Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 september 2001
gepubliceerd op 28 september 2001
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2001031330
pub.
28/09/2001
prom.
20/09/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

20 SEPTEMBER 2001. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd;

Gelet op richtlijn 86/280/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen;

Gelet op richtlijn 83/513/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1983 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium;

Gelet op richtlijn 82/176/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 maart 1982 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden;

Gelet op richtlijn 84/491/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 oktober 1984 betreffende de grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor de lozing van hexachloorcyclohexaan;

Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, inzonderheid op artikel 3;

Gelet op het advies van Raad voor het Leefmilieu, gegeven op 9 november 2000;

Gelet op de Regeringsbeslissing van 8 maart 2001 om de Raad van State te vragen binnen een maand advies uit te brengen;

Overwegende dat de adviesaanvraag op 13 maart 2001 aan de Raad van State werd gestuurd;

Dat die aanvraag tot op heden onbeantwoord is gebleven;

Overwegende dat de inwerkingtreding van dit besluit dringend is omdat België reeds door het Hof van Justitie werd veroordeeld wegens gebrekkige omzetting van de genoemde richtlijn 76/464/EEG en dat de Europese Commissie een nieuwe ingebrekestellingsprocedure heeft aangevat die ertoe zou kunnen leiden dat België een tweede keer wordt veroordeeld, dit keer met oplegging van een dwangsom;

Dat het bijgevolg verantwoord is zich te onttrekken aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973;

Op voorstel van de Minister van Leefmilieu;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving

Artikel 1.Dit besluit heeft tot doel het aquatisch milieu te beschermen tegen de verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen. Hiertoe worden basisnormen vastgesteld die de kwaliteit van het aquatisch milieu moeten waarborgen.

Het is van toepassing op het geheel van de oppervlaktewateren.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "richtlijn" : richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd;2° "oppervlaktewater" : het water van waterwegen, het water van onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van hun ondergrondse trajecten, de beken en rivieren, zelfs met onregelmatig debiet stroomopwaarts van het punt waar deze als onbevaarbare waterlopen worden ingedeeld, het water van meren, vijvers en ander stromend en stilstaand water;3° "gevaarlijke stoffen" : de in het water aanwezige stoffen van de lijsten I en II van de richtlijn die ofwel gevaarlijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid wegens hun toxiciteit, persistentie of bio-accumulatie, met uitzondering van die stoffen welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in biologisch onschadelijke stoffen, ofwel een schadelijke werking kunnen hebben op het aquatisch milieu, dat beperkt kan worden tot een bepaald gebied en afhangen van de kenmerken van de ontvangende wateren en de plaats daarvan;4° "relevante gevaarlijke stoffen" : de gevaarlijke stoffen van lijst II van de richtlijn die vermeld zijn in kolom 5 van de tabel in bijlage II bij dit besluit;5° « lijst van de 16 prioritaire stoffen die op lijst I van de richtlijn kunnen worden opgenomen » : lijst van de 16 stoffen die zijn opgenomen in het voorstel van 14 februari 1990 tot wijziging van richtlijn 76/464 waarin de Europese Commissie voorstelt die 16 stoffen toe te voegen aan de stoffen van lijst I van de richtlijn;6° "kwaliteitsdoelstelling" : toelaatbare concentratie voor een bepaalde stof in het oppervlaktewater;7° "Minister" : de Minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd voor Leefmilieu en Waterbeleid;8° "Instituut" : het Brussels Instituut voor Milieubeheer. HOOFDSTUK II. - Bepaling van de gevaarlijke stoffen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen

Art. 3.§ 1. De gevaarlijke stoffen van lijst I van de richtlijn zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage I bij dit besluit. § 2. De stoffen die kunnen worden opgenomen in de lijst van de relevante gevaarlijke stoffen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden eerst gezocht onder de negenennegentig stoffen van lijst II van de bijlage bij de richtlijn, alsmede onder bepaalde metalen en metaalhoudende verbindingen. Deze stoffen worden vermeld in kolom 2 van de tabel in bijlage II bij dit besluit.

De lijst van de relevante stoffen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt vastgesteld op grond van meetcampagnes voor het oppervlaktewater.

Een stof die in lijst II kan worden opgenomen, wordt als relevant beschouwd zodra haar concentratie in het water die over minimum één jaar wordt gemeten, één keer de door het Instituut bepaalde vaststellingsgrens overschrijdt. De in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geïdentificeerde relevante stoffen worden vermeld in kolom 5 van de tabel in bijlage II van dit besluit.

Art. 4.De kwaliteitsdoelstellingen gebonden aan de in lijst I van de richtlijn opgenomen gevaarlijke stoffen worden vermeld in kolom 2 van de tabel in bijlage I bij dit besluit. De waarden in de tabel zijn gemiddelde waarden over een periode van één jaar.

De aan de relevante gevaarlijke stoffen gebonden kwaliteitsdoelstellingen worden vermeld in kolom 6 van de tabel in bijlage II bij dit besluit. De waarden in de tabel zijn mediane waarden over een meetperiode van één jaar.

Art. 5.De Regering kan strengere kwaliteitsdoelstellingen vaststellen voor sommige oppervlaktewateren.

Art. 6.De monsternemingen die tot doel hebben de naleving van de in de bijlagen I en II bij dit besluit vermelde kwaliteitsdoelstellingen te controleren, worden verricht als volgt : 1° de monsternemingen en de berekeningen worden jaarlijks uitgevoerd;2° in de loop van het jaar worden minstens vijf monsternemingen op dezelfde plaatsten uitgevoerd;3° de monsternemingen worden zo verspreid dat met verschillende weersomstandigheden rekening wordt gehouden.

Art. 7.Het Instituut beoordeelt op 31 december 2001 of de kwaliteitsdoelstellingen voor de relevante gevaarlijke stoffen zijn nagekomen. Het beoordelingsverslag wordt aan de Minister overgezonden.

Voor elke relevante stof die aan de lijst wordt toegevoegd na bijwerking ervan, zoals bepaald in artikel 9, wordt aan het einde van een meetjaar beoordeeld of de kwaliteitsdoelstelling ervan al dan niet is nagekomen.

Art. 8.De kwaliteitsdoelstellingen gelden niet voor de oppervlaktewateren of voor bepaalde gedeelten ervan : 1° in geval van buitengewone droogte;2° wegens wetenschappelijk vastgestelde geologische natuurlijke eigenschappen of andere, die van dien aard zijn dat ze de waterkwaliteit aantasten.

Art. 9.De lijst van de relevante gevaarlijke stoffen en/of van de desbetreffende kwaliteitsdoelstellingen worden één keer en uiterlijk op 31 december 2001 bijgewerkt.

De Minister kent een kwaliteitsdoelstelling toe aan elke nieuwe relevante gevaarlijke stof die aan de lijst wordt toegevoegd.

Vanaf de eerste bijwerking wordt de lijst om de drie jaar bijgewerkt. HOOFDSTUK III. - Controlenetwerk

Art. 10.Uiterlijk op 31 december 2000 wordt een netwerk tot stand gebracht voor de controle van de oppervlaktewateren verontreinigd door de in het aquatisch milieu aanwezige relevante gevaarlijke stoffen.

Art. 11.Het krachtens artikel 10 tot stand gebrachte controlenetwerk heeft o.a. tot doel : 1° de evolutie van de relevante gevaarlijke stoffen te volgen ten overstaan van de kwaliteitsdoelstelling ervan;2° het effect van de in hoofdstuk IV van dit besluit bedoelde programma's ter vermindering van de verontreiniging te beoordelen;3° de lijst van de relevante gevaarlijke stoffen of groepen van relevante gevaarlijke stoffen onder de in bijlage II bij dit besluit opgenomen stoffen bij te werken.

Art. 12.§ 1. De Minister gaat over of laat overgaan tot de representatieve monsternemingen volgens de minimale frequentie bedoeld in artikel 6.

Het laboratorium waarop een beroep wordt gedaan voor de monsternemingen en analyses dient in het bezit te zijn van : 1° een erkenning afgegeven door het Brussels Hoofstedelijk Gewest;2° of, een Beltest-accreditatie;3° of, een gelijkwaardige accreditatie afgegeven door een Lidstaat. § 2. Tussen het moment van de monsterneming te velde en dat van het laboratoriumonderzoek wordt alles in het werk gesteld om de verslechtering van de oorspronkelijke kwaliteit van de monsters te voorkomen. § 3. De controle van de kwaliteitsdoelstellingen wordt bij voorkeur verricht via gestandaardiseerde analysetechnieken van het type ISO, EPA, EN, NBN. De laboratoria die aangepaste of andere methodes gebruiken, moeten zich vergewissen van de geldigheid van hun niet-gestandaardiseerde methodes en dat bewijzen aan de hand van herhaalbaarheids- en reproduceerbaarheidsproeven.

Het laboratorium zal rekening houden met de bestaande normen en methodes in verband met de maximale aanbevolen bewaartijd vóór analyse. HOOFDSTUK IV. - Programma's ter vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door de relevante gevaarlijke stoffen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Art. 13.De Minister bepaalt een programma ter vermindering van de verontreiniging veroorzaakt door elke relevante gevaarlijke stof bedoeld in kolom 3 van de bij dit besluit gevoegde tabel waarvan de kwaliteitsdoelstelling op 31 december 2001 niet in acht is genomen.

Deze programma's worden goedgekeurd binnen drie maanden, te rekenen vanaf 31 december 2001.

De Minister bepaalt specifieke programma's ter vermindering van de relevante gevaarlijke stoffen die aan de lijst worden toegevoegd na 31 december 2001 en die niet voldoen aan hun kwaliteitsdoelstelling aan het einde van het meetjaar dat volgt op dat van hun indeling. Deze programma's worden goedgekeurd binnen zes maanden na het einde van het meetjaar.

Art. 14.De programma's ter vermindering van de verontreiniging bepalen in welke mate de verschillende aangenomen en/of voorziene instrumenten, met inbegrip van de wettelijke, verordenende en bestuurlijke maatregelen, tot hun verwezenlijking bijdragen.

De programma's kunnen ook specifieke bepalingen bevatten in verband met de samenstelling en het gebruik van de bedoelde stoffen en rekening houden met de recentste technische vorderingen die economisch haalbaar zijn.

De middelen die worden aangewend om de relevante gevaarlijke stoffen onder hun kwaliteitsdoelstelling te brengen, kunnen met name betrekking hebben op de vermindering bij de emissie en/of het gebruik, het belastingsysteem en het uitvoeringsverbod. De kwaliteitsdoelstellingen moeten uiterlijk vijf jaar na de goedkeuring van het programma worden gehaald.

Art. 15.Als blijkt dat een kwaliteitsdoelstelling aan het einde van het overeenkomstige verminderingsprogramma niet zijn nagekomen en voor zover vaststaat dat de oorzaak van de niet-inachtneming gedeeltelijk of geheel te wijten is aan menselijke activiteiten die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden uitgevoerd, neemt de Minister bijkomende maatregelen om de nakoming ervan te waarborgen.

Art. 16.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 17.De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 20 september 2001.

Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-Voorzitter, F.-X. de DONNEA De Minister van Leefmilieu, D. GOSUIN

Bijlage I Kwaliteitsdoelstellingen van de gevaarlijke stoffen opgenomen in lijst I van de richtlijn Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen.

Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-Voorzitter, F.-X. de DONNEA De Minister van Leefmilieu, D. GOSUIN

Bijlage II Lijst van de relevante gevaarlijke stoffen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en kwaliteitsdoelstellingen Deze lijst van relevante gevaarlijke stoffen is opgemaakt op grond van een voorafgaande analyse van de oppervlaktewateren uitgevoerd over de periode 1997-2000 op verschillende representatieve punten.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld * Lijst van de 16 prioritaire stoffen die op de lijst I van de richtlijn kunnen worden opgenomen.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen.

Namens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-Voorzitter, F.-X. de DONNEA De Minister van Leefmilieu, D. GOSUIN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^