Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 april 2010
gepubliceerd op 27 mei 2010

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende onteigening

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2010031264
pub.
27/05/2010
prom.
29/04/2010
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

29 APRIL 2010. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende onteigening


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;

Gelet op de ordonnantie van 20 mei 1999 betreffende de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en in het bijzonder artikels 4 en 7;

Gelet op de statuten van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, goedgekeurd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 16 december 1999;

Gelet op het Contract voor Economie en Tewerkstelling in Brussel 2005-2010 van 11 juni 2002, en in het bijzonder op Titel II waarin bepaald is dat de « uitbreiding van de ruimte die ter beschikking wordt gesteld van sleutelondernemingen in Brussel » een prioritair werkterrein vormt;

Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, en in het bijzonder artikelen 69 tot 72 en 76;

Gelet op het Gewestelijk Bestemmingsplan, goedgekeurd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 3 mei 2001;

Gelet op het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3 « Vallei van de Molenbeek » van de gemeente Ganshoren (begrensd door de Nestor Martinstraat, de gewestgrens en de gemeentegrens met Asse, de gemeentegrens met Jette die overeenstemt met de spoorweglijn nr. 60 Dendermonde-Brussel en de spoorweglijn nr. 50 Denderleeuw-Brussel), goedgekeurd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 8 februari 2007;

Gelet op de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte;

Gelet op de beslissing van de raad van bestuur van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 26 mei 2008 om toelating te vragen om te mogen overgaan tot de onteigening van de percelen gelegen in de « Vallei van de Molenbeek » bedoeld in het plan dat gevoegd is bij en integraal deel uitmaakt van deze beslissing;

Gelet op de beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 19 februari 2009 om de verwerving van deze percelen van openbaar nut te verklaren en de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de toelating te geven om de procedure te starten tot onteigening van deze percelen volgens de formaliteiten van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, met toepassing van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden bepaald in de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten;

Gelet op het openbaar onderzoek dat werd gehouden door de gemeente Ganshoren van 10 april 2009 tot 10 mei 2009;

Gelet op het, overwegend gunstig, advies van de overlegcommissie van 19 mei 2009;

Gelet op de beslissing van de raad van bestuur van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 18 december 2009 om te verzoeken het plan zoals onderworpen aan het openbaar onderzoek goed te keuren om te kunnen overgaan tot de erin beoogde onteigeningen via rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden;

Gelet op de ordonnantie van 22 februari 1990 betreffende de onteigeningen van openbaar nut doorgevoerd of toegestaan door de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 2000Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 18/07/2000 pub. 04/08/2000 numac 2000031263 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot regeling van haar werkwijze en tot regeling van de ondertekening van de akten van de Regering sluiten tot regeling van haar werkwijze en tot regeling van de ondertekening van de akten van de Regering;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 juli 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 17/07/2009 pub. 29/09/2009 numac 2009031471 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de bevoegdheden van de ministers van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering type besluit van de brusselse hoofdstedelijke regering prom. 17/07/2009 pub. 13/08/2009 numac 2009031430 bron ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de bevoegdheden van de Ministers van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering sluiten tot vaststelling van de bevoegdheden van de ministers van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;

Overwegende het essentiële belang voor het gewest en zijn inwoners om vestigingsmogelijkheden te creëren voor productieactiviteiten, die de tewerkstelling en de economie bevorderen en stimuleren;

Overwegende dat deze doelstelling valt onder de opdrachten van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Overwegende de absolute noodzaak om op zeer korte termijn te kunnen beschikken over nieuwe vestigingsmogelijkheden voor productieactiviteiten en de voortdurend stijgende vraag naar zulke percelen die de grondvoorraad van de GOMB dreigt te overstijgen met als gevolg het risico dat bedrijven zullen uitwijken naar sites buiten het gewest;

Overwegende dat, zonder nieuwe verwervingen, de grondvoorraad binnen ongeveer een jaar uitgeput zal zijn;

Dat in januari 2010 in totaal nog slechts 87 317 m2 beschikbaar was;

Dat het jaarlijkse terreinverbruik 79 674 m2 bedroeg van 1999 tot 2009;

Dat sinds begin 2007 maar liefst 694 nieuwe vestigingsaanvragen, goed voor 13 669 jobs, bij de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden ingediend;

Dat voor 167 van deze aanvragen samen nood is aan niet minder dan 98 hectare terrein, Dat voor de 527 overige aanvragen nood is aan ongeveer 423 000 m2 bestaande gebouwen, wat neerkomt op een behoefte aan bijkomende terreinen van naar schatting 85 hectare;

Dat half april 2010 nog steeds 99 aanvraagdossiers, goed voor 2 605 jobs, waarbij de GOMB-criteria inzake tewerkstelling en activiteiten zijn voldaan, liepen en dat nog geen oplossing werd gevonden;

Dat 26 van die 99 dossiers op zich al een totale terreinoppervlakte van 15,3 hectare vereisen;

Dat de overige 73 dossiers in totaal 79 450 m2 bestaande gebouwen vergen, wat overeenstemt met een terreinoppervlakte van ongeveer 16 hectare;

Overwegende de noodzaak om bijgevolg percelen te verwerven waarop industriële inrichtingen mogen worden gevestigd, zoals die beoogd in het bijgevoegde plan, die schaars zijn in het gewest;

Overwegende dat de beoogde verwerving percelen omvat waarop, overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen, een site mag worden aangelegd;

Overwegende dat de beoogde percelen momenteel geen productieactiviteiten huisvesten;

Overwegende dat de percelen waarvan de onteigening wordt beoogd volgens het Gewestelijk Bestemmingsplan gelegen zijn in gebied voor stedelijke industrie; dat ook het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3 « Vallei van de Molenbeek » het grootste deel van de percelen dezelfde bestemming toekent (en gedeeltelijk ook als waterspaarbekken inkleurt);

Dat voor het overige ook die delen van de percelen worden beoogd die het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3 inkleurt als gebied voor de inrichting van de toegangsinfrastructuur, gebied van bijkomstige toegang en bufferzone, die onmisbaar zijn voor het aan te leggen park;

Dat het niet nodig is perceel 3E op te nemen in de grondinname van de onteigeningen, gezien het bereikte akkoord betreffende de perceeluitwisseling;

Overwegende dat de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest reeds eigenaar is van percelen gelegen naast de op het onteigeningsplan beoogde percelen;

Overwegende dat de betrokken percelen grenzen aan een bestaande site, die wordt beheerd door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en bijna volledig uitgebaat is;

Dat dankzij die nabijheid een samenhangend totaalproject kan worden ontwikkeld, waarbij de beoogde percelen een uitbreiding kunnen vormen van de voormelde site; dat dit project minstens 215 nieuwe jobs zal opleveren;

Overwegende dat het project bovendien bijdraagt tot de uitvoering van de voorschriften van het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3, wat het project vanuit dat oogpunt ook ten openbare nutte maakt;

Dat bijgevolg de formaliteiten van artikelen 71 en 72 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dienen te worden nageleefd;

Overwegende dat het aan het openbaar onderzoek onderworpen onteigeningsplan heeft geleid tot drieëntwintig bezwaren en opmerkingen, per brief ingediend door de eigenaars van de percelen die de zate van de beoogde onteigening vormen, alsook door buurtbewoners en andere derden;

Dat de tegenwerpingen die werden aangevoerd tijdens het openbaar onderzoek enerzijds betrekking hebben op het openbaar nut van de beoogde onteigening en anderzijds op stedenbouwkundige, hydrologische, mobiliteits- en milieuoverwegingen met betrekking tot de site in kwestie;

Overwegende dat de eigenaars van de in het plan beoogde percelen, of toch sommigen van hen, het openbaar nut of de toelaatbaarheid van de beoogde gedwongen verwerving betwisten op volgende gronden : - ze zouden zelf de ontwikkeling die de onteigenende overheid nastreeft, willen realiseren, waardoor de onteigening overbodig zou zijn; - ze zouden bepaalde inlichtingen en documenten met betrekking tot de minnelijke verwerving van een ander perceel, de berekeningsmodaliteiten van de geboden prijs voor de verwerving van de percelen gelegen in de grondinname van het plan, of de verontreiniging van deze percelen, niet ontvangen hebben; - een miniem deel van perceel 13A, dat niet-exploiteerbaar is voor de eigenaar ervan, wordt door het plan uitgesloten van de onteigening.

Dat sommige buurtbewoners zich verzetten tegen de aanleg van een nieuwe ruimte voor productieactiviteiten omdat er volgens hen nog tal van ongebruikte sites in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden liggen;

Overwegende dat de huidige eigenaars van de diverse percelen geen blijk geven noch bewijs leveren van enig concreet en actueel project dat zou wijzen op enige wil van hunnentwege om de doelstelling van openbaar nut die de beoogde onteigening nastreeft, te realiseren;

Dat in dat opzicht de overeenkomst van 6 december 1995 die de eigenaars aanhalen niet als basis kan dienen voor de beoogde ontwikkeling aangezien de uitvoering van deze overeenkomst onverenigbaar is met de voorschriften van het Gewestelijk Bestemmingsplan, dat op 3 mei 2001 van kracht ging, en met de voorschriften van het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3, wat de eigenaars overigens zelf erkennen;

Dat volgens deze voorschriften de plaats waar, op grond van deze overeenkomst, de weg zou worden aangelegd, in groengebied ligt;

Dat sindsdien geen enkel alternatief noch nieuw initiatief het licht zag, en geen enkele stap werd ondernomen die een ontwikkeling conform de geldende planologische configuratie verzekert;

Dat uit de briefwisseling met voornoemde reclamanten blijkt dat zij nog geen aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning hebben opgesteld met het oog op de ontwikkeling van de site die het voorwerp uitmaakt van de onteigening, overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen, noch enig plan hiervoor hebben voorbereid;

Dat in die omstandigheden geen enkel element wijst op enig voornemen van de eigenaars van de beoogde percelen om over te gaan tot de effectieve realisatie van de betrokken site;

Dat het uitblijven van enig privé-initiatief het economische belang van het gewest schaadt en een tussenkomst vanwege de overheid rechtvaardigt;

Dat voor het overige het groeperen van de operaties bij eenzelfde actor een rationele en reële aanleg van de hele perimeter garandeert, wat niet het geval is bij losse privé-initiatieven van verschillende eigenaars;

Dat het feit dat de terreinen in overheidshanden zijn bovendien een economische ontwikkeling mogelijk maakt die tegemoet komt aan de noden van het gewest, zoals gedefinieerd in het Contract voor de Economie en de Tewerkstelling, in het bijzonder door het opleggen van vestigingscriteria;

Overwegende dat het niet-bezorgen van de gevraagde inlichtingen en documenten geen weerslag heeft op het openbaar nut van de onteigening, en de onteigening bijgevolg niet ongeldig kan maken;

Dat deze documenten en inlichtingen inderdaad betrekking hebben op (i) de berekeningsmodaliteiten van de geboden prijs bij de minnelijke verwerving van de percelen gelegen in de betrokken zone, (ii) de akte betreffende de verwerving door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van een perceel dat grenst aan de betrokken zone en (iii) de eventuele verontreiniging van deze percelen, en derhalve niets te maken hebben met het openbaar nut van de beoogde onteigening dat voortvloeit uit de bewezen nood aan gronden van de onteigenende overheid; dat deze elementen het openbaar nut van de onteigening niet in vraag kunnen stellen; dat deze elementen bovendien niet het voorwerp dienden uit te maken van een openbaar onderzoek;

Dat de onteigenende overheid niet verplicht is alle percelen waarvan de onteigenden eigenaar zijn, te verwerven;

Dat deze uitsluiting bovendien gerechtvaardigd is omdat dit gedeelte door zijn planologisch statuut onverenigbaar is met de toename van de vestigingsmogelijkheden voor productieactiviteiten die de beoogde gedwongen verwerving nastreeft;

Dat het bezwaar betreffende de uitsluiting van een klein deel van perceel 13A uit de onteigening geen grond meer heeft gezien de aankoop van dit deel door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Overwegende ten slotte dat een algemene en niet anderszins gestaafde referentie naar het bestaan van vermeende ongebruikte sites geen afbreuk kan doen aan de grote behoefte aan gronden van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zoals omstandig beschreven ter staving van het verzoek tot onteigening en in het besluit van de regering van 19 februari 2009;

Dat bovendien doordat de betrokken percelen grenzen aan een bestaande site - bijna volledig geëxploiteerd - die reeds wordt beheerd door de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een samenhangend totaalproject kan worden ontwikkeld, waarbij de te verwerven percelen het verlengde kunnen vormen van deze site;

Overwegende bovendien dat de hydrologische, mobiliteits- en milieuoverwegingen die diverse reclamanten aanhalen tegen het aan onderzoek onderworpen ontwerp van onteigening, in het algemeen niet rechtstreeks betrekking hebben op de beoogde onteigening maar voortvloeien uit de planologische situatie die reeds vroeger werd vastgesteld;

Dat deze elementen en de bijhorende arbitrage reeds werden onderzocht in het kader van de opstelling van het Bijzonder Bestemmingsplan nr.

IX-3, waaraan de beoogde onteigening uitvoering wil geven;

Dat de verplichtingen die ze inhouden overigens werden geïntegreerd bij het definiëren van de beoogde doelstellingen via de geschreven voorschriften die dit plan oplegt;

Dat bijgevolg de tegenwerpingen hieromtrent reeds in aanmerking werden genomen en werden tegemoetgekomen bij de goedkeuring van het voormelde Bijzonder Bestemmingsplan, waarnaar grotendeels kan worden verwezen, aangezien de gedwongen verwerving louter de uitvoering ervan wil verzekeren;

Overwegende op stedenbouwkundig en milieuvlak dat in het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3 het vroeger voorziene groengebied aanzienlijk wordt uitgebreid, waardoor het nu ononderbroken loopt langs de Molenbeek en het Moeras van Ganshoren;

Dat dit gebied, dat niet begrepen is in de grondinname van de beoogde onteigening, bijgevolg de gewenste continuïteit tussen de vallei van de Molenbeek en het Moeras van Ganshoren verzekert;

Dat dit gebied evenzo de terreinen met de grootste biologische waarde omvat en ze derhalve beschermt;

Dat de voor onteigening beoogde percelen daarentegen gelegen zijn in bebouwbare zone, meer nog, in gebied voor stedelijke industrie;

Dat de stedenbouwkundige instanties kwamen tot deze keuze door een verzoening van ecologische belangen, waaraan wordt tegemoetgekomen door een verhoogde bescherming van de meest gevoelige gebieden, en de noodzaak van economische en sociale ontwikkeling van het gewest, wat niet minder belangrijk is;

Dat bovendien de beoogde ontwikkeling dient te gebeuren overeenkomstig de voorschriften van het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX-3, die een adequaat antwoord bieden op de geuite ongerustheid;

Dat deze voorschriften immers net werden bedacht opdat de ecologische kwaliteiten van de site zouden worden gerespecteerd;

Dat de verhouding vloeroppervlakte/grondoppervlakte van 0,8 garandeert dat op de site niet-bebouwde zones aanwezig zullen zijn, waarop vegetatie kan komen met een bijzondere waarde, zoals wilgen en riet;

Dat de voorschriften die van toepassing zijn op de betrokken zone eveneens voorzien in de aanleg van een bufferzone uit dichte beplantingen, die de bebouwde zones volledig scheidt van het groengebied langs de Molenbeek, waarin kan worden gewandeld;

Dat aldus de beoogde onteigening geen afbreuk doet aan het landschap van de site, maar integendeel het groengebied volledig tot zijn recht kan laten komen door de huidige situatie, waarbij het groengebied uitziet op gebouwen van onder meer de site Martin, te verhelpen;

Dat met de onteigening zodoende de recreatieve functie, met onder meer wandelgelegenheid, van de aangrenzende niet-bebouwde zone langs de Molenbeek wordt benadrukt;

Dat het buitenaanzicht, de bouwhoogte en het volume van de constructies die worden opgetrokken in de te onteigenen perimeter eveneens moeten voldoen aan voorwaarden zodat ze passen op een site met groenruimten;

Dat de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Gewest bovendien reeds tot ieders voldoening projecten heeft ontwikkeld waarbij aan strikte verplichtingen inzake milieu en landschap moest worden voldaan, onder meer de site Erasmus-Zuid, wat de deskundigheid van de instelling ter zake aantoont;

Overwegende dat de aanvragen tot bescherming van de site die bepaalde betrokken partijen hebben ingediend de beoogde onteigening niet kunnen verhinderen;

Dat een eerste aanvraag sinds 2006 hangende was en zonder gevolg gebleven was;

Dat pas toen het onteigeningsplan aan een openbaar onderzoek werd onderworpen een nieuwe aanvraag in die zin zou zijn ingediend;

Dat een aanvraag tot bescherming echter niet mag worden aangewend om zich te verzetten tegen de dringende behoefte tot gewestelijke ontwikkeling die de beoogde onteigening nastreeft, zoals blijkt uit de beslissing van de regering van 19 februari 2009;

Dat in ieder geval het besluit tot instelling van de procedure tot bescherming van de site « Vallon du Molenbeek » te Ganshoren dat heden werd goedgekeurd, de percelen waarop de beoogde onteigening betrekking heeft, niet omvat;

Overwegende dat de aangehaalde hydrologische overwegingen geen obstakel vormen voor de geplande ontwikkeling;

Dat integendeel de waterspaarbekkens opgenomen in het Bijzonder Bestemmingsplan nr. IX - 3 net bedoeld zijn om het door diverse betrokken partijen gehekelde risico op overstromingen en uitdroging van het Moeras van Ganshoren tegen te gaan;

Dat het afvloeiwater afkomstig van alle op te trekken oppervlakten opnieuw in de natuurlijke hydrologische cyclus moet worden gebracht;

Dat de realisatie van het betrokken Bijzonder Bestemmingsplan dus geen afbreuk zal doen aan de reservoirfunctie van de Vallei van de Molenbeek, noch het debiet van de Molenbeek en de watertoevoer naar het Moeras van Ganshoren zal verminderen;

Dat de Molenbeek in het voorziene groengebied, een brede, niet-bebouwde strook langs de stroom, occasioneel buiten haar oevers kan treden;

Dat tot slot de tegenwerpingen inzake de verlaging van het grondwaterniveau betrekking hebben op een project dat met de geldende bestemmingsplannen niet langer mag worden uitgevoerd, en dus niet langer relevant zijn;

Overwegende wat de mobiliteit betreft, dat het verkeer dat het aan te leggen park met zich zal meebrengen via de Nestor Martinstraat naar de Technologiestraat en de Gentse Steenweg of de Basilixwijk zal worden geleid;

Dat het verkeer van sommige sites reeds langs deze wegen gaat en deze wegen het verkeer van dergelijke activiteiten aankunnen;

Dat deze reisweg, waarmee wordt vermeden dat het verkeer van de site doorheen woongebieden wordt geleid, het minst hinder met zich meebrengt voor de omwonenden;

Dat de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest overigens actief deelneemt aan de door Infrabel opgestarte effectenstudies om te komen tot een technische oplossing die een goede bereikbaarheid van de site garandeert ondanks de afschaffing van de overwegen in Ganshoren en Sint-Agatha-Berchem;

Dat in het kader van de effectenstudie een van de oplossingen gevraagd door de GOMB naar aanleiding van de afschaffing van de overwegen erin bestaat om het verkeer in het stuk van de Nestor Martinstraat onder de spoorweg over twee rijstroken te laten verlopen met het oog op een vlotter verkeer;

Dat alternatieven eveneens worden bestudeerd;

Dat er, aangezien de Nestor Martinstraat Ganshoren en de Ring niet rechtstreeks verbindt, geen reden is om te vrezen dat deze doorgang zal worden gebruikt door het verkeer tussen deze twee punten, dat gemakkelijker op zijn bestemming raakt via de Keizer Karellaan;

Overwegende dat alle pogingen van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om te komen tot een minnelijke schikking tot niets leidden voor de percelen beoogd in het goed te keuren plan, en dat aldus mag worden overgegaan tot onteigening;

Dat gezien alle bovenstaande overwegingen het bijgevoegde onteigeningsplan moet worden goedgekeurd;

Overwegende dat de aanleg van de perimeter uitgebreide inrichtings- en uitrustingswerken vergt, onder meer de aanleg van de toegangswegen, die ongeveer twee jaar zouden duren;

Overwegende dat de onmiddellijke inbezitneming van de beoogde percelen noodzakelijk is om zo snel mogelijk over de terreinen te kunnen beschikken, en dit voordat de huidige grondvoorraad helemaal uitgeput is;

Dat de nakende uitputting van de grondvoorraad te wijten is aan een recente sterke toename van de vestigingsaanvragen die de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet kon voorzien;

Dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden eveneens gerechtvaardigd is door de noodzaak om speculatie op de beoogde percelen, die een gevolg is van het toenemende tekort aan terreinen voor productieactiviteiten in het gewest, te vermijden;

Overwegende dat sinds de sluiting van het openbaar onderzoek alle maatregelen werden getroffen om de bouwrijpmaking van de te onteigenen percelen te verzekeren, in het bijzonder op het vlak van mobiliteit (door het behoud of de aanleg van rechtstreekse verbindingswegen naar de rest van het gewest) en qua ontwikkelingsmogelijkheden, en om hinder ingevolge de geplande doortrekking van de riolering onder het verkeersknooppunt in Groot-Bijgaarden te vermijden;

Dat de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hiertoe talrijke stappen heeft moeten ondernemen en talrijke analyses heeft moeten uitvoeren;

Dat de Ontwikkelingsmaatschappij tegelijkertijd ook intense onderhandelingen heeft gevoerd om te komen tot een minnelijke overdracht van de beoogde percelen, die resulteerden in de aankoop van percelen 13A, 13B, 13C en 14B. Overwegende dat bijgevolg het openbaar nut de onmiddellijke inbezitneming rechtvaardigt van de percelen gelegen in het Veroost, gekadastreerd te Ganshoren, 1ste afdeling, sectie A, volgens de nummers in de onderstaande tabel, zoals aangegeven op het bijgevoegde plan;

Op voorstel van de Minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest belast met Economische Ontwikkeling, de Voogdijminister van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Minister belast met Ruimtelijke Ordening;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Wordt goedgekeurd het plan tot onteigening ten algemenen nutte van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat de percelen beoogt gelegen in het Veroost en gekadastreerd te Ganshoren, 1e afdeling, sectie A, nrs.19 (deel), 17F, 17B, 17D, 18E, 18F, 11R en 24M.

Art. 2.Om redenen van openbaar nut is het absoluut noodzakelijk de op het onteigeningsplan aangeduide percelen onmiddellijk in bezit te nemen.

Art. 3.Indien een minnelijke overdracht uitblijft, wordt de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ermee belast over te gaan tot de onteigening van deze onroerende goederen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte.

Art. 4.De ministers van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met economische ontwikkeling en ruimtelijke ordening, worden belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 29 april 2010.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Buitenlandse Handel en Wetenschappelijk Onderzoek, B. CEREXHE

^