Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 2010
gepubliceerd op 17 juni 2010
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2010031293
pub.
17/06/2010
prom.
10/06/2010
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

10 JUNI 2010. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, artikel 2, § 1, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1998 en 5 februari 1999;

Gelet op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen;

Gelet op het overleg tussen de gewesten en de federale overheid op 11 maart 2010;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 18 maart 2010;

Gelet op het advies nr. 48.197/3 van de Raad van State, gegeven op 18 mei 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van oliehoudende planten en vezelgewassen gewijzigd werd bij Richtlijn 2009/74/EG van de Commissie van 26 juni 2009 tot wijziging van Richtlijn 66/401/EEG, 66/402/EEG, 2002/55/EG en 2002/57/EG, wat betreft de botanische namen van planten en de wetenschappelijke namen van andere organismen, en bepaalde bijlagen bij Richtlijn 66/401/EEG, 66/402/EEG en 2002/57/EG in het licht van de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, en dat die Richtlijn een verplichting inhouden om er zich binnen de voorgeschreven termijn naar te schikken;

Op voorstel van de Minister, tot wiens bevoegdheid Landbouwbeleid behoort;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In artikel 1, § 1, van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen, wordt punt 1° vervangen door wat volgt : « 1° oliehoudende planten en vezelgewassen : planten van de volgende geslachten en soorten :

a) aardnoot

Arachis hypogaea; a) arachide

b) sareptamosterd

Brassica juncea (L.) Czern;

b) moutarde brune

c) koolzaad

Brassica napus L.(partim);

c) colza

d) bruine mosterd

Brassica nigra (L.) W.D.J. Koch;

d) moutarde noire

e) raapzaad

Brassica rapa L.var. silvestris (Lam.) Briggs;

e) navette

f) hennep

Cannabis sativa L.;

f) chanvre

g) saffloer

Carthamus tinctorius L.;

g) carthame

h) karwij

Carum carvi L.;

h) cumin

i) soja

Glycine max (L.) Merr.;

i) soja

j) katoen

Gossypium spp.;

j) coton

k) zonnebloem

Helianthus annuus L.;

k) tournesol

l) vezelvlas, oliehoudend vlas

Linum usitatissimum L.;

l) lin textile, lin oleagineux

m) blauwmaanzaad

Papaver somniferum L.;

m) oeillette

n) gele mosterd »

Sinapis alba L.;

n) moutarde blanche »


Art.2. Bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 3.Bijlage II bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 4.Bijlage III bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 5.Dit besluit treedt in werking op 30 juni 2010.

Art. 6.De Minister bevoegd voor het Landbouwbeleid is beslast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 10 juni 2010.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Buitenlandse Handel en Wetenschappelijk Onderzoek, bevoegd voor het Landbouwbeleid, B. CEREXHE

Bijlage 1 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 2010 tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen Bijlage I bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen « Bijlage I. Voorwaarden waaraan het gewas moet voldoen. 1. Op het perceel mag geen voorvrucht zijn verbouwd die zich niet verdraagt met de productie van zaaizaad van de soort en het ras van het betrokken gewas.Het perceel moet ook voldoende vrij zijn van opslag van de voorvrucht.

In het geval van hybriden van Brassica napus, moet het gewas geteeld worden op percelen waar sedert vijf jaar geen planten van Brassicaceae (Cruciferae) meer zijn geteeld. 2. Het gewas moet voldoen aan de onderstaande normen betreffende de afstand tot dicht in de buurt gelegen bestuivingsbronnen die tot ongewenste vreemdbestuiving kunnen leiden :

Gewas

Minimum- afstand - Distance minimale

Culture

Andere Brassica spp.dan Brassica napus, andere Cannabis sativa dan eenhuizige Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi, andere Gossypium spp. dan hybriden van Gossypium hirsutum en/of Gossypium barbadense, Sinapis alba :

Brassica spp. autres que Brassica napus, Cannabis sativa autre que Cannabis sativa monoïque, Carthamus tinctorius, Carum carvi, Gossypium spp. autres que les hybrides de Gossypium hirsutum et/ou de Gossypium barbadense, Sinapis alba :

- voor de productie van basiszaad

400 m

- pour la production de semences de base

- voor de productie van gecertificeerd zaad

200 m

- pour la production de semences certifiées

Brassica napus :

Brassica napus :

- voor de productie van basiszaad van andere rassen dan hybriden

200 m

- pour la production de semences de base de variétés autres que des hybrides

- voor de productie van basiszaad van hybriden

500 m

- pour la production de semences de base d'hybrides

- voor de productie van gecertificeerd zaad van andere rassen dan hybriden

100 m

- pour la production de semences certifiées de variétés autres que des hybrides

- voor de productie van gecertificeerd zaad van hybriden

300 m

- pour la production de semences certifiées d'hybrides

Cannabis sativa, eenhuizige Cannabis sativa :

Cannabis sativa, Cannabis sativa monoïque :

- voor de productie van basiszaad

5 000 m

- pour la production de semences de base

- voor de productie van gecertificeerd zaad

1 000 m

- pour la production de semences certifiées

Helianthus annuus :

Helianthus annuus :

- voor de productie van basiszaad van hybriden

1 500 m

- pour la production de semences de base d'hybrides

- voor de productie van basiszaad van andere rassen dan hybriden

750 m

- pour la production de semences de base de variétés autres que des hybrides

- voor de productie van gecertificeerd zaad

500 m

- pour la production de semences certifiées

Gossypium hirsutum en/of Gossypium barbadense :

Gossypium hirsutum et/ou Gossypium barbadense :

- voor de productie van basiszaad van ouderlijnen van Gossypium hirsutum

100 m

- pour la production de semences de base de lignées parentales de Gossypium hirsutum

- voor de productie van basiszaad van ouderlijnen van Gossypium barbadense

200 m

- pour la production de semences de base de lignées parentales de Gossypium barbadense

- voor de productie van gecertificeerd zaad van niet-hybride soorten en intraspecifieke hybriden van Gossypium hirsutum, geproduceerd zonder cytoplasmatische mannelijke steriliteit (CMS)

30 m

- pour la production de semences certifiées de variétés non hybrides et d'hybrides intraspécifiques de Gossypium hirsutum produits sans stérilité mâle cytoplasmique (SMC)

- voor de productie van gecertificeerd zaad van intraspecifieke hybriden van Gossypium hirsutum, geproduceerd met CMS

800 m

- pour la production de semences certifiées d'hybrides intraspécifiques de Gossypium hirsutum produits avec SMC

- voor de productie van gecertificeerd zaad van niet-hybride soorten en intraspecifieke hybriden van Gossypium barbadense, geproduceerd zonder CMS

150 m

- pour la production de semences certifiées de variétés non hybrides et d'hybrides intraspécifiques de Gossypium barbadense produits sans SMC

- voor de productie van gecertificeerd zaad van intraspecifieke hybriden van Gossypium barbadense, geproduceerd met CMS

800 m

- pour la production de semences certifiées d'hybrides intraspécifiques de Gossypium barbadense produits avec SMC

- voor de productie van basiszaad van stabiele interspecifieke hybriden van Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense

200 m

- pour la production de semences de base d'hybrides interspécifiques stables de Gossypium hirsutum et Gossypium barbadense

- voor de productie van gecertificeerd zaad van stabiele interspecifieke hybriden van Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense en hybriden, geproduceerd zonder CMS

150 m

- pour la production de semences certifiées d'hybrides interspécifiques stables de Gossypium hirsutum et Gossypium barbadense et d'hybrides produits sans SMC

- voor de productie van gecertificeerd zaad van hybriden van Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense, geproduceerd met CMS

800 m

- pour la production de semences certifiées d'hybrides de Gossypium hirsutum et Gossypium barbadense produits avec SMC


Deze afstanden behoeven niet in acht genomen te worden, wanneer er voldoende bescherming tegen ongewenste vreemdbestuiving aanwezig is. 3. Het gewas moet voldoende rasecht en raszuiver zijn;een gewas van een ingeteelde stam moet voldoende echt en zuiver zijn met betrekking tot zijn eigenschappen.

Bij de productie van zaad van hybriderassen zijn de bovenstaande bepalingen ook van toepassing op de eigenschappen van de kruisingspartners, inclusief mannelijke steriliteit of herstel van de fertiliteit.

In het bijzonder moeten gewassen van Brassica juncea, Brassica nigra, Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi, Gossypium spp. en hybriden van Helianthus annuus en Brassica napus aan de volgende andere normen of voorwaarden voldoen : A. Brassica juncea, Brassica nigra, Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi en Gossypium spp., andere dan hybriden : het aantal planten van deze soorten dat duidelijk niet tot het betrokken ras behoort, mag niet meer bedragen dan : - 1 per 30 m2 voor de productie van basiszaad, - 1 per 10 m2 voor de productie van gecertificeerd zaad.

B. Hybriden van Helianthus annuus : a) het percentage aan planten die duidelijk niet tot de ingeteelde stam of de kruisingspartner behoren, mag niet meer bedragen dan : aa) voor de productie van basiszaad : i) ingeteelde stammen : 0,2 %; ii) enkelvoudige hybriden : - mannelijke kruisingspartner, planten die stuifmeel hebben afgegeven wanneer 2 % of meer van de vrouwelijke planten bevrucht kan worden : 0,2 % - vrouwelijke kruisingspartner : 0,5 %. bb) voor de productie van gecertificeerd zaad : - mannelijke kruisingspartner, planten die stuifmeel hebben afgegeven wanneer 5 % of meer van de vrouwelijke planten bevrucht kan worden : 0,5 % - vrouwelijke kruisingspartner : 1,0 %; b) voor de productie van zaad van hybriderassen moet aan de volgende normen of voorwaarden worden voldaan : aa) de planten van de mannelijke kruisingspartner moeten voldoende stuifmeel afgeven wanneer de planten van de vrouwelijke kruisingspartner in bloei staan; bb) wanneer de planten van de vrouwelijke kruisingspartner bevrucht kunnen worden, mag het percentage aan planten van de vrouwelijke kruisingspartner die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven niet meer bedragen dan 0,5 %; cc) voor de productie van basiszaad mag het totale percentage aan planten van de vrouwelijke kruisingspartner die duidelijk niet tot de kruisingspartner behoren en die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven, niet meer bedragen dan 0,5 %; dd) wanneer niet aan de in bijlage II, deel I, punt 2, vastgestelde voorwaarden kan worden voldaan, moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan : voor de productie van gecertificeerd zaad moet een mannelijke steriele kruisingspartner worden gebruikt in combinatie met een mannelijke kruisingspartner die één of meer specifieke lijnen voor herstel van de fertiliteit bevat, zodat niet minder dan een derde van de planten die worden gekweekt uit de verkregen hybride, stuifmeel produceren dat in alle opzichten normaal lijkt.

C. Hybriden van Brassica napus, geproduceerd met gebruikmaking van mannelijke steriliteit : a) Het percentage aan planten die duidelijk niet tot de ingeteelde stam of de kruisingspartner behoren, mag niet meer bedragen dan : aa) voor de productie van basiszaad : i) ingeteelde stammen : 0,1 %; ii) enkelvoudige hybriden : - mannelijke kruisingspartner : 0,1 %; - vrouwelijke kruisingspartner : 0,2 %; bb) voor de productie van gecertificeerd zaad : - mannelijke kruisingspartner : 0,3 %; - vrouwelijke kruisingspartner : 1,0 %; b) Voor de productie van basiszaad moet de mannelijke steriliteit ten minste 99 % bedragen en voor de productie van gecertificeerd zaad ten minste 98 %.De mate van mannelijke steriliteit moet worden bepaald door bloemen te onderzoeken op de afwezigheid van vruchtbare helmknoppen.

D. Hybriden van Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense : a) In gewassen voor de productie van basiszaad van ouderlijnen van Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense, moet de minimale raszuiverheid van zowel de vrouwelijke als de mannelijke ouderlijn 99,8 % bedragen wanneer 5 % of meer van de zaaddragende planten kan worden bevrucht.De mate van mannelijke steriliteit van de zaaddragende ouderlijn moet worden bepaald door de bloemen te onderzoeken op de aanwezigheid van steriele helmknoppen, en mag niet minder bedragen dan 99,9 %. b) In gewassen voor de productie van gecertificeerd zaad van hybriderassen van Gossypium hirsutum en/of Gossypium barbadense, moet de minimale raszuiverheid van zowel de zaaddragende ouderlijn als de stuifmeelouderlijn 99,5 % bedragen wanneer 5 % of meer van de zaaddragende planten kan worden bevrucht.De mate van mannelijke steriliteit van de zaaddragende ouderlijn moet worden bepaald door de bloemen te onderzoeken op de aanwezigheid van steriele helmknoppen, en mag niet minder bedragen dan 99,7 %. 4. De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zo veel mogelijk beperkt zijn.Voor Glycine max geldt deze voorwaarde in het bijzonder voor de organismen Pseudomonas syringae pv glycinea, Diaporthe phaseolorum var. caulivora en var. sojae, Phialophora gregata et Phytophthora megasperma f.sp.glycinea. 5. Of aan de bovengenoemde andere normen of voorwaarden is voldaan, wordt voor basiszaad vastgesteld door middel van officiële veldkeuringen en voor gecertificeerd zaad vastgesteld door middel van hetzij officiële veldkeuringen hetzij onder officieel toezicht uitgevoerde keuringen.Bij deze veldkeuringen moeten de volgende punten in acht worden genomen : A. De stand en het ontwikkelingsstadium van het gewas moeten een afdoend onderzoek mogelijk maken.

B. Voor andere gewassen dan hybriden van Helianthus annuus, Brassica napus, Gossypium hirsutum en Gossypium barbadense moet ten minste één keuring worden verricht.

Voor hybriden van Helianthus annuus moeten ten minste twee keuringen worden verricht.

Voor hybriden van Brassica napus moeten ten minste drie veldkeuringen worden verricht : de eerste moet voor de bloei plaatsvinden, de tweede tijdens de vroege bloei en de derde aan het einde van de bloei.

Voor hybriden van Gossypium hirsutum en/of Gossypium barbadense moeten ten minste drie veldkeuringen worden verricht : de eerste moet tijdens de vroege bloei plaatsvinden, de tweede voor het einde van de bloei en de derde aan het einde van de bloei nadat, indien nodig, de stuifmeelouderplanten zijn verwijderd.

C. De grootte, het aantal en de verdeling van de perceelsgedeelten waarvoor moet worden nagegaan of aan de bepalingen van deze bijlage wordt voldaan, moeten worden vastgesteld volgens daartoe passende methoden ».

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 10 juni 2010 tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen.

Brussel, 10 juni 2010.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Buitenlandse Handel en Wetenschappelijk Onderzoek, bevoegd voor het Landbouwbeleid, B. CEREXHE

Bijlage 2 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 2010 tot wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen Bijlage II bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen « Bijlage II. Voorwaarden waaraan het zaad moet voldoen.

I. BASISZAAD EN GECERTIFICEERD ZAAD 1. Het zaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn.In het bijzonder moet zaad van de onderstaande soorten voldoen aan de volgende andere normen of voorwaarden :

Soorten en categorieën

Minimale mechanische zuiverheid (%) - Pureté variétale minimale (%)

Espèces et catégories

Arachis hypogaea :

Arachis hypogea :

- basiszaad

99,7

- semences de base

- gecertificeerd zaad

99,5

- semences certifiées

Brassica napus andere dan hybriden, met uitzondering van de uitsluitend voor voederdoeleinden bestemde rassen; Brassica rapa, met uitzondering van de uitsluitend voor voederdoeleinden bestemde rassen :

Brassica napus autre que les hybrides, et autre que les variétés exclusivement fourragères; Brassica rapa autres que les variétés exclusivement fourragères :

- basiszaad

99,9

- semences de base

- gecertificeerd zaad

99,7

- semences certifiées

Brassica napus spp. andere dan hybriden, uitsluitend voor voederdoeleinden bestemde rassen, Brassica rapa, uitsluitend voor voederdoeleinden bestemde rassen; Helianthus annuus andere dan hybriderassen, met inbegrip van de kruisingspartners ervan, Sinapis alba :

Brassica napus spp. autre que les hybrides, variétés exclusivement fourragères; Brassica rapa, variétés exclusivement fourragères Helianthus annuus, autre que les variétés hybrides, y compris leurs composants; Sinapis alba :

- basiszaad

99,7

- semences de base

- gecertificeerd zaad

99,0

- semences certifiées

Glycine max :

Glycine max :

- basiszaad

99,5

- semences de base

- gecertificeerd zaad

99,0

- semences certifiées

Linum usitatissimum :

Linum usitatissimum :

- basiszaad

99,7

- semences de base

- gecertificeerd zaad, eerste vermeerdering

98,0

- semences certifiées, première reproduction

- gecertificeerd zaad, tweede en derde vermeerdering

97,5

- semences certifiées, deuxième et troisième reproduction :

Papaver somniferum :

Papaver somniferum :

- basiszaad

99,0

- semences de base

- gecertificeerd zaad

98,0

- semences certifiées


Of aan de eisen inzake minimale raszuiverheid is voldaan, wordt hoofdzakelijk nagegaan door middel van de in bijlage I omschreven veldkeuringen. 2. Voor hybriden van Brassica napus die geteeld zijn met gebruikmaking van mannelijke steriliteit, moet het zaad aan de volgende normen en voorwaarden in de punten a) tot en met d) voldoen : a) Het zaaizaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn wat betreft de kenmerken van de kruisingspartners, met inbegrip van de mannelijke steriliteit of herstel van de fertiliteit.b) De minimale raszuiverheid van het zaaizaad moet als volgt zijn : - basiszaad, vrouwelijke kruisingspartner : 99,0 %; - basiszaad, mannelijke kruisingspartner : 99,9 %; - gecertificeerd zaad : 90,0 %; c) Zaaizaad wordt alleen gecertificeerd als gecertificeerd zaaizaad als naar behoren rekening is gehouden met de resultaten van een officiële nacontrole in het veld met gebruikmaking van officiële monsters van basiszaad, die is verricht tijdens het groeiseizoen van het zaaizaad waarvoor certificering als gecertificeerd zaaizaad is aangevraagd, om na te gaan of het basiszaad voldoet aan de eisen ten aanzien van de identiteit, wat betreft de kenmerken van de kruisingspartners, met inbegrip van mannelijke steriliteit, en aan de normen van basiszaad bepaald voor de minimale raszuiverheid, vermeld in b). In het geval van basiszaad van hybriden kan de raszuiverheid worden beoordeeld met geschikte biochemische methoden. d) De naleving van de normen voor de minimale raszuiverheid van gecertificeerd zaad van hybriden, vermeld in b), moet worden bewaakt door middel van officiële nacontroles met gebruikmaking van een adequaat gedeelte van de officieel genomen zaadmonsters.Geschikte biochemische methoden mogen worden gebruikt. 3. Wanneer niet aan de in bijlage I, punt 3.B, b), dd), vastgestelde voorwaarden kan worden voldaan, moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan : wanneer voor de productie van gecertificeerd zaad van hybriden van Helianthus annuus gebruik is gemaakt van een vrouwelijke, mannelijke steriele kruisingspartner en een mannelijke kruisingspartner die de mannelijke fertiliteit niet herstelt, moet het door de mannelijke steriele kruisingspartner geproduceerde zaad worden gemengd met door de volledig vruchtbare kruisingspartner geproduceerde zaad. De verhouding tussen het zaad van de mannelijke steriele kruisingspartner en dat van de mannelijke fertiele kruisingspartner mag niet groter zijn dan 2 :1. 4. Het zaaizaad moet ten aanzien van kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten (inclusief Orobanche spp.) aan de volgende andere normen of voorwaarden voldoen : A. Tabel

Soorten en categorieën

Minimum- kiemkracht (% zuiver zaad)

Mechanische zuiverheid

Maximumgehalte aan zaden van andere plantensoorten in een monster waarvan het gewicht is aangegeven in bijlage III. kolom 4 (totaal per kolom)

Voorwaarden ten aanzien van het gehalte aan zaden van Orobanche

Minimale mechanische zuiverheid (gewichts- %)

Maximumgehalte aan zaad van andere plantensoorten (gewichts- %)

Andere planten- soorten a)

Avena fatua, Avena sterilis

Cuscuta spp.

Raphanus raphanistrum

Rumex spp. andere dan Rumex acetosella

Alopecurus myosuroides

Lolium remotum

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

Arachis hypogaea

70

99

-

5

0

0 (c)


Brassica spp. :


- basiszaad

85

98

0,3

-

0

0 (c) (d)

10

2


- gecertificeerd zaad

85

98

0.3

-

0

0(c)(d)

10

5


Cannabis sativa

75

98

-

30 (b)

0

0 (c)

(e)

Carthamus tinctorius

75

98

-

5

0

0 (c)

(e)

Carum carvi

70

97

-

25 (b)

0

0 (c) (d)

10

3


Glycine max

80

98

-

5

0

0 (c)


Gossypium spp.

80

98

-

15

0

0 (c)


Helianthus annuus

85

98

-

5

0

0 (c)


Linum usitatissimum :


- vlas

92

99

-

15

0

0 (c) (d)

4

2


- lijnzaad

85

99

-

15

0

0 (c) (d)

4

2


Papaver somniferum

80

98

-

25 (b)

0

0 (c) (d)


Sinapis alba :


- basiszaad

85

98

0,3

-

0

0 (c) (d)

10

2


- gecertificeerd zaad

85

98

0,3

-

0

0 (c) (d)

10

5


B. Andere normen of voorwaarden waaraan moet worden voldaan, wanneer daarnaar wordt verwezen in de in deel I, punt 4, A, van deze bijlage opgenomen tabel : a) het in kolom 5 vastgestelde maximumgehalte aan zaden omvat ook de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 11 genoemde soorten;b) het totaal aantal zaden van andere plantensoorten wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde voorwaarden is voldaan;c) het aantal zaden van Cuscuta spp.wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 7 vastgestelde voorwaarden is voldaan; d) de aanwezigheid van één zaadkorrel van Cuscuta spp.in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta spp.; e) het zaad moet volledig vrij zijn van Orobanche spp.; de aanwezigheid van één zaadkorrel van Orobanche spp. in een monster van 100 g geldt evenwel niet als onzuiverheid als een tweede monster van 200 g volledig vrij is van Orobanche spp. 5. De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn.Het zaaizaad moet met name voldoen aan de volgende andere normen of voorwaarden : A. Tabel.

Schadelijke organismen/Organismes nuisibles

Soort/Espèces

Maximumaantal door schadelijke organismen aangetaste zaden (in %) (totaal per kolom) Pourcentage maximal (en nombre) de graines contaminées par des organismes nuisibles (total par colonne)

Sclerotinia sclerotiorum (maximumaantal sclerotiën of delen van sclerotiën in een monster van het in bijlage III, kolom 4, aangegeven gewicht) - (nombre maximal de sclérotes ou de fragments de sclérotes dans un échantillon de poids prévu a l'annexe III, colonne 4)

Botrytis spp.

Alternaria linicola, Phoma exigua var. linicola, Colletortrichum linicola, Fusarium spp.

Plateydria gossypiella


1

2

3

4

5

Brassica napus

10 (b)

Brassica rapa

5 (b)

Cannabis sativa

5


Gossypium spp.

1


Helianthus annuus

5

10 (b)

Linum usitatissimum

5

5 (a)


Sinapis alba

5 (b)


B. Andere normen of voorwaarden waaraan moet worden voldaan, wanneer daarnaar wordt verwezen in de in deel I, punt 5, A, van deze bijlage opgenomen tabel : a) voor Linum usitatissimum - vlas mag het maximumpercentage aan zaden die door Phoma exigua var.linicola zijn besmet niet meer bedragen dan één; b) het aantal sclerotiën of delen van sclerotiën van Sclerotinia sclerotiorum wordt slechts bepaald indien er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 van deze tabel vastgestelde voorwaarden is voldaan. C. Bijzondere normen of andere voorwaarden die van toepassing zijn op Glycine max : a) van de vijf deelmonsters waarin een monster van minimaal 5.000 zaden per partij is onderverdeeld, mogen er hoogstens vier besmet zijn met Pseudomonas syringae pv.Glycinea; wanneer in alle vijf deelmonsters verdachte kolonies worden geïdentificeerd, mogen, ter bevestiging, op de verdachte kolonies die van elke deelmonster op een daartoe geschikt medium zijn geïsoleerd, passende biochemische tests worden verricht; b) het maximumaantal met Diaporthe phaseolorum var.phaseolorum besmette zaden mag niet meer bedragen dan 15 %; c) het percentage aan stof zoals gedefinieerd met gangbare internationale testmethoden, mag ten hoogste 0,3 gewichtspercent bedragen. II. HANDELSZAAD Voor handelszaad gelden de in deel I van deze bijlage genoemde eisen met uitzondering van punt 1. » Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 10 juni 2010 tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen.

Brussel, 10 juni 2010.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Buitenlandse Handel en Wetenschappelijk Onderzoek, bevoegd voor het Landbouwbeleid B. CEREXHE

Bijlage 3 bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 10 juni 2010 tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen Bijlage III bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen « Bijlage III. Gewicht van een partij zaaizaad en van een monster.

Soort

Maximumgewicht van een partij (ton)

Minimumgewicht van een monster dat van een partij wordt genomen (gram)

Gewicht van een monster voor de bepaling van het aantal, vermeld in bijlage II, deel I, punt 4, A, kolom 5 tot en met 11, en in bijlage II, deel I, punt 4, A, kolom 5 (gram)

Espèces

Poids maximal d'un lot (tonnes)

Poids minimal d'un échantillon à prélever sur un lot (grammes)

Poids de l'échantillon pour les dénombrements visés aux colonnes 5 à 11 du tableau figurant à l'annexe II, section 1, point 4 A, et à la colonne 5 du tableau figurant à l'annexe II, section 1, point 5A (grammes)

1

2

3

4

Arachis hypogaea

30

1 000

1 000

Brassica juncea

10

100

40

Brassica napus

10

200

100

Brassica nigra

10

100

40

Brassica rapa

10

200

70

Cannabis sativa

10

600

600

Carthamus tinctorius

25

900

900

Carum carvi

10

200

80

Glycine max.

30

1 000

1 000

Gossypium spp.

25

1 000

1 000

Helianthus annuus

25

1 000

1 000

Linum usitatissimum

10

300

150

Papaver somniferum

10

50

10

Sinapis alba

10

400

200


Het maximumgewicht van een partij mag niet meer dan 5 % worden overschreden. » Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Brussels Hoofdstedelijk Regering van 10 juni 2010 tot wijziging van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 31 augustus 2006 houdende reglementering van de handel in en de keuring van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen.

Brussel, 10 juni 2010.

De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking, Ch. PICQUE De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Buitenlandse Handel en Wetenschappelijk Onderzoek, bevoegd voor het Landbouwbeleid, B. CEREXHE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^