voorwaarde met betrekking tot de maximale veebezetting op basis van het aantal vergunde dieren berust op een objectief criterium en houdt redelijk verband met de doelstelling om enkel die bedrijven in aanmerking te nemen die wat hun omvang betreft een familiaal karakter hebben, in tegenstelling tot de grote en/of geïntegreerde bedrijven. De decreetgever heeft voorts bij het bepalen van het maximum aantal dieren om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen, rekening gehouden met de economische levensvatbaarheidsgrens voor een familiaal bedrijf.

B.34.1. Volgens het elfde onderdeel zijn de voorwaarden van grondgebondenheid om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen niet ter zake dienend ten aanzien van de betrokken doelstelling. Ook de algemene uitzondering voor de pluimveesector en de beperkte uitzondering voor de varkenssector zouden niet ter zake dienend zijn, te meer daar voor de kalversector, waarvan de exploitatie niet grondgebonden is, niet in een uitzondering is voorzien.

B.34.2. Dat de oppervlakte cultuurgronden in beginsel voldoende moet zijn om 25 pct. van de productie van dierlijke mest op het land op te brengen, houdt redelijk verband met het oogmerk om de familiale bedrijven met een zeker grondbezit bepaalde voordelen toe te kennen ten opzichte van de grotere en/of geïntegreerde bedrijven (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, pp. 4 en 6, en ibidem, nr. 148-3, pp. 17 en 19-23).

B.34.3. Artikel 2bis, 2, 3°, a), heeft enkel betrekking op de melkveesector, de mestveesector, de varkenssector en de kalversector; de vereiste grondgebondenheid geldt derhalve niet voor de pluimveesector.

Bovendien wordt die voorwaarde op grond van artikel 2bis, 2, 3°, b), van het Nieuwe Mestdecreet « bij wijze van uitzondering in de varkenssector » niet opgelegd voor de bestaande varkenshouderijen « ten belope van hun produktie op basis van de dierenaantallen opgegeven in 1993 ».

Volgens de parlementaire voorbereiding is de uitzondering voor de varkenssector nodig om de jacht op beschikbare gronden te vermijden : « de varkenssector vertrekt nl., in tegenstelling tot de andere sectoren, met een situatie waar slechts zeer weinig in aanmerking komende tot het bedrijf behorende cultuurgrond aanwezig was in de voorbije jaren » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 7).

Voor de uitzondering voor de pluimveesector is in de parlementaire voorbereiding geen verantwoording gegeven.

Aan de decreetgever komt het toe te bepalen of en in welke mate de grondgebondenheid als voorwaarde wordt gesteld om voor een « notificatie » als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen en, zo ja, ten aanzien van welke veeteeltsectoren dat vereiste geldt. Om in overeenstemming te zijn met het grondwettelijk beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie dienen de decretale maatregelen evenwel op dezelfde wijze en in dezelfde mate te gelden voor alle veeteeltbedrijven die zich in eenzelfde situatie bevinden. Afwijkende bepalingen zijn enkel toegestaan voor zover een specifieke omstandigheid eigen aan de betrokken sector of sectoren een specifieke maatregel in redelijkheid kan verantwoorden.

Zelfs als om de hiervoor vermelde redenen, aangehaald tijdens de parlementaire voorbereiding, nog kan worden aangenomen dat een uitzondering voor de varkenssector verantwoord is, blijkt evenwel niet wat de uitzondering voor de pluimveesector verantwoordt. Weliswaar zou het feit dat het exploiteren van pluimveehouderijen niet afhankelijk is van het bezit van gronden als verantwoording kunnen worden aangenomen, maar dan blijft de vraag waarom voor de kalversector, waarvan de exploitatie eveneens weinig of niet afhankelijk is van het bezit van gronden, niet in een uitzondering is voorzien.

Door, enerzijds, voor de pluimveesector een algemene uitzondering toe te staan ten opzichte van de vereiste grondgebondenheid en een specifieke maatregel te nemen voor de varkenssector, terwijl, anderzijds, niet in een uitzondering is voorzien voor de kalversector, worden de veetelers uit deze laatste sector gediscrimineerd ten opzichte van de veetelers uit de twee voormelde sectoren.

B.34.4. Het elfde onderdeel is gegrond in zoverre voor de kalversector de in artikel 2bis, 2, 3°, a), van het Nieuwe Mestdecreet gestelde voorwaarde om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen zonder enige uitzondering is gesteld.

In artikel 2bis, 2, 3°, a), van het Nieuwe Mestdecreet, ingevoerd bij artikel 3 van het decreet van 20 december 1995, dienen de bewoordingen « en de kalversector » te worden vernietigd.

B.35.1. Volgens het twaalfde onderdeel is het vereiste inzake de tewerkstelling van externe arbeidskrachten niet ter zake dienend voor de betrokken doelstelling en heeft de maatregel disproportionele gevolgen.

B.35.2. Artikel 2bis, 2, 4°, bepaalt dat, om in aanmerking te komen als gezinsveeteeltbedrijf, « op het bedrijf [...] maximaal 1 betaalde, volwaardige arbeidskracht, extern aan het gezin [mag] worden tewerkgesteld. Onder volwaardige arbeidskracht wordt verstaan een volwassen persoon, niet ouder dan 65 jaar, volledig arbeidsgeschikt en bestendig beschikbaar voor het bedrijf ».

B.35.3. Volgens de Vlaamse Regering is die maatregel verantwoord in het licht van de sociaal-economische context, waarvoor zij verwijst naar volgende passus uit de parlementaire voorbereiding : « De minister voegt hier aan toe dat als men de problematiek vanuit tewerkstellingsoogpunt bekijkt, het aangewezen is het gezinsveeteeltbedrijf te stimuleren. Dit heeft een positieve weerslag op de tewerkstelling omdat die bedrijven arbeidsintensiever zijn dan de integratielandbouw. » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, pp. 27-28.) Tijdens de parlementaire voorbereiding werd een amendement om die voorwaarde weg te laten na de volgende discussie verworpen (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, pp. 23-24) : « De bepaling dat de gezinsveeteeltbedrijven slechts 1 externe werkkracht in dienst mogen hebben is veel te stringent en werkt niet arbeidsbevorderend.

Een lid antwoordt dat deze bepaling opgenomen is om integratie-landbouw tegen te gaan. Het is voor integratoren zeer gemakkelijk om arbeidskrachten te plaatsen op bedrijven, waarvan de exploitant is gestopt, bijvoorbeeld bij zijn pensionering.

De minister stelt dat deze bepaling niet kan worden weggelaten, anders wordt voor de integratoren een achterpoortje gecreëerd. In gevallen van heirkracht, wanneer er dringend hulp nodig is op het bedrijf, bestaan er in de sector voorzieningen van onderlinge bijstand, waarbij werkkrachten worden ter beschikking gesteld, die in dienst zijn van een VZW, en die dus niet in dienst treden van het bedrijf. De bepaling zal dus geen praktische problemen op het terrein stellen. » Er valt niet in te zien hoe de beperking van het aantal tewerkgestelde personen op de gezinsveeteeltbedrijven een positieve weerslag heeft op de tewerkstelling. De maatregel is niet adequaat om het volgens de Vlaamse Regering daarmee beoogde doel te bereiken. Wat betreft het tijdens de parlementaire voorbereiding aangevoerde motief dat aldus de integratielandbouw wordt tegengegaan en kan worden vermeden dat er arbeidskrachten worden geplaatst op bedrijven waarvan de werkelijke exploitant niet meer actief zou zijn, moet worden opgemerkt dat andere decreetsbepalingen, onder meer wat de producent betreft (artikel 2bis, 2, 1°), het familiale karakter van de exploitatie reeds beogen te waarborgen.

Het criterium van onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven op grond van de beperking van het aantal tewerkgestelde personen kan niet redelijkerwijze worden verantwoord in het raam van een milieutechnische of socio-economische doelstelling.

B.35.4. Het middel in zijn twaalfde onderdeel is gegrond.

Artikel 2bis, 2, 4°, van het Nieuwe Mestdecreet, ingevoegd bij artikel 3 van het decreet van 20 december 1995, moet worden vernietigd.

B.36.1. Volgens het dertiende onderdeel zijn de vereisten wat de economische zelfstandigheid van het bedrijf betreft niet objectief en inadequaat en is het vermoeden van een gebrek aan economische zelfstandigheid niet objectief, relevant en evenredig in zijn gevolgen ten aanzien van de betrokken doelstelling.

B.36.2. Volgens artikel 2bis, 2, 5°, moet het bedrijf, om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen, 100 pct. van de eigendomstitel op het roerend kapitaal en het kapitaal onroerend door bestemming in zijn bezit hebben alsook de eigendomstitel of de pacht van de gebouwen.

De begrippen « roerend kapitaal » en « kapitaal onroerend door bestemming » zouden in het federale recht onbekende begrippen zijn en zouden geen objectief aanknopingspunt bieden.

Volgens de parlementaire voorbereiding wordt met « roerend kapitaal » bedoeld « de staluitrusting, de voedersilo's, en alle toegeleverde materialen nodig voor het telen van vee » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 7).

De term « kapitaal » in artikel 2bis, 2, 5°, duidt derhalve op wat deel uitmaakt van de bedrijfsuitrusting.

De in het eerste lid van het voormelde artikel gehanteerde criteria zijn objectief en houden redelijk verband met de doelstelling om de eigenaar van de dieren te responsabiliseren en enkel bedrijven die inzake kapitaalstructuur en financiële verantwoordelijkheid een familiaal karakter hebben, voordelen toe te kennen (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, pp. 4 en 6, en ibidem, nr. 148-3, pp. 17 en 19-22).

De vastgestelde omstandigheden waarin het bedrijf niet geacht wordt aan de voorwaarde met betrekking tot de economische zelfstandigheid te voldoen, houden evenzeer verband met de voormelde doelstelling en zijn daarmee niet onevenredig.

B.36.3. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 voeren meer specifiek aan dat er geen verantwoording is voor de uitzondering die ten aanzien van prijsgarantiecontracten is gemaakt.

Volgens artikel 2bis, 2, 5°, tweede lid, a), van het Nieuwe Mestdecreet wordt het bedrijf geacht niet te voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de economische zelfstandigheid « indien de teelt van het vee het voorwerp uitmaakt van [...] een integratiecontract in de zin van de wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie, met uitzondering van contracten met vooraf gegarandeerde afnameprijzen ».

Artikel 1 van de voormelde wet van 1 april 1976 omschrijft integratiecontracten als « overeenkomsten waarbij, in de sector van de dierlijke produktie, de geïntegreerde zich tegenover één of meer integratoren verbindt om dierlijke produkten voort te brengen of dieren te fokken of te mesten en waarbij regelingen aanvaard worden in verband met de aankoop, verkoop, leveringen of afname van dieren, dierlijke produkten, grondstoffen, en andere goederen en diensten die bij het produktieproces gebruikt of verbruikt worden ».

Aangezien de « geïntegreerde » in mindere of meerdere mate afhankelijk is van de « integrator », biedt het bestaan van dergelijke integratiecontracten met betrekking tot de teelt van vee een objectief criterium van onderscheid dat redelijk verband houdt met het oogmerk om enkel economisch voldoende zelfstandige bedrijven in aanmerking te nemen als gezinsveeteeltbedrijf.

Weliswaar heeft de decreetgever voorzien in een uitzondering ten aanzien van « contracten met vooraf gegarandeerde afnameprijzen » of prijsgarantiecontracten. Van die vorm van integratiecontracten heeft de decreetgever kunnen oordelen dat zij, wegens de economische zekerheid die zij bieden, aanvaardbaar zijn, doordat zij de veeteler voldoende zelfstandigheid laten, aangezien de veeteler bij prijsgarantiecontracten eigenaar is van de dieren.

Overigens dragen andere bepalingen van het decreet, in het bijzonder artikel 2bis, 2, 5°, b) en c), van het Nieuwe Mestdecreet, alsmede de verplichtingen die in artikel 3, 1, 2°, d), en 2, ervan ten aanzien van de producent worden opgelegd, ertoe bij te waarborgen dat de bedoelde overeenkomsten enkel slaan op de prijs en geen bijkomende rechten of verplichtingen inhouden met betrekking tot het afnemen van goederen of diensten van degene die de prijsgarantie biedt.

Door een uitzondering te maken voor de contracten met vooraf gegarandeerde afnameprijzen heeft de decreetgever voorts rekening gehouden met de sterk ontwikkelde integratieveeteelt in het Vlaamse Gewest, die zo ver is doorgedreven dat een radicale uitsluiting van elke vorm van integratiecontracten zou hebben geleid tot een onevenredig zware ingreep in de veeteeltsector.

Uit wat voorafgaat volgt dat de uitzondering inzake de prijsgarantiecontracten niet overkomt als manifest onevenredig met de beoogde doelstelling en dat zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

Ten aanzien van het derde middel in de zaak met rolnummer 978 B.37.1. Volgens het eerste onderdeel zou het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden geen legitiem doel dienen en zou het niet pertinent noch redelijk zijn ten aanzien van de milieudoelstelling.

Bovendien zou op onevenredige wijze afbreuk worden gedaan aan het recht op eigendom, de vrijheid tot contracteren en de vrijheid van handel en nijverheid.

B.37.2. Volgens de definitie van artikel 2, tweede lid, 11°, van het Nieuwe Mestdecreet wordt onder « in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden » verstaan : « voor bedrijven die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2bis : de binnen het Vlaamse Gewest, of in aan het Vlaamse Gewest grenzende gemeenten gelegen, tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond, gelimiteerd tot enerzijds 75 ha en tot anderzijds de tot het bedrijf behorende binnen het Vlaamse Gewest of in aan het Vlaamse Gewest aangrenzende gemeenten gelegen oppervlakte cultuurgronden zoals opgegeven in de aangifte met betrekking tot de bedrijfssituatie 1993; bij wijze van overgangsmaatregel, tot 31 december 1999, voor bedrijven die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2bis en wier veebezetting, zoals bepaald in artikel 2bis, 2, 2°, c), gelegen is tussen één en anderhalf en wier, tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond, blijkens de aangifte met betrekking tot de bedrijfssituatie 1993, 75 ha of meer bedroeg : de binnen het Vlaamse Gewest, of in aan het Vlaams Gewest grenzende gemeenten gelegen, tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond, gelimiteerd tot 112,5 ha; voor bedrijven die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2bis, en die vallen onder de bepaling van artikel 2bis, 2, 1°, c) en d), en wier veebezetting, zoals bepaald in artikel 2bis, 2, 2°, c), gelegen is tussen één en anderhalf, en wier, tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond, blijkens de aangifte met betrekking tot de bedrijfssituatie 1993, 75 ha of meer bedroeg : de binnen het Vlaamse Gewest, of in aan het Vlaams Gewest grenzende gemeenten gelegen, tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond, gelimiteerd tot 112,5 ha; voor de andere bedrijven die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2bis : de binnen het Vlaamse Gewest, of in aan het Vlaamse Gewest grenzende gemeenten gelegen, tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond, gelimiteerd tot 75 ha ».

Hieruit volgt dat de « in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden » in beginsel beperkt worden tot 75 hectare, behalve voor gezinsveeteeltbedrijven, die in de hiervoor bepaalde omstandigheden tot 112,5 hectare in aanmerking kunnen laten nemen.

B.37.3. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van het huidige decreet is de aangevochten bepaling als volgt verantwoord : « Gezien het beperkte areaal cultuurgronden in Vlaanderen moet de afzet op gronden beschouwd worden als een voorrecht. Om te verhinderen dat bedrijven zich een al te groot deel van dit voorrecht zouden toeëigenen, wordt een definitie van ' de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond ' in het decreet opgenomen.

Hierdoor wordt een grens gelegd op de cultuurgronden die in rekening kunnen worden gebracht, bij de bepaling van het af te voeren mestoverschot. In principe wordt het te verrekenen areaal beperkt tot 75 ha cultuurgronden, die bovendien gelegen moeten zijn binnen het Vlaamse Gewest of in aan het Vlaamse Gewest grenzende gemeenten en die werden opgegeven in de aangifte van 1994, bedrijfssituatie 1993.

Voor gezinsveeteeltbedrijven evenwel, wordt bij wijze van positieve discriminatie, het in aanmerking komende areaal niet bevroren op het niveau van de aangifte van de bedrijfssituatie 1993. Voor meergezinsveeteeltbedrijven wordt de grens verhoogd tot 112,5 ha. » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 4).

De decreetgever is ervan uitgegaan dat 75 ha cultuurgrond « voldoende is voor de verspreiding van 10.000 kg P2O5 [difosforpentoxide], wat de doorsneehoeveelheid voor gezinsveeteeltbedrijven is. Omdat de fosfaatnormen in de toekomst nog dalen, is 75 hectare dus een absolute bovengrens » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, p. 15).

Hij heeft er voorts rekening mee gehouden dat die bepaling zou kunnen leiden tot een zogenaamde « grondjacht » door bedrijven die op zoek zouden gaan naar mogelijkheden om cultuurgronden te verwerven ten einde te voldoen aan de in artikel 2bis, 2, 3°, bepaalde voorwaarde om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te komen.

B.37.4. De decreetgever vermag op legitieme wijze ernaar te streven dat het in het Vlaamse Gewest totaal beschikbare areaal cultuurgrond evenwichtig over een groot aantal bedrijven wordt verspreid. Dat te dezen in een gunstiger regeling is voorzien voor de gezinsveeteeltbedrijven is verantwoord op grond van de milieutechnische en socio-economische doelstellingen die de decreetgever voor ogen had en is daarmee niet onevenredig.

Voorts wordt enkel een onoordeelkundig gebruik van cultuurgronden in strijd met de doelstellingen van de decreetgever tegengegaan : noch het eigendomsrecht, noch de vrijheid tot contracteren en de vrijheid van handel en nijverheid met betrekking tot cultuurgronden worden hierdoor onevenredig aangetast.

B.38.1. Volgens het tweede en derde onderdeel zou het verschil in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven wat het vervoer van meststoffen (artikel 8, 1, 3°, b) en c)) betreft, geen legitiem doel dienen en niet pertinent noch redelijk zijn ten aanzien van de betrokken milieudoelstelling.

Volgens het vierde onderdeel is ook het onderscheid met betrekking tot het vervoer van mest door een erkend vervoerder (artikel 8, 2) niet pertinent.

B.38.2. De in artikel 8, 1, 3°, b) en c), bepaalde afwijking ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven is niet illegitiem en houdt redelijk verband met het oogmerk om te voorzien in een versoepeling van de transportregeling voor de gezinsveeteeltbedrijven die een verhoudingsgewijs kleiner mestoverschot veroorzaken (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 11).

De versoepeling is niet onevenredig met het beoogde doel, aangezien enkel onder stringente voorwaarden kan worden afgeweken van de voorschriften van artikel 7. Die versoepeling is beperkt tot het vervoer in dezelfde of aanpalende gemeenten en de voorwaarden bepaald in de litterae b) en c) van artikel 8, 1, 3°, waarborgen dat de Mestbank het toezicht op het vervoer en het gebruik van meststoffen behoudt.

Het eveneens aangevochten artikel 8, 2, van het Nieuwe Mestdecreet beoogt ook de erkende mestvervoerders te responsabiliseren en een betere controle mogelijk te maken (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 11). Paragraaf 2 maakt geen onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven, tenzij onrechtstreeks, in zoverre het verwijst naar de litterae b) en c) van artikel 8, 1, 3°, die hiervoor werden onderzocht en niet discriminatoir bevonden.

B.39.1. Volgens het vijfde en zesde onderdeel zijn de verschillen in behandeling tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven met betrekking tot het afzetten van mestoverschotten in bepaalde gemeenten (artikel 9, 2) en het verwerken of exporteren van meststoffen (artikel 9, 3) impertinent en onredelijk ten aanzien van de betrokken milieudoelstelling.

B.39.2. De paragrafen 2 en 3 van artikel 9 van het Nieuwe Mestdecreet bepalen : « 2. De Vlaamse regering kan de afzet van mestoverschotten voor producenten, waarvan één of meer entiteiten gelegen zijn in een gemeente met een gemeentelijke produktiedruk hoger dan 100 kg difosforpentoxyde, of voor invoerders, beperken tot bepaalde gemeenten of arrondissementen zonder mestoverschotten. Deze beperking kan opgelegd worden aan : 1° producenten, van wie het bedrijf niet genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf;2° invoerders van mestoverschotten door invoer;3° producenten met een mestoverschot of een produktie boven een bepaalde grenswaarde. De Vlaamse regering kan producenten, waarvan geen enkele entiteit gelegen is in een gemeente met een gemeentelijke produktiedruk hoger dan 100 kg difosforpentoxyde, verbieden hun mestoverschotten af te zetten in deze gemeenten. Deze beperking kan opgelegd worden aan : 1° producenten, van wie het bedrijf niet genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf;2° producenten met een mestoverschot of een produktie boven een bepaalde grenswaarde.3. De Vlaamse regering kan aan producenten van dierlijke mest de verplichting opleggen hun dierlijke mest geheel of gedeeltelijk te verwerken of te exporteren en stelt hiertoe nadere regels vast.Deze verplichting kan worden opgelegd aan : 1° producenten, van wie het bedrijf niet genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf;2° producenten met een bedrijfsmatig mestoverschot of een produktie groter dan een grenswaarde die bepaald wordt op basis van het mestoverschot op Vlaams niveau. Vanaf januari 1999 zijn de volgende producenten verplicht om de totaliteit van hun bedrijfsmatige mestoverschotten te verwerken of te exporteren : producenten wier bedrijfsmatige mestproduktie GPp. blijkens de aangifte van het voorafgaande aanslagjaar 10.000 kg difosforpentoxyde of meer bedroeg.

Vanaf 1 januari 2003, zijn volgende producenten verplicht om de totaliteit van hun bedrijfsmatige mestoverschotten te verwerken of te exporteren : producenten wier bedrijfsmatige mestproduktie MPp, blijkens de aangifte van het voorafgaande aanslagjaar 10.000 kg difosforpentoxyde of meer bedroeg. » Het feit dat de in artikel 9, 2, bepaalde beperkingen inzake de afzet van mestoverschotten niet kunnen worden opgelegd aan producenten van wie het bedrijf als gezinsveeteeltbedrijf werd « genotificeerd », houdt redelijk verband met het oogmerk van de decreetgever om een soepeler regeling te waarborgen voor de gezinsveeteeltbedrijven, waarvan hij redelijkerwijze kon aannemen dat deze verhoudingsgewijs minder mestoverschotten veroorzaken. Op grond van die doelstelling en om de levensvatbaarheid van de gezinsveeteeltbedrijven niet in het gedrang te brengen, heeft de decreetgever evenzeer redelijkerwijze kunnen oordelen dat er geen aanleiding was om te voorzien in de mogelijkheid om de gezinsveeteeltbedrijven te verplichten hun dierlijke mest geheel of gedeeltelijk te verwerken of te exporteren.

B.40.1. Volgens het zevende onderdeel is het verschil in behandeling wat betreft de mogelijkheden tot het bemesten in bosgebieden, natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden of natuurreservaten niet pertinent noch redelijk ten aanzien van de nagestreefde milieudoelstelling.

B.40.2. Op cultuurgronden gelegen in bosgebieden, natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden of natuurreservaten is overeenkomstig artikel 15, 4, eerste lid, 4°, van het Nieuwe Mestdecreet bij wijze van overgangsmaatregel tot 31 december 1997 enkel nog bemesting toegestaan mits inachtneming van de bemestingslimieten bepaald in het tweede lid van voormeld artikel. Artikel 15, 5, eerste lid, bepaalt dat in de voornoemde gebieden en vanaf 1 januari 1998 elke vorm van bemesting verboden is, behoudens een beperkte bemesting op natuurlijke wijze bij begrazing.

Het in het zevende onderdeel aangevochten tweede lid van artikel 15, 5, bepaalt : « Ontheffing van dit verbod wordt gegeven aan gezinsveeteeltbedrijven en aan de bedrijven die louter en alleen omwille van de bepaling van artikel 2bis, par. 2, 2°, a) van dit decreet niet voldoen of niet kunnen voldoen aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijf, voor die percelen binnen deze gebieden die conform de aangifte van 1995 behoren tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden voor zover het akkers en intensief grasland betreft. De Vlaamse regering legt hiertoe nadere regels vast. De toegelaten hoeveelheden meststoffen zoals bepaald in 4, zijn dan van toepassing. Indien deze percelen eveneens vallen in een gebied met nitraatgevoelige gronden waar een verscherpte uitrijregeling noodzakelijk is, gelden daar aanvullend de bemestingshoeveelheden voor stikstof uit dierlijke mest en andere meststoffen zoals bepaald in de tabel van artikel 15, 2. Bij overdracht van het bedrijf aan de echtgenoot van de gebruiker, zijn afstammelingen of aangenomen kinderen, de afstammelingen of aangenomen kinderen van zijn echtgenoot, of de echtgenoten van de voormelde afstammelingen of aangenomen kinderen, wordt de ambtshalve ontheffing eenmalig mee overgedragen; een overdracht aan de echtgenoot van de gebruiker sluit een verdere overdracht aan de vermelde afstammelingen of aangenomen kinderen of hun echtgenoten niet uit. Voor overdracht aan anderen dan voormeld vervalt de ambtshalve ontheffing. » Volgens het vierde lid van artikel 15, 5, genieten ook de niet-gezinsveeteeltbedrijven tot 1 januari 2000 een vergelijkbare ontheffing voor akkers en intensief grasland gelegen in dezelfde of naburige gemeenten.

De voormelde regeling is redelijk verantwoord vanuit het oogmerk van de decreetgever om, enerzijds, een gebiedsgericht beleid te voeren met een gefaseerde verstrenging van de bemestingsmogelijkheden en, anderzijds, de bestaande exploitatie van gezinsveeteeltbedrijven die in 1995 aangifte hebben gedaan en die akkers en intensief gebruikt grasland in die beschermde gebieden hebben, niet onredelijk zwaar te belasten en de kans te geven zich op termijn de ambtshalve ontheffing is eenmaal overdraagbaar tussen de in artikel 15, 5, tweede lid, bepaalde familieleden aan te passen (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, pp. 5-6). Aldus heeft de decreetgever een evenwicht tot stand kunnen brengen tussen de milieudoelstelling en de belangen van de landbouwsector : « Het compromis, waar zowel de landbouwsector als de natuurbescherming mee akkoord gaan, was dat het echte natuurgebied ook te allen prijze natuurgebied moet blijven, en dat er geen landbouwexploitatie mag komen. Daar staat tegenover dat legitiem aanwezige landbouw binnen de groengebieden mag worden gehonoreerd » (ibidem, nr. 148-3, p. 35).

B.41.1. Volgens het achtste onderdeel is het verschil in behandeling « met betrekking tot de aankoopverplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest van bepaalde bebouwde en onbebouwde percelen in bosgebied, natuurgebied, natuurontwikkelingsgebied en natuurreservaat » niet pertinent noch redelijk ten aanzien van de nagestreefde milieudoelstelling.

B.41.2. Het in dat onderdeel aangevochten artikel 15, 5, negende lid, van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt : « Gezinsveeteeltbedrijven kunnen steeds vragen volledig vergoed te worden voor die percelen, bebouwd of onbebouwd, gelegen in de gebieden en zones opgesomd in deze paragraaf en die conform de aangifte van 1995 behoren tot de tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden, door middel van een aankoop vanwege het Vlaams Gewest op basis van de venale waarde. » Er dient te worden opgemerkt dat het achtste lid van artikel 15, 5, zonder een onderscheid te maken tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven bepaalt dat de inkomstenverliezen die ontstaan als gevolg van die bepalingen voor de cultuurgronden gelegen in de gebieden en zones opgesomd in paragraaf 5 volledig vergoed moeten worden.

Dat de volledige vergoeding ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven kan worden geconcretiseerd door de aankoop door het Vlaamse Gewest van de betrokken percelen op basis van hun venale waarde, houdt redelijk verband met de socio-economische doelstellingen van de decreetgever, die de gevolgen van de maatregelen heeft willen verzachten om de exploitatie van de gezinsveeteeltbedrijven niet onredelijk zwaar te belasten (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 17).

B.42.1. Volgens het negende onderdeel zou het verschil in behandeling wat betreft de mogelijkheden tot het bemesten in fosfaatverzadigde gebieden geen legitieme doelstelling dienen. Dat verschil zou niet pertinent noch evenredig zijn met de milieudoelstelling.

B.42.2. Op cultuurgronden in fosfaatverzadigde gebieden is overeenkomstig de eerste zin van artikel 15, 6, van het Nieuwe Mestdecreet enkel bemesting met chemische meststoffen toegestaan, voor maximum 40 kilogram difosforpentoxide per hectare en per jaar.

De in dat onderdeel aangevochten tweede en derde zin van dezelfde paragraaf bepalen evenwel : « De bemesting met dierlijke mest is uitsluitend toegestaan aan gezinsveeteeltbedrijven voor bemesting van gronden die deel uitmaken van de tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden; deze bemesting dient te geschieden met mest geproduceerd in het bedrijf zelf en wordt beperkt tot 80 kg difosforpentoxyde per ha per jaar voor grasland en 60 kg difosforpentoxyde per ha per jaar voor alle andere teelten; eventueel toegediende chemische meststoffen worden in mindering gebracht van de toegelaten maxima dierlijk mest. De gezinsveeteeltbedrijven, waarvan de cultuurgronden voor meer dan een derde binnen deze gebieden gelegen zijn, kunnen tevens percelen van andere producenten of gebruikers gelegen binnen deze gebieden bemesten met dierlijke mest ten belope van 80 kg difosforpentoxyde per ha per jaar voor grasland en 60 kg difosforpentoxyde per ha per jaar voor alle andere teelten : eventueel toegediende chemische meststoffen worden in mindering gebracht van de toegelaten maxima dierlijke mest. » In fine van artikel 15, 6, is bepaald dat de Vlaamse Regering de criteria vaststelt voor de aanduiding van fosfaatverzadigde gebieden die zij afbakent en dat beperkingen ingevolge die paragraaf geen aanleiding geven tot vergoeding. De bepalingen in paragraaf 6 gelden niet voor percelen gelegen in zulk een gebied waarvan op grond van een analyse blijkt dat zij niet fosfaatverzadigd zijn (artikel 15, 7).

De decreetgever vermocht ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven een soepeler regeling aan te nemen zodat die bedrijven met inachtneming van de beperkingen die de aangevochten bepalingen opleggen alsnog dierlijke mest kunnen opbrengen op hun cultuurgronden in fosfaatverzadigde gebieden. Volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet mag « De toegelaten fosforbemesting [...] enkel onder vorm van dierlijke mest geschieden om de afzetmogelijkheden voor dierlijke mest in deze gebieden niet volledig te hypothekeren » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 16).

Dat de versoepeling enkel ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven geldt, houdt redelijk verband met de sociaal-economische doelstellingen van de decreetgever (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 6).

De aangevochten maatregel staat bemesting toe op percelen die reeds fosfaatverzadigd zijn, maar, enerzijds, wordt een startdosis verantwoord geacht (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, pp. 79-80 en 104, en ibidem, nr. 148-3, p. 37, en bijlage, p. 136) en, anderzijds, « wordt de fosfaatbemesting beperkt tot een niveau dat lager is dan de onttrekkingsnorm [die verwijst naar de hoeveelheid meststof die door de vegetatie zelf aan de grond wordt onttrokken], waardoor een langzaam herstel naar een normaal fosforniveau wordt nagestreefd » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 16).

In die omstandigheden blijkt niet dat de genomen maatregel kennelijk onevenredig zou zijn ten aanzien van de betrokken milieudoelstelling.

B.43.1. Volgens het tiende tot en met twaalfde onderdeel dienen de verschillen in behandeling inzake de milieuvergunningen, inzake de maatregelen tot beperking van de hoeveelheid geproduceerde mest, de wijze van afvoer ervan en inzake de maximale grootte van de veestapel geen legitiem doel en zijn zij niet pertinent noch redelijk ten aanzien van de milieudoelstelling.

Het tiende onderdeel heeft betrekking op artikel 33, 1, derde en vierde lid, het elfde op artikel 34, 1 en 2, en het twaalfde op artikel 34, 3, 2°, 3° en 4°, en 5, van het Nieuwe Mestdecreet.

B.43.2. Artikel 33, 1, van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt : « De difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie in het Vlaamse Gewest, berekend op basis van de volledige veestapel vermenigvuldigd met de produktiehoeveelheden per dier en per jaar overeenkomstig artikel 5, mogen niet groter zijn of worden dan de difosforpentoxideproduktie en de stikstofproduktie van de veestapel zoals deze gekend waren op basis van de gegevens van de land- en tuinbouwtelling van 15 mei 1992. Deze difosforpentoxideproduktie en stikstofproduktie worden respectievelijk vastgesteld op 75 miljoen kg difosforpentoxide en 169 miljoen kg stikstof.

De Vlaamse regering stelt vast dat één van de twee van de hierboven vastgestelde maxima bereikt of overschreden zullen worden.

Vergunningsaanvragen, met uitzondering van hernieuwing van vergunning en volledige verplaatsing zoals voorzien in art. 34, 3, 1° en 2°, ingediend in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning na de datum van publikatie van deze vaststelling mogen niet meer verleend worden.

De Vlaamse regering kan in afwijking van de bepalingen van vorige alinea deze algemene beperking specifiek opheffen voor gezinsveeteeltbedrijven en bedrijven die louter en alleen omwille van de bepaling van artikel 2bis, 2, 2°, a) van het decreet niet voldoen of niet kunnen voldoen aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijven, in zoverre de gemeentelijke produktiedruk dit kan toelaten en gekoppeld aan evenredige maatregelen zoals voorzien in de volgende alinea.

Ingeval de hierboven vastgestelde maxima ingevolge beslissingen genomen tussen 15 mei 1992 en het van kracht worden van dit decreet overschreden zijn kan de Vlaamse regering ingrijpen op bestaande vergunningen van bedrijven die niet voldoen aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijf of aan die bedrijven beperkingen opleggen voor wat betreft : 1° de maximale bedrijfsgrootte bij hernieuwing of overname van de milieuvergunning;2° bijzondere uitbatingsvoorwaarden in relatie met de produktie en verwijdering van dierlijke mest;3° de verplichting tot export of verwerking van dierlijke mest. Deze beperkingen kunnen opgelegd worden in bepaalde gebieden en/of op bedrijven met bepaalde diersoorten. » Door de artikelen 33 en 34 van het decreet wordt het algemeen stelsel van de milieuvergunningen overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 afgestemd op de noden van een specifiek vergunningsbeleid ten aanzien van de veeteeltbedrijven, rekening houdend met de bijzondere milieuproblemen veroorzaakt door de mestoverschotten. Met de zogenaamde « standstill-bepaling » van artikel 33, 1, wil de decreetgever in eerste instantie bereiken dat de totale hoeveelheden meststoffen in het Vlaamse Gewest niet groter worden dan in 1992. Dat de situatie van 1992 als uitgangspunt werd genomen, houdt verband met het feit dat de bevindingen van de zogenaamde ALT-studie van 1994 (zie B.10.3 hiervoor) steunen op de landbouw- en tuinbouwtelling van 15 mei 1992.

Het vergunningsbeleid heeft tot doel : « de nutriëntenprodukties op Vlaams niveau niet te laten stijgen boven het niveau van 15/5/1992. De vergunningsvoorwaarden verschillen volgens de fosfaatproduktiedruk per hectare cultuurgrond in de gemeente. Door het koppelen van de milieuvergunningsreglementering en het Mestdecreet zal duidelijkheid worden geschapen voor de landbouwers die in de veehouderij willen ondernemen of blijven ondernemen. » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 3) Dat ten aanzien van de gezinsveeteeltbedrijven en de veeteeltbedrijven met een beperkte mestproductie bij besluit van de Vlaamse Regering kan worden afgeweken van het in het eerste lid van artikel 33, 1, geconcretiseerde standstill-beginsel wat het verlenen van nieuwe milieuvergunningen en vergunningen tot uitbreiding betreft, houdt redelijk verband met het oogmerk van de decreetgever om aan de gezinsveeteeltbedrijven, waarvan hij in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat zij verhoudingsgewijs minder verantwoordelijk zijn voor de mestoverschotten, een voordeliger stelsel voor te behouden.

Die maatregel is niet kennelijk onevenredig met de voormelde doelstelling van de decreetgever, te meer daar de afwijking overeenkomstig artikel 33, 1, derde lid, in fine, slechts kan worden verleend in zoverre de gemeentelijke productiedruk dit toelaat en voor zover de maatregel gekoppeld is aan evenredige maatregelen zoals daarin is voorzien in het vierde lid van artikel 33, 1.

Dat kan worden ingegrepen op bestaande vergunningen van niet-gezinsveeteeltbedrijven en dat aan die bedrijven beperkingen kunnen worden opgelegd, is eveneens redelijk verantwoord. Het is niet kennelijk onevenredig dat de decreetgever aan de niet-gezinsveeteeltbedrijven, waarvan hij in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat zij verhoudingsgewijs meer verantwoordelijk zijn voor het probleem van de mestoverschotten dat hij wil bestrijden, beperkingen worden opgelegd die onder meer verband houden met de maximale bedrijfsgrootte bij vernieuwing of overname van de milieuvergunning, ook al kan dit leiden tot een afbouw van dergelijke bedrijven met 25 pct., gegeven waarmee de decreetgever uitdrukkelijk rekening heeft gehouden (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, pp. 26-29).

Anders zou het zijn wanneer de Vlaamse Regering de exploitatie van de betrokken veeteeltbedrijven zonder dat dit nodig is om het gestelde doel te bereiken onmogelijk zou maken of onredelijk zwaar zou belasten. Bij het aanwenden van de bevoegdheden die zij put uit artikel 33, 1, derde en vierde lid, van het Nieuwe Mestdecreet dient de Vlaamse Regering op haar beurt het grondwettelijk beginsel van de gelijkheid en de niet-discriminatie in acht te nemen onder toezicht van de gewone en administratieve rechtscolleges.

B.43.3. Artikel 34, 1, van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt : « De Vlaamse regering kan, op voorstel van de stuurgroep, en inzoverre de exploitatie van landbouwbedrijven hierdoor niet buiten iedere redelijke proportie wordt gehinderd, aan inrichtingen en/of bedrijven, niet behorende tot de gezinsveeteeltbedrijven, beperkingen opleggen met betrekking tot : 1° de hoeveelheid dierlijke mest die maximaal per inrichtingen en/of bedrijf en per kalenderjaar mag worden geproduceerd;2° de wijze van afvoer van de in de inrichting en/of het bedrijf geproduceerde dierlijke mest;3° de maximale grootte van de veestapel in de inrichting en/of het bedrijf.» Dat aan de niet-gezinsveeteeltbedrijven beperkingen kunnen worden opgelegd in verband met de maximale jaarlijkse productie van dierlijke mest, de wijze van afvoer ervan en de maximale grootte van de veestapel, is niet kennelijk onevenredig met de milieudoelstelling van de decreetgever. Overigens is de bevoegdheid van de Vlaamse Regering door de bestreden bepaling zelf beperkt tot het nemen van maatregelen, op voorstel van de stuurgroep, die de exploitatie van die bedrijven niet buiten iedere redelijke proportie mogen verhinderen. Het komt de gewone en administratieve rechtscolleges toe om te beoordelen of de Regering de haar gedelegeerde bevoegdheid uitoefent in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.43.4. Artikel 34, 3, van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt : « Voor inrichtingen die in toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning als hinderlijk zijn ingedeeld in een of meer van de rubrieken die betrekking hebben op diersoorten vermeld in artikel 5, kan met betrekking tot deze diersoorten alleen een milieuvergunning worden verleend indien het één of een combinatie van verscheidene van de volgende gevallen betreft : 1° de hernieuwing van een vergunning van een bestaande veeteeltinrichting;2° de volledige verplaatsing van een bestaande landbouwinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf en voorzover aan volgende bijkomende voorwaarden voldaan wordt : a) de bestaande landbouwinrichting is gelegen op een plaats waar het ingevolge de op dat moment geldende regelgeving niet thuishoort of waar het strengere beperkingen wordt opgelegd dan algemeen geldend;b) de verplaatsing gebeurt naar een nieuwe inplantingsplaats binnen dezelfde of een buurgemeente of in het kader van een bestemmingsplan, een ruilverkaveling of een landinrichtingsplan;c) de te vergunnen mestproduktie voor de nieuwe inplantingsplaats mag niet meer bedragen dan de mestproduktie waarvoor de bestaande landbouwinrichting vergund is;d) de producent moet bij de vergunningsaanvraag een ondertekende en gedateerde verklaring voegen waarin hij verklaart, binnen de twee jaar na de datum waarop de vergunning werd verleend, afstand te zullen doen van de vergunning horende bij de te verplaatsen bestaande landbouwinrichting;3° de milieuvergunningsaanvraag heeft betrekking op een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf;4° de milieuvergunningsaanvraag heeft betrekking op een bestaande landbouwinrichting horende bij een bedrijf dat louter en alleen omwille van de bepaling van artikel 2bis, 2, 2°, a) niet voldoet of niet kan voldoen aan de voorwaarden van gezinsveeteeltbedrijf;5° de milieuvergunningsaanvraag heeft betrekking op het veranderen van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproduktie.» Artikel 34, 5, van het Nieuwe Mestdecreet bepaalt : « Uitgezonderd in geval van verplaatsing van een bestaand gezinsveeteeltbedrijf mag voor een nieuwe inrichting geen milieuvergunning verleend worden met betrekking tot de diersoorten vermeld in artikel 5. » De verzoekende partijen vorderen niet de gehele vernietiging van de paragrafen 3 en 5 van artikel 34, maar van de onderdelen ervan die betrekking hebben op de gezinsveeteeltbedrijven.

Dat enkel nog een milieuvergunning kan worden verleend aan gezinsveeteeltbedrijven, bij verplaatsing van een bestaand gezinsveeteeltbedrijf (artikel 34, 5) of in geval van een volledige verplaatsing van een bestaande landbouwinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf dat als hinderlijk is ingedeeld en onder de in artikel 34, 3, 2°, a) tot d), bepaalde voorwaarden, alsook in geval van vergunningsaanvragen met betrekking tot een bestaande veeteeltinrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf of een bestaande landbouwinrichting met een productie van minder dan 300 kilogram difosforpentoxide op jaarbasis (artikel 34, 3, 3° en 4°), houdt redelijk verband met het oogmerk van de decreetgever om voor de gezinsveeteeltbedrijven en de bedrijven met een kleine mestproductie , die een verhoudingsgewijs kleiner mestoverschot veroorzaken, te voorzien in een soepeler vergunningsstelsel waarbij rekening wordt gehouden met de levensvatbaarheidsgrens van die bedrijven (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-3, p. 43).

Ten aanzien van het vierde, vijfde en zevende middel in de zaak met rolnummer 978 B.44.1. Het vierde middel is gericht tegen artikel 2, tweede lid, 10°, van het Nieuwe Mestdecreet, dat het begrip « bedrijf » definieert en, onrechtstreeks, tegen alle bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet waarin die term voorkomt.

Overeenkomstig artikel 2, tweede lid, 10°, van het Nieuwe Mestdecreet worden als één bedrijf beschouwd : « meerdere entiteiten waarvan het eventueel erin gehouden vee, eigendom is van : eenzelfde natuurlijke of rechtspersoon; echtgenoten of leden van eenzelfde gezin; een natuurlijke persoon en een of meerdere rechtspersonen waarin deze natuurlijke persoon, zijn echtgeno(o)t(e) of een ander lid van zijn gezin belast is met de dagelijkse leiding; verbonden ondernemingen in de zin van IV.A, 1 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekeningen van de ondernemingen; ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben op het vlak van personen en/of kapitaal en/of beleid ».

B.44.2. Het vijfde middel is gericht tegen artikel 2, tweede lid, 28°, van het Nieuwe Mestdecreet, dat het begrip « producent » definieert en, onrechtstreeks, tegen alle bepalingen van het Nieuwe Mestdecreet waarin die term voorkomt.

Volgens de voormelde bepaling is de « producent » « de eigenaar van het vee dat op een bedrijf wordt gehouden ».

B.44.3. Het zevende middel is gericht tegen artikel 2, tweede lid, 12°, van het Nieuwe Mestdecreet, dat het begrip « gezin » omschrijft als : « een natuurlijke persoon, samen met de persoon met wie hij duurzaam samenleeft en de met hem samenwerkende bloed- en aanverwanten tot de tweede graad van hem of van de persoon met wie hij duurzaam samenleeft en de aangenomen kinderen van hemzelf of van de persoon waarmee hij duurzaam samenleeft ».

B.45. De voormelde begrippen worden gehanteerd in verscheidene bepalingen die criteria bevatten op grond waarvan een bedrijf als gezinsveeteeltbedrijf kan worden aangemerkt of al dan niet aan bepaalde voorschriften onderworpen wordt, en zijn derhalve determinerend voor het aangeklaagde onderscheid tussen gezinsveeteeltbedrijven en niet-gezinsveeteeltbedrijven of voor de toepasselijkheid van de decreetsbepalingen. De voormelde bepalingen brengen dus een verschil in behandeling teweeg dat ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet moet worden getoetst.

B.46. Ten aanzien van het ontwerp van het huidige artikel 2 van het Nieuwe Mestdecreet is in de memorie van toelichting gesteld : « In functie van het nieuwe mestbeleid en om technische redenen dienen enerzijds de definities van een aantal begrippen te worden gewijzigd en anderzijds enkele nieuwe definities te worden toegevoegd.

Meest cruciaal zijn ongetwijfeld de definitiewijzigingen van ' bedrijf ', ' inrichting ' en ' producent ', samen met de nieuwe definities van entiteit en gezin. Deze wijzigingen hebben tot gevolg dat voortaan niet meer de houder van de dieren, maar de eigenaar ervan aangewezen wordt als de verantwoordelijke voor de geproduceerde mest. Bijgevolg zal de eigenaar de aangifte en het register moeten invullen, en dienen in te staan voor de afvoer van de overschotten en de betaling van de heffingen.

De definities van nieuwe inrichting, bestaande inrichting en bestaande veeteeltinrichting worden toegevoegd ter verduidelijking van de gewijzigde artikelen 33 en 34.

Bindingen in rechte of in feite in de definitie van ' bedrijf ' dienen zo ruim mogelijk te worden geïnterpreteerd. Het gaat hier onder meer om overeenkomsten in het kader van de Wet van 1 april 1976 betreffende de verticale integratie in de sector van de dierlijke produktie; de contracten voor veepacht, als bedoeld in hoofdstuk IV van titel VIII van het Burgerlijk Wetboek; de verbonden ondernemingen, in de zin van het K.B. van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekeningen van de ondernemingen. Tevens gaat het over familiale banden (man-vrouw, vader-zoon) als om de economische zelfstandigheid van het bedrijf. » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 4) B.47.1. In het eerste onderdeel van het vierde en in het eerste onderdeel van het vijfde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 aan dat het criterium eigendom om de begrippen « bedrijf » en « producent » te definiëren niet relevant is ten aanzien van de nagestreefde doelstelling.

Aangezien de decreetgever de eigenaar van de dieren heeft willen responsabiliseren, is het redelijk verantwoord om bij de begripsomschrijvingen ook de eigendom van de dieren als criterium te hanteren.

B.47.2. Volgens het tweede onderdeel van het vijfde middel brengt het eigendomscriterium bij de omschrijving van de « producent » onevenredige gevolgen teweeg ingeval de producent uit verscheidene personen bestaat. De definitie van « producent » zou tot gevolg hebben dat « integratoren » die eigenaar zijn van dieren die op verscheidene entiteiten worden gehouden niet in aanmerking kunnen komen als gezinsveeteeltbedrijf, terwijl andere meer adequate en efficiëntere maatregelen voorhanden zijn in zoverre het de bedoeling is om de « integratoren » te responsabiliseren.

Het middel mist feitelijke grondslag, aangezien het niet de bedoeling is om de « integratoren » te responsabiliseren, maar wel de eigenaars.

B.48.1. Volgens het tweede onderdeel van het vierde middel zou ook de verschillende behandeling van technisch afzonderlijke entiteiten op grond van het criterium van het gezinsverband om tot één bedrijf te komen niet verantwoord zijn en zou afbreuk worden gedaan aan het recht op gezinsleven en het eigendomsrecht.

B.48.2. Door een inrichting waarin het vee tot eenzelfde eigenaar behoort en een of meer entiteiten als één geheel te beschouwen, voorkomt de decreetgever dat de exploitatie van veeteeltbedrijven kunstmatig in verscheidene delen zou worden opgesplitst om als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking te kunnen komen of om aan de toepassingssfeer van bepaalde regels van het decreet te ontsnappen.

De decreetgever heeft er rekening mee kunnen houden dat die opsplitsing in het bijzonder zou geschieden onder echtgenoten of leden van eenzelfde gezin. Derhalve wordt het criterium van het gezinsverband om te bepalen welke entiteiten tot een bedrijf worden gerekend, verantwoord door het oogmerk om misbruiken tegen te gaan.

Het Hof ziet niet in, en in het verzoekschrift wordt niet nader uiteengezet in welk opzicht de notie « bedrijf » zoals gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, 10°, van het Nieuwe Mestdecreet afbreuk doet aan het recht op gezinsleven en het eigendomsrecht. Volgens de memorie van antwoord van de verzoekers « zou dit inhouden dat alle beroepsinkomsten van de personen met een familieband samengeteld worden, zoals de inkomsten van geconsolideerde bedrijven », doch die overweging gaat voorbij aan de specificiteit van het begrip « bedrijf » in de context van het Nieuwe Mestdecreet en maakt het niet mogelijk te besluiten dat het recht op gezinsleven en het eigendomsrecht in het gedrang komen.

B.49.1. Volgens het derde onderdeel van het vierde middel is ook de onderscheiden behandeling van technisch afzonderlijke entiteiten op grond van het criterium van de « verbonden ondernemingen » en van de « ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben » om één bedrijf uit te maken niet objectief, niet verantwoord, noch evenredig met de doelstelling.

B.49.2. Het onderdeel is kennelijk gericht tegen artikel 2, tweede lid, 10°, voorlaatste en laatste streepje, van het Nieuwe Mestdecreet.

Die bepalingen hebben tot gevolg dat entiteiten waarvan het vee eigendom is van « verbonden ondernemingen » en « ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben » tot één bedrijf worden gerekend.

De decreetgever heeft misbruiken willen tegengaan en heeft er rekening mee kunnen houden dat misbruiken in het bijzonder zouden kunnen voorkomen bij ondernemingen die « verbonden » zijn in de zin van punt IV.A, 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. Uit de omschrijving van het begrip « verbonden ondernemingen » in de voormelde bijlage kan objectief worden opgemaakt welke ondernemingen bedoeld zijn. De maatregel houdt redelijk verband met het oogmerk om misbruiken tegen te gaan en is daarmee niet onevenredig.

Anders is het evenwel met het criterium « bindingen in feite of in rechte », dat dermate vaag en ruim is dat vrijwel elk denkbaar verband tussen twee ondernemingen beoogd kan zijn. Bovendien is in de memorie van toelichting uitdrukkelijk gepreciseerd dat die bindingen « zo ruim mogelijk worden genterpreteerd » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-1, p. 4). Volgens de tekst van de bepaling zelf zijn zowel bindingen op het vlak van personen, kapitaal en beleid bedoeld.

Weliswaar kan het aangewende criterium bedrijven treffen die de misbruiken plegen die de decreetgever wil bestrijden, maar het criterium dreigt ook andere bedrijven te treffen die geen dergelijke misbruiken plegen. Dat criterium kan wegens zijn algemeenheid niet worden aanvaard. Het gaat ervan uit dat elke binding in feite of in rechte tussen ondernemingen, hoe occasioneel of toevallig ook, in aanmerking wordt genomen, binding die bovendien zo ruim mogelijk moet worden geïnterpreteerd. Het onderscheid dat uit de gekritiseerde bepaling voortvloeit is niet in redelijkheid verantwoord, nu het steunt op een criterium dat niet relevant is : het leidt ertoe bedrijven die zich ten aanzien van de beschouwde maatregel in een verschillende situatie bevinden, op identieke wijze te behandelen.

Het derde onderdeel van het vierde middel is gedeeltelijk gegrond.

Artikel 2, tweede lid, 10°, laatste streepje, van het Nieuwe Mestdecreet, zoals ingevoegd bij het decreet van 20 december 1995, moet worden vernietigd.

B.50.1. Volgens het zevende middel zou het verschil in behandeling dat voortspruit uit de definitie van het « gezin » in artikel 2, tweede lid, 12°, van het Nieuwe Mestdecreet geen legitieme doelstelling dienen en zou het niet redelijk verantwoord noch evenredig zijn ten aanzien van de doelstelling. De verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 wijzen op een drieledige differentiatie, respectievelijk op grond van het duurzaam samenleven (eerste onderdeel), het samenwerken met het gezinshoofd (tweede onderdeel) en het al dan niet aangenomen zijn van kinderen (derde onderdeel).

B.50.2. De decreetgever, die onder meer bepaalde voordelen heeft willen verlenen aan gezinsveeteeltbedrijven, vermocht legitiem te omschrijven welke verbanden te dezen als gezinsverbanden aanvaard kunnen worden.

Dat enkel de duurzaam samenlevende personen, hun aangenomen kinderen en de met hen samenwerkende bloed- en aanverwanten tot de tweede graad tot het gezin worden gerekend, wordt verantwoord door de voormelde doelstelling alsook door het oogmerk om misbruiken tegen te gaan.

B.50.3. De bepaling dat de bloed- of aanverwanten moeten « samenwerken » met de natuurlijke persoon beperkt het « gezin » tot die verwanten die daadwerkelijk bijdragen tot de exploitatie van het bedrijf, maar maakt het mogelijk ook die aanverwanten die niet met de natuurlijke persoon samenwonen tot het gezin te rekenen. De samenwerking kan onder meer blijken uit het feit dat de dieren waarvan de bedoelde verwanten eigenaar zijn in hetzelfde bedrijf worden gehouden of uit het feit van de deelneming van die verwanten in de vennootschap. Aldus beschouwd is het vereiste van de samenwerking een objectief criterium dat redelijk verband houdt met de voormelde doelstelling en is dat vereiste daarmee niet kennelijk onevenredig.

B.50.4. Voorts heeft de decreetgever willen waarborgen dat ook de « aangenomen » kinderen tot het gezin worden gerekend.

De verzoekers doen opmerken dat de bepaling, zoals de tekst van het decreet is gesteld, zo kan worden gelezen dat zij niet moeten « samenwerken », in tegenstelling tot de bloed- en aanverwanten tot de tweede graad.

Gezien de verwantschap die door de adoptie ontstaat, geldt de samenwerkingsvereiste evenzeer voor de aangenomen kinderen. Aldus beschouwd, houdt de aangevochten bepaling geen discriminatie in.

Ten aanzien van het zesde middel in de zaak met rolnummer 978 B.51.1. In zoverre in dat middel de bevoegdheid van de decreetgever ter discussie wordt gesteld, is daarop reeds geantwoord (B.8 tot B.14 hiervoor).

In het laatste onderdeel van het middel wordt weliswaar ook de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aangevoerd in zoverre de decreetgever « een wettelijk systeem heeft uitgevaardigd dat de gelijke behandeling van veeteeltbedrijven en integratiesectoren doorbreekt zonder redelijke verantwoording, minstens met manifest disproportionele gevolgen ».

B.51.2. Er blijkt evenwel niet welke aangevochten bepalingen in dat onderdeel van het middel worden beoogd en in welk opzicht zij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden.

In zoverre in andere middelen is gepreciseerd welke bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden en in welk opzicht, wordt daarop bij het onderzoek van die middelen geantwoord.

Ten aanzien van het achtste middel in de zaak met rolnummer 978 B.52.1. In een eerste onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat de eigenaars van dieren op verschillende entiteiten met familiale bindingen en vennootschapsrechtelijke bindingen, samen met de grote bedrijven die met integratiecontracten werken, in de hogere schalen van de basisheffing terechtkomen. Rekening houdend met de progressieve verhoging moeten zij een heffing betalen die onevenredig hoog is ten aanzien van de doelstelling die erin bestaat de Mestbank te financieren.

B.52.2. Het middel is gericht tegen artikel 21, 1 en 3, van het Nieuwe Mestdecreet.

Artikel 21, 1, bepaalt : « Er is een basisheffing, waarvan de opbrengst integraal wordt toegekend aan de Mestbank, lastens elke producent op wiens bedrijf de gewogen mestproduktie GPp, gedurende het voorbije kalenderjaar, meer bedroeg dan 1.500 kg difosforpentoxyde. » Overeenkomstig de derde paragraaf van het voormelde artikel wordt de heffing progressief verhoogd met de factoren 1,25; 1,75; 2,25 en 3 naar gelang van de samengetelde hoeveelheden difosforpentoxide (respectievelijk meer dan 1.500, 5.000, 10.000 en 15.000 kilogram) en stikstof (respectievelijk meer dan 3.000, 10.000, 20.000 en 30.000 kilogram).

B.52.3. Tegen de bij artikel 21, 1, van het Nieuwe Mestdecreet ingevoerde basisheffing op basis van de mestproductie vanaf 1.500 kilogram difosforpentoxide per jaar wordt als zodanig geen grief geformuleerd en evenmin tegen het beginsel van de progressiviteit als zodanig.

B.52.4. Aangezien de decreetgever de eigenaar van het vee heeft willen responsabiliseren is het redelijk dat het eigendomsrecht op de dieren ook het uitgangspunt is voor het aanwijzen van de heffingsplichtige.

Wanneer de decreetgever door middel van een heffing beoogt de financiële middelen nodig voor een milieusanering te verwerven en in het bijzonder wil aanzetten tot een vermindering van de milieuvervuiling, is het redelijk verantwoord om, met toepassing van het beginsel « de vervuiler betaalt », diegenen die meer verantwoordelijk zijn voor die milieuvervuiling ook een verhoudingsgewijze hogere heffing op te leggen.

B.52.5. Het Hof stelt vast dat vanuit de enkele doelstelling om de werking van de Mestbank te financieren, en rekening houdend met het feit dat volgens de definitie van het « bedrijf » verscheidene entiteiten moeten worden samengeteld een heffingsstelsel wordt ingevoerd met progressiviteit.

B.52.6. De bekommernis om, door een progressiviteit in de heffing, de lasten rechtvaardig te verdelen, kan evenwel niet zover gaan dat de verhouding tussen de werkelijke lasten en de grootte van de heffing de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat.

Te dezen wordt als heffingsplichtige aangewezen de producent, zijnde de eigenaar van de dieren op een bedrijf, waarbij verschillende entiteiten overeenkomstig de definitie van het « bedrijf » moeten worden samengeteld. Voorts wordt de heffing niet toegepast zoals voorheen op het mestoverschot maar op de gewogen mestproductie boven 1.500 kilogram difosforpentoxide. Bovendien geldt een progressief tarief van factor 1,25 tot factor 3.

Uit het geheel van de voormelde omstandigheden vloeit voort dat ten aanzien van bepaalde categorieën van heffingsplichtigen geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de werkelijke lasten en het bedrag van de heffing.

B.52.7. Het eerste onderdeel van het achtste middel is gegrond in zoverre het is gericht tegen artikel 21, 3.

Artikel 21, 3, van het Nieuwe Mestdecreet, ingevoegd bij artikel 17 van het decreet van 20 december 1995, moet worden vernietigd.

Evenwel dienen, rekening houdend met de weerslag die de vernietiging zou hebben op de werkingsmiddelen van de Mestbank en gelet op de omvang van de administratieve en financiële moeilijkheden die zouden voortvloeien uit de terugwerkende kracht van de vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd tot aan het einde van het lopende aanslagjaar.

B.53.1. Volgens het tweede onderdeel is het verschil in behandeling dat ontstaat door het retroactief invoeren van het nieuwe heffingsstelsel niet dienend noch redelijk verantwoord ten aanzien van het oogmerk om de Mestbank te financieren.

B.53.2. Het onderdeel is gericht tegen artikel 33 van het decreet van 20 december 1995, dat bepaalt : « Dit decreet treedt in werking op 1 januari 1996, met uitzondering van artikel 17, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1995. » Artikel 17 van het decreet van 20 december 1995 vervangt artikel 21 van het decreet van 23 januari 1991 door het nieuwe artikel 21, dat betrekking heeft op de heffing.

B.53.3. De Vlaamse Regering doet opmerken en de verzoekende partijen in de zaak met rolnummer 978 verklaren daarvan in hun memorie van antwoord akte te nemen dat de nieuwe definitie van de « producent » in artikel 2, tweede lid, 28°, van het Nieuwe Mestdecreet eerst uitwerking heeft vanaf 1 januari 1996, en dat de heffing ten laste van de eigenaar van het vee op basis van de gewogen mestproductie (GPp) die gedurende het jaar 1995 meer bedroeg dan 1.500 kilogram difosforpentoxide derhalve geen retroactieve werking heeft.

In die mate mist het onderdeel feitelijke grondslag.

B.53.4. Bij een retroactieve toepassing van de basisheffing met ingang van 1 januari 1995 (in plaats van 1 janu-ari 1996) waren diegenen die op 1 januari 1995 als producent moesten worden beschouwd dit zijn volgens de definitie van artikel 2, tweede lid, 16°, van het oorspronkelijk decreet van 23 januari 1991 « elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een bedrijf waar vee gehouden wordt exploiteert » een heffing verschuldigd op basis van een gewogen mestproductie (GPp) van het bedrijf in 1994.

Bij een toepassing zonder terugwerkende kracht waren de personen die op 1 januari 1995 « producent » waren overeenkomstig artikel 21 van het oorspronkelijke decreet de basisheffing verschuldigd op basis van het mestoverschot (MPp) van het bedrijf in 1994.

De doelstelling vermeld in de memorie van toelichting bij het ontwerp van de betwiste bepaling diegenen die in 1996 wegens stopzetting van hun activiteit geen heffingsplichtigen meer waren alsnog te belasten op de mestproductie van hun bedrijf in 1995 zou een eventuele overgangsbepaling voor die categorie van personen kunnen verantwoorden. Te dezen is evenwel geen specifieke overgangsmaatregel, maar een algemene retroactieve maatregel aangenomen, derwijze dat de betwiste maatregel door zijn gevolgen niet afgestemd is op het door de decreetgever nagestreefde doel en op discriminerende wijze andere personen raakt dan die welke hij wilde beogen.

B.53.5. Het tweede onderdeel is gegrond. In artikel 33 van het decreet van 20 december 1995 dienen de woorden « , met uitzondering van artikel 17, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1995 » te worden vernietigd.

Ten aanzien van het negende middel in de zaak met rolnummer 978 B.54.1. Volgens het middel dient het overgangsstelsel voor de bestaande veeteelt-en landbouwinrichtingen over wier aanvraag voor een uitbatingsvergunning overeenkomstig de reglementering van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) nog niet is beslist, geen legitieme doelstelling en voert het een verschil in behandeling in dat niet ter zake dienend is noch evenredig met het oogmerk om het aantal te vergunnen dieren te beperken.

B.54.2. Het middel is gericht tegen artikel 31 van het decreet van 20 december 1995, dat bepaalt : « Aan de bestaande veeteeltinrichtingen, zoals bepaald in artikel 2, 7° van onderhavig decreet, en aan de bestaande landbouwinrichtingen waarvoor vóór 1 september 1991 een uitbatingsvergunning conform de ARAB-reglementering werd aangevraagd en waarvoor nog geen definitieve beslissing werd genomen in laatste aanleg, kan de vergunning worden verleend in zover aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.Het aantal dieren waarvoor de vergunning wordt verleend mag niet groter zijn dan de aantallen bepaald in artikel 2bis, 2, 2°, b), c) en e) van dit decreet. De te vergunnen produktie van dergelijke inrichtingen wordt voor de toepassing van dit decreet als vergund beschouwd. » B.54.3. Volgens de parlementaire voorbereiding houdt de aangevochten bepaling « een overgangsbepaling in die toelaat de nog hangende ARAB-dossiers probleemloos af te werken. Er zijn namelijk nog een aantal gevallen waar procedureredenen met zich meegebracht hebben dat de beslissing ter zake nog steeds niet definitief is. Het is wel billijk de dierenaantallen te beperken tot het niveau van het gezinsbedrijf » (Gedr. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. 148-2, p. 35, en ibidem (verslag), nr. 148-3, p. 44).

B.54.4. Het is niet illegitiem om reeds lang ingediende vergunningsaanvragen waarover nog geen definitief uitsluitsel is gegeven alsnog te beoordelen op basis van de bestaande regelgeving.

De overgangsmaatregel, die enkel geldt ten aanzien van bedrijven die reeds vóór 1 september 1991 dit is de datum van inwerkingtreding van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM) een vergunning hadden aangevraagd waarover op 1 januari 1996 nog geen definitieve beslissing was genomen, steunt op een objectief criterium en is redelijk verantwoord door de zorg om te voorkomen dat bedrijven, wier aanvraag ingediend overeenkomstig een nog vóór het VLAREM geldende reglementering om procedureredenen nog niet werd afgehandeld, zouden worden onderworpen aan een strengere regelgeving dan die welke in aanmerking zou zijn genomen indien over hun aanvraag eerder had kunnen worden beslist.

De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen niet dat een wijziging van wetgeving steeds met een overgangsstelsel gepaard zou gaan. Het is niet kennelijk onredelijk dat de decreetgever de overgangsmaatregel heeft beperkt tot de categorie van bedrijven die hij objectief heeft kunnen omschrijven. Te dezen zou een ruimere overgangsmaatregel dan die welke werd aangenomen grotendeels afbreuk hebben gedaan aan de beoogde milieudoelstelling. Overigens moet worden opgemerkt dat de decreetgever niettemin tot op een zekere hoogte ook rekening heeft gehouden met de doelstellingen van de nieuwe regelgeving door het aantal dieren waarvoor alsnog een vergunning kan worden verleend, te beperken tot de aantallen bedoeld in artikel 2bis, 2, 2°, b), c) en e), overeenkomstig welke het betrokken bedrijf als gezinsveeteeltbedrijf in aanmerking zou kunnen worden genomen.

B.54.5. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel niet kan worden aangenomen.

Om die redenen, het Hof : vernietigt artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, in zoverre het in het decreet van 23 januari 1991 een artikel 2, tweede lid, 10°, laatste streepje (« ondernemingen die in rechte of in feite bindingen hebben op het vlak van personen en/of kapitaal en/of beleid; ») invoegt; vernietigt artikel 3 van het voormelde decreet van 20 december 1995, in zoverre het in het decreet van 23 janu-ari 1991 in artikel 2bis, 2, 3°, a), de bewoordingen « en de kalversector » invoegt; vernietigt artikel 3 van het voormelde decreet van 20 december 1995, in zoverre het in het decreet van 23 janu-ari 1991 een artikel 2bis, 2, 4°, invoegt; vernietigt artikel 17 van het voormelde decreet van 20 december 1995, in zoverre het in het decreet van 23 januari 1991 een artikel 21, 3, invoegt; handhaaft evenwel de gevolgen van de vernietigde bepaling tot aan het einde van het lopende aanslagjaar; vernietigt in artikel 33 van het voormelde decreet van 20 december 1995 de woorden « , met uitzondering van artikel 17, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1995 »; verwerpt de beroepen voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 juli 1997.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms. L. De Grève.

^