Bericht
gepubliceerd op 05 december 2000
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 2 oktober 2000 in zake M. Humblet tegen de n.v. Interbrew Belgium, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekom « Sche

bron
arbitragehof
numac
2000021544
pub.
05/12/2000
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 2 oktober 2000 in zake M. Humblet tegen de n.v.

Interbrew Belgium, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 oktober 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het feit niet langer aangesloten te zijn bij de representatieve werknemersorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen de kandidaat-afgevaardigde het voordeel van de bijzondere bescherming tegen ontslag niet ontzegt, terwijl dezelfde omstandigheid het voordeel van die bescherming wel ontzegt aan de - gewone of plaatsvervangende - afgevaardigde ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2042 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest nr. 89.582 van 11 september 2000 in zake W. Weyts tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 oktober 2000, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 21, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 18 juli 1991 tot wijziging van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de opleiding en de werving van magistraten, gewijzigd bij de wet van 1 december 1994, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, waar dit artikel, enerzijds, de magistraten benoemd vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 1991 en aan wie wegens onverenigbaarheid ontslag om eervolle redenen is verleend, anderzijds, de plaatsvervangende rechters benoemd vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 1991 en aan wie wegens onverenigbaarheid ontslag om eervolle redenen is verleend, vrijstelt van het examen inzake beroepsbekwaamheid, terwijl de rechters die een tijdelijk mandaat hebben vervuld en aan wie bijgevolg geen ontslag om eervolle redenen is verleend, geen recht hebben op vrijstelling van het examen inzake beroepsbekwaamheid ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2050 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 9 oktober 2000 in zake de b.v.b.a. Jo Cant en Clive Van Aerde tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 12 oktober 2000, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 98, § 1, a, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het een belasting bepaalt van 200.000 BEF voor personenauto's met een aantal P.K. boven 17 en/of een aantal kW boven 155, terwijl het voor personenauto's met een aantal P.K. van 16 en 17 en/of een aantal kW van 121 tot 155 een belasting bepaalt van slechts 100.000 BEF en voor personenauto's met een aantal P.K. van 15 en/of een aantal kW van 111 tot 120 een belasting bepaalt van slechts 50.000 BEF ? 2. Schendt artikel 98, § 1, a, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het een belasting bepaalt van respectievelijk 2.500 BEF, 5.000 BEF, 20.000 BEF, 35.000 BEF, 50.000 BEF, 100.000 BEF en 200.000 BEF voor personenauto's met een aantal P.K. en/of een aantal kW van respectievelijk 0 tot 8 P.K. en/of 0 tot 70 kW, 9 en 10 P.K. en/of 71 tot 85 kW, 11 P.K. en/of 86 tot 100 kW, 12 tot 14 P.K. en/of 101 tot 110 kW, 15 P.K. en/of 111 tot 120 kW, 16 en 17 P.K. en/of 121 tot 155 kW en boven 17 P.K. en/of boven 155 kW ? 3. Schendt artikel 98, § 1, a, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het de belasting op de inverkeerstelling zowel baseert op het aantal fiscale paardenkracht (P.K.) en kilowatt (kW) van de personenauto's, waarbij in geval het vermogen van eenzelfde motor uitgedrukt in fiscale paardenkracht en in kilowatt aanleiding geeft tot de heffing van een verschillend belastingbedrag, de belasting voor het hoogste bedrag verschuldigd is, terwijl de eenheid van het echte vermogen enkel wordt uitgedrukt in kilowatt en niet in fiscale paardenkracht ? 4. Schendt artikel 98, § 1, a, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijksgestelde belastingen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het een voertuig zoals in casu met een vermogen van 155 kW, waarop normaal een belasting op de inverkeerstelling verschuldigd is van 100.000 BEF, belast aan 200.000 BEF louter en alleen omdat het 1 P.K. meer heeft dan 17 P.K., terwijl die ene P.K. meer geen enkel verband houdt met het reële vermogen van dit voertuig ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2053 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 16 oktober 2000 in zake M. Van Hove en anderen tegen de gemeente Bonheiden en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 25 oktober 2000, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 1, eerste lid, a), van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, en artikel 100, eerste lid, 1°, van de bij koninklijk besluit van 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre krachtens die bepalingen een schuldvordering ten laste van de Staat, bestaande uit een vordering tot schadeloosstelling op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid (artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek), verjaart na verloop van vijf jaar en niet, volgens het in de te dezen relevante periode geldende gemeen recht na verloop van 30 jaar (artikel 2262 - oud - van het Burgerlijk Wetboek) ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2062 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 20 oktober 2000 in zake M. Merlevede tegen A. Desmet en de n.v. Detaform, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 oktober 2000, heeft de Arbeidsrechtbank te Ieper de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 46, § 1, 1° en 3°, van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen, in zoverre de rechtsvordering wegens burgerlijke aansprakelijkheid door het slachtoffer van een arbeidsongeval of door de rechthebbenden tegen de werkgever mogelijk is wanneer deze het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt of wanneer die opzettelijk een ongeval heeft veroorzaakt dat een arbeidsongeval tot gevolg heeft alsmede tegen de lasthebbers en aangestelden van die werkgever indien zij het arbeidsongeval opzettelijk hebben veroorzaakt, terwijl het slachtoffer en de rechthebbenden voor een door de werkgever, diens lasthebbers of aangestelden onopzettelijk veroorzaakt arbeidsongeval tegen hen over geen rechtsvordering inzake burgerlijke aansprakelijkheid beschikken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2064 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij arrest van 6 november 2000 in zake de n.v. Hardy tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 november 2000, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 278 tot 292 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964), gelet op het feit dat de gewestelijk directeur van de belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar, wanneer hij over een bezwaar inzake vennootschapsbelastingen uitspraak doet met toepassing van de artikelen 267 tot 276 van dat wetboek, handelt als een administratieve overheid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepalingen de in de vennootschapsbelasting aangeslagen belastingplichtige het voordeel van volwaardige rechtspraak in twee instanties ontneemt, dat toekomt zowel aan degenen die belastingen van een analoog economisch belang verschuldigd zijn, als aan de rechtzoekenden die het voorwerp zijn van bestuurshandelingen die, wat de vermogensrechtelijke gevolgen ervan betreft, van een andere aard zijn ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 2076 van de rol van het Hof en werd samengevoegd met de zaken met rolnummers 1916 en andere.

De griffier, L. Potoms.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^