Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 09 oktober 1999

Arrest nr. 91/99 van 15 juli 1999 Rolnummer 1681 In zake : de vordering tot schorsing van de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. (...)

bron
arbitragehof
numac
1999021469
pub.
09/10/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 91/99 van 15 juli 1999 Rolnummer 1681 In zake : de vordering tot schorsing van de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld door M.-C. F. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters H. Boel, L. François, J. Delruelle, H. Coremans en M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vordering Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 mei 1999 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 mei 1999, heeft M.-C. F. een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 december 1998).

Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wettelijke bepalingen.

II. De rechtspleging Bij beschikking van 20 mei 1999 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 9 juni 1999 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 30 juni 1999 na de verzoekende partij te hebben verzocht ter terechtzitting de verduidelijkingen en bewijzen te verschaffen met betrekking tot de zin op pagina 4 van het verzoekschrift : « Indien artikel 24 zoals gewijzigd bij de wet van 11 december 1998 buiten beschouwing wordt gelaten, zou de verjaring voor de verzoekster een feit zijn geweest op ... . ».

Van die beschikking is kennisgegeven aan de in artikel 76 van de organieke wet vermelde overheden evenals aan verzoekende partij en haar advocaat bij op 10 juni 1999 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 30 juni 1999 : - zijn verschenen : . Mr. F. Clément de Cléty, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. R. Ergec loco Mr. P. Traest, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. François en H. Coremans verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord en heeft Mr. F. Clément de Cléty uittreksels neergelegd van een vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel van 24 november 1998 waarbij verzoekster werd veroordeeld; - is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. In rechte - A - Wat de feiten betreft en het belang om in rechte te treden A.1.1. De verzoekster licht toe dat zij hoger beroep heeft ingesteld tegen een vonnis dat op 24 november 1998 is uitgesproken en waarbij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel haar heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met uitstel en tot verscheidene geldboetes; zij voegt eraan toe dat de zaak op 19 mei 1999 bij het Hof van Beroep zal worden ingeleid en licht toe dat, voor sommige van de tenlasteleggingen waarvoor zij in eerste aanleg is veroordeeld, de strafvordering voor haar op 27 mei 1999 zou zijn verjaard indien de bestreden wet de ter zake toepasselijke regels niet zou hebben gewijzigd.

A.1.2. Wat betreft haar belang om in rechte te treden, wijst zij erop dat, zelfs indien bepaalde tenlasteleggingen te haren aanzien zouden worden gehandhaafd (terwijl zij vrijspraak bepleit), de « oorspronkelijke periode van het misdrijf echter sterk zou kunnen worden ingekort en de zaak bijgevolg binnen een zeer korte termijn zou kunnen verjaren ». Het voordeel van die verjaring kan haar immers worden ontzegd aangezien de bestreden wet de verjaring schorst voor de duur van een jaar vanaf het vaststellen van de zaak voor het Hof van Beroep.

Wat de ernstige middelen betreft A.2.1. Het onderzoek van ingewikkelde dossiers met betrekking tot financiële fraude of met een internationaal aspect hebben de wetgever ertoe gebracht de verjaringstermijn voor misdrijven van drie op vijf jaar te brengen. Er werd trouwens een wetsontwerp ingediend om de verjaring van de strafvordering te schorsen wanneer het wegens externe omstandigheden onmogelijk is die strafvordering uit te oefenen.

Hierbij werd het geval beoogd waarin de duur van de uitvoering van internationale ambtelijke opdrachten of van de overzending van stukken langer is dan zes maanden.

A.2.2. Alle middelen die door de verzoekster worden aangevoerd, zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Eerste middel A.3. Volgens de verzoekster is de bestreden bepaling een gelegenheidswet die tot doel heeft misdrijven te kunnen bestraffen die worden toegeschreven aan specifieke personen die bij de « Securitas »-zaak waren betrokken. De publieke opinie was immers geschokt door de dreigende verjaring die volgens de Minister van Justitie zelf, die hierover in de Kamer werd geïnterpelleerd, het gevolg was van aanzienlijke vertragingen tijdens het onderzoek van het dossier. De gerechtelijke kroniekschrijvers hebben die wet aan de kaak gesteld omdat ze bij dringendheid is goedgekeurd om een parket te hulp te komen dat niet bepaald nauwgezetheid en sereniteit aan de dag heeft gelegd. De parlementaire voorbereiding bevestigt dat het om een gelegenheidswet gaat. Zij is discriminerend doordat de situatie van alle rechtsonderhorigen - en in het bijzonder van diegenen die gerechtelijk worden vervolgd - verslechtert door een wet die alleen tot doel heeft enkele individuen strafrechtelijk te kunnen veroordelen, terwijl de verjaring van de strafvordering een van de grondpijlers van het strafrecht is.

Tweede middel A.4. Volgens de verzoekster is er een tegenstelling tussen de bestreden bepaling en de ratio legis ervan.

Enerzijds, voert de wetgever de toenemende complexiteit van internationale financiële zaken aan om een nieuwe schorsingsgrond voor de verjaring in te voeren. Hij verwijst hierbij meer bepaald naar een voorontwerp van wet dat alleen in een schorsing van de strafvordering voorzag wanneer na een termijn van zes maanden de ambtelijke opdracht of de aanvraag van overzending van stukken geen resultaat had opgeleverd. Anderzijds, stelt men vast dat de wet alleen is goedgekeurd om de vermeende daders van gewapende overvallen in een ophefmakende zaak te bestraffen. Ten slotte behoren de overvallen in kwestie geenszins tot de internationale financiële criminaliteit.

Erger nog, uit de discussies die in de Commissie voor de Justitie zijn gevoerd, blijkt duidelijk dat de vertraging die het parket heeft opgelopen bij het instellen van de nodige vervolgingen, geenszins te wijten is aan de complexiteit van de zaak of het internationale aspect ervan, maar eenvoudigweg aan de nalatigheid en de werkeloosheid van het parket gedurende vijf jaar. Dat is het voldoende bewijs dat de wetgever, zonder het zelf te bekennen, alleen heeft gehandeld om bepaalde individuen te bestraffen, maar dat hij hiertoe een wet heeft aangenomen die van algemene toepassing is en die daardoor discriminerend is.

Derde middel A.5. Volgens de verzoekster geeft de bestreden bepaling aanleiding tot een niet te verantwoorden discriminatie tussen burgers, aangezien de wet onmiddellijk wordt toegepast en overgangsmaatregelen ontbreken.

Objectief gezien verergert de situatie van de verzoekster door de onmiddellijke inwerkingtreding van de nieuwe wet (op 16 december 1998) en het ontbreken van overgangsmaatregelen voor de hangende processen, aangezien zij voor een langere periode smadelijk beschuldigd blijft.

Dit is ontegenzeggelijk een onverantwoorde discriminatie ten aanzien van de personen aan wie feiten worden verweten die in dezelfde periode zijn gepleegd als die welke de verzoekster worden verweten, maar die het geluk hebben gehad dat hun onderzoek snel is afgehandeld en dat ze binnen een redelijke termijn zijn berecht, en die bijgevolg niet, zoals de verzoekster, vervolgd blijven.

Vierde middel A.6.1. Volgens de verzoekster heeft de bestreden bepaling een onverantwoorde discriminatie tot gevolg tussen de partijen in het strafproces en tussen rechtsonderhorigen, naargelang het parket zijn taak van vooronderzoek goed of minder goed heeft volbracht.

Door te bepalen dat de verjaringstermijn opnieuw begint te lopen indien bijkomende onderzoeksdaden ambtshalve of op verzoek van het parket worden bevolen, heeft de wetgever met artikel 24, 1°, tweede lid, tweede streepje, willen vermijden dat afgehaspelde onderzoeken overhaast worden vastgesteld net vóór het verstrijken van de verjaringstermijn, en dat in dat geval de feitenrechter later nog altijd bijkomende onderzoeksdaden kan toestaan en zodoende de behandeling van het dossier ongehinderd verlengen.

A.6.2. Die doelstelling wordt echter niet bereikt want meestal worden onderzoeken à charge en niet à décharge gevoerd. Zo kan het parket in heel veel gevallen voor de correctionele rechtbank dagvaarden, terwijl het onderzoek is afgehaspeld maar het dossier een reeks belastende aanwijzingen bevat. De verdediging heeft dan geen ander rechtsmiddel dan zelf te vragen dat onderzoeksdaden tot ontlasting worden verricht.

De verjaring wordt dan voor een periode van een jaar geschorst. De bestreden bepaling geeft op die manier aanleiding tot discriminatie tussen de partijen in het proces en, anderzijds, tot een niet te verantwoorden discriminatie tussen burgers die, naargelang het onderzoek dat tegen hen loopt is afgehaspeld of verkeerd uitgevoerd, langer of minder lang de tenlastelegging ondergaan.

Een dergelijke discriminatie bestaat eveneens in het geval dat de bijkomende onderzoeksdaden op verzoek van de burgerlijke partij worden aangevraagd. Indien bijkomende onderzoeksdaden noodzakelijk zijn om de beschuldiging hard te maken en indien een burgerlijke partij op het proces aanwezig is, is het dan ook voldoende dat die burgerlijke partij en niet het parket de bijkomende onderzoeksdaden aanvraagt om de verjaring effectief te schorsen. Het is onverantwoord dat op die manier verdachten die met een burgerlijke partij worden geconfronteerd, in een ongunstigere situatie terechtkomen dan verdachten die enkel met het openbaar ministerie worden geconfronteerd, wat uiteraard niet te verantwoorden is ten aanzien van de criteria van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Vijfde middel A.7. Volgens de verzoekster heeft de bestreden bepaling niet voorzien in overgangsmaatregelen voor de procedures hangende op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, en meer bepaald voor de gevallen waarin, zoals te dezen, een eerste vonnis het overschrijden van de redelijke termijn reeds heeft afgekeurd, terwijl zij de facto de verjaringstermijn verlengt, waardoor de verzoekster in een ongunstigere situatie terechtkomt.

Zesde middel A.8. Volgens de verzoekster heeft de bestreden bepaling tot gevolg dat de verjaringstermijn tot maximum twaalf jaar kan worden verlengd, terwijl de wetgever zelf heeft erkend dat een periode van tien jaar voldoende moest zijn : hij heeft geenszins doen gelden dat de periode van tweemaal vijf jaar op zich niet lang genoeg was, en heeft duidelijk gepreciseerd dat hij een incompetent parket te hulp kwam.

Die gelegenheidswet is discriminerend ten aanzien van alle burgers, die zich op die manier in een situatie bevinden waarin de verjaringstermijn wordt verlengd met een periode van een of twee jaar die niet kan worden ingekort, naargelang zij zich in eerste aanleg bevinden of reeds in hoger beroep zijn, en zulks, niet omdat de wetgever heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn, zoals die was vastgesteld, onvoldoende was, maar eenvoudigweg om de vermeende daders van misdrijven in een ophefmakende zaak te bestraffen.

Zevende middel A.9.1. Volgens de verzoekster doet de bestreden bepaling de facto het begrip « redelijke termijn » teniet.

A.9.2. Zij voert in een eerste onderdeel aan dat het stelsel van de verjaring een wettelijke toepassing is van het begrip « redelijke termijn », doordat het een uiterste datum vastlegt waarop de overschrijding van de redelijke termijn tot gevolg heeft dat bestraffen onmogelijk is, hoewel het begrip « overschrijding van de redelijke termijn » niet eenvoudigweg samenvalt met het bereiken van de einddatum van de verjaringstermijn. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met het verstrijken van de tijd. De bestreden bepaling is dan ook discriminerend doordat zij erop neerkomt de tijd op te schorten, overwegende dat gedurende een bepaalde periode het verstrijken van de tijd van nul en gener waarde is en door de hoven en rechtbanken niet in aanmerking kan worden genomen. Het verstrijken van de tijd is immers een objectief gegeven en het komt de wetgever niet toe om het te beschouwen als van nul en generlei waarde.

A.9.3. In een tweede onderdeel doet de verzoekster gelden dat het doel van de in het geding zijnde maatregel niet is om tijdens de fase van het onderzoek, wat aannemelijk zou zijn, de verjaringstermijn te verlengen wegens zware en ingewikkelde onderzoeksdaden die abnormaal lang duren, maar wel tijdens de fase van de berechting, omdat de hoven en rechtbanken overbelast zijn. Die verantwoording is in strijd met de eisen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De bestreden bepaling geeft aanleiding tot een niet te verantwoorden discriminatie tussen burgers, naargelang die burgers het geluk hebben gehad dat het onderzoek redelijk snel is gevoerd door een rechtbank die niet overbelast is of zij het slachtoffer zijn van trage onderzoeken en overbelaste rechtbanken, waardoor het mogelijk is dat zij op die manier de last van een beschuldiging gedurende twaalf jaar moeten dragen en meer bepaald gedurende twee volledige jaren wat de eigenlijke rechtspleging voor het vonnisgerecht betreft.

Wat het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel betreft A.10. De situatie van de verzoekster is bijzonder doordat zij op dit ogenblik in een strafprocedure is verwikkeld die voor het Hof van Beroep te Brussel is vastgesteld en waarin de nieuwe wet een beslissende rol zou kunnen spelen. Door de onmiddellijke uitvoering van de wet van 11 december 1998 dreigt dan ook een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel te ontstaan ten aanzien van de verzoekende partij, aangezien het Hof van Beroep te Brussel zich waarschijnlijk over de grond van de zaak zal hebben uitgesproken voordat het Arbitragehof over het beroep tot vernietiging uitspraak heeft gedaan. - B - B.1. De verzoekster vordert de vernietiging en de schorsing van de wet van 11 december 1998 « tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering ». Die wet heeft meer bepaald tot doel artikel 24 van die voorafgaande titel te vervangen.

Het Hof, dat de omvang van de vordering moet bepalen op grond van de inhoud van het verzoekschrift, stelt vast dat die zich beperkt tot artikel 24, 1°, van de voornoemde titel.

B.2.1. Artikel 3 van de wet van 11 december 1998 vervangt artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering door de volgende bepaling : « De verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen : 1° vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. De verjaring begint evenwel opnieuw te lopen : - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak onbepaald uit te stellen, tot op de dag waarop de behandeling ervan door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de dag van de beslissing van het vonnisgerecht, ambtshalve of op verzoek van het openbaar ministerie, om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden met betrekking tot het ten laste gelegde feit, tot op de dag waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat; - vanaf de verklaring van hoger beroep bedoeld in artikel 203, of de betekening van het hoger beroep bedoeld in artikel 205, tot op de dag waarop het hoger beroep op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid, indien het hoger beroep tegen de uitspraak over de strafvordering enkel uitgaat van het openbaar ministerie; - vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht; 2° in geval van verwijzing tot beslissing van een prejudicieel geschil;3° in het geval bepaald bij artikel 447, derde lid, van het Strafwetboek;4° gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerlijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid.Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst. » B.2.2. Op grond van artikel 4 van de wet van 11 december 1998 is het voormelde artikel 24 op 16 december 1998 in werking getreden.

B.3. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.

Wat de ernstige middelen betreft B.4. De zeven middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ze dienen tegelijk te worden onderzocht, in zoverre ze, in de eerste plaats, een discriminatie aanklagen tussen alle rechtsonderhorigen die gerechtelijk worden vervolgd en sommigen onder hen, doordat de eerstgenoemden de nadelige gevolgen zouden moeten ondergaan van een gelegenheidswet die alleen tot doel heeft de laatstgenoemden te bestraffen (eerste, tweede en zesde middel), in de tweede plaats tussen rechtsonderhorigen die worden vervolgd voor feiten die in dezelfde periode zijn gepleegd en die al dan niet ontsnappen aan de verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering zoals die uit de bestreden bepalingen voortvloeit, naargelang het onderzoek naar de straffeiten die op hen betrekking hebben snel of minder snel is afgehandeld en ze al dan niet binnen een redelijke termijn zijn berecht (derde, vierde, vijfde en zevende middel).

B.5. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.6. De vergelijkingen die de verzoekster in de uiteenzetting van het derde en vijfde middel maakt tussen haar situatie onder de gelding van de vroegere wet en die welke voortvloeit uit de toepassing van de bestreden wet, zijn niet pertinent. Die vergelijkingen hebben immers betrekking op situaties die door bepalingen zijn geregeld die op verschillende tijdstippen van toepassing zijn; zij behoren niet - anders zou iedere wijziging van de wetgeving onmogelijk worden - tot die welke moeten worden onderzocht om na te gaan of de bestreden bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7. De bestreden bepalingen voorzien in een nieuwe schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering, namelijk wanneer die strafvordering bij het vonnisgerecht wordt ingeleid. Die schorsing eindigt, en de verjaringstermijn loopt opnieuw, wanneer, op initiatief van het vonnisgerecht zelf of van het openbaar ministerie, de behandeling van de zaak voor onbepaalde duur wordt uitgesteld of met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoeksdaden, wanneer het openbaar ministerie hoger beroep instelt en wanneer een jaar is verstreken zonder dat het vonnisgerecht uitspraak heeft gedaan.

B.8. De bestreden bepalingen gaan terug op een wetsvoorstel waarvan het doel was in een schorsing voor een periode van zes maanden van de verjaring van de strafvordering te voorzien « in het geval waarin de duur van de uitvoering van een internationale ambtelijke opdracht of van de overzending van de op die uitvoering betrekking hebbende stukken zes maanden overschrijdt » (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1387/2, p. 2, met verwijzing naar Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1004/1), en dat dus beperkt bleef tot de moeilijkheden die verbonden zijn met een bepaald type van taken die in de loop van de voorbereidende fase van het strafproces moeten worden verricht.

De parlementaire discussie heeft ertoe geleid dat meer in het algemeen werd nagegaan of het gepast is de verjaring van de strafvordering te schorsen. In dat nieuwe perspectief werden vier gevallen met betrekking tot de fase van berechting van het strafproces in aanmerking genomen.

B.9. Het feit dat een wetsbepaling zou zijn aangenomen nadat de publieke opinie haar ongerustheid heeft geuit over het feit dat misbruiken worden begaan en getolereerd, of haar vrees dat ze begaan en getolereerd zouden worden, volstaat niet om te bewijzen dat die bepaling in strijd zou zijn met de bepalingen die in het middel worden aangevoerd. Welke ook de omstandigheden en overwegingen zijn die aanleiding hebben gegeven tot een nieuwe norm of het ontstaan ervan hebben vergemakkelijkt, er kan alleen op grond van de inhoud van die nieuwe norm worden geoordeeld of hij discriminerend is of niet.

B.10. De wetgever vermocht ervan uit te gaan, zonder de in het middel aangevoerde bepalingen te schenden, dat wanneer een strafvordering bij een vonnisgerecht wordt ingeleid, een van de klassieke verantwoordingen voor het beginsel van de verjaring vervalt, namelijk dat na verloop van tijd, wanneer er geen proces wordt aangespannen, de zaak geleidelijk aan wordt vergeten en de sociale beroering die door een misdrijf is veroorzaakt, afneemt. Bij het nemen van de maatregel heeft hij in waarborgen voorzien om, meer bepaald, te vermijden, enerzijds, dat de onderzoeksmagistraat die de verjaring ziet naderen het dossier snel afsluit en doorzendt terwijl de magistraat ten gronde later nog altijd bijkomende onderzoeksdaden zou kunnen toestaan en zodoende de behandeling van het dossier ongehinderd verlengen (ibid., nr. 1387/6, p. 9) en, anderzijds, dat de nieuwe schorsingsgrond voor de verjaringstermijn leidt tot een de facto onverjaarbaarheid van de strafvordering (ibid., nr. 1387/6, p. 20).

Hij heeft beklemtoond dat het Belgische recht inzake de verjaring van de strafvordering bijzonder gunstig was voor de verdachte (ibid., nr. 1387/6, p. 3); hij heeft meer bepaald erop gewezen dat de verjaring aanleiding kon geven tot misbruiken « bijvoorbeeld door personen die reeds in eerste aanleg schuldig werden bevonden en die, door het instellen van hoger beroep, de procedure kunnen rekken zodat de verjaring bereikt wordt. Het voorstel dat de verjaringstermijn niet meer verder zou lopen op het ogenblik dat het onderzoek afgesloten is en de zaak op rechtsgeldige wijze naar het vonnisgerecht wordt verwezen, zou dit euvel kunnen verhelpen » (ibid., p. 6); hij heeft ook opgemerkt dat een hervorming van de regels inzake verjaring des te noodzakelijker is sedert de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek : « Het aantal procedures die tijdens het vooronderzoek kunnen worden gevoerd is dermate toegenomen dat vooral in complexe zaken het risico op verjaring veel groter is geworden » (ibid., p. 16).

Een dergelijke argumentatie gaat verder dan het bijzondere geval waarnaar de verzoekster verwijst wanneer zij de bestreden bepalingen een gelegenheidswet noemt en daarin de discriminaties ziet die zij aanklaagt. In de huidige stand van het onderzoek van de middelen kunnen haar argumenten niet worden aangenomen.

B.11.1. In haar vierde middel klaagt de verzoekster meer in het bijzonder een discriminatie aan waarvan de beklaagde het slachtoffer zou zijn ten opzichte van het openbaar ministerie, aangezien de verjaringstermijn opnieuw loopt wanneer, nadat de zaak op de zitting is ingeleid, op verzoek van het openbaar ministerie bijkomende onderzoeksdaden worden bevolen, terwijl die termijn geschorst blijft wanneer dergelijke onderzoeksdaden op verzoek van de beklaagde worden bevolen.

Het is duidelijk dat, indien een dergelijk verzoek in beide gevallen ertoe zou leiden dat de verjaringstermijn opnieuw loopt, het, in het ene geval meer dan in het andere, met die bedoeling zou worden gedaan.

B.11.2. Het argument dat in hetzelfde middel wordt afgeleid uit het feit dat de verjaringstermijn geschorst blijft wanneer de onderzoeksdaden op verzoek van de burgerlijke partij worden bevolen, terwijl die termijn opnieuw loopt indien het verzoek uitgaat van het openbaar ministerie, met als gevolg dat de situatie van de beklaagde in het eerste geval minder gunstig zou zijn dan in het tweede, is evenmin gegrond : aangezien het doel van de bekritiseerde bepaling (artikel 24, 1°, tweede lid, tweede streepje) erin bestaat te vermijden dat de behandeling van het dossier voor onbepaalde duur kan worden verlengd wegens tekortkomingen die aan het openbaar ministerie te wijten zouden zijn, kan niet worden verantwoord dat het verzoek van de burgerlijke partij door een analoog beginsel zou worden geregeld.

B.12. Het argument dat in het zesde middel wordt aangevoerd, kan evenmin worden aangenomen. Volgens dat argument zouden de bestreden bepalingen discriminerend zijn, doordat de wetgever de maximale duur van de verjaring met twee jaar zou verlengen nadat hij geoordeeld heeft dat een maximale verjaringstermijn van tweemaal vijf jaar voor wanbedrijven voldoende is.

De wetgever kan immers aan sommige van zijn doelstellingen verzaken om er andere na te streven. De in het geding zijnde maatregel moet trouwens niet als een verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering worden beschouwd, maar als een schorsing ervan, in welbepaalde gevallen die beperkt zijn tot de berechtingsfase van het strafproces.

B.13.1. De verzoekster bekritiseert voorts het ontbreken van overgangsmaatregelen, wat discriminerend zou zijn, en de onmiddellijke toepassing van de bestreden wet, hetgeen ertoe zou leiden dat de bekritiseerde maatregel niet van toepassing is op de rechtsonderhorigen van wie het dossier snel en binnen een redelijke termijn werd onderzocht, maar wel op de andere rechtsonderhorigen.

B.13.2. De criteria voor de verjaring - net zoals die voor de schorsing van de termijn - kunnen ten tijde van het misdrijf in de geest van de beklaagde wellicht de verwachting wekken van een verjaring binnen de bij de wet vastgestelde termijn. Het bekritiseerde verschil in behandeling is dan datgene dat de beklaagden raakt wier door de oude wet gewekte verwachtingen door de nieuwe wet worden gedwarsboomd. Een dergelijke kritiek komt erop neer dat de nieuwe wet wordt verweten dat zij niet in een overgangsstelsel heeft voorzien.

B.13.3. Het zou denkbaar zijn geweest oog te hebben voor dergelijke verwachtingen door een veralgemening van de zorg die de wetgever laat blijken in een geval dat in sommige opzichten analoog is, wanneer hij in artikel 2 van het Strafwetboek bepaalt : « Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd ». Maar, terwijl de rechtsonzekerheid die voortvloeit uit de invoering van straffen waarin niet was voorzien op het ogenblik waarop het misdrijf werd begaan niet vatbaar is voor verantwoording, is zulks niet het geval met de onzekerheid die te maken heeft met het feit dat een misdrijf dat reeds strafbaar was op het ogenblik waarop het werd begaan, nog met dezelfde straffen zou kunnen worden gestraft na het verstrijken van de verwachte termijn van verjaring.

B.13.4. Door niet in overgangsmaatregelen te voorzien heeft de wetgever de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, niet geschonden.

B.14. De verzoekster verwijt, ten slotte, de bestreden bepalingen het begrip « redelijke termijn » te schenden. Naar luid van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft eenieder immers recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

Buiten de verwijzing naar argumenten waarop reeds is geantwoord, blijft de verzoekster echter in gebreke aan te tonen in hoeverre de schorsing van de verjaringstermijn van de strafvordering die zij bekritiseert, afbreuk doet aan het aldus gewaarborgde recht ten aanzien van de door haar beschreven categorieën van rechtsonderhorigen.

Het komt de rechter toe, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en meer bepaald de complexiteit ervan, met het gedrag van de verzoeker en dat van de bevoegde overheden, na te gaan of in een bepaalde zaak de redelijke termijn niet is overschreden. De rechter kan van die bevoegdheid gebruik maken ten aanzien van alle rechtsonderhorigen, ongeacht de door de verzoekster beschreven categorie waartoe zij behoren.

B.15. Uit wat voorafgaat blijkt dat de middelen niet ernstig zijn in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 juli 1999.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^