Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 10 mei 2004

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnissen van 29 januari 2004 in zake T. Booz en H. Chamizo tegen de Belgische Staat en in zake M. Nochese tegen de Belgische Staat, waarvan « Schenden de artikelen 371 en 376, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de a(...)

bron
arbitragehof
numac
2004201264
pub.
10/05/2004
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnissen van 29 januari 2004 in zake T. Booz en H. Chamizo tegen de Belgische Staat en in zake M. Nochese tegen de Belgische Staat, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 17 maart 2004, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 371 en 376, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, indien zij samen in die zin worden geïnterpreteerd dat zij elke mogelijkheid uitsluiten om ambtshalve ontheffing te verlenen van de overbelastingen die voortvloeien uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten - in het bijzonder een arrest van het Arbitragehof waarbij een bepaling van de fiscale wet, op prejudiciële vraag, ongrondwettig is verklaard -, wanneer de belastingschuldige van die bescheiden of feiten kennis heeft genomen vóór het verstrijken van de gewone bezwaartermijn waarin het voormelde artikel 371 voorziet, maar ze pas na het verstrijken van die termijn en vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 376 van het W.I.B. 1992 heeft overgelegd of aangevoerd ? » Die zaken, ingeschreven onder de nummers 2949 en 2950 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

^