Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 19 mei 2000

Arrest nr. 37/2000 van 29 maart 2000 Rolnummer 1630 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 1, 2, 6, 9, 14, 15 en 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 tot instelling van het hoge Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters H. (...)

bron
arbitragehof
numac
2000021175
pub.
19/05/2000
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 37/2000 van 29 maart 2000 Rolnummer 1630 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 1, 2, 6, 9, 14, 15 en 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen, ingesteld door de v.z.w. Nationale Federatie der Doctors en Licentiaten in de Kinesitherapie en anderen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters H. Boel, E. Cerexhe, A. Arts, R. Henneuse en E. De Groot, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 februari 1999 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 februari 1999, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de artikelen 1, 2, 6, 9, 14, 15 en 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 augustus 1998), door de v.z.w. Nationale Federatie der Doctors en Licentiaten in de Kinesitherapie, met maatschappelijke zetel te 1070 Brussel, Limbourglaan 15, O. Soupart, P. Uylenbroek, E. Lemmens, D. Vandenberghe, W. Smeets, L. Dieleman, P. Terlingkx, M. Dewame, C. Châtelain, A. Havre, H. Ruelle, F. Rochet, A. Philippe, J. Moinil, M. Thiry, L. Thiry, F. Doneux, N. Gaudin, J. Piérard, O. Grégoire, B. Trugffalt, M.-C. François, V. Boudart, C. Kremer, P. Soupart, Y. Castille, F. Denayer, D. Jones, P. Delguste, P. Matte, C. Lecomte, F. Reaverbist, G. Reychler, J. Roeseler, P. Cordier, B. Fosserprez, P. Schreder, C. Philemotte, Y. Schaub, F. Preudhomme, J. Soupart, C. Briart, S. Libion, C. Paquet, M. Grimmiaux, J.-P. Dubois, V. Hambursin, C. Socirat, D. De Moffarts, L. Bauwin, B. De Belder, O. Gisbau, C. Christophe, F. Piralli, V. Neyken, M. Lebacq, P. Henriche, B. Dupont, A. Soquay, M. Beaujean, T. Lemaire, C. De Vochel, D. Bultiau, V. Defourny, R. Protin, E. Huet, V. Faux, B. Nezzi, F. Delcommune, G. Mareschal, C. Braquenier, C. Havrez, M. Thiry, L. Thiry, B. Dupont, M. Thiry, P. Verheyen, M.-L. De Rasse, C. Defaux, D. De Donder, I. De Smedt, P. Musimu, Van Schoelhandt, B. Otten, J.-M. Patte, S. Lobet, C. Fourneaux, S. Ligot, S. Berwy, N. Leleu, C. Dutron, F. Colmant, D. Roelandts, P. Bodart, V. Ligot, C. Lefebvre, M.-T. Heinen, M. Vandertommen, B. Mordant, J.-L. Croisier, M. Piéron, J. Crielaard, F. Nervenne, S. Cuitte, X. Giffroy, C. Collet, G. D'Odemont, B. Lussis, E. Etienne, Q. Evrard, D. Meijnen, F. Otto, D. Noirhomme, G. Erpicum, H. Lambrette, A. Horward, J. Rigo, M. Le Doucen, V. Réveillon, V. Pèchon, A. Thill, S. Verhaeghe, J. Bernard, S. Louppe, A. Michaud, M. Le Gorziou, E. Salengro, G. Samain, M. Humbert, M. Voogd, M. Blondiau, M. Féry, C. Delbascour, V. Gerard, I. De Biourge, M. De Croix, M. Baerts, X. Hely-Joly, T. Cornil, F. Mompeurt, S. Hennuy, C. Spinewine, D. Gilles, G. Perremans, P. Maniquet, J. Jarema, C. Rolain, L. Lettany, C. Servatius, E. Six, S. Obet, G. Bastien, B. Querinjean, J. Abranna, D. Chidiac, I. Goris, E. Mesens, J.-L. Vandeweghe, Q. Delavignette, Pestia, J.-C. Manurian, M.-C. Dutron, N. Hambursin, D. Deroubaix, C. Domicent, V. Decroix, A.-S. Kroonen, C. Stephenne, I. Vos, A.-C. Van Damme, V. Willems, D. Paye, G. Stegen, E. Scaillierez, C. Grèco, V. Schmidt, S. Plovier, J. Penning, A.-C. Van Damme, C. Smets, J. Dussaud, S. Rossotti, G. Pirard, A. Sauvet, V. Santov, S. Neveau, H. Danel, C. Erhing, R. Borne, G. Dumenil, A. Mommey, V. Poty, G. Paquet, M. Schtickzelle, C. Cornet, C. Lefebvre, V. Lepape, R. Froment, M. Mouson, G. Walgraeve, M. Pescador, T. Kraux, D. Chaaban, S. Evain, D. Lamauer, J. Caudron, E. Bawin, B. Colinet, A. Aouicha, L. Roseux, S. Camermans, F. Bailleux, V. Leblanc, G. Deghise, S. Fontaine, G. Franck Lacaze, T. Duflo, S. Coos, K. Blomme, M. Dumont De Chas, O. Biebuyck, C. Sans De Langloy, C. Crosset, V. Delsate, J.-C. Belpaire, J. Aniel, L. Grandjean, S. Denay, E. Spies, F. Lava, F. Mamy, S. Bamps, A. Battisti, G. Coumroupas, J. Ducqué, S. Clément, J. Grégoire, B. Otten, J. Stassin, V. Poussel, G. Dardenne, F. Laffessoni, V. Bercy, A. Ptak, I. Landercy, F. Laval, S. Balky, A. Hachez, M. Campens, D. Lieutenant, P. Dermont, D. Douilly, V. Duchâteau, V. Hambursin, J. Noël, D. Sauwens, V. Ligot, M. Nolona, V. Ferminne, C. Arnould, S. Entroven, E. Pierret, Van Gehuchten, S. Lemousseux, C. Salmon, Y. Bloyenhoft, J. Grégoire, S. Scius, N. Hermes, C. Spinewine, D. Lejeune, C. Mahieu, L. Lebras, S. Leroy, F. Graffe, F. Audran, V. Fontelle, C. Cossee de Semeries en M. Fontayne, die allen keuze van woonplaats doen te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 68, bus 9.

II. De rechtspleging Bij beschikking van 26 februari 1999 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Van het beroep is kennisgegeven overeenkomstig artikel 76 van de organieke wet bij op 8 april 1999 ter post aangetekende brieven.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 april 1999.

Memories zijn ingediend door : - de v.z.w. Chambre syndicale des kinésithérapeutes, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4040 Tilff, Allée Verte 8, A. Anciaux, C. Bélot, C. Bernard, C. Bilenne, M. Bodson, L. Bolzan, I. Boulanger, V. Brasselle, P. Carlier, P. Chaidron, J.-B. Chapelain, M. Chevalier, M. Corman, F. Cormanne, C. Cuypers, M. Danièle, J.-P. Darchambeau, B. Deborsu, M.-F. De Brouwer, M.-J. Dedericks, P. de Gottal, L. Delhez, Y. Delplace, N. Depas, G. Dessart, C. Doyen, J.-L. Duriau, B. Engin, L. Falize, J. Filée, J. Fournier, A. Frère, B. Gilis, M. Grégoire, N. Gremling, C. Guilmot, M.-H. Guillaume, C. Guyot, M. Hecq, P. Herman, M.-C. Humblet, J. Jolis, F. Jungst, A. Kubera, C. Lachi, P.-P. Lambert, P. Larock, G. Latteur, R. Laurent, M. Leleux, P. Lelotte, S. Lesire, C. Leroy, D. Leva, B. Libens, C. Mailleux, D. Maquet, C. Maras, Y. Martin, P. Moeuthwil, M. Moreau, C. Mullens-Boxho, D. Neuprez, C. Nivarlet, J.-J. Noel, A. Optiz, R. Piret, V. Recloux, D. Rikir, M.-F. Risack, M. Roulette, Y. Ruwet, R. Ruwet, N. Salle, B. Schmit, M. Smette, J. Struyf, C. Techy, M. Thiry, S. Thonet, D. Vancleef, M. Vandermoten, P. Vande Velde, S. Van Isacker, M. Verhaegen, J.-M. Verheggen, M. Vieillevoye, L. Wilmotte, A. Antoine, U. Abiuso, V. Alfonso, C. Borre, S. Brijs, C. Cadet, H. Cool, D. Cornet, A. De Buyst, S. Défendi, C. Dellisse, N. De Poorter, A. De Troyer, S. Dreessen, K. Duvivier, L. El Hajjaji, J. Eyraud, G. Froment, B. Gaussin, M. Groteclaes, M. Huart, G. Istace, D. Keppens, F. Laval, S. Lecloux, S. Lemaire, C. Leroy, C. Lukat, C. Mathieu, I. Maurcot, N. Mottart, V. Nizet, S. Nizet, S. Petit, L. Pupien, A. Renard, M. Résimont, M. Ruggieri, A. Scribot, V. Sevrain, Y. Thiltgen, D. Thiriart, S. Voz, T. Wetzels en C. Zicot, die allen keuze van woonplaats doen te 1060 Brussel, Gulden-Vlieslaan 68, bus 9, bij op 14 mei 1999 ter post aangetekende brief; - de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1070 Brussel, Brogniezstraat 42, de v.z.w. Haute école Léonard de Vinci, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1200 Brussel, Veldkapelgaarde 43, G. Carrard, P. Guyomard, A. Dickburt, C. Glibert, G. Stroobants, L. Aelvoet, C. Blondin, B. Demain, M. Simon, L. Renkin, P. Fransoo, D. Collart, M. Heinemann en A. Van Wallendael, die allen keuze van woonplaats doen te 1040 Brussel, Louis Schmidtlaan 56, bij op 17 mei 1999 ter post aangetekende brief; - de Franse Gemeenschapsregering, Surlet de Chokierplein 15-17, 1000 Brussel, bij op 20 mei 1999 ter post aangetekende brief.

Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 15 juni 1999 ter post aangetekende brieven.

Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Franse Gemeenschapsregering, bij op 30 juni 1999 ter post aangetekende brief; - de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen, bij op 12 juli 1999 ter post aangetekende brief; - de verzoekende partijen, bij op 15 juli 1999 ter post aangetekende brief.

Bij beschikkingen van 29 juni 1999 en 27 januari 2000 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 25 februari 2000 en 25 augustus 2000.

Bij beschikking van 9 februari 2000 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 1 maart 2000.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 10 februari 2000 ter post aangetekende brieven.

Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2000 : - zijn verschenen : . Mr. P. Simonart, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen en voor de v.z.w. Chambre syndicale des kinésithérapeutes en anderen; . Mr. D. De Meur, advocaat bij de balie te Brussel, voor de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen; . Mr. P. Henry en Mr. F. Abu Dalu, advocaten bij de balie te Luik, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers E. Cerexhe en H. Boel verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. Onderwerp van de bestreden bepalingen Artikel 1 van het decreet van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen, waarvan de enkele gecursiveerde woorden worden bestreden, bepaalt als volgt : « De graad van kandidaat in de kinesitherapie wordt ingesteld. Deze graad wordt verleend en het passend diploma wordt uitgereikt na afloop van de eerste cyclus van twee jaar van het paramedisch hoger onderwijs van het lange type.

De graad van licentiaat in de kinesitherapie wordt ingesteld. Deze graad wordt verleend en het passend diploma wordt uitgereikt na afloop van de tweede cyclus van twee jaar van het paramedisch hoger onderwijs van het lange type. » Artikel 2 van het voormelde decreet van 30 juni 1998, waarvan de enkele gecursiveerde woorden worden bestreden, bepaalt als volgt : « § 1. De graden van kandidaat en licentiaat bedoeld in artikel 1 worden verleend en de passende diploma's worden uitgereikt : - hetzij door een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogeschool waarbinnen de Franse Gemeenschap een afdeling van het paramedisch hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie organiseert, subsidieert of erkent overeenkomstig de bepalingen van dit decreet; - hetzij door een examencommissie die werd ingesteld door de Regering van de Franse Gemeenschap, overeenkomstig artikel 43 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen. § 2. De examencommissie, bedoeld in § 1, kan de graad van kandidaat in de kinesitherapie pas minstens twee jaar nadat de geslaagde voldeed aan de toetredingsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 22, § 1, lid 1 van hoger vermeld decreet van 5 augustus 1995, toekennen.

De graad van licentiaat in de kinesitherapie kan pas minstens twee jaar nadat de geslaagde de graad van kandidaat in de kinesitherapie kreeg, worden toegekend. » Artikel 6 van hetzelfde decreet, waarvan de enkele gecursiveerde woorden worden bestreden, bepaalt als volgt : « § 1. De hogescholen bedoeld in artikel 5 hebben volgende onderwijsbevoegdheid : - tijdens het academiejaar 1998-1999 : het eerste jaar van de eerste cyclus zoals vermeld in artikel 1, lid 1; - tijdens het academiejaar 1999-2000 : de twee jaren van de eerste cyclus zoals vermeld in artikel 1, lid 1; - tijdens het academiejaar 2000-2001 : de twee jaren van de eerste cyclus zoals vermeld in artikel 1, lid 1, en het eerste jaar van de tweede cyclus zoals vermeld in artikel 1, lid 2; - tijdens [lees : vanaf] het academiejaar 2001-2002 : de twee jaren van de eerste cyclus zoals vermeld in artikel 1, lid 1 en de twee jaren van de tweede cyclus zoals vermeld in artikel 1, lid 2.

In de afdelingen van de studies met volledig leerplan die tot de graad en het diploma van gegradueerde in de kinesitherapie leiden, georganiseerd in een hogeschool die wordt vermeld in artikel 5, worden deze studies als volgt georganiseerd : - tijdens het academiejaar 1998-1999 : het tweede en het derde jaar; - tijdens het academiejaar 1999-2000 : het derde jaar. § 2. Het diploma van gegradueerde in de kinesitherapie kan worden uitgereikt aan elke student die in de loop van de academiejaren 1998-1999 of 1999-2000 geslaagd is voor het theoretisch deel van de examens van het derde jaar en met succes zijn scriptie in de loop van de academiejaren 2000-2001 of 2001-2002 heeft voorgesteld.

Overeenkomstig de geldende wets-, decreet- en verordeningsbepalingen is de examencommissie samengesteld uit de directeur van de categorie paramedisch onderwijs van de hogeschool waarin het theoretisch deel van de examens van het derde jaar met succes werd afgelegd. § 3. Onder de voorwaarden die de Regering bepaalt, worden studenten die slaagden voor het eerste studiejaar dat leidt naar het diploma van gegradueerde in de kinesitherapie, voor het academiejaar 1999-2000 toegelaten in het tweede jaar van de eerste studiecyclus die leidt tot de graad en het diploma van kandidaat in de kinesitherapie.

In afwijking van de bepalingen van artikel 1, lid 2 en van artikel 2, § 2 van onderhavig decreet alsook van artikel 17, § 1, van artikel 29, lid 3 en van artikel 33, 3° van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, kunnen ze de graad en het diploma van kandidaat in de kinesitherapie krijgen na één studiejaar. § 4. In afwijking van de bepalingen van artikel 2, § 2, lid 2, van onderhavig decreet en van artikel 22, § 2 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen en onder de voorwaarden die de Regering bepaalt, worden de studenten die geslaagd zijn in het tweede studiejaar dat tot de graad van gegradueerde in de kinesitherapie leidt, in het academiejaar 2000-2001 toegelaten tot het eerste jaar van de tweede cyclus die leidt tot de graad en het diploma van licentiaat in de kinesitherapie. » Artikel 9 van het voormelde decreet bepaalt als volgt : « Artikel 1, III, a) van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, zoals gewijzigd bij de wetten van 9 april 1965, 3 maart 1970, 7 april 1971, 28 mei 1971, 18 februari 1977, 15 juli 1985 en het decreet van 19 juli 1993 wordt als volgt aangevuld : ' 14° van kandidaat in de kinesitherapie en van licentiaat in de kinesitherapie, zij die overeenkomstig de wet en het decreet, het diploma van deze graden kregen in een hogeschool. ' » Artikel 14 van het voormelde decreet bepaalt als volgt : « Artikel 28 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een nieuwe paragraaf 3 die als volgt werd opgesteld : ' De machten van de hogeschool die - overeenkomstig het decreet van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen - studies van kinesitherapie organiseren, geven elke student bij zijn inschrijving voor een studiejaar van de studies bedoeld in artikel 1 van hetzelfde decreet, een document met alle informatie die de student kan gebruiken na afloop van zijn studies, meer bepaald de wets-, decreet- en verordeningsbepalingen betreffende de toepassing van een mechanisme ter beperking van het aantal particuliere beroepstitels bedoeld in artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en betreffende de geneeskundige commissies. ' » Artikel 15, § 1, van het voormelde decreet bepaalt als volgt : « Wat het onderwijs met volledig leerplan betreft, wordt het eerste jaar van de studies die tot het diploma en de graad van gegradueerde in de kinesitherapie leiden, niet meer georganiseerd vanaf het academiejaar 1998-1999.

Wat het onderwijs met volledig leerplan betreft, worden het eerste en het tweede jaar van de studies die tot het diploma en de graad van gegradueerde in de kinesitherapie leiden, niet meer georganiseerd vanaf het academiejaar 1999-2000.

Wat het onderwijs met volledig leerplan betreft, worden de studies die tot het diploma en de graad van gegradueerde in de kinesitherapie leiden, niet meer georganiseerd vanaf het academiejaar 2000-2001. » Artikel 16, § 2, van het voormelde decreet bepaalt als volgt : « Artikel 14, lid 2 van het koninklijk besluit van 16 april 1965 houdende instelling van het diploma van gegradueerde in de kinesitherapie en van het diploma van gegradueerde in de arbeidstherapie, en vaststelling van de voorwaarden waaronder deze diploma's worden uitgereikt, wordt opgeheven. » IV. In rechte - A - Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.1. De eerste verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk (v.z.w.) waarvan het maatschappelijk doel erin bestaat de belangen te verdedigen van de graad van doctor en licentiaat in de kinesitherapie, de beroepsbekwaamheid van haar leden aan te moedigen, het vrij beroep van doctor en licentiaat in de kinesitherapie te verdedigen en een orde van doctors en licentiaten in de kinesitherapie op te richten. Dat maatschappelijk doel wordt aangetast door de bestreden normen van een decreet dat tot doel heeft de diploma's die zijn uitgereikt door niet-universitaire hogescholen gelijk te schakelen met de universitaire diploma's waarvan die v.z.w. de hoedanigheid wil wijzigen.

De tweede groep verzoekende partijen bestaat uit universiteitsprofessoren van de « Université libre de Bruxelles » (U.L.B.), de « Université catholique de Louvain » (U.C.L.) en de « Université de Liège » (U.Lg.) die worden geraakt door de bestreden bepalingen van een decreet dat van dien aard is dat het het universitair onderwijs aan betekenis doet inboeten en de aan de universiteiten verstrekte opleiding van elk specifiek karakter ontdoet.

De derde groep verzoekers bestaat uit studenten in de kinesitherapie aan de universiteiten U.L.B., U.C.L. en U.Lg., die rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt door een van de bestreden bepalingen, in zoverre zij van dien aard zijn dat zij afbreuk doen aan de kwaliteit van het onderwijs in de kinesitherapie.

De vierde groep verzoekers bestaat uit licentiaten, doctors of geaggregeerden in de kinesitherapie die een belang hebben bij het aanvechten van decreetsbepalingen die afbreuk doen aan de hoedanigheid van hun diploma en het specifieke karakter van het universitair onderwijs miskennen.

A.1.2. De tussenkomende partijen, namelijk de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen, betwisten het belang om in rechte te treden van de verzoekende partijen om reden dat zelfs in de veronderstelling dat het beroep gegrond is, niets hogescholen in de weg zou staan onderwijs in de kinesitherapie van het lange type te verstrekken dat, met toepassing van het decreet van 5 augustus 1995, dat niet wordt aangevochten, slechts zou kunnen worden bekrachtigd door diploma's van kandidaat en licentiaat in de kinesitherapie na respectievelijk de eerste en de tweede cyclus.

Ten aanzien van de omvang van de tussenkomst van de tussenkomende partijen « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » en anderen A.2.1. De v.z.w. Chambre syndicale des kinésithérapeutes, verscheidene gegradueerden in de kinesitherapie en verscheidene studenten in de kinesitherapie van verschillende hogescholen hebben zich tussenkomende partij gesteld en vorderen de vernietiging van het bestreden decreet of op zijn minst van de in het verzoekschrift tot vernietiging aangevochten bepalingen.

A.2.2. In haar memorie van antwoord is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de tussenkomende partijen het onderwerp van het beroep tot vernietiging aldus hebben verruimd, wat niet is toegestaan volgens artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De memorie van de v.z.w. Chambre syndicale des kinésithérapeutes is dus onontvankelijk in zoverre zij ertoe strekt het onderwerp van het beroep uit te breiden tot de artikelen 3 en 4 van het bestreden decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998. In de veronderstelling dat het Hof de hele memorie inwilligt, zou het erin moeten voorzien de gevolgen van het vernietigingsarrest te beperken, zodat de studenten die het academiejaar 1998-1999 van de studies in de kinesitherapie aan een hogeschool hebben aangevat, de garantie hebben dat zij, na geslaagd te zijn voor de vierjarige cyclus, de titel van licentiaat in de kinesitherapie behalen.

A.2.3. De v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen zijn van oordeel dat de memorie van de « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » onontvankelijk is, in zoverre zij het onderwerp van het beroep uitbreidt tot de artikelen 3 en 4 van het decreet van 30 juni 1998. Een memorie van tussenkomst in de zin van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 kan niet een dergelijke draagwijdte hebben.

Ten aanzien van het enig middel Standpunt van de verzoekende partijen A.3.1. Een enig middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet door de artikelen 1, 2, 6, 9, 14, 15 en 16 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen, doordat die bepalingen de specifieke kenmerken van de universitaire opleiding miskennen en doordat zij in het bijzonder, ten nadele van de belangen van de verzoekende partijen, een gelijkschakeling van de titel van de universitaire diploma's en de niet-universitaire diploma's verankeren en vooral doordat zij de titel van « licentiaat » in het leven roepen en verlenen aan de gediplomeerden die zijn afgestudeerd aan de bedoelde hogescholen, alsmede de titel van « gegradueerde » (lees : « kandidaat ») verlenen na de eerste cyclus van twee jaar.

Zodoende miskent het bestreden decreet het recht op een gedifferentieerde behandeling terwijl de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is.

A.3.2. In de eerste plaats kan men de beide opleidingen, universitair en niet-universitair, die tot de uitoefening van de kinesitherapie leiden niet met elkaar vergelijken en vandaar, evenmin, zoals het decreet dat doet, een overeenstemming van de titels en van de opleidingen tot stand brengen.

A.3.3. Het is moeilijk de door de decreetgever nagestreefde doelstelling te vatten, zij het die welke erin bestaat te willen uniformiseren, een uniformisering die veeleer een middel is dan wel een definitie van dat doel. Er is geen enkel relevant motief aan de hand waarvan kan worden verantwoord dat de titel van « licentiaat » zou moeten worden verleend aan de studenten die, vanaf het academiejaar 1998-1999, de in een hogeschool georganiseerde studies in de kinesitherapie aanvatten.

A.3.4. De decreetgever heeft vervolgens ook onder de hogescholen een onderscheid in het leven geroepen dat verstoken is van elk redelijk karakter, vermits slechts op bepaalde hogescholen die hij heeft uitgekozen het decreet wordt toegepast. Aldus zullen enkel sommige gediplomeerden van het niet-universitair onderwijs de titel van « licentiaat » krijgen, en zulks zonder aanvaardbare verantwoording.

A.3.5. Ten aanzien van het nagestreefde doel is de maatregel evenmin relevant. Ook al is het aantal jaren onderwijs in het hoger onderwijs van het lange type door de decreetgever verhoogd, het feit blijft echter dat de respectieve inhoud van de universitaire en de niet-universitaire opleiding niet is gewijzigd en zulks ondanks de wil die de Minister van Hoger Onderwijs duidelijk tot uiting bracht tijdens de parlementaire voorbereiding van het decreet.

A.3.6. De bestreden bepalingen doorstaan evenmin de evenredigheidstoets. In zoverre artikel 21bis, § 3, ingevoegd bij de wet van 6 april 1995, bepaalt dat « niemand [...] de beroepstitel van kinesitherapeut [mag] dragen die niet houder is van de in § 1 bedoelde erkenning », en gelet op het feit dat de genoemde erkenning kan worden toegekend aan elke persoon die de opleiding van het lange type heeft gevolgd, ziet men geen verantwoording voor de toekenning van de titel van licentiaat aan niet-universitairen.

A.3.7. De verzoekende partijen antwoorden dat, in tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschapsregering beweert, het middel geen feitelijke grondslag mist.

De gelijkenis van de in het decreet gebruikte bewoordingen dreigt zeker tot verwarring in verband met de graden te leiden bij de patiënten, in het bijzonder omdat de graad van licentiaat, in de gangbare betekenis, verbonden is met het met succes afgelegd hebben van een universitair parcours. Het argument volgens hetwelk de universitaire licentiaten maar een adequate voorlichtingscampagne moeten voeren om die verwarring weg te werken, kan niet worden aanvaard.

Het is evenmin juist te beweren dat de oorzaak van de discriminatie gelegen zou zijn in het - niet bestreden - decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen. Tot het bestreden decreet van 30 juni 1998 bestond de opleiding in de kinesitherapie van het niet-universitaire type immers uit een graduaat van drie jaar dat werd afgerond met de titel van « gegradueerde », zodat enkel een universitaire kinesitherapeut de titel van licentiaat kon doen gelden.

Men kan evenmin betogen dat de discriminatie zou voortvloeien uit de wet van 6 april 1995. Hoewel die wet weliswaar in een gelijke toegang voorziet tot het beroep voor de universitaire en de niet-universitaire kinesitherapeuten, op voorwaarde dat laatstgenoemden onderwijs van het lange type van vier jaar volgen, legt de wet geen enkele verplichting op ten aanzien van de noodzakelijke titel om die erkenning te verkrijgen.

A.3.8. De verzoekende partijen trachten tevens de memorie van tussenkomst te weerleggen die is ingesteld door de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen. De universitaire en niet-universitaire opleidingen zijn niet vergelijkbaar : het aantal lesuren is verschillend, de inhoud van de lessen is anders, de kwaliteit van het onderwijs ook alsmede de zorg voor wetenschappelijk onderzoek die specifiek is voor het universitair onderwijs.

A.3.9. In een slotopmerking suggereren de verzoekende partijen dat het Hof, met toepassing van artikel 11 van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, elke persoon zou horen die het Hof duidelijkheid zou kunnen verschaffen omtrent die verschillende doelstellingen.

Standpunt van de Franse Gemeenschapsregering A.4.1. Het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 heeft tot doel « de studenten die zich ertoe verbinden, vanaf het academiejaar 1998-1999 de in een hogeschool georganiseerde studie in de kinesitherapie te volgen, ervan te verzekeren dat zij, overeenkomstig artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, een diploma niet-universitair hoger onderwijs in de kinesitherapie zullen verkrijgen ter bekrachtiging van een opleiding in het kader van een voltijds onderwijs dat ten minste vier studiejaren omvat » en « te voorzien in de belangrijke onderdelen van de organisatie van de studie in de kinesitherapie in de hogescholen in het kader van een studie van twee cycli van twee jaar ».

Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet (Parl.

St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1997-1998, nr. 244/1, p. 2) volgt dat de gemeenschapswetgever zich ervan bewust was dat hij twee hogere opleidingen met een verschillende inhoud vaststelde, ook al strekt het bestreden decreet er, grotendeels, toe de niet-universitaire opleiding dichter bij de universitaire opleiding te brengen. Die feitelijke situatie is echter het gevolg van de wet van 6 april 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, met het oog op de regeling van de uitoefening van de kinesitherapie, in zoverre die wet een diploma van universitair onderwijs in de kinesitherapie vereist of een diploma van niet-universitair hoger onderwijs in de kinesitherapie dat een opleiding in het kader van een voltijds onderwijs bekroont dat ten minste vier studiejaren omvat, teneinde de noodzakelijke erkenning voor de uitoefening van de kinesitherapie te verkrijgen.

De door de verzoekers aangevoerde discriminatie vindt niet haar oorzaak in het aangevochten decreet maar in de kijk die de cliënten van de kinesitherapeuten kunnen hebben op de respectievelijk door de hogescholen en de universiteiten toegekende graden : die verwarring vloeit, in zoverre zij bewezen is, dus niet voort uit het optreden van de wetgever maar uit het optreden van derden. Het middel mist dus feitelijke grondslag.

A.4.2. Zelfs indien de aangevoerde discriminatie bestond, zou zij niet haar oorzaak vinden in het aangevochten decreet maar, enerzijds, in het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, waarvan de filosofie in overeenstemming is met die van het aangevochten decreet en, anderzijds, in de voormelde wet van 6 april 1995, die bepaalt dat de gediplomeerden van het universitair onderwijs en het niet-universitair onderwijs in de kinesitherapie dezelfde titel van « licentiaat in de kinesitherapie » mogen dragen indien zij de in paragraaf 1 van artikel 21bis van de wet van 6 april 1995 bedoelde erkenning hebben gekregen.

Het is immers het voormelde decreet van 5 augustus 1995 dat bepaalt dat de hogere studie van het lange type van de tweede cyclus met name wordt bekrachtigd met de graad van licentiaat, en dat decreet wordt niet aangevochten.

Het is verder de voormelde wet van 6 april 1995 die de bron zou kunnen zijn van de aangevoerde discriminatie, in de veronderstelling dat die vaststaat, vermits het die wet is die aan de oorsprong ligt van de gelijkstelling van de titels.

A.4.3. Hoe dan ook, de naam van de krachtens het aangevochten decreet verleende graad is verantwoord en creëert geen discriminerende behandeling van de licentiaten in de kinesitherapie ten opzichte van de licentiaten in de kinesitherapie van de universiteiten. Ten slotte, en tegen dezelfde achtergrond, leidt het onderwijs dat wordt verstrekt aan de faculteiten geneeskunde in de universiteiten tot de graad van « licentiaat in de kinesitherapie en de revalidatie » terwijl luidens artikel 1 van het bestreden decreet door de hogescholen de graad van « licentiaat in de kinesitherapie » kan worden toegekend.

Standpunt van de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen A.5. Het verzoekschrift tot vernietiging vergelijkt in hoofdzaak het universitair onderwijs met de opleiding die werd verstrekt teneinde het graduaatsdiploma te verkrijgen, hetwelk bovendien onnodig in diskrediet wordt gebracht. Voor het overige poogt het, ten onrechte, uiteen te zetten dat de universitaire opleiding die aan de toekomstige kinesitherapeuten van het niet-universitair onderwijs wordt gegeven fundamenteel verschillend is en dus niet vergelijkbaar. Die voorstelling van de dingen is echter verkeerd. Zowel wat betreft het aantal lesuren als wat betreft de inhoud van de programma's, de kwaliteit van het onderwijs, de vereiste inzake onderzoek, de mogelijkheid om stage te lopen in de universitaire ziekenhuizen of het beroep uit te oefenen, zijn de twee onderwijsrichtingen volledig vergelijkbaar.

In ondergeschikte orde dient eraan te worden herinnerd dat het opschrift van de diploma's voor de universiteiten en de hogescholen niet identiek is, vermits de eerstgenoemde « licentiaten in de kinesitherapie en de revalidatie » opleiden terwijl laatstgenoemde « licentiaten in de kinesitherapie » opleiden. Er is tussen die beide titels dus geen verwarring mogelijk.

Standpunt van de « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » en anderen A.6.1. Er dient te worden opgemerkt dat zowel de gediplomeerden van de universiteiten als die welke uit de hogescholen komen zich door het bestreden decreet benadeeld achten. Dit houdt verband met het feit dat, meer ten gronde, het bestreden decreet het evenwicht en de economie van het beroep bedreigt.

Het bestreden decreet miskent immers het recht op een gedifferentieerde behandeling zowel ten aanzien van de gediplomeerden van de hogescholen als ten aanzien van de gediplomeerden van de universiteiten.

A.6.2. Ten aanzien van het enig middel moet de essentie van de argumentering van de verzoekers worden overgenomen met aanbrenging van enkele nuances ten aanzien van de hoedanigheid van de tussenkomende partijen.

In het bijzonder dient te worden onderstreept dat het decreet niet voorziet in een aanzienlijke verzwaring van de theoretische opleiding van de gegradueerden, op zijn minst vergelijkbaar met het universitair onderwijs.

A.6.3. Bijgevolg dient het volledige decreet of dienen tenminste de bepalingen waartegen het beroep is gericht, te worden vernietigd. - B - Ten aanzien van het belang van de tussenkomende partijen B.1.1. De tussenkomende partijen, te weten de v.z.w. « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen, betwisten het belang om in rechte te treden van de verzoekende partijen om reden dat, ook al wordt het beroep gegrond geacht, niets de hogescholen in de weg zou staan onderwijs te verstrekken in de kinesitherapie van het lange type, hetwelk, met toepassing van het niet aangevochten decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, bekrachtigd zou worden met diploma's van, naar gelang van het geval, kandidaat of licentiaat in de kinesitherapie.

B.1.2. Uit de uiteenzetting van het enig middel dat door de verzoekende partijen is aangevoerd, volgt dat zij de door hen aangevochten bepalingen van het decreet van 30 juni 1998, en niet het voormelde decreet van 5 augustus 1995, verwijten dat zij de titel van « licentiaat » in het leven roepen en verlenen aan de gediplomeerden van hogescholen nadat zij een lange cyclus van vier jaar hebben gevolgd, en de titel van « kandidaat » aan de gediplomeerden op het einde van een cyclus van twee jaar studie in dezelfde instellingen. In zoverre het decreet van 30 juni 1998, wat betreft de studie in de kinesitherapie, de inwerkingstelling verzekert van de algemene beginselen vermeld in het voormelde decreet van 5 augustus 1995, faalt de exceptie van onontvankelijkheid bij gebrek aan belang in rechte.

De exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen.

Ten aanzien van de omvang van de tussenkomst van de tussenkomende partijen « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » en anderen B.2.1. Zowel de Franse Gemeenschapsregering als de tussenkomende partijen « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » en anderen zijn van mening dat de memorie van tussenkomst van de « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » en anderen onontvankelijk is in zoverre daarin het onderwerp van het beroep wordt uitgebreid tot de artikelen 3 en 4 van het decreet, die niet bestreden worden in het verzoekschrift tot vernietiging.

B.2.2. Aangezien de memorie die is ingediend door de « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » en anderen een memorie tot tussenkomst is in de zin van artikel 87, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, kan zij, niet alleen, en in tegenstelling tot de memories ingediend op basis van artikel 85 van de voormelde wet, geen nieuwe middelen formuleren, maar evenmin, a fortiori, de vordering tot vernietiging uitbreiden tot bepalingen die niet bestreden worden in het verzoekschrift.

De exceptie van onontvankelijkheid van de memorie van tussenkomst van de tussenkomende partijen « Chambre syndicale des kinésithérapeutes » en anderen, wordt, in zoverre die memorie het onderwerp van het beroep uitbreidt tot de artikelen 3 en 4 van het bestreden decreet van 30 juni 1998, ingewilligd.

Ten aanzien van het middel tot vernietiging B.3. De verzoekende partijen verwijten de artikelen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 tot instelling van het hoger onderwijs van het lange type in de kinesitherapie binnen de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hogescholen, waarvan zij een gedeeltelijke of volledige vernietiging vorderen, dat zij de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet schenden, in zoverre zij een gelijkschakeling vaststellen tussen de gediplomeerden van het universitair onderwijs en de gediplomeerden van het niet-universitair onderwijs in de kinesitherapie, doordat zij aan elk de graden van « kandidaat » verlenen, na twee studiejaren met vrucht te hebben beëindigd, en van « licentiaat », na minstens vier studiejaren met vrucht te hebben beëindigd. Zodoende zouden de bestreden artikelen de specifieke kenmerken miskennen van de universitaire opleiding, aangezien de universitaire en de niet-universitaire opleiding volgens de verzoekende partijen niet vergelijkbaar zijn. Er zou geen relevant motief zijn om te verantwoorden dat de titel van « licentiaat » voortaan wordt verleend aan de studenten die een door een hogeschool georganiseerde studie in de kinesitherapie hebben gevolgd. Bovendien zou een van enig redelijk karakter verstoken onderscheid worden ingesteld onder de hogescholen, vermits, volgens de bewoordingen van het bestreden decreet, alleen sommige onder hen de titel van « licentiaat » mogen verlenen. De maatregel zou van relevantie verstoken zijn vermits hij geen rekening zou houden met het specifieke karakter van het universitair onderwijs, ook al geven de verzoekende partijen toe dat het aantal studiejaren dat vereist is opdat de hogescholen de graad van licentiaat toekennen is verhoogd. Ten slotte zou de maatregel onevenredig zijn in zoverre, vermits de in artikel 2, § 3, van de wet van 6 april 1995 vereiste erkenning kan worden afgegeven aan elke persoon die de opleiding van het lange type heeft gevolgd, de titel van licentiaat niet noodzakelijkerwijze moest worden verleend aan niet-universitairen.

B.4.1. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.4.2. De bestreden artikelen van het voormelde decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 passen in het kader van de doelstellingen van een decreet dat, volgens de memorie van toelichting, ertoe strekt « de studenten die zich ertoe verbinden, vanaf het academiejaar 1998-1999 de in een hogeschool georganiseerde studie in de kinesitherapie te volgen, ervan te verzekeren dat zij, overeenkomstig artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, een diploma niet-universitair hoger onderwijs in de kinesitherapie zullen verkrijgen ter bekrachtiging van een opleiding in het kader van een voltijds onderwijs dat ten minste vier studiejaren omvat » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1997-1998, nr. 244-1, p. 2).

Tijdens de bespreking van het ontwerp dat tot het bestreden decreet heeft geleid, is de vraag naar de noodzakelijkheid van het behoud van de dubbele studierichting, universitair of niet-universitair van het lange type, meermaals aangesneden, waaruit tenslotte is gebleken dat het behoud precies nodig was om het specifieke karakter te vrijwaren van verschillende opleidingen die het mogelijk maken een betere « inzetbaarheid te verzekeren, dit wil zeggen die bekwaamheid die erin bestaat onmiddellijk operationeel te zijn op de arbeidsmarkt. [...] Het bestaan van die dualiteit hoeft geen probleem te zijn want elke onderwijsvorm heeft het eraan toegekende specifieke karakter [...] » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1997-1998, nr. 244-7, p. 28). B.4.3. Uit wat voorafgaat volgt dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen betogen, de decreetgever geenszins het specifieke karakter van de beide studierichtingen, universitair en niet-universitair van het lange type, heeft miskend.

B.5.1. Ten aanzien van de verweten gelijkschakeling van de door de universiteiten verleende graden, blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat de decreetgever zich wilde conformeren aan de federale wet van 6 april 1995 die voorschrijft dat enkel de diploma's van het niet-universitair onderwijs die zijn uitgereikt na vier studiejaren het mogelijk zullen maken vanwege de minister die bevoegd is voor Volksgezondheid de erkenning te verkrijgen voor de beoefening van de kinesitherapie (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1997-1998, nr. 244-7, p. 3). Het Hof stelt bovendien vast dat de decreetgever zich zodoende eveneens heeft geconformeerd aan het algemene systeem dat hij heeft georganiseerd voor de hogescholen door voormeld decreet van 5 augustus 1995.

Het Hof merkt bovendien op dat de decreetgever, om zich te gedragen naar de vereisten van de voormelde wet van 6 april 1995, « de theoretische vorming aanzienlijk heeft verzwaard en daarbij het professionele karakter ervan heeft gevrijwaard, met inachtneming van het specifieke karakter van de kinesitherapie in de wereld van de gezondheidszorg » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1997-1998, nr. 244-7, p. 3).

B.5.2. Het Hof merkt op dat de methode die erop neerkomt de door de universiteiten verleende graden gelijk te stellen met de door de hogescholen verleende graden, niet nieuw is en dat ze met name wordt toegepast in het decreet van 19 juli 1993 tot regeling van het sociaal hoger onderwijs van het lange type in de toegepaste communicatie, en in artikel 4 van de wet van 18 februari 1977 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs en inzonderheid van het technisch hoger en het agrarisch onderwijs van het lange type (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 1997-1998, nr. 244-1, p. 2). In dat verband tonen de verzoekende partijen niet specifiek aan hoe de door de hogescholen van het lange type verstrekte opleiding in de kinesitherapie zou verantwoorden dat die opleiding, zoals een aantal andere in andere hogescholen verstrekte opleidingen, niet bekrachtigd zou kunnen worden met de graad van « licentiaat ». Niets belet overigens dat de houders van een diploma van licentiaat in de kinesitherapie melding maken van de instelling die hun dat diploma heeft uitgereikt.

B.6. Ten aanzien van het discriminerende karakter dat zou voortvloeien uit de bestreden decreetsartikelen om reden dat enkel de hogescholen die door de decreetgever gemachtigd zijn om hoger onderwijs van het lange type te verstrekken, de graad van « licentiaat » kunnen verlenen, stelt het Hof vast dat dit verschil in behandeling niet voortvloeit uit de bestreden artikelen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 30 juni 1998 maar uit artikel 5 van hetzelfde decreet, dat het maximumaantal door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde of georganiseerde hogescholen vaststelt die hoger onderwijs van het lange type kunnen verstrekken. Aangezien dat artikel door de verzoekende partijen niet bestreden wordt, kan het Hof het middel niet onderzoeken.

B.7. Het middel kan niet worden aangenomen.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 29 maart 2000.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^