Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002
gepubliceerd op 26 november 2002
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2002031554
pub.
26/11/2002
prom.
26/09/2002
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

26 SEPTEMBER 2002. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11;

Gelet op de wet van 21 augustus 1987 tot wijziging van de wet houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten en houdende bepalingen betreffende het Brusselse Gewest, inzonderheid op artikel 27, § 3;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 maart 1989 tot oprichting van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, bekrachtigd door de wet van 16 juni 1989, inzonderheid op artikel 1, § 2;

Gelet op artikel 8, tweede lid, van de ordonnantie van 19 juli 1990 houdende oprichting van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, inzonderheid op artikel 8, tweede lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 maart 1991 houdende coördinatie van de wetten van 28 december 1984 en van 26 juni 1990 betreffende de afschaffing en de herstructurering van instellingen van openbaar nut en andere overheidsdiensten, inzonderheid op artikelen 9 en 16;

Gelet op de ordonnantie van 3 december 1992 betreffende de exploitatie en de ontwikkeling van het kanaal, de haven, de voorhaven en de aanhorigheden ervan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, inzonderheid op artikel 14, vierde lid;

Gelet op de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, inzonderheid de artikelen 23, 34 en 35;

Gelet op het besluit van de Regent van 3 mei 1948 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, in de door het statuut vastgelegde zin, tot Rijksambtenaar kunnen benoemd worden de leden en de gewezen leden van het personeel der kolonie, de leden van de rechterlijke macht, van de Raad van State en van het Rekenhof, de militairen en het administratief personeel van de griffies, de parketten, van de Raad van State en van het Rekenhof, opnieuw gepubliceerd als bijlage III van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 april 1969, 17 september 1969 en 18 juni 1976;

Gelet op het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 1951, 30 augustus 1954, 11 december 1970, 11 augustus 1976 en 30 november 1979;

Gelet op het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 april 1954 waarbij de rijksambtenaren die gemachtigd werden een openbaar ambt uit te oefenen in sommige Afrikaanse gebieden toen deze onder het gezag van België stonden, geheel of gedeeltelijk van sommige loopbaanexamens worden vrijgesteld, opnieuw gepubliceerd als bijlage V van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 11 december 1970;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen betreffende de afwezigheid wegens persoonlijke aangelegenheden, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 mei 1968, 7 maart 1977, 24 november 1978, 22 januari 1979, 27 juli 1981, 16 november 1981, 30 maart 1983, 31 december 1984, 18 februari 1985, 3 juli 1985, 26 augustus 1987, 1 oktober 1987, 2 oktober 1989, 27 maart 1990, 19 juli 1990, 25 oktober 1990, 18 september 1991, 10 oktober 1991, 6 november 1991 en 14 februari 1992;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand van disponibiliteit van het rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967 en bij het koninklijk besluit van 14 december 1970;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 november 1969, 6 september 1971, 10 juli 1972, 29 juni 1973, 6 augustus 1974, 27 oktober 1975, 13 september 1976, 14 september 1976, 11 februari 1977, 22 mei 1978, 3 september 1979, 12 augustus 1981, 18 mei 1983, 19 maart 1985, 7 maart 1989, 18 december 1989, 21 december 1990 en 16 september 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1970, 4 december 1990 en 4 maart 1993, de wet van 22 juli 1993, de koninklijke besluiten van 17 maart 1995 en 10 april 1995, met uitzondering van artikelen 1 tot 4;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de vorming en de voortgezette opleiding van het rijkspersoneel;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 januari 1965 houdende vaststelling van de manier van aanwijzing van de groepsleiders in de typdiensten en van hun bezoldiging;

Gelet op het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1984 en bij het ministerieel besluit van 12 december 1984;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 februari 1967 en 2 maart 1989;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 1965 betreffende de valorisatie van de voordelen in natura toegekend aan de conciërges van de verschillende Ministeries en van de instellingen welke tot die Ministeries behoren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 februari 1979;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de rijksambtenaren die met een opdracht worden belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1971, 2 april 1979 en 19 september 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 14 februari 1968 houdende sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met de graden van conducteur, van technisch ingenieur of met sommige graden van het controle- en opzichterpersoneel van werken zijn bekleed, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1973, 12 september 1974 en 16 november 1979;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1976, 3 december 1987 en 6 november 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 4 maart 1974, 30 september 1974, 17 september 1975, 23 december 1975, 8 maart 1976, 15 maart 1976, 10 mei 1976, 15 september 1976, 24 februari 1977, 10 mei 1977, 6 juni 1978, 3 oktober 1978, 13 september 1979, 2 oktober 1979, 16 november 1979,22 februari 1980, 30 juli 1981, 16 december 1981, 12 juli 1982, 6 oktober 1983, 26 januari 1984, 28 mei 1984, 3 september 1984, 14 juni 1985, 19 augustus 1985, 13 juli 1987, 4 februari 1988, 16 november 1988, 6 maart 1989, 8 mei 1989, 9 juni 1989, 23 oktober 1989, 6 juni 1991, en door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 13 februari 1992;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 6 december 1974, 10 mei 1976, 8 augustus 1983 26 januari 1984, 21 januari 1991, 7 augustus 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1975, 5 december 1978 en 30 maart 1983, bij het koninklijk besluit nr. 279 van 30 maart 1984, bij de koninklijke besluiten van 27 juli 1989, 13 december 1989, 7 augustus 1991, 6 november 1991 en 18 november 1991 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1981 en 16 april 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 maart 1977, 27 juli 1981, 16 november 1981 en 25 oktober 1990;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 september 1976 tot instelling van een toelage voor sommige ambtenaren van de Rijksbesturen, die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1995;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1981, 7 augustus 1991 en 6 november 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 februari 1977 betreffende de toekenning van de zogeheten "weddenschaal van geselecteerde" aan bepaalde personeelsleden van sommige ministeries;

Gelet op het koninklijk besluit van 31 juli 1978 houdende toekenning van een toelage voor vervanging van de huisbewaarder tijdens het vakantieverlof, aan personen vreemd aan de Administratie;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van architect zijn bekleed;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van industrieel ingenieur zijn bekleed, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 februari 1989 en 6 november 1991;

Gelet op het koninklijk besluit van 19 augustus 1985 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;

Gelet op het koninklijk besluit van 13 maart 1989 tot bepaling van de rechtspositie en de graden van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;

Gelet op het koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 mei 1989 tot bepaling van de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend-ambtenaar van het Centrum voor Informatica voor het Brusselse Gewest, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 17 december 1992;

Gelet op het koninklijk besluit van 11 mei 1989 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest titularis kunnen zijn, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 1992;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 5 december 1990;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het statuut van leidend ambtenaar en adjunct leidend ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer.

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 25 juli 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan het personeel dat werkzaam is bij sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 1993 en 14 maart 1998;

Gelet op het koninklijk besluit van 8 augustus 1991 betreffende het onthaal en de opleiding van het rijkspersoneel;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 houdende reglement van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot toekenning van een zogeheten weddenschaal van « geselecteerde » aan sommige personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling titularis kunnen zijn, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 betreffende het statuut van de ambtenaren van de Haven van Brussel;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijk Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van het statuut en de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van de Haven van Brussel;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijk Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Haven van Brussel, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 maart 2000;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot bepaling van de hiërarchische rangschikking van de graden die door de personeelsleden van de Haven van Brussel kunnen worden bekleed;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van het Brussels Instituut voor Milieubeheer kunnen bekleden;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 tot vaststelling van het statuut van de opdrachthouders bij de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bekleden, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 februari en 26 mei 1994;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij titularis kunnen zijn;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 december 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 3 en 4 van het Ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 januari 1994 tot oprichting van een gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot vaststelling van de samenstelling ervan, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 en 19 juni 1997;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 februari 1994 houdende het personeelsreglement van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 februari 1995 betreffende de hiërarchische rangschikking van de graden van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 januari 1996 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die afhangen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 mei 1998 tot oprichting van een stagecommissie voor het Brussels Instituut voor Milieubeheer.

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 november 1998 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 maart 1999 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 mei 2000 tot wijziging van de samenstelling van de Directieraad van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 juli 2001 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Gelet op volgende formaliteiten waaraan voormeld besluit voorafgaandelijk werd onderworpen : - het protocol nr.104/3 van 8 december 1998 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten; - de protocollen nr. 98/22 en n° 2000/15 van 9 november 1998 en van 28 juni 2000 van het Sectorcomité XV; - het advies van de Inspecteur van Financiën van 2 februari 1999; - de akkoordbevinding van de Minister bevoegd voor Begroting van 15 februari 1999; - de akkoordbevinding van de federale Minister van Pensioenen van 10 juli 2000; - het advies van het beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling van 28 april 2000; - het advies van de raad van bestuur van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij van 23 mei 2000; - het advies van de raad van bestuur van de Gewestelijke Vennootschap van de Haven van Brussel van 26 mei 2000; - het besluit van de Regering over het verzoek om advies van de Raad van State binnen een termijn van één maand; - het advies 30.491/4 van de Raad van State, gegeven op 25 april 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Overwegende dat het bovenvermeld besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 juli 2001 behalve de handtekening van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, de handtekening van de Staatssecretaris belast met Ambtenarenzaken draagt, terwijl volgens de jurisprudentie van de Raad van State het besluit enkel door de leden van de Regering kon worden voorgedragen en getekend en niet door een Staatssecretaris zoals in casu;

Overwegende dat, dientengevolge, het voormeld besluit het risico loopt een vormfout te bevatten en het dient te worden ingetrokken gezien het risico tot nietigverklaring van alle feitelijke en rechtsbepalingen genomen op basis ervan;

Overwegende, voorts, dat het noodzakelijk is voormeld besluit te herstellen en de bepalingen die het bevat opnieuw uit te vaardigen met uitwerking vanaf de dag van de aanvankelijke inwerkingtreding ervan;

Overwegende dat het geheel van de statutaire bepalingen van de ambtenaren werden geintegreerd in een enkel besluit;

Overwegende dat de bepalingen vervat in voormeld besluit reeds grotendeels in werking werden gesteld in de betrokken instellingen van openbaar nut, in het bijzonder deze betreffende de nieuwe organisatie, de nieuwe benaming der graden, de stage, de werving, de loopbaan, de verloven en ziekteverloven, de vorming, de tuchtregeling, de anciënniteiten, de nieuwe weddeschalen, de toelagen en vergoedingen, evenals de bepalingen betreffende de invoeging van de ambtenaren in de nieuwe graden en weddeschalen;

Overwegende dat deze bepalingen een rechtstreekse uitwerking hebben op de administratieve en geldelijke toestand van de ambtenaren;

Overwegende dat de werkomstandigheden en de bezoldigingsregeling die de ambtenaren genieten naar aanleiding van de invoering van de bepalingen vervat in voormeld besluit moeten worden heringevoerd op gevaar af afbreuk te doen aan hun rechten;

Overwegende dat het opnieuw uitvaardigen met terugwerkende kracht van de ingetrokken bepalingen er aldus toe strekt de continuïteit, de doeltreffendheid en de goede werking van de diensten gepresteerd door de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut veilig te stellen;

Overwegende dat, zodoende, de vereisten betreffende de rechtszekerheid en de individuele rechten voortvloeiend uit de toepassing van het nieuwe statuut van de instellingen van openbaar nut zullen worden geëerbiedigd;

Gelet op het besluit van de Regering over het verzoek om advies van de Raad van State binnen een termijn van één maand;

Gelet op het advies 33.931/2/V. van de Raad van State, gegeven op 28 augustus 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van Openbaar Ambt, Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - HET ADMINISTRATIEF STATUUT TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit dient te worden verstaan onder : 1° de instellingen : de instellingen van openbaar nut van catégorie A en van categorie B van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;a) de instellingen van categorie A : de instellingen behorende tot categorie A volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut;b) de instellingen van categorie B : de instellingen behorende tot categorie B volgens dezelfde wet;2° de Regering : de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;3° de minister : de Minister bevoegd voor Ambtenarenzaken;4° de functioneel bevoegde minister : de minister of staatssecretaris waarvan een instelling van openbaar nut afhangt krachtens de bevoegdheden die hij uitoefent;5° de benoemende overheid : 1.in de instellingen behorende tot categorie A : a) De Regering voor de graden van niveaus A en B;b) de functioneel bevoegde minister voor de graden van niveau C tot E;2. in de instellingen behorende tot categorie B : a) de Regering voor de graden van rangen A4, A4+ en A5;b) de raad van bestuur of het beheerscomité voor de graden van rangen A1, A2 en A3 alsook voor de graden van niveaus B tot E;6° vakorganisaties : de representatieve vakorganisaties die zetelen in Sectorcomité XV in uitvoering van artikel 8, § 1, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.

Art. 2.§ 1. Dit besluit is van toepassing voor de ambtenaren van de volgende instellingen : 1° Instellingen van categorie A : - Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest; - Brussels Instituut voor Milieubeheer; - Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp; 2° Instellingen van categorie B : - Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij; - Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling; - Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel. § 2. Voor wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, is dit besluit enkel van toepassing op de ambtenaren titularis van een van de graden bepaald door dit besluit TITEL II. - De organisatie van de instellingen van openbaar nut HOOFDSTUK I. - De ambtenaren

Art. 3.Ambtenaar is elkeen die in vast dienstverband is in een instelling.

De ambtenaar valt onder de bepalingen van dit statuut.

Aan de statutaire toestand van de ambtenaar kan alleen een einde worden gemaakt in de gevallen voorzien door de statutaire bepalingen die op hem toepasselijk zijn.

De rechten en plichten bepaald in de artikelen 4 tot 8 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de Algemene Principes, zijn op hem van toepassing.

Art. 4.De ambtenaren van de instellingen worden benoemd in graden. HOOFDSTUK II. - De graden

Art. 5.De graad is de titel op grond waarvan de ambtenaar met een rang bekleed is en waardoor hij gemachtigd is een betrekking in te nemen die met deze graad overeenstemt.

De graden worden gerangschikt per niveau en per rang.

Het niveau van een graad bepaalt de plaats van die graad in de hiërarchie volgens de kwalificatie van de vorming en de geschiktheid waarvan blijk moet gegeven opdat die graad kan worden toegekend.

De rang bepaalt de betrekkelijke waarde van een graad in zijn niveau.

Art. 6.Elke rang wordt aangeduid met een letter gevolg door een cijfer; de letter verwijst naar het niveau; het cijfer plaatst de rang binnen het niveau. Het hoogste cijfer stemt overeen met de hoogste rang.

De rangen worden als volgt verdeeld onder de niveaus : 1° in niveau A, zes rangen, nl.de rangen A1, A2, A3, A4, A4+ en A5; 2° in niveau B, twee rangen, nl.de rangen B1 en B2; 3° in niveau C, twee rangen, nl.de rangen C1 en C2; 4° in niveau D, twee rangen, nl.de rangen D1 en D2; 5° in niveau E, twee rangen, nl.de rangen E1 en E2.

Het niveau A is het hoogste niveau.

Art. 7.De volgende graden worden gecreëerd : in rang A5 : directeur-generaal; in rang A4+ : adjunct-directeur-generaal; in rang A4 : directeur-diensthoofd; in rang A3 : directeur; wetenschappelijk directeur; ingenieur-directeur; in rang A2 : eerste attaché; eerste wetenschappelijk attaché; eerste ingenieur; havenkapitein; in rang A1 : attaché; wetenschappelijk attaché; ingenieur; geneesheer; in rang B2 : eerste assistent; in rang B1 : assistent; in rang C2 : eerste adjunct; in rang C1 : adjunct; in rang D2 : eerste klerk; in rang D1 : klerk; in rang E2 : eerste beambte; in rang E1 : beambte. HOOFDSTUK III. - De personeelsformatie

Art. 8.De personeelsformatie drukt het aantal betrekkingen per niveau, rang en graad uit dat noodzakelijk wordt geacht om de permanente opdrachten van de instelling uit te voeren.

Art. 9.De Regering stelt de personeelsformatie vast en verdeelt, op voorstel van de directieraad, de betrekkingen van eerste attaché van rang A2 in kaderbetrekkingen, expertbetrekkingen en expertbetrekkingen van hoog niveau In de instellingen van categorie B, brengt het beheerscomité of de raad van bestuur een advies uit omtrent het personeelskader en de verdeling bedoeld in het eerste lid.

Voor de toepassing van dit artikel dient te worden verstaan onder : 1° kaderbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op het beheer van een onderdeel van de dienst waaraan de titularis wordt toegewezen;2° expertbetrekking : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de algemene kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking;3° expertbetrekking van hoog niveau : een betrekking waarbij de klemtoon ligt op de grondige gespecialiseerde kennis van de behandelde materie die vereist is voor het uitoefenen van de betrekking.

Art. 10.De dienst belast met het "human resources management", afgekort als HRM stelt de functiebeschrijvingen op en legt ze ter goedkeuring voor aan de directieraad.

Aan iedere functiebeschrijving worden de kwalificaties toegevoegd. Er dient onder kwalificaties te worden verstaan het geheel van kennis en vaardigheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.

Art. 11.De directieraad stelt het organigram vast.

Het organigram van de instelling, evenals elke wijziging die er wordt aan aangebracht, wordt bij wijze van dienstnota aan alle personeelsleden medegedeeld. HOOFDSTUK IV. - De leidende ambtenaren

Art. 12.De leidende ambtenaren zijn de leidende ambtenaar en de adjunct-leidende ambtenaar die respectievelijk de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal zijn.

Art. 13.De leidende ambtenaren kunnen binnen de perken van hun bevoegdheden voor de instellingen van categorie A of binnen de perken van hun organieke bepalingen voor de instellingen van categorie B, hun bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de ambtenaren van niveau A en B die zij aanwijzen HOOFDSTUK V. - De directieraad

Art. 14.De directieraad bestaat uit de leidende ambtenaren en de ambtenaren van rang A4; deze kan worden aangevuld door ambtenaren van rang A3 aangewezen door de benoemende overheid.

De directieraad wordt voorgezeten door de directeur-generaal of, bij afwezigheid of verhindering, door de adjunct-directeur-generaal.

Indien beiden afwezig of verhinderd zijn, wordt de directieraad voorgezeten door het lid aangewezen door de directeur-generaal of door de adjunct-directeur-generaal.

Art. 15.De directieraad stelt zijn huishoudelijk reglement vast.

Art. 16.De directieraad is belast met de opdrachten die dit statuut hem toekent.

Bij de directieraad kan elke aangelegenheid die betrekking heeft op de organisatie van de instelling aanhangig gemaakt worden voor advies door één van haar leden. HOOFDSTUK VI. - De gemeenschappelijke commissie van beroep inzake ambtenarenzaken Afdeling 1. - Opdracht en samenstelling van de commissie

Art. 17.Voor de instellingen wordt een gemeenschappelijke commissie van beroep opgericht.

Art. 18.De commissie bedoeld in artikel 17 is bevoegd voor de beroepen inzake stage, evaluatie, afwezigheden, verloven, disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst en verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid.

Art. 19.De commissie bestaat uit : 1° een effectieve en een plaatsvervangende voorzitter, magistraten of op rust gestelde magistraten, aangewezen door de Regering;2° per taalrol, drie leden gekozen onder de ambtenaren van ten minste rang A2 aangewezen door de Regering;3° per taalrol, drie leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen door deze aangewezen. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde wijze aangewezen : per taalrol drie ambtenaren van ten minste rang A2 en drie vertegenwoordigers van de vakorganisaties.

De minister bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter van de commissie bedoeld in artikel 17. Afdeling 2. - De werking van de commissie

Art. 20.De commissie vergadert in afdelingen per taalrol.

De Regering wijst onder de ambtenaren van de instellingen een secretaris en een plaatsvervangend secretaris aan voor elke afdeling.

Art. 21.De verenigde afdelingen stellen een gemeenschappelijk huishoudelijk reglement op.

Art. 22.Elke afdeling van de commissie beraadslaagt slechts geldig indien de meerderheid van de leden aanwezig is.

Tijdens de stemming moet het aantal leden aangewezen door de Regering en aangewezen door de vakorganisaties gelijk zijn; in voorkomend geval, wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meerdere leden, na loting.

Art. 23.Elk lid van de commissie, met inbegrip van de voorzitter, is stemgerechtigd. HOOFDSTUK VII De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken

Art. 24.De Hoge Raad voor Gewestelijke Ambtenarenzaken, afgekort als de Hoge Raad, opgericht bij artikel 24 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is eveneens bevoegd ten overstaan van de ambtenaren onderworpen aan dit statuut.

De Hoge Raad oefent de opdrachten uit die dit besluit hem toekent. De Regering kan hem met bijkomende bevoegdheden belasten.

TITEL III. - De werving, de stage en de benoeming HOOFDSTUK I. - De werving Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 25.Een vacante betrekking wordt toegewezen aan een kandidaat van de interne mobiliteit, een laureaat van een vergelijkend overgangsexamen naar een hoger niveau of een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen

Art. 26.Vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd voor de graden van rang A1, B1, C1, D1 en E1 alsmede voor de graad van havenkapitein van rang A2.

Worden beschouwd als wervingsgraden : in niveau A, Rang A2 : havenkapitein;

Rang A1 : attaché; wetenschappelijk attaché; ingenieur; geneesheer; in niveau B, rang B1 : assistent; in niveau C, rang C1 : adjunct; in niveau D, rang D1 : klerk; in niveau E, rang E1 : beambte.

Art. 27.In de instellingen van categorie A worden de vergelijkende wervingsexamens georganiseerd op aanvraag van de functioneel bevoegde minister.

In de instellingen van categorie B worden de vergelijkende wervingsexamens georganiseerd op aanvraag van de benoemende overheid.

Art. 28.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid wat betreft de instellingen van categorie B, bepaalt of er al dan niet een reserve van geslaagden wordt aangelegd.

Als er een reserve aangelegd wordt, worden de laureaten die niet benoemd konden worden daarin opgenomen.

De reserve heeft een geldigheidsduur van drie jaar. De functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid kan na raadpleging van de afgevaardigde-bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de federale overheid (afgekort : SELOR) een andere duur bepalen.

Hij licht de kandidaten terzake in.

De functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid kan ook de duur van een bestaande reserve met telkens een jaar verlengen indien de behoeften van de diensten dit rechtvaardigen. Hij licht de laureaten terzake in.

Art. 29.Na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR en met de functioneel bevoegde minister in de instellingen van categorie A of met de benoemende overheid in de instellingen van categorie B, bepaalt de minister : 1° de functiebeschrijving van de betrekking(en) overeenstemmend met de wervingsgraad en de vereiste kwalificatie van de te werven ambtenaren;2° het programma van het vergelijkende wervingsexamen. Eveneens na overleg met de afgevaardigde bestuurder van SELOR, kan de functioneel bevoegde minister of de overheid bedoeld in het eerste lid : 1° specifieke wervingsvoorwaarden opleggen wanneer de aard van het ambt het vereist;2° nader bepalen welke diploma's in het bijzonder toegang verlenen tot het ambt waarvoor een vergelijkend wervingsexamen wordt uitgeschreven.

Art. 30.Wanneer een vacante betrekking bij een instelling van categorie A moet worden ingevuld door een laureaat van een vergelijkend wervingsexamen, richt de functioneel bevoegde minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, een verzoek in deze zin aan de afgevaardigde bestuurder van SELOR. De functioneel bevoegde minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, roept de aangewezen kandidaat in dienst uiterlijk de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de afgevaardigde bestuurder van SELOR de geslaagde ter beschikking heeft gesteld van de instelling.

In de instellingen van de categorie B wordt de bevoegdheid bedoeld in het eerste en tweede lid uitgeoefend door de benoemende overheid of door de ambtenaar die laatstgenoemde daartoe machtigt.

Wanneer de geslaagde bij zijn werkgever een opzeggingstermijn moet eerbiedigen, wordt hij in dienst geroepen de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van deze termijn. Afdeling 2. - De werving van de leidende ambtenaar en van de

adjunct-leidende ambtenaar

Art. 31.De Regering kan conform de respectieve organieke bepalingen van de diverse instellingen de mandaten van de rangen A4+ en A5 openstellen voor elkeen die voorwaarden inzake vereiste diploma vervult om te worden aangeworven in een graad van niveau A. De Hoge Raad brengt een advies uit overeenkomstig het artikel 91.

De Regering bepaalt de toewijzingsmodaliteiten tot het mandaat en kan bijkomende voorwaarden toevoegen.

De Regering bepaalt eveneens de te volgen regels en de vergoedingen die toegekend worden ingeval het mandaat beëindigd wordt om ongeacht welke reden. HOOFDSTUK II. - De stage Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 32.De stagiair is geen ambtenaar in de zin van dit besluit.

Overeenkomstig artikel 9, § 4, lid 3, van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de Algemene Principes, zijn op de stagiaire toepasselijk de volgende statutaire bepalingen : 1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;2° de tuchtregeling;3° de administratieve standen;4° de geldelijk statuut; 5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging.; 6° de gemiddelde maximumarbeidsduur. De stagiair geniet van : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° de feestdagen;3° het omstandigheidsverlof;4° het bevallingsverlof;5° het verlof wegens ziekte;6° de disponibiliteit wegens ziekte;7° verloven om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;8° het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet;9° het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de stagiair geacht de graad te bezitten waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.

Art. 33.§ 1. De minister stelt de ambten en graden vast waarvoor er een bepaalde medische geschiktheid vereist is en geeft de gevergde geschiktheid nauwkeurig aan. § 2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de lichamelijke geschiktheid is voorgeschreven volgens het koninklijk besluit van 13 mei 1999 tot regeling van het medisch toezicht op het personeel van sommige overheidsdiensten, kan de geslaagde slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld; de bedoeling daarvan is te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt uit te oefenen waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ontslagen.

Ten laatste op de datum van dit ontslag wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.

Art. 34.In de instellingen van categorie A laat de Regering de kandidaat voor een betrekking van niveau A of B toe tot de stage. De functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde laat de kandidaat voor een betrekking van niveau C, D of E tot de stage toe.

In de instellingen van categorie B, laat de benoemende overheid de kandidaat voor een betrekking toe tot de stage.

Art. 35.Wanneer de stagiair buiten de verloven bedoeld in artikel 32 derde lid, 1° tot 3° en 7°, tien werkdagen gewettigde afwezigheid overschrijdt, wordt de stage geschorst.

Tijdens de schorsing van de stage behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair.

Hij behoudt deze eveneens tot de datum waarop een definitieve beslissing omtrent zijn benoeming of afdanking wordt genomen.

Art. 36.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de stagiair voorlopig aan voor een met zijn kwalificatie overeenstemmende vacante betrekking bij de dienst waar deze laatste zijn stage zal volbrengen.

Zij kunnen deze aanwijzing veranderen : 1° in het belang van de dienst;2° op aanvraag van de stagiair.

Art. 37.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de ambtenaren van ten minste rang A2 aan die de leiding van de stage uitoefenen, naargelang van de taalrol van de stagiair.

Art. 38.De opleiding van de stagiair gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaar belast met de leiding van de stage, in samenwerking met de bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming.

De bevoegde hiërarchische meerdere zorgt voor de opleiding in de materie die door zijn dienst wordt behandeld. In samenwerking met de dienst belast met de vorming leert hij de stagiair de activiteiten kennen van de andere diensten van de instelling.

De dienst belast met de vorming bepaalt de vormingsactiviteiten waaraan de stagiair verplicht moet deelnemen.

Art. 39.De ambtenaar belast met de leiding van de stage maakt de verslagen bedoeld in artikelen 42, 44 en 45 op en zendt ze naar de dienst belast met de vorming.

Deze laatste kan in overleg met de ambtenaar belast met de leiding van de stage beslissen de stagiair bijkomende vormingsactiviteiten te laten volgen.

De minister legt het model van het stageverslag vast. Afdeling 2. - De stagiairs van niveau A en B.

Art. 40.De stage duurt één jaar.

Zij kan ten hoogste met een jaar worden verlengd in het in artikel 51, 1°, bedoelde geval.

Art. 41.Elke stagiair stelt een eindverhandeling op over een onderwerp dat in overleg met zijn bevoegde hiërarchische meerdere en de dienst belast met de vorming wordt vastgelegd.

Art. 42.Elke maand gedurende het eerste trimester van de stage en vervolgens om de drie maanden organiseert de ambtenaar belast met de leiding van de stage een evaluatiegesprek over het verloop van de stage, inzonderheid over : 1° de vormingsactiviteiten en de resultaten ervan;2° de wijze waarop de stagiair zich in de dienst integreert;3° de uitvoering van zijn werkopdrachten. Het onderhoud heeft tot doel de vooruitgang te evalueren die de stagiair maakt en de nog te verbeteren punten aan te stippen.

De conclusies van elk gesprek worden opgetekend in het stageverslag.

Het verslag wordt meegedeeld aan de stagiair die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen. Afdeling 3. - De stagiairs van niveau C, D en E

Art. 43.De stage duurt zes maanden.

Zij kan ten hoogste met zes maanden worden verlengd in het in artikel 51, 1° bedoelde geval.

Art. 44.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt na de eerste, de derde en de zesde maand van de stage een stageverslag op.

Het verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er desgevallend zijn opmerkingen kan aan toevoegen.

Het voormelde verslag wordt aan de dienst belast met de vorming toegezonden. Afdeling 4. - Het einde van de stage

Art. 45.De ambtenaar belast met de leiding van de stage stelt het eindverslag van de stage op, in overleg met de dienst belast met de vorming. Hij voegt er een van de voorstellen bedoeld in artikel 47 aan toe.

Hij deelt het eindverslag aan de stagiair mede, die over tien werkdagen beschikt om er zijn opmerkingen aan toe te voegen.

Art. 46.De eindevaluatie houdt rekening met alle feiten, al dan niet ten goede, die in de loop van de stage werden vastgesteld, evenals met de tussentijdse evaluaties.

Voor de stagiairs van niveau A en B wordt bovendien rekening gehouden met de eindverhandeling.

Art. 47.De ambtenaar belast met de leiding van de stage overhandigt het eindverslag aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal..

Indien het eindverslag over het geheel van de stage gunstig is, stellen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de benoeming voor van de stagiair aan de benoemende overheid, bedoeld in artikel 54, tweede en derde lid.

Indien het eindverslag ongunstig is of een voorbehoud uitdrukt wat het verloop van de stage betreft, kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling of de verlenging van de stage voorstellen. Afdeling 5. - De procedure van beroep

Art. 48.In de gevallen bedoeld in artikel 47, derde lid, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de commissie bedoeld in artikel 17. Zij voegen er het voorstel van beslissing aan toe.

Zij betekenen dit aan de stagiair. De datum van de betekening doet de termijn lopen, bedoeld in artikel 51, tweede lid.

Art. 49.De voorzitter van de commissie roept de stagiair op. Deze laatste kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Art. 50.De ambtenaar belast met de leiding van de stage brengt verslag uit over het verloop van de stage.

Het hoofd van de dienst belast met de vorming of zijn afgevaardigde evenals de ambtenaar belast met de leiding van de stage worden gehoord.

Art. 51.De commissie kan beslissen : 1° de stage te verlengen, volgens de nadere regels die zij bepaalt, met inachtneming van de maximumtermijnen bedoeld in artikelen 40, tweede lid en 43, tweede lid.2° de benoeming voor te stellen aan de benoemende overheid;3° de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij de instelling voor te stellen aan de benoemende overheid. De commissie beslist binnen drie maanden nadat het dossier bij haar werd ingediend. Bij ontstentenis, wordt de benoeming van de stagiair voorgesteld aan de benoemende overheid.

Art. 52.In geval van verlenging van de stage wordt de stagiair geëvalueerd zoals tijdens de initiële stage.

Artikel 47 is toepasselijk, met dien verstande dat de ambtenaar belast met de leiding van de stage geen tweede verlenging van de stage kan voorstellen.

Art. 53.De opzeggingstermijn voor een stagiair die wordt afgedankt, bedraagt drie maanden.

Ten laatste op de datum van de beslissing tot opzegging wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst afgesloten waarvan de duur overeenstemt met de in het vorige lid bedoelde opzeggingstermijn.

Bij zware fout wordt de stagiair zonder vooropzeg ontslagen. HOOFDSTUK III. - De benoeming

Art. 54.De geschikt verklaarde stagiair wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.

In de instellingen van categorie A benoemt de Regering de stagiairs van niveau A en B en de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde de stagiairs van niveau C, D en E. In de instellingen van categorie B benoemt de benoemende overheid de stagiairs.

Art. 55.De hoedanigheid van ambtenaar wordt bekrachtigd door de eed die wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.

In de instellingen van categorie A leggen de ambtenaren van niveau A en B de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister. De andere ambtenaren leggen de eed af in handen van de functioneel bevoegde minister of de door hem aangewezen ambtenaar.

In de instellingen van categorie B leggen de ambtenaren de eed af in handen van de directeur-generaal en van de adjunct-directeur-generaal.

Art. 56.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal wijzen de pas benoemde ambtenaar een betrekking van zijn graad toe.

TITEL IV. - De loopbaan HOOFDSTUK I. - De hiërarchische loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 57.De hiërarchische loopbaan is de loopbaan die de ambtenaar kan doorlopen door verhoging in graad of door bevordering in een expertbetrekking van hoog niveau overeenstemmend met dezelfde graad als degene die hij bekleedt.

Art. 58.Iedere open betrekking wordt door de benoemende overheid vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven.

Art. 59.§ 1. De vacante betrekkingen worden per dienstnota ter kennis gebracht van de kandidaten van de instelling die de benoemingsvoorwaarden kunnen vervullen.

De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden.

De vacante betrekkingen bedoeld in artikel 64 van dit besluit worden ter kennis gebracht van de ambtenaren die niet tot de instelling behoren door middel van een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad . § 2. Worden enkel in aanmerking genomen, de kandidaturen van de ambtenaren van de instelling die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van vijftien werkdagen. Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar.

Voor de ambtenaren die niet tot de instelling behoren, begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen daags na de publicatie van de oproep in het Belgisch Staatsblad . § 3. Elke kandidatuur voor een bevorderingsbetrekking dient een uiteenzetting te bevatten over de elementen die de kandidatuur staven. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk te dingen naar elke betrekking die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad.

Art. 60.De bevorderingen in de hiërarchische loopbaan worden verleend : 1° in de instellingen van categorie A : - door de Regering wat betreft de graden van de rangen A3, A2 en B2; - door de functioneel bevoegde minister of de daartoe door hem aangewezen ambtenaar wat betreft de andere niveaus; 2° in de instellingen van categorie B, door de benoemende overheid. Afdeling 2. - De bevordering tot een graad van rang A2 of A3

Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang en anciënniteit

Art. 61.De kaderbetrekkingen en de expertbetrekkingen van rang A2 staan open voor titularissen van de graad van attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen.

De betrekkingen van eerste wetenschappelijk attaché in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van wetenschappelijk attaché in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen.

De betrekkingen van eerste ingenieur in rang A2 staan open voor titularissen van de graad van ingenieur in rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen.

Bij gebrek aan kandidaten die de voorwaarden inzake anciënniteit vervullen, kan de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid wat betreft de instellingen van categorie B, de vereiste anciënniteit met een derde verlagen.

De beslissing tot verlaging van de vereiste anciënniteit wordt vermeld in de bekendmaking van de vacante betrekking en in de aanhef van het benoemingsbesluit.

Art. 62.De betrekkingen van eerste attaché van rang A2, expert van hoog niveau staan open voor ambtenaren bekleed met de graad van attaché van rang A1 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen, evenals voor ambtenaren met de graad van eerste attaché van rang A2 die titularis zijn van een kader- of expertbetrekking.

Art. 63.De betrekkingen van directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graden van attaché in rang A1, van eerste attaché in rang A2 en van havenkapitein van rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen.

De betrekkingen van ingenieur-directeur in rang A3 staan open voor de titularissen van de graden van ingenieur in rang A1 en van eerste ingenieur in rang A 2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen De betrekkingen van wetenschappelijk directeur in rang A3 staan open voor titularissen van de graden van wetenschappelijk attaché in rang A1 en van eerste wetenschappelijk attaché in rang A2 die ten minste negen jaar niveauanciënniteit tellen.

Art. 64.In de instellingen van categorie A kan de Regering een vacante betrekking van rang A 3 openstellen voor ambtenaren van een ministerie, van een instelling van openbaar nut of van een autonoom overheidsbedrijf waarvan het personeel wordt aangeworven via SELOR, van het Rijk, van een Gemeenschap of van een Gewest, die aan dezelfde bevorderingsvoorwaarden voldoen als degene welke voor de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelden.

In de instellingen van categorie B, kan de procedure bedoeld in het eerste lid van dit artikel op dezelfde wijze door de raad van bestuur of door het beheerscomité gevolgd worden.

Onderafdeling 2. - De voorwaarden inzake geschiktheid, opleiding en evaluatie

Art. 65.Alleen houders van een managementbrevet dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering in een kaderbetrekking van rang A2 of voor een betrekking van rang A3.

De Regering bepaalt de inhoud van de proeven en de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet.

Art. 66.De ambtenaar die zich kandidaat stelt voor een betrekking van rang A2 of rang A3 moet een evaluatie "voldoende" hebben.

Onderafdeling 3. - De bevorderingsprocedure

Art. 67.§ 1. Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit.

De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden.

Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden voor een bevordering in de vacante betrekking;3° het evaluatiedossier van de kandidaat. § 2. Voor elke bevordering tot een betrekking in een wetenschappelijke graad, brengt het begeleidingscomité van het Laboratorium voor Milieu-Onderzoek ingesteld bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 tot de oprichting van een wetenschappelijke dienst binnen het Brussels Instituut voor Milieubeheer : het Laboratorium voor Milieu-onderzoek, een gemotiveerd advies uit.

Art. 68.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen.

Art. 69.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking.

De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden.

De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen tien werkdagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.

Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar.

De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Art. 70.De benoemende overheid volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het eenparig werd uitgebracht.

Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. Afdeling 3. - De bevordering tot een graad van rang B2, C2, D2 en E2.

Onderafdeling 1. - De voorwaarden inzake rang, anciënniteit, geschiktheid en evaluatie

Art. 71.De betrekkingen van rang B2, C2, D2 en E2 staan open voor ambtenaren van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 die ten minste negen jaar graadanciënniteit tellen.

De kandidaten moeten "voldoende" als evaluatie hebben.

Art. 72.Alleen de houders van een brevet bedoeld in het tweede lid, kunnen zich kandidaat stellen voor een bevordering door verhoging in graad.

De Regering bepaalt de inhoud van de proeven en de nadere regels van de toekenning van het brevet.

Onderafdeling 2. - De bevorderingsprocedure

Art. 73.Voor iedere bevordering brengt de directieraad een met redenen omkleed advies uit.

De directieraad spreekt zich in zijn advies uit over iedere sollicitant die voldoet aan de vereisten om de te begeven betrekking te bekleden.

Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat;2° het evaluatiedossier van de kandidaten.

Art. 74.De directieraad formuleert een voorstel van benoeming dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij voor de benoeming in aanmerking komen.

Bij gelijkheid van de kandidaturen, geeft hij de voorkeur aan de kandidaat met achtereenvolgens : 1° de grootste graadanciënniteit;2° de grootste dienstanciënniteit;3° de hoogste leeftijd.

Art. 75.Van het voorstel wordt kennis gegeven per dienstnota aan de ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld voor de te begeven betrekking.

De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. Indien de betrokken ambtenaar tijdelijk van de dienst afwezig is, om welke reden ook, wordt de dienstnota bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden.

De ambtenaar die zich benadeeld acht, kan binnen tien werkdagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad.

Deze termijn gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar.

De ambtenaar wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Art. 76.De benoemende overheid volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het eenparig werd uitgebracht.

Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de benoemende overheid niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden. HOOFDSTUK II. - De functionele loopbaan Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 77.De functionele loopbaan is voorbehouden aan de ambtenaren die titularis zijn van een wervingsgraad.

Zij bestaat erin dat de ambtenaar, zonder in graad te verhogen, een of twee hogere weddenschalen geniet dan die welke zijn verbonden aan zijn graad, zolang hij voldoet aan de eisen die het statuut stelt inzake anciënniteit, evaluatie en vorming.

Art. 78.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal of de door hen aangewezen ambtenaar beheren het stelsel van de functionele loopbanen. Zij kennen de hogere weddenschaal toe zodra een ambtenaar de voorwaarden inzake graadanciënniteit, evaluatie en vorming vervult. Afdeling 2. - De gewone functionele loopbaan

Art. 79.§ 1. Aan de wervingsgraden attaché, assistent, adjunct, klerk en beambte zijn de weddenschalen 101, 102 en 103 verbonden.

Aan de wervingsgraden ingenieur, wetenschappelijk attaché en geneesheer zijn de weddenschalen 111, 112 en 113 verbonden.

De weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, wordt toegekend vanaf de aanwerving of de overgang naar een hoger niveau. § 2. De weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar die : 1° negen jaar graadanciënniteit telt;2° over een evaluatie "voldoende" beschikt;3° met goed gevolg de in artikel 265 bedoelde vorming heeft gevolgd. In afwijking van § 2, eerste lid, van dit artikel wordt de weddenschaal 112 toegekend aan de ambtenaar titularis van de graad van geneesheer zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming. § 3. De weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, wordt toegekend aan de ambtenaar zodra hij achttien jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming.

In afwijking van § 3, eerste lid, van dit artikel wordt de weddenschaal 113 toegekend aan de ambtenaar titularis van de graad van geneesheer zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt, onder dezelfde voorwaarden inzake evaluatie en vorming. Afdeling 3. - De versnelde functionele loopbaan

Art. 80.De ambtenaar die beschikt over een evaluatie "voldoende" kan zijn functionele loopbaan versnellen door één of meerdere programma's inzake vrijwillige beroepsvorming overeenstemmend met zijn niveau met goed gevolg af te werken nog vóór hij de vereiste graadanciënniteit telt.

Onder vrijwillige beroepsvorming dient te worden verstaan de vorming bedoeld in artikel 267.

Onder de voorwaarde bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 102 of 112 naargelang de graad toegekend zodra hij zes jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad zodra hij twaalf jaar graadanciënniteit telt.

In afwijking van het derde lid en onder de voorwaarde bepaald in het eerste lid van dit artikel, wordt de weddenschaal 112 toegekend aan de ambtenaar titularis van de graad van geneesheer zodra hij vier jaar graadanciënniteit telt en de weddenschaal 113 zodra hij acht jaar graadanciënniteit telt.

De weddenschaal 103 of 113 naargelang de graad wordt nochtans alleen toegekend nadat de ambtenaar ten minste vier jaar zijn weddenschaal 102 of 112 naargelang de graad heeft genoten. HOOFDSTUK III. - Het mandaat Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 81.De Regering kent de betrekkingen verbonden aan de graden van de rangen A4, A4+ en A5 bij mandaat toe.

Iedere betrekking wordt door de Regering vacant verklaard alvorens zij kan worden begeven bij mandaat.

Art. 82.Onverminderd de bijzondere voorwaarden die worden gesteld, kunnen alleen ambtenaren die een managementbrevet hebben behaald dat overeenstemt met de vereisten van de uitoefening van de vacant verklaarde betrekking, zich kandidaat stellen voor een mandaat.

De Regering bepaalt de nadere regels van de toekenning van het managementbrevet.

Art. 83.Vóór elke toekenning van een mandaat legt de overheid de doeleinden vast die tijdens dit mandaat moeten bereikt worden.

Onder overheid moet worden verstaan : 1° voor een mandaat van rang A4 : de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal van de instelling waartoe de mandaathouder behoort evenals de functioneel bevoegde minister;2° voor een mandaat van rang A4+ en A5 : de functioneel bevoegde minister;bovendien wordt in de instellingen van categorie B voorafgaand het advies van de Raad van bestuur of van het Beheerscomité gevraagd.

Art. 84.De aangestelde ambtenaar oefent het mandaat daadwerkelijk uit.

In geval de aangestelde ambtenaar het mandaat niet kan uitoefenen wegens langdurige ziekte of zwangerschapsverlof of schorsing in het belang van de dienst, kan de Regering de voortzetting ervan voor maximum zes maanden aan een andere ambtenaar toevertrouwen, conform de artikelen 112 en 113.

Art. 85.De graadanciënniteit van de mandaathouder is gelijk aan zijn anciënniteit in de graad die hij bekleedde voor zijn aanstelling. De duur van het mandaat wordt meegerekend in zijn dienst-, graad- en geldelijke anciënniteit De ambtenaar geniet de geldelijke rechten verbonden aan de graad die hem bij mandaat wordt toegekend.

Art. 86.Het mandaat duurt vijf jaar. Onverminderd artikel 134, eindigt het na afloop van de vastgestelde duur, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder.

De ambtenaar die zijn mandaat beëindigt, kan zich kandidaat stellen voor een verlenging ervan.

De ambtenaar wiens mandaat niet wordt verlengd, herkrijgt de graad die hij voor zijn mandaat bekleedde.

Art. 87.De Regering stelt de mandaten open voor ambtenaren van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Ze stelt de wijze vast waarop ambtenaren die niet behoren tot de instelling waarin de betrekking wordt geopend een mandaat kunnen opnemen in deze instelling. Afdeling 2. - De procedure van toekenning van de mandaten

Art. 88.De mandaten van de rangen A4, A4+ en A5 staan open voor ambtenaren van ten minste rang A3 die ten minste drie jaar graadanciënniteit tellen.

De bedoelde mandaten staan eveneens open voor ambtenaren van rang A2 die deel uitmaken van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest en die sinds minstens drie jaar de tweede schaal bedoeld in artikel 333 genieten.

Elke kandidaat dient een beheersplan op te stellen waarin rekening gehouden wordt met de doelstellingen bedoeld in artikel 83, eerste lid.

Art. 89.§ 1. De vacante betrekkingen worden ter kennis van de ambtenaren gebracht via een oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad .

In de oproep tot de kandidaten wordt voor elke vacant verklaarde betrekking het volgende vermeld : 1° de termijn bedoeld in § 2 van dit artikel waarbinnen de kandidatuur ingediend moet worden bij de voorzitter van de directieraad;2° de gegevens die de kandidatuur dient te bevatten bedoeld in § 3 van dit artikel;3° de adresgegevens van de personeelsdienst waar een functiebeschrijving van de te begeven betrekking en de omschrijving van de doeleinden bedoeld in artikel 83, eerste lid, bekomen kunnen worden. § 2. Worden enkel in aanmerking genomen de kandidaturen van de ambtenaren die per aangetekend schrijven gericht zijn aan de voorzitter van de directieraad, binnen een termijn van twintig werkdagen. Deze termijn gaat in de dag volgend op de bekendmaking van de oproep in het Belgisch Staatsblad . § 3. Elke kandidatuur bevat : 1° een uiteenzetting van de aanspraken en ervaring die de kandidaat laat gelden om voor de betrekking te kandideren;2° het beheersplan bedoeld in artikel 88, derde lid De betrokkene dient een kandidatuur in te dienen voor elke betrekking waarvoor hij zich kandidaat stelt. § 4. Het staat de ambtenaren vrij om voorafgaandelijk naar elke betrekking te dingen die eventueel vacant zou worden verklaard tijdens hun afwezigheid. De geldigheid van een dergelijke kandidatuur is beperkt tot twee maanden. Zij behoort met een aangetekend schrijven ingediend te worden bij de voorzitter van de directieraad

Art. 90.§ 1. Het verzoek bedoeld in artikel 91, eerste lid, wordt door de voorzitter van de directieraad bij de Hoge Raad ingediend. § 2. In het verzoek om advies dient de termijn vermeld te worden waarbinnen de Hoge Raad zich dient uit te spreken.

Deze termijn mag niet minder bedragen dan twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek door de voorzitter van de Hoge Raad. § 3. Het verzoek om advies bevat : 1° de kandidatuur bedoeld in artikel 89, § 3;2° de doelstellingen bedoeld in artikel 83, eerste lid;3° de functiebeschrijving van de te begeven betrekking;4° het evaluatiedossier van de betrokkene.

Art. 91.De Hoge Raad geeft een advies over de visie die de kandidaat ontwikkelt op de uitoefening van het mandaat evenals over zijn managementbekwaamheden. Hij geeft dit advies onder de vorm van een beschrijvende beoordeling.

Hij kan de kandidaten uitnodigen voor een gesprek.

Art. 92.De directieraad geeft een met redenen omkleed advies over iedere kandidaat die voldoet aan de vereisten.

Hij neemt hierbij in overweging : 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie;2° de aanspraken en ervaringen die de sollicitant doet gelden op de bij mandaat te begeven betrekking zoals het beheersplan bedoeld in artikel 88, derde lid;3° het evaluatiedossier van de kandidaat;4° het advies uitgebracht door de Hoge Raad. In geval meer dan één kandidaat dezelfde of gelijkwaardige aanspraken en ervaringen laten gelden, wordt de voorkeur gegeven aan de ambtenaar die conform de artikelen 129 en 130 de meest positieve waardering heeft gekregen.

Art. 93.De directieraad formuleert een voorstel van toekenning dat ten hoogste zes namen van kandidaten per vacante betrekking bevat. De kandidaten worden geklasseerd in de volgorde waarin zij in aanmerking komen.

De ambtenaren die zich kandidaat hebben gesteld om een te begeven betrekking te bekleden, worden van het voorstel op de hoogte gebracht door een dienstnota.

De betrokkenen brengen hun visum aan op de dienstnota. De dienstnota wordt bij aangetekend schrijven naar zijn woonplaats gezonden, indien de betrokken ambtenaar, om welke reden ook, tijdelijk in de dienst afwezig is, of indien hij geen ambtenaar van de instelling is.

Art. 94.De ambtenaar die zich benadeeld acht kan binnen tien werkdagen bezwaar indienen bij de voorzitter van de directieraad. Hij wordt op zijn verzoek door de directieraad gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

De termijn van tien werkdagen gaat in ofwel de dag waarop de ambtenaar zijn visum aangebracht heeft op de dienstnota, ofwel de dag waarop het aangetekend schrijven met de dienstnota door de post werd aangeboden op de woonplaats van de ambtenaar.

Art. 95.De Regering volgt het voorstel van definitieve volgorde indien het eenparig werd uitgebracht.

Indien het voorstel van de directieraad niet eenparig wordt uitgebracht en de Regering niet instemt met de door de directieraad voorgestelde volgorde, moet zij haar beslissing omstandig met redenen omkleden.

Art. 96.De bepalingen van artikel 92 tot 95 zijn niet toepasselijk op de toekenning van een mandaat in de graden van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal. HOOFDSTUK IV. - De bevordering door overgang naar een hoger niveau Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 97.De overgang naar een hoger niveau wordt verleend bij wijze van een vergelijkend examen georganiseerd door SELOR.

Art. 98.De bevordering door overgang naar een hoger niveau is alleen mogelijk als er een betrekking in de wervingsgraad van dat niveau vacant is.

Art. 99.§ 1. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau dient een ambtenaar zich in een administratieve stand te bevinden waarbij hij op de bevordering aanspraak kan maken en de evaluatie "voldoende" te hebben. § 2. Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A behoort een ambtenaar van niveau B of C bovendien in een van beide of in beide niveaus ten minste drie jaar niveau-anciënniteit te hebben.

Om deel te nemen aan een vergelijkend examen voor overgang naar niveau B, C en D dient een ambtenaar in het niveau dat voorafgaat aan datgene waartoe de te verlenen graad behoort bovendien een niveauanciënniteit van ten minste drie jaar te hebben.

Art. 100.De op grond van artikel 99 gestelde deelnemingsvoorwaarden dienen vervuld te zijn op de datum waarop de inschrijvingen worden afgesloten.

Art. 101.De vergelijkende examens worden om de twee jaar georganiseerd, in overleg met SELOR. Afdeling 2. - Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau A.

Art. 102.De overgang naar niveau A staat open voor ambtenaren van de niveaus B en C.

Art. 103.Het vergelijkende examen voor overgang naar niveau A bestaat uit een gesprek uitgaande van een praktijkgeval dat verband houdt met het ambt.

Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 60 % der punten behalen.

Art. 104.Om tot het vergelijkend examen te worden toegelaten, moeten de kandidaten in het bezit zijn van vijf brevetten : een brevet waaruit blijkt dat zij geslaagd zijn in een proef van algemene vorming voorbereidend op een vergelijkend examen voor overgang naar niveau A; vier brevetten waaruit blijkt dat zij geslaagd zijn in een proef over de vakken vastgesteld door SELOR. De kandidaat die in het bezit is van het brevet bedoeld onder 1° mag deelnemen aan de proeven bedoeld onder 2°.

Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 50 % voor iedere proef en ten minste 60 % der punten behalen over het geheel van de proeven bedoeld onder 1° en 2°.

Een brevet dat behaald werd met 60 % der punten is definitief verkregen. Een brevet dat behaald werd met ten minste 50 tot 60 % geldt zes jaar.

Art. 105.De geslaagden in het vergelijkend examen worden gerangschikt volgens de punten behaald in de proef bedoeld in artikel 103. Afdeling 3. - De vergelijkende examens voor overgang naar niveau B, C

en D

Art. 106.De overgang naar niveaus B, C en D staat open voor de ambtenaren van respectievelijk niveaus C, D en E.

Art. 107.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau B of C omvat een algemeen gedeelte en een bijzonder gedeelte.

Het algemeen gedeelte bestaat ofwel uit een synthese met commentaar van een tekst ofwel uit het opstellen van een rapport over een probleem in verband met het niveau dat het vergelijkend examen beoogt.

Het bijzonder gedeelte bestaat uit een meerkeuzeproef over materies die vastgesteld worden in overleg met SELOR en die betrekking hebben op het niveau dat het vergelijkend examen beoogt.

Art. 108.Alleen wie slaagt in het algemeen examengedeelte kan deelnemen aan het specifieke examengedeelte.

Om te slagen moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten voor elk gedeelte behalen en 60 % van de punten voor het geheel van het examen.

Op zijn vraag kan een kandidaat die 60 % behaalde voor het eerste gedeelte maar niet voor het tweede, vrijgesteld worden van het eerste gedeelte als hij nogmaals aan een vergelijkend examen voor overgang naar hetzelfde niveau deelneemt.

De geslaagden worden gerangschikt volgens de in beide examengedeelten behaalde punten.

Art. 109.Het vergelijkend examen voor overgang naar niveau D bestaat uit een eenmalige proef gebaseerd op de voor het hogere niveau vereiste kwalificaties en geschiktheden.

Om te slagen moeten de kandidaten 60 % van de punten behalen.

De geslaagden worden gerangschikt volgens de behaalde punten. HOOFDSTUK V. - De uitoefening van een hoger ambt

Art. 110.Onverminderd artikel 84 vallen de ambten die bij mandaat worden uitgeoefend, niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk.

Art. 111.Onder hoger ambt wordt verstaan elk ambt dat overeenstemt met een in de personeelsformatie voorkomende betrekking van een graad van hogere rang dan die waarvan de ambtenaar titularis is.

Art. 112.Een ambtenaar kan worden aangesteld in een hoger ambt voor een betrekking die tijdelijk onbezet is.

Het feit alleen dat een betrekking tijdelijk onbezet is, is geen voldoende reden om die betrekking voorlopig te verlenen.

Art. 113.Alleen een ambtenaar die voldoet aan alle statutaire vereisten om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangesteld.

Een ambtenaar die een tuchtstraf heeft opgelopen mag niet worden aangesteld alvorens zijn straf is doorgehaald.

Art. 114.In een tijdelijk vacante betrekking kan een ambtenaar alleen worden aangesteld indien de titularis ten minste een maand afwezig is.

Een hoger ambt kan alleen worden toegekend met ingang van de eerste dag van een maand.

Art. 115.De benoemende overheid of de ambtenaar die hij hiertoe aanwijst, beslist over de toekenning van een hoger ambt op voorstel van de directieraad.

Art. 116.De akte tot aanstelling vermeldt : 1° een omschrijving van het ambt dat tijdelijk vacant is, zijn huidige titularis en de reden van diens afwezigheid;2° een verantwoording van de noodzaak om een hoger ambt toe te kennen;3° een verantwoording van de keuze van de voorgestelde ambtenaar.

Art. 117.Een ambtenaar die met een hoger ambt is belast, beschikt over alle aan dat ambt verbonden prerogatieven.

Art. 118.De uitoefening van een hoger ambt verleent geen aanspraak op een benoeming in de graad van dat ambt.

TITEL V. - De evaluatie HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 119.De evaluatie wordt gedaan door twee hiërarchische meerderen van dezelfde taalrol als de geëvalueerde en waarvan ten minste één van rang A1 of hoger.

De graad en de rang van de ambtenaren die bevoegd zijn om als hiërarchische meerdere de evaluatie te doen worden bepaald : - in de instellingen van categorie A, door de functioneel bevoegde minister; - in de instellingen van categorie B, door de benoemende overheid.

Art. 120.Geen enkele ambtenaar kan een evaluatie doen zonder hiertoe vooraf een aangepaste opleiding te hebben gevolgd.

Art. 121.De evaluatie gebeurt met behulp van een evaluatieblad.

De minister stelt het model van het evaluatieblad vast.

Het blad maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar.

Art. 122.De evaluatie heeft plaats om de twee jaar tussen 15 oktober en 15 december, het ene jaar voor de ambtenaren van niveau A en B, het volgende jaar voor die van de andere niveaus.

De individuele evaluatiebladen moeten vóór het einde van het jaar waarin de evaluatie plaats vindt, worden ingediend bij de dienst belast met HRM. De evaluatie is geldig voor de twee volgende kalenderjaren.

Art. 123.In afwijking van artikel 122, eerste lid heeft een tussentijdse evaluatie plaats : 1° één jaar na het toekennen van een nieuw ambt;2° twee jaar na de benoeming van de ambtenaar of na de overgang naar een hoger niveau;3° één jaar na de toekenning van een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" die definitief is geworden. Op vraag van de betrokkene kan deze laatste tussentijdse evaluatie nochtans plaatsvinden vanaf zes maanden na de datum waarop de vorige evaluatie definitief werd.

Art. 124.In de loop van iedere evaluatieperiode kan de bevoegde hiërarchische meerdere gunstige of ongunstige bevindingen in verband met de criteria opgesomd in artikel 129 aan het evaluatiedossier toevoegen.

Iedere notering wordt ter kennis gebracht van de ambtenaar die er eventueel zijn opmerkingen kan aan toevoegen.

De ambtenaar kan de bevoegde hiërarchische meerdere vragen een voor hem gunstig stuk in verband met de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe te voegen. Geen aanbeveling, van welke aard ook, mag in het evaluatiedossier voorkomen.

Art. 125.De bevoegde hiërarchische meerdere die minder dan drie maanden de leiding heeft over de ambtenaar, raadpleegt de vorige bevoegde hiërarchische meerderen van de ambtenaar vóór het gesprek bedoeld in artikel 127, § 2.

Art. 126.De ambtenaar die om gelijk welke reden afwezig is of zijn ambt niet uitoefent en die zich in een administratieve stand bevindt waarin hij zijn aanspraken op bevordering behoudt, behoudt zijn laatste evaluatie tot wanneer hij zijn ambt wederopneemt.

Gedurende het jaar volgend op zijn diensthervatting kan hij een herziening van zijn evaluatie vragen. HOOFDSTUK II. - De evaluatieprocedure en -criteria

Art. 127.§ 1. Bij het begin van de evaluatieperiode en telkens wanneer een ambtenaar een nieuwe functie gaat bekleden heeft de daartoe gemachtigde hiërarchische meerdere met de betrokkene een onderhoud tijdens hetwelk hij voor de ambtenaar de aspecten verduidelijkt die de basis van zijn evaluatie zullen vormen § 2. Alvorens het evaluatieblad in te vullen, heeft de bevoegde hiërarchische meerdere een gesprek met de ambtenaar die hij evalueert.

Het gesprek slaat op : 1° het tijdens de evaluatieperiode kwantitatief en kwalitatief gepresteerde werk;2° de eventuele bijsturingen inzake werkmethoden en werkattitudes of de noodzaak van bijscholing;3° de doelstellingen die tijdens de volgende evaluatieperiode zullen worden nagestreefd. De bevoegde hiërarchische meerdere vermeldt op het evaluatieblad, de datum van het gesprek, de punten waarover het ging en tot welke conclusies het heeft geleid.

Hij voegt er een voorstel van evaluatie aan toe, gericht aan de tweede evaluator.

Art. 128.De tweede evaluator neemt het evaluatieblad met de bevoegde hiërarchische meerdere door.

Zij vergelijken desgevallend de lopende evaluatie met de vorige.

Beide evaluatoren kennen in overleg de vermelding "voldoende", "met voorbehoud" of "onvoldoende" toe. Alvorens zij een vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" kunnen toekennen, hebben zij een tweede gesprek met de geëvalueerde.

Art. 129.De evaluatie bedoeld in artikel 128, derde lid, heeft tot doel de bekwaamheid en het gepresteerde werk van de ambtenaar in zijn huidige functie te waarderen. Zij slaat op de volgende criteria : 1° de kennis van de behandelde materie;2° de kwaliteit van het werk;3° het werktempo, de hoeveelheid werk rekening houdend met de moeilijkheidsgraad;4° de zin voor nauwkeurigheid, orde en stiptheid;5° de zin voor medewerking;6° de bereidheid tot aanpassing;7° de zin voor initiatief;8° de klantgerichtheid Art.130. Op een aanvullende wijze schatten beide chefs de mogelijkheden van de ambtenaar in die de vermelding "voldoende" heeft gekregen om door te groeien naar grotere verantwoordelijkheden. Deze inschatting mondt uit in een beschrijving van zijn geschiktheid, bekwaamheid en motivatie.

Bij de evaluatie van de doorgroeimogelijkheden gelden als criteria : 1° het plannings- en organisatievermogen;2° de communicatievaardigheid;3° de aanleg om anderen te motiveren.

Art. 131.Het evaluatieblad wordt aan de ambtenaar overhandigd tegen ondertekening voor ontvangst. HOOFDSTUK III. - De evaluatie van de mandaathouders

Art. 132.De evaluatie heeft tot doel na te gaan in welke mate de bij de toekenning van het mandaat overeengekomen doeleinden werden bereikt of op weg zijn om te worden bereikt.

De mandaathouder stelt hiertoe op het einde van iedere evaluatieperiode een verslag op over zijn werkzaamheden als hoofd van de administratieve eenheid die hij leidt.

Art. 133.De Hoge Raad evalueert de mandaathouder over de wijze waarop hij het mandaat heeft uitgeoefend.

Hij neemt kennis van het verslag opgesteld door de mandaathouder en nodigt deze uit voor een evaluatiegesprek.

Indien de evaluatie negatief is, vermeldt de Hoge Raad dit uitdrukkelijk.

De evaluatie wordt overhandigd aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal voor de mandaten van de rang A4 en aan de Regering voor de mandaten van de rangen A4+ en A5.

De evaluatie wordt aan de geëvalueerde betekend.

Art. 134.De evaluatie heeft plaats om de twee jaar, behalve na een negatieve evaluatie. In dat geval heeft een nieuwe evaluatie plaats na zes maanden.

Na een tweede negatieve evaluatie komt er aan het mandaat een einde. HOOFDSTUK IV. - De beroepsprocedure Afdeling 1. - De beroepsprocedure voor de mandaathouders

Art. 135.De mandaathouder beschikt over tien werkdagen vanaf de betekening van zijn evaluatie om schriftelijk beroep in te dienen bij de bevoegde instantie.

De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal spreken zich uit over het beroep van een mandaathouder van rang A4.

De Regering spreekt zich uit over het beroep van een mandaathouder van rang A4+ of A5.

De gemeenschappelijke commissie van beroep bedoeld in artikel 17 is niet bevoegd om uitspraak te doen over het beroep van een mandaathouder.

Art. 136.De beroepsinstantie bedoeld in artikel 135 moet zich uitspreken binnen de maand na ontvangst van het verzoekschrift.

De mandaathouder wordt op zijn verzoek gehoord. Hij kan zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Indien geen beslissing wordt genomen binnen de vereiste termijn, wordt ze gunstig geacht voor de mandaathouder. Afdeling 2. - De beroepsprocedure voor de andere ambtenaren

Art. 137.De ambtenaar beschikt over tien werkdagen vanaf de ondertekening voor ontvangst van zijn evaluatieblad om schriftelijk beroep in te dienen bij de bevoegde instantie.

Er wordt hem een ontvangstbewijs afgegeven van zijn verzoekschrift.

Art. 138.De ambtenaar, die niet akkoord kan gaan met de hem medegedeelde vermelding "onvoldoende" of "met voorbehoud", kan in beroep gaan bij de commissie bedoeld in artikel 17.

De ambtenaar die oordeelt dat een vormfout werd begaan, kan in beroep gaan bij dezelfde commissie.

De commissie van beroep heeft een beslissende bevoegdheid wanneer zij zich moet uitspreken over de grond van de zaak.

Indien het geschil een vormgebrek betreft, kan de commissie beslissen waar de procedure moet worden hernomen door de evaluatoren.

Art. 139.De ambtenaar die de inschatting aanvecht bedoeld in artikel 130, kan, wat de grond betreft, in beroep gaan bij de directieraad.

De beslissing van de directieraad is definitief.

Art. 140.Op zijn verzoek wordt de ambtenaar gehoord. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Ieder verzoekschrift moet binnen de maand op de agenda worden geplaatst van de directieraad of van de commissie van beroep, naargelang van het geval.

De directieraad of de commissie van beroep spreekt zich uit binnen de drie maanden na ontvangst van het verzoekschrift. HOOFDSTUK V. - De gevolgen van de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende"

Art. 141.De periode gedurende dewelke de ambtenaar die bij zijn evaluatie de vermelding "met voorbehoud" of "onvoldoende" krijgt, wordt niet in aanmerking voor de berekening ban de graadanciënniteit vereist voor het bekomen van een hogere weddenschaal in toepassing van de gewone of de versnelde functionele loopbaan.

Art. 142.Na twee opeenvolgende vermeldingen "onvoldoende" die in voorkomend geval in beroep zijn bevestigd, leggen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal het dossier voor aan de Regering, wat betreft instellingen van categorie A, of aan de benoemende overheid, wat betreft instellingen van categorie B. De Regering of de benoemende overheid kunnen beslissen tot definitieve vaststelling van de beroepsongeschiktheid.

De ambtenaar heeft recht op beroep bij de commissie bedoeld in artikel 17. De Commissie brengt advies aan de Regering wat betreft de instellingen van categorie A, of aan de benoemende overheid, wat betreft instellingen van categorie B.Indien de Regering of de benoemende overheid het advies niet volgen, omkleden zij hun beslissingen met redenen.

TITEL VI. - De interne mobiliteit HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 143.De interne mobiliteit heeft tot doel de ambtenaren efficiënter te maken, rekening houdend zowel met hun bekwaamheden, ervaring en motivatie als met de personeelsbehoeften van de diensten.

De interne mobiliteit wordt verwezenlijkt door vrijwillige mutatie na interne oproep, ambtshalve mutatie of herplaatsing.

Art. 144.De mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere betrekking van zijn graad binnen de instelling.

Art. 145.De beslissing tot mutatie wordt genomen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal op advies van de bevoegde hiërarchische meerderen.

Art. 146.De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddenschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie.

Art. 147.De dienst belast met HRM beheert het stelsel van de interne mobiliteit. HOOFDSTUK II. - De vrijwillige mutatie

Art. 148.Iedere ambtenaar kan op elk ogenblik uit eigen beweging een mutatie aanvragen.

Art. 149.De ambtenaar die een mutatie wenst, vult het formulier in dat de dienst belast met HRM ter beschikking stelt en dient het bij deze laatste in. Hij overhandigt tevens een kopie voor advies aan zijn hiërarchische meerdere.

De dienst belast met HRM onderzoekt in welke mate aan het verzoek gevolg kan worden gegeven. Indien dit het geval is, doet hij een voorstel van mutatie aan de overheid bedoeld in artikel 145. Indien er op het mutatieverzoek niet kan worden ingegaan, licht de dienst belast met HRM de ambtenaar hierover in en houdt het dossier in beraad. HOOFDSTUK III. - De interne oproep

Art. 150.Een interne oproep kan voor de openstaande betrekkingen worden gericht aan de ambtenaren van de instelling.

De oproep gebeurt via een dienstnota en vermeldt : 1° de functiebeschrijving;2° het gewenste profiel van de kandidaten;3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken.

Art. 151.De kandidaturen worden ingediend bij de dienst belast met HRM. Deze dienst bereidt het mutatiedossier voor en legt gemotiveerde voorstellen voor aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal. HOOFDSTUK IV. - De ambtshalve mutatie

Art. 152.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal kunnen tot een ambtshalve mutatie beslissen als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden en indien de betrekking niet kon worden bezet na een interne oproep.

Zij raadplegen vooraf de hiërarchische meerderen en de betrokken ambtenaar en motiveren hun beslissing aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om het ambt te kunnen opnemen. HOOFDSTUK V. - De herplaatsing

Art. 153.De herplaatsing vindt plaats : 1° indien de opheffing of de wijziging van een opdracht van de instelling de afschaffing van één of meer betrekkingen met zich meebrengt;2° indien een ambtenaar medisch ongeschikt wordt bevonden voor de uitoefening van zijn ambt, maar opnieuw kan worden geplaatst in een betrekking die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.

Art. 154.De herplaatsing van een ambtenaar gebeurt in een betrekking behorend tot dezelfde of een andere dienst van de instelling.

De betrekking moet openstaan en beantwoorden aan een personeelsbehoefte bij de dienst waar de ambtenaar herplaatst wordt.

Art. 155.De herplaatsing wordt beslist door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.

Een herplaatst ambtenaar behoudt zijn rechten inzake wedde en zijn aanspraken op bevordering; de herplaatsingsperiode wordt meegerekend voor de administratieve en de geldelijke anciënniteit.

TITEL VII. - De administratieve standen, de afwezigheden en de verloven HOOFDSTUK I. - De administratieve standen Afdeling 1. - De dienstactiviteit

Art. 156.De dienstactiviteit is de gewone administratieve stand van de ambtenaar.

Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in dienstactiviteit recht op wedde en op verhoging in zijn weddenschaal.

Hij kan zijn aanspraken op bevordering, op toekenning van een mandaat of op een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan doen gelden. Afdeling 2. - De non-activiteit

Art. 157.De ambtenaar kan, krachtens de bepalingen van dit besluit, van rechtswege of bij beslissing van de bevoegde overheid in non-activiteit worden geplaatst.

Tenzij anders bepaald, heeft de ambtenaar in deze stand geen recht op wedde en op verhoging in zijn weddenschaal.

Hij verliest zijn aanspraken op : bevordering of toekenning van een mandaat; een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan.

Art. 158.Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de voorwaarden voldoet om te worden gepensioneerd. Afdeling 3. - De disponibiliteit

Onderafdeling 1. - De disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst

Art. 159.De ambtenaar kan, zonder opzegging, in disponibiliteit worden gesteld wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst wanneer hij een bepaald ambt niet kan uitoefenen en hij niet onmiddellijk in een beter geschikte betrekking wedertewerkgesteld kan worden.

Op voorstel van de directieraad neemt de benoemende overheid een beslissing omtrent de indisponibiliteitstelling. De betrokkene wordt vooraf door de directieraad gehoord en kan worden bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Art. 160.De ambtenaar in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst heeft geen recht op wedde of op verhoging in zijn weddenschaal.

Hij verliest zijn aanspraken op : 1° bevordering of toekenning van een mandaat;2° een hogere weddenschaal in zijn functionele loopbaan. Hij geniet het eerste jaar een wachtgeld gelijk aan zijn laatste activiteitswedde. Vanaf het tweede jaar is dit wachtgeld gelijk aan 1/60e van de laatste activiteitswedde per dienstjaar dat hij telt op de datum waarop hij in disponibiliteit is gesteld.

Onderafdeling 2. - De disponibiliteit wegens ziekte

Art. 161.§ 1er. Onverminderd artikel 224 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 220, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.

Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddenschaal.

Artikel 225 is van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte. § 2. De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.

Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan : 1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de sociale-zekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten. § 3. De ambtenaar heeft recht op een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de kwaal waarvan hij lijdt door de Sociaal-medische rijksdienst als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. Dit recht heeft slechts uitwerking nadat de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte werd gesteld voor een ononderbroken periode van ten minste drie maanden.

Dit recht heeft een herziening van de toestand van de ambtenaar tot gevolg met geldelijke uitwerking op de dag waarop zijn disponibiliteit wegens ziekte een aanvang heeft genomen. § 4. De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in artikelen 168 tot 172, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende arbeidsverdeling in de openbare sector.

Voor de toepassing van § 2 van dit artikel, is de laatste activiteitswedde deze, welke voor de verminderde prestaties verschuldigd was.

Art. 162.De ambtenaar die in disponibiliteit werd gesteld wegens ziekte, wordt ieder jaar medisch onderzocht door de medische controledienst bedoeld in artikel 227, in de loop van de maand overeenstemmend met die waarin hij in disponibiliteit werd gesteld.

Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 163.De benoemende overheid kan, op advies van de directieraad, de betrekking waarvan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar titularis was, onmiddellijk vacant verklaren in geval van disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst.

De vacantverklaring kan slechts worden beslist na verloop van een jaar in geval van disponibiliteit wegens ziekte.

Art. 164.De benoemende overheid kan de in disponibiliteit gestelde ambtenaar in actieve dienst terugroepen indien hij de vereiste beroeps- en lichamelijke geschiktheid bezit.

De ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte, wiens betrekking niet vacant werd verklaard, neemt haar opnieuw op wanneer hij zijn dienst hervat.

De ambtenaar moet in ieder geval, binnen de door de benoemende overheid gestelde termijn, het aangewezen ambt opnemen. Indien hij zonder geldige reden weigert, wordt hij, na een afwezigheid van tien werkdagen, ambtshalve ontslagen.

Art. 165.Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden wanneer hij voldoet aan de voorwaarden om gepensioneerd te worden. HOOFDSTUK II. - De afwezigheden

Art. 166.De ambtenaar mag niet afwezig zijn zonder verlof of dienstvrijstelling te hebben gekregen.

Art. 167.Met inachtname van artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes en onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf, bevindt de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, zich van rechtswege in non-activiteit.

Indien de ambtenaar zonder geldige reden meer dan tien werkdagen afwezig is, wordt hij ambtshalve ontslagen. HOOFDSTUK III. - De verloven van arbeidsherverdelende aard Afdeling 1. - Het verlof voor loopbaanonderbreking

Art. 168.De ambtenaar krijgt verlof om zijn loopbaan voltijds, halftijds of deeltijds te onderbreken onder het stelsel van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en haar uitvoeringsbesluiten.

Art. 169.De loopbaanonderbreking is een recht van de ambtenaar die titularis is van een wervingsgraad.

De directieraad kan aan de titularissen van een bevorderingsgraad toestaan hun loopbaan te onderbreken indien de goede werking van de dienst niet wordt verstoord.

Art. 170.Tenzij anders bepaald, bedraagt de duur van een loopbaanonderbreking ten minste zes en ten hoogste twaalf maanden.

Mits hij per aangetekende brief een opzegging van twee maanden betekent, kan de ambtenaar zijn ambt hervatten vóór zijn loopbaanonderbreking is afgelopen.

Art. 171.Voor iedere van de loopbaanonderbrekingen is de totale duur van al dan niet op elkaar volgende onderbrekingen, telkens beperkt tot 72 maanden voor de hele loopbaan.

Art. 172.Het verlof voor loopbaanonderbreking is niet bezoldigd.

De ambtenaar behoudt zijn aanspraken op bevordering in graad en verhoging in weddenschaal.

De ambtenaar die een voltijdse loopbaanonderbreking geniet, kan geen aanspraak maken op een versnelde functionele loopbaan. De ambtenaar die een halftijdse of een deeltijdse loopbaanonderbreking geniet, heeft recht op een versnelde functionele loopbaan in verhouding tot de door hem gepresteerde diensten.

Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling 2. - Het verlof onder het stelsel van de vrijwillige

vierdaagse werkweek

Art. 173.De ambtenaar krijgt verlof om onder het wettelijke stelsel van de vrijwillige vierdagenweek een dag per week afwezig te zijn, volgens de modaliteiten bepaald door de Regering.

Art. 174.De vrijwillige vierdagenweek is een recht voor de ambtenaar die titularis is van een wervingsgraad.

De directieraad kan aan de titularissen van een bevorderingsgraad het voordeel van de vrijwillige vierdagenweek toestaan, indien de goede werking van de dienst niet wordt verstoord.

Art. 175.Het verlof onder het wettelijke stelsel van de vrijwillige vierdaagse werkweek is niet bezoldigd.

Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling 3. - Het verlof onder het stelsel van de halftijdse

vervroegde uittreding

Art. 176.De ambtenaar krijgt verlof om gedurende een ononderbroken periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan de datum van zijn al dan niet vervroegde pensionering halftijds te werken.

Art. 177.De halftijdse vervroegde uittreding is een recht van de ambtenaar die titularis is van een wervingsgraad.

De directieraad kan aan de titularissen van een bevorderingsgraad het voordeel van de halftijdse vervroegde uittreding toestaan, indien de goede werking van de dienst niet wordt verstoord.

Art. 178.Het verlof onder het stelsel van de halftijdse vervroegde uittreding is niet bezoldigd.

De ambtenaar behoudt zijn aanspraken op bevordering in graad maar kan geen aanspraak maken op de toekenning van een mandaat.

Dit verlof wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. HOOFDSTUK IV. - De verloven van korte duur Afdeling 1. - De jaarlijkse vakantie

Art. 179.De ambtenaar heeft jaarlijks recht op 35 werkdagen vakantie.

Hij geniet een bijkomende jaarlijkse vakantie van : 1° één werkdag na vijf jaar dienstanciënniteit;2° twee werkdagen na tien jaar dienstanciënniteit.

Art. 180.De vakantiedagen worden genomen naar keuze van de ambtenaar doch met inachtneming van de behoeften van de dienst.

De ambtenaar heeft recht op een onafgebroken periode van ten minste tien werkdagen vakantie.

Art. 181.De ambtenaar heeft het recht om binnen het aantal van 35 werkdagen, vier werkdagen verlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld om in geval van ernstige ziekte of ongeval een persoon bij te staan die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont.

Onder personen die onder hetzelfde dak wonen, worden verstaan : de echtgenoot, de persoon met wie hij samenleeft, een bloed- of aanverwant, een persoon opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.

De ambtenaar moet een medisch attest voorleggen ter staving van : 1° De ernst van de ziekte of het ongeval;2° De dwingende noodzakelijkheid van de aanwezigheid van de ambtenaar.

Art. 182.Indien de ambtenaar de vier in het artikel 181, eerste lid, bedoelde werkdagen heeft opgebruikt, heeft hij uitzonderlijk recht op twee bijkomende werkdagen buiten de 35 werkdagen vakantie, voor dezelfde redenen en onder dezelfde voorwaarden.

De medische controledienst bedoeld in artikel 227 kan toezien op de gegrondheid van de aanvraag van deze laatste twee dagen.

Art. 183.De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar, volgens de nadere regels door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal vastgelegd.

De nadere regels van de overdracht van onbestede vakantiedagen worden vastgesteld door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal, na overleg met de representatieve vakorganisaties.

Art. 184.In de instelling geldt een standaardwerktijdregeling met onderscheid tussen stamtijden, glijtijden en bereikbaarheid van de dienst.

In afwijking van deze werktijdregeling kunnen de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor specifieke organisatorische eenheden of werkzaamheden een bijzondere werktijdregeling vaststellen.

De aanwezigheid van de ambtenaar die onderworpen is aan het prikklokreglement wordt 's morgens, 's middags en 's avonds geregistreerd. De gepresteerde uren in meer worden geregulariseerd op de glijtijden.

Art. 185.Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantie. Deze laatste wordt in evenredige mate verminderd : 1° wanneer de ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt;2° wanneer hij tijdens het jaar verlof bekomt : - om een stage of een proefperiode te vervullen bij een overheidsdienst zoals bepaald in artikel 209; - om kandidaat te zijn voor de wetgevende, gemeenschaps-, gewest-, provinciale, gemeentelijke of Europese verkiezingen; - om dwingende redenen van familiaal belang; - wegens halftijdse vervroegde uittreding; - met toepassing van de vrijwillige vierdaagse werkweek; - voor onderbreking van de beroepsloopbaan; - om een opdracht uit te voeren zoals bepaald in artikel 211;

De afwezigheden waarbij de ambtenaar in non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst, geven eveneens aanleiding tot een evenredige vermindering van de vakantie.

Het aldus berekende aantal dagen bedraagt steeds een hele of een halve dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve of hele dag.

Art. 186.De in deze afdeling bepaalde vakantiedagen worden opgeschort bij ziekte of bij disponibiliteit wegens ziekte voorzover de geneeskundige controle mogelijk is.

Art. 187.De jaarlijkse vakantie wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Dit geldt eveneens voor de twee bijkomende dagen voorzien in artikel 182, eerste lid. Afdeling 2. - De feestdagen

Art. 188.§ 1. De ambtenaar heeft verlof op de wettelijke feestdagen, op 2 en 15 november en op 26 december. § 2. De in § 1 vermelde verlofdagen die samenvallen met een zaterdag of een zondag, worden gecompenseerd door een verlof van 27 december tot en met 31 december. § 3. De ambtenaar die krachtens de arbeidsregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt vervangende verlofdagen die genomen kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof. Afdeling 3. - Het verlof om familiale redenen

Onderafdeling 1. - Het omstandigheidsverlof

Art. 189.De ambtenaar bekomt verlof binnen de hierna gestelde perken naar aanleiding van : 1° zijn huwelijk : vier werkdagen;2° de bevalling van de echtgenote of van de samenwonende partner : vier werkdagen;3° het overlijden van de echtgenoot, van de samenwonende partner of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad : vier werkdagen;4° het huwelijk van een kind : twee werkdagen;5° het overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : twee werkdagen;6° het overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede graad maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : één werkdag. Indien de gebeurtenis zich voordoet tijdens een periode van deeltijdse arbeid, wordt de duur van het verlof in evenredige mate verminderd.

Art. 190.Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.

Onderafdeling 2. - Het verlof wegens dwingende familiale redenen

Art. 191.Met een maximum van vijfenveertig werkdagen per kalenderjaar, kan de ambtenaar verlof krijgen wegens : 1° ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;2° opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van zijn kinderen die niet de leeftijd van 15 jaar bereikt hebben.

Art. 192.Dit verlof is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Onderafdeling 3. - Het ouderschapsverlof

Art. 193.Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind, maximum drie maanden ouderschapsverlof toegestaan. Dit verlof moet genomen worden voor het kind de leeftijd van 10 jaar heeft bereikt. Het verlof mag enkel gesplitst worden in maanden en genomen worden met volledige dagen.

Art. 194.Het ouderschapsverlof wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Onderafdeling 4. - Het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij

Art. 195.De ambtenaar kan verlof krijgen wanneer een kind beneden tien jaar in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.

De maximumduur van het verlof bedraagt vier weken indien het opgenomen kind ouder is dan drie jaar en zes weken indien het die leeftijd nog niet heeft bereikt.

De maximumduur wordt verdubbeld wanneer het opgenomen kind mindervalide is en aan de voorwaarden voldoet om kinderbijslag te genieten overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kindertoeslagen voor de loonarbeiders of artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslagen ten voordele van de zelfstandigen.

Art. 196.Het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 4. - Het bevallingsverlof

Art. 197.De ambtenaar van het vrouwelijk geslacht geniet voor de moederschapsbescherming van de voordelen bedoeld in artikel 17, 2°, van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes. Afdeling 5. - Het verlof om medische of humanitaire redenen

Art. 198.De vrouwelijke ambtenaar kan dienstvrijstelling krijgen om naar prenatale medische onderzoeken te gaan die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden.

De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest.

Art. 199.De ambtenaar krijgt verlof voor het afstaan van : 1° bloed : a rato van een dag;2° bloedplasma : a rato van een halve dag. Dit verlof kan worden genomen hetzij de dag zelf, hetzij de dag nadien, met een maximum van vier werkdagen per jaar.

De ambtenaar moet het bewijs leveren dat hij bloed of plasma heeft gegeven.

Art. 200.Met een maximum van vier werkdagen, krijgt de ambtenaar verlof voor het afstaan van beenmerg. Dit verlof neemt een aanvang op de dag waarop het beenmerg in het ziekenhuis wordt afgenomen.

De ambtenaar krijgt eveneens verlof voor het afstaan van organen of weefsel. De duur van dit verlof is die van de ziekenhuisopname en het vereiste herstel. De tijd noodzakelijk voor de voorafgaande medische onderzoeken kan eveneens in aanmerking komen.

De aanvraag moet worden gestaafd door een medisch attest.

Art. 201.De ambtenaar heeft recht op voorbehoedend verlof wanneer een inwonend familielid aangetast is door een besmettelijke ziekte, in de omstandigheden en volgens de nadere bepalingen die vastgesteld worden door het Algemeen Reglement van de Administratieve Gezondheidsdienst.

Art. 202.De ambtenaar kan verlof krijgen om : 1° de cursussen bij te wonen van de school van het korps voor civiele bescherming;2° in vredestijd prestaties te verrichten als vrijwilliger bij dit korps.

Art. 203.Met een maximum van vijf werkdagen per jaar en voorzover het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof krijgen om mindervalide en zieken te vergezellen of om andere humanitaire zendingen te vervullen tijdens verblijven en reizen in binnen- of buitenland.

Deze verblijven of reizen moeten georganiseerd zijn door een openbare instelling of een vereniging die de zorg voor mindervalide en zieken of de humanitaire zendingen als opdracht heeft. De instelling of vereniging moet erkend zijn door de Belgische Staat of een van haar gefedereerde entiteiten.

De aanvraag moet worden gestaafd met een attest waarbij de vereniging of instelling verklaart dat de reis of het verblijf onder haar verantwoordelijkheid gebeurt.

Art. 204.De verloven om medische of humanitaire redenen zijn bezoldigd en worden gelijkgesteld met dienstactiviteit. HOOFDSTUK V. - De verloven van lange duur Afdeling 1. - Het verlof om persoonlijke redenen

Art. 205.Indien het belang van de dienst er zich niet tegen verzet, kan de ambtenaar verlof om persoonlijke redenen krijgen.

Art. 206.Het verlof om persoonlijke redenen wordt enkel voltijds en voor ten hoogste zes maanden toegekend. Het kan verlengd worden of na een onderbreking opnieuw worden aangevraagd.

Behoudens afwijking toegestaan door de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B en op gunstig advies van de directieraad, mag dit verlof niet meer bedragen dan 24 maanden over de gehele loopbaan.

Iedere vraag tot verlenging moet ten minste één maand vóór het verstrijken van het lopende verlof worden aangevraagd.

Art. 207.Het verlof om persoonlijke redenen is niet bezoldigd en wordt gelijkgesteld met een periode van non-activiteit.

Art. 208.Met ziekten of ongevallen opgelopen gedurende deze verlofperiode wordt geen rekening gehouden. Afdeling 2. - Het verlof om een stage te doen in een overheidsdienst

Art. 209.De ambtenaar kan verlof krijgen om een stage of proefperiode te doen in een betrekking bij een overheidsdienst.

Een betrekking in het gesubsidieerd of het universitair onderwijs wordt gelijkgesteld met een betrekking in een overheidsdienst.

Het verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenstemt met de duur van de stage of van de proefperiode.

Art. 210.Dit verlof is niet bezoldigd en wordt voor het overige gelijkgesteld met dienstactiviteit. Afdeling 3. - Het verlof wegens opdracht

Art. 211.De Regering, voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid, voor de instellingen van categorie B kan een ambtenaar, met zijn instemming, belasten met een opdracht.

Iedere ambtenaar kan eveneens met instemming hetzij van de Regering van de benoemende overheid naargelang van het geval, een opdracht aanvaarden : 1° bij van een andere instelling van openbaar nut die afhangt van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;2° bij een ministerie of een instelling van openbaar nut die afhangt van de federale overheid, van een ander gewest, van een gemeenschap of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie;3° bij een buitenlandse Regering of bij een internationale instelling.4° die uitgeoefend wordt in het kader van een beschikking genomen door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 26 juli 1988 tot vaststelling van de regeling die geldt voor nationale deskundigen die bij de diensten van de commissie gedetacheerd zijn, alsmede in het kader van de programma's van de Europese Unie.

Art. 212.De Regering, voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid, voor de instellingen van categorie B verleent de opdracht voor ten hoogste twee jaar. Zij kunnen haar verlengen voor telkens maximum dezelfde duur.

Art. 213.Het verlof wegens opdracht is onbezoldigd.

Het verlof wegens opdracht wordt bovendien gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. 214.Het verlof wordt evenwel bezoldigd wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 26 juli 1988 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Het kan eveneens worden bezoldigd met instemming van de Regering wanneer de opdracht in het kader van de programma's van de Europese Unie wordt toegewezen.

Bovendien kan de Regering voor de instellingen van categorie A of de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B, beslissen dat het verlof wegens opdracht wordt bezoldigd. Die overheden bepalen de instellingen voor dewelke bezoldigde opdrachten kunnen worden uitgeoefend.

Art. 215.De ambtenaar die door de Regering of door de benoemende overheid, naargelang van het geval, met een internationale opdracht wordt belast, kan een vergoeding genieten.

De Regering of de benoemende overheid, naargelang van het geval, stelt de vergoeding vast rekening houdend met : 1° de bezoldiging toegekend ter uitvoering van de opdracht;2° de duur van de opdracht, de levensduurte in het land waar de opdracht wordt uitgevoerd, de sociale rang die met deze opdracht overeenstemt en de verhoogde gezinslasten verbonden aan de expatriatie. De vergoeding mag niet worden toegekend indien de ambtenaar hetzij krachtens andere wets- of verordeningsbepalingen, hetzij wegens de vervulling van zijn opdracht, gelijkwaardige voordelen geniet.

Art. 216.Onverminderd artikel 215 wordt de ambtenaar die belast is met een opdracht bezoldigd door de instelling waarin hij zijn opdracht vervult.

Art. 217.Zodra de ambtenaar twee jaar met verlof wegens opdracht is, kan de Regering of de benoemende overheid, naargelang van het geval beslissen of de betrekking die hij bekleedt, in het belang van de dienst als vacant moet worden beschouwd.

Art. 218.Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden en ten hoogste zes maanden, kan de Regering of de benoemende overheid, naargelang het geval, op ieder ogenblik een eind maken aan de opdracht waarmede de ambtenaar is belast.

Art. 219.De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of door zijn toedoen wordt beëindigd, stelt zich opnieuw ter beschikking van zijn instelling. HOOFDSTUK VI. - Het verlof wegens ziekte Afdeling 1. - De ziekteverlofdagen

Art. 220.Tijdens zijn volledige loopbaan heeft de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, recht op ziekteverlof tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen zesendertig maanden in dienst is wordt zijn wedde hem niettemin gedurende drieënzestig werkdagen gewaarborgd.

Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.

Worden eveneens in aanmerking genomen de werkelijke prestaties die de ambtenaar in welke hoedanigheid verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een onderwijsinstelling, een dienst voor beroepskeuze, een psycho-medisch-sociaal centrum of een medisch-pedagogisch instituut voorzover zij werden opgericht, erkend of gesubsidieerd door de Staat, een Gewest of Gemeenschap.

Art. 221.Het aantal werkdagen, bedoeld in artikel 220 wordt in evenredigheid verminderd, wanneer hij tijdens zijn loopbaan verlof heeft gekregen : 1° van arbeidsherverdelende aard;2° om een stage te vervullen in een andere overheidsdienst;3° om een opdracht te vervullen buiten het Gewest;4° om kandidaat te zijn bij verkiezingen;5° voor onderbreking van de beroepsloopbaan;6° wegens ziekte, behalve in geval van een arbeidsongeval of op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte. De ambtenaar die op non-activiteit is geplaatst geweest wegens ongewettigde afwezigheid, is onderworpen aan dezelfde regel.

Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.

Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend.

Art. 222.§ 1. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking zoals bedoeld in artikelen 168 tot 172, noch aan de stelsels van de halftijdse vervroegde uittreding en van de vierdagenweek bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.

De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen. § 2. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal dagen verlof waarop hij krachtens artikel 220 recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties.

Als het totale aantal aldus verrekende dagen per 12 maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is wordt de dagbreuk verwaarloosd.

Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.

Art. 223.Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.

Art. 224.§ 1. In afwijking van artikel 220, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van : 1° een arbeidsongeval;2° een ongeval op de weg van en naar het werk;3° een beroepsziekte. Bovendien komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidatie, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 220. § 2. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door de minister vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk dienen op te houden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. 225.De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de schuld van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 224 worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen die de ambtenaar nog krachtens artikel 220 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 226.Wanneer de ambtenaar verminderde prestaties verricht die gespreid zijn over alle werkdagen, wordt het ziekteverlof aangerekend pro rata van het aantal uren dat hij gedurende zijn afwezigheid had moeten presteren.

Indien het aldus berekende aantal werkdagen geen geheel getal is, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.

Indien aldus het totaal aantal aangerekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel getal is, wordt het gedeelte van de dag niet meegerekend.

Indien de ambtenaar deeltijds verlof geniet op basis van een wettelijke bepaling tot herverdeling van de arbeid in de openbare sector, worden als ziekteverlof meegerekend de werkdagen tijdens dewelke hij op basis van een voltijdse werkregeling prestaties had moeten verrichten. Afdeling 2. - Het toezicht en de definitieve ongeschiktheidsverklaring

Art. 227.De wegens ziekte afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van de door de Regering aangewezen medische controledienst.

Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met de beslissing van de controlerend geneesheer, neemt de controlerend geneesheer binnen de vierentwintig uur contact met de behandelende geneesheer. Ingeval van niet-akkoord tussen beide geneesheren, wijzen zij onmiddellijk in onderling akkoord een arbitrerend geneesheer aan. De beslissing van de arbitrerend geneesheer is definitief.

Art. 228.De ambtenaar blijft onderworpen aan de reglementering van de federale Administratieve Gezondheidsdienst voor wat betreft het geschiktheidsonderzoek, de arbeidsongevallen, de beroepsziekten en de definitieve medische ongeschiktheidsverklaring.

Art. 229.Met eerbiediging van de geldende procedure bij de Administratieve Gezondheidsdienst, heeft de ambtenaar een recht van beroep tegen de beslissingen van deze dienst, voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 228.

Art. 230.De ambtenaar kan niet definitief ongeschikt worden verklaard wegens ziekte alvorens hij het aantal werkdagen heeft uitgeput waarop hij recht heeft als ziekteverlof.

Het eerste lid is niet toepasselijk op de ambtenaar die een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse Regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling, en uit dien hoofde in ruste werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen ontvangt. Afdeling 3. - De verminderde prestaties wegens ziekte

Art. 231.De medische controledienst oordeelt of een ambtenaar met ziekteverlof in staat is om zijn ambt weder op te nemen met halve-dagprestaties.

De ambtenaar met ziekteverlof kan zelf vragen zijn ambt weder te mogen opnemen met halve-dagprestaties. Hij legt tot staving van die aanvraag een doktersattest over aan de medische controledienst.

De medische controledienst geeft in beide gevallen kennis van zijn beslissing aan de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.

Art. 232.De directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal roepen de ambtenaar opnieuw in dienst en staan hem toe die verminderde prestaties te verrichten, tenzij die maatregel niet in overeenstemming kan worden gebracht met de eisen van de goede werking van de dienst.

Art. 233.Halve-dagprestaties worden niet toegestaan voor een periode van meer dan dertig kalenderdagen.

Verlengingen voor ten hoogste dezelfde periode mogen worden toegestaan, indien de medische controledienst zich bij een nieuw onderzoek in die zin uitspreekt.

In een periode van tien jaar dienstactiviteit mogen halve-dagprestaties niet meer dan negentig werkdagen lang worden uitgeoefend.

Art. 234.De halve dagen die een ambtenaar afwezig is tijdens een periode van verminderde prestaties wegens ziekte worden beschouwd als verlof.

Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. HOOFDSTUK VII. - De verloven om politieke redenen Afdeling 1. - Het verlof om zich kandidaat te stellen bij verkiezingen

Art. 235.De ambtenaar kan een verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor de wetgevende, gemeenschaps-, gewest-, provinciale, gemeentelijke of Europese verkiezingen.

Dit verlof wordt toegekend voor een periode die overeenstemt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan hij deelneemt.

Art. 236.Dit verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 2. - Het verlof om een functie uit te oefenen bij een erkende

politieke fractie

Art. 237.Een erkende politieke fractie is een groep verkozenen die als dusdanig is erkend overeenkomstig het reglement van de wetgevende vergadering waartoe zij behoren.

Art. 238.De ambtenaar kan verlof krijgen om een ambt uit te oefenen bij een erkende politieke fractie.

De Voorzitter van een politieke fractie dient hiertoe een verzoek in bij de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.

De directieraad gaat na of het belang van de dienst er zich niet tegen verzet.

Het verlof wordt toegekend door de benoemende overheid, met de instemming van de ambtenaar.

Art. 239.De beslissing vermeldt de duur van het toegekende verlof, alsmede de politieke fractie waarbij de ambtenaar een ambt zal uitoefenen.

Art. 240.De benoemende overheid kan om dienstredenen het verlof beëindigen mits hij een opzeggingstermijn van één maand respecteert.

Art. 241.Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Het is niet bezoldigd. Afdeling 3. - Het verlof voor detachering bij een ministerieel kabinet

Art. 242.De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen op het kabinet van een minister of Staatssecretaris van : 1° de federale Regering;2° de Regering van een Gemeenschap of Gewest;3° het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De aanwijzing gebeurt na akkoord van de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A of van de raad van bestuur of van het bestuurscomité voor de instellingen van categorie B. Bij het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in een kabinet, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen.

Art. 243.Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Afdeling 4. - Het verlof om een politiek mandaat uit te oefenen

Art. 244.De ambtenaar krijgt op zijn aanvraag vrijstelling van dienst, ten belope van : 1° een halve dag per maand, voor de uitoefening van een mandaat van gemeenteraadslid, burgemeester, schepen of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter inbegrepen, in een gemeente tot 10.000 inwoners; 2° één dag per maand, voor de uitoefening van een mandaat van : a) gemeenteraadslid of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 inwoners of meer; b) burgemeester, schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 tot 30.000 inwoners; c) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 30.001 tot 50.000 inwoners; d) provincieraadslid, niet-lid van de bestendige deputatie.

Art. 245.De vrijstelling van dienst bepaald in artikel 244, 2°, wordt naar keuze van de betrokkene genomen in dagen of halve dagen. Zij mag niet van een maand naar een andere worden overgedragen tenzij zij is toegekend voor het uitoefenen van een mandaat van provincieraadslid.

Art. 246.De ambtenaar kan op zijn aanvraag een facultatief politiek verlof krijgen, ten belope van : 1° één of twee dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn, in een gemeente tot 10.000 inwoners; 2° één tot drie dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 10.001 tot 30.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 tot 50.000 inwoners; c) lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 10.001 tot 20.000 inwoners; 3° één tot vijf dagen per maand, voor de uitoefening van een mandaat van lid van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van meer dan 20.000 inwoners; 4° een kwart van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 30.001 tot 50.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; 5° de helft van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 80.001 tot 130.000 inwoners.

Art. 247.De ambtenaar is in politiek verlof van ambtswege, ten belope van : 1° twee dagen per maand voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 20.001 tot 30.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 20.001 tot 50.000 inwoners; 2° een kwart van een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 30.001 tot 50.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; 3° de helft van een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente van 50.001 tot 80.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente van 80.001 tot 130.000 inwoners; 4° een voltijds ambt voor de uitoefening van een mandaat van : a) burgemeester van een gemeente met meer dan 80.000 inwoners; b) schepen of voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn in een gemeente met meer dan 130.000 inwoners; c) lid van de bestendige deputatie van een provincieraad.

Art. 248.Onverminderd de bepalingen van de ordonnantie van 27 april 1995 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met het oog op de uitoefening van een mandaat van lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering is de ambtenaar in politiek verlof van ambtswege, ten belope van een voltijds ambt, voor de uitoefening van een mandaat van : 1° lid van één der wetgevende Kamers of van de federale Regering;2° lid van de Vlaamse Raad, van de Waalse Gewestraad, van de Raad van de Franse Gemeenschap en van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap;3° lid van de Vlaamse regering, van de Waalse Gewestregering, van de Franse Gemeenschapsregering en van de Duitstalige Gemeenschapsregering;4° lid van het Europees Parlement of van de Europese Commissie.

Art. 249.Het politiek verlof van ambtswege vangt aan op de datum van de eedaflegging.

Art. 250.Voor de toepassing van de artikelen 244, 246 en 247, wordt het aantal inwoners bepaald overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 29 van de Nieuwe Gemeentewet.

Art. 251.De ambtenaar die geen voltijds ambt uitoefent wordt met voltijds politiek verlof van ambtswege gezonden indien aan zijn politiek mandaat reeds een politiek verlof van ambtswege beantwoordt waarvan de duur ten minste de helft van een voltijds ambt beloopt.

Art. 252.De ambtenaar die recht heeft op een politiek verlof waarvan de duur niet de helft van een voltijds ambt overschrijdt, kan, op zijn aanvraag, halftijds of voltijds politiek verlof krijgen.

De ambtenaar die recht heeft op een halftijds politiek verlof, kan op zijn aanvraag, voltijds politiek verlof krijgen.

Art. 253.De periodes welke door facultatief politiek verlof of politiek verlof van ambtswege worden gedekt, worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Ze worden evenwel niet bezoldigd.

Art. 254.Het politiek verlof eindigt uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op die tijdens de welke het mandaat een einde neemt.

Vanaf dat ogenblik, herkrijgt de belanghebbende zijn rechten. Wanneer hij niet in zijn betrekking werd vervangen, bezet hij die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. Indien hij wel werd vervangen, wordt hij voor een andere betrekking aangewezen.

Art. 255.De ambtenaar mag na zijn wederopneming zijn wedde niet cumuleren met voordelen die verbonden zijn aan de uitoefening van een politiek mandaat en die een wederaanpassingsvergoeding betreffen. HOOFDSTUK VIII. - Het beroep inzake verlof, afwezigheid en disponibiliteit

Art. 256.Behalve inzake ziekteverlof, in geval van disponibiliteit wegens ziekte en in geval van ontslag van ambtswege wegens ongerechtvaardigde afwezigheid van meer dan tien werkdagen, kan de ambtenaar in beroep gaan bij de commissie bedoeld in artikel 17 wanneer hij niet akkoord gaat met een beslissing inzake verlof, afwezigheden of disponibiliteit.

Art. 257.De ambtenaar beschikt voor het instellen van zijn beroep, over een termijn van tien werkdagen ingaande op de dag waarop hem kennis is gegeven van de beslissing tot afwijzing van zijn aanvraag.

Hij kan op zijn vraag worden gehoord door de commissie en mag zich laten bijstaan door een persoon van zijn keuze.

Art. 258.De betwiste beslissing wordt verdedigd door een ambtenaar aangewezen door de overheid die de beslissing heeft getroffen.

De beslissing van de commissie is definitief.

De commissie beslist binnen een termijn van één maand die aanvangt op de dag dat het beroep werd ingediend.

TITEL VIII. - De vorming HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 259.Inzake vorming dient men te verstaan onder : 1° doorlopende beroepsvorming : de basisvorming waarvan het programma wordt opgelegd voor ieder niveau en die als vereiste geldt om tot een volgende weddenschaal in de functionele loopbaan te worden toegelaten;2° vrijwillige beroepsvorming : de vorming die het mogelijk maakt zijn functionele loopbaan te versnellen en die : a) zonder te zijn opgelegd, een professionele meerwaarde verleent aan de ambtenaar, en b) als beroepsvorming is erkend door de Regering of de instantie die zij daartoe bevoegd verklaart.

Art. 260.De vormingsprogramma's worden toevertrouwd aan interne medewerkers of aan externe deskundigen.

Art. 261.Elke instelling wordt belast met : 1° het onthaal van de nieuwe personeelsleden te organiseren en samen met de bevoegde hiërarchische meerdere een individueel opleidingsprogramma vast te leggen;2° het jaarlijks vormingsplan op te stellen;3° de opleidingen te organiseren;4° de samenwerking met de vormingsdienst van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 262.Er wordt voor elk begrotingsjaar een vormingsplan opgesteld.

Dit plan houdt in : 1° de te bereiken algemene doelstellingen van de vorming, zowel kwalitatief als kwantitatief;2° de prioriteiten voor het komende jaar;3° de te voorziene opleidingen naar inhoud, vorm en duur;4° het al dan niet verplicht karakter van de verschillende opleidingen;5° de begroting te voorzien voor ieder van de vormingsdoelstellingen;6° na verloop van het eerste vormingsplan, een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen werden verwezenlijkt.

Art. 263.Het vormingsplan wordt opgesteld in samenwerking met de dienstverantwoordelijken. Dit plan wordt voorgelegd aan de directeur-generaal en aan de adjunct-directeur-generaal van de instelling.

Art. 264.Het jaarlijkse vormingsplan wordt goedgekeurd door de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A en door de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B. Het wordt vóór 1 november voorgelegd aan het overleg met de vakorganisaties. HOOFDSTUK II. - Het verloop van de vorming Afdeling 1. - De doorlopende beroepsvorming

Art. 265.Iedere ambtenaar neemt deel aan de vorming die rechtstreeks betrekking heeft op de materies die hij in zijn ambt behandelt of zal te behandelen krijgen.

Deze vorming is verplicht.

Art. 266.Er wordt dienstvrijstelling verleend indien de opleiding wordt gegeven tijdens de diensturen. Als de opleiding langer duurt dan een normale werkdag, heeft de ambtenaar recht op een recuperatie van de overuren middels een dienstvrijstelling. Afdeling 2. - De vrijwillige beroepsvorming

Art. 267.Om in aanmerking te komen voor de versnelde functionele loopbaan, dient de ambtenaar een beroepsvorming te volgen waarvan de duur ten minste bedraagt : - 30 uur voor niveau E; - 75 uur voor niveau D; - 100 uur voor de overige niveaus.

Er wordt voor elk niveau een vormingspakket erkend dat een voldoende keuze aan vormingsprogramma's bevat.

De ambtenaar dient persoonlijk een aanvraag in voor het volgen van een vormingsprogramma uit het voor zijn niveau erkende vormingspakket.

Art. 268.Er wordt dienstvrijstelling verleend indien de opleiding wordt gegeven tijdens de diensturen.

De ambtenaar kan studieverlof aanvragen indien de opleiding over een volledig jaar is gespreid en besloten wordt met een examen over de gedoceerde materie.

Het studieverlof bedraagt per jaar maximaal twee dagen voor niveau E, vijf dagen voor niveau D en tien dagen voor de andere niveaus.

Dit verlof wordt bezoldigd en gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.

Art. 269.Indien een inschrijvingsrecht verschuldigd is, wordt het terugbetaald aan de ambtenaren die de opleiding met goed gevolg hebben doorlopen. Afdeling 3. - De vorming inzake loopbaanexamens

Art. 270.Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder loopbaanexamens : 1° het vergelijkend examen georganiseerd door SELOR voor overgang naar een hoger niveau;2° de voorbereidende proef voor overgang naar een graad in de rangen B2, C2, D2 of E2 volgens het niveau waartoe de ambtenaar behoort.

Art. 271.De ambtenaar heeft recht op een opleiding die hem voorbereidt op de in artikel 270 bedoelde examens.

Art. 272.Indien de opleidingen worden gegeven tijdens de diensturen, geniet hij dienstvrijstelling.

Op zijn verzoek, krijgt hij een studieverlof van ten hoogste vijf dagen.

TITEL IX. - De tuchtregeling HOOFDSTUK I. - De tuchtstraffen

Art. 273.De tuchtstraffen die kunnen worden uitgesproken, zijn : 1° de terechtwijzing;2° de inhouding van wedde;3° de tuchtschorsing;4° de lagere inschaling;5° de terugzetting in graad;6° de afzetting.

Art. 274.De inhouding van wedde kan niet worden toegepast voor een periode van meer dan drie maanden.

Zij mag niet meer bedragen dan deze bepaald bij artikel 23, tweede lid van de wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon der werknemers.

Art. 275.De tuchtschorsing mag een periode van drie maanden niet overschrijden.

Zij plaatst de ambtenaar van rechtswege in de stand van non-activiteit.

Tijdens de tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn rechten op bevordering of weddeverhoging niet laten gelden.

Hij kan een inhouding van wedde ondergaan die het maximum bepaald bij artikel 274, tweede lid, niet mag overschrijden.

Art. 276.De lagere inschaling wordt, naargelang van het geval, opgelegd door toekenning : 1° van een lagere weddenschaal in dezelfde graad;2° van een graad van dezelfde rang met een lagere weddenschaal; De terugzetting in graad wordt opgelegd middels toekenning van een graad van een lagere rang die in hetzelfde of in een lager niveau is ingedeeld.

Art. 277.De afzetting verbreekt definitief de banden van de ambtenaar met de openbare dienst. HOOFDSTUK II. - De tuchtvordering Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 278.De tuchtvordering mag enkel slaan op feiten die zich hebben voorgedaan of die werden vastgesteld binnen de zes maanden voorafgaand aan de datum waarop de vordering aanvangt.

Art. 279.In geval van strafvordering en indien het openbaar ministerie de definitieve rechtsbeslissing heeft medegedeeld aan de functioneel bevoegde minister voor de instellingen van categorie A en aan de benoemende overheid voor de instellingen van categorie B, wordt de tuchtvordering niet later ingesteld dan zes maanden na de datum van de mededeling.

Vrijspraak door de strafrechter is voor de overheid geen beletsel om een tuchtstraf uit te spreken, op voorwaarde dat de motivering van de straf het gezag van gewijsde niet aantast. De overheid is bovendien niet gebonden door de wijze waarop de rechtbanken het gedrag van de ambtenaar hebben beoordeeld omtrent de hem ten laste gelegde feiten.

Art. 280.Wanneer meer dan één feit de ambtenaar ten laste wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.

In elke faze van de tuchtprocedure, kan de ambtenaar, in functie van zijn verdediging, worden gehoord en bijgestaan door een persoon van zijn keuze Afdeling 2. - Het voorstel van straf

Art. 281.Kunnen de volgende straffen voorstellen tegenover : 1° de ambtenaren van een graad van rang A3 of een lagere graad : de hiërarchische chef, voor de terechtwijzing en de hiërarchische chef van een graad van ten minste rang A3 voor de andere straffen;2° de ambtenaren van rang A4 : de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor alle straffen;3° de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal : de functioneel bevoegde minister voor alle straffen.

Art. 282.De overheden bedoeld in artikel 281 horen de ambtenaar over de feiten alvorens een straf voor te stellen.

Indien zij oordelen dat een straf moet worden voorgesteld betekenen zij een voorstel van straf aan de ambtenaar, samen met het verslag van de hoorzitting.

De betekening van het voorstel van straf zet de tuchtvordering in.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde overheden brengen binnen een termijn van een maand het voorstel van straf ter kennis van de overheid die de straf uitspreekt. Die termijn gaat in op de dag die volgt op degene waarop het voorstel van straf ter kennis van de ambtenaar is gebracht. Afdeling 3. - De uitspraak van de straf in eerste aanleg

Art. 283.Spreken tuchtstraffen uit tegenover : 1° de ambtenaren van een graad van rang A3 of een lagere rang : de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor alle straffen, met uitzondering van de tuchtschorsing voor wat betreft de ambtenaren die behoren tot een instelling van categorie B en de afzetting, die worden uitgesproken door de benoemende overheid;2° de ambtenaren van rang A4 : de Regering voor de afzetting en de functioneel bevoegde minister voor de andere straffen;

Art. 284.De Regering is bevoegd voor het uitspreken van alle straffen ten overstaan van de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal. De minister die de straf heeft voorgesteld neemt geen deel aan de beraadslaging van de Regering betreffende de uitspraak van de straf.

Art. 285.De overheid die de straf uitspreekt, kan geen andere feiten inroepen dan die welke het voorstel van straf uitgebracht door de overheden bedoeld in artikel 281 hebben gemotiveerd.

Art. 286.De overheid spreekt de straf uit binnen een termijn van twee maanden na de betekening van het voorstel van straf.

Deze termijn begint te lopen op de eerste dag volgend op de betekening.

Zij brengt haar beslissing binnen tien werkdagen na het uitspreken van de straf ter kennis van de ambtenaar over wie er een straf is uitgesproken. HOOFDSTUK III. - Het beroep inzake tuchtaangelegenheden Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 287.De ambtenaar waartegen de straf werd uitgesproken, kan, binnen tien werkdagen na de betekening van de straf, beroep indienen bij de gemeenschappelijke raad van beroep of de regionale raad van beroep van de ambtenaren-generaal, naargelang zijn graad.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven aan de voorzitter gericht.

Het indienen van het beroep schorst de uitvoering van de tuchtstraf.

Art. 288.Als geen beroep wordt ingediend bij één van de raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290, wordt de straf uitvoerbaar zodra de beroepstermijn verstreken is. Afdeling 2. - De gemeenschappelijke raad van beroep voor de

instellingen van openbaar nut en de regionale raad van beroep van de ambtenaren-generaal

Art. 289.Er wordt een gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut ingesteld die de beroepen inzake tuchtzaken van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van alle niveaus, uitgezonderd de leidende ambtenaren, behandelt.

Art. 290.De gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal ingesteld door het artikel 285, 2°, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behandelt de beroepen inzake tuchtzaken van de ambtenaren-generaal van het Ministerie en de leidende ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 291.De gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut is samengesteld als volgt : 1° een effectief voorzitter-magistraat en een plaatsvervangende voorzitter-magistraat, aangewezen door de Regering;2° per taalafdeling, zes effectieve en zes plaatsvervangende assessoren aangewezen door de Regering onder de ambtenaren van tenminste rang A2;3° per taalafdeling, zes effectieve en zes plaatsvervangende assessoren aangewezen door de representatieve vakorganisaties;4° per taalafdeling, een effectief griffier-verslaggever en een plaatsvervangend griffier-verslaggever aangewezen door de Regering.

Art. 292.De taalkennis van de effectieve en plaatsvervangende voorzitters-magistraat moet worden vastgesteld overeenkomstig de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Afdeling 3. - De beroepsprocedure

Art. 293.Op vraag van de voorzitter van de gemeenschappelijke raad van beroep, zendt de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal, al naargelang van de taalrol van de eiser, hem het volledige dossier toe.

Op vraag van de voorzitter van de gewestelijke raad van beroep, zendt de functioneel bevoegde minister hem het volledige dossier toe.

Art. 294.Voor elke zaak wordt een ambtenaar door de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal aangewezen die de aangevochten straf verdedigt voor de gemeenschappelijke raad van beroep voor de instellingen van openbaar nut of door de minister voor de gewestelijke raad van beroep van de ambtenaren-generaal.

Deze ambtenaar mag niet deelnemen aan de beraadslaging. Het advies bedoeld in artikel 301 vermeldt of dit verbod werd geëerbiedigd.

Art. 295.Een raad van beroep mag over geen enkele zaak beraadslagen, indien : 1° de eiser niet zijn middelen tot verdediging heeft kunnen doen gelden;2° het dossier niet alle elementen bevat die de raad van beroep toelaten met volledige kennis van zaken een advies te geven.

Art. 296.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 kunnen bijkomende onderzoeken aanbevelen. Zij kunnen hierbij twee assessoren afvaardigen die hebben deelgenomen aan de beraadslagingen.

De ene wordt gekozen onder de assessoren aangewezen door de Regering en de andere onder de assessoren aangewezen door de vakorganisaties.

Art. 297.De eiser verschijnt in persoon.

Hij mag zich echter laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon van zijn keuze.

De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van de raad van beroep.

Art. 298.Indien, ofschoon behoorlijk opgeroepen, de ambtenaar zonder geldige reden niet verschijnt, voert de betrokken raad van beroep de zaak af en stuurt het dossier terug naar de functioneel bevoegde overheid bedoeld in artikel 306, §§ 1 tot 3.

In dat geval brengt de voorzitter de afvoering van de zaak ter kennis van de ambtenaar. De hem, vóór het beroep, in eerste aanleg door de bevoegde overheid opgelegde straf wordt uitvoerbaar vanaf de datum van de betekening aan de ambtenaar waarop de betrokken raad van beroep de zaak heeft afgevoerd.

Art. 299.De eiser heeft het recht de assessoren te wraken ten laatste bij de opening van de eerste vergadering.

De voorzitter wraakt bovendien elke assessor die hij als rechter in eigen zaak zou kunnen beschouwen.

Art. 300.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 kunnen slechts beraadslagen indien de meerderheid van de assessoren opgeroepen voor de hoorzitting, aanwezig is.

Art. 301.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 geven hun gemotiveerd advies in de twee maanden volgend op de indiening van het beroep, behalve in geval van overmacht.

Art. 302.De stemming is geheim.

Er nemen evenveel door de overheid aangewezen assessoren als door de vakorganisaties aangewezen assessoren deel aan de stemming.

Wanneer een oneven aantal assessoren aanwezig is op het ogenblik van de stemming, herstelt de voorzitter de pariteit in overleg met de aanwezige leden.

Bij staking van stemmen, wordt het advies gunstig geacht voor de eiser.

De griffiers zijn niet stemgerechtigd.

Art. 303.Indien de betrokken raad van beroep, behalve in geval van overmacht, zijn advies niet binnen de voorgeschreven termijn geeft, wordt het gunstig geacht voor de betrokken ambtenaar.

Art. 304.De betrokken raad van beroep stuurt haar advies alsook het volledige dossier naar de bevoegde overheid bedoeld in artikel 306, §§ 1 tot 3. Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt.

De overheid deelt per aangetekend schrijven het advies van de betrokken raad van beroep binnen tien werkdagen aan de ambtenaar mee.

Art. 305.De minister bepaalt de vergoeding toegekend aan de voorzitters of aan de plaatsvervangende voorzitters van de raden van beroep, bedoeld in artikelen 289 en 290. HOOFDSTUK IV. - De uitspraak van de tuchtstraf in beroep

Art. 306.§ 1. Indien het advies van de betrokken raad van beroep afwijkt van de beslissing van de bevoegde overheid in eerste aanleg, zijn gemachtigd de volgende straffen uit te spreken tegen : 1° de ambtenaren van een graad van rang A3 of lager : de directieraad inzake de terechtwijzing, de functioneel bevoegde minister voor de andere straffen, met uitzondering van de tuchtschorsing voor wat betreft de ambtenaren die behoren tot een instelling van categorie B en de afzetting, die worden uitgesproken door de benoemende overheid;2° de ambtenaren van rang A4 : de Regering voor de afzetting en de terugzetting in graad en de functioneel bevoegde minister voor de andere straffen;de minister die de straf heeft voorgesteld, neemt geen deel aan de beraadslaging betreffende de uitspraak van de straf na beroep; 3° de leidende ambtenaren : de Regering voor alle straffen;de functioneel bevoegde minister die de straf heeft voorgesteld, neemt geen deel aan de beraadslaging betreffende de uitspraak van de straf na beroep. § 2. Indien het advies van de betrokken raad van beroep overeenstemt met de beslissing van de bevoegde overheid in eerste aanleg, dan wordt de straf definitief bevestigd door de bevoegde overheid bedoeld in § 1. § 3. De bevoegde overheid kan in geen geval een zwaardere straf opleggen dan de voorgestelde straf.

Art. 307.De in artikel 306, §§ 1 tot 3 van dit artikel bedoelde overheid spreekt zich binnen twee maanden na de ontvangst van het door de raad van beroep uitgebrachte advies uit. Deze wordt uitvoerbaar op de eerste dag volgend op de betekening.

Binnen de tien werkdagen na uitspraak van de beslissing brengt zij per aangetekend schrijven de definitieve beslissing ter kennis van de ambtenaar. HOOFDSTUK V. - De inschrijving en de schrapping van de straf

Art. 308.Elke tuchtstraf wordt ingeschreven op de tuchtfiche van de ambtenaar.

Art. 309.De schrapping van de tuchtstraffen gebeurt van ambtswege na een periode waarvan de duur wordt vastgesteld op : 1° zes maanden voor de terechtwijzing;2° één jaar voor de inhouding van wedde;3° twee jaar voor de tuchtschorsing;4° drie jaar voor de terugzetting in graad. De termijn gaat in, hetzij indien geen beroep is ingesteld, na het verstrijken van de tien werkdagen na de kennisgeving van de sanctie, hetzij indien er beroep is ingesteld vanaf de kennisgeving aan de ambtenaar, van de in artikel 307 bedoelde beslissing.

Art. 310.De schrapping heeft tot gevolg dat er geen rekening meer mag worden gehouden met de geschrapte tuchtstraf.

TITEL X. - De schorsing in het belang van de dienst

Art. 311.De ambtenaar kan in het belang van de dienst in zijn ambt worden geschorst : 1° in geval van strafrechtelijke vervolgingen;2° in geval van tuchtrechterlijke vervolging wegens een ernstig vergrijp waarbij de betrokkene op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. De ambtenaar kan het recht ontzegd worden om zijn aanspraken op bevordering en op verhoging in wedde te doen gelden en zijn wedde kan ingehouden worden in een mate die geen aanleiding mag geven tot een inhouding van wedde die hoger ligt dan die welke bedoeld is bij artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.

Art. 312.De maatregelen bedoeld in artikel 311 worden uitgesproken door : 1° de functioneel bevoegde minister in verband met de leidende ambtenaren;2° de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal in verband met de andere ambtenaren; Zij horen de ambtenaar vooraf, uiterlijk tien werkdagen nadat hij kennis heeft gekregen van de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd. De ambtenaar mag zich laten bijstaan door een persoon naar eigen keuze.

Indien de ambtenaar wegens overmacht niet kan worden gehoord binnen deze termijn, mag hij zich laten vertegenwoordigen. Deze termijn wordt verlengd met maximum tien dagen.

De schorsingsbeslissing wordt aangetekend betekend.

Art. 313.De ambtenaar kan binnen de vijf werkdagen nadat de aangetekende brief hem bij de post werd aangeboden, in beroep gaan bij één der raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 naargelang zijn graad.

Art. 314.De raden van beroep bedoeld in artikelen 289 en 290 nemen kennis van het beroep inzake de schorsing in het belang van de dienst en inzake de maatregelen waarin artikel 311, tweede lid, voorziet.

De beroepsprocedure is degene welke geldt voor beroepen omtrent tuchtzaken.

Indien het door de betrokken raad van beroep uitgebrachte advies anders luidt dan de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, spreekt de regering zich uit over de te treffen maatregel tegen de leidende ambtenaren en de functioneel bevoegde minister tegen de andere ambtenaren. Indien het door de betrokken raad van beroep uitgebrachte advies in overeenstemming is met de door de bevoegde overheid in eerste aanleg getroffen beslissing, bevestigt de overheid bedoeld in dit lid de maatregel.

Voor wat betreft de ambtenaren van de instellingen van categorie B, wordt de schorsing uitgesproken door de benoemende overheid.

Art. 315.Behalve in geval van strafrechtelijke vervolging, mag de duur van de schorsing ten hoogste zes maanden bedragen.

Art. 316.De schorsing in het belang van de dienst alsmede de maatregelen bedoeld in artikel 311, tweede lid eindigen van rechtswege wanneer de tuchtrechtelijke uitspraak voor een zwaar vergrijp bedoeld in artikel 311 eerste lid, 2°, definitief wordt De door een ambtenaar opgelopen tuchtstraf werkt terug tot op een datum die niet verder mag teruggaan dan degene vanaf welke de met toepassing van artikel 311, tweede lid, getroffen maatregelen uitwerking hebben.

In dit geval wordt de duur van de schorsing in het belang van de dienst, tot de nodige termijn, op de duur van de tuchtschorsing aangerekend.

TITEL XI. - Onverenigbaarheden en cumulatie van beroepsactiviteiten

Art. 317.Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke activiteit die de ambtenaar zelf of via een tussenpersoon uitoefent en die : 1° verhindert dat hij zijn ambtsplichten vervult of strijdigheid van belangen tot gevolg heeft, 2° of niet past met de waardigheid van zijn ambt. De ambtenaar die deze bepaling niet eerbiedigt, stelt zich bloot aan een tuchtvordering.

Art. 318.De cumulatie van beroepsactiviteiten is verboden tenzij daar toestemming is voor verleend.

Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid die een belastbaar beroepsinkomen verschaft en die niet inherent is aan de uitoefening van het ambt.

Inherent aan het ambt is elke opdracht die ingevolge een wettelijke of reglementaire bepaling verbonden is aan het ambt of waarvoor de ambtenaar wordt aangewezen door de overheid waaronder hij ressorteert.

Art. 319.Een politiek mandaat wordt niet beschouwd als een beroepsactiviteit.

De verkozen ambtenaar moet de dienst belast met het HRM verwittigen, die op zijn beurt de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal op de hoogte brengt.

De uitoefening van een mandaat van ten minste rang A4 is onverenigbaar met een politiek mandaat waarvan het overeenstemmende politiek verlof een vierde van een voltijdse betrekking overschrijdt.

Art. 320.Er kan toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit buiten de diensturen, indien deze niet in strijd is met de bepalingen van artikel 317.

Art. 321.Er kan toestemming worden verleend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit binnen de diensturen, indien deze : 1° niet in strijd is met de bepalingen van artikel 317;2° van algemeen belang is voor het Gewest;3° zonder nadeel voor de dienst of voor het publiek kan worden uitgeoefend. Onder diensturen dient te worden verstaan : de stamtijden die de glijdende werktijdregeling vastlegt.

Deze ambtenaar is in actieve dienst.

De minister bepaalt de wijze waarop deze maatregel wordt toegepast.

Art. 322.De aanvraag tot cumulatie wordt schriftelijk ingediend bij de hiërarchische meerdere van ten minste rang A3 door middel van een modelformulier dat door de dienst belast met HRM wordt verstrekt.

De voormelde hiërarchische meerdere geeft een gemotiveerd advies in het vak dat op het formulier daartoe is voorzien alvorens het dossier door te sturen naar de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.

Art. 323.De toestemming wordt verleend of geweigerd door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal voor de ambtenaren van ten hoogste rang A4 en door de functioneel bevoegde Minister voor de leidende ambtenaren.

Art. 324.De ambtenaar wordt binnen de tien werkdagen na datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de beslissing. Eenmaal die termijn verstreken, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.

Art. 325.De toestemming kan worden herroepen door de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal.

BOEK II. - DE BEZOLDIGINGSREGELING TITEL I. - De wedde HOOFDSTUK I. - De weddenschalen

Art. 326.Iedere weddenschaal wordt aangeduid met een letter gevolgd door drie cijfers.

De letter duidt het niveau aan, het eerste cijfer de rang, het tweede de graad overeenstemmend met een bijzondere kwalificatie in dezelfde rang, het derde de code van de weddenschaal.

Het cijfer nul betekent dat de code niet bepaald is.

Art. 327.Aan de graden die de ambtenaren kunnen bekleden, zijn de volgende schalen verbonden : NIVEAU A directeur-generaal A500 adjunct-directeur-generaal A410 directeur-hoofd van dienst A400 wetenschappelijk directeur A310 ingenieur-directeur A310 directeur A300 eerste wetenschappelijk attaché A220 eerste ingenieur A220 havenkapitein A210 eerste attaché A210 A200 wetenschappelijk attaché A113 A112 A111 ingenieur A113 A112 A111 geneesheer A113 A112 A111 attaché A103 A102 A101 NIVEAU B eerste assistent B200 assistent B103 B102 B101 NIVEAU C eerste adjunct C200 adjunct C103 C102 C101 NIVEAU D eerste klerk D200 klerk D103 D102 D101 NIVEAU E eerste beambte E200 beambte E103 E102 E101

Art. 328.De weddenschalen die gelden in de instellingen zijn opgenomen in bijlage I van dit besluit.

De bedragen van de weddenschaal volgen de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen bedoeld in artikel 28 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes.

Art. 329.De tussentijdse verhogingen worden toegekend op grond van de geldelijke anciënniteit, conform de artikelen 412 tot 415.

Art. 330.De eerste attachés die een expertbetrekking of een kaderbetrekking bekleden, genieten de weddenschaal A200.

Zij die een expertbetrekking van hoog niveau bekleden, genieten de weddenschaal A210.

Art. 331.Onverminderd artikel 141, genieten de titularissen van de graad van directeur, die voldoen aan de voorwaarden inzake evaluatie en vorming bedoeld in artikelen 79, § 2, eerste lid en 265, derde lid, en die minstens negen jaar anciënniteit tellen in de graad A3 of hoger, de weddenschaal A310. HOOFDSTUK II. - De weddenschalen verbonden aan sommige graden

Art. 332.De schaal A310 wordt toegekend aan de ambtenaar die titularis van de graad van geneesheer indien hij : 1° sedert ten minste zes jaar genoten heeft van de schaal A113;2° de evaluatie "voldoende" heeft verkregen;3° met goed gevolg de opleiding bedoeld in artikel 265 gevolgd heeft.

Art. 333.Een ambtenaar die titularis is van de graad van eerste attaché en deel uitmaakt van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest, geniet een tweede schaal die overeenstemt met schaal A300 indien hij : 1° twaalf jaar niveau-anciënniteit telt, waarvan drie jaar graadanciënniteit;2° de evaluatie "voldoende" verkregen heeft bij de evaluatie;3° met goed gevolg de opleiding bedoeld in artikel 265 gevolgd heeft;4° houder is van het managementbrevet bedoeld in artikel 65.

Art. 334.De artikelen 141 en 142 zijn toepasselijk op de ambtenaren waaraan de weddenschalen voorzien in artikelen 332 en 333 werden toegekend. HOOFDSTUK III. - De vaststelling van de wedde van de ambtenaar Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 335.Onverminderd de tegengestelde reglementaire bepalingen, wordt de wedde van elke ambtenaar vastgesteld in een van de schalen van zijn graad.

Art. 336.Bij wijziging van het geldelijk statuut van een graad, wordt de eraan verbonden wedde opnieuw vastgesteld alsof het nieuwe geldelijk statuut altijd had bestaan.

Indien de gewijzigde wedde lager ligt dan degene die de ambtenaar genoot in zijn graad bij de inwerkingtreding van het wijzigende besluit, behoudt hij zijn hoogste wedde tot hij een op zijn minst daaraan gelijke wedde heeft.

Art. 337.De vaste ambtenaar die werd bevorderd, heeft in zijn nieuwe graad nooit een lagere wedde dan hij zou hebben genoten in zijn vorige graad.

Wanneer de schaal van zijn vorige graad tot niveau B of C en de schaal van zijn nieuwe graad tot niveau A behoort, bekomt de ambtenaar in zijn nieuwe graad altijd ten minste een wedde die 40 000 BEF hoger ligt dan die welke hij zou genoten hebben in zijn vorige graad.

De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat de wedde van de ambtenaar hoger ligt dan de maximumwedde hetzij van de schaal van zijn nieuwe graad, hetzij van de schaal van zijn vorige graad als deze hoger is.

Art. 338.De wedde wordt betaald na vervallen termijn.

De ambtenaar ontvangt zijn wedde uiterlijk de laatste werkdag van de maand, met uitzondering van zijn wedde van december die hij ontvangt uiterlijk de eerste werkdag van de maand januari van het volgende jaar. Afdeling 2. - De berekening van de wedde

Art. 339.De maandwedde is gelijk aan 1/12e van de jaarwedde.

Art. 340.Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar op een andere datum dan de eerste van de maand wordt benoemd in een nieuwe graad die geen basisgraad is bedoeld in artikel 415, tweede lid, wordt de wedde van de lopende maand niet aangepast.

Wanneer de vaste of stagedoende ambtenaar overlijdt of op rust gesteld wordt, blijft de wedde van de lopende maand verschuldigd.

Art. 341.Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt de wedde voor volledige prestaties vermenigvuldigd met de volgende breuk : het percentage van de prestaties x het aantal gepresteerde werkdagen; het aantal te presteren werkdagen op basis van het werkschema.

Het aantal gepresteerde of te presteren werkdagen is gelijk aan het aantal gepresteerde of te presteren uren gedeeld door 7,6.

Wordt verstaan onder : a) "werkdag" : elke dag, de feestdag inbegrepen, met uitzondering van de zaterdag en de zondag;b) "gepresteerde werkdag" : elke dag waarvoor een verloning verschuldigd is;c) "werkschema" : het aantal te presteren werkdagen in een maand. HOOFDSTUK IV. - De gewaarborgde bezoldiging, de haard- of standplaatsvergoeding, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage

Art. 342.Overeenkomstig artikel 29 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot bepaling van de algemene principes, heeft de ambtenaar recht op de gewaarborgde bezoldiging, de haard- of standplaatsvergoeding, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden dezelfde zijn als voor de ambtenaren van de Federale Staat.

TITEL II. - De toelagen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 343.Het vervullen van prestaties die niet als normaal en inherent aan het ambt kunnen worden beschouwd, kan aanleiding geven tot het toekennen van een toelage.

Art. 344.In het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening is de toelage slechts verschuldigd als die onderbreking niet langer duurt dan dertig werkdagen en de ambtenaar het recht op zijn wedde niet verliest.

Art. 345.Als de maandelijkse wedde niet volledig verschuldigd is, worden de toelagen bedoeld in het hoofdstuk II betreffende de toelagen verbonden met de loopbaan en in het hoofdstuk IV betreffende de tweetaligheidstoelage, uitbetaald volgens de pro rata toegepast op de wedde.

Art. 346.Onverminderd de regels betreffende de administratieve en begrotingscontrole worden de toelagen door de Regering vastgesteld. HOOFDSTUK II. - De toelagen verbonden met de loopbaan Afdeling 1. - De toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt

Art. 347.De ambtenaar die een hoger ambt onafgebroken waarneemt gedurende een periode van ten minste negentig dagen, krijgt een toelage die gelijk is aan het verschil tussen de bezoldiging die de ambtenaar zou genieten in de graad van het hoger ambt en de bezoldiging die hij geniet in zijn effectieve graad.

De in het eerste lid bedoelde bezoldiging omvat de haard- of standplaatstoelage.

Deze toelage wordt retroactief toegekend tot de eerste dag waarop de ambtenaar de hogere functie effectief uitoefende.

Zolang hij voormelde functie bekleedt, heeft de ambtenaar recht op tussentijdse verhogingen volgens de bij artikel 329 vastgestelde regels.

De toelage wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01. Afdeling 2. - De toelage aan sommige laureaten van een vergelijkend

examen voor overgang naar het hogere niveau

Art. 348.De ambtenaar die slaagt voor een vergelijkend overgangsexamen naar het hogere niveau en die na verloop van twee jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van dat examen, niet is benoemd tot de graad waarvoor hij heeft medegedongen, krijgt een jaarlijkse toelage waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : - 45 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau A; - 20 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau B; - 20 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau C; - 15 000 BEF voor de vergelijkende examens die toegang verlenen tot niveau D. De toelage wordt maandelijks en samen met de wedde vereffend. Zij wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01.

Art. 349.De toekenning van de toelage mag nooit tot gevolg hebben dat de bezoldiging van de ambtenaar hoger ligt dan die welke hij zou hebben bekomen als hij zou benoemd geworden zijn in de graad waarvoor hij heeft medegedongen.

Om deze bezoldiging te bepalen wordt met de haard- of standplaatstoelage en iedere andere toelage inherent aan het uitoefenen van het ambt rekening gehouden.

De ambtenaar die de bevordering weigert, waarop hij omwille van het slagen voor het vergelijkend examen aanspraak kan maken, verliest vanaf de dag van weigering het voordeel van de toelage voorzien in artikel 348. HOOFDSTUK III. - De toelage verbonden aan de gepresteerde arbeid Afdeling 1. - De toelage voor overuren

Art. 350.Onder overuren dient te worden verstaan de prestaties verstrekt door een ambtenaar voltijds in dienst en die uitzonderlijk worden opgelegd op werkdagen tussen 18.00 uur en 08.00 uur en op zaterdag, zondag en feestdag.

Art. 351.Elk overuur wordt, bij voorrang, gecompenseerd door een verlof dat gelijk is aan : - 125 % van de geleverde bijkomende prestaties op werkdagen tussen 18.00 uur en 22.00 uur; - 150 % van de geleverde bijkomende prestaties op zaterdag; - 150 % van de geleverde bijkomende prestaties op werkdagen tussen 22.00 uur en 07.00 uur; - 200 % van de geleverde bijkomende prestaties op zondag of feestdag.

Indien het compensatieverlof niet kon worden toegekend binnen de vier maanden, wordt een toelage toegekend respectievelijk van 1,25/1850e, 1,5/1850e of 2/1850e van de jaarlijkse brutobezoldiging per overuur.

Art. 352.De toelage voor overuren wordt alleen toegekend aan ambtenaren van niveau C, D en E die voltijds zijn tewerkgesteld.

Art. 353.De ambtenaar die uitzonderlijk buiten zijn dienstverplichtingen teruggeroepen wordt om deel te nemen aan een onvoorzien en dringend werk, ontvangt een toelage die gelijk is aan 4/1850e van de jaarlijkse brutobezoldiging. Deze toelage staat los van de betaling van de overuren.

Art. 354.In de instellingen van de categorie A beslist de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde, op advies van de inspecteur van financiën, of het opportuun is dat er bezoldigde overuren worden gepresteerd.

In de instellingen van de categorie B beslist de benoemende overheid of zijn gemachtigde, op advies van de inspecteur van financiën, of het opportuun is dat er bezoldigde overuren worden gepresteerd. Afdeling 2. - De toelage voor nacht-, zaterdag-, en zondagswerk

Art. 355.Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder : 1° nachtprestaties : prestaties die tussen 22.00 uur en 07.00 uur worden verricht, of tussen 18.00 uur en 08.00 uur op voorwaarde dat deze prestaties eindigen op of na 22.00 uur en beginnen op of voor 07.00 uur; 2° zaterdagprestaties : prestaties die op een zaterdag worden verricht tussen 00.00 uur en 24.00 uur; 3° zondagprestaties : prestaties die op een zondag of op een wettelijke of erkende feestdag tussen 00.00 uur en 24.00 uur worden verricht.

Art. 356.De nacht-, zaterdag- en zondagprestaties geven, bij voorrang recht op een compensatieverlof.

Het compensatieverlof is gelijk aan : - zondagprestaties : 100 % van de geleverde prestaties; - zaterdagprestaties : 50 % van de geleverde prestaties; - Nachtprestaties : 25 % van de geleverde prestaties.

Indien het compensatieverlof niet kon worden toegekend binnen de vier maanden, wordt een toelage toegekend van 25 %, 50 % of 100 % van het bedrag per uur prestatie.

Het bedrag per uur prestatie van de toelage wordt vastgesteld op 1/1850e van het salaris vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage en/of de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt.

Art. 357.De toelage voor nachtprestaties verricht op zaterdagen, zondagen en wettelijke of erkende feestdagen mag gecumuleerd worden met de toelagen voor zaterdag- en zondagprestaties.

De toelagen mogen niet samengevoegd worden met de toelage voor het presteren van overuren. De betrokken ambtenaar geniet van het gunstigste stelsel.

Art. 358.De toelage wordt maandelijks uitbetaald, na het vervallen van de termijn. Het uurgedeelte van het maandelijks totaal van de prestaties wordt naar boven afgerond als het gelijk is aan of meer dan dertig minuten bedraagt. Het wordt genegeerd indien het minder bedraagt.

Art. 359.De toelage wordt alleen toegekend aan ambtenaren van niveau C, D en E. Afdeling 3. - De toelage voor gevaarlijk, ongezond en hinderlijk werk

Art. 360.Aan de ambtenaren die belast zijn met gevaarlijk, ongezond of hinderlijk werk wordt een forfaitaire uurtoelage van 100 BEF toegekend, gebonden aan de schommelingen van de spilindex 138,01.

De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, stelt na advies van de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het werk met de instemming van de minister van Begroting de lijst met werken vast die recht geven op de toelage bedoeld in het eerste lid. Afdeling 4. - De toelage voor wachtdienst

Art. 361.Een compensatieverlof of een wachttoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die, in het kader van een georganiseerd wachtsysteem, buiten zijn prestaties oproepbaar dient te zijn met het oog op het vervullen van eventuele prestaties.

Hiervan worden uitgesloten, de ambtenaren die effectief in het genot zijn van een dienstwoning of die een huisvestingstoelage of een toelage voor huisbewaarders genieten in toepassing van de hoofdstukken V en VI van titel III. Het compensatieverlof bedraagt 8 uren voor een wachtdienstperiode van 7 opeenvolgende dagen.

In functie van de werkorganisatie eigen aan de instelling, kan de functioneel bevoegde minister of zijn afgevaardigde een gunstiger regime inzake het compensatieverlof toekennen.

Een toelage kan worden toegekend aan de ambtenaar ten belope van 1/1 850e van zijn totale jaarlijkse brutobezoldiging per uur compensatieverlof. HOOFDSTUK IV. - De tweetaligheidstoelage

Art. 362.Een premie voor tweetaligheid wordt toegekend aan de ambtenaren die voor een examencommissie samengesteld door de afgevaardigde-bestuurder van SELOR het bewijs hebben geleverd dat zij : 1° hetzij een mondelinge kennis hebben van de tweede taal overeenstemmend met het niveau van hun graad;2° hetzij een schriftelijke en mondelinge kennis hebben van de tweede taal overeenstemmend met het niveau van hun graad. De mondelinge kennis bedoeld onder punt 1 wordt bepaald bij artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966.

De schriftelijke en mondelinge kennis bedoeld onder punt 2 wordt bepaald bij het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven door artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, inzonderheid : a) de artikelen 8 en 9, § 1 voor de ambtenaren van de niveaus B, C, D en E en de graden van de rangen A1 en A2;b) de artikelen 7, 11 of 12 en 9, § 1 voor de ambtenaren van de graden vanaf rang A3.

Art. 363.§ 1. Het jaarbedrag van de tweetaligheidspremie bedoeld in artikel 362, eerste lid, 1°, wordt vastgesteld op : - 24 000 BEF voor de ambtenaren van niveau A; - 18 000 BEF voor de ambtenaren van niveau B en C; - 12 000 BEF voor de ambtenaren van niveau D en E. § 2. Het jaarbedrag van de tweetaligheidspremie bedoeld in artikel 362, eerste lid, 2°, wordt vastgesteld op het viervoudige van het jaarlijks beloop der gemiddelde weddeverhogingen van de weddenschaal verbonden aan de graad van de ambtenaar.

Het jaarlijks beloop der gemiddelde weddeverhogingen van de weddenschaal verbonden aan de graad van de ambtenaar wordt bepaald door het bedrag van het verschil tussen het maximum en het minimum van de basisweddenschaal, gedeeld door het getal overeenstemmend met het aantal jaren dat vereist is voor de toekenning van de maximumwedde. § 3. Tot hij geslaagd is voor de examens voorzien in artikel 362, 3e lid en gedurende een termijn van maximum achttien maanden vanaf de datum van de benoeming in de nieuwe graad behoudt de ambtenaar het voordeel van de laatst bekomen tweetaligheidstoelage op de lagere graad.

Art. 364.De tweetaligheidspremies worden maandelijks en samen met de wedde vereffend. Zij zijn gebonden aan de schommelingen van de spilindex 138,01. HOOFDSTUK V. - De premies toegekend in toepassing van de stelsels van arbeidsherverdeling

Art. 365.De ambtenaren die gebruik maken van het recht bedoeld bij artikel 173 genieten een weddebijslag van 3 250 BEF per maand die volledig deel uitmaakt van de wedde. Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 117,19.

Art. 366.De ambtenaren die gebruik maken van het recht bedoeld bij artikel 176 bekomen een niet-geïndexeerde maandelijkse premie van 11 940 BEF. HOOFDSTUK VI. - Toelagen voor opleiders

Art. 367.Aan ambtenaren die een opleiding verstrekken wordt er een opleidingstoelage verleend waarvan het bedrag en de wijze van toekenning door de minister worden bepaald.

TITEL III. - De vergoedingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 368.Een vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaar die verplicht wordt werkelijke lasten te dragen die niet als normaal of inherent aan het ambt kunnen worden beschouwd.

Art. 369.Wanneer de situatie die aanleiding geeft tot het toekennen van een vergoeding onderhevig is aan herhaling, kan een forfaitair bedrag worden vastgesteld.

Art. 370.In geval van onderbreking van de uitoefening van zijn ambt wordt de uitbetaling van de vergoeding opgeschort voorzover de lasten niet meer worden gedragen. HOOFDSTUK II. - De vergoedingen voor reiskosten Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 371.Onverminderd de artikelen 392 tot 395 heeft de ambtenaar recht op de terugbetaling van de kosten verbonden aan dienstreizen.

Elke reis vereist de toestemming van de functioneel bevoegde minister of zijn gemachtigde, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B. De toestemming kan algemeen zijn, inzonderheid ingeval de betrokkenen regelmatig moeten reizen.

Art. 372.Behalve wanneer het belang van de dienst het vereist, gebeurt elke dienstreis met het goedkoopste vervoermiddel.

Art. 373.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, vermindert de terugbetaling indien hij of zij meent dat de kosten overdreven zijn of de reizen hadden kunnen worden vermeden. Afdeling 2. - Het gebruik van het openbaar vervoer

Art. 374.De onkosten van een reis met het openbaar vervoer worden terugbetaald volgens de officiële tarieven.

Art. 375.De ambtenaren ontvangen hetzij een reisorder in te ruilen voor een gewoon ticket, hetzij een terugbetaling in ruil voor het vervoersbewijs.

Art. 376.Als het vertrekstation gelegen is in de werkelijke woonplaats van de betrokkene en deze niet overeenstemt met zijn administratieve standplaats mag dit niet leiden tot bijkomende lasten.

De eventuele toeslag van de reis is voor rekening van de betrokkene.

Art. 377.Voor zijn dienstreizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geniet de ambtenaar een vrij abonnement op het vervoersnet van de M.I.V.B. Afdeling 3. - Het gebruik van het eigen voertuig

Art. 378.In de instellingen van categorie A, worden de machtigingen om de eigen wagen in het kader van de dienstnoodwendigheden te gebruiken gegeven door de functioneel bevoegde minister, binnen de kredieten van zijn begrotingsafdeling en op gunstig advies van de inspectie van financiën.

Zij zijn slechts geldig tot 31 december van elk jaar.

Het ministerieel besluit bepaalt eveneens het maximum jaarlijks kilometeraantal dat wordt toegestaan. Dit aantal kan per dienst worden vastgesteld.

In de instellingen van categorie B worden de machtigingen om de eigen wagen te gebruiken gegeven door de benoemende overheid binnen de perken van de dotatie toegekend aan de instelling.

Art. 379.Behoudens uitdrukkelijke machtiging mag de ambtenaar geen dienstreizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in rekening brengen.

In voorkomend geval wordt in de machtiging van de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, een maximum aantal kilometers bepaald.

Art. 380.In geen geval mag het belastbaar vermogen van het voertuig dat in aanmerking komt voor vergoeding meer bedragen dan 11 PK voor de ambtenaren van de rangen A5 tot A3 en 7 PK voor de ambtenaren van de andere rangen.

Art. 381.De kilometervergoeding wordt vastgesteld volgens artikel 13 van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende de algemene regeling inzake reiskosten en alle besluiten die het wijzigen. Zij dekt alle kosten van het gebruik van het eigen voertuig, behalve de kosten van een all-riskverzekering die de instelling ten laste neemt.

Voor dienstreizen van in het buitenland verblijvende ambtenaren, wordt de kilometervergoeding bepaald door de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B.

Art. 382.Een ambtenaar die van de fiets gebruik maakt voor de behoeften van de dienst op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of daarbuiten kan aanspraak maken op een vergoeding volgens de in artikelen 393 en 394 bepaalde regeling.

Art. 383.De ambtenaren die zich verplaatsen met hun gebruikelijke woonplaats als vertrek- of aankomstpunt, kunnen geen vergoeding bekomen die hoger ligt dan die welke hen verschuldigd zou zijn indien zij hun administratieve standplaats als vertrek- of aankomstpunt zouden nemen.

Art. 384.De vergoedingen worden vereffend op overlegging van een aangifte op erewoord met een overzicht van het aantal voor de dienst afgelegde kilometers. HOOFDSTUK III. - De vergoeding voor verblijfkosten

Art. 385.Er wordt aan de ambtenaren die dienstreizen moeten maken een dagelijkse forfaitaire vergoeding van hun verblijfkosten toegekend.

Art. 386.De vergoeding voor verblijfkosten in het binnenland wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de personeelsleden van de ministeries en elk ander besluit die het mocht wijzigen.

Art. 387.De vergoeding bedoeld in artikel 385 wordt niet toegekend voor reizen binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Niettemin kan in uitzonderlijke gevallen de functioneel bevoegde minister wat betreft de instellingen van categorie A of de benoemde overheid wat betreft de instellingen van categorie B een bijzonder forfaitair stelsel invoeren.

Art. 388.De ambtenaren die worden afgevaardigd om deel te nemen aan internationale conferenties in het binnenland hebben recht op terugbetaling van de werkelijke uitgaven op overlegging van een verantwoordingsnota.

Art. 389.Het verblijf in het buitenland geeft aanleiding tot de terugbetaling van de werkelijke uitgaven op overlegging van een verantwoordingsnota.

De minister is evenwel gemachtigd de dagelijkse forfaitaire bedragen vast te stellen voor de officiële reizen in sommige landen.

Art. 390.De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, regelt de bijzondere situaties die met name ontstaan als gevolg van de uitoefening van een reizende functie of als gevolg van detachering.

Art. 391.Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtmaatregelen, kan de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, de verblijfsvergoeding weigeren indien hij of zij vaststelt dat de rechthebbenden misbruik maken van de rechten die hen bij dit besluit worden toegekend. HOOFDSTUK IV. - De vergoeding voor vervoerkosten op de weg van en naar het werk Afdeling 1. - De vergoeding voor het gebruik van de fiets op de weg

van en naar het werk

Art. 392.De ambtenaar die zich per fiets verplaatst om zich van zijn woonplaats naar zijn werk te begeven, heeft recht op een vergoeding van zijn kosten.

De vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaar die minstens vijf keer per maand gebruik maakt van zijn fiets op de weg van en naar het werk.

Art. 393.De vergoeding wordt forfaitair vastgesteld op zes F per kilometer.

Zij wordt berekend volgens de kortste of de veiligste weg tussen zijn woonplaats en zijn administratieve standplaats.

Art. 394.De vergoeding wordt uitbetaald op overlegging van een aangifte op erewoord gestaafd met een driemaandelijks overzicht.

De functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B, oefent toezicht uit op de aangiften. Afdeling 2. - De vergoeding voor het gebruik van het gemeenschappelijk

openbaar vervoer op de weg van en naar het werk

Art. 395.Het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer door de ambtenaar om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, geeft aanleiding tot een terugbetaling door de instelling van een gedeelte van zijn kosten.

Deze terugbetaling gebeurt overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 juni 1998 tot regeling van de tegemoetkoming van de Staat en sommige instellingen van openbaar nut in de vervoerkosten van de personeelsleden. HOOFDSTUK V. - Huisvestingskosten Afdeling 1. - Het genot van een dienstwoning

Art. 396.De ambtenaren die verplicht een bepaalde woonst betrekken omdat hun ambt hun permanente aanwezigheid vereist op de werkplaats, genieten kosteloze woongelegenheid.

Art. 397.Een maandelijkse inhouding wordt uitgevoerd op de wedde van de ambtenaren die een woonst betrekken waarvan het gebruik hen is toegestaan teneinde hun taak te vergemakkelijken.

Deze inhouding wordt vastgesteld op het bedrag van de huurwaarde van de woonst, eventueel verhoogd met de verwarmings- en verlichtingswaarde. Zij mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van het brutobedrag van de gemiddelde wedde voor de woonst en 12,5 % van dit bedrag voor de woonst, de verwarming en de verlichting.

Art. 398.De Regering bepaalt de functies bedoeld in artikel 396 met verduidelijking van degene waaraan naast de woonst, de verwarming en de verlichting zijn verbonden.

Zij onderscheidt ook : 1° degene waarvan de titularissen onderworpen zijn aan bijzondere verplichtingen, zelfs indien hun bestuur zich in de materiële onmogelijkheid bevindt hen ter plaatse te huisvesten;2° degene waarvan de titularissen niet onderworpen zijn aan die bijzondere verplichtingen indien hun bestuur hen niet ter plaatse kan huisvesten.

Art. 399.Voor de toepassing van artikel 397 stelt de Minister bevoegd voor Financiën de huurwaarde van de woonst vast.

Voor de toepassing van artikel 397, tweede lid, wordt de gemiddelde wedde bepaald door het rekenkundig gemiddelde van de minimum- en de maximumwedde van de weddenschaal van de uitgeoefende functie. Afdeling 2. - De huisvestingstoelage

Art. 400.De ambtenaren die één van de in artikel 398, tweede lid, 1°, bedoelde functies uitoefenen, ontvangen een vervangende toelage indien ze niet werkelijk het voordeel van hetzij een woonst, hetzij een woonst met verwarming en verlichting genieten.

Deze toelage wordt verleend door de functioneel bevoegde minister, wat betreft de instellingen van categorie A, of de benoemende overheid, wat betreft de instellingen van categorie B. Zij bedraagt nooit meer dan 10 % van het brutobedrag van de gemiddelde wedde.

Ze wordt maandelijks uitbetaald na het verstrijken van de termijn.

Ingeval de toelage niet voor een volledige maand verschuldigd is, wordt zij berekend in dertigsten. HOOFDSTUK VI. - De toelage voor huisbewaarders of hun vervangers

Art. 401.De ambtenaren waaraan een ambt van huisbewaarder wordt toegekend, genieten uit hoofde daarvan enkel de kosteloosheid van woonst, verwarming en verlichting. Zij genieten een wedde uit hoofde van een ander ambt dat zij uitoefenen binnen de instelling.

Art. 402.De instelling neemt de inhoudingen en de bijdragen ten laste, die de betrokkenen uit hoofde van hun functie van huisbewaarder verschuldigd zijn, hetzij aan het Fonds voor overlevingspensioenen, hetzij aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 403.Een toelage wordt toegekend aan de persoon vreemd aan het bestuur die, met instemming van de bevoegde overheid, de huisbewaarder vervangt gedurende een jaarlijks vakantie van minstens een week.

De toelage wordt per dag toegekend. Elke dag wordt gelijkgesteld met een prestatie van 7 u. en bezoldigd op basis van het minimumuurloon vastgesteld in de weddenschaal E101. HOOFDSTUK VII. - Vergoeding van de begrafeniskosten bij overlijden van een ambtenaar

Art. 404.Een vergoeding wegens begrafeniskosten aan de quota en voorwaarden, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 21 mei 1965 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van een lid van het personeel der Ministeries wordt toegekend aan de rechthebbenden van de overleden ambtenaar of aan de andere personen bedoeld in genoemd besluit.

BOEK III. - DE VASTSTELLING VAN DE ADMINISTRATIEVE EN GELDELIJKE ANCIENNITEIT TITEL I. - Algemene bepalingen

Art. 405.Er dient te worden verstaan onder "volledige prestaties", de prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit volledig in beslag neemt.

Art. 406.De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten als hij zich in een administratieve stand bevindt op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of bij ontstentenis daarvan, zijn aanspraak op bevordering tot een hogere wedde behoudt.

Art. 407.De anciënniteit wordt berekend per kalendermaand. De diensten die geen volledige maand beslaan worden genegeerd.

TITEL II. - De berekening van de administratieve anciënniteit

Art. 408.Voor de berekening van de graad- en niveau-anciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten gepresteerd : 1° in de hoedanigheid van stagiair of vastbenoemd ambtenaar;2° in een ministerie of een instelling van openbaar nut behorende tot het Rijk, de Gemeenschappen of de Gewesten alsmede in diensten of een openbare instelling van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of op voorwaarde dat de minister beslist over de toelaatbaarheid ervan, in een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke hiervoor opgesomd zijn, van een Staat van de Europese Unie als onderdaan van één van de Lid-Staten;3° zonder onderbreking die het gevolg is van een door de ambtenaar opgelopen tuchtstraf of ontslag wegens beroepsongeschiktheid in het kader van de evaluatie van de ambtenaar;4° als titularis van een ambt met volledige of deeltijdse prestaties. Voor de berekening van de dienstactiviteit geldt dezelfde berekeningswijze, met dien verstande dat werkelijke prestaties in gelijk welke hoedanigheid in aanmerking komen.

Art. 409.Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar benoemd in de betreffende graad of voor bevordering gerangschikt werd ingevolge de terugwerkende kracht van zijn benoeming.

Voor de niveau-anciënniteit telt de datum waarop de ambtenaar benoemd is in een graad van het betreffende niveau of waarop hij voor bevordering gerangschikt werd ingevolge de terugwerking van zijn benoeming.

Art. 410.Deeltijdse prestaties van 1 976 uren worden geteld voor twaalf volle kalendermaanden.

Deeltijdse prestaties van een twaalfde van 1 976 uren worden geteld voor één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd.

Art. 411.De administratieve anciënniteit van een ambtenaar die titularis is van een ambt met deeltijdse prestaties, wordt berekend pro rata van zijn werkelijke prestaties.

TITEL III. - De geldelijke anciënniteit HOOFDSTUK I. - In aanmerking komende diensten

Art. 412.§ 1. Voor de berekening van de geldelijke anciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten gepresteerd door de ambtenaar in om het even welke hoedanigheid, als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of deeltijdse prestaties, in : - de diensten van de Europese Unie; - de diensten van de federale Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of andere openbare diensten; - de plaatselijke besturen; - de Afrikadiensten; - de onderwijsinstellingen van de gemeenschappen, de door een weddetoelage gesubsidieerde onderwijsinstellingen, de diensten voor onderwijs- of beroepsoriëntatie of de vrije door een weddetoelage gesubsidieerde psycho-medische en sociale centra; - de publiekrechtelijke en vrije universiteiten ongeacht de oorsprong van hun financiën; - een overheidsdienst die vergelijkbaar is met één van die welke opgesomd zijn in deze paragraaf, van een Staat van de Europese Unie, als één van de lidstaten; op voorwaarde dat de minister beslist over de toelaatbaarheid ervan. § 2. De effectief onder arbeidsovereenkomst gepresteerde diensten in de privé-sector of als zelfstandige kunnen eveneens in aanmerking komen voor een maximum van zes jaar.

De Regering stelt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling vast.

Art. 413.De minister bepaalt op basis van een door de bevoegde overheden afgeleverd attest de duur van de in aanmerking komende diensten die de ambtenaar in het onderwijs heeft gepresteerd.

De op dit attest vermelde volledige prestaties waarvoor de betaling gebeurde in tienden en die per schooljaar geen volledig jaar van werkelijke diensten vertegenwoordigen worden dag per dag samengeteld.

Het globaal aantal aldus gewerkte dagen met volledige prestaties wordt vermenigvuldigd met 1,2.

Het totaal van deze rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door 30. Het bekomen quotiënt geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden. Er wordt geen rekening gehouden met de rest.

De op het attest vermelde volledige prestaties vervuld gedurende een volledig schooljaar, gelden voor een totaal van 300 dagen en vertegenwoordigen één in aanmerking te nemen dienstjaar. HOOFDSTUK II. - De berekening van de geldelijke anciënniteit

Art. 414.De anciënniteit van de ambtenaar mag nooit de werkelijke duur van zijn in aanmerking komende diensten overschrijden.

De anciënniteit aan de ambtenaar toegekend in een openbare dienst waaruit hij werd overgeplaatst, blijft nochtans verworven, ongeacht de van kracht zijnde berekeningswijze van de anciënniteit in die dienst.

Art. 415.De diensten aangenomen voor de berekening van de anciënniteit zijn verworven in het niveau van de basisgraad van de ambtenaar. Zij worden in hun geheel verrekend.

De basisgraad is de eerste graad waartoe de ambtenaar wordt benoemd of waartoe hij nadien wordt benoemd volgens een benoemingswijze die geen rekening houdt met zijn vorige hoedanigheid.

BOEK IV. - OPHEFFINGS-, WIJZIGINGS-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN TITEL I. - Opheffingsbepalingen

Art. 416.Voor de ambtenaren onderworpen aan dit statuut worden opgeheven : 1° het besluit van de Regent van 3 mei 1948 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, in de door het statuut vastgelegde zin, tot Rijksambtenaar kunnen benoemd worden de leden en de gewezen leden van het personeel der kolonie, de leden van de rechterlijke macht, van de Raad van State en van het Rekenhof, de militairen en het administratief personeel van de griffies, de parketten, van de Raad van State en van het Rekenhof, opnieuw gepubliceerd als bijlage III van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 18 april 1969, 17 september 1969 en 18 juni 1976;2° het besluit van de Regent van 30 maart 1950 de toekenning regelend van toelagen wegens buitengewone prestaties, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 5 november 1951, 30 augustus 1954, 11 december 1970, 11 augustus 1976 en 30 november 1979;3° het koninklijk besluit van 30 november 1950 betreffende de huisvesting van sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel;4° het koninklijk besluit van 10 april 1954 waarbij de rijksambtenaren die gemachtigd werden een openbaar ambt uit te oefenen in sommige Afrikaanse gebieden toen deze onder het gezag van België stonden, geheel of gedeeltelijk van sommige loopbaanexamens worden vrijgesteld, opnieuw gepubliceerd als bijlage V van het koninklijk besluit van 16 maart 1964 en gewijzigd bij het ministerieel besluit van 11 december 1970;5° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 mei 1968, 7 maart 1977, 24 november 1978, 22 januari 1979, 27 juli 1981, 16 november 1981, 30 maart 1983, 31 december 1984, 18 februari 1985, 3 juli 1985, 26 augustus 1987, 1 oktober 1987, 2 oktober 1989, 27 maart 1990, 19 juli 1990, 25 oktober 1990, 18 september 1991, 10 oktober 1991, 6 november 1991 en 14 februari 1992;6° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand van disponibiliteit van het rijkspersoneel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967 en bij het koninklijk besluit van 14 december 1970;7° het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de besluiten van 17 november 1969, 6 september 1971, 10 juli 1972, 29 juni 1973, 6 augustus 1974, 27 oktober 1975, 13 september 1976, 14 september 1976, 11 februari 1977, 22 mei 1978, 3 september 1979, 12 augustus 1981, 18 mei 1983, 19 maart 1985, 7 maart 1989, 18 december 1989, 21 december 1990 en 16 september 1991;8° het koninklijk besluit van 12 oktober 1964 tot vaststelling van de bezoldiging van hen die hun medewerking verlenen voor de opleiding en de voortgezette opleiding van het Rijkspersoneel;9° het koninklijk besluit van 24 december 1964 tot vaststelling van de vergoedingen wegens verblijfkosten toegekend aan de leden van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 december 1970, 4 december 1990 en 4 maart 1993, de wet van 22 juli 1993, de koninklijke besluiten van 17 maart 1995 en 10 april 1995, met uitzondering van artikelen 1 tot 4.10° het koninklijk besluit van 11 januari 1965 houdende vaststelling van de manier van aanwijzing van de groepsleiders in de typdiensten en van hun bezoldiging;11° het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1984 en bij het ministerieel besluit van 12 december 1984, met uitzondering van artikel 13 en de bijlage waarnaar het verwijst;12° het koninklijk besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel der ministeries, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 februari 1967 en 2 maart 1989;13° het koninklijk besluit van 29 april 1965 betreffende de valorisatie van de voordelen in natura toegekend aan de conciërges van de verschillende ministeries en van de instellingen welke tot die ministeries behoren, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 februari 1979;14° het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de rijksambtenaren die met een opdracht worden belast, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 december 1971, 2 april 1979 en 19 september 1991;15° het koninklijk besluit van 14 februari 1968 houdende sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met de graden van conducteur, van technisch ingenieur of met sommige graden van het controle- en opzichterspersoneel van werken zijn bekleed, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1973, 12 september 1974 en 16 november 1979;16° het koninklijk besluit van 21 augustus 1970 betreffende de toekenning van verlof en van een vergoeding van sociale promotie aan sommige categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 april 1976, 3 december 1987 en 6 november 1991;17° het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 4 maart 1974, 30 september 1974, 17 september 1975, 23 december 1975, 8 maart 1976, 15 maart 1976, 10 mei 1976, 15 september 1976, 24 februari 1977, 10 mei 1977, 6 juni 1978, 3 oktober 1978, 13 september 1979, 2 oktober 1979, 16 november 1979, 22 februari 1980, 30 juli 1981, 16 december 1981, 12 juli 1982, 6 oktober 1983, 26 januari 1984, 28 mei 1984, 3 september 1984, 14 juni 1985, 19 augustus 1985, 13 juli 1987, 4 februari 1988, 16 november 1988, 6 maart 1989, 8 mei 1989, 9 juni 1989, 23 oktober 1989, 6 juni 1991, en door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 13 februari 1992;18° het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 6 december 1974, 10 mei 1976, 8 augustus 1983 26 januari 1984, 21 januari 1991, 7 augustus 1991;19° het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 juni 1975, 5 december 1978 en 30 maart 1983, bij het koninklijk besluit nr.279 van 30 maart 1984, bij de koninklijke besluiten van 27 juli 1989, 13 december 1989, 7 augustus 1991, 6 november 1991 en 18 november 1991 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994, met uitzondering van artikelen 35 tot 41; 20° het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de Gemeenschappen of de Gewesten erkende politieke groepen respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1981 en 16 april 1991;21° het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 7 maart 1977, 27 juli 1981, 16 november 1981 en 25 oktober 1990;22° het koninklijk besluit van 28 september 1976 tot instelling van een toelage voor sommige ambtenaren van de rijksbesturen, die geslaagd zijn voor een vergelijkend examen voor overgang naar het hogere niveau, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1995;23° het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 september 1981, 7 augustus 1991 en 6 november 1991;24° het koninklijk besluit van 11 februari 1977 betreffende de toekenning van de zogeheten "weddenschaal van geselecteerde" aan bepaalde personeelsleden van sommige ministeries, met uitzondering van artikel 24;25° het koninklijk besluit van 31 juli 1978 houdende toekenning van een toelage voor vervanging van de huisbewaarder tijdens het vakantieverlof, aan personen vreemd aan de Administratie;26° het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van architect zijn bekleed;27° het koninklijk besluit van 16 november 1979 tot vaststelling van sommige administratieve en geldelijke bepalingen ten gunste van de personeelsleden der rijksbesturen die met een graad van industrieel ingenieur zijn bekleed, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 1984;28° het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 betreffende de uitoefening van een hoger ambt in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 februari 1989 en 6 november 1991;29° het koninklijk besluit van 19 augustus 1985 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;30° het koninklijk besluit van 13 maart 1989 tot bepaling van de rechtspositie en de graden van directeur-generaal en adjunct-directeur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;31° het koninklijk besluit tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest;32° het koninklijk besluit van 11 mei 1989 tot bepaling van de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 1992;33° het koninklijk besluit van 11 mei 1989 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van het Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest titularis kunnen zijn gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 december 1992;34° het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Brussels Instituut voor Milieubeheer, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 5 december 1990;35° het koninklijk besluit van 1991 betreffende het onthaal en de opleiding van het rijkspersoneel;36° het koninklijk besluit van 9 juni 1989 tot vaststelling van het statuut van leidend ambtenaar en adjunct leidend ambtenaar van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. Elke reglementaire bepaling die niet uitdrukkelijk is opgeheven door dit artikel is niet van toepassing op de aan dit statuut onderworpen ambtenaren indien zij in tegenspraak is met de bepalingen ervan.

Art. 417.Voor de ambtenaren onderworpen aan dit statuut worden opgeheven : 1° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 25 juli 1991 tot toekenning van een premie voor tweetaligheid aan het personeel dat werkzaam is bij sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 1993 en 11 maart 1998;2° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 houdende reglement van het personeel van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997;3° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot toekenning van een zogeheten weddenschaal van "geselecteerde" aan sommige personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;4° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;5° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 3 maart 1992 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren van de Brussels Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling titularis kunnen zijn, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1997;6° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 betreffende het statuut van de ambtenaren van de Haven van Brussel;7° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van het statuut en de graden van de leidend ambtenaar en de adjunct-leidend ambtenaar van de Haven van Brussel;8° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de bijzondere graden van de Haven van Brussel, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 maart 2000;9° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 8 april 1993 tot bepaling van de hiërarchische rangschikking van de graden die door de personeelsleden van de Haven van Brussel kunnen worden bekleed;10° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van het Brussels Instituut voor Milieubeheer kunnen bekleden;11° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 oktober 1993 tot vaststelling van het statuut van de opdrachthouders bij de Brussels Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;12° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 oktober 1993 houdende de rangschikking per niveau en per rang van de graden die de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen bekleden, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994;13° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 februari 1994 en 26 mei 1994;14° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van de Brussels Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij titularis kunnen zijn;15° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 oktober 1993 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de personeelsleden van de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij titularis kunnen zijn;16° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 december 1993 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 3 en 4 van het ministerie en van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitzondering van de bijlagen;17° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 januari 1994 tot oprichting van een gemeenschappelijke Raad van Beroep voor de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en tot vaststelling van de samenstelling ervan, gewijzigd door de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 1996 en 19 juni 1997;18° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 februari 1994 houdende het personeelsreglement van het Brussels Instituut voor Milieubeheer;19° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998, met uitzondering van de bijlagen;20° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 2 februari 1995 betreffende de hiërarchische rangschikking van de graden van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, gewijzigd door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998;21° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 januari 1996 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut die afhangen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;22° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 mei 1998 tot oprichting van een stagecommissie voor het Brussels Instituut voor Milieubeheer.23° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 oktober 1998 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddeschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;24° de artikelen 55 tot 60 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 november 1998 tot vaststelling van het administratief statuut van het personeel van de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp;25° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 maart 1999 tot aanvulling voor wat de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp betreft, van het besluit van 21 oktober 1993 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;26° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 mei 2000 tot wijziging van de samenstelling van de Directieraad van het Brussels Instituut voor Milieubeheer; Elke reglementaire bepaling die niet uitdrukkelijk is opgeheven door dit artikel is niet van toepassing op de aan dit statuut onderworpen ambtenaren indien zij in tegenspraak is met de bepalingen ervan.

TITEL II. - Wijzigingsbepalingen

Art. 418.In het koninklijk besluit van 16 november 1988 tot vaststelling van de organisatie en de werking van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Artikel 17 wordt vervangen als volgt : « Art.17. Met uitzondering van de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de door middel van een mandaat aangestelde ambtenaren wordt het personeel door het beheerscomité benoemd, bevorderd en afgezet overeenkomstig de regelen van het statuut van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. »; 2° Het derde lid van artikel 22 wordt vervangen als volgt : « De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt de directeur-generaal en de adjunct-directeur-generaal aan en zet hen af.»; 3° Artikel 29 wordt opgeheven. TITEL III. - Overgangsbepalingen HOOFDSTUK I. - Omzettingsbepalingen Afdeling 1. - Omzetting van de vroegere graden in de nieuwe graden

Art. 419.De betrekkingen van directeur-generaal in rang A5 en adjunct-directeur-generaal in rang A4+ worden toegekend aan de ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit respectievelijk titularis zijn van een betrekking van leidend ambtenaar in rang 16 en adjunct-leidend ambtenaar in rang 15.

Art. 420.De titularissen van de graden bedoeld in de linkerkolom van de bijlage II worden van rechtswege en door verandering van graad benoemd in de overeenstemmende graad in de rechterkolom.

Art. 421.De ambtenaren behouden in hun nieuwe graad de graadanciënniteit welke was verkregen in de graad waarvan ze titularis waren.

Als verscheidene graden werden vereenvoudigd tot één basisgraad, is de graadanciënniteit van de ambtenaar die naar de nieuwe graad overgaat, gelijk aan de graadanciënniteit die hij desgevallend heeft verworven in ieder van de graden die in de nieuwe basisgraad worden omgezet.

Art. 422.De ambtenaren met de graad van inspecteur-generaal of van bestuursdirecteur mogen hun titel blijven dragen.

Art. 423.Onverminderd artikel 457, behouden de ambtenaren hun geldelijke anciënniteit bij de omzetting naar hun nieuwe graad.

Art. 424.§ 1. In afwijking van artikel 65, worden de ambtenaren vrijgesteld van de voorwaarden van het bezit van het managementbrevet om zich kandidaat te stellen voor een kaderbetrekking van rang A2 of voor een betrekking van rang A3.

Deze afwijking geldt tot op het ogenblik waarop de eerste managementbrevetten worden uitgereikt. § 2. In afwijking van artikel 72, worden de ambtenaren die titularis zijn van een graad van respectievelijk rang B1, C1, D1 en E1 vrijgesteld van de voorwaarden van het bezit van het brevet om zich kandidaat te stellen voor een betrekking van B2, C2, D2, en E2.

Deze afwijking geldt tot op het ogenblik waarop de eerste brevetten per niveau worden uitgereikt. Afdeling 2. - Toewijzing van de mandaten

Art. 425.De mandaten bedoeld bij artikel 88 worden voor het eerst vacant verklaard op de datum bepaald door de Regering.

Art. 426.De leidende ambtenaren bedoeld in artikel 419, die zich kandidaat stellen voor de vacant verklaarde mandaten, worden van ambtswege aangesteld als eerste titularis in de mandaten van rang A5 en A4+.

Hun mandaat wordt van ambtswege verlengd zolang de Hoge Raad hun een evaluatie "voldoende" toekent.

De leidende ambtenaren die geen kandidaat zijn voor de vacant verklaarde mandaten behouden hun titel en genieten de eraan verbonden weddenschaal. Zij oefenen een functie uit die overeenstemt met hun titel.

Art. 427.De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit leidende ambtenaar of adjunct-leidende ambtenaar zijn, worden vrijgesteld van in het bezit te zijn van het managementbrevet bedoeld in artikel 82.

Art. 428.Zolang de Regering de nadere regels van de toekenning van de managementbrevetten niet heeft bepaald, worden de ambtenaren die zich kandidaat stellen voor de eerste toekenning van de mandaten vrijgesteld van de voorwaarde opgelegd door artikel 82. Afdeling 3. - Toekenning van de vermeldingen in het kader van de

evaluatie

Art. 429.De ambtenaren die vast benoemd zijn en een signalement « goed » of « zeer goed » hebben bekomen, alsook de ambtenaren zonder signalement van niveau 4 en de ambtenaren van het niveau 1, vanaf rang 13, krijgen van ambtswege een vermelding « voldoende ».

Deze die een signalement "onvoldoende" of "slecht" hebben bekomen krijgen van ambtswege de vermelding "met voorbehoud".

Deze vermeldingen worden toegewezen op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 430.Alle ambtenaren zullen worden met toepassing van de artikelen 127 tot 134 van dit besluit geëvalueerd op de data bepaald door de Regering.

De stagiairs die hun stage niet hebben voltooid op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, worden ten vroegste een jaar na het beëindigen van hun stage geëvalueerd worden met toepassing van de artikelen 127 tot 134 van dit besluit. Afdeling 4. - De omzetting in de functionele loopbanen

Art. 431.Deze afdeling is niet toepasselijk op de titularissen van een vlakke loopbaan.

Onderafdeling 1. - De omzetting van wervingsgraden in de niveaus 1, 2, 3 en 4

Art. 432.De titularissen van een wervingsgraad in de niveaus 1, 2, 3 en 4 worden ingeschakeld in de weddenschaal 101 of 111, naargelang de graad, van de functionele loopbaan van hun niveau als zij minder dan negen jaar graadanciënniteit hebben.

Als zij tussen negen en achttien jaar graadanciënniteit hebben worden zij ingeschakeld in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, van de functionele loopbaan van hun niveau.

Als zij achttien jaar graadanciënniteit hebben, worden zij ingeschakeld in de weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad, van de functionele loopbaan van hun niveau.

Deze ambtenaren genieten de nieuwe weddenschalen van de "functionele loopbaan" op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit.

Onderafdeling 2. - De omzetting van bevorderingsgraden van rang 11 en 12

Art. 433.De titularissen van een graad van rang 11 worden ingeschakeld in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, van de functionele loopbaan overeenstemmend met hun nieuwe graad.

Zij komen in aanmerking voor de weddenschaal 103 of 113 zodra zij negen jaar anciënniteit in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad, hebben. De graadanciënniteit die zij hebben verworven in rang 11 komt in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in de weddenschaal 102 of 112, naargelang de graad.

Als zij achttien jaar niveauanciënniteit hebben, worden zij ingeschakeld in de weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad van de functionele loopbaan van hun niveau.

De titularissen van een graad van rang 12 worden ingeschakeld in de weddenschaal 103 of 113, naargelang de graad van de functionele loopbaan overeenstemmend met hun nieuwe graad.

Deze ambtenaren genieten de nieuwe weddenschalen van de "functionele loopbaan" op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit.

Onderafdeling 3. - De omzetting van bevorderingsgraden in niveaus 1, 3 en 4

Art. 434.De titularissen van de graad van eerste adviseur in rang 14 worden titularissen van de graad van directeur van rang A3 en genieten de weddenschaal A310.

Art. 435.Het genot van de weddenschaal 103 in hun niveau wordt gewaarborgd aan de titularissen van een bevorderingsgraad van rang 34 en 44.

Art. 436.De ambtenaren bedoeld in artikel 435 die voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden genieten voorrang bij de toekenning van een bevorderingsgraad van rang D2 of E2.

Art. 437.Een ambtenaar met de graad van geschoold werkman van rang 43 die geslaagd is in het examen voor overgang naar niveau 3 geselecteerd werkman A, specialiteit werkmeester vervoer, wordt ingedeeld als klerk. De betrokkene heeft in zijn nieuwe graad de anciënniteit die in niveau 4 verkregen was sedert het welslagen in het examen voor overgang naar het hoger niveau. Afdeling 5. - De omzetting van de graden van niveau 2

Art. 438.De titularissen van een graad van rang 25 genieten de schaal B103.

De titularissen van een graad van rang 25 die houder zijn van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot een betrekking van niveau B, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1.

Art. 439.De titularissen van een graad van rang 24 genieten de schaal C200.

De titularissen van een graad van rang 24 die houder zijn van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot een betrekking van niveau B, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1. Zij genieten de weddenschaal C200 tot op het moment dat zij de schaal B103 genieten door toepassing van de functionele loopbaan.

Art. 440.De titularissen van een graad van rang 23 of 22 die houder zijn van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot een betrekking van niveau B, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1. Zij genieten de weddenschaal C 103 tot op het moment dat zij de schaal B102 genieten door toepassing van de functionele loopbaan.

Art. 441.De titularissen van een graad van rang 23 of 22 die geen diploma of studiegetuigschrift bezitten dat toegang verleent tot een betrekking van niveau B, genieten de weddenschaal C103. Degene die evenwel de voorwaarden vervullen om te worden bevorderd tot een graad van rang 24, genieten de schaal C 200.

De ambtenaren die zijn geslaagd voor een bevorderingsexamen bij het Vast Wervingssecretariaat maar nog niet werden bevorderd tot rang 23 of 22, worden op dezelfde wijze ingeschakeld. Zodra zij zijn geslaagd, is deze bepaling eveneens toepasselijk op de laureaten van een bij de inwerkingtreding van dit besluit aan de gang zijnde bevorderingsexamen.

Art. 442.De titularissen van een graad van rang 21 of 20 die een diploma of studiegetuigschrift bezitten dat toegang verleent tot een betrekking van niveau B en dat uiterlijk in de loop van het schooljaar 2000-2001 is behaald, worden van rechtswege benoemd tot de graad van assistent in rang B1, voorzover ze een functie vervullen die verband houdt met dat diploma of dat studiegetuigschrift. Afdeling 6. - De omzetting van de graden van bemiddelaar, eerste

bemiddelaar, bemiddelaar 1e klasse, hoofdbemiddelaar en beroepsadviseur.

Art. 443.De titularissen van de graden van bemiddelaar, eerste bemiddelaar, bemiddelaar 1e klasse, hoofdbemiddelaar en beroepsadviseur zijn benoemd tot de graad van assistent in rang B1.

De titularissen van de graad van bemiddelaar genieten de schaal B101 en na 6 jaar graadanciënniteit de schaal C200 tot op het ogenblik dat zij de schaal B103 genieten bij toepassing van de functionele loopbaan.

De titularissen van de graad van eerste bemiddelaar genieten de schaal C200 tot op het moment dat ze de schaal B103 genieten door toepassing van de functionele loopbaan.

De titularissen van de graden van bemiddelaar 1e klasse genieten de schaal B103.

De titularissen van de graden hoofdbemiddelaar en beroepsadviseur genieten de schaal B200.

In afwijking van artikel 71, eerste lid, nemen de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid van dit artikel in hun nieuwe graad de anciënniteit mee bereikt in de graden waarvan ze titularis waren in niveau 2. Afdeling 7. - De omzetting van de graden van technisch beambte van

Waters en Bossen 1e klasse, eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen, brigadechef van Waters en Bossen en brigadechef van Waters en Bossen 1e klasse.

Art. 444.De titularissen van de graden van technisch beambte van Waters en Bossen 1e klasse, eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen, brigadechef van Waters en Bossen en brigadechef van Waters en Bossen 1e klasse worden benoemd tot de graad van adjunct in de rang C1.

De titularissen van de graden van technisch beambte van Waters en Bossen 1e klasse in de rang 30 en eerstaanwezend technisch beambte van Waters en Bossen in de rang 32 genieten de schaal C101.

De titularissen van de graad van brigadechef van Waters en Bossen of van brigadechef van Waters en Bossen 1e klasse in rang 34 genieten de schaal C102.

In afwijking van artikel 71, eerste lid, nemen de titularissen van de graden bedoeld in het eerste lid van dit artikel in hun nieuwe graad de anciënniteit mee bereikt in de graden waarvan ze titularis waren in niveau 3 voor de bevordering tot de graad van eerste adjunct. Afdeling 8. - De omzetting van de vlakke loopbaan

Onderafdeling 1. - De omzetting van de graden van de vlakke loopbanen in niveau 1

Art. 445.Onverminderd artikel 457, genieten de titularissen van een vlakke loopbaan in de rangen 10-11-13 in hun nieuwe omzettingsgraad de weddenschaal A102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit tellen en de weddenschaal A300 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit tellen.

Art. 446.Onverminderd artikel 457, genieten de titularissen van een vlakke loopbaan in de rangen 10-11-12 in hun nieuwe graad de weddenschaal A102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit tellen en de weddenschaal A103 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit tellen.

Art. 447.De titularissen van een vlakke loopbaan in de rangen 12-13 genieten in hun nieuwe graad de weddenschaal A113 en de weddenschaal A310 zodra zij negen jaar graadanciënniteit tellen.

Art. 448.De ambtenaren bedoeld in artikelen 445 en 447, die zich kandidaat stellen voor een bevordering tot een graad in rang A3, worden vrijgesteld van de bepaling betreffende het bezit van een managementbrevet tot op het ogenblik dat het wordt toegekend door de Regering.

Onderafdeling 2. - De omzetting van de graden van de vlakke loopbanen in niveaus 2+, 2, 3 en 4

Art. 449.Onverminderd artikel 457, worden de titularissen van een vlakke loopbaan in niveau 2+ ingeschakeld in de functionele loopbaan van hun niveau.

Zij genieten de weddenschaal B102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit tellen en de weddenschaal B103 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit tellen.

Art. 450.Onverminderd artikel 457, worden de titularissen van een vlakke loopbaan in niveau 2 ingeschakeld in de functionele loopbaan van hun niveau.

Zij genieten de weddenschaal C102 zodra zij zes jaar graadanciënniteit hebben en de weddenschaal C103 zodra zij vijftien jaar graadanciënniteit hebben.

Art. 451.De titularissen van een vlakke loopbaan in niveau 3 en 4 worden ingeschakeld in de functionele loopbaan van hun niveau.

Zij genieten de weddenschaal D102 of E102 naargelang het niveau zodra zij drie jaar graadanciënniteit tellen. Als zij bij de inwerkingtreding van dit besluit achttien jaar of meer graadanciënniteit hebben, worden zij ingeschakeld in de weddenschaal D103 of E103 naargelang het niveau.

Art. 452.De overgangsbepalingen opgenomen in artikelen 420, 421, 423, 430, 432 eerste lid en 457 zijn eveneens van toepassing op de stagiairs. HOOFDSTUK II. - Overgangsbepalingen

Art. 453.Zolang zij kunnen worden ingeroepen door een ambtenaar in dienst bij de instelling of door iedere persoon die ertoe gerechtigd is en op voorwaarde dat deze ambtenaar of deze persoon reeds het voordeel van minstens één van deze maatregelen geniet op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit of dat hij er voordien van genoten heeft, blijven de bepalingen van toepassing die bedoeld worden door : - artikel 41 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries en de bepalingen waarnaar dit artikel verwijst; - artikel 24 van het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende bijzondere administratieve en geldelijke bepalingen betreffende sommige personeelsleden in de rijksbesturen en de bepalingen waarnaar het verwijst.

Art. 454.Artikel 338 van dit besluit is niet toepasselijk op de ambtenaren afkomstig van de Brussels Agglomeratie.

Art. 455.De stagecommissies die in functie zijn bij de inwerkingtreding van dit besluit blijven bevoegd totdat de leden van de commissie bedoeld in artikel 17 van dit besluit worden aangewezen.

Art. 456.De gemeenschappelijke raad van beroep die in functie is bij de inwerkingtreding van dit besluit en die kennis neemt van beroepen inzake tuchtzaken blijft bevoegd totdat de leden van de raad van beroep bedoeld in artikel 289 van dit besluit worden aangewezen.

Art. 457.De lopende tuchtzaken op het ogenblik van de goedkeuring door de Regering van dit besluit zijn onderworpen aan het tuchtstelsel zoals het bestond voor deze inwerkingtreding.

Art. 458.De ambtenaren behouden het voordeel van de weddenschaal waarvan zij genoten op het ogenblik van de omzetting voorzover deze voordeliger zou zijn dan de weddenschaal die hen wordt toegekend in hun nieuwe graad.

De weddenschalen die zij genoten in hun vroegere graad zijn deze bedoeld in de bijlagen van de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 december 1993 tot vaststelling van de weddenschalen van de graden van niveau 3 en 4 van het Ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en van 26 mei 1994 tot vaststelling van de weddenschalen van de graden van niveau 1, 2+ en 2 van het ministerie en de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 459.De weddenschalen van de ambtenaren die in dienst zijn bij de inwerkingtreding van dit besluit blijven gerangschikt in een leeftijdsklasse overeenkomstig de artikelen 35 tot 41 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende het geldelijk statuut van het personeel der ministeries zoals zij werden toegepast bij hun indienstneming.

Art. 460.De stagiair die tot de stage toegelaten werd vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zet zijn stage voort overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van kracht waren op de begindatum van zijn stage.

Art. 461.De procedures inzake oppensioenstelling in uitvoering op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit worden voortgezet overeenkomstig de op die datum van kracht zijnde bepalingen.

Art. 462.Alle aanstellingen in een hoger ambt worden in overeenstemming gebracht met de nieuwe statutaire voorschriften.

Art. 463.De ambtenaar die een verlof heeft verkregen, zoals bedoeld in Boek I, Titel VII, Hoofdstukken III, IV, V, VI en VII van dit besluit, overeenkomstig de reglementering die van kracht was vóór de inwerkingtreding van dit besluit, geniet dit verlof tot het einde van de periode waarvoor het was toegestaan zonder het te kunnen verlengen.

Art. 464.De reglementaire bepalingen van kracht op de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijven van toepassing op de ambtenaren die vóór bovenbedoelde datum zich hebben ingeschreven voor een examen voor overgang naar een hoger niveau of een examen voor verhoging in graad.

De ambtenaar die vóór de inwerkingtreding van dit besluit werd vrijgesteld van een examengedeelte voor overgang naar een hoger niveau, behoudt deze vrijstelling of verkrijgt ze onder de voorwaarden bedoeld in artikel 104 of 108.

TITEL IV. - Slotbepalingen

Art. 465.Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 juli 2001 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingetrokken.

Art. 466.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2001.

Art. 467.De Minister van Openbaar Ambt wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 26 september 2002.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek, F.-X. de DONNEA De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen, G. VANHENGEL

Bijlage I - Annexe I Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002.

De Minister-Voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Ondergeschikte Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek, F.-X. de DONNEA De Minister van Financiën, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen, G. VAN HENGEL

Bijlage II - Annexe II Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002.

De Minister-Voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belast met Ondergeschikte Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek, F.-X. de DONNEA De Minister van Financiën, Ambtenarenzaken en Externe Betrekkingen, G. VAN HENGEL

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^