Bericht
gepubliceerd op 03 mei 2000

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij twee vonnissen van 22 december 1999 en 12 januari 2000 in zake de procureur des Konings tegen A. Ruelens en T. Meerhout, waarvan de expedities « Sch

bron
arbitragehof
numac
2000021218
pub.
03/05/2000
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij twee vonnissen van 22 december 1999 en 12 januari 2000 in zake de procureur des Konings tegen A. Ruelens en T. Meerhout, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 18 januari en 8 februari 2000, heeft de Correctionele Rechtbank te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld: « Schendt artikel 6 van de wet van 2 juni 1998, dat bepaalt dat het aan personen vóór de inwerkingtreding van die wet opgelegde verbod krachtens de artikelen 1, 1bis en 2 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 [waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan de gefailleerden verbod wordt opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken], na de inwerkingtreding van kracht blijft totdat tien jaar zijn verstreken sedert de datum van de veroordeling die tot het verbod aanleiding heeft gegeven, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre : - dat verbod van toepassing is zonder dat de veroordeelde is gedagvaard of uitgenodigd om zich daaromtrent nader te verklaren; - het niet wordt vermeld in het beschikkende gedeelte van de beslissing tot veroordeling en niet het gevolg is van een gerechtelijke procedure op tegenspraak ? » Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 1867 en 1880 van de rol van het Hof en werden samengevoegd met de zaak met rolnummer 1827.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof a. Bij vonnis van 14 december 1999 in zake de Minister van Financiën en het openbaar ministerie tegen J.Mouton en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 15 maart 2000, heeft de Correctionele Rechtbank te Veurne de prejudiciële vraag gesteld « of de artikelen 267 en volgende, zijnde hoofdstuk XXV van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douanen en accijnzen, [de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat zij] in tegenstelling met de strafvordering en de strafrechtspleging in het algemeen, geen onafhankelijkheid waarborgen aan de verdachte-geadministreerde, gezien de Administratie van douane en accijnzen fungeert als : - onderzoeker die - overeenkomstig de reglementering bij export naar andere landen dan de Europese Gemeenschap - bij uitsluiting cruciale bewijsstukken onder zich houdt, waarvan de overlegging in de procedure van die aard is dat de tenlastelegging staat of valt; - tevens vervolgende partij is; - en ten overvloede belanghebbende, begunstigde van de rechten is, bij veroordeling te kwijten door de vervolgende [lees : vervolgde] partij ». b. Bij vonnis van 28 februari 2000 in zake de Minister van Financiën en het openbaar ministerie tegen H.Van Den Bossche en de n.v. Desbo Brandstoffen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 maart 2000, heeft de Correctionele Rechtbank te Dendermonde de prejudiciële vraag gesteld « of de artikelen 267 en volgende, zijnde hoofdstuk 25 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden omdat de strafvordering en de strafrechtspleging inzake douane en accijnzen, in tegenstelling met de strafvordering en de strafrechtspleging in het algemeen, geen onafhankelijkheid waarborgen aan de verdachte-geadministreerde, gezien de administratie der douane en accijnzen fungeert als : - onderzoeker die - overeenkomstig de reglementering bij export naar andere landen dan de Europese Gemeenschap - bij uitsluiting cruciale bewijsstukken onder zich houdt, waarvan de overlegging in de procedure van die aard is dat de tenlastelegging staat of valt; - tevens vervolgende partij is; - en ten overvloede belanghebbende, begunstigde van rechten is, bij veroordeling te kwijten door de vervolgende [lees : vervolgde] partij ».

Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 1909 en 1912 van de rol van het Hof en werden samengevoegd.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof{eHtit} Bij vonnis van 7 maart 2000 in zake V. Delvael en anderen tegen R. Lapauw en de n.v. Lapauw, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 20 maart 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Kortrijk de prejudiciële vraag gesteld « of de uitsluiting van het stellen van de rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid tegen de werkgever, behoudens in welbepaalde gevallen, ook nog immuniteit genoemd, en die a contrario wordt afgeleid uit artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, niet alleen voor de rechthebbenden van het slachtoffer, maar ook voor al diegenen die wegens het arbeidsongeval aanspraak kunnen maken op vergoeding overeenkomstig artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, daar waar deze personen in dit geval op geen enkele vergoeding aanspraak kunnen maken en zij derhalve verschillend behandeld worden naargelang het een arbeidsongeval sensu stricto betreft, dan wel een ongeval op de weg naar en van het werk ».

Die zaak is ingeschreven onder nummer 1913 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 15 maart 2000 in zake de Onderlinge Maatschappij der Openbare Besturen (OMOB) en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen tegen H. Wijnants, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 maart 2000, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 14 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, zoals dit artikel van kracht was op datum van 5 oktober 1991, het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ingeval een personeelslid van een in art. 1 van voornoemde wet bedoelde rechtspersoon of instelling het slachtoffer is van een verkeersongeval, dat onopzettelijk veroorzaakt is door die rechtspersoon of die instelling of leden van het personeel ervan, door wat betreft het recht voor de getroffene of zijn rechthebbenden tot het instellen van een vordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid een onderscheid te maken tussen de getroffene of zijn rechthebbenden van een arbeidsongeval en de getroffene of zijn rechthebbenden van een ongeval naar of van het werk en door louter op basis van die kwalificatie aan de getroffene of zijn rechthebbenden dat vorderingsrecht en derhalve de mogelijkheid tot een volledige schadevergoeding toe te kennen indien het arbeidsongeval een ongeval naar of van het werk uitmaakt, terwijl indien het arbeidsongeval zich niet voordeed op de weg naar of van het werk zulk recht en zulke mogelijkheid voor de getroffene of zijn rechthebbende worden uitgesloten ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1918 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 21 maart 2000 in zake J. Van Durme tegen L. Verbanck en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 maart 2000, heeft het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Houdt artikel 135, § 3, van het Wetboek van Strafvordering een schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor zover die bepaling de termijn van hoger beroep doet lopen vanaf de dag waarop de beschikking van de raadkamer is gewezen, en niet vanaf de dag na de uitspraak ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1924 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest nr. 85.596 van 23 februari 2000 in zake L. Van Winsen en anderen tegen de Vlaamse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 3 april 2000, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het decreet van 13 juli 1972 van de cultuurraad voor de Nederlandse cultuurgemeenschap tot wijziging van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen de regels die door of krachtens de grondwet waren vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de staat, de gemeenschappen en de gewesten ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1935 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^