Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 09 april 1999

Arrest nr. 23/99 van 24 februari 1999 Rolnummer 1334 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 175 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van h Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter L. François, waarnemend voorzitter, en voorzitter L. (...)

bron
arbitragehof
numac
1999021144
pub.
09/04/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 23/99 van 24 februari 1999 Rolnummer 1334 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 175 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, ingesteld door de Bond der bedienden, technici en kaders van België en anderen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter L. François, waarnemend voorzitter, en voorzitter L. De Grève, en de rechters H. Boel, P. Martens, J. Delruelle, G. De Baets en R. Henneuse, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van rechter L. François, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 5 mei 1998 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 6 mei 1998, hebben de Bond der bedienden, technici en kaders van België, gevestigd te 1000 Brussel, Hoogstraat 42, M. Hanotiau, wonende te 6240 Farciennes, rue Albert Ier 172B, en G. Ferreras, wonende te 1340 Ottignies, avenue Bontemps 8, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 175 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 november 1997).

II. De rechtspleging Bij beschikking van 6 mei 1998 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Van het beroep is kennisgegeven overeenkomstig artikel 76 van de organieke wet bij op 4 juni 1998 ter post aangetekende brieven.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 1998.

De Franse Gemeenschapsregering, Surlet de Chokierplein 15-17, 1000 Brussel, heeft een memorie ingediend bij op 17 juli 1998 ter post aangetekende brief.

Van die memorie is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 16 september 1998 ter post aangetekende brief.

De verzoekers hebben een memorie van antwoord ingediend bij op 16 oktober 1998 ter post aangetekende brief.

Bij beschikking van 29 oktober 1998 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 5 mei 1999.

Bij beschikking van 3 december 1998 heeft het Hof beslist dat rechter E. Cerexhe zich moest onthouden en vastgesteld dat hij als rechter-verslaggever door rechter J. Delruelle werd vervangen.

Bij beschikking van 16 december 1998 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 20 januari 1999.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 17 december 1998 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 20 januari 1999 : - zijn verschenen : . Mr. F. Maussion en Mr. J.-M. Dethy, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekers; . Mr. M. Kaiser loco Mr. M. Nihoul, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J. Delruelle en H. Boel verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. In rechte - A - Ten aanzien van het belang Verzoekschrift A.1. De eerste verzoekende partij, die een bij het Algemeen Belgisch Vakverbond aangesloten representatieve vakvereniging is, wordt rechtstreeks geraakt door de bestreden bepaling, in zoverre zij de voorheen aan de paritaire comités toevertrouwde bevoegdheid om de geschillen tussen de personeelsleden en de inrichtende machten te regelen, afschaft.

De tweede verzoeker, die een belang heeft in zijn hoedanigheid van leraar met een opdracht, nu eens in het hoger onderwijs, dan weer in het secundair onderwijs, heeft de vernietiging gevorderd van een decreetsbepaling die hem niet langer de mogelijkheid biedt een verzoeningsprocedure te genieten in het hoger onderwijs, terwijl hij die procedure wel kan genieten in het secundair onderwijs, overeenkomstig het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.

De derde verzoeker heeft er belang bij in rechte te treden tegen het bestreden decreetsartikel, in zoverre hij in zijn hoedanigheid van godsdienstleraar in een hogeschool nog steeds de verzoeningsprocedure geniet (decreet van 1 februari 1993), terwijl hij die niet meer geniet in zijn hoedanigheid van leraar algemene vakken in dezelfde hogeschool.

Memorie van de Franse Gemeenschapsregering A.2. In de drie gevallen klagen de verzoekers in werkelijkheid over een leemte in de wetgeving die het Hof niet vermag af te keuren. De eventuele vernietiging van de bestreden bepaling zou geenszins tot gevolg hebben dat de verzoekers een verzoeningsregeling zouden genieten. Wat de tweede en de derde verzoeker betreft, moet worden opgemerkt dat zij bovendien niet iedere mogelijkheid van verzoening in het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs verliezen. De verzoekende partijen geven niet aan in welke mate de verschillende behandeling die zij als personeelsleden van het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs ondergaan, ongunstiger zou zijn voor hen dan voor de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen A.3. Door de vernietiging van de bestreden bepaling zou opnieuw een kans bestaan dat de wetgever een nieuwe bepaling aanneemt die even gunstig is als die welke is uitgevaardigd in het gesubsidieerd officieel onderwijs, waar de verzoeningsopdracht van de paritaire comités werd gehandhaafd. De verzoekende partijen hebben bijgevolg in dat opzicht belang bij dit beroep. Het Hof heeft zich daarover overigens ondubbelzinnig uitgesproken (arrest nr. 61/96 van 7 november 1996).

Ten aanzien van de tweede exceptie moet worden opgemerkt dat zij onlosmakelijk is verbonden met de zaak ten gronde, zodat zij moet worden verworpen.

Ten gronde Verzoekschrift A.4. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet. De bestreden bepaling beperkt de bevoegdheid van de paritaire comités in het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs, in zoverre hun de bevoegdheid wordt ontnomen op te treden als bemiddelingsorganen in de geschillen tussen de inrichtende machten en de personeelsleden.

In het eerste onderdeel wordt beklemtoond dat de paritaire comités in het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs krachtens artikel 257 van het decreet van 24 juli 1997 de bevoegdheid behouden om op te treden in de regeling van de geschillen. Er bestaat geen objectieve reden voor een verschil in behandeling tussen de paritaire comités in het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs en die in het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs ten aanzien van de verzoeningsbevoegdheid.

In het tweede onderdeel wordt beklemtoond dat de leerkrachten van het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs en die van het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs, ten aanzien van de doelstelling van sociale vrede, in een identieke situatie verkeren en dat het derhalve niet verantwoord is dat enkel laatstgenoemden verzoeningsprocedures kunnen aanwenden.

In het derde onderdeel wordt dezelfde argumentatie ontwikkeld met betrekking tot de godsdienstleraren en het niet-statutair onderwijzend personeel.

Hetzelfde geldt, in het vierde onderdeel, ten aanzien van de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs die hun opdracht hebben in de secundaire graad.

De verzoeningsprocedure wordt enkel gehandhaafd ten aanzien van de paritaire comités van het hoger onderwijs van het gesubsidieerde officiële net en de personeelsleden van dat net, enerzijds, en ten aanzien van de godsdienstleraren, de leden van het niet-statutair personeel en de personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs van de secundaire graad, anderzijds. Dat is bijgevolg discriminerend.

Memorie van de Franse Gemeenschapsregering A.5. Het middel mist feitelijke grondslag. Zowel in het gesubsidieerd vrij onderwijs als in het gesubsidieerd officieel onderwijs beschikken de personeelsleden over de mogelijkheid zich te wenden tot organen van verzoening.

Het enige verschil tussen beide netten bestaat erin dat die bevoegdheid in het ene geval wordt toevertrouwd aan de paritaire comités, omdat geen ondernemingsraad bestaat. Met betrekking tot het andere geval wordt daarentegen in de memorie van toelichting van het bestreden decreet in herinnering gebracht dat die opdracht aan de ondernemingsraden wordt toevertrouwd.

Het blijkt dus dat de bestreden bepaling voor de personeelsleden - dat wil zeggen voor de tweede en de derde verzoekende partij - geen enkele weerslag heeft op de mogelijkheid een beroep te doen op verzoeningsprocedures alvorens zich tot de arbeidsgerechten te wenden.

Sommige werknemers richten zich weliswaar tot hun ondernemingsraad, terwijl anderen zich wenden tot hun paritair comité.

Wat dat punt betreft, laten de verzoekers evenwel na aan te tonen in welk opzicht dat verschil in behandeling hen ongunstig zou raken of, anders gezegd, uiteen te zetten om welke reden de verzoeningsopdracht minder goed zou zijn georganiseerd op het niveau van de ondernemingsraad als op het niveau van het paritair comité.

De eerste verzoeker wordt evenmin ongunstig geraakt door het feit dat de verzoeningsprocedure aan de ondernemingsraad in het gesubsidieerd vrij onderwijs is toevertrouwd, terwijl die opdracht in het gesubsidieerd officieel onderwijs aan het paritair comité is toevertrouwd. Indien hij geroepen is om te worden betrokken bij de werking van de paritaire comités, dan is hij immers evenzeer geroepen om te worden betrokken bij de werking van de ondernemingsraad. De vertegenwoordiger van de werknemers die in de ondernemingsraad zitting neemt, is immers over het algemeen een vakbondsafgevaardigde, die lid is van een representatieve werknemersorganisatie.

Bijgevolg kan de invloed van de eerste verzoeker net zo goed toepassing vinden in de paritaire comités als in de ondernemingsraden.

Voorts moet de reden worden aangegeven waarom de verzoeningsprocedure in het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt toevertrouwd aan de paritaire comités, terwijl de verzoening in het gesubsidieerd vrij onderwijs op het niveau van de ondernemingsraad gebeurt. Gelet op de bevoegdheden van de ondernemingsraad zoals zij zijn beschreven in artikel 15 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en die hiervoor in herinnering zijn gebracht, is de ondernemingsraad de ideale plaats om verzoeningen tot een goed einde te brengen in geval van geschillen tussen de inrichtende machten en de leden van het personeel. In zoverre de ondernemingsraad niet bestaat in het gesubsidieerd officieel onderwijs, diende de verzoeningsopdracht, om de gelijkheid tussen de twee netten in acht te nemen, aan de paritaire comités te worden toevertrouwd.

Het verschil in behandeling steunt dus op een objectief criterium.

Memorie van antwoord van de verzoekende partijen A.6. De interpretatie die aan de aan de ondernemingsraden toevertrouwde bevoegdheden (artikel 15, litterae a en e, van de wet van 20 september 1948) wordt gegeven, steunt op geen enkel objectief element en is bovendien strijdig met de wettelijke bepalingen ter zake.

In het gemeen recht van de collectieve arbeidsbetrekkingen behoren het voorkomen van en de verzoening in geschillen tussen werkgevers en werknemers uitdrukkelijk tot de bevoegdheid van de paritaire comités, en niet tot die van de ondernemingsraden.

Bovendien blijkt uit de bevoegdheden die bij artikel 15 van de wet van 20 september 1948 aan de ondernemingsraden zijn toevertrouwd dat die raden geen individuele aangelegenheden kunnen behandelen. Men kan zich afvragen hoe zij dan een verzoening in een geschil tussen een personeelslid en zijn inrichtende macht tot een goed einde zouden kunnen brengen.

Tot slot is de samenstelling zelf van de ondernemingsraden niet van die aard dat zij aan de personen die ermee belast zijn op te treden in de verzoeningsprocedure, de afstand en de terughoudendheid biedt die nochtans noodzakelijk zijn voor de behandeling van dossiers die hun oorsprong vinden in de onderneming zelf (de bedrijfsleider en één of meer door hem aangewezen afgevaardigden, enerzijds, en de door de werknemers van de onderneming verkozen afgevaardigden van het personeel, anderzijds).

Bovendien rijst de vraag waarom de wetgever, indien de verzoeningsopdracht daadwerkelijk onder één van de bevoegdheden zou vallen die de wet van 20 september 1948 aan de ondernemingsraden heeft toevertrouwd - quod non -, in het verleden heeft gemeend bepalingen te moeten aannemen die aan de paritaire comités van het hoger onderwijs van het gesubsidieerde vrije net uitdrukkelijk een verzoeningsopdracht toevertrouwden (artikel 95 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en artikel 45, § 9, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving).

Dezelfde gedachtegang volgend kan men zich afvragen waarom de wetgever aan de door de wet van 5 december 1968 beoogde paritaire comités een opdracht heeft toevertrouwd inzake het voorkomen van en de verzoening in geschillen die tussen werkgevers en werknemers kunnen rijzen. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft harerzijds ook vraagtekens geplaatst bij de redenen die de decreetgever ertoe hebben gebracht de verzoeningsopdracht van de paritaire comités af te schaffen.

Tot slot betwist de Franse Gemeenschapsregering niet de noodzaak een verzoeningsprocedure in het hoger onderwijs van het gesubsidieerde vrije net te handhaven. Zij erkent dus dat een gelijke behandeling op dat punt tussen de twee onderwijsnetten en onderwijsniveaus noodzakelijk is. - B - Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.1. De vakorganisaties die feitelijke verenigingen zijn, hebben in beginsel niet de vereiste bekwaamheid om bij het Hof een beroep tot vernietiging in te dienen.

Anders is het wanneer zij optreden in aangelegenheden waarvoor zij wettelijk als afzonderlijke entiteiten worden erkend en wanneer, terwijl zij wettelijk als dusdanig betrokken zijn bij de werking van overheidsdiensten, de voorwaarden zelf voor hun betrokkenheid bij die werking in het geding zijn.

Door ten voordele van sommige vakorganisaties een deelneming aan de werking van de openbare diensten in te stellen, heeft de wetgever aan elk van hen de prerogatieven gegeven die nuttig zijn niet alleen om die deelneming uit te oefenen maar ook om de grenzen te betwisten waarbinnen zij willekeurig zou zijn vervat.

B.2. De eerste verzoekende partij is een van de groeperingen van het personeel van het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs, die bij een in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigde vakvereniging zijn aangesloten en die door artikel 174 van het bestreden decreet zijn gemachtigd om aan de Regering de benoeming voor te stellen van de leden van de paritaire comités die de personeelsleden vertegenwoordigen. Aldus wordt zij door het decreet erkend als een onderscheiden entiteit en wordt zij als dusdanig betrokken bij de werking van de paritaire comités bedoeld in artikel 175 van datzelfde decreet. Zij kan rechtstreeks door de bestreden bepaling worden geraakt, in zoverre die bepaling in het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs de voorheen aan de paritaire comités toegewezen bevoegdheid om de geschillen tussen de personeelsleden en de inrichtende machten te regelen, opheft.

Zij moet dus worden gelijkgesteld met een persoon die bekwaam is om voor het Hof in rechte te treden en zij doet blijken van een belang bij haar beroep. Zij heeft aan de griffie van het Hof een afschrift overgezonden van de beslissing waarbij haar bevoegd orgaan heeft besloten onderhavig beroep in te stellen. Haar beroep is ontvankelijk.

B.3. Vermits de beoordeling van het belang dat door de tweede en de derde verzoekende partij in hun hoedanigheid van leerkracht in het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs samenvalt met het onderzoek van het middel, wordt de exceptie van niet-ontvankelijkheid samengevoegd met de beoordeling ten gronde.

Ten gronde Ten aanzien van de vier onderdelen van het middel samen B.4.1. Het aangevochten artikel 175 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, luidt : « De paritaire commissies hebben voornamelijk tot taak, elk in hun domein van bevoegdheid : 1° te delibereren over de algemene arbeidsvoorwaarden;2° aanvullende regels op te stellen bij de statutaire bepalingen van dit decreet en van het decreet van 25 juli 1996;3° de evolutie van het sociaal recht te volgen en er de aanvullende regels aan aan te passen. De Regering kan de commissies uitnodigen tot het opstellen van aanvullende regels bedoeld in 2° binnen een door haar vastgelegde termijn. » Die bepaling is toepasselijk op de gesubsidieerde vrije hogescholen.

B.4.2. Het - niet-aangevochten - artikel 257 van hetzelfde decreet luidt : « De plaatselijke paritaire commissies hebben voornamelijk tot taak, elk in hun toepassingssfeer : 1° te beraadslagen over de algemene arbeidsvoorwaarden;2° voor de personeelsleden aanvullende regels op te stellen bij de bepalingen van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten en bij de aanvullende regels bepaald door de centrale paritaire commissie en die een dwingend karakter toebedeeld werden door de Regering;3° een advies te geven aan de inrichtende machten in verband met de statutaire bewerkingen;4° een advies te geven over alle zaken die verband houden met de organisatie, de verdediging en de promotie van het officieel onderwijs.» Die bepaling geldt ten aanzien van de hogescholen van het gesubsidieerd officieel onderwijs.

B.4.3. Aldus heeft de decreetgever zowel voor de hogescholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs als voor die van het gesubsidieerd officieel onderwijs de eertijds aan de paritaire comités toevertrouwde « opdracht ieder geschil tussen de inrichtende machten en de leden van het personeel te voorkomen of erin te verzoenen » opgeheven (Parl.

St., Franse Gemeenschapsraad, 1996-1997, nr. 174/26, p. 42).

In het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs daarentegen verleent artikel 257 van het decreet aan de paritaire comités een nieuwe bevoegdheid, namelijk « een advies te geven aan de inrichtende machten in verband met de statutaire bewerkingen ». Nochtans, en in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen, kan noch op grond van de tekst van die bepaling, noch op grond van de parlementaire voorbereiding ervan worden geoordeeld dat die bevoegdheid de bevoegdheid zou omvatten om geschillen te voorkomen en erin te verzoenen die in beide netten werd opgeheven. Dusdoende hebben de paritaire comités in de twee netten van het gesubsidieerd hoger onderwijs niettemin verschillende bevoegdheden.

B.5. De aangelegenheden waarin de paritaire comités bevoegd zijn, maken deel uit van de rechtspositieregeling van de personeelsleden van het onderwijs, voor welke rechtspositieregeling, doordat zij betrekking heeft op de onderwijsaangelegenheden, de gemeenschappen krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet bevoegd zijn.

B.6. In het gesubsidieerd officieel onderwijs behoren de in de paritaire comités vertegenwoordigde inrichtende machten en personeelsleden tot de overheidssector en zijn de bevoegdheden welke door die comités worden uitgeoefend, aanvullingen van een publiekrechtelijke rechtspositieregeling.

In het gesubsidieerd vrij onderwijs bevinden de in de paritaire comités vertegenwoordigde inrichtende machten en personeelsleden - ook al is een ruim deel van hun verplichtingen door de decreetgever bepaald - zich in een privaatrechtelijke arbeidsverhouding en zijn de bevoegdheden welke door die comités worden uitgeoefend, aanvullingen van een privaatrechtelijke regeling.

B.7.1. Door een nieuwe adviesbevoegdheid toe te vertrouwen aan de paritaire comités van het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs zonder die bevoegdheid ook toe te kennen aan de paritaire comités van het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs, omdat in dat net, zoals in de loop van de parlementaire voorbereiding in herinnering werd gebracht (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, op. cit., p. 42), aan de ondernemingsraden eenzelfde bevoegdheid wordt verleend door artikel 15 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, heeft de decreetgever, overeenkomstig artikel 24, § 4, van de Grondwet, rekening gehouden met de objectieve verschillen tussen de twee onderwijsnetten die sub B.6 in herinnering zijn gebracht en terzelfder tijd erover gewaakt dat het gelijkheidsbeginsel in acht wordt genomen.

B.7.2. Voor het overige, en gesteld dat, zoals de verzoekende partijen betogen, in het gesubsidieerd officieel hoger onderwijs verzoeningsprocedures bestaan die niet zouden bestaan in het gesubsidieerd vrij hoger onderwijs, dan zouden zij noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks voortvloeien uit het aangevochten artikel 175 van het decreet.

B.8. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 24 februari 1999.

De wnd. voorzitter, L. François.

De griffier, L. Potoms.

^