Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 september 1998
gepubliceerd op 11 november 1998

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende oprichting van het Opleidingscentrum van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
1998031434
pub.
11/11/1998
prom.
17/09/1998
ELI
eli/besluit/1998/09/17/1998031434/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

17 SEPTEMBER 1998. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende oprichting van het Opleidingscentrum van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming;

Gelet op de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, zoals gewijzigd bij de ordonnantie van 12 maart 1998, inzonderheid artikel 4bis;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 november 1967, houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand, inzonderheid artikel 11;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 oktober 1985 betreffende de provinciale opleidingscentra voor de brandweer, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 28 maart 1995;

Gelet op het protocol nr. 97/4 van 24 maart 1997 van het onderhandelingscomité sector XV;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 12 maart 1997;

Gelet op het advies van de Raad van State.

Op de voordracht van de Minister bevoegd voor Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, Besluit : TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de Regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;2° de Minister : het lid van de Regering bevoegd voor brandbestrijding en dringende medische hulp;3° de Brandweerdienst : de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp.

Art. 2.In de schoot van de Brandweerdienst wordt een opleidingscentrum voor de Brandweer opgericht, hiernagenoemd « opleidingscentrum ».

Art. 3.Het opleidingscentrum verstrekt de opleidingen voor de leden van het operationeel personeel van de openbare brandweerdiensten, volgens het lessenprogramma dat overeenkomt met de door de Minister van Binnenlandse Zaken bepaalde minimumprogramma's.

Deze cursussen kunnen in samenwerking met andere erkende provinciale brandweerscholen worden georganiseerd volgens de modaliteiten bepaald door de Minister van Binnenlandse Zaken.

Art. 4.Het opleidingscentrum verstrekt alle andere nuttige vervolmakings- en bijscholingscursussen voor de leden van het operationeel personeel van de Brandweerdienst.

Deze cursussen kunnen worden opengesteld voor de leden van het operationeel personeel van andere openbare brandweerdiensten.

Deze cursussen kunnen in samenwerking met andere erkende provinciale brandweerscholen worden georganiseerd.

Art. 5.Het opleidingscentrum kan eveneens cursussen met betrekking tot voorkoming en bestrijding van brand en paniek organiseren ten behoeve van derden.

Art. 6.De Minister kan het opleidingscentrum opleggen bepaalde opleidings-, vervolmakings- en bijscholingscursussen te organiseren.

TITEL II. - Pedagogische raad

Art. 7.§ 1. Bij de Brandweerdienst wordt een commissie opgericht onder de benaming « Pedagogische Raad van het Opleidingscentrum van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp ».

Deze commissie, hiernagenoemd « pedagogische raad », is als volgt samengesteld : 1°stemgerechtigde leden : a) delegatie van de overheid : zij is paritair verdeeld over beide taalrollen, en bestaat uit : - de leidend ambtenaar en de adjunct leidend ambtenaar van de Brandweerdienst; - twee officieren van de Brandweerdienst; - de directeur van het opleidings-centrum en de adjunct-directeur; b) delegatie van de representatieve vakorganisaties : - 6 afgevaardigden evenredig verdeeld over de vakorganisaties representatief voor de Brandweerdienst;2° leden met raadgevende stem : a) de Minister of zijn vertegenwoordiger, die het voorzitterschap waarneemt;b) een vertegenwoordiger van de Gouverneur van het arrondissement van Brussel-Hoofdstad;c) een vertegenwoordiger van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor brandweer;d) de geneesheer van de Brandweerdienst;e) een pedagoog gespecialiseerd in beroepsopleiding. § 2. De twee officieren van de Brandweerdienst en hun plaatsvervangers worden voorgedragen door de directieraad.

De afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties en hun plaatsvervangers worden voorgedragen door deze organisaties.

De leden en hun plaatsvervangers worden door de Minister benoemd voor een termijn van drie jaar.

Het mandaat is vernieuwbaar.

Het plaatsvervangend lid vervangt het effectief lid dat verhinderd is en voltooit het mandaat van het lid dat overleden is of ontslag neemt.

Het mandaat van de leden en van de plaatsvervangende leden die benoemd zijn na de vernieuwing van de Pedagogische raad eindigt bij de volgende vernieuwing ervan. § 3. Het secretariaat van de pedagogische raad wordt verzekerd door de Brandweerdienst.

Art. 8.De pedagogische raad stelt zijn huishoudelijk reglement op dat aan de Minister ter goedkeuring wordt voorgelegd.

De pedagogische raad keurt het reglement van orde van het opleidingscentrum goed.

Art. 9.De leden van de pedagogische raad die niet in betaalde dienstactiviteit zijn, krijgen een zitpenning per vergadering van de pedagogische raad, ongeacht de duur ervan, voor zover zij gedurende gans de vergadering aanwezig waren. Het bedrag ervan wordt op F 1 707 vastgesteld, aan 100 %, gekoppeld, zoals de lonen aan de spilindex 138.01 van 1 november 1993.

Art. 10.De pedagogische raad kan slechts op geldige wijze beraadslagen indien 2/3 van de stemgerechtigde leden van elke delegatie, zoals bedoeld in artikel 7, 1°, a) en b) aanwezig zijn.

De stemming is geheim.

De beslissingen van de pedagogische raad worden genomen bij gewone meerderheid.

Heeft de pedagogische raad over één of meerdere punten van de agenda van een vergadering niet op geldige wijze kunnen beraadslagen omdat het in het eerste lid bedoelde quorum niet werd bereikt, dan worden de punten op de agenda geplaatst van een volgende vergadering volgens de modaliteiten bepaald in het huishoudelijk reglement en beraadslaagt de pedagogische raad daarover op geldige wijze, ongeacht het aantal aanwezige leden.

Bij staking van stemmen wordt de uiteindelijke beslissing bepaald door de voorzitter.

TITEL III. - Organisatie

Art. 11.§ 1 Het dagelijks administratief beheer van het opleidingscentrum wordt verzekerd door de directeur. Hij wordt bijgestaan door een adjunct-directeur van de andere taalrol.

Beiden worden door de Minister benoemd voor een termijn van 3 jaar, op voordracht van de bijzondere commissie en volgens de procedure bedoeld in artikel 27 van dit besluit.

Het mandaat in vernieuwbaar. § 2. Zij beantwoorden aan volgend profiel : a) zij zijn ambtenaren van niveau 1;b) zij beheersen volgende vaardigheden : creativiteit, zelfstandigheid (initiatief), contactvaardigheid, samenwerking, mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid, leiding geven, kunnen evalueren, flexibiliteit (aanpassingsvermogen), stressbe-stendigheid, noties van pedagogie. § 3. Zij zijn verantwoordelijk voor het pedagogisch en administratief bestuur van het opleidingscentrum.

Zij stellen het reglement van inwendige orde op van het opleidingscentrum dat aan de pedagogische raad ter goedkeuring wordt voorgelegd. § 4. De directeur en de adjunct-directeur zijn de enige personen die het opleidingscentrum kunnen vertegenwoordigen en met wie rechtstreekse briefwisseling hieromtrent kan worden gevoerd.

Art. 12.De Regering belast de Minister met de uitwerking van de delegatie van de bevoegdheden met betrekking tot het dagelijks beheer van het opleidingscentrum aan de directeur en de adjunct-directeur.

Art. 13.De Regering kan een bijzonder geldelijk statuut uitwerken voor de directeur en de adjunct-directeur van het opleidingscentrum.

Art. 14.Onder het dagelijks beheer van het opleidingscentrum wordt onder meer verstaan : 1°het reglement van orde van het opleidingscentrum toepassen; 2° de beslissingen van de pedagogische raad uitvoeren;3° het opstellen van de lesroosters;4° de coördinatie van de lessen verzorgen;5° de naleving van orde en tucht controleren;6° de didactische uitrusting van het opleidingscentrum onderhouden en uitbouwen;7° het organiseren van de activiteiten van het personeel verbonden aan het opleidingscentrum. TITEL IV. - Opleiding

Art. 15.De pedagogische raad is verantwoordelijk voor de opmaak van de programma's en het toezicht op de uitvoering ervan, en voor de inrichting van de cursussen conform de bepalingen van artikel 3 van dit besluit.

Art. 16.Het met gunstig gevolg afleggen van de examens op het einde van de cursussen bedoeld in artikel 3 van dit besluit geeft aanleiding tot het afleveren van een brevet.

De door het opleidingscentrum afgeleverde brevetten worden door de Minister bekrachtigd.

Art. 17.De inhoud en het programma van de cursussen bedoeld in de artikelen 4 en 5 van dit besluit worden vastgesteld door de pedagogische raad.

Het met gunstig gevolg afleggen van de examens op het einde van deze cursussen geeft aanleiding tot het afleveren van een getuigschrift.

Deze getuigschriften worden bekrachtigd door de directeur en de adjunct-directeur van het opleidingscentrum.

Art. 18.Het examenreglement, de data en de plaats van de examens worden vastgesteld door de pedagogische raad.

De samenstelling van de examencommissie wordt voor elke cursus vastgesteld door de Minister op voordracht van de pedagogische raad.

Art. 19.De cursussen bedoeld in artikelen 3 en 4 van dit besluit worden derwijze georganiseerd dat de lessen en de examens en de hierop volgende deliberaties samenvallen voor beide taalrollen.

Het brevet of het getuigschrift dat het met gunstig gevolg afleggen van deze cursussen bewijst, wordt op dezelfde datum uitgereikt voor beide taalrollen.

TITEL V. - Personeel en financiën

Art. 20.Het administratief personeel van het opleidingscentrum wordt ter beschikking gesteld door de Brandweerdienst.

Art. 21.De pedagogische raad duidt voor elk vak de nodige lesgevers aan.

De modaliteiten inzake de organisatie van de dienstregeling van de lesgevers die behoren tot het personeel van de Brandweerdienst worden bepaald in overleg met deze dienst.

Art. 22.De bezoldiging voor de lesgevers wordt vastgesteld op BEF 1 300/lesuur (aan 100 %, gekoppeld, zoals de lonen, aan de spilindex 138.01 van 1 november 1993).

Art. 23.De werkingskosten van het opleidingscentrum en de inkomsten bestaande uit inschrijvingsrechten, retributies en subsidies, worden geboekt op de desbetreffende artikelen van de begroting van de Brandweerdienst.

TITEL VI. - De leerlingen

Art. 24.Om tot de cursussen te worden toegelaten moeten de kandidaten aan de volgende criteria voldoen : 1° voor de lessen die aanleiding geven tot het behalen van een brevet : voldoen aan de voorwaarden zoals bepaald in de ter zake geldende reglementering;2° voor de lessen die aanleiding geven tot het afleveren van een getuigschrift : a) getuigschriften noodzakelijk voor de werking van de Brandweerdienst : lid zijn van het operationeel personeel van de Brandweerdienst of de toelating gekregen hebben van de pedagogische raad;b) andere getuigschriften : toelating hebben van de pedagogische raad.

Art. 25.De inschrijving tot de cursussen van leerlingen die geen lid zijn van de Brandweerdienst geeft aanleiding tot de inning van een inschrijvingsrecht of een retributie volgens de modaliteiten bepaald door de Regering, op advies van de pedagogische raad.

Art. 26.Tijdens de cursussen en de examens zijn de leerlingen onderworpen aan het huishoudelijk reglement van het opleidingscentrum.

TITEL VII. - Bijzondere bepaling

Art. 27.Telkens als de functies van directeur en/of van adjunct-directeur, vacant zijn, gaat de Minister over tot de vacantverklaring ervan. In eerste instantie richt hij een oproep tot kandidaten tot alle instellingen die ressorteren onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De Minister roept de pedagogische raad bijeen in een bijzondere commissie waarvan hij de leden aanwijst. In deze commissie worden de directeur en/of de adjunct-directeur, vervangen door één of twee officieren van de Brandweerdienst van dezelfde taalrol, voorgedragen door de directieraad.

Deze bijzondere commissie ontvangt en onderzoekt de kandidaturen en formuleert een voorstel inzake aanduiding van de directeur en/of adjunct-directeur naar de Minister toe. Tijdens deze zitting kunnen eventuele kandidaten tot de te begeven functies niet zetelen. In voorkomend geval worden ze onmiddellijk vervangen.

Indien de pedagogische raad geen kandidatuur weerhoudt, kan de Minister op gemotiveerd advies van de pedagogische raad een nieuwe oproep tot kandidaten doen buiten het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Bij eenparigheid van stemmen is de Minister gebonden door de voordracht.

Art. 28.Bij de hernieuwing van de pedagogische raad blijven de directeur en de adjunct-directeur van het opleidingscentrum hun mandaat onverminderd uitoefenen en het dagelijks beheer waarnemen. Zij nemen dit beheer waar tot de aanstelling van hun opvolgers of de betekening van de verlenging van hun mandaat.

TITEL VIII. - Slotbepalingen

Art. 29.Dit besluit treedt in voege op 1 oktober 1998.

Art. 30.De Minister van Ambtenarenzaken, Buitenlandse Handel, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 17 september 1998.

De Minister-Voorzitter, Ch. PICQUE De Minister van Ambtenarenzaken, Buitenlandse Handel, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp, R. GRIJP

^