Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 07 oktober 1999

Arrest nr. 89/99 van 15 juli 1999 Rolnummer 1446 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. (...)

bron
arbitragehof
numac
1999021459
pub.
07/10/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 89/99 van 15 juli 1999 Rolnummer 1446 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen, gesteld door het Militair Gerechtshof.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. Boel, L. François, J. Delruelle, H. Coremans en M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij arrest van 15 oktober 1998 in zake het openbaar ministerie tegen Y. Xhauflair, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 21 oktober 1998, heeft het Militair Gerechtshof de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen, zoals vervangen bij artikel 3 van de wet van 31 mei 1955 en gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 15 juni 1981, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de termijn van hoger beroep doet lopen vanaf de uitspraak en, in tegenstelling tot artikel 203, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 31 mei 1955 en gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 15 juni 1981, geen bijzondere regeling bevat ten aanzien van de aanvang van de termijn voor hoger beroep tegen de bij verstek gewezen vonnissen ? » II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De verweerder voor het verwijzende rechtscollege is veroordeeld bij een vonnis dat op 18 maart 1998 bij verstek door de krijgsraad is gewezen en heeft tegen dat vonnis verzet aangetekend; dat verzet is bij vonnis van 19 mei 1998 van de krijgsraad ongeldig verklaard. De betrokkene heeft op 15 juli 1998 tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

Volgens het openbaar ministerie is het hoger beroep onontvankelijk omdat artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen, een bepaling die duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar is, in elk geval de termijn voor hoger beroep doet lopen vanaf de uitspraak en, in tegenstelling tot artikel 203, § 1, van het Wetboek van Strafvordering, geen bijzonder stelsel bevat wat betreft de aanvangsdatum van de termijn voor hoger beroep tegen bij verstek gewezen vonnissen.

Het Militair Gerechtshof heeft geoordeeld dat het om relevante argumenten ging in verband met een termijn van openbare orde waarop het Wetboek van Strafvordering en het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn. Het heeft vervolgens aan het Arbitragehof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag gesteld.

III. De rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van 21 oktober 1998 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Van de verwijzingsbeslissing is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 30 oktober 1998 ter post aangetekende brieven.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 november 1998.

De Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, heeft een memorie ingediend bij op 18 december 1998 ter post aangetekende brief.

Bij beschikking van 30 maart 1999 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 21 oktober 1999.

Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 5 mei 1999.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de Ministerraad en zijn advocaat bij op 1 april 1999 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 5 mei 1999 : - is verschenen : Mr. W. Timmermans loco Mr. P. Traest, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. François en H. Coremans verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

IV. In rechte - A - A.1. De Ministerraad betoogt in hoofdorde dat het niet zeker is dat de in het geding zijnde bepaling, vervat in een besluitwet, aan de toetsing van het Hof kan worden voorgelegd, omdat de besluitwetten noch in artikel 142 van de Grondwet noch in artikel 26 van de organieke wet op het Hof worden vermeld. Het Hof van Cassatie heeft weliswaar beslist dat zij als akten van de wetgevende macht moesten worden beschouwd en de parlementaire voorbereiding van de organieke wet op het Hof gaat weliswaar in die richting, maar de omstandigheid dat zij niet in het voormelde artikel 142 voorkomen, wijst erop dat de Grondwetgever de bevoegdheid van het Hof niet heeft willen uitbreiden tot de besluitwetten. De lijst van de aan de toetsing van het Hof onderworpen normen dient evenwel strikt te worden geïnterpreteerd.

A.2. De Ministerraad betoogt in ondergeschikte orde dat, aangezien artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering in die zin moet worden geïnterpreteerd dat het van toepassing is op de militaire rechtscolleges wat betreft de vaststelling van de aanvangsdatum van de termijn voor hoger beroep in geval van verstekvonnis, het in het geding zijnde verschil niet bestaat. Die interpretatie steunt op het verslag van de Commissie voor de Justitie van de Senaat, die in 1955 belast was met het onderzoek van een wetsontwerp in verband met het incidenteel beroep in bepaalde aangelegenheden. - B - B.1. Artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen bepaalt : « De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de krijgsraad door de krijgsauditeur, de veroordeelde en de burgerlijke partij, binnen 15 dagen te rekenen van het vonnis, op straffe van verval. De auditeur-generaal gaat in hoger beroep door middel van een verklaring op de griffie van het Militair Gerechtshof gedaan, binnen de termijn van 25 dagen te rekenen van het vonnis. » Artikel 203, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt : « Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk vijftien dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. » B.2.1. Volgens de Ministerraad zou het Hof niet bevoegd zijn om bepalingen te toetsen die in een besluitwet zijn opgenomen.

B.2.2. Zonder dat dient te worden onderzocht of de besluitwetten, waaraan kracht van wet wordt toegekend hoewel hun proces van totstandkoming niet met dezelfde waarborgen kon worden omringd als die van de eigenlijke wetten, onder de bevoegdheid van het Hof vallen, is het voldoende vast te stellen dat de in het geding zijnde bepaling, die reeds is gewijzigd bij een wet van 6 december 1938, vervangen werd bij artikel 3 van de wet van 31 mei 1955 tot wijziging van sommige termijnen van beroep en tot instelling van het incidenteel beroep in strafzaken ter verdediging van burgerlijke belangen, hetwelk op zijn beurt werd gewijzigd bij een wet van 15 juni 1981. Die bepaling is dus aan de toetsing van het Hof voorgelegd in een redactie die eraan is gegeven in een wet die het Hof onbetwistbaar gemachtigd is te toetsen.

B.3. Er zou een verschil in behandeling bestaan onder de personen die hoger beroep aantekenen tegen een bij verstek gewezen vonnis, naargelang dat vonnis is gewezen door een krijgsraad dan wel door een ander strafrechtscollege : de termijn voor hoger beroep zou, in het eerste geval, lopen vanaf de datum van het vonnis, terwijl hij, in het tweede geval, loopt vanaf de datum van de betekening van het vonnis aan de veroordeelde partij, in eigen persoon of op haar woonplaats.

B.4. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen, dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures voor verschillende rechtscolleges in minstens gedeeltelijk verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, mocht het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen.

B.5. Het verwijzingsarrest lijkt ervan uit te gaan dat de termijn bedoeld in de in het geding zijnde bepaling « een termijn van openbare orde is waarop noch het Wetboek van Strafvordering, noch het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn »; het openbaar ministerie had zijnerzijds erop gewezen dat « noch de wet van 25 juni 1921 betreffende de rechtspleging bij verstek voor de militaire rechtsmacht, noch enige andere wettekst betrekking hebben op die aangelegenheid ».

B.6. De partijen geven niet aan - en het Hof ziet niet - hoe het verantwoord zou zijn de appellant van een door de krijgsraad bij verstek gewezen vonnis op een minder gunstige manier te behandelen dan de appellant van een door een ander strafrechtscollege bij verstek gewezen vonnis.

In de interpretatie gegeven onder B.5, schendt de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7.1. Het Hof stelt echter vast dat aan de in het geding zijnde bepaling een andere interpretatie kan worden gegeven. Bij de wijziging van die bepaling bij de wet van 31 mei 1955, onderstreepte de Commissie voor de Justitie van de Senaat « dat dit ontwerp artikel 2 van de besluitwet van 27 januari 1916 aanvult om het, wat het incidenteel beroep betreft, in overeenstemming te brengen met artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering. Het wijzigt daarentegen niets in de huidige interpretatie van artikel 2 van voornoemde besluitwet, volgens welke, in militaire zaken, artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is wat betreft o.m. de vaststelling van de aanvangsdatum van de termijn van beroep in geval van vonnis bij verstek, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis tijdens de termijn van beroep en het geding zomede de mogelijkheid, voor de rechtbank, om, bij een speciaal gemotiveerde beschikking, sommige vonnissen voorlopig uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande beroep » (Parl. St., Senaat, 1954-1955, nr. 230, p. 2).

Meer recent was de totstandkoming van de voormelde wet van 15 juni 1981 nog de gelegenheid om op te merken dat artikel 5 van de wet van 25 juni 1921 betreffende de rechtspleging bij verstek voor de militaire rechtsmacht met name verwijst naar de termijnen die zijn voorgeschreven in correctionele aangelegenheden (Parl. St., Kamer, 1979-1980, nr. 564/3, p. 1).

Artikel 5 van de voormelde wet van 25 juni 1921 bepaalt immers : « Voor het verzet gelden de in boetstraffelijke zaken voorgeschreven formaliteiten en termijnen. Het verzet kan ook binnen dezelfde termijnen worden gedaan bij een verklaring ter griffie van de krijgsraad of van het krijgsgerechtshof.

Het heeft hetzelfde uitwerksel als in boetstraffelijke zaken. » De opzet van die bepaling bestaat erin de voor de andere strafgerechten van toepassing zijnde overeenkomstige regels toepasbaar te maken op de militaire rechtscolleges.

B.7.2. In die interpretatie bestaat het verschil in behandeling onder rechtzoekenden niet en dient de vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - Artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen, in die zin geïnterpreteerd dat de termijn voor hoger beroep tegen de vonnissen van de krijgsraad die bij verstek zijn gewezen, loopt vanaf de dag van de uitspraak daarvan, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Artikel 2, § 1, van de besluitwet van 27 januari 1916 tot regeling van de rechtspleging in hoger beroep van de door de krijgsraden uitgesproken vonnissen, in die zin geïnterpreteerd dat de termijn voor hoger beroep tegen de vonnissen van de krijgsraad die bij verstek zijn gewezen, loopt vanaf de dag van de betekening daarvan, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 juli 1999.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior

^