Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 14 februari 2014

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 Bij vonnis van 23 december 2013 in zake Benoît Tombeur en Michèle Baumans tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 ja « Is artikel 300 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met artikel(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2014201017
pub.
14/02/2014
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten Bij vonnis van 23 december 2013 in zake Benoît Tombeur en Michèle Baumans tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 januari 2014, heeft de beslagrechter te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 300 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met artikel 409 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals uitgevoerd bij artikel 166, § 3, van het besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, in die zin geïnterpreteerd dat het de Koning toestaat voor te schrijven dat in geval van bezwaar, van een in artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanvraag om ontheffing of van een vordering in rechte en in zoverre het geen zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft, de in paragraaf 2 van hetzelfde artikel als bewarende maatregel in de zin van artikel 409 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde aanzuivering kan worden verricht door de Belgische Staat, en zulks zonder dat de beslagrechter bij zijn toetsing van de wettigheid en van de regelmatigheid van het beslag toepassing kan maken van de artikelen 1413 en 1415 van het Gerechtelijk Wetboek, en zulks via een maatregel van fiscale schuldvergelijking die is genomen zonder dat de artikelen 1289 tot 1299 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn, bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, - in zoverre het, in die interpretatie, een niet redelijk verantwoorde ongelijkheid van behandeling zou invoeren tussen, enerzijds, de schuldenaar van een betwiste inkomstenbelastingschuld en, anderzijds, de schuldenaar van een andere schuld, aangezien die laatste het zekere, vaststaande en opeisbare karakter van de schuldvordering en de beoordeling van de voorwaarde met betrekking tot het spoedeisende karakter kan onderwerpen aan een volledig daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht in het kader van een gemeenrechtelijke procedure van bewarend beslag, hetgeen de schuldenaar die wordt geconfronteerd met een verrekeningsmaatregel op grond van artikel 166 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, niet kan doen ? - in zoverre het ten voordele van de Belgische Staat voorziet in een systeem van fiscale schuldvergelijking dat verschilt van datgene dat is bedoeld in de artikelen 1289 tot 1299 van het Burgerlijk Wetboek, hetgeen een niet redelijk verantwoorde ongelijkheid van behandeling kan invoeren tussen de schuldenaar van een betwiste inkomstenbelastingschuld en de schuldenaar van een andere schuld die zich op de wettelijke regeling van de artikelen 1289 tot 1299 van het Burgerlijk Wetboek kan beroepen, waarin voor de schuldvergelijking onder meer de vereiste van twee vaststaande en opeisbare schulden wordt opgelegd ? ».

Die zaak is ingeschreven onder nummer 5797 van de rol van het Hof.

De griffier, P.-Y. Dutilleux

^