Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 02 mei 2013
gepubliceerd op 29 november 2013
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd opgesteld

bron
brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2013031894
pub.
29/11/2013
prom.
02/05/2013
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

2 MEI 2013. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot goedkeuring van het gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 werd opgesteld


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening van 9 april 2004, gewijzigd bij de ordonnanties van 7 juni 2007, 29 november 2007, 19 maart 2009 en 14 mei 2009, met name de artikelen 7, 25, 26 en 27;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 mei 2001 tot goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan (hieronder het "GBP");

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het Gewestelijk Bestemmingsplan;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 maart 2012 tot goedkeuring van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan, dat op 3 mei 2001 werd vastgesteld;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 september 2010 tot aanduiding van de adviesorganen die verzocht worden hun advies uit te brengen over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan en over het milieu-effectenrapport;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 december 2010 betreffende de toepassing van artikelen 18, § 6, en 25, § 6, van het Brussels Wetboek van de Ruimtelijk Ordening;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 februari 2011 houdende mededeling van de data van de schoolvakanties voor het schooljaar 2011-2012;

Gelet op het ministerieel besluit van 25 april 2012Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 25/04/2012 pub. 08/05/2012 numac 2012031236 bron brussels hoofdstedelijk gewest Ministerieel besluit tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of degenen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundige verordening sluiten tot vaststelling van de aanwijzing van de beambten of degenen belast met het geven van technische uitleg in het kader van het openbaar onderzoek over het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan houdende gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan;

Gelet op de bezwaren en opmerkingen die naar voren zijn gebracht tijdens het openbaar onderzoek dat plaatsvond van 15 mei 2012 tot en met 13 juli 2012;

Gelet op de adviezen van de gemeenten die door de gemeenteraden op de volgende datums zijn uitgebracht : - Anderlecht : 28 juni 2012; - Oudergem : 28 juni 2012; - Sint-Agatha-Berchem : 28 juni 2012; - Stad Brussel : 2 juli 2012; - Evere : 21 juni 2012; - Ganshoren : 28 juni 2012; - Elsene : 21 juni 2012; - Jette : 27 juni 2012; - Koekelberg : 21 juni 2012; - Sint-Jans-Molenbeek : 5 juli 2012; - Sint-Gillis : 28 juni 2012; - Sint-Joost-ten-Node : 27 juni 2012; - Schaarbeek : 10 juli 2012; - Ukkel : 13 juli 2012; - Watermaal-Bosvoorde : 26 juni 2012; - Sint-Lambrechts-Woluwe : 26 juni 2012; - Sint-Pieters-Woluwe : 28 juni 2012;

Aangezien de Gemeente Etterbeek geen advies heeft uitgebracht;

Aangezien deze adviezen zijn uitgebracht en verzonden binnen de wettelijke termijn bedoeld in artikel 25, § 4 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening;

Gelet op het advies van het college van de Gemeente Vorst, uitgebracht op 12 juli 2012;

Gelet op de adviezen van de adviesorganen die zijn ingediend op de volgende datums : - de Gewestelijke Mobiliteitscommissie : 21 juni 2012; - de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen : 27 juni 2012; - de Economische en Sociale Raad : 2 juli 2012; - de Raad voor het Leefmilieu : 4 juli 2012; - de Adviesraad voor Huisvesting : 29 juni 2012;

Gelet op het advies van het BROH van 13 juli 2012;

Gelet op het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer van 5 juli 2012;

Gelet op het advies van het Vlaams Gewest van 6 juli 2012;

Gelet op het advies van de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie (G.O.C), op 29 oktober 2012 overgemaakt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;

Gelet op het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, van .........

I. Antwoorden op opmerkingen en bezwaren die werden geformuleerd conform artikel 25, § 4 en § 5 van het BWRO A. NIET-PLAATSGEBONDEN BEZWAREN 1. Algemene opmerkingen 1.1. Goedkeuring van het ontwerp van plan Overwegende dat verscheidene reclamanten verklaren de doelstellingen van de Regering waarop deze wijziging van het GBP steunt, volledig, gedeeltelijk of onder voorbehoud te onderschrijven; 1.2. Methodologie/alternatieven/tekortkomingen Overwegende dat sommige reclamanten de beslissing om over te gaan tot een gedeeltelijke wijziging van het GBP en de dringendheid waarmee deze wijziging wordt doorgevoerd, betwisten;

Dat sommige van hen van oordeel zijn dat andere maatregelen nodig zijn om tegemoet te komen aan de behoeften van het Gewest; dat vele reclamanten in dit verband verwijzen naar de opties voor de verdichting van het bebouwde weefsel, de transformatie van leegstaande gebouwen of kantoren tot woongelegenheid, het prioritaire gebruik van de grondreserves, de GGB-ontwikkeling of de verhoging van bestaande gebouwen;

Dat anderen stellen dat de wijziging moet volgen op een evaluatie van het GBP en moet steunen op duidelijke parameters;

Dat nog anderen menen dat de redenen die de Regering aanhaalt om voor deze wijziging te beslissen, niet zijn aangetoond, ofwel niet relevant zijn, ofwel steunen op foute studies of vaststellingen;

Dat sommige reclamanten zich afvragen op welke objectieve basis de Regering de aan herziening onderworpen sites heeft gekozen;

Dat andere reclamanten zich zorgen maken over het herbekijken van de engagementen van de Regering zoals eerder bleek bij de werkzaamheden voor het GPDO;

Dat anderen tot slot stellen dat het GBP-ontwerp onder meer de uitvoering van het plan voor de internationale ontwikkeling beoogt, dat dit plan niet aan het publiek werd voorgelegd voor advies, en dat er geen enkel antwoord werd gegeven op het feit dat hier slechts twee strategische zones van het PIO aan bod komen;

Overwegende dat de GOC sommige van deze argumenten onderschrijft;

Dat zij van oordeel is dat het ontwerp van GBP moet steunen op een voorafgaande strategische analyse en een technische haalbaarheidsanalyse (waar, hoe, ...);

Dat zij stelt dat het GBP de vertaling moet zijn van een stadsproject, ontwikkeld in het GPDO en dat in dit verband het GBP 2001 voorafgaand moet worden geëvalueerd;

Dat zij de relevantie van de demografische prognoses en van de referentiecijfers voor de berekening van het grondpotentieel wenst te verifiëren;

Dat zij de haast waarmee de Regering heeft gehandeld en het gebrek aan gegevens over de sociaaleconomische samenstelling van de demografische "boom" betreurt : deze zouden een objectivering mogelijk maken van de behoeften, verdeeld volgens type woning;

Overwegende dat de GOC ook de bezwaren deelt met betrekking tot de noodzaak om ook alternatieven te bekijken zoals verdichting en de realisatie van GGB-woongelegenheid;

Dat de GOC ook het standpunt deelt inzake het gebrek aan rechtvaardiging vanwege de Regering voor de keuze om slechts twee zones van het PIO te openen van het tiental dat dit plan beoogt;

Dat de GOC meent dat de kwestie van herlokalisering en ontwikkeling van industriële activiteiten bestudeerd moest worden, ondanks de wil van de Regering om de stedelijke gemengdheid in te voeren in de zones die nu voor economische activiteit bestemd zijn;

Dat zij tot slot van oordeel is dat de Regering een herverdeling moet beogen van de inspanning tot opvang van de bevolking in het kader van een metropoolvisie die het territorium van het Gewest overschrijdt;

Overwegende, aangaande de gevolgde methode, dat de ordonnantie van 14 mei 2009 tot wijziging van de ordonnantie van 13 mei 2004 houdende ratificatie van het Brussels Wetboek voor Ruimtelijke Ordening, artikel 27 van het Wetboek heeft gewijzigd om - volgens de memorie van toelichting van het ontwerp van ordonnantie - "zonder discussie de herziening van het GBP toe te staan zonder dat die wijziging noodzakelijkerwijze moet worden voorzien door het GewOP" (Parl. St. s.o. 2008/2009, nr.. A-527/1, p. 4);

Dat de memorie van toelichting ook (Ibid., p. 12) eraan herinnert dat de oude titel van artikel 27 aanleiding gaf tot discussie omdat "men zou kunnen interpreteren dat een wijziging in het gewestelijk bestemmingsplan slechts mogelijk zou zijn als ze voorzien wordt in het gewestelijk ontwikkelingsplan. Die interpretatie mag niet worden gevolgd omdat dit de procedure voor de wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan aanzienlijk zou verzwaren; bovendien strookt ze niet met de voorbereidende werkzaamheden van de eerder vermelde ordonnantie van 16 juli 1998. Die stipuleren integendeel dat het gewestelijk ontwikkelingsplan, niettegenstaande de louter indicatieve waarde die het voortaan heeft, desgevallend kan bepalen dat een specifiek punt van het gewestelijk bestemmingsplan moet worden gewijzigd, wat als gevolg heeft dat de Regering, in die hypothese, het ontwerp tot wijziging van het bestemmingsplan moet goedkeuren binnen de voorgeschreven termijn van twaalf maanden na de goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan (Parl. St. s.o. 1997/1998, nr. A-263/2, p. 12) maar zonder dat dit de Regering belet om op eigen initiatief en te allen tijde een besluit te nemen tot wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan. (...) de twee hypotheses die zich kunnen voordoen, worden duidelijk geregeld : - ofwel beslist de Regering tot wijziging van het GBP. In dat geval is ze niet gebonden door enige termijn noch door enig bijzonder voorwerp, en beslist ze op eigen initiatief bij een met redenen omkleed besluit om de wijzigingsprocedure te starten; - ofwel geeft het GewOP aan dat het aangewezen is om het GBP te wijzigen. In dat geval moet de Regering het ontwerp tot wijziging van het GBP inzake de door het GewOP aangeduide voorwerpen goedkeuren binnen de twaalf maanden na de goedkeuring van het GewOP, waarbij de termijn net als in het verleden een termijn van orde is." Overwegende, op basis van de aangehaalde principes, dat de Regering heeft beslist om parallel te handelen, op twee manieren : - op middellange en lange termijn, door te starten met het uitwerken van een nieuw en "duurzaam" gewestelijk ontwikkelingsplan dat, op basis van het stadsproject dat het zal bekrachtigen, bepaalt welke aanpassingen eventueel nodig zijn aan het GBP om de vastgelegde doelstellingen te bereiken; - op korte termijn door te beslissen om het GBP gedeeltelijk te wijzigen om bij te dragen tot een antwoord, binnen de grenzen die het BWRO toewijst aan het GBP, tot bepaalde dringende behoeften die werden geïdentificeerd (planologisch antwoord op de demografische druk die het Gewest kent en op de herverstedelijkingsplannen in de Delta-zone en de Heizelhoogvlakte) en waar het Gewest zonder uitstel op moet reageren;

Overwegende dat de Regering, in het kader van deze kortetermijnactie, zich overigens bewust is van het feit dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP alléén niet zal volstaan om een compleet antwoord aan te reiken voor de geïdentificeerde dringende noden;

Dat de relevantie van de wijziging van andere reglementen die andere aspecten van het beleid van ruimtelijke ordening of zelfs van ander verbonden beleid betreffen (bijvoorbeeld : verdichting, verhoging van het bouwprofiel of beheer van leegstaande gebouwen), ook bestudeerd zal moeten worden;

Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP niettemin prioritair werd geacht, gezien : - de hiërarchische voorrang van het GBP; - het belang van het positieve effect op de geïdentificeerde dringende behoeften die de gedeeltelijke wijziging van het GBP op zichzelf al zou kunnen hebben;

Overwegende, wat de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP aangaat, dat de Regering heeft gedefinieerd in welke mate ze het GBP wil wijzigen met haar besluit van 20 januari 2011 dat de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmingsplan opent;

Dat zij hiermee het raamwerk heeft uitgetekend voor de actie die ze wil voeren, met rechtvaardiging daarvan door de behoeften die ze heeft geïdentificeerd en waarvoor zij een snel antwoord absoluut noodzakelijk vindt;

Dat dit raamwerk meer bepaald de omvang van de actualisering van de feitelijk en wettelijk bestaande situaties, het studiedomein voor het milieueffectenrapport (MER) en de draagwijdte van het openbaar onderzoek bepaalt;

Dat van alle wijzigingen die bij het openbaar onderzoek en de raadpleging van de diverse betrokken instanties werden gesuggereerd, degene die niet behoren tot het bereik van het besluit van 20 januari 2011 evenals de stappen van de procedure die eruit zijn voortgevloeid, dus niet in overweging kunnen worden genomen in het kader van deze wijzigingsprocedure;

Overwegende, wat de relevantie van de demografische en grondprognoses betreft, dat de uiteenzetting van de motieven van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP zoals op 29 maart 2012 werd uitgevaardigd door de Regering, steunt op de gegevens van het Planbureau inzake demografie;

Dat het Planbureau ten tijde van de goedkeuring van het besluit tot gedeeltelijke opening van het GBP voorzag in een stijging met ongeveer 140 000 inwoners tussen 2010 en 2020, naast een voortgezette groei tot in 2040;

Dat deze groei gedeeltelijk te verklaren is door een constante natuurlijke aanwas sinds 1995 die, volgens het Planbureau, positief zal blijven tot in 2060;

Dat deze demografische extrapolaties sindsdien naar boven zijn herzien tot een geraamde toename met ongeveer 180 000 inwoners tegen 2020;

Dat deze ge-update cijfers bevestigen dat een onverwijlde wijziging van het GBP noodzakelijk is;

Overwegende, wat betreft de raming van het Brusselse grondpotentieel en zijn potentieel om inwoners op te vangen, dat de studie die voorafgaat aan de uitwerking van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP steunt op redelijke hypotheses, opgesteld volgens de gemiddelde dichtheden van woningen per hectare volgens de soorten territoria;

Dat, zoals aangehaald in de memorie van toelichting van het ontwerp van wijziging van het GBP, werd overwogen dat in de centrale territoria en die van de eerste kroon, rekening moest worden gehouden met een dichtheid van minstens 100 woningen per hectare; dat deze dichtheid in de meer externe territoria afneemt tot 50 woningen/ha; dat deze twee dichtheden moeten worden begrepen als minimale gemiddelde dichtheid;

Dat het potentieel dat deze studie bereikt, dus een raming is en niet overeenstemt met de globale opvangcapaciteit van het Brussels grondgebied (ze houdt geen rekening met de verdichtingscapaciteit van het stedelijke weefsel of, eenvoudiger, met de leegstaande gebouwen), maar integendeel een vrij duidelijke kijk geeft op de beperktheid van beschikbare grond en daardoor op de noodzaak om een reeks denksporen uit te diepen met het oog op vergroting van het potentieel tot opvang van nieuwe inwoners;

Overwegende, wat betreft de bezwaren met betrekking tot de beoogde alternatieven, dat één door de Regering gekozen denkspoor was om het "monofunctionele" aspect van sommige zones te herzien via de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP dus een deel van de oplossingen voor de demografische uitdaging vormt;

Dat ander beleid en andere tools, meer bepaald het GPDO, moeten worden gestart voor integratie van andere bespiegelingen : de problematiek van de leegstaande gebouwen, de verdichting van percelen of elementen van bestaande gebouwen via rationalisering en een bezetting die aangepast is aan de beschikbare ruimte enz; 1.3. Procedure 1.3.1. Tegenspraak in de wetgeving Overwegende dat de Adviesraad voor Huisvesting (ARH) de tegenspraak benadrukt wat betreft de termijnen waarbinnen de ARH zijn advies moet indienen, al naargelang men refereert aan het BWRO (art.25, § 4 : 60 dagen, zonder mogelijkheid tot verlenging) of de Huisvestingscode. (art. 107 : 30 dagen, met mogelijkheid tot verlenging van deze termijn);

Dat hij bovendien herinnert aan art. 43 § 3 van het BWRO dat de Gemeente het recht geeft om de AHR advies te vragen inzake een ontwerp van BBP of van GewOP, terwijl art. 104 van de Huisvestingscode bepaalt dat dit recht alleen toekomt aan de ministers van de Gewestregering;

Dat bij gebrek aan opheldering hiervan, de Adviesraad nooit is ingegaan op de adviesaanvragen van diverse gemeenten aangaande deze materies en in dit geval niet zo diep kan ingaan op de kwesties als hij zou willen;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze overwegingen niet passen binnen het raam van het ontwerp van GBP;

Overwegende dat de termijn waarbinnen de geraadpleegde instanties hun advies moeten geven over een plan tot invoering of wijziging van het GBP speciaal werd vastgelegd in artikel 25, § 4, al. 4, van het BWRO; dat deze, vermits het over een specifieke bepaling gaat, bij tegenspraak zwaarder weegt dan de bepalingen met algemeen bereik van de Huisvestingscode;

Overwegende bovendien het feit dat artikel 104, § 1 van de Huisvestingscode bepaalt dat de Regering elk voorontwerp van ordonnantie of reglementair besluit met huisvesting als belangrijkste voorwerp, voor advies moet voorleggen aan de Adviesraad voor Huisvesting, niet aan andere wetteksten verbiedt om andere autoriteiten dan de Regering toe te staan om het advies van de Adviesraad in te winnen; 1.3.2. Wijziging van de plannen (BWRO, art. 24) Overwegende dat de gemeente Grimbergen opmerkt dat in het ontwerp van GBP geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om aan te geven welke wijzigingen moeten worden aangebracht aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en aan de bijzondere bestemmingsplannen (BWRO, art.24); ook wordt in de motivering van het ontwerp niet opgegeven om welke redenen mag worden afgeweken van de richtsnoeren die in het GewOP van 2002 worden gegeven voor de GSI;

Overwegende dat een andere reclamant de rechtsonzekerheid betreurt die voortspruit uit het ontwerp van GBP, aangezien het vooruitloopt op de wijziging van het GewOP;

Overwegende dat de GOC in dit verband benadrukt dat artikel 24 van het BWRO stelt : "[het GBP] kan de wijzigingen vermelden die moeten worden aangebracht aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en aan de bijzondere bestemmingsplannen"; dat de Commissie hieruit besluit dat het om een mogelijkheid, niet om een verplichting gaat;

Dat zij overigens betreurt dat het BWRO werd gewijzigd om een wijziging van het GBP toe te staan zonder voorafgaande wijziging van het GewOP;

Overwegende, ter herinnering, dat krachtens het principe van de normenhiërarchie, bekrachtigd in artikel 159 van de Grondwet, de niet-conforme bepalingen van lagere plannen impliciet worden opgeheven op de dag waarop de gedeeltelijke wijziging van het GBP in werking treedt; dat de Raad van State aan dit principe heeft herinnerd naar aanleiding van het principearrest "Val d'Or" van 10 september 1998;

Dat het nadrukkelijke oplijsten van de aan te brengen wijzigingen in de gemeentelijke plannen dus geen juridisch nut heeft;

Dat voorts te vrezen valt dat, in de hypothese dat de lijst van te wijzigen gemeentelijke bepalingen niet exhaustief zou zijn, verwarring zou ontstaan vermits een niet-opgelijste gemeentelijke bepaling onterecht kon worden beschouwd als onverminderd geldend en compatibel met het GBP;

Dat gezien de extreem moeilijke identificatie van alle mogelijke tegenstellingen tussen het GBP en de gemeentelijke plannen, de waarschijnlijkheidsgraad van het optreden van dergelijke situatie, gecombineerd met de juridische nutteloosheid van die aanpak, een rechtvaardiging vormt voor de keuze van de Regering om geen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 24 van het BWRO aanreikt om in het GBP de vereiste wijzigingen aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen (GOP's) en bijzondere bestemmingsplannen (BBP's) te vermelden;

Dat de Regering bovendien verwijst naar de uitleg van hierboven omtrent de wil van de wetgever rond de wijziging van het GBP zonder voorafgaande wijziging van GewOP; 1.4. Gevolgen van het ontwerp van GBP voor de BBP's die worden opgesteld (nog niet goedgekeurde BBP's) Overwegende dat verschillende gemeenten zich afvragen welk effect de goedkeuring van het GBP zal hebben op toekomstige BBP's, ongeacht of deze al dan niet in redactie zijn;

Dat de gemeente Evere betreurt dat ze niet geraadpleegd werd bij de uitwerking van het ontwerp; dat zij het werk had kunnen tonen dat de gemeente heeft verricht inzake de analyse van de verenigbaarheid van de BBP's met het GBP en de evolutie van BBP's sinds de goedkeuring van het GOP;

Overwegende dat de gemeente Ganshoren zich over het algemeen vragen stelt bij de toekomst van BBP's die op dit moment worden opgesteld;

Overwegende dat de gemeenten Anderlecht en Sint-Gillis zich afvragen of er afwijkende BBP's kunnen worden ingevoerd over sites die niet worden beoogd door het GBP dat zal worden goedgekeurd;

Dat meer bepaald de gemeente Sint-Gillis zich vragen stelt bij de rechtsonzekerheid en het risico van impliciete opheffing;

Overwegende dat de gemeente Ukkel zich zorgen maakt over de gevolgen van het ontwerp van GBP voor de bijzondere bestemmingsplannen nr. 64 en nr. 66 die worden uitgewerkt en betrekking hebben op gebieden van het GBP waarvoor het ontwerpplan wijzigingen voorstelt die geen rekening houden met de reeds uitgevoerde studies;

Overwegende dat de gemeente Jette wijst op de problematiek van de subsidies voor reeds gestarte BBP-studies die niet conform het ontwerp van GBP zijn;

Overwegende dat de GOC er vooral aan herinnert dat artikel 42 van het BWRO bepaalt dat aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan voor de uitwerking van een BBP dat afwijkt van het GBP : - er mag geen afbreuk worden gedaan aan de wezenlijke elementen van het GBP; - de afwijking moet gegrond zijn op economische, sociale, culturele of milieubehoeften die niet bestonden op het ogenblik dat het GBP werd aangenomen of goedgekeurd; - er moet worden aangetoond dat de nieuwe bestemming beantwoordt aan de bestaande feitelijke mogelijkheden van aanleg;

Dat de GOC niettemin van mening is dat, voor toekomstige BBP's, het verbod om af te wijken van het GBP omdat niet voldaan kan worden aan de tweede voorwaarde van artikel 42, zich zou moeten beperken tot de bepalingen die uitdrukkelijk gewijzigd worden door het ontwerp van wijziging van het GBP;

Dat zij er ook aan herinnert dat een algehele herziening van het GBP zal volgen op het GPDO en dat de onderzochte wijziging slechts gedeeltelijk is;

Dat zij de Regering vraagt deze interpretatie te bevestigen;

Overwegende dat procedures voor invoering van BBP's die lopen op het moment dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP van kracht wordt, kunnen worden voortgezet; dat de principes die worden bevestigd in artikelen 42 (afwijkende BBP's) en 50, § 2 (goedkeuring door de Regering) van het BWRO zullen blijven gelden;

Dat het in dit verband essentieel is eraan te herinneren dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP een beperkte draagwijdte heeft, die erop gericht is tegemoet te komen aan bepaalde behoeften waarvoor een dringend antwoord noodzakelijk werd geacht; dat er geen sprake van was om in het kader van deze wijziging alle economische, sociale, culturele of milieubehoeften van het Gewest te heractualiseren; dat deze globale oefening zal plaatsvinden in het toekomstige GPDO en in de wijziging van het GBP die eruit zal kunnen voortvloeien; dat in het kader van deze procedure alleen de behoeften die de gedeeltelijke wijziging van het GBP steunen, het voorwerp hebben gevormd van een actualisering tegenover de situatie die gold ten tijde van de invoering van het GBP;

Dat het hierdoor altijd mogelijk zal zijn om onder voorwaarden af te wijken van de letterlijke of grafische bepalingen van het GBP die niets te maken hebben met de gedeeltelijke wijziging ervan;

Dat het daarentegen op korte en middellange termijn niet meer mogelijk zal zijn af te wijken van de gewijzigde letterlijke of grafische bepalingen van het GBP, aangezien in dit geval niet kan worden voldaan aan de tweede voorwaarde die wordt opgelegd door artikel 42 van het BWRO;

Dat de Regering overigens, indien een ontwerp van BBP een onverenigbaarheid zou vertonen met een wijziging in het GBP en niet meer gewijzigd zou kunnen worden, het BBP niettemin zal kunnen goedkeuren, evenwel met weigering van goedkeuring voor de onverenigbare bepaling;

Overwegende dat, waar het de raadpleging van de gemeenten betreft, wordt verwezen naar het antwoord hieronder, onder titel 1.8.; 1.5. Gevolgen van het ontwerp van GBP op de bestaande BBP's (BBP's goedgekeurd onder GBP 2001 of oudere GBP's) Overwegende dat meerdere reclamanten, waaronder gemeenten, zich vragen stellen over de toekomst van de BBP's die werden goedgekeurd op grond van het huidige of zelfs een eerder GBP;

Dat de reclamanten preciseringen vragen over de mogelijkheid dat het BBP restrictiever is dan het GBP of vragen dat de impliciete opheffingen van bestaande BBP's en hun milieueffecten worden bestudeerd en dat ze grafisch zouden worden voorgesteld krachtens artikel 24 van het BWRO;

Dat anderen herinneren aan de rechtspraak van de Raad van State aangaande opheffing van lagere plannen als gevolg van de invoering van een hoger plan of de inhoud van omzendbrief nr. 15 rond deze kwestie;

Dat de GOC vooral eraan herinnert dat omzendbrief nr. 15 moet worden toegepast bij impliciete opheffingen van BBP's;

Dat zij in deze optiek herinnert aan het belang van een duidelijk onderscheid tussen de hoofd- en secundaire bestemmingen in de voorschriften;

Overwegende dat de GOC ook de aandacht van de Regering vestigt op het arrest van het Europese Gerechtshof van 22 maart 2012; dit arrest stelt dat wanneer een ingetrokken BBP "tot een hiërarchische orde van handelingen inzake ruimtelijke ordening behoort, wanneer deze besluiten bepalingen bevatten die de bestemming van de grond voldoende duidelijk aangeven, deze besluiten zelf het voorwerp van een milieubeoordeling zijn geweest en redelijkerwijze mag worden aangenomen dat in dit verband voldoende rekening is gehouden met de belangen die richtlijn 2001/42 beoogt te beschermen"; de intrekking moet niet onderworpen worden aan een milieubeoordeling in de zin van de richtlijn;

Dat de GOC derhalve benadrukt dat in delen van het grondgebied waar BBP's impliciet zouden worden opgeheven, de wijzigingen die worden aangebracht door het ontwerp van GBP van toepassing zijn; en dat deze reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieubeoordeling;

Overwegende, ter herinnering, dat krachtens het principe van de normenhiërarchie, bekrachtigd in artikel 159 van de Grondwet, de niet-conforme bepalingen van lagere plannen impliciet worden opgeheven op de dag waarop de gedeeltelijke wijziging van het GBP in werking treedt; dat de Raad van State aan dit principe heeft herinnerd naar aanleiding van het principearrest "Val d'Or" van 10 september 1998;

Dat, om de verenigbaarheid van bepalingen van verschillende plannen en de gevolgen van een eventuele onverenigbaarheid nauwkeuriger af te bakenen, wordt verwezen naar omzendbrief nr. 15 die het stelsel van impliciete opheffing verduidelijkt (Belgisch Staatsblad, 28.06.2001, p. 22.328);

Dat de Regering, inzake haar keuze om de opheffingen van de voorschriften van BBP's als gevolg van de gedeeltelijke wijziging van het GBP niet nadrukkelijk op te sommen, verwijst naar wat hoger werd uiteengezet;

Dat de Regering er overigens aan herinnert dat : - in de hypothese dat een bepaling van een BBP impliciet zou worden opgeheven wegens tegenspraak met het gewijzigde GBP, de voorschriften van dit laatste zullen gelden; - de gedeeltelijke wijziging van het BBP het voorwerp was van een zeer volledig MER dat de voorspelbare effecten van de gedeeltelijke wijziging van het BBP bevat;

Dat derhalve de effecten van de impliciete opheffing van een bepaling van een BBP door het gedeeltelijk gewijzigde GBP samenvallen met de effecten van dit laatste; 1.6. Gevolgen van het ontwerp van GBP voor de vergunnings- en attestaanvragen die nu worden onderzocht of zeer spoedig worden ingediend Overwegende dat reclamanten vragen hebben bij het begrip "ontwerpplan" en de toepassing van artikel 194 van het BWRO dat bepaalt dat een vergunning wordt geweigerd bij tegenspraak met een dergelijk project;

Dat sommige reclamanten in deze bepaling een incoherentie zien met de wijziging van het BWRO van 14 mei 2009 die tot doel had bespreking te vermijden van de juridische effecten van een ontwerp van plan van aanleg dat nog niet aan het advies van het publiek is voorgelegd, om niet te botsen met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus en Richtlijn 2001/42/EG;

Overwegende dat andere reclamanten de aandacht vestigen op het effect dat het ontwerp van GBP zal hebben bij toepassing op aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen, stedenbouwkundige attesten of verkavelingsvergunningen in onderzoek;

Dat reclamanten in dit verband overgangsmaatregelen wensen voor reeds ingediende aanvragen en zelfs voor aanvragen in voorbereiding;

Overwegende dat de GOC akte neemt van de bepalingen van artikelen 153, § 4, en 194, § 1, maar aan de Regering vraagt de datum waarop dit artikel in voege treedt te verhelderen en te rechtvaardigen;

Overwegende dat het concept "ontwerp van plan" - hoewel het BWRO dit niet meer definieert sinds de hervorming van 14 mei 1999 - nog altijd wordt gebruikt in artikelen 50, § 2, 1e lid, 153, § 4, en 194, § 1, die de bevoegde autoriteiten verplichten om de goedkeuring van een BBP of de aflevering van een vergunning te weigeren indien ze niet overeenstemmen met een ontwerp van GBP dat werd uitgevaardigd door de regering; dat hierdoor een probleem rijst in de toepassing van de eerder vermelde bepalingen;

Dat het desondanks niet aan de Regering toekomt om de bepalingen van het BWRO te interpreteren. Deze hebben wettelijke waarde in het kader van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP, dat een reglementaire waarde heeft; 1.7. Hiërarchie van de plannen Overwegende dat sommige reclamanten betreuren dat de hiërarchie tussen GPDO en GBP niet gerespecteerd werd; dat volgens hen de naleving van deze hiërarchie een betere globale visie op de ontwikkelingsbehoeften mogelijk gemaakt zou hebben, evenals integratie in een ruimer democratisch debat;

Dat de Regering, door voorrang te geven aan de reglementaire planning ten nadele van de strategische planning, de goedkeuring van latere strategische opties hypothekeert;

Dat de reclamanten van mening zijn dat een complete en onafhankelijke evaluatie van het huidige GBP en zijn leemtes gerealiseerd had moeten worden vóór een nieuw ontwerp van GBP;

Dat het project de grote strategische richtsnoeren van het GewOP zeer aanzienlijk wijzigt, zonder behoud van de verworven rechten;

Overwegende dat de GOC zich achter het merendeel van deze opmerkingen schaart en het nodig acht een globale visie op de evolutie van het Gewest te ontwikkelen, door de prioriteiten inzake ontwikkeling en ruimtelijke ordening te bepalen, op basis van de economische, sociale, culturele, mobiliteits- en milieueisen;

Dat deze analyse zou moeten gebeuren in het kader van het GewOP;

Dat de wijzigingen van het GBP die voortkomen uit deze analyse, coherenter en vollediger zouden moeten zijn en betrekking zouden hebben op alle elementen die te maken hebben met de gewestontwikkeling;

Dat de Commissie is bovendien van mening dat deze doelstellingen moeten worden weerspiegeld in de verschillende instrumenten voor ruimtelijke ordening;

Overwegende dat hierboven, in punt 1.2. een antwoord op deze opmerkingen kan worden gevonden; dat derhalve hiernaar wordt verwezen; 1.8. Raadplegingsprocedure Overwegende dat vele reclamanten, waaronder de Brusselse gemeenten en het Vlaams Gewest betreuren dat er weinig informatie, overleg, raadpleging of dialoog plaatsvond in het kader van de uitwerking van het ontwerp van GBP, voorafgaand aan het openbaar onderzoek;

Dat sommigen er de voorkeur aan zouden geven dat het ontwerp van GBP zou worden opgesteld via een meer participatief mechanisme met daarin de verschillende geïnteresseerde betrokkenen (zoals onder andere de adviesorganen, de beroepsverenigingen, de gemeenten met hun administratie en gemeentelijke raden, de omwonenden of de andere gewesten); dat het ontwerp hierdoor andere wijzigingen aan het GBP had kunnen omvatten;

Overwegende dat de gemeente Sint-Pieters-Woluwe aanvoert dat de gemeenteraad geen enkele officiële en formele uitnodiging heeft ontvangen om zich uit te spreken over het ontwerp van GBP;

Tot slot overwegende dat sommige reclamanten wensen dat de overwegingen over het ontwerp van GBP de geografische grenzen van het Gewest overschrijden en het hele Brusselse hinterland aanspreken;

Overwegende dat de GOC deze opmerkingen steunt en de regering aanspoort om een proces van voorafgaand overleg met onder andere de Brusselse gemeenten en de Gewesten op gang te brengen;

Dat zij vraagt ook om extra middelen te voorzien zodat er informatiesessies georganiseerd kunnen worden in de gemeenten, door er op te letten dat op een proactieve manier alle lagen van de bevolking bereikt worden, zodat iedereen toegang heeft tot de informatie;

Overwegende dat de Regering allereerst verwijst naar de bekrachtigde ontwikkelingen, in punt 1.2. supra, naar de draagwijdte en de motieven van de gedeeltelijke wijziging van het GBP en naar de voortzetting, parallel, in het kader van het GPDO, van de globale bespiegeling over de toekomst van het Gewest waar vele reclamanten blijkens hun wensen naar streven;

Dat zij vervolgens benadrukt dat de procedures voor raadpleging van het publiek en de verschillende betrokken instanties en buurgewesten, voorzien door het BWRO in het kader van de wijziging van het GBP, integraal gerespecteerd werden;

Dat de Regering in dit verband heeft geoordeeld dat de organisatie (door haar zorgen) van extra participatiemechanismen strijdig ware geweest met de dringendheid waarop ze zich beroept in het kader van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat de klacht vanwege de gemeente Sint-Pieters-Woluwe niet gegrond is, vermits de brief die de gemeenteraad uitnodigt om zijn advies te formuleren over het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP, samen met een volledig exemplaar van de documenten die aan het openbaar onderzoek werden onderworpen, op 20 mei 2012 door een koerier werd overhandigd aan de gemeente;

Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat, waar het gaat om de geografische grenzen van de planning, haar bevoegdheden exclusief begrensd zijn tot het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en dat het voor haar dus juridisch onmogelijk is de ruimtelijke ordening buiten die grenzen te reglementeren;

Dat het desondanks wenselijk is dat de gewestplannen, hoewel ze uitsluitend het grondgebied van het gewest kunnen dekken, worden opgesteld met oog voor de relaties die het Gewest onderhoudt met zijn hinterland dat gelegen is op het grondgebied van het Waalse en het Vlaamse Gewest;

Dat hier rekening is gehouden met deze relaties door het MER, afgemeten aan de gedeeltelijke wijziging van het bestudeerde GBP;

Dat de algemenere beoordeling van deze relaties, wat haar betreft, past in het kader van de goedkeuring van het GPDO dat een instrument is voor globale planning van de gewestelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling (art. 17, 1e lid, van het BWRO);

Dat overigens de eisen van artikel 25, § 6, van het BWRO werden gerespecteerd; 1.9. Hervorming BWRO 2009 - rechtspraak adviesorganen - essentiële wijzigingen Overwegende dat reclamanten benadrukken dat ingevolge de wijzigingen van het BWRO van 14 mei 2009, het verzoek om advies aan de gemeenteraden tegelijkertijd plaatsvindt met het openbaar onderzoek; dat de gemeenteraden zich derhalve moeten uitspreken zonder kennis te kunnen nemen van de eventuele opmerkingen of bezwaren die hun inwoners hebben gemaakt tijdens het openbaar onderzoek;

Dat sommige reclamanten de aandacht van de Regering erop vestigen dat het feit dat de gemeenteraden en overige organen advies moeten uitbrengen terwijl het openbaar onderzoek loopt in plaats van daarna, het risico inhoudt dat het openbaar onderzoek herbegonnen moet worden, aangezien essentiële wijzigingen die worden voorgesteld door een adviesorgaan, zonder dat dit gesteund is op een bezwaar dat naar voren is gebracht tijdens het openbaar onderzoek, niet kunnen worden verwerkt in het definitieve plan zonder de procedure van openbaar onderzoek te moeten herbeginnen;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat deze wijziging van het BWRO, die is geïnspireerd op het Verdrag van Aarhus betreffende het milieu, het mogelijk moest maken de opmerkingen en adviezen van de organen en gemeenten, die worden ingediend terwijl het openbaar onderzoek aan de gang is, gelijk met deze van de burgers te behandelen;

Overwegende dat het advies van de gemeenteraden niet als roeping heeft te dienen als doorgeefluik voor de opmerkingen die het publiek overigens zelf behoorlijk kan overmaken; dat dit advies wordt ingewonnen om de Regering in te lichten over de beoordeling van elke afzonderlijke Brusselse gemeente aangaande het ontwerp van wijziging dat ter studie ligt; dat het voor de gemeenten vanzelfsprekend niet nodig is om vooraf de opmerkingen van hun inwoners te synthetiseren om zich een mening te vormen;

Dat het feit dat hun advies voortaan wordt ingewonnen tijdens het openbaar onderzoek en niet erna, dus geen enkele andere consequentie heeft dan deze - positieve - dat de procedure enkele weken verkort wordt;

Overwegende dat, indien het openbaar onderzoek moet worden herbegonnen - zoals enkele reclamanten beweren - bij essentiële wijziging van het ontwerp van plan die haar oorsprong niet vindt in een opmerking die tijdens het openbaar onderzoek werd ingediend, men enkel kan vaststellen dat het stadium van de procedure waarin de adviesgevende organen worden uitgenodigd hun advies te formuleren, zonder belang is, vermits het onderzoek in dat geval moet worden herbegonnen, ongeacht de inhoud van de adviezen van deze organen; 1.10. Termijnen voor het uitbrengen van advies - bekendmaking - openbaar onderzoek Overwegende dat sommige reclamanten betreuren dat ze niet meer tijd kregen om het ontwerp van GBP te onderzoeken, kennis te nemen van de bijbehorende documenten en hun bezwaren te formuleren;

Overwegende dat andere reclamanten betreuren dat het openbaar onderzoek zich gedeeltelijk afspeelde tijdens een schoolvakantie;

Overwegende dat de GOC aanraadt om het openbaar onderzoek voor een plan dat zo belangrijk is, niet te laten plaatsvinden tijdens de schoolvakanties;

Overwegende dat het openbaar onderzoek werd georganiseerd conform het voorschrift van het BWRO;

Dat het bovendien om een onderzoek over het GBP ging, dat de termijn voor het onderzoek zestig dagen was, en derhalve de langste termijn die het BWRO voorziet;

Dat - ter herinnering - bij de goedkeuring van het GBP diezelfde termijn van 60 dagen voor iedere belangstellende persoon ruim volstond om zijn opmerkingen te doen gelden over het nieuwe plan dat het Gewestplan voor het hele Gewest moest vervangen;

Dat het onderzoek deze keer enkel een gedeeltelijke wijziging van het GBP betrof, en dus beperkt was in verhouding tot de algemene draagwijdte van het plan; dat de termijn van 60 dagen - waarvan alleen de laatste 13 de zomervakantie overlapten - dus volstonden om alle belangstellende personen - en a fortiori de geraadpleegde organen, die duidelijk over meer middelen en kennis beschikken dan een gewone burger - hun mening op nuttige wijze kenbaar te laten maken; 1.11. Informatieverstrekking - Documenten OO Overwegende dat sommige reclamanten van oordeel zijn dat het project zo gigantisch is dat men het niet gemakkelijk kan doorgronden;

Dat anderen klagen over het feit dat het ontwerp van GBP onnauwkeurigheden of fouten bevat die leiden tot verwarring;

Dat andere reclamanten van oordeel zijn dat een andere presentatie van de gegevens te verkiezen was;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat het MER en alle documenten die aan het onderzoek onderworpen werden, bijzonder moeilijk te begrijpen zijn, en dat zij de Regering derhalve aanraadt om bij volgende plannen te letten op de bondigheid, helderheid en overzichtelijkheid van de algemene structuur van het document;

Dat zij inderdaad benadrukt dat de twee delen van het MER moeilijk te begrijpen zijn, en dat ze van mening is dat uitgelegd had moeten worden waarom sommige geanalyseerde opties niet weerhouden zijn;

Overwegende dat de volgende documenten aan het openbaar onderzoek werden onderworpen : - het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; - het MER; - de aanvulling op het MER, met de analyse van de wijzigingen die aan het voorontwerp van plan werden aangebracht als gevolg van de aanbevelingen van het MER; - een niet-technische samenvatting van deze drie documenten - en een verhelderende brochure;

Dat de omvang van het MER en van zijn aanvulling groter is, maar te verklaren door de eisen op het vlak van evaluatie van mogelijke gevolgen, opgelegd door het BWRO conform de verplichtingen die werden bekrachtigd door Richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's; 1.12. Vraag om informatie/aanvullende studies Overwegende dat reclamanten kritiek hebben op de methodologie of de realisatie van voorafgaande studies waar het ontwerp van GBP op steunt;

Dat sommige van hen van oordeel zijn dat de inhoud van deze studies niet volstaat en dat nieuwe, aanvullende studies gerealiseerd moeten worden, meer bepaald zowel over huisvesting (voor nauwkeurigere bepaling van onder meer de huidige bezettingsgraad van de woningen, de types, groottes en locaties) als over economische ontwikkeling;

Dat sommige reclamanten vinden dat een zo ruim mogelijke toegang tot voorafgaande studies gegarandeerd moet worden door ze ter beschikking te stellen van de burgers;

Overwegende, tot slot, dat sommige reclamanten betreuren dat het document dat ter onderzoek lag, belangrijke elementen buiten beschouwing laat, zoals de wijkcontracten, de nieuwe ordonnantie inzake leegstaande woningen, de GOMB, het Woningfonds, de SVK's enz.;

Overwegende dat de GOC zich grotendeels achter deze bezwaren schaart; dat zij verwijst naar haar advies betreffende de hiërarchie en de beoordeling van de plannen;

Dat ze betreurt dat de voorafgaande studies niet voor haar toegankelijk waren (onder andere de studie die gerealiseerd werd door het bureau MSA en IGEAT, met betrekking tot de beoordeling van het grondpotentieel in het BHG);

Dat ze anderzijds aanbeveelt andere studies te realiseren;

Overwegende dat het werk van de GOC gestart is met een reeks hoorzittingen waar de auteurs van de studie van het kantoor MSA en IGEAT hun werkzaamheden hebben toegelicht en de vragen van de leden van de GOC hebben beantwoord, zoals uitdrukkelijk blijkt uit het voorwoord bij het advies van de Commissie;

Dat voorts de resultaten van dit onderzoek naar het Brusselse grondpotentieel en naar het potentieel tot onthaal van inwoners in dit gebied, net zoals de resultaten van elk voorafgaand onderzoek waar het ontwerp van GBP op steunt, werden overgenomen in het MER en in de memorie van toelichting van het besluit van 29 maart 2012;

Dat de hele bevolking derhalve heeft kunnen beschikken over een voldoende basis voor optimale afbakening van de intenties van de Regering en van de maatregelen die het ontwerp voorstelt;

Dat meer bepaald wat de GOC betreft, zij kennis heeft gehad van alle onderzoeken die als basis dienden voor het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat zij haar advies dus met kennis van zaken heeft kunnen formuleren;

Dat hier bovendien andermaal herhaald moet worden dat de doelstellingen van dit plan beperkt zijn; dat de Regering terdege beseft dat ze rekening moet houden met andere elementen inzake gewestplanning;

Dat deze aan bod zullen komen in het kader van de algemene herziening van het GBP die zal volgen na goedkeuring van het GPDO;

Dat voor het overige wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.13. Aanpassing van/rekening houden met andere plannen Overwegende dat verscheidene reclamanten goedvinden dat de Regering maatregelen wil nemen om het hoofd te bieden aan de komende uitdagingen;

Dat andere reclamanten echter de aandacht vestigen op de gevolgen van een gedeeltelijke wijziging als potentiële bron van incoherentie en onzekerheid;

Dat teneinde een globale en coherente visie op ruimtelijke ordening te garanderen ook de herziening van de andere instrumenten inzake ruimtelijke ordening snel voltooid moet zijn, en dat deze coherentie ook nagestreefd moet worden op het niveau van de projecten;

Dat voorts de tenuitvoerleggingsprocedures vereenvoudigd moeten worden (termijnen, rechtszekerheid, dichtheidsprincipes, regelgevende instrumenten);

Overwegende dat vele reclamanten hameren op de bestaande onderlinge afhankelijkheid van de hier geplande wijziging van het GBP en andere bepalingen zoals de GSV, de Huisvestingscode, het geplande GPDO, verscheidene studies die in uitvoering zijn voor de ruimtelijke ordening (kanaalstudie, denkwerk omtrent de herstructurering rond het Zuidstation, ...), het Schema voor commerciële ontwikkeling, de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende beheer en sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten, de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving en haar uitvoeringsbesluiten enz.;

Dat zij benadrukken dat al deze teksten ofwel aangepast of vervolledigd moeten worden na goedkeuring van het ontwerp van GBP, ofwel in rekening moeten worden genomen bij de uitwerking ervan, teneinde het te wijzigen (bijvoorbeeld door nieuwe definities te integreren of nieuwe doelstellingen voor de beoogde wijziging vast te leggen);

Overwegende tot slot dat het BIM eraan herinnert dat de verstedelijkingsprojecten moeten beantwoorden aan de beginselen van duurzame verstedelijking; dat elke wijziging van het GBP derhalve in die richting moet gaan;

Overwegende dat de GOC in het algemeen vraagt om te zorgen voor een aanpassing van de verschillende plannen en verordeningen, om coherentie tot stand te brengen tussen alle regels die van toepassing zijn in het BHG;

Dat, in het bijzonder, de GOC aan de regering vraagt om, vóór de inwerkingtreding van het gewijzigd GBP, over te gaan tot aanpassing van de normen van het besluit van 21/11/2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen, evenals het besluit van 17/12/2009 tot vaststelling van de interventie- en de saneringsnormen inzake bodemverontreiniging, met de bedoeling om elke rechtsonzekerheid te vermijden;

Dat de GOC de aandacht van de Regering ook vestigt op het feit dat de GSV moet worden aangepast om rekening te houden met de verdichting van de stad ingevolge de demografische groei en om een link te leggen naar het GBP en diverse titels, zoals titel 1 (Kenmerken van de bouwwerken en hun naaste omgeving) en titel 8 (Parkeren buiten de openbare weg).

Ze adviseert de GSV te wijzigen in aansluiting op het GBP dat volgt op het GPDO;

Dat de Commissie vraagt bovendien om na te gaan in welke mate rekening moet worden gehouden met het Schema voor commerciële ontwikkeling in het GBP dat het GPDO zal volgen;

Dat verder stelt de Commissie vast dat de termijn die verstrijkt voordat een ontwerp concreet vorm krijgt, in bepaalde gevallen zeer lang is; dat zij vraagt om de beslissingenreeks te optimaliseren, met inachtneming van het democratische proces;

Overwegende dat de Regering verwijst naar punt 1.2, hoger, en naar de antwoorden die daar worden aangereikt aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de Regering overigens, gelijktijdig met de inwerkingtreding van het gewijzigde GBP, zal overgaan tot de herziening van de volgende besluiten die refereren aan de zonering van het GBP : - Het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen; - Het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai; - Het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake verontreinigde bodems; 1.14. Aanbevelingen Overwegende dat een reclamant benadrukt dat grond zeer belangrijk is voor de toekomst van Brussel; dat hij derhalve benadrukt dat het de overheid is die moet beslissen en niet de vastgoedontwikkelaars;

Dat hij dus aanraadt het voorzorgsbeginsel toe te passen om te vermijden dat zones van het territorium (bv. het kanaalgebied) als "hippe" plekken worden "aangeboden" aan projectontwikkelaars voor wie de gemeenten al te gemakkelijk hun BBP's wijzigen;

Overwegende bovendien dat een reclamant van mening is dat de grondreserve slechts geleidelijk beschikbaar mag worden, volgens een gecontroleerde planning en programma, die beantwoorden aan de behoeften van het Gewest, teneinde speculatie te voorkomen;

Overwegende dat de GOC zich aansluit bij deze twee opmerkingen; dat zij verwijst naar haar advies aangaande enerzijds de locatie van productieactiviteiten, en anderzijds de realisatie van richtsnoeren voorafgaand aan de geleidelijke openstelling van zones met verstedelijkingsbestemming;

Overwegende dat de Regering zich bewust is van het belang van de grond voor de toekomstige ontwikkeling van het Gewest, en van het feit dat het Gewest nog slechts één grondreservezone telt op zijn grondgebied; dat het feit dat de status daarvan niet op de helling wordt gezet in het kader van de gedeeltelijke wijziging van het GBP overigens bewijst dat de beslissing over de bestemming van deze grond wel degelijk bij de overheden blijft en niet bij de vastgoedontwikkelaars;

Dat de beperkte omvang van de geplande bestemmingswijzigingen en de functionele gemengdheid die aan de ontwikkelaars van projecten met een zekere schaal wordt opgelegd, hiervan een ander voorbeeld zijn; 1.15. Materiële fouten Overwegende dat reclamanten, en ook de gemeenten Jette, Sint-Agatha-Berchem, Vorst en Anderlecht hebben vastgesteld dat de titel van het besluit van de Regering van 29 maart 2012 verwijst naar het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP van 3 mei 2011, terwijl dit 3 mei 2001 moet zijn;

Overwegende dat de GOC vraagt om de eventuele fouten te verbeteren;

Overwegende dat de Regering vaststelt dat een materiële fout werd gemaakt in de titel van haar besluit van 29 maart 2012 dat het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP goedkeurt, waarbij per vergissing naar het jaar 2011 wordt verwezen in plaats van het jaar 2001 als jaar van goedkeuring van het GBP; dat deze fout echter op geen enkele manier enig gevolg kan hebben gehad;

Overwegende dat de gemeente Jette geen spoor van publicatie van dit besluit van 29 maart 2012 heeft kunnen vinden in het Belgisch Staatsblad;

Dat bepaalde reclamanten van mening zijn dat het publiek mogelijk op een dwaalspoor kan zijn gebracht, door het te verwijzen naar een onbestaand document, wat de lezing en het begrip nog bemoeilijkt;

Overwegende dat de gemeenten Jette, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Pieters-Woluwe en Anderlecht opmerken dat de gemeenten Sint-Joost-ten-Node en Sint-Pieters-Woluwe in de toelichtingsbrochure niet werden opgenomen in de lijst van de gemeenten die niet betrokken zijn bij de wijzigingen van de GGB;

Overwegende dat, wat dit laatste punt betreft, de GOC benadrukt dat de brochure enkel de gemeenten vermeldt die betrokken zijn bij het ontwerp van GBP;

Dat zij, aangaande de kwestie van publicatie van het besluit in het Staatsblad, opmerkt dat het BWRO gewijzigd werd, dat het ontwerpplan niet meer het voorwerp uitmaakt van goedkeuring door de Regering en dat het daarom niet gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad;

Overwegende dat het tot onderzoek voorgelegde plan tot wijziging van GBP niet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, en dat het BWRO deze formaliteit niet plant; dat het daarentegen werd neergelegd in alle gemeentehuizen zoals het BWRO voorschrijft, en dat het bovendien het voorwerp was van een publicatie op het internet;

Overwegende dat de Regering vaststelt dat de toelichtingsbrochure bij het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP en bij het MER naar aanleiding van het openbaar onderzoek sommige gemeenten niet noemt in de lijst van gemeenten die niet betrokken zijn bij de bestemmingswijzigingen die het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP beoogt (blz. 16 van de brochure); dat deze vergetelheid echter niet van aard was enige fout te veroorzaken, temeer daar de toelichtingsbrochure op blz. 14 ook een kaart van het Gewest en zijn 19 gemeenten bevat, met daarop een grafische voorstelling van alle bestemmingswijzigingen volgens het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat deze kaart duidelijk toont welke gemeenten niet bij deze bestemmingswijzigingen betrokken zijn; dat de bedoelde brochure overigens een louter didactische waarde heeft en niet tot roeping heeft een element te zijn in het plan tot gedeeltelijke wijziging van het GBP dat aan het publiek wordt voorgelegd en dat als enige document bestemd is om juridische effecten te hebben; 1.16. Andere Overwegende dat een reclamant vaststelt dat het ontwerp van GBP geen enkel belang toekent aan het erfgoed, met name het sociale en industriële erfgoed dat rechtstreeks getroffen wordt door de gebieden waarop het ontwerp betrekking heeft;

Overwegende dat de GOC zich bij hem aansluit en vraagt dat een inventaris wordt opgemaakt van het sociale en industriële erfgoed van de betrokken gebieden;

Overwegende dat een reclamant benadrukt dat de uitspraak van de minister-president tijdens het colloquium van de ESRBHG in juni 2011, zijnde "de grootste uitdaging van deze stad is van sociale aard", niet voorkomt in het ontwerp van GBP;

Overwegende dat de GOC de bezorgdheid van de minister-president deelt en vaststelt dat deze bezorgdheid niet het doel is van het ontwerp van GBP;

Overwegende dat in punt 1.2. hierboven een antwoord op deze opmerkingen kan worden gevonden;

Overwegende dat de gedeeltelijke wijziging van van het GBP om tegemoet te komen aan de bevolkingsgroei een antwoord inhoudt op een uitdaging van maatschappelijke aard; dat het immers de sociale plicht is van de overheid om enerzijds alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat iedereen kan beschikken over een woning en anderzijds de spanningen op de markt te verminderen door een potentieel aantal bijkomende woningen voor te stellen;

Dat de Regering er voorts aan herinnert dat zij, in toepassing van de rechtspraak van de Raad van State, niet gehouden is te antwoorden op bezwaren voor zover deze van planologische aard zijn (cf. o.a. RvS, besluit nr. 191.378 van 12 maart 2009, Somerhausen en Taubert); dat het laatst vermelde bezwaar hieraan niet voldoet maar louter gelegenheidskritiek is; 1.17. Mechanismen om meerwaarden te recupereren Overwegende dat meerdere reclamanten maatregelen wensen om woongelegenheid binnen het bereik te brengen;

Dat aldus verschillende mechanismen worden voorgesteld om deze bereikbaarheid te garanderen;

Dat in de meeste gevallen wordt voorgesteld een beroep te doen op het mechanisme om meerwaarde te recupereren uit vastgoed;

Overwegende dat de GOC zich schaart achter de vragen tot installatie van dergelijk mechanisme om meerwaarde te recupereren;

Dat zij betreurt dat een dergelijk mechanisme nog niet werd uitgewerkt samen met het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP, en dat zij vraagt om dit systeem in elk geval in te voeren voordat de wijziging van het GBP wordt goedgekeurd;

Overwegende dat de Regering, wat deze bezwaren aangaat, verwijst naar de opmerkingen geformuleerd onder punt 1.2.;

Dat op grond van het toepassingsveld van het GBP bovendien geen praktische modaliteiten van een eventuele recuperatie van vastgoedmeerwaarden kunnen worden voorgesteld;

Dat een parallelle denkoefening wordt gevoerd over het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten, op grond waarvan de projectontwikkelaars uit de privé-sector ook deschadelijke effecten op zich moeten nemen die hun projecten kunnen hebben op de overheidsfinanciën; dat effectief op dat niveau moet worden opgetreden; 1.18. Afwijkende gemeentelijke plannen Overwegende dat de gemeente Anderlecht erop wijst dat het voor de gemeenten moeilijk is om hun ruimtelijke ontwikkeling te regelen terwijl er op gewestelijk niveau zoveel veranderingen worden doorgevoerd;

Dat zij benadrukt dat als gevolg van de herzieningen van het GewOP en van het GBP van 2001 die op dit ontwerp van GBP zullen volgen, de gemeentelijke plannen mogelijk afwijken van die toekomstige nieuwe plannen;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat omzendbrief nummer 15 moet worden toegepast in het geval van impliciete opheffing van het BBP, en verwijst naar haar hoger vermelde overwegingen;

Dat zij preciseert dat de gemeenten voorts zullen moeten beoordelen in hoeverre ze hun gemeentelijke plannen moeten aanpassen zodra het GBP gewijzigd is;

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger te vinden is, in punten 1.4 en 1.5, gewijd aan het effect van de wijziging van het GBP op de bestaande BBP's en op deze in voorbereiding; 1.19. Globale/strategische visie van het ontwerp van GBP Overwegende dat sommige reclamanten betreuren dat het ontwerp van GBP niet altijd rekening houdt met het globale karakter van de stedelijke aanleg en de gevolgen van de bevolkingsaangroei op de mobiliteit, de werkgelegenheid, de handel, de behoeften van de ondernemingen;

Overwegende dat verscheidene reclamanten benadrukken dat dit ontwerp van GBP slechts een gedeeltelijke wijziging betreft; dat er bijgevolg belangrijkere wijzigingen zullen moeten volgen na de goedkeuring van het GPDO, en dat deze een globalere strategische visie van het Gewest zullen moeten weerspiegelen, in de zin van de ontwikkeling van een grootstedelijk gebied;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat een globale strategische visie van het Gewest zal worden ontwikkeld binnen het toekomstige GPDO, nog voor er werk wordt gemaakt van een nieuw GBP;

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger werd geformuleerd, waar de bezwaren met betrekking tot methodologie en draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP aan bod kwamen;

Dat de Regering in herinnering brengt dat de verschillende thema's aangehaald door de reclamanten onderzocht zijn in de context van het MER; 1.20. Economie/Werkgelegenheid Overwegende dat sommige reclamanten de kwestie van werkgelegenheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opwerpen; dat zij vrezen dat de voorgestelde wijzigingen aan het GBP deze zullen schaden;

Dat sommige van hen van mening zijn dat het GBP alleszins het behoud en de ontwikkeling van productieactiviteit in het Gewest moet garanderen;

Dat sommige reclamanten meer algemeen wijzen op een gebrek aan totaalvisie in het plan tot wijziging, en dat dit laatste volgens hen onvoldoende rekening houdt met de economische en/of sociaaleconomische parameters; dat zij vrezen dat het Gewest zal veranderen in een "slaapstad" wegens de te sterke bescherming voor de woonfunctie; dat zij dus wensen dat andere bestemmingen eveneens voorrang krijgen of dat specifieke maatregelen worden goedgekeurd, zoals de aanleg van terreinen voor industriële productieactiviteiten of voor K.M.O.'s met een functie die inspeelt op huisvesting;

Overwegende dat de GOC vindt dat de ontwikkeling van industriële en productieve activiteiten binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet in het gedrang mag komen; dat zij van mening is dat er niet mag worden afgestapt van gebieden die specifiek gereserveerd worden voor de industriële en productieve functie (GSI en GHV); dat deze gebieden bij voorkeur gelegen zijn nabij mobiliteitsassen (spoor-, water- of autoweg) in het noorden, zuiden en oosten van Brussel;

Overwegende, wat de OGSO's aangaat, dat de GOC van mening is dat ondernemingen van het type K.M.O. en ZKO het best geschikt zijn om zich in die zones te vestigen; dat daarom aandacht moet gaan naar kleine ondernemingen en ambachten die onmisbaar zijn voor het functioneren van de stad en de wijken en die daarom een plaats hebben in het bewoonde stadsweefsel;

Overwegende dat ze ook van mening is dat de ontwikkeling van nieuwe productieve activiteiten van de "groene", "witte" en "creatieve" economie mogelijk gemaakt en gestimuleerd moeten worden, aangezien dit kan zorgen voor een economische dynamiek en mogelijk weinig vervuilend is;

Dat de GOC voorts verwijst naar haar advies in het hoofdstuk over gelokaliseerde OGSO's;

Overwegende dat de Regering in de eerste plaats eraan herinnert dat slechts een klein aantal GSI's en GHV's een herbestemming krijgen in de OGSO; dat de grote meerderheid van beide categorieën in industriezones derhalve behouden blijven;

Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP het bestaan van industriezones, en de daar toegestane bestemmingen niet op de helling zet (géén wijziging van voorschriften 5 en 6 die het GBP hieraan wijdt); dat huisvesting in deze zones niet toegestaan blijft tenzij indien deze complementair en ondergeschikt is aan de hoofdfuncties van de zone;

Overwegende, overigens, dat het essentiële kenmerk van de OGSO's net is om vooral te worden toegewezen aan activiteiten met economische roeping, vermeld in voorschrift 9bis1, 1e lid; dat huisvesting niet toegestaan is in deze zones tenzij als secundaire bestemming;

Dat de gelijkvloerse verdiepingen er prioritair bestemd zullen zijn voor economische activiteiten die vergund zijn in de zone, en dat huisvesting er slechts toelaatbaar zal zijn als de lokale voorwaarden dit toestaan en mits organisatie van bijzondere maatregelen inzake openbaarheid; dat, aangezien een belangrijk deel van de activiteiten die in hoofdzaak toegestaan zijn in de OGSO of slechts moeizaam elders dan op de gelijkvloerse verdieping ingeplant kunnen worden, het nieuwe voorschrift inzake de OGSO de installatie van huisvesting op de verdiepingen zal toestaan, tot maximalisering van het grondpotentieel van de zone, en met de waarborg van vrijwaring van de gronden die nodig zijn voor de ontwikkeling van economische activiteiten;

Overwegende dat de verenigbaarheid die wordt geëist tussen deze economische activiteiten en de andere activiteiten of bestemmingen van het betrokken huizenblok en van de aangrenzende huizenblokken (voorschrift 9bis.5, 3e lid), als effect zal hebben dat de inplanting van activiteiten uit de "groene", "witte" en "creatieve" economie voorkeur zal krijgen, terwijl deze, vergeleken met traditionele industriële activiteiten, gemakkelijker verenigbaar is met een stedelijke, bewoonde omgeving die gemiddeld meer banen/m² verschaft;

Dat deze doelstelling bovendien uitdrukkelijk wordt uiteengezet in de overwegingen van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP en derhalve tegemoetkomt aan de visie van de GOC;

Overwegende, tot slot, dat wat betreft de bezwaren dat er te weinig rekening zou zijn gehouden met de economische gegevens of met de vragen om voorrang te geven aan andere bestemmingen dan huisvesting, wordt verwezen naar hierboven, punt 1.2, en naar de antwoorden die daar worden aangereikt aangaande methodologie en draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.21. Behoeften : types huisvesting Overwegende dat sommige reclamanten benadrukken dat de haalbaarheid van de huisvesting voor mensen met bescheiden of laag inkomen gegarandeerd moet worden;

Dat sommige reclamanten benadrukken dat sociale huisvesting ondersteuning verdient, door de creatie ervan via privéontwikkelaars mogelijk te maken, temeer omdat de terreinen die betrokken zijn bij deze wijziging vaak eigendom zijn van privébedrijven of personen;

Dat anderen ten slotte van mening zijn dat de K.M.O.'s langs het kanaal behouden moeten blijven en dat hier huisvesting voor mensen met laag inkomen bevorderd moet worden;

Overwegende dat de GOC zich aansluit bij diverse van deze opmerkingen, onder andere deze aangaande invoering van mechanismen die sociale of daaraan gelijkgestelde woningen op privéterrein creëren;

Dat zij eraan herinnert dat de GOMB belast is met de verwezenlijking van middenklasse- of van geconventioneerde woningen, en dat er sinds kort een beroep op haar gedaan wordt om sociale woningen te verwezenlijken;

Dat de Commissie zich schaart achter een voorstel waarover momenteel onderhandeld wordt, om een percentage middelgrote huurwoningen toe te staan in projecten voor sociale huisvesting en omgekeerd;

Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen hierboven te vinden is, onder punt 1.2, in het kader van de uitleg over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, evenals onder punt 1.20, over de draagwijdte van het nieuwe voorschrift 9bis over de OGSO's;

Dat het krachtens artikel 24 van het BWRO immers niet de rol is van het GBP om bepalingen "met een sociale roeping" vast te stellen op grond waarvan een sociale mix kan worden opgelegd in de verschillende soorten woningen; dat deze vraag wordt bestudeerd in het kader van het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten zonder dat geraakt wordt aan het retributiebeginsel van de stedenbouwkundige lasten of aan het proportionaliteitsbeginsel; 1.22. Behoefte aan voorzieningen Overwegende dat meerdere reclamanten wijzen op de behoefte om nieuwe voorzieningen te bouwen en de bestaande infrastructuur te behouden;

Dat sommigen specifieke maatregelen voorstellen om de aanleg van deze voorzieningen te verplichten bij nieuwe vastgoedprojecten;

Dat met name de gemeente Anderlecht haar vrees uitdrukt wat betreft de mogelijkheden van de gemeenten om tegemoet te komen aan de vraag tot creatie van voorzieningen bij afwezigheid van een mechanisme dat stedenbouwkundige lasten oplegt;

Overwegende dat de GOC in het kader van de demografische evolutie vraagt om na te gaan hoe kan worden voorzien in de toekomstige behoeften in buurtvoorzieningen als aanvulling op de huisvesting, en te analyseren welke terreinen binnen het Brusselse Gewest daartoe beschikbaar zijn;

Dat zij deze analyse wenst te laten maken in het kader van het GPDO en daarna in het GBP dat erop volgt;

Dat zij ten slotte benadrukt dat de bouw van buurtvoorzieningen kan gebeuren in het kader van de realisatie van de meerwaarden;

Overwegende dat wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt inzake methodologie en draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, alsook naar de antwoorden geformuleerd betreffende het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten;

Dat voorts eraan herinnerd moet worden : - dat voorzieningen van collectief belang of openbare nutsvoorzieningen beschikbaar zijn in alle zones - met uitzondering van groene zones, groene zones met hoge biologische waarde, bos-, park- en landbouwzones - voor zover ze verenigbaar zijn met de hoofdbestemming van de beoogde zone en de kenmerken van de stedelijke omgeving, door het effect van algemeen voorschrift 0.7 van het GBP dat niet gewijzigd is; - dat studies, voorafgaand aan de gedeeltelijke wijziging van het GBP, hebben aangetoond dat de zones voor voorzieningen van collectief belang of de openbare nutsvoorzieningen deze zijn met het grootste grondpotentieel op vrij perceel, en dat zij dus kunnen bijdragen tot beantwoording van de behoeften aan vooral schoolvoorzieningen; - dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP de verplichting toevoegt aan het programma dat wordt opgelegd door voorschrift 4.4, om minstens 5 % voorzieningen te realiseren; 1.23. Evenwicht van de functies en gemengdheid Overwegende dat verschillende bezwaren betrekking hebben op de kwestie van de functiegemengdheid;

Dat bepaalde bezwaren vrees inhouden inzake een gebrek aan functie-evenwicht als gevolg van het plan van GBP dat huisvesting te veel zou bevoordelen ten koste van gemengdheid;

Dat sommige reclamanten in deze context het GBP aangevuld zouden willen zien met voorwaarden om deze gemengdheid te garanderen, meer bepaald volgens de dichtheid van de vastgoedprojecten;

Overwegende dat de GOC in dit verband verwijst naar haar elders geformuleerde opmerkingen, vooral aangaande OGSO's;

Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen hoger te vinden is, onder punt 1.2 over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, en onder punt 1.20 over de draagwijdte van het nieuwe voorschrift 9bis over de OGSO's;

Dat eraan herinnerd moet worden dat, voor projecten van 10 000 m² vloeroppervlak of meer, voorschrift 9bis.3 een gemengdheid van bestemmingen oplegt; 1.24. Functiegemengdheid/sociale cohesie Overwegende dat een reclamant van mening is dat de functiegemengdheid onmisbaar is om de sociale en economische cohesie van de stad te verzekeren;

Overwegende dat een andere reclamant opmerkt dat het MER de nadruk legt op de sociale gemengdheid;

Dat de betrokken zones vooral liggen in sociaaleconomisch achtergestelde wijken;

Dat hij het "gentrificerend" potentieel van het ontwerp van GBP benadrukt, terwijl de introductie van sociale gemengdheid in de meer bemiddelde wijken niet aan bod komt;

Overwegende dat een reclamant vreest dat eventuele woningen op weinig aantrekkelijke locaties (nabij de spoorweg, nabij bepaalde types van ondernemingen, ...) getto's worden voor mensen met laag inkomen die nergens anders terechtkunnen;

Overwegende tot slot dat het BIM vindt dat de gemengdheid van bestemmingen in de GGB een gediversifieerd aanbod aan woningen moet garanderen om te voorzien in de behoeften van de uiteenlopende sociaaleconomische profielen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de kwestie van sociale gemengdheid een gevoelig onderwerp is dat niet op één enkele manier benaderd mag worden;

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger te vinden is, in het kader van de opmerkingen over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.25. Mechanismen/Samenwerkings-verbanden Overwegende dat een reclamant de keuze van publiek-private samenwerking (PPS) benadrukt als oplossing voor de aanleg van nieuwe gebieden (voorbeeld : het kanaal);

Dat deze oplossing de verliezen spreidt terwijl de winsten privé blijven;

Overwegende dat er een hoge dichtheid nodig is om de gegenereerde kosten op deze terreinen te compenseren en de privésector te helpen met de saneringskosten;

Dat het aangewezen zou zijn een raming van deze saneringskosten te maken;

Overwegende ten slotte dat het MER, om de aantrekkingskracht van deze gebieden te behouden, zou moeten voorzien in faciliteiten in de mechanismen voor het verkrijgen van vergunningen;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat het GBP niet het geschikte instrument is om de sociale gemengdheid te beheren; dat ze voor het overige naar andere delen van haar advies verwijst;

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hoger te vinden is, in het kader van de opmerkingen over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de mechanismen voor projectfinanciering en voor evaluatie van de saneringskosten niet tot het toepassingsveld van het GBP behoren;

Dat het MER de aspecten verbonden aan bodemvervuiling heeft onderzocht;

Dat er overigens aan herinnerd moet worden dat noch het GBP, noch zijn MER faciliteiten kunnen voorzien in de mechanismen voor het verkrijgen van vergunningen, vermits dergelijke bepalingen strijdig zouden zijn met het BWRO; 1.26. Leefomgeving Overwegende dat sommige bezwaren de verdichting van het gewestelijk territorium betreffen;

Overwegende dat het BROH voorstander is van het beginsel van verdichting van de te bebouwen gebieden;

Dat het echter vraagt deze verdichting gepaard te laten gaan met een optimaal en zuinig gebruik van de bodem en met de handhaving van de levenskwaliteit in de stad;

Dat de verdichting van de stad de druk op de (open) groene ruimten zal vergroten (verkleining van oppervlakte en verhoging van gebruik);

Dat het BROH derhalve vraagt dat de verdichting gepaard gaat met : a. optimale integratie in de stedelijke omgeving;b. integratie van buurtvoorzieningen;c. behoud van de groene ruimten en creatie van hoogstaande openbare ruimten die nodig zijn om de nieuwe wijken leefbaar te maken;d. landschappelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkelingen en integratie ervan in het groene netwerk;e. uitmuntendheid inzake architectuur;f. aanleg die bevorderlijk is voor actieve mobiliteit; Overwegende dat een reclamant van mening is dat het interessant zou zijn om een "dorpswijkconcept" te creëren met integratie van bebouwing/mobiliteit/milieu/duurzaam beheer;

Dat het volgens diezelfde reclamant dus beter zou zijn het dorpsconcept te handhaven door niet alle resterende terreinen te bestemmen voor huisvesting;

Overwegende dat de GOC erop wijst dat het Gewest een afbakening van de wijken uitgewerkt heeft binnen de Wijkmonitoring en dat het niet aangewezen is nieuwe concepten uit te vinden;

Overwegende dat sommige reclamanten het duurzame karakter van het project betwijfelen;

Dat het KCML bijvoorbeeld betreurt dat het plan geen rekening houdt met het groene en het blauwe netwerk;

Overwegende ten slotte dat een reclamant vraagt aandacht te schenken aan de esthetiek van de nieuwe gebouwen en aan de mobiliteit;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar voorstellen in het kader van haar advies in het OGSO-hoofdstuk, voorschrift 06bis over de omgeving van bouwwerken, en haar advies inzake het ecologisch netwerk langs het kanaal en de landschappelijke kwaliteit en de groene ruimten in gebieden voor voorzieningen;

Overwegende dat de vragen van de reclamanten en van de voor advies aangesproken instanties moeten worden geïntegreerd in het denkwerk op het niveau van het GPDO en, indien zij daar hernomen worden, vervolgens moeten worden omgezet in het gepaste reglementaire instrument (GBP, GSV enz.);

Overwegende dat de meeste aspecten aangehaald door de reclamanten en vooral door het BROH niet enkel verband houden met het GBP maar eveneens met de onderzoeksprocedures voor stedenbouw-kundige machtigingen in het licht van het begrip van een behoorlijke aanleg;

Dat voor het overige wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 1.27. Gevolgen - Milieu Overwegende dat meerdere bezwaren de gevolgen van het project op het milieu benadrukken, meer bepaald wat betreft bodemafdichting en verlies van biodiversiteit, energie, afvalbeheer, mobiliteit, productie van goederen, duurzame ontwikkeling en isolatie;

Dat sommige reclamanten het probleem van moeilijkheden bij renovatie van gebouwen opwerpen, of deze vraag koppelen aan die van de energiepremies;

Overwegende ten slotte dat het BIM de aandacht vestigt op de risico's, in geval van bodemverontreiniging, van een verandering van bestemming van bepaalde terreinen, en hierbij het geval aanhaalt van een industrieterrein dat woonbestemming wordt;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies betreffende de aanpassing van de wetgeving wat betreft bodemverontreiniging en geluidshinder, en naar al haar opmerkingen betreffende de aanpassing van de vigerende plannen;

Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen te vinden is, hierboven onder punt 1.2 over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, en onder punt 1.13 over de andere aanpassingen aan reglementen die tegelijk met de gedeeltelijke wijziging van het GBP zullen plaatsvinden;

Dat, voor het overige, de vragen van de reclamanten en van de voor advies aangesproken instanties moeten worden geïntegreerd in het denkwerk op het niveau van het GPDO en, indien zij daar hernomen worden, vervolgens getransponeerd moeten worden in het gepaste reglementaire instrument (GBP, GSV enz.); 1.28. Mobiliteit Overwegende dat meerdere reclamanten het absoluut noodzakelijk achten dat het ontwerp van GBP de bepalingen en doelstellingen van het IRIS II-plan integreert;

Dat het belangrijk is dat het ontwerp rekening houdt met de mobiliteitsvraagstukken die nog zullen toenemen door de grotere dichtheid als gevolg van het ontwerp;

Dat deze verdichting rekening moet houden met het aanbod aan openbaar vervoer om te vermijden dat de mobiliteitsproblemen van het Gewest nog toenemen;

Dat sommige reclamanten wensen dat het ontwerp gepaard gaat met een wijziging van de titel van de GSV over de parkeerplaatsen op de rijweg om de parkeerzones te herzien;

Overwegende dat de GOC zich achter deze bezwaren schaart; dat zij van mening is dat de gecreëerde OGSO's in de eerste plaats gebieden van economische activiteiten blijven en dat het verstandig is bij de plaatsbepaling rekening te houden met de factor toegankelijkheid;

Dat zij helaas vaststelt dat dit criterium, dat wordt aanbevolen in het MER, niet werd toegepast bij de keuze van de gebieden;

Dat de Commissie ook benadrukt dat de Regering moet instaan voor de toepassing van de beschikkingen die ze heeft genomen in haar ontwerpplannen (IRIS II);

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren hierboven te vinden is, bij de opmerkingen over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de vragen van de reclamanten en van de voor advies aangesproken instanties moeten worden geïntegreerd in het denkwerk op het niveau van het GPDO en, indien zij daar hernomen worden, vervolgens moeten worden omgezet in het gepaste reglementaire instrument (GBP, GSV enz.);

Overwegende, overigens, dat het criterium van toegankelijkheid wel degelijk heeft meegespeeld bij de toewijzing van de OGSO's, maar dat ook rekening werd gehouden met andere relevante criteria : - de ligging binnen of nabij bewoonde stedelijke weefsels en het gemak om hierop aan te sluiten; - de aanwezigheid van een deelgebouw dat de invoering van huisvesting mogelijk maakt zonder de economische hoofdfunctie in gevaar te brengen; - de mogelijkheden tot kwalitatieve verbetering via een globale stedelijke hersamenstelling; - de afwezigheid van hinder, veroorzaakt door bestaande economische activiteiten die het naast elkaar bestaan van deze activiteiten en huisvesting onverenigbaar zouden maken; - de ligging in een stedelijke omgeving die interessant en valoriseerbaar is voor de residentiële functie;

Dat vandaar, hoewel sommige OGSO's niet in zone A of B van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV liggen, de combinatie van meerdere andere relevant geachte criteria geldig kon leiden tot de aanstelling van een OGSO;

Overwegende dat het Vlaams Gewest van mening is dat het, gezien het effect van het plan op bepaalde gebieden, belangrijk is dat de Gewesten overleggen over de planning en de financiering van de vereiste nieuwe mobiliteitsmaatregelen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze overwegingen niet kaderen in de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP maar dat ze niettemin vraagt dat deze opmerkingen in het GPDO zouden worden geanalyseerd;

Dat de Commissie van mening is dat overleg tussen de Gewesten nodig is, rekening houdend met het grootstedelijk gebied;

Dat zij ook van mening is dat de mobiliteitsvraagstukken niet beperkt mogen blijven tot personenvervoer maar ook rekening moeten houden met het goederenvervoer;

Overwegende dat ook hier een antwoord op de bezwaren hoger te vinden is, bij de opmerkingen die werden geformuleerd over de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat bepaalde bezwaren aangaande mobiliteit meer specifiek betrekking hebben op het effect van het plan op het aanbod aan openbaar vervoer;

Dat een reclamant van mening is dat de nieuwe mobiliteitsbehoeften ingevolge het ontwerp van GBP rechtvaardigen dat dit ontwerp verordenende bepalingen van de grondbestemming bevat die voorzien in de behoefte aan nieuwe stelplaatsen voor voertuigen van de MIVB;

Dat dezelfde reclamant van mening is dat de verschillende zones van het grondgebied waar het ontwerp op slaat, het voorwerp moeten vormen van een gedifferentieerde behandeling inzake ontwikkeling van openbaar vervoer volgens objectieve criteria; dat de reclamant aldus onderscheidt : - zones die geen specifieke ontwikkeling eisen en die indien nodig het voorwerp zullen uitmaken van een algemene vergroting van het aanbod op alle lijnen; - zones die het voorwerp uitmaken van specifieke mobiliteitsstudies, meestal gelegen in de GGB's of in hefboomzones, en waarvoor aanpassing van het momenteel beoogde of bestaande aanbod nodig is; - zones die een plaatselijke verbetering van het aanbod nodig zullen hebben; - zones waarvoor het aanbod opnieuw ontwikkeld moet worden;

Dat de reclamant als gevolg van deze analyse een reeks aandachtspunten voor het ontwerp van GBP aan de orde stelt, namelijk : 1. de financiering en vooral de exploitatie van de nieuwe infrastructuren garanderen (te berekenen in het toekomstige beheercontract van de openbare vervoersmaatschappij);2. instaan voor de tijdige verwezenlijking van deze infrastructuren, gelijke tred houdend met de projecten;3. instaan voor de snelle aflevering van de vergunningen voor de ontwikkeling van deze nieuwe infrastructuren;4. verzekeren dat de nieuwe infrastructuren het mogelijk maken de doelstellingen van het beheercontract te bereiken (commerciële snelheid en regelmaat);5. de grondcapaciteit en rechtszekerheid voor de stelplaatsen garanderen; Dat een andere reclamant voorstelt de grote ontwikkelingen van het ontwerp van Demografisch GBP (Erasmus, Klein Eiland, Birmingham enz.) het voorwerp te laten uitmaken van een nieuw partnershipconcept tussen de openbare vervoersmaatschappij en de vastgoedoperator;

Dat dit nieuwe concept deel zou moeten uitmaken van de voorschriften van de grootste te creëren OGSO's, als stimulans voor de samenwerking tussen de vastgoedoperatoren en de openbare vervoersmaatschappijen;

Overwegende dat de GOC stelt aandachtig kennis te hebben genomen van de bekommernissen van de MIVB;

Dat ze van mening is dat het MER lacunes vertoont wat betreft de beoordeling van de mobiliteitsbehoefte ingevolge de toekomstige ontwikkelingen waarin het ontwerp van GBP voorziet; dat deze informatie nodig is om de MIVB en de andere vervoersmaatschappijen de mogelijkheid te bieden om hun ontwikkelingsprogramma aan te passen;

Dat zij de Regering verzoekt om een dergelijke beoordeling uit te voeren in het kader van het GPDO, teneinde te kunnen anticiperen op de behoeften van de nieuwe ontwikkelings- en huisvestingspolen die resulteren uit de wijziging van het GBP;

Dat zij bovendien van mening is dat ook alle andere mobiliteitsaspecten onderzocht moeten worden, met name die verband houden met het toekomstige GEN;

Overwegende, ten slotte, wat betreft de andere overwegingen, die onder andere verband houden met het toekomstige beheercontract, dat deze in het GPDO moeten worden beoordeeld;

Overwegende dat de stelplaatsen voor de voertuigen van het openbaar vervoer infrastructuur van algemeen belang of van openbare dienstverlening vormen die, door het effect van algemeen voorschrift 0.7 van het GBP, een grote flexibiliteit genieten in de keuze van hun inplanting;

Dat de bepaling van specifieke inplantingsplaatsen in het GBP paradoxaal genoeg als effect zou hebben dat deze flexibiliteit beperkt zou worden, wat de Regering niet wenselijk acht;

Overwegende dat, vermits het om algemeen mobiliteitsbeleid gaat, de Regering de beperkte draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP en dus van het MER benadrukt; dat hier geen sprake is van overgaan tot beoordeling van alle huidige en toekomstige behoeften inzake vervoer in het Gewest, tot herdefiniëring van de opdrachten van de MIVB of tot creatie van nieuwe publiek-private samenwerkingen; 2. Algemene voorschriften met betrekking tot alle gebieden 2.1. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant pleit voor het behoud van de bestaande functies binnen de OGSO zonder dat de creatie van woningen wordt opgelegd, met name voor afbraak/wederopbouwwerken;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies over de OGSO, en meer bepaald naar het bewaringsmechanisme voor de bestaande bedrijven;

Overwegende dat de verplichting om woningen te realiseren enkel geldt bij projecten vanaf 10 000 m²;

Dat tot aan deze drempel de aanvrager zijn bestemming dus vrij mag kiezen;

Dat voor projecten vanaf 10 000 m², de Regering oordeelt dat een gemengdheid van in de OGSO toegelaten functies noodzakelijk is om de doelstelling van dit nieuwe bijzondere voorschrift te verwezenlijken;

Overwegende dat het bewaringsmechanisme voorzien in voorschrift 0.9 van toepassing is voor verbouwingswerken, zware renovaties of afbraak-wederopbouwwerken van bestaande gebouwen waarvan de bestemming die is aangegeven in de bouw- of stedenbouwkundige vergunningen of, indien die ontbreken, waarvan het wettige gebruik niet meer overeenstemt met de voorschriften van het plan;

Overwegende dat, in antwoord op de bezwaren, de Regering heeft besloten om in het voorschrift betreffende de OGSO een bijkomend bewaringsmechanisme op te nemen om verbouwingswerken en zware renovaties van gebouwen toe te laten waarvan de bestemming die is aangegeven in de bouw- of stedenbouwkundige vergunningen of, indien die ontbreken, waarvan het wettige gebruik nog steeds overeenstemt met de voorschriften van het plan;

Dat dit mechanisme is opgenomen in voorschrift 9.5 6bis.5;

Overwegende dat dezelfde reclamant vraagt dat bepaalde schriftelijke voorschriften of definities van het GBP worden gepreciseerd, meer bepaald het begrip vloeroppervlakte;

Overwegende het advies van de GOC dat stelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de redenen die de reclamant aanhaalt voor de herziening van het begrip vloeroppervlakte dat is gedefinieerd in het glossarium van het GBP beschouwingen zijn over de bouwtechnieken om te beantwoorden aan een energieprestatie van de gebouwen;

Dat het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de nuttige vloeroppervlaktes en de vereisten op het vlak van energieprestaties van de gebouwen niet werd onderzocht in het kader van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP omdat het niet valt onder de motieven tot instelling van de wijziging van het GBP die zijn vermeld in het voornoemde besluit van 20 januari 2011;

Dat immers onderhavige wijziging van het GBP zich niet tot doel stelt om de minimumoppervlaktes voor elke gebouwde woning te bepalen, maar om de inplanting van woningen in de verschillende verstedelijkbare gebieden van het GBP te bevorderen;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat de gemeente Watermaal-Bosvoorde vraagt dat bij de herbestemming van kantoorgebouwen in woningen stedenbouwkundige lasten zouden kunnen worden geheven om voorzieningen of handelszaken te creëren;

Overwegende het advies van de GOC dat stelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt en bovendien verwijst naar haar advies betreffende de stedenbouwkundige lasten in het kader van de AG;

Overwegende dat wordt verwezen naar de hogervermelde opmerkingen met betrekking tot het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten en het feit dat het GBP verplicht moet voorzien in bepalingen van dit type krachtens artikel 24 van het BWRO;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Gelet op het advies van het BROH over de SRO, speciale regelen van openbaarmaking, en meer bepaald de opmerking over het onvoldoende dwingende karakter van deze SRO;

Overwegende het advies van de GOC dat stelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt maar voorstelt om deze vraag te analyseren in het kader van een herziening van het BWRO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Gelet op de vraag van het BIM om een nieuw algemeen voorschrift toe te voegen met betrekking tot geluidshinder, om een harmonieuze cohabitatie tussen de functies mogelijk te maken;

Dat het BIM het volgende voorschrift voorstelt : "De handelingen en werken beperken de doorsijpeling en weerkaatsing van lawaai naar de gevoelige bestemmingen. In de buurt van potentieel lawaaierige infrastructuren en activiteiten worden bij voorkeur bestemmingen ingeplant die er minder gevoelig voor zijn, en er worden bufferzones gecreëerd";

Overwegende het advies van de GOC dat deze vraag pertinent acht en de Regering vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken om in onderhavige wijziging van het plan een voorschrift "lawaai" in te voeren;

Overwegende dat het milieueffectenrapport bij het ontwerp van wijziging van het GBP de aspecten verbonden aan "lawaai" heeft onderzocht;

Dat een voorschrift betreffende geluidshinder niet thuishoort in een bestemmingsplan;

Overwegende dat overigens de vergunningaanvragers voor projecten waarvoor een milieueffectenrapport (MER) of een effectenstudie (ES) vereist is moeten aantonen hoe hun projecten beantwoorden aan de beperking inzake doorsijpeling en weerkaatsing van het geluid;

Overwegende dat de Regering bovendien heeft besloten om de tenuitvoerlegging van de gedeeltelijke wijziging van het GBP te laten gepaard gaan met een wijziging van de besluiten van 21.11.2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingshinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen en van 21.11.2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai;

Dat de Regering ten slotte deze vraag pertinent acht, maar oordeelt dat ze niet kan worden behandeld in het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Gelet op de vragen van het BIM om de voorschriften betreffende de optimalisering van de groene ruimtes en de optimale rentabilisering van de voorbehouden oppervlaktes te wijzigen;

Dat het BIM enerzijds voorstelt om alle voorschriften die een groene ruimte opleggen aan te vullen met de verplichting om bij te dragen tot het groene netwerk en het Brusselse ecologische netwerk, na het opstellen van een inventaris van de beplanting, en tot de doorlaatbaarheid van de bodem;

Dat het BIM anderzijds vraagt dat een algemeen voorschrift zou worden toegevoegd dat aangeeft dat de omgevingen van de bouwwerken en installaties moeten bijdragen tot de verwezenlijking van het groene netwerk en het Brusselse ecologische netwerk;

Overwegende dat het BIM bovendien vraagt dat de definitie van "groen netwerk" van het glossarium zou worden herzien, en ook de diverse dimensies van het groene netwerk zouden worden toegelicht : de recreatieve, ecologische, hydrografische dimensies, door zich te inspireren op de definitie van het Brusselse ecologische netwerk die wordt gegeven in de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;

Overwegende ten slotte dat het BIM bovendien oordeelt dat de verwezenlijking van groene ruimtes aangemoedigd dient te worden in alle gebieden, dat de kwaliteit van de inrichtingen gewaarborgd moet worden en dat de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en installaties moeten worden afgestemd op die van zowel het natuurlijk als het bebouwd omliggend stedelijk kader;

Overwegende dat de GOC het zinvol acht om het idee te verdedigen van de aanwezigheid van het groene netwerk en het ecologische netwerk in alle wijken om bij te dragen tot de levenskwaliteit, wat des te belangrijker is in het licht van de verwachte bevolkingsgroei;

Dat de GOC oordeelt dat een nieuw algemeen voorschrift met betrekking tot alle gebieden van het GBP, naar het model van voorschrift 0.6, zou moeten worden opgenomen in onderhavige wijziging van het GBP;

Overwegende dat algemeen voorschrift 0.2 al beoogt om bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk;

Dat dit voorschrift immers enerzijds de realisatie van groene ruimtes toelaat in alle gebieden, met name om bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk, en anderzijds de realisatie van groene ruimtes oplegt voor alle projecten met een grondoppervlakte van minstens 5 000 m²;

Dat er bijgevolg al een algemeen voorschrift betreffende alle gebieden van het GBP bestaat dat tegemoetkomt aan sommige vragen van het BIM;

Dat aan het advies van de GOC dat een algemeen voorschrift vereist is, reeds voldaan werd;

Overwegende dat, aangaande de vragen van het BIM over de kwaliteit van de omgevingsinrichting en het feit dat de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en installaties moeten worden afgestemd op die van het omliggende stedelijke kader, de overheden moeten oordelen over de goede plaatselijke aanleg, en dat deze kwesties worden onderzocht bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen;

Dat deze vragen niet binnen het kader van de wijziging van het GBP vallen;

Overwegende dat, door nieuwe groene ruimtes te creëren, onderhavige wijziging van het GBP rekening heeft gehouden met een verbetering van de kwaliteit van de stad, met name met het oog op haar verdichting;

Overwegende dat verschillende reclamanten vragen om een nieuw algemeen voorschrift in te lassen met betrekking tot de "feitelijke groengebieden";

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat de GOC wel vraagt om ze te onderzoeken in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Dat bij deze herziening van het GBP een volledige bewaarlijst van de groene ruimtes wordt opgemaakt in het kader van de bijwerking van de bestaande feitelijke toestand;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP;

Overwegende dat diezelfde reclamanten vragen om de term "braakliggend terrein" te definiëren en dat sommige van hen vragen om het onderscheid te maken tussen een "braakliggend terrein" en een "ecologisch braakliggend terrein";

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat de GOC wel vraagt om ze te onderzoeken in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP en het nuttig acht om een bewaarlijst op te maken van braakliggende terreinen die bebouwbare reserves zijn;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP;

Dat ze evenwel preciseert dat de term "braakliggend terrein" al is gedefinieerd in het glossarium van het GBP en dat dit begrip wordt gebruikt in voorschrift 4.4 betreffende het sterk gemengd gebied;

Gelet op de bezwaarschriften die een wijziging wensen van de definitie van `groen netwerk' in het glossarium van het GBP, in die zin dat een onderscheid zou worden gemaakt tussen enerzijds het begrip "sociaal groen netwerk" en anderzijds het begrip "ecologisch groen netwerk", en om verwarring te vermijden tussen "groen netwerk" en "groene wandeling";

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat de GOC vraagt dat het begrip "groene wandeling" beter zou worden gedefinieerd in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP om verwarring te vermijden;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het GBP voor elk betrokken gebied van het plan het meest gewenste hoofdtype huisvesting zou aangeven;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat de GOC opmerkt dat het BWRO niet toelaat om de kwestie van het soort woning te behandelen in de plannen en vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken om het BWRO zodanig te wijzigen dat dit aspect kan worden behandeld in het kader van een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat, zoals de GOC aangeeft, het gewenste woningtype niet mag worden vastgesteld aan de hand van bestemmingsplannen omwille van het BWRO; dat wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in punt 1.21.;

Dat de Regering derhalve het advies van de GOC volgt dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP;

Overwegende dat twee reclamanten vragen dat de termen "per gebouw" en "per project en per gebouw" zouden worden vervangen door "per project" en voorstellen om de definitie ervan te herzien;

Dat deze vraag met name wordt gemotiveerd door een dubbelzinnigheid als gevolg van het feit dat een project meerdere gebouwen kan omvatten, en om "verkapping" van de projecten te vermijden;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat ze opmerkt dat ze het voorwerp moet uitmaken van een globale bezinning in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat ze vraagt om de term "gebouw" te definiëren in het glossarium;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt, en dat een globale bezinning zou moeten worden gevoerd die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging;

Op de vraag van de GOC om de term "gebouw" te omschrijven, antwoordt de Regering dat het glossarium van het GBP al een definitie geeft van deze term;

Gelet op de bezwaarschriften met betrekking tot het glossarium en op de vragen van de gemeenten Anderlecht en Ganshoren om voor alle plannen en verordeningen te beschikken over een uniek glossarium waarin de begrippen "productieactiviteit" en "voorziening van collectief belang of van openbare diensten" zouden worden gepreciseerd;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat ze opmerkt dat ze het voorwerp moet uitmaken van een globale bezinning in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt, maar een analyse van de verschillende wetgevingen vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging;

Gelet op het bezwaarschrift van de gemeente Ukkel betreffende de begrippen hoofdbestemming en secundaire bestemming, en zijn vraag om in elk project meer dan 50 % van de vloeroppervlakte voor te behouden voor de hoofdbestemming;

Gelet op het advies van de GOC die voorstelt om de definities van de hoofd- en secundaire functie te verduidelijken en te homogeniseren in het GBP;

Overwegende dat de begrippen hoofdbestemming en secundaire bestemming zich tot doel stellen om een hiërarchie te creëren tussen de verschillende functies die in een gebied zijn toegelaten;

Dat deze hiërarchie vanuit verschillende standpunten moet worden bekeken, op het niveau van een heel gebied en niet per project;

Dat daarom geen gevolg moet worden gegeven aan de vraag om minstens 50 % van de vloeroppervlakte van de projecten voor te behouden voor de hoofdbestemming van een gebied;

Overwegende dat deze vraag bovendien een studie zou vergen naar de impact van de vaststelling van een dergelijk percentage die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging;

Overwegende dat omzendbrief nr 15 betreffende het stelsel van de impliciete opheffing de begrippen hoofdbestemming en secundaire bestemming al toepast in de verhoudingen tussen het GBP en het BBP, en dat bij de beoordeling van deze begrippen naar deze omzendbrief kan worden verwezen;

Gelet op de vragen om de volgende termen te definiëren en toe te lichten : "depot", "structurering van het stedelijk weefsel", "verenigbaarheid", "huisvesting" en "activiteit voor de vervaardiging van immateriële goederen" ten opzichte van het begrip "kantoor";

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP vallen;

Dat ze opmerkt dat ze het voorwerp moeten uitmaken van een analyse in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat de term "depot" enkel voorkomt in het programma van GGB nr 15 "Heizel"; dat het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP preciseert dat het gaat om een stelplaats bestemd voor het openbaar vervoer; dat het bijgevolg niet nodig lijkt deze te definiëren;

Overwegende dat de begrippen "structurering van het stedelijk weefsel" en "verenigbaarheid" tussen de functies worden toegelicht in het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP; dat dit voorwoord immers uiteenzet dat "vanwege de gewenste inplanting van woningen in deze gebieden, moet worden benadrukt dat deze percelen zodanig moeten worden geherstructureerd dat een dicht en kwaliteitsvol stadsweefsel wordt gecreëerd dat de verenigbaarheid van de verschillende bestemmingen zal garanderen";

Dat overigens deze begrippen zullen worden onderzocht door de administratieve overheden bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen, in het licht van de goede plaatselijke aanleg;

Dat een definitie van deze termen niet gepast lijkt gezien de verschillende contexten van de projecten; en dat bijgevolg het GBP geen rekening kan houden met alle facetten en variaties om criteria vast te stellen voor deze termen;

Overwegende dat het glossarium al een definitie bevat van de term "huisvesting"; dat aan de vraag om deze term te definiëren dus al wordt tegemoet gekomen in het GBP;

Overwegende dat de term "activiteit voor de vervaardiging van immateriële goederen" eveneens al is gedefinieerd in het glossarium; dat de realisatie van dit soort activiteiten een meer "administratieve" vorm kan aannemen dan de vervaardiging van materiële goederen; dat het daarom niet de bestemming "kantoor" betreft zoals die is gedefinieerd in het glossarium van het GBP; dat het immers de activiteiten betreft die door de onderneming die ze uitoefent hetzij "activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen", hetzij "kantoor" worden genoemd;

Dat de definitie van "activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen" dus niet moet worden gewijzigd;

Gelet op de bezwaarschriften aangaande de beperkingen van de vloeroppervlaktes die zijn bestemd voor de handelszaak, en de vraag om de bestaande handelscentra te behouden, aan te moedigen en te herontwikkelen, met name door een uitbreiding zonder beperking van de oppervlaktes toe te laten, mits die strookt met de goede plaatselijke aanleg;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP vallen;

Dat ze vraagt om een analyse te maken van de behoefte aan handelszaken in het kader van de GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP, rekening houdend met de principes van het commerciële ontwikkelingsschema en de wil om het dynamisme van de handelskernen te behouden.

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt en een analyse vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging;

Gelet op de vraag van de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe om het begrip "grote speciaalzaak" te definiëren;

Gelet op de vraag om het begrip "grote speciaalzaak" te wijzigen, door de uitsluiting met betrekking tot de voedingssector te schrappen, zodat de sector van dezelfde drempelwaarden zou kunnen profiteren als de grote speciaalzaken in een gemengd en een sterk gemengd gebied;

Overwegende dat de gemeenten Oudergem en Sint-Lambrechts-Woluwe vraagtekens plaatsen bij de definitie van "groothandel", en zich afvragen of die onder de benaming "handel" moet worden opgenomen;

Overwegende dat een reclamant vraagt om een bijzonder statuut voor de winkelcentra in te voeren;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies betreffende het glossarium;

Overwegende dat het begrip "grote speciaalzaak" al is gedefinieerd in het glossarium van het GBP; dat bijgevolg al is tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift van de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe;

Overwegende dat de vraag om het begrip "grote speciaalzaak" te wijzigen niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt en een analyse vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; dat dus geen gevolg wordt gegeven aan het bezwaarschrift;

Overwegende dat het begrip "groothandel" niet is opgenomen onder het begrip "handel"; dat deze benamingen immers afzonderlijk zijn gedefinieerd in het glossarium van het GBP en dat ze beide uitdrukkelijk zijn vermeld in de voorschriften van de gebieden waarin deze functies toegelaten zijn;

Overwegende dat de vraag om een bijzonder statuut te verlenen aan de winkelcentra niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; dat het niet opportuun lijkt om een bijzonder statuut in te voeren voor de winkelcentra; dat het GBP immers de toegelaten vloeroppervlaktes bepaalt en niet het soort handelszaken dat strookt met een goede plaatselijke aanleg; dat het bezwaar betreffende de ontwikkelingsmogelijkheden van de handelszaak ten slotte al een antwoord heeft gekregen; 2.2. Voorschrift 0.2.

Overwegende dat het BIM vraagt om het algemeen voorschrift 0.2 te herzien om de aanwezigheid van groene ruimten in de stad te versterken als compensatiemaatregel voor de geplande verdichting;

Gelet op de vragen van het BIM en de Stad Brussel om het percentage groene ruimten op te trekken van 10 naar 20 % in het voorschrift 0.2;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar voorstel om een nieuw voorschrift op te stellen naar het model van voorschrift 0.6;

Overwegende dat de Regering, met het oog op de nieuwe gebieden die worden opengesteld voor huisvesting, heeft besloten om nieuwe groene ruimten te creëren op de bestemmingskaart en in de schriftelijke voorschriften van sommige GGB;

Dat de Regering evenwel geen verdichtingscriteria heeft opgenomen via deze wijziging van het GBP;

Dat immers, zoals blijkt uit het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP van 29 maart 2012, de voorbereidende studie van de gedeeltelijke wijziging van het GBP leidde tot de conclusie dat het bestemmingsinstrument niet geschikt is om de problematiek van de verdichting van percelen of bestaande elementen van de bebouwing te behandelen;

Dat deze vraag het voorwerp moet uitmaken van een globale bezinning via het GPDO;

Dat bijgevolg geen gevolg kan worden gegeven aan de vraag van het BIM betreffende een compensatiemaatregel voor de geplande verdichting;

Dat overigens de Regering verwijst naar haar advies in punt 2.1 "Algemeenheden" over hetzelfde onderwerp; 2.3. Voorschrift 0.7.

Gelet op het bezwaarschrift dat een wijziging vraagt van de definitie die wordt gegeven aan "voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten", om andere vertegenwoordigingen dan de ambassades van door België erkende staten, zendingen, vertegenwoordigingen van de Europese regio's en vertegenwoordigingen van de "gefedereerde of gelijkgestelde entiteiten van die door België erkende Staten" uit te sluiten, aangezien dit soort functies, waarop voorschrift 0.7 kan worden toegepast, de neiging heeft om zich te groeperen in bepaalde specifieke wijken, vaak bewoonde wijken en in feite een kantoorfunctie vertegenwoordigt;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar voorstel in het hoofdstuk over het gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, waarin ze voorstelt om twee soorten voorzieningen te onderscheiden : de buurtvoorzieningen nodig voor de huisvesting en de overige;

Dat ze evenwel oordeelt dat deze wijzigingen niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP vallen, maar van een toekomstige wijziging van het GBP die zou volgen op de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat immers het voorstel van de GOC om de buurtvoorzieningen te onderscheiden van de andere het voorwerp moet uitmaken van een gedetailleerde analyse, met name op basis van een kadaster van de voorzieningen;

Dat dit met name wordt gerealiseerd in het kader van het GPDO dat, desgevallend, zal voorstellen om deze definitie te wijzigen in het kader van een andere wijziging van het GBP;

Overwegende dat dezelfde reclamant aanhaalt dat algemeen voorschrift 0.7. in strijd lijkt te zijn met het voorstel van wijziging van voorschrift 0.8. en voorstelt om de inplanting van voorzieningen te beperken in gebieden waar ze reeds voorzien zijn en/of bestaan, en de gebieden voor voorzieningen te behoeden voor de druk van andere functies;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP vallen;

Dat ze daarentegen van mening is dat de buurtvoorzieningen nodig zijn en niet mogen worden beperkt tot enkel de GV;

Overwegende dat het ontwerp van wijziging van het GBP voorschrift 0.8 betreffende gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten niet wijzigt maar herformuleert;

Dat de reclamant meent een tegenstrijdigheid te zien tussen voorschrift 0.7 dat in het ontwerp van wijziging van het GBP ongewijzigd blijft en de herformulering van voorschrift 0.8;

Dat, zoals is vermeld in het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP van 29 maart 2012, de wijziging van het voorschrift betreffende de GV wordt verantwoord door de "wil om de Franse versie van het huidige voorschrift, waarvan de interpretatie tot verwarring leidt, te verduidelijken";

Dat de Regering hierdoor geen wijziging aanbrengt in de al geldende regels die de inplanting van woningen toelaten in gebieden voor voorzieningen;

Overwegende dat, om te beantwoorden aan de motieven van het besluit tot instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP van januari 2011, de Regering enerzijds oordeelt dat de voorzieningen moeten kunnen worden ingeplant in alle gebieden en anderzijds dat de GV moeten opengesteld zijn voor de functies nodig om te beantwoorden aan de demografische uitdaging betreffende huisvesting en voorzieningen;

Overwegende dat de Regering daarom geen gevolg geeft aan het bezwaarschrift;

Overwegende dat dezelfde reclamant vraagt dat algemeen voorschrift 0.7. in het bebouwde weefsel slechts van toepassing zou zijn bij de herbestemming van bestaande gebouwen, dit om grote projecten te vermijden die het stedelijk weefsel zouden destructureren, zeker in het oude stadscentrum;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat de GOC evenwel vraagt dat ze zou worden geanalyseerd in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat de vraag van de reclamant om de toepassing van voorschrift 0.7 te beperken indruist tegen de doelstellingen van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP, aangezien ze de inplantingsmogelijkheden voor voorzieningen op het Brusselse grondgebied sterk zou beperken; dat daarom geen gevolg wordt gegeven aan de opmerking; 2.4. Voorschrift 0.8.

Overwegende dat een reclamant vraagt dat algemeen voorschrift 0.8 zou worden gepreciseerd om herbestemmingen te vermijden die slecht afgestemd zijn op de erfgoedbelangen van de beschermde of op de bewaarlijst ingeschreven goederen;

Dat deze vraag enkel bedoeld is om de afwijking van de bestemming van een gebied, voorzien voor een beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven goed, enkel te vergunnen als men daarbij prioritair het gebruik terugvindt waarvoor het goed ontworpen werd; en dat, indien dit onmogelijk blijkt, de reclamant vraagt dat elk element dat overeenstemt met de oorspronkelijke bestemming van het goed behouden zou blijven bij de herbestemming, gelet op het principe van de omkeerbaarheid;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat het bezwaarschrift waarin wordt gevraagd om voorschrift 0.8 van het GBP te herzien aan geen enkel motief voor de instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP beantwoordt;

Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; 2.5. Voorschrift 0.9.

Overwegende dat twee reclamanten aanhalen dat het ontwerp van wijziging van het GBP een wijziging had kunnen integreren van algemeen voorschrift 0.9, dat vatbaar is voor interpretatiemoeilijkheden;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat een wijziging van voorschrift 0.9 aan geen enkel motief voor de instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP beantwoordt;

Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; 2.6. Voorschrift 0.10 Gelet op het bezwaarschrift aangaande algemeen voorschrift 0.10. betreffende de herexploitatie van niet-uitgebate gebouwen, waarin wordt gevraagd dat het niet van toepassing zou zijn in de groengebieden;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de vraag tot wijziging van voorschrift 0.10 aan geen enkel motief voor de instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP beantwoordt;

Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat een andere reclamant aanhaalt dat, als gevolg van de wijziging van de inwerkingtreding van het plan door artikel 15 van het besluit, de toepassingsvoorwaarden van algemeen voorschrift 0.10. moeilijk te controleren zijn, in het bijzonder het element "die niet zijn geëxploiteerd gedurende een periode van vijf jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit plan";

Dat de reclamant vraagt dat het behoud van dit voorschrift gepaard zou gaan met de precisering dat de aanvrager op afdoende wijze dient aan te tonen dat de leegstand dateert van vóór 1/05/1996;

Overwegende dat de GOC vraagt dat dit voorschrift zou gepaard gaan met de precisering dat de aanvrager op afdoende wijze dient aan te tonen dat de leegstand dateert van vóór 1/05/1996;

Overwegende dat, behalve de gewijzigde datum van inwerkingtreding van de wijziging van voorschrift 4.4, de datum van de "inwerkingtreding van onderhavig bestemmingsplan", bedoeld in voorschrift 0.10, de datum van inwerkingtreding blijft van het GBP dat werd goedgekeurd op 3 mei 2001;

Dat de datum van inwerkingtreding van de gedeeltelijke wijziging van het plan deze datum niet vervangt;

Dat het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP dit overigens heeft gepreciseerd voor sommige voorschriften;

Dat deze precisering geldt voor alle voorschriften, met uitzondering van voorschrift 4.4 waarvoor de datum uitdrukkelijk werd gewijzigd;

Dat bijgevolg is tegemoet gekomen aan het bezwaarschrift; 2.7. Voorschrift 0.11.

Overwegende dat een reclamant vraagt om algemeen voorschrift 0.11. te herformuleren om het behoud van de ondernemingen toe te staan, zelfs als de milieuvergunning vervallen is;

Gelet op het advies van de GOC om voorschrift 0.11 bij een latere wijziging van het GBP die zou volgen op het GPDO zodanig aan te passen dat de bestaande bedrijven een nieuwe milieuvergunning zouden kunnen aanvragen;

Dat ze het BIM verzoekt om de bedrijven te verwittigen van het feit dat hun milieuvergunning vervalt;

Overwegende enerzijds dat het bezwaar betreffende voorschrift 0.11 betrekking heeft op een problematiek verbonden aan een ander administratief instrument, dat wordt geregeld door de ordonnantie betreffende de milieuvergunningen, en anderzijds dat het niet beantwoordt aan de motieven voor instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat daarom geen gevolg wordt gegeven aan het bezwaarschrift; 2.8. Voorschrift 0.12.

Gelet op de bezwaarschriften betreffende de wijziging van algemeen voorschrift 0.12, 1° ;

Overwegende dat volgens een reclamant de voorgestelde wijziging neigt naar een versoepeling die de creatie toelaat van productieactiviteiten en de verplaatsing van de huisvesting naar het gebied dat grenst aan dat van het beoogde project, en niet langer enkel in het gebied zelf;

Overwegende dat volgens sommige reclamanten de termen "aangrenzend gebied" en "site" vage concepten zijn die geherdefinieerd zouden moeten worden in het glossarium van het plan;

Overwegende dat verschillende gemeenten vragen om modaliteiten in te voeren voor het praktisch beheer van het onderzoek, de aflevering en het toezicht op de uitvoering van twee vergunningen op verschillende percelen, wanneer die met elkaar verbonden zijn op het vlak van het behoud van de woonoppervlakte, vooral wanneer men geconfronteerd wordt met de overdracht naar een aangrenzend gebied dat gelegen is in een andere gemeente, een toestand die zou kunnen leiden tot de overdracht van compensaties tussen twee gemeenten;

Dat men anders zou moeten bepalen dat het "aangrenzend gebied" gelegen moet zijn binnen de gemeentelijke grenzen;

Dat sommige gemeenten oordelen dat het BWRO aangepast moet worden om een "ondubbelzinnig" onderzoek mogelijk te maken van de vergunningsaanvragen die voortvloeien uit de toepassing van voorschrift 0.12;

Overwegende dat enkele reclamanten opmerken dat ook geen rekening werd gehouden met het luik "stedenbouwkundige lasten";

Overwegende dat andere reclamanten, waaronder gemeenten, vragen om de versoepelingsvoorwaarden van het algemeen voorschrift 0.12 te herzien opdat de compensatie voor het verdwijnen van huisvesting geografisch meer beperkt zou blijven en ten goede zou komen aan de wijk in kwestie;

Dat bovendien de gevallen van gebruikswijzigingen zonder bestemmings-wijziging uitgesloten zouden moeten worden van dit voorschrift;

Dat het BROH daarom voorstelt om in punt 1° van voorschrift 0.12 de bewoordingen " van het gebruik of van de bestemming" te schrappen en te vervangen door de bewoordingen "van de bestemming";

Dat bovendien de Gemeente Evere vraagt dat rekening zou worden gehouden met de met redenen omklede gevallen van de dringende afbraak van woningen;

Dat de tekst volgens een reclamant onduidelijk is over de compensatie en dat dit doet vermoeden dat ze kan gebeuren in alle gebieden van het GBP en onder alle voorwaarden;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de tekst van voorschrift 0.12 aan te vullen met de bewoordingen "op voorwaarde dat wordt voldaan aan de bijzondere voorschriften van het geïncrimineerde gebied";

Overwegende dat twee andere reclamanten oordelen dat de verantwoording van de wijziging van voorschrift 0.12. 1°, lid 2, zwak lijkt en enkel één specifiek probleem oplost : de verbouwing van het Gésuklooster tot hotel in Sint-Joost-Ten-Node;

Dat deze twee reclamanten vragen dat dit 2de lid niet zou worden ingevoerd;

Overwegende dat de helft van de leden van de GOC de wijziging voorgesteld door het ontwerp van GBP goedkeuren; dat deze leden menen dat in geval van hoge dichtheid het bouwen moet worden bevoorrecht in een wijk met nog een hoog verdichtingspotentieel;

Dat ze evenwel wijzen op de moeilijkheid om dit voorschrift toe te passen aangezien er twee vergunningen moeten worden verkregen en de grondbeheersing is op een ander terrein niet gegarandeerd is;

Dat ze niet akkoord gaan met de idee om het `grensgebied' te beperken tot de gemeentegrenzen;

Dat ze voorstellen om zich te inspireren op de grenzen van de Wijkmonitoring;

Overwegende dat de andere helft van de leden vraagt om het bouwen in een grensgebied niet toe te laten;

Overwegende dat de Regering het advies van de helft van de leden van de GOC bevestigt en oordeelt dat de voorgestelde wijziging moet worden behouden;

Dat immers, zoals wordt aangehaald door andere leden van de GOC, deze wijziging de bouw van woningen zal toelaten in gebieden met nog een hoog verdichtingspotentieel;

Overwegende dat het huidige voorschrift al praktische moeilijkheden inhoudt om twee vergunningen te verkrijgen;

Dat de invoering van gepaste mechanismen om het verkrijgen van de ene stedenbouwkundige vergunning afhankelijk te maken van het verkrijgen van de andere, niet kan worden geregeld via het bestemmingsplan, maar moet worden behandeld via een wijziging van het BWRO;

Overwegende dat de beperking van het aangrenzende gebied tot de gemeentegrenzen niet opportuun is aangezien woon- en gemengde gebieden zelf het kader van een gemeentegrens mogen overschrijden;

Dat deze opmerking ook geldt voor de grenzen van de wijken opgenomen in de Wijkmonitoring;

Overwegende dat de bewoordingen "van het gebruik of van de bestemming" niet kunnen worden vervangen door de bewoordingen "van de bestemming" zoals wordt voorgesteld door het BROH, aangezien deze termen niet enkel van toepassing zijn op punt 1° van voorschrift 0.12 maar ook op andere punten van dit voorschrift;

Overwegende dat de wijziging die wordt voorgesteld door het ontwerp van GBP van toepassing moet zijn op vele situaties die zich niet beperken tot een punctueel probleem;

Overwegende dat geen gevolg kan worden gegeven aan het bezwaarschrift waarin wordt gevraagd om voorschrift 0.12 aan te vullen met de bewoordingen "op voorwaarde dat wordt voldaan aan de bijzondere voorschriften van het geïncrimineerde gebied", omdat deze toevoeging in tegenspraak zou zijn met algemeen voorschrift 0.1 dat net de gevallen bepaalt waarin de algemene voorschriften, waaronder voorschrift 0.12, van toepassing zijn naast de bijzondere voorschriften; dat de voorgestelde wijzigingen voor voorschrift 0.12, punt 1°, geen wijziging rechtvaardigen van het algemeen systeem dat wordt ingevoerd door algemeen voorschrift 0.1;

Overwegende dat de Regering bijgevolg het advies van een deel van de leden van de GOC volgt en oordeelt dat de voorgestelde wijziging voor punt 1° van voorschrift 0.12 moet worden behouden;

Gelet op de bezwaarschriften waarin wordt gevraagd om lid 12° uit voorschrift 0.12 te verwijderen, omdat het percentage van 45 % dat kan worden bestemd voor kantoren overdreven lijkt en omdat de limiet van 200 m² toegestane kantooroppervlakte per woning eveneens buiten proportie is;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de wijziging van het GBP geen wijziging van voorschrift 0.12, punt 2° voorstelt, dat de schrapping van dit punt niet lijkt te beantwoorden aan de doelstellingen van het besluit tot instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP die beoogt om de economische activiteiten van welke aard ook, dus ook deze die thuis worden uitgeoefend, niet in het gedrang te brengen;

Dat overigens in de algemene voorschriften de vloeroppervlakte niet wordt uitgedrukt in m² maar in een % om zich te kunnen aanpassen aan de vele concrete gevallen;

Dat de Regering daarom het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat een andere reclamant het onontbeerlijk acht om algemeen voorschrift 0.12.2° uit te breiden tot alle activiteiten die thuis kunnen worden uitgeoefend zonder de huisvesting aan te tasten, aangezien al die activiteiten volkomen verenigbaar zijn met huisvesting en er aanvullend op kunnen zijn en aangezien de aanmoediging van thuiswerk ook sterk bijdraagt tot de vermindering van de verplaatsingen met particuliere voertuigen;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat de GOC wel voorstelt om ze te analyseren in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat de kwestie thuiswerk niet wordt onderzocht in het kader van onderhavige wijziging van het GBP en niet beantwoordt aan de motieven voor instelling van deze gedeeltelijke wijziging;

Dat de Regering bijgevolg het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat dezelfde reclamant een bezwaarschrift heeft ingediend met betrekking tot voorschrift 0.12. lid 1 5° en vraagt om te preciseren dat de aldus aangelegde groene ruimten dezelfde verordenende waarde krijgen als de parkgebieden zoals gedefinieerd in bijzonder voorschrift 12;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Gelet op de bezwaarschriften met betrekking tot de wijziging van voorschrift 0.12, lid 1 7° ;

Overwegende dat een reclamant deze wijziging positief vindt, maar zich vragen stelt bij de overeenstemming tussen het gewijzigde voorschrift 0.12 en voorschrift 22, dat in het lintvoor handelskernen de bestemming van de verdiepingen voor handelszaken toestaat als de plaatselijke omstandigheden dat toelaten en na speciale regelen van openbaarmaking;

Overwegende dat de KCML, het BROH en de gemeente Elsene oordelen dat de wijziging de bezetting van de leegstaande woningen boven de handelszaken toelaat;

Overwegende dat sommige gemeenten oordelen dat dit voorschrift te beperkend is; dat het niet mogelijk zal zijn ervan af te wijken en dat het geen rekening houdt met de typologie van sommige wijken en gebouwen;

Dat krachtens artikel 9 van Titel I van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening een aparte ingang naar de verdiepingen niet verplicht is wanneer de gevelbreedte minder dan 6 m bedraagt; dat de gemeente Jette vraagt dat het voorschrift zou preciseren dat de breedte van het betreffende gebouw dit moet toelaten;

Dat de gemeenten Sint-Gillis en Ukkel vragen dat het GBP een zekere soepelheid aan de dag zou leggen om de coherentie te garanderen met de geldende gewestelijke stedenbouwkundige verordening;

Overwegende dat de gemeenten Sint-Jans-Molenbeek en Sint-Gillis vragen om, via speciale redenen van openbaarmaking, de oprichting of uitbreiding van een handelszaak in een lint voor handelskernen toe te staan op de bovenverdiepingen;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht en twee andere reclamanten oordelen dat deze wijziging indruist tegen de algemene doelstelling van het plan om de huisvesting te ontwikkelen en de woonfunctie te beschermen, aangezien ze meer mogelijkheden biedt voor de uitbreiding of inrichting van een handelszaak ten koste van huisvesting;

Dat ze vragen om het voorschrift niet te wijzigen;

Overwegende dat volgens andere reclamanten een handelszaak de mogelijkheid moet blijven krijgen om haar activiteiten uit te breiden buiten de benedenverdieping of de 1ste verdieping van een gebouw;

Dat het GBP, door een bestaande handelszaak te verhinderen om uit te breiden naar de verdiepingen boven de eerste verdieping, de groei en rentabiliteit belemmert van een dynamische handelszaak die dan moet beslissen om hetzij niet uit te breiden, hetzij de wijk te verlaten;

Dat ze vragende partij zijn voor het behoud van het huidige voorschrift van het GBP 2001 0.12, 7° ;

Overwegende dat de GOC voorstelt om het ontwerp van GBP te amenderen en het gebruik van de eerste verdieping van de handelszaak te onderwerpen aan speciale maatregelen van openbaring;

Dat ze aanbeveelt om een beleid te voeren dat aanmoedigt om de verdiepingen van gebouwen waar op het gelijkvloers een handelszaak is gevestigd te gebruiken voor huisvesting;

Overwegende de vraag van een reclamant over de overeenstemming tussen voorschrift 0.12, 7° en voorschrift 22;

Dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de toepassingsgebieden van deze beide voorschriften;

Dat voorschrift 0.12 immers enkel van toepassing is wanneer huisvesting in bepaalde gebieden wordt geschrapt;

Dat de Regering om deze toepassings-gebieden te verduidelijken, beslist de cumulatieve toepassing van voorschrift 0.12, 7°, uit te breiden tot de bijzondere voorschriften via een wijziging van het algemeen voorschrift 0.1.;

Overwegende dat, in antwoord op het bezwaarschrift van de gemeente Anderlecht, de voorgestelde wijziging beantwoordt aan de algemene doelstelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP die erin bestaat om de woonfunctie te ontwikkelen en te beschermen; Dat immers voorschrift 0.12, punt 7° van het huidige GBP toelaat om woningen te schrappen op alle bovenverdiepingen van een gebouw teneinde er een handelszaak in te planten; dat bijgevolg het voorstel tot wijziging om de inplanting van handelszaken enkel te beperken tot het gelijkvloers en de eerste verdieping, beantwoordt aan de doelstelling om de woonfunctie te beschermen en te ontwikkelen;

Overwegende dat de bezwaarschriften betreffende de typologie van de gebouwen binnen het kader van de GSV vallen en niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Dat de analyse van de vergunnings-aanvragen gebeurt op grond van alle verordenende bepalingen, zowel van het GBP als van de GSV;

Overwegende dat, in antwoord op de bezwaarschriften en het advies van de GOC om de organisatie van speciale regelen van openbaarmaking op te leggen, de Regering opmerkt dat lid 1 van voorschrift 0.12 deze maatregelen al oplegt voor de toepassing van heel voorschrift 0.12;

Dat dus wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren betreffende dit punt;

Overwegende dat het, wat de dynamiek van een wijk betreft, nuttig is om te herhalen dat dit voorschrift zich niet tot doel stelt om de bestaande handelszaken te beschermen, maar wel de gebouwen die momenteel zijn bestemd voor huisvesting; dat bijgevolg niet kan worden gesteld dat de voorgestelde wijziging deze dynamiek zou verminderen;

Dat, tot besluit en in het licht van wat voorafgaat, de wijziging voorgesteld door het ontwerp van plan wordt behouden;

Gelet op de bezwaarschriften met betrekking tot de toevoeging van het OGSO aan de gebieden die onderworpen zijn aan voorschrift 0.12, om daar de huisvesting te beschermen;

Dat een reclamant aanhaalt dat de toevoeging van de OGSO in dat voorschrift niet nodig is aangezien in de vroegere GSI, die aan de basis liggen van de OGSO, de bestaande huisvesting slechts aanvullend was;

Overwegende dat deze toevoeging aan voorschrift 0.12 indruist tegen het gemengd karakter en verhindert dat de OGSO gebieden met een economische bestemming blijven;

Dat het ontwerp van wijziging van het GBP alle inspanningen om het aantal woningen te doen toenemen toespitst op enkel de gebieden waar productieactiviteiten terechtkunnen en die nog maar een gering percentage van de oppervlakte van het Gewest vertegenwoordigen;

Dat bovendien het onomkeerbare karakter van de conversie in huisvesting een latere wijziging ten voordele van de productieactiviteiten onmogelijk maakt;

Dat deze reclamanten vragen dat de vermelding van het OGSO niet zou worden toegevoegd in voorschrift 0.12, omdat het een sterke aderlating voor de productieactiviteiten zou betekenen;

Dat, voor één van deze reclamanten, dat kritische verzet zou kunnen worden opgeheven als de GSI in de buurt van het kanaal behouden zouden blijven en indien de andere GSI, die worden omgevormd tot OGSO, gecompenseerd zouden worden door nieuwe GSI;

Gelet op het advies van de GOC om de OGSO niet te integreren in het eerste lid van voorschrift 0.12, om de vervanging van economische activiteiten door huisvesting niet onomkeerbaar te maken en een onderscheid te maken tussen de SGG en de OGSO, in die zin dat de huisvesting zou zijn beschermd in de SGG en niet in de OGSO;

Overwegende dat de toevoeging van het OGSO in het eerste lid van voorschrift 0.12 bedoeld is om de woningen te beschermen die in deze gebieden worden gecreëerd;

Overwegende dat de Regering de ontwikkeling van huisvesting binnen de OGSO wil bestendigen, net als in de andere gebieden die zijn bestemd voor huisvesting;

Overwegende dat het nuttig is om te herhalen dat slechts 16 % van de GSI wordt omgevormd tot OGSO in het ontwerp van GBP; dat heel wat ruimten dus hoofdzakelijk voorbehouden blijven voor industriebedrijven; dat de OGSO niet enkel worden ingeplant in gebieden die momenteel bestemd zijn als GSI; dat het ontwerp van wijziging van het GBP bijgevolg niet alle inspanningen om het aantal woningen te doen toenemen toespitst op enkel de gebieden waar de productieactiviteiten terechtkunnen;

Dat sommige gebieden die worden omgevormd tot OGSO gebieden zijn waar huisvesting al toegelaten is, zoals de SGG die meer dan een kwart van de nieuwe OGSO vertegenwoordigen; dat het niet opnemen van OGSO in het eerste lid van voorschrift 0.12 dus zou neerkomen op het verminderen van de bescherming van de huisvesting; dat dit in tegenspraak zou zijn met de motieven voor instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de Regering bijgevolg deze wijziging behoudt;

Gelet op de bezwaarschriften waarin wordt gevraagd om een voorschrift 0.12 bis in te voeren om de economische activiteiten in de SGG, de OGSO en de GSI te beschermen en die te kunnen compenseren wanneer ze afgeschaft worden, ook in het GGBua;

Dat de reclamanten, om de afschaffing van economische activiteiten te kunnen compenseren, vragen dat men er zich eerst van zou vergewissen dat er voldoende beschikbare ruimte overblijft voor de economische activiteiten; dat ze opmerken dat er tussen het Gewestplan van 1979 en het GBP van 2001 ongeveer 106 ha industriegebieden van bestemming werden gewijzigd zonder dat daarvoor ooit enige compensatie werd geboden;

Dat bovendien de huidige voorgestelde wijziging van GBP in de transformatie voorziet van bijna 120 ha gebied voor stedelijke industrie in OGSO, waar huisvesting toegestaan kan worden;

Gelet op het advies van de GOC die verwijst naar haar advies betreffende de OGSO en meer bepaald naar het punt betreffende de bewaringsmechanismen voor de bestaande bedrijven;

Overwegende enerzijds dat de gebieden voor economische activiteiten (GSI, SGG, GHV) in het GBP van 2001 1.287,4 ha vertegenwoordigen en in het gewijzigde ontwerp van GBP, samen met de OGSO, 1.309 ha, dwz dat de oppervlakte waar de inplanting van economische activiteiten mogelijk is wordt opgevoerd;

Dat anderzijds het voorwoord van het ontwerp van GBP stelt dat een lijst van de productieactiviteiten van meer dan 1 000 m² werd opgemaakt waaruit blijkt dat ongeveer 700 000 m² vloeroppervlakte van werkhuizen en opslagplaatsen niet wordt gebruikt; dat deze studie duidelijk aantoont dat de oppervlaktes die worden ingenomen door productieactiviteiten in het Brussels Gewest tussen 1997 en 2011 sterk is gedaald (met 17 %);

Dat, in het licht van wat voorafgaat en gezien het feit dat de aanwezigheid van economische activiteiten in de OGSO wordt opgelegd zodra een project 10 000 m² inneemt, de voorgestelde wijzigingen voldoende zijn om te beantwoorden aan de doelstelling van het besluit tot instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP om te voldoen aan de woningbehoeften met vrijwaring van de economische activiteiten;

Dat de Regering bijgevolg oordeelt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het bezwaarschrift;

Dat bovendien, en met name voor het punt betreffende het bewaringsmechanisme van de bestaande bedrijven, moet worden verwezen naar de antwoorden op de bezwaren betreffende deze aspecten in punt 3.2.3.;

Overwegende dat het BROH eveneens de wijziging voorstelt van punt 9° van algemeen voorschrift 0.12, lid 1; dat namelijk enerzijds de omschrijving "die daarvoor is ontworpen" zou moeten worden toegelicht en anderzijds zou moeten worden gepreciseerd dat de oprichting of uitbreiding van een handelszaak enkel toegestaan is op het de benedenverdieping en op de eerste verdieping, wat strookt met hetgeen wordt voorzien door de bijzondere voorschriften;

Overwegende dat de GOC verwijst naar de incoherentie in het voorschrift, tussen punt 7° dat werd gewijzigd en punt 9° dat niet werd gewijzigd, aangezien punt 9° permissiever is;

Dat de GOC vraagt om dit punt te schrappen bij een toekomstige wijziging van het GBP die zou volgen op het GPDO;

Overwegende dat de vraag om precisering van de woorden "die daarvoor is ontworpen" niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat het advies van het BROH en de GOC betreffende de incoherentie tussen het gewijzigde punt 7° en punt 9° niet kan worden gevolgd;

Dat immers het gewijzigde punt 7° betrekking heeft op de gevallen waarin een handelszaak wordt opgericht of uitgebreid in een lint van handelskernen, en punt 9° op dezelfde gevallen buiten een lint van handelskernen;

Dat het volkomen gerechtvaardigd lijkt om in een lint van handelskernen soepeler op te treden door de inplanting van handelszaken op het gelijkvloers en op de 1ste verdieping toe te laten en om handelszaken buiten het lint van handelskernen enkel toe te laten op het gelijkvloers;

Dat daarom geen gevolg wordt gegeven aan het bezwaarschrift;

Overwegende dat de gemeente Jette vraagt om bijkomende wijzigingen aan te brengen in algemeen voorschrift 0.12;

Dat ze vraagt om de afschaffing van een woning toe te staan om de inplanting mogelijk te maken van de kantoren van een onderneming waarvan de uitbater een andere woning in hetzelfde gebouw betrekt;

Dat ze tevens vraagt om de afschaffing van een woning toe te staan om de inplanting van een jeugdherberg mogelijk te maken, aangezien die niet kan worden gelijkgeschakeld met andere hotelinrichtingen;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat de gemeente Sint-Joost-Ten-Node vraagt om, voor de gemeenten die reeds meer dan 15 % sociale woningen hebben en waar de bevolkingsdichtheid veel hoger is dan het gewestelijk gemiddelde, te voorzien in mogelijke afwijkingen van algemeen voorschrift 0.12., om bepaalde types van economische activiteiten te promoten die verenigbaar zijn met de huisvesting;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat, zoals reeds gezegd, het GBP gen aspecten kan regelen die verbonden zijn aan de sociale gemengdheid of verdichting; dat daarom geen gevolg kan worden gegeven aan het bezwaarschrift;

Overwegende dat een reclamant, om rechtszekerheid te garanderen voor de bestaande ondernemingen, vraagt om een bewaringsclausule in te voeren die voor bestaande ondernemingen hun behoud en bepaalde uitbreidingsmogelijkheden op hun huidige site garandeert;

Gelet op het advies van de GOC dat verwijst naar haar advies betreffende de OGSO en meer bepaald naar het punt betreffende het bewaringsmechanisme voor de bestaande bedrijven;

Overwegende dat de Regering verwijst naar haar antwoord betreffende het bewaringsmechanisme voor de bestaande bedrijven in punt 2.1, algemeenheden en in punt 3.2.3. OGSO; 2.9. Voorschrift 0.14.

Overwegende dat de Stad Brussel vraagt om de KaSTK te wijzigen met een vermindering van de kantooroppervlaktes om de reconversie in huisvesting te bevorderen;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat ze evenwel vraagt om ze te analyseren in het kader van het GPDO en van een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt, en een globale bezinning vergt die verder gaat dan het voorwerp van onderhavige wijziging; dat het immers niet gegarandeerd is dat een wijziging van de KaSTK de reconversie van kantoren in woningen zou bevorderen; dat een wijziging van de mazen van het KaSTK een dergelijke reconversie niet verplicht zou maken, terwijl voorschrift 0.9 het behoud en de uitbreiding van de kantoren toelaat los van het KaSTK; dat evenmin de renovatie tot woningen zou kunnen worden verplicht vanwege enerzijds de toepassing van voorschrift 0.9 en anderzijds het feit dat voorschrift 0.14 geen betrekking heeft op de handelingen en werken verbonden aan een renovatie; dat daarom geen gevolg kan worden gegeven aan het bezwaarschrift; 2.10. Voorschrift 0.16 Gelet op de bezwaarschriften waarin wordt gevraagd om de reikwijdte van punt 3, lid 2 van het nieuwe algemeen voorschrift 0.16 te preciseren : "er wordt in het bijzonder rekening gehouden met de noodzaak om een voldoende afstand te bewaren", en gelet op de bezwaarschriften waarin wordt gevraagd om de veiligheidsperimeters te preciseren op grond van het type Seveso-inrichting;

Overwegende echter dat een deel van de ESRBHG en verschillende reclamanten van oordeel zijn dat het verstandig zou zijn om de analyse van de vereiste afstanden geval per geval over te laten aan de vergunnende overheden, en niet algemeen te bepalen in het GBP;

Overwegende dat de gemeenten Ganshoren, Jette en Anderlecht vaststellen dat er een conflict is tussen voorschrift 0.16 en de keuze van bepaalde OGSO nabij Seveso-sites;

Overwegende dat het BIM blij is met de creatie van voorschrift 0.16; dat het BIM en een reclamant evenwel vragen om een bewaringsclausule te voorzien om het industrieel weefsel niet in gevaar te brengen;

Dat het BIM voorstelt om de volgende clausule toe te voegen, achter het eerste lid van artikel 2 van het besluit van 29 maart 2012 : "deze voorwaarde is niet van toepassing op bestaande inrichtingen die in de toekomst als Seveso-bedrijf geklasseerd zouden worden ingevolge een wijziging van de Europese wetgeving";

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het dossier met de analyse en de conclusies betreffende de naleving van de voorwaarden 2° en 3°, punten 2 en 3 van lid 2 van voorschrift 0.16, deel zou uitmaken van het dossier dat wordt onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking;

Overwegende dat een reclamant vraagt, zoals ook het MER aanbeveelt, om in de voorgestelde bestemmingswijzigingen rekening te houden met de inrichtingen die in de toekomst als Seveso-bedrijf geklasseerd zouden kunnen worden ingevolge een wijziging van de wetgeving;

Overwegende dat een reclamant vraagt om een bijkomend en grondig MER te realiseren en dat te onderwerpen aan een nieuw openbaar onderzoek, om dan met kennis van zaken de gebieden die grenzen aan de COTANCO II-site, te bestemmen in OGSO; dat een milieuvergunning werd afgeleverd voor deze activiteiten tot 20 december 2022;

Dat de twee COTANCO-depots de enige opslagen distributiedepots voor aardolieproducten zijn ten zuiden van Brussel;

Dat de reclamant eveneens wijst op de aanwezigheid in de buurt van een bovengrondse pompinstallatie voor aardgas onder hoge druk, die toebehoort aan de NV Fluxys, wat onverenigbaar is met de nabijheid van een OGSO;

Dat de reclamant oordeelt dat de potentiële onverenigbaarheden tussen het behoud van de COTANCO-sites en de creatie van de OGSO niet correct werden geanalyseerd;

Dat de reclamant van mening is dat het MER geen alternatieven of mogelijke pistes voor oplossingen heeft voorgesteld (bufferzones enz....);

Gelet op het advies van de GOC die de opstelling van voorschrift 0.16 goedkeurt en het verstandig acht om de analyse van de gepaste afstanden geval per geval toe te vertrouwen aan de overheden die de vergunningen afleveren;

Dat de GOC de bezorgdheid van sommige reclamanten deelt over de implicaties van de evolutie van de wetgeving ter zake, de Seveso-criteria zullen immers meer bedrijven betreffen dan nu het geval is;

Dat ze evenwel wijst op het feit dat de bewaringsclausule die is voorzien in voorschrift 0.9 van het GBP de bestaande bedrijven toelaat om hun activiteiten voort te zetten en uit te breiden en dat het eerste lid van voorschrift 0.16 enkel van toepassing is bij de inplanting van nieuwe inrichtingen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en voorschrift 0.16 ongewijzigd laat;

Overwegende dat het MER de problematiek van het bestaan van twee Seveso-inrichtingen (COTANCO I en II), waarvan de veiligheidsperimeters gedeeltelijk de OGSO-pool "Biestebroeck" dekt, heeft onderzocht;

Dat het bijgevolg niet nodig is om een aanvullend MER te realiseren;

Dat de Regering, zoals het MER voorstelt, zich moet bezinnen over een reorganisatie, op termijn, van de Seveso-sites; 3. Bijzondere voorschriften 3.1. Woongebieden met residentieel karakter en woongebieden 3.1.1. Voorschriften (algemeen) Overwegende dat twee reclamanten vragen dat de termen "per gebouw" en "per project en per gebouw" zouden worden vervangen door de term "per project" en voorstellen de definitie te ervan herzien;

Dat deze vraag met name gemotiveerd is vanuit de dubbelzinnigheid die voortvloeit uit het feit dat een project meerdere gebouwen kan omvatten en vanuit de zorg om het "verkappen" van projecten te vermijden;

Overwegende dat de GOC van mening is dat het nodig is om het glossarium van het GBP te herzien en aan te vullen en de begrippen van project en van gebouw te verduidelijken;

Dat ze evenwel van mening is dat deze bekommernissen niet kaderen in de wijzigingen die worden voorgesteld in onderhavig ontwerp van GBP;

Dat ze doet opmerken dat deze vraag moet worden bestudeerd in het kader van het GPDO en van een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat het antwoord op deze opmerkingen gegeven werd in hoofdstuk 2.1. Algemeenheden;

Dat hieruit blijkt dat het begrip van gebouw nu al gedefinieerd is in het glossarium van het GBP;

Dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in de huidige wijziging van het GBP en een globale beschouwing vereist, die haar voorwerp overstijgt;

Overwegende dat een reclamant vraagt om, voor elk van de bestemmingen, maximumquota per huizenblok te bepalen, en meer bepaald voor de hotelfunctie, om de zwakke functies, zoals voorzieningen en productieactiviteiten, te beschermen;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de voorschriften 1.5., 2.5., 3.5. en 4.5. te preciseren, in het bijzonder de begrippen "verenigbaarheid met wonen" en "continuïteit van het wonen", door quota per huizenblok te bepalen volgens de gebieden, om verschillende interpretaties van deze voorschriften te vermijden;

Overwegende dat een reclamant, met de bedoeling om het patrimonium en de stedenbouwkundige kenmerken van de wijken te beschermen, vraagt om de dalende hotelcapaciteit in het centrum van het Gewest en zijn eerste kroon te herzien;

Dat hij bovendien vraagt dat er een specifiek voorschrift wordt ingevoerd, dat de afbraak van bebouwing van vóór 1950 met het oog op de aanleg of de uitbreiding van hotels verbiedt;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de toepassing van het voorschrift 1.3. te herzien om de toepassing ervan in het geval van vergunningen betreffende gebouwen met een specifieke configuratie te versoepelen;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de gevallen waarin vergroting van de kantooroppervlakte boven de voorgeschreven maxima wordt toegestaan (voorschrift 2.2.) te beperken, omdat de voorwaarde betreffende sociale en economische redenen te vaag is en gemakkelijk wordt gehaald;

Dat hij vraagt dat deze mogelijkheid zou worden beperkt tot de renovatie van bestaande gebouwen, in overeenstemming met hun bestaande capaciteiten, hun typologie en hun structuur;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de mogelijkheid om de verdiepingen aan handelszaken te bestemmen buiten de linten voor handelskernen te verbieden (uitgezonderd bestaande situaties of precieze typologieën) om geen schade te berokkenen aan de bestaande handelszones en de huisvesting;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de mogelijkheid om het aantal hotelkamers in het gebied tot boven de voorgeschreven maxima op te trekken te beperken tot de renovatie van bestaande gebouwen, in overeenstemming met hun typologie en hun structuur;

Overwegende dat een reclamant vraagt om het voorschrift 0.12 van het GBP betreffende de dienstenactiviteiten in de woongebieden te versoepelen om de afschaffing of de wijziging van een woning toe te laten voor dienstenactiviteiten (type vrije beroepen) van meer dan 75 m², gezien deze bestemmingen verenigbaar zijn met de residentiële functie en er een aanvulling op kunnen betekenen;

Overwegende dat de KCML en de gemeente Elsene vragen om een grotere gemengdheid toe te laten in de woongebieden om er de reconversie van bestaande bebouwing binnen een huizenblok en hun gebruik als kantoor en/of voor de vervaardiging van immateriële goederen aan te moedigen;

Dat ze vragen om het voorschrift 2.5. in die zin te herzien;

Dat dit met name een fijnere vorm van gemengdheid en de nabijheid tussen wonen en werken in de hand zou werken;

Overwegende dat het BROH, in een context van verdichting van de stad, vraagt om te zorgen voor een zeker percentage openbare voorzieningen en buurtvoorzieningen om te beantwoorden aan de behoeften van de bewoners (bijvoorbeeld een percentage per project);

Dat het BROH en andere reclamanten vragen om de drempels van de toegestane oppervlaktes voor handelszaken in woongebieden met een overwegend residentieel karakter te herzien, gezien deze functie aanvullend is op de huisvesting;

Dat deze reclamanten voorstellen formuleren in termen van oppervlakte, te bestemmen voor de handel in elk project en per gebouw;

Overwegende dat de GOC meerdere van deze opmerkingen deelt, in het bijzonder de vraag om de oppervlaktedrempels van de bestemming in de verschillende gebieden te herzien;

Dat ze vraagt om in het glossarium de buurtvoorzieningen van de andere publieke voorzieningen te onderscheiden;

Dat ze evenwel van mening is dat deze bezorgdheden niet kaderen in de wijzigingen die in onderhavig ontwerp van GBP zijn opgenomen;

Dat ze vraagt dat deze opmerkingen worden geanalyseerd in het kader van het GPDO en van een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat het GBP de voorschriften per gebied en niet per huizenblok bepaalt;

Dat de voorschriften 1.4. en 2.4. nu al onrechtstreeks de oppervlakte van de hotels beperken door de maximale capaciteit in termen van kamers te beperken;

Dat de hotelfunctie een secundaire functie is en dus de hoofdfunctie niet mag aantasten;

Dat het bijgevolg niet nodig blijkt om quota per huizenblok vast te leggen;

Overwegende dat de voorschriften 1.5., 2.5., 3.5. en 4.5. erop gericht zijn om algemene voorwaarden voor de toepassing van de voorschriften voor woongebieden en gemengde gebieden te definiëren;

Dat ze met name mikken op de handelingen en werken op het binnenterrein van het huizenblok, de stedenbouwkundige kenmerken i.v.m. het omgevende stedelijke kader, de verenigbaarheid van de activiteiten met de huisvesting en de continuïteit van het wonen;

Dat deze algemene overwegingen niet noodzaken tot het bepalen van quota per huizenblok;

Dat het onderzoek van deze begrippen, zoals reeds gesteld in deel 2.1.

Algemeenheden, zal worden uitgevoerd door de administratieve overheid die de stedenbouwkundige vergunning aflevert, gelet op het begrip van goede plaatselijke ordening;

Dat een definitie van deze termen niet aangewezen lijkt, gezien de variabele context van de projecten; dat het GBP dientengevolge geen rekening kan houden met alle facetten en variaties waarmee deze termen kunnen worden gepreciseerd;

Dat dit bezwaar niet kan worden gevolgd;

Overwegende dat de bescherming van het erfgoed onder een specifiek beleid valt;

Dat de bescherming van de gebouwen van vóór 1932 evenwel verzekerd is inzoverre dat deze automatisch worden beschouwd ingeschreven te zijn in de inventaris van het onroerend erfgoed van het Gewest (BWRO, art. 333), wat met zich brengt dat de Overlegcommissie verplicht een advies moet verstrekken voor elke aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning voor die gebouwen (BWRO, art.207);

Dat de bescherming van recentere gebouwen niet onder onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat het GBP geen specifieke voorschriften bevat op schaal van het perceel; dat het de problemen met specifieke typologieën niet kan oplossen; dat deze elementen op een precieze manier worden geanalyseerd op het niveau van de stedenbouwkundige vergunningen;

Dat deze klacht niet in onderhavige wijziging van het GBP kadert;

Overwegende dat de vergroting van de kantooroppervlakte, voorzien in het voorschrift 2.2., moet beantwoorden aan meerdere voorwaarden, waaronder het feit dat ze de hoofdfunctie van het gebied, namelijk huisvesting, niet mag aantasten;

Dat een wijziging van dit voorschrift bijgevolg niet noodzakelijk blijkt;

Dat deze vraag, zoals de GOC doet opmerken, bovendien niet onder onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat het voorschrift 0.12, 7° gewijzigd werd om de afschaffing van woningen voor het gebruik door een handelszaak in een lint voor handelskernen te beperken tot de gelijkvloerse en de eerste verdieping van de gebouwen;

Dat deze wijziging bijgevolg tegemoetkomt aan dezelfde bezorgdheden als de voorwaarden die aan de basis liggen van de voorschriften 1.3. en 2.3., te weten de bestemming van de gelijkvloerse en eerste verdieping van de gebouwen beperken tot de handel; Dat de samenhang tussen deze bepalingen dus geen aanleiding geeft tot wijziging van de voorschriften 1.3. en 2.3.;

Dat er voor de rest verwezen wordt naar de opmerkingen, gemaakt in deel 2.1. Algemeenheden;

Overwegende dat de mogelijkheid om het aantal hotelkamers op te trekken al beperkt is, aangezien dit alleen toegestaan is via voorschrift 2.4. en niet via 1.4.; Dat er dus een verschil wordt gehanteerd tussen de woongebieden met residentieel karakter en de woongebieden;

Dat de verhoging van het aantal kamers, voorzien door voorschrift 2.4., zelf beperkt is, enerzijds door een maximaal aantal kamers en anderzijds door de verplichting om te voldoen aan de verplichtingen van voorschrift 2.5., dat de continuïteit van het wonen oplegt;

Dat deze vraag overigens het kader van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP overstijgt, zoals de GOC doet opmerken;

Overwegende dat de regering verwijst naar haar opmerkingen in deel 2.1. Algemeenheden wat betreft het voorschrift 0.12 voor dienstenactiviteiten;

Dat hieruit hoofdzakelijk blijkt dat deze vraag het kader van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP overstijgt;

Overwegende dat de bestaande gebouwen op het binnenterrein van een huizenblok profiteren van de bewaringsclausule (voorschrift 0.9 van het GBP); dat ze dus het voorwerp kunnen zijn van verbouwingswerken, ingrijpende renovatiewerken of afbraak- en wederopbouwwerken en dat ze ook het voorwerp kunnen zijn van een vergunning voor wijziging van gebruik of van bestemming, toegestaan in de voorafgaande vergunning binnen de grenzen die in dit voorschrift 09 gedefinieerd zijn;

Dat de regering voor het overige het advies van de GOC volgt en van mening is dat deze vragen niet in onderhavige wijziging van het GBP kaderen;

Overwegende dat de regering verwijst naar haar opmerkingen, gemaakt in deel 2.1. Algemeenheden wat betreft de buurtvoorzieningen;

Dat hieruit blijkt dat deze vraag een globale beschouwing vereist, die het kader van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP overstijgt; Dat hetzelfde geldt voor de problematiek van de buurthandelszaken; 3.2. Gebieden met gemengd karakter 3.2.1. Gemengd gebied a. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant vindt dat het ontwerp van GBP geen betere bescherming biedt voor de productieactiviteiten in de gebieden met gemengd karakter; Overwegende dat het besluit van 20 januari 2011 dat de procedure opent voor een gedeeltelijke wijziging van het GBP en dat de inplanting van woningen en schoolvoorzieningen wil bevorderen in de verschillende bebouwbare gebieden van het GBP, evenwel met behoud van de ruimten met een economische bestemming;

Dat het GBP niet is gewijzigd wat de voorschriften betreft in verband met de productieactiviteiten binnen de gebieden met gemengd karakter; dat dit niet aan de orde was in onderhavige wijziging; b. Voorschrift 3.1.

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het voorschrift een percentage economische activiteiten zou opleggen binnen het kader van het voorschrift 3.1., en wel op zijn minst voor de reconversieprojecten met een vloeroppervlakte van minimaal 3500 m²;

Overwegende dat de GOC het niet aangewezen acht om dat voorschrift te wijzigen;

Dat het gemengde karakter immers doeltreffend werkt in bepaalde gemengde gebieden en dat die waar dat niet zo is, doorgaans onherroepelijk zijn ingepalmd door huisvesting; dat het invoeren van percentages voor de economische activiteiten wellicht geen invloed zal hebben op de feitelijke toestand in de gemengde gebieden;

Overwegende dat het gemengde gebied een gebied is met huisvesting als hoofdbestemming;

Dat de economische activiteiten er een secundaire bestemming zijn;

Dat zij geen afbreuk mogen doen aan de hoofdfunctie;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat zij het niet aangewezen acht het voorschrift te wijzigen; c. Voorschrift 3.2.

Overwegende dat een reclamant vraagt om de kantoor- en handelsoppervlakten te herbekijken en te verlagen om te beantwoorden aan de vereisten van voorschrift 3.5., meer bepaald door maximaal toelaatbare oppervlakten in te voeren in de Vijfhoek en de Eerste Kroon (nauwe percelen);

Dat andere reclamanten vragen om de mogelijkheid om kantooroppervlakten te vergroten te beperken tot bestaande gebouwen, in overeenstemming met hun capaciteit en typologie;

Dat er in feite een gebrek is aan beoordelingscriteria voor de toepassing van de voorwaarden gestipuleerd in voorschrift 3.2. om een uitbreiding van de vloeroppervlakten toe te staan;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet passen in het kader van de voorgestelde wijzigingen in het ontwerp van GBP;

Dat zij evenwel vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GPDO en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat het GBP bepaalt welke bestemmingen toegelaten zijn in de verschillende gebieden;

Dat het GBP niet tot doel heeft om verschillende toepassingen van de voorschriften te bepalen binnen eenzelfde gebied, afhankelijk van de geografische ligging van de huizenblokken binnen het Brussels gewest;

Dat de beperking van handel en kantoren in de Vijfhoek en de Eerste Kroon een wijziging van de bestemming van de huizenblokken zou vergen;

Dat er wordt verwezen naar de overwegingen onder punt 3.1. (voorschriften van de woongebieden met residentieel karakter en woongebieden);

Dat daaruit blijkt dat het onderzoek van de voorwaarden van voorschrift 3.5. van het GBP van geval tot geval wordt bekeken, op het moment van de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen;

Dat hetzelfde geldt voor de toepassing van de voorwaarden aangehaald in voorschrift 3.2.;

Dat het GBP de voorwaarden ervan dan ook niet kan preciseren;

Dat er geen gevolg kan worden gegeven aan dit bezwaar;

Dat de Regering voor het overige het advies van de GOC volgt in die zin dat deze vragen niet passen in het kader van onderhavige wijziging van het GBP; d. Voorschrift 3.3.

Overwegende dat een reclamant vraagt om het niet langer mogelijk te maken verdiepingen voor handelszaken te bestemmen buiten de linten voor handelskernen (behoudens bestaande toestanden of bepaalde typologieën), teneinde de bestaande handelszaken en de woonfunctie niet te benadelen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag pertinent is en vraagt aan de Regering om voorschrift 3.3. in die zin te wijzigen;

Dat de uitbreiding van een handelszaak buiten het lint voor handelskernen de aanwezigheid van woningen op de bovenverdiepingen van de gebouwen immers kan beperken;

Dat handelszaken van een zekere omvang moeten worden geconcentreerd in de linten voor handelskernen;

Overwegende dat het GBP toestaat om de bovenverdieping voor handel te bestemmen voor zover de plaatselijke voorwaarden dat toelaten en na speciale maatregelen van openbaarmaking;

Dat de naleving van deze voorwaarden van geval tot geval wordt onderzocht door de administratieve overheid die de stedenbouwkundige vergunningen aflevert;

Dat bovendien wordt verwezen naar de overwegingen gestipuleerd onder punt 3.1. (voorschriften van de woongebieden met residentieel karakter en woongebieden); e. Voorschrift 3.4.

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de mogelijkheid om het aantal hotels te vermeerderen tot boven het voorgeschrevene voor het gebied zou worden beperkt tot de renovatie van bestaande gebouwen, in overeenstemming met hun typologie en structuur;

Dat deze reclamant vraagt om de capaciteiten te herbekijken en te verlagen teneinde te beantwoorden aan de vereisten van voorschrift 3.5.;

Dat deze reclamant eveneens vraagt om een specifiek voorschrift in te voeren dat de afbraak verbiedt van de bestaande bebouwing van voor 1950 met het oog op de oprichting of uitbreiding van hotels;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GPDO en het GBP dat daarop zal volgen;

Overwegende dat de Regering verwijst naar de overwegingen uiteengezet onder punt 3.1.;

Dat zij de GOC volgt in die zin dat deze bezwaren niet passen in het kader van onderhavige wijziging van het GBP; f. Voorschrift 3.5.

Overwegende dat het BIM een wijziging van voorschrift 3.5. vraagt in die zin dat er een bijkomende voorwaarde aan zou worden toegevoegd met betrekking tot het groene netwerk;

Overwegende dat de GOC het zinvol vindt om de aanwezigheid van het groene netwerk en van het ecologische netwerk te verdedigen in alle wijken;

Dat zij van mening is dat voor deze vraag eerder een nieuw algemeen voorschrift zou moeten worden opgesteld met betrekking tot alle gebieden van het GBP, naar het model van voorschrift 0.6.;

Overwegende dat de Regering verwijst naar de overwegingen uiteengezet onder punt 2.1. Algemeenheden met betrekking tot een vergelijkbare vraag;

Dat deze elementen worden onderzocht op het moment van de aflevering van een stedenbouwkundige vergunning;

Dat deze vragen niet passen in het kader van de wijziging van het GBP;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de concepten `verenigbaar met het wonen' en `continuïteit van het wonen' zouden worden gepreciseerd, met name door het bepalen van minimum- of maximumquota per huizenblok volgens de gebieden;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het GPDO en het GBP dat daarop zal volgen;

Overwegende dat het GBP de bestemmingen per gebied bepaalt;

Dat het definiëren van quota per huizenblok het niet mogelijk maakt om te voldoen aan de specifieke voorwaarden betreffende het respect voor de continuïteit van het wonen;

Dat de verenigbaarheid met het wonen van geval tot geval wordt onderzocht op het moment van de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning;

Dat het bepalen van minimum- en maximumquota per huizenblok het niet mogelijk maakt om de context van een project in te schatten, maar het nodig maakt om eenzelfde maatregel eenzijdig toe te passen;

Dat dit voorstel niet kan worden gevolgd;

Dat er bovendien wordt verwezen naar de overwegingen gestipuleerd onder punt 3.1. (voorschriften van de woongebieden met residentieel karakter en woongebieden); 3.2.2. Sterk gemengd gebied a. Algemeenheden Overwegende dat de ESRBHG vraagt om binnen de voorschriften voor het sterk gemengd gebied de bouw te garanderen van een redelijke proportie woningen die toegankelijk zijn voor de lage en middelhoge inkomens; Overwegende dat de GOC de bezorgdheid van de ESRBHG deelt;

Dat zij vraagt om een adequaat mechanisme uit te werken om de kwestie van de sociale diversiteit te regelen;

Dat het mechanisme een verplichting zal moeten invoeren om binnen het kader van de projecten een deel voor woningen voor de lage en middelhoge inkomens;

Dat zij aan de Regering vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken een dergelijk mechanisme in te voeren in het GBP of in een onafhankelijke verordening die van toepassing is op alle projecten van een zekere omvang;

Overwegende dat het type gewenste woning niet in de voorschriften van het GBP kan worden opgenomen op grond van het BWRO;

Dat andere regelgevende instrumenten een verplichting voor sociale diversiteit van de woningen zouden kunnen opleggen;

Dat de Regering het advies van de GOC bijgevolg niet kan volgen aangezien deze kwestie niet past in het kader van het GBP;

Dat, zoals reeds aangehaald, het probleem van de sociale diversiteit parallel met de gedeeltelijke wijziging van het GBP wordt bekeken;

Dat voor het overige wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in de punten 1.21. en 2.1.; b. Voorschrift 4.1.

Overwegende dat reclamanten vragen dat voorschrift 4.1. quota zou opleggen voor de verschillende bestemmingen die worden opgenomen, zoals dat voorzien is in het voorschrift van de OGSO of door voorschrift 4.4;

Dat er een percentage zou worden opgelegd voor de reconversieprojecten met een vloeroppervlakte van ten minste 3 500 m²;

Dat volgens deze reclamanten het ontbreken van een opgelegd percentage om voor te behouden voor de verschillende activiteiten het onmogelijk maakt om de geest van een gemengdheid te handhaven, aangezien de gemengde gebieden worden ingepalmd door huisvesting;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de wijziging van voorschrift 4.1. een meer allesomvattende denkoefening vereist en niet kan worden gewijzigd in het kader van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat zij meent dat de voorgestelde wijziging te complex is om toe te passen aangezien zij een nauwkeurige boekhouding zou vereisen van de toelaatbare drempels voor de verschillende functies in het gebied;

Dat zij bovendien van mening is dat het opleggen van een gemengdheid aan de hand van quota enkel overwogen moet worden voor niet-geürbaniseerde terreinen omdat deze maatregel niet uitvoerbaar is in reeds volledig bebouwde gebieden;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GPDO en het volgende GBP;

Overwegende dat het GBP steunt op het algemeen principe om in een eerste alinea alle hoofdbestemmingen van het gebied te definiëren en vervolgens, indien nodig, een programma voor de vermenging van functies voor specifieke projecten zoals deze die mogelijk zijn op de braakliggende terreinen bedoeld in voorschrift 4.4.;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt en eveneens vindt dat een dergelijke wijziging te complex zou zijn om toe te passen aangezien zij een nauwkeurige boekhouding zou vereisen van de toelaatbare drempels voor de verschillende functies in het gebied;

Dat zij er eveneens op wijst dat het systeem van de quota desgevallend enkel overwogen kan worden voor niet-bebouwde terreinen, aangezien zij moeilijk toe te passen zijn in reeds volledig geürbaniseerde gebieden;

Dat deze kwestie geen voorwerp uitmaakt van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt en vindt dat deze kwestie past in een meer allesomvattende denkoefening;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de bouw van een minimumaantal geconventioneerde woningen op te leggen in SGG omdat deze gebieden een goede ligging hebben qua aanbod van het openbaar vervoer;

Dat deze reclamant eveneens vraagt om de GSV te wijzigen inzake de na te leven verhouding parkeerplaatsen/woningen in sterk gemengde gebieden;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar hoger geformuleerde vraag om een instrument in te voeren dat het mogelijk zou maken een minimumaantal woningen voor lagere en middelhoge inkomens op te leggen binnen projecten van een zekere omvang;

Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen in het voorgaande te vinden is onder punt 2.1. algemeenheden;

Dat een herziening van de verhouding parkeerplaatsen/woning niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP maar wel in een bredere denkoefening in het kader van een eventuele herziening van de GSV;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de gevallen te beperken waarin het toegelaten is de kantooroppervlakten te vergroten tot boven de voorgeschreven oppervlakte aangezien de voorwaarde inzake de sociale en economische redenen te vaag is en gemakkelijk kan worden vervuld;

Dat deze mogelijkheid zou worden beperkt tot de renovatie van bestaande gebouwen, in overeenstemming met hun bestaande capaciteiten, typologie en structuur;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GewOP en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen in het voorgaande te vinden is, onder punt 3.1.1. (voorschriften voor woongebieden met residentieel karakter en woongebieden);

Dat een wijziging van deze voorschriften niet nodig lijkt;

Dat de Regering bovendien het advies van de GOC volgt en er op wijst dat deze vraag niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Overwegende dat een andere reclamant vraagt om de kantoorfunctie te beperken tot de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij de andere functies;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen aangebracht in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GewOP en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat de verhoging van de kantooroppervlakten het gemengde karakter van het gebied niet mag schaden en omkleed moet worden met sociale of economische redenen;

Dat vloeroppervlakten van meer dan 3 500 m² enkel kunnen worden toegestaan op grond van een BBP;

Dat het derhalve niet nodig is om de opgelegde beperkingen voor kantoorbestemmingen te herzien;

Dat de Regering voor het overige het advies van de GOC volgt en eveneens vindt dat deze vraag niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP; c. Voorschrift 4.2.

Overwegende dat een reclamant vraagt om het niet langer mogelijk te maken om verdiepingen voor handelszaken te bestemmen buiten de linten voor handelskernen (behoudens bestaande toestanden of bepaalde typologieën), teneinde de bestaande handel en woonfunctie niet te benadelen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag pertinent is en vraagt aan de Regering om voorschrift 4.2. in die zin te wijzigen. Dat de uitbreiding van een handelszaak buiten de linten voor handelskernen de aanwezigheid van woningen op de bovenverdiepingen van de gebouwen immers kan beperken. Dat handelszaken van een zekere omvang moeten worden geconcentreerd in de linten voor handelskernen;

Overwegende dat een antwoord op deze bevindingen in het voorgaande te vinden is onder punt 3.1.1. (voorschriften van woongebieden met een residentieel karakter en woongebieden);

Dat het bestemmen van bovenverdiepingen voor handel en voor groothandel enkel kan voor zover de plaatselijke voorwaarden dat dulden;

Dat een wijziging van dat voorschrift derhalve niet nodig is;

Dat deze vraag bovendien niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de kantoor- en handelsoppervlakten te verminderen teneinde te voldoen aan de eisen van voorschrift 4.5., meer bepaald in de Vijfhoek en de gemeenten van de eerste kroon, teneinde hun stedenbouwkundige kenmerken te behouden;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GewOP en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren in het voorgaande te vinden is onder punt 3.1.1. (voorschriften van de woongebieden met een residentieel karakter en woongebieden) en 3.2.1. f. (gemengde gebieden);

Dat voorschrift 4.5. de algemene toepassingsvoorwaarden van de voorschriften voor het sterk gemengde gebied wil definiëren;

Dat wat de handelszaken betreft, hun inplanting onderworpen is aan de voorwaarden bepaald in voorschrift 4.2.;

Dat de gedetailleerde voorwaarden voor de kantoren zijn terug te vinden in voorschrift 4.1.;

Dat deze overwegingen geen herziening vereisen van de kantoor- en handelsoppervlakten binnen de SGG;

Dat de Regering bovendien het advies van de GOC volgt en er op wijst dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen aangebracht in het ontwerp van GBP; d. Voorschrift 4.3.

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de mogelijkheid om het aantal hotels te vermeerderen tot boven het voorgeschrevene voor het gebied zou worden beperkt tot de renovatie van bestaande gebouwen, in overeenstemming met hun typologie en structuur;

Dat een reclamant vraagt, teneinde het erfgoed en de stedenbouwkundige kenmerken van de wijken te beschermen, om de hotelcapaciteit in het centrale deel van het Gewest en zijn eerste kroon te verlagen;

Dat hij daarnaast de invoering vraagt van een specifiek voorschrift dat de afbraak verbiedt van gebouwen van voor 1950 met het oog op de oprichting of uitbreiding van hotels;

Dat deze reclamant eveneens een opheffing vraagt van de mogelijkheid om de capaciteit van hotelinstellingen te vergroten via BBP;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen aangebracht in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GewOP en een toekomstige wijziging van het GBP;

Overwegende dat een antwoord op deze bezwaren te vinden is onder punt 3.1. (met betrekking tot de woongebieden met residentieel karakter en woongebieden);

Dat de Regering het advies van de GOC volgt en eveneens vindt dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen aangebracht in het ontwerp van GBP; e. Voorschrift 4.4.

Overwegende dat het BIM vraagt om de limietdatum voor de aanwezigheid van een of meerdere vervallen of verlaten gebouwen of van een of meer braakliggende terreinen niet te wijzigen;

Dat dit enerzijds zij die hun terreinen hebben laten verloederen beloont, terwijl anderzijds biologisch interessante braakliggende terreinen worden opgeheven;

Dat bepaalde ongerepte terreinen bestemd zouden kunnen worden voor ontspanning, vooral deze in het centrum;

Dat een reclamant vraagt om in plaats van artikel 4.4., waarvan hij de opheffing vraagt, artikel 257 van het BWRO toe te passen, dat voorziet in de mogelijkheid van een onteigening door de Regering van goederen die deel uitmaken van sites die zijn ingeschreven in de inventaris van niet-uitgebate bedrijfsruimten, evenals aangrenzende percelen vereist voor de rehabilitatie en/of de herbestemming van de site;

Dat een andere reclamant een evaluatie vraagt van de toepassing van voorschrift 4.4. alvorens ze te wijzigen;

Dat deze reclamant vraagt om een minimum aan economische activiteiten te voorzien (25 % bijvoorbeeld) en het gedeelte voorbehouden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten te vergroten;

Dat een andere reclamant voorstelt om een minimumpercentage te voorzien voor de zwakke functies (economische activiteiten) en een maximumpercentage voor de sterkte functies (huisvesting);

Dat een deel van de ESRBHG en verscheidene reclamanten immers oordelen dat een herziening van de percentages, voorgesteld in het ontwerp van GBP, het SGG zijn economische hoofdfunctie doet verliezen;

Dat een reclamant vraagt om het voorschrift te wijzigen, zodanig dat men in termen van grondoppervlakte zou denken voor de economische activiteiten, aangezien deze doorgaans geen verdiepingen gebruiken, terwijl de maxima voor huisvesting in vloeroppervlakte zouden moeten worden uitgedrukt;

Dat de gemeente Sint-Pieters-Woluwe en andere reclamanten vragen om het aantal terreinen te evalueren en een van de gebouwen die profiteren van dit voorschrift als gevolg van de datumwijziging;

Dat een andere reclamant voorstelt om een `zwevende' datum te bepalen, teneinde te vermijden dat men een zware procedure tot wijziging van het GBP zou moeten invoeren voor de aanpassing ervan;

Dat een andere reclamant en het BROH de wijziging van het GBP en de brede toepassing ervan goedkeuren, aangezien dat voorschrift een garantie biedt voor de gemengdheid van functies en de globale visie van een totaalproject;

Dat de gemeente Ukkel en een reclamant de wijziging van het programma opgelegd door voorschrift 4.4. goedkeuren, omdat het beantwoordt aan een functioneel evenwicht voor de gemengde programma's en is afgestemd op de behoeften van de wijken in SGG;

Dat de gemeente Ukkel, de gemeente Jette en de stad Brussel evenwel van mening zijn dat de verplichting om 5 % voorzieningen te realiseren moeilijk haalbaar kan zijn, in het bijzonder voor de kleine oppervlakten;

Dat het BROH van mening is dat men een groter quotum voor voorzieningen zou moeten opleggen;

Dat de gemeente Ukkel, de gemeente Sint-Joost-ten-Node, de gemeente Anderlecht en de gemeente Jette het verstandiger vinden om dat percentage te vervangen door een globale bezinning over het totaalproject, bijvoorbeeld via stedenbouwkundige lasten die elk project zouden dwingen om op die manier bij te dragen tot de verbetering van het aanbod aan voorzieningen;

Dat reclamanten vragen om achter het woord `handelszaken' de woorden `die de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij de beoogde bestemmingen zijn' toe te voegen, teneinde meer mogelijkheden te bieden wat de oppervlakte voor productieactiviteiten betreft en om de basisbeginselen van het schema voor de handelsontwikkeling te respecteren;

Dat de gemeente Schaarbeek vraagt om het minimumpercentage voor huisvesting (35 %) te behouden om het gemengd karakter van het gebied niet in het gedrang te brengen;

Dat de gemeente Sint-Agatha-Berchem oordeelt dat de wijziging van voorschrift 4.4. een bedreiging zou kunnen vormen voor het behoud van goed gevestigde economische activiteiten;

Dat een reclamant vraagt om kantoren niet langer te vermelden in het programma voorgesteld door voorschrift 4.4., gelet op de grote leegstand van kantoren;

Dat het BROH vraagt om een groter quotum op te leggen voor groene ruimten;

Dat een reclamant vraagt om rekening te houden met de aanbeveling van het MER, dat vraagt om de vastgoedprojecten onder controle te houden, teneinde er borg voor te staan dat de groene ruimten niet alleen ten goede komen aan de bewoners van de nieuwe woningen, maar ook aan de bewoners van de omliggende wijken;

Dat een reclamant vraagt om in de berekening van 20 % groene ruimte rekening te houden met de tuinterrassen, groene daken, groene parkings;

Dat een reclamant vraagt dat de totaalprojecten 20 % sociale woningen zouden bevatten om de meerwaarde te recupereren die wordt gegenereerd door het optrekken van de minimumquota voor de realisatie van woningen;

Dat het BROH vraagt om te verduidelijken of de lijst van de percentages die worden toegewezen aan de verschillende bestemmingen in het geval van een totaalproject een open of gesloten lijst vormt om uit te maken of de functies die in SGG worden toegelaten via de voorschriften 4.1. tot 4.3. eveneens worden toegelaten bij toepassing van 4.4.;

Dat een reclamant vraagt om overgangsmaatregelen te voorzien voor de toepassing van de wijziging van voorschrift 4.4. voorgesteld in het ontwerp van GBP of om de bewaringsclausule 0.9 van het GBP aan te vullen om het mogelijk te maken om bepaalde vergunningen, afgeleverd in toepassing van het GBP 2001, te laten wijzigen door diezelfde bepalingen van het GBP 2001 wanneer ze door hun omvang nog niet volledig zijn uitgevoerd;

Dat de gemeente Vorst vraagt om per project een minimale vloeroppervlakte op te leggen bij wijze van toepassing van voorschrift 4.4. om te vermijden dat de voorzieningen in onaangepaste of onbruikbare lokalen terecht zouden komen;

Dat een reclamant wijst op een vertaalfout in artikel 4.4. van het besluit van het ontwerp tot wijziging van het GBP : de woorden `activités autorisées' zouden moeten worden vertaald als `activiteiten toegelaten in ...', zoals in het bestaande voorschrift 4.4.;

Dat deze reclamant vindt dat het voorschrift niet voldoende duidelijk is;

Overwegende dat de GOC de Regering eraan herinnert dat zij in haar advies met betrekking tot het GBP van 2001 reeds vroeg om te kunnen beschikken over een evaluatie van de gronden en gebouwen waarop voorschrift 4.4. mogelijk betrekking zou hebben; dat zij is van mening dat deze evaluatie onontbeerlijk is om het nut van dit voorschrift te kunnen bepalen en te kunnen oordelen of het al dan niet behouden moet worden;

Dat zij de Regering dan ook met aandrang verzoekt om haar een inventaris te bezorgen van de betrokken gronden en gebouwen;

Dat zij van mening is dat een evaluatie van de gevallen waarin voorschrift 4.4. werd gebruikt sinds 2001 eveneens noodzakelijk is;

Dat de GOC de Regering vraagt om de scharnierdatum van voorschrift 4.4. niet te wijzigen teneinde diegenen die een grond of gebouw hebben laten verloederen sinds 2001 niet te belonen;

Dat zij eraan herinnert dat dit voorschrift aanvankelijk tot doel had om stadskankers weg te werken en dat er geen reden is tot uitbreiding van de toepassing van deze overgangsmaatregel, die bedoeld was om een zeer tijdelijk probleem aan te pakken;

Dat zij eveneens vraagt om de volgende wijzigingen aan te brengen : - Vermelden dat de handelszaken en de kantoren de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij de andere functies moeten vormen; - de verwijzing naar 15 % kantoren schrappen, en enkel de activiteiten vergunnen die toegestaan zijn in een gebied voor stedelijke industrie;

Dat een lid zijn goedkeuring hecht aan de voorgestelde wijziging van het voorschrift 4.4, alsook aan de voorgestelde scharnierdatum, opdat de nieuwe stadskankers die in tussentijd ontstaan zijn in vastgoedprojecten zouden kunnen worden opgenomen;

Dat een lid het behoud van de voorschriften met betrekking tot kantoren vraagt omdat dit voorschrift tot doel heeft de sites aantrekkelijk te maken voor vastgoedpromoties. Dat de wijziging van dit punt het nut van dat voorschrift in het gedrang zou kunnen brengen;

Dat de GOC overigens haar goedkeuring hecht aan de verhoging van de minimumoppervlakte voor de te verwezenlijken groene ruimten, evenals aan de invoering van een minimumquotum voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;

Overwegende dat het besluit tot goedkeuring van het project van gedeeltelijke wijziging van het GBP erop wijst dat de verplichting om de aanwezigheid aan te tonen van een of meerdere vervallen en verlaten gebouwen of van een of meerdere braakliggende terreinen voor 1 januari 2000 steeds moeilijker na te leven is, aangezien de benodigde documenten om het gevraagde bewijs te leveren stilaan verdwijnen;

Dat het wenselijk is om deze voorwaarde te updaten, zodanig dat het enerzijds niet onmogelijk wordt om voorschrift 4.4 toe te passen voor de oude kankers en braakliggende terreinen waarvoor geen bewijsleverende documenten van voor 1 januari 2000 meer voorhanden zijn, en anderzijds om rekening te kunnen houden met de leegstaande en/of vervallen gebouwen en de braakliggende terreinen die er sinds 1 januari 2000 zijn bijgekomen;

Dat het nodig is een nieuwe scharnierdatum te bepalen teneinde eventuele speculaties op verlaten gebouwen te verhinderen;

Dat de datum van 1 januari 2011, die voorafgaat aan het besluit van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure voor gedeeltelijke wijziging van het GBP, het mogelijk maakt om al deze problemen te verhelpen;

Dat het MER deze analyse bevestigt;

Dat het algemeen voorschrift 0.2. reeds tot doel heeft bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk en de instandhouding en realisatie van een percentage groene ruimten;

Dat een antwoord op de bezorgdheid om de gebieden interessant te houden vanuit biologisch oogpunt in het bovenstaande te vinden is, onder punt 2.1. (algemeenheden);

Overwegende dat artikel 257 van het BWRO de goederen beoogt op een site ingeschreven in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten en aangrenzende percelen;

Dat het GBP meer algemeen betrekking heeft op elk vervallen of verlaten gebouw en braakliggend terrein;

Dat de Regering niet de bedoeling heeft om de toepassing van voorschrift 4.4. te beperken tot de sites ingeschreven in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten; dat deze niet allemaal in een sterk gemengd gebied van het GBP gelegen zijn;

Dat er dus geen gunstig gevolg kan worden gegeven aan deze vraag;

Overwegende dat het huidige voorschrift 4.4 het mogelijk heeft gemaakt om praktisch alle buiten gebruik geraakte sites en verlaten gebouwen te saneren;

Dat het onmogelijk is om de inventaris te maken van de gebouwen die in aanmerking komen voor een toepassing van het gewijzigde voorschrift 4.4.;

Dat het de taak is van de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning om de bewijzen te leveren voor leegstand en verloedering van de gebouwen en braakliggende terreinen op 1 januari 2011;

Overwegende dat, zoals het besluit van de Regering van 29 maart 2011 tot instelling van het ontwerp van GBP aangeeft, de sterk gemengde gebieden heel vaak goed gelegen zijn ten aanzien van het openbaar vervoer; dat deze nabijheid, waardoor de impact van het wegverkeer beperkt kan blijven, rechtvaardigt om er de huisvesting te stimuleren; dat deze begunstiging van huisvesting evenwel, wanneer ze algemeen wordt toegepast, de aard van de gebieden zou kunnen veranderen door het inherente gemengde karakter ervan op te heffen;

Dat de vermeerdering van het aandeel voorbehouden voor woningen gepaard moet gaan met de verplichting om in de betrokken projecten een minimum van voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten te implementeren, vereist voor het leven in de stad; dat als dusdanig een minimum van 5 % vloeroppervlakte aan deze behoeften kan voldoen zonder de leefbaarheid van de betrokken projecten in het gedrang te brengen;

Dat het deel voorbehouden voor economische activiteiten bijgevolg niet vergroot moet worden, en dat er ook geen minimumquotum moet worden voor opgelegd;

Dat bepaalde gemeenten menen dat het voorschrift 4.4. beantwoordt aan een functioneel evenwicht voor de gemengde programma's en is afgestemd op de behoeften van de wijken in SGG;

Dat de percentages bepaald in het voorschrift op grond van een allesomvattende bezinning over het project als geheel niet vervangen moeten worden, aangezien het voorschrift met betrekking tot de projecten het voorwerp uitmaakt van slechts één aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, wat de facto een bezinning over het geheel impliceert;

Overwegende dat het voorschrift van het OGSO gewijzigd werd, zodanig dat voortaan een minimumaandeel van de vloeroppervlakte voor de bedrijven en een minimumaandeel van de vloeroppervlakte voor huisvesting wordt voorbehouden (nieuw voorschrift 9 bis 4), zodanig dat de economische activiteiten binnen de huizenblokken beter beschermd worden en er een daadwerkelijk gemengd karakter kan worden gegarandeerd;

Dat wat voorschrift 4.4. voor het sterk gemengd gebied onderscheidt van dat voor het ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving de toepassingsschaal voor beide voorschriften is; dat voorschrift 4.4 immers betrekking heeft op huizenblokken waarvan minstens 15 % van de oppervlakte of op zijn minst 3 500 m² van de grondoppervlakte bestaat uit braakliggend terrein of verlaten gebouwen en van toepassing is op een volledig huizenblok, terwijl de voorschriften van het OGSO ook op een perceel van toepassing kunnen zijn;

Dat dit schaalverschil bijgevolg specifieke programmeringen oplegt die de uitvoering ervan mogelijk maken;

Overwegende dat de wijziging van het programma van voorschrift 4.4. reeds leidt tot een vermindering van de toelaatbare drempels voor kantoren en handelszaken;

Dat, gelet op het functionele gemengde karakter, het niet aangewezen lijkt om de kantoren te schrappen of enkel handel toe te laten als gebruikelijke aanvulling; dat het programma de realisatie van beide functies overigens niet oplegt maar toelaat; dat een project dat 40 % toegelaten activiteiten voorstelt in stedelijke industriegebieden immers in overeenstemming met het voorschrift zou zijn; dat het dan ook de taak is van de administratieve overheden die de vergunningen afleveren om de voorgestelde % te onderzoeken voor elk project in het licht van een goede plaatselijke ordening;

Overwegende dat het voorschrift 4.4. niet van toepassing is op vergunningsaanvragen betreffende de transformatie van een bestaande economische activiteit, maar op zeer specifieke gevallen, met name braakliggende terreinen en verlaten gebouwen;

Dat er dus niet kan worden ingegaan op de vraag om 35 % huisvesting te behouden met als reden dat de huisvesting een bedreiging zou kunnen vormen voor de reeds gevestigde economische activiteiten;

Overwegende dat, zoals het MER vermeldt, een vermeerdering van de groene ruimten met 20 % een kwaliteitsverbetering van de stedelijke omgeving mogelijk maakt aangezien zij voor voldoende groene ruimte zorgt die zo kan worden ingericht dat zij bijdraagt tot de landschappelijke identiteit van de site en een recreatieve functie kan verlenen aan de huisvesting;

Dat het evenwel een aanzienlijke oppervlakte betreft en dat zij niet moet worden vergroot met het risico de realisatie van een gemengd stedelijk project te bemoeilijken;

Dat de verplichting om minstens 20 % van de grondoppervlakte voor te behouden voor groene ruimten geenszins betekent dat er niet meer oppervlakte voor kan worden voorzien;

Dat het GBP niet het aangewezen instrument is om na te gaan of de bewoners en nieuwe woningen baat hebben bij de groene ruimten; dat dit aspect wordt geanalyseerd binnen het kader van de stedenbouwkundige vergunningen;

Dat wanneer er in de berekening rekening wordt gehouden met de 20 % groene ruimte aan tuinterrassen, groene daken en groene parkings het voorschrift zou voorbijschieten aan zijn doel, met name voldoende grondoppervlakte voorbehouden voor groene ruimten zoals vereist voor een gemengde wijk; dat enkel een grondoppervlakte kan garanderen dat de toekomstige bewoners van de belendende gebouwen er baat bij zullen hebben; dat dit de creatie van een onbebouwde ruimte tot gevolg heeft, bevorderlijk voor de kwaliteitsverbetering van projecten met een zekere dichtheid;

Overwegende dat met betrekking tot de vraag om binnen het voorschrift 4.4. een quotum van 20 % voor sociale woningen te voorzien, er wordt verwezen naar de overwegingen onder punt 2.1. algemeenheden;

Dat er binnen het kader van een GBP geen rekening kan worden gehouden met deze vraag;

Overwegende dat naast de bestemmingen opgelegd in voorschrift 4.4. ook alle andere bestemmingen bepaald in voorschriften 4.1, 4.2. en 4.3. mogelijk zijn;

Overwegende dat het voorschrift 4.4. verlaten gebouwen of braakliggende terreinen beoogt; dat, gelet op dit specifieke gegeven, het niet wenselijk lijkt om overgangsmaatregelen of een wijziging van toepassing van het voorschrift 0.9 te voorzien;

Dat de toepassing van het voorschrift 4.4. overigens niet verplicht is en een mogelijkheid vormt om af te wijken van de andere voorschriften van SGG;

Overwegende dat het voorschrift 4.4. quota oplegt in de vorm van percentages van totale vloeroppervlakten voor de projecten;

Dat het niet aangewezen lijkt om quota in de vorm van oppervlakten op te leggen, rekening houdend met de verscheidenheid van de projecten; dat dit geen zekerheid geeft over het naleven van een minimaal gemengd karakter voor de projecten;

Overwegende dat de vertaalfout verbeterd is; f. Voorschrift 4.5.

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het concept `verenigbaar met de huisvesting' gepreciseerd zou worden, met name door het bepalen van minimum- of maximumquota per huizenblok volgens de gebieden;

Dat deze reclamant oordeelt dat voorschrift 4.5. veel te vaag is en vatbaar is voor uiteenlopende interpretaties van project tot project of van gemeente tot gemeente;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze bezwaren niet passen in het kader van de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat zij desalniettemin vraagt om deze opmerkingen te analyseren in het kader van het GPDO en van het GBP dat daarop zal volgen;

Overwegende dat een antwoord op deze vraag is terug te vinden in de overwegingen onder punt 3.1. (voorschriften voor de woongebieden met residentieel karakter en woongebieden);

Dat de Regering de GOC volgt en eveneens vindt dat deze vraag niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Overwegende dat het BIM vraagt om voorschrift 4.5. zodanig te veranderen dat er elementen met betrekking tot de verwezenlijking van het groene netwerk in zouden worden opgenomen;

Overwegende dat de GOC meent dat deze vraagt eerder past in het kader van een nieuw algemeen voorschrift met betrekking tot alle gebieden van het GBP, naar het model van voorschrift 0.6.;

Overwegende dat er een antwoord werd geformuleerd op deze vraag onder punt 2.1. (algemeenheden);

Dat er geen gevolg kan worden gegeven aan deze vraag; 3.2.3. OGSO a. Algemeenheden Overwegende dat de gemeente Evere, een deel van de ESRBHG, de gemeente Sint-Jans-Molenbeek, het Vlaams Gewest en verschillende reclamanten zich scharen achter het concept van het OGSO, hoewel er volgens sommigen - waaronder een deel van de ESRBHG - wijzigingen nodig zijn aan de voorgestelde voorschriften; Dat de reclamanten aangeven dat de activiteiten in OGSO het voordeel zouden kunnen bieden dat ze plaatselijke werkgelegenheid bieden, in hoofdzaak in kleine bedrijven die toegankelijker zijn voor de Brusselse bevolking en meer een zachte mobiliteit vereisen;

Overwegende dat verschillende reclamanten blij zijn met de vaststelling dat verschillende kernpunten van het syntheserapport van de werkgroep van de Raad voor Economische Coördinatie, in het kader van de uitwerking van het GPDO en met betrekking tot de toekomst van de economische activiteiten, een positief antwoord kregen in het ontwerp van wijziging van het GBP;

Dat de voorstellen van het syntheserapport vereisten dat men het evenwicht herstelt tussen de woonfuncties en economische activiteiten;

Dat volgens deze reclamanten, de invoering van de OGSO in de voorschriften van het GBP jet voortaan mogelijk zal maken om aan de meeste van die voorstellen tegemoet te komen;

Overwegende dat een deel van de ESRBHG en verschillende reclamanten daarentegen aanbevelen dat de gebieden voor stedelijke industrie en de gebieden voor havenactiviteiten en vervoer niet getransformeerd zouden worden in OGSO en dat artikel 4 van het ontwerp van GBP geschrapt zou worden;

Overwegende dat verschillende reclamanten vragen dat het concept van industrie in een stedelijke omgeving in latere instantie ontwikkeld zou worden door dit te integreren in het proces voor de uitwerking van het GPDO, en voorstellen om verschillende voorwaarden op te leggen;

Overwegende dat het BIM vraagt dat consideransen zouden worden toegevoegd aan titel 2.4. van het besluit tot goedkeuring van het ontwerp van wijziging van het GBP, en dat zou worden voorzien in de verplichting om aandacht te schenken aan de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en de landschapsinrichting van hun naaste omgeving, met het oog op hun integratie in de stedelijke omgeving, om de doorsijpeling en weerkaatsing van geluidsgolven te voorkomen en bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk;

Overwegende dat het BIM vraagt om een deel van de OGSO die momenteel onbebouwd zijn te bestemmen als groengebied, om het relatieve aanbod van groene ruimtes per inwoner in stand te houden, de gewestelijke discrepanties ter zake te verminderen en de mogelijke recreatieve druk te verminderen op de gebieden met hoogbiologische waarde in de buurt;

Overwegende dat het BROH het belang onderstreept om bij de ontwikkeling van de OGSO rekening te houden met de mogelijkheden om er groene corridors in te richten en er het ecologische netwerk te ontwikkelen;

Overwegende dat het BROH vraagt dat men het GBP bij zijn volgende herziening zou rationaliseren op het vlak van gebieden met eenzelfde doelstelling (zoals de SGG en OGSO), dit om het aantal soorten gebieden in het GBP niet te verhogen en de toepassing ervan niet te complex te maken;

Overwegende dat de Economische en Sociale Raad en een reclamant wensen dat het GBP preciezere indicaties zou geven aangaande het type activiteiten dat gekoppeld is aan de nieuwe economie die de Regering graag zou inplanten in de OGSO, aangezien de memorie van toelichting (p. 14) niet representatief is voor alle activiteitensectoren waarop de bepaling betrekking heeft; Overwegende dat een reclamant betreurt dat het ontwerp van wijziging van het GBP niet gepaard gaat met een prospectieve aanpak inzake industrie en reconversie;

Overwegende dat verschillende reclamanten vragen dat de GSI niet zouden worden getransformeerd in OGSO zolang de andere alternatieven niet bestudeerd werden;

Dat een reclamant vraagt om geen nieuwe gebieden open te stellen voor huisvesting door industriegebieden op te offeren zolang de programma's van GGB die bestemd zijn voor de bouw van woningen niet gerealiseerd werden;

Dat een andere reclamant vraagtekens plaatst bij het feit dat zowat 20 % van de GSI zou worden omgevormd tot OGSO zonder vooraf rekening te houden met de mogelijkheden inzake de verdichting, de verbouwing van bestaande gebouwen en leegstaande gebouwen in de typische woongebieden;

Overwegende dat een reclamant vraagt om duidelijk de redenen toe te lichten die aan de basis lagen van de keuze om de bestemming van sommige SGI, die enkele alleenstaande huizenblokken omvatten, te wijzigen in OGSO;

Dat deze reclamant ook vragen stelt bij het feit dat sommige gebieden, die momenteel zijn voorbehouden voor economische activiteiten en gelegen zijn in vroegere gebieden voor stedelijke industrie volgens het eerste GBP, bijvoorbeeld het GGB Van Volxem, in het kader van het ontwerp van wijziging van het GBP voorbehouden zouden worden voor huisvesting, ondanks de nabijheid van de spoorweg;

Overwegende dat een deel van de ESRBHG, de KCML en sommige reclamanten vaststellen dat de criteria die in de memorie van toelichting (p.13) worden aangehaald als kenmerk van een OGSO, niet altijd stroken met de effectieve kenmerken van de weerhouden OGSO;

Dat de KCML bovendien oordeelt dat het criterium "er zouden woningen gevestigd kunnen worden zonder de economische hoofdfunctie in gevaar te brengen" (p. 13 memorie van toelichting) weinig gerespecteerd wordt, gelet op de impact van de evolutie van de grondprijzen die de bestaande ondernemingen zou kunnen verjagen;

Overwegende dat een reclamant vindt dat het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP te snel werd uitgewerkt en vooral inspeelt op private belangen, met name inzake de keuze van de 6 OGSO-polen;

Overwegende dat de GOC het eens is met een aantal van de door de reclamanten geformuleerde beschouwingen;

Overwegende dat ze zich vragen stelt bij de dringendheid van een wijziging van het GBP, aangezien de meeste OGSO reeds in gebruik zijn;

Dat andere gebieden, zoals de GGB die een programma hebben, en de verdichting van de WG ook hadden kunnen dienen voor bijkomende huisvesting om aldus een antwoord te bieden op de bevolkingsgroei;

Overwegende dat ze van mening is dat de wijziging van het GBP er had moeten komen na de goedkeuring van het GPDO en dat sommige beschouwingen over het OGSO betrekking hebben op het stadsproject van het GPDO en geen antwoord vinden in het ontwerp van wijziging van het GBP;

Overwegende dat ze vindt dat de discussie over de elementen die ervoor zorgen dat een onderneming verenigbaar is met huisvesting, had moeten worden gevoerd alvorens het GBP te wijzigen;

Overwegende dat ze zich overigens afvraagt op welke manier de OGSO een reëel antwoord bieden op de demografische uitdaging en dat ze betreurt dat het ontwerp van GBP geen raming geeft van het potentieel aantal woningen dat zou kunnen worden verwezenlijkt in de OGSO;

Overwegende dat de GOC van mening is dat men dient te vermijden dat het GBP nog complexer wordt door het aantal bestaande gebieden nog te laten toenemen : Dat ze vindt dat er alternatieven hadden kunnen worden onderzocht in plaats van een nieuw gebied te creëren in het GBP, bijvoorbeeld het wijzigen van het voorschrift met betrekking tot de SGG, het wijzigen van bepaalde huidige GSI in SGG en het wijzigen van sommige huidige SGG waar huisvesting al sterk vertegenwoordigd is in woongebied;

Overwegende dat de GOC de idee deelt dat de ontwikkeling van woningen in de OGSO gepaard moet gaan met kwalitatieve elementen en verwijst naar haar advies met betrekking tot voorschrift 4 bis 3, Overwegende dat ze tot slot meent dat de keuzes die aan de basis lagen van de wijziging van bepaalde gebieden onvoldoende gemotiveerd worden, zoals de wijziging van sommige SGG in OGSO. Dat ze, net zoals sommige reclamanten, trouwens vaststelt dat de voorgestelde criteria voor de keuze van de OGSO slechts gedeeltelijk zijn opgevolgd;

Overwegende dat de Regering de opmerkingen van sommige gemeenten, van een deel van de ESRBHG, van het Vlaams Gewest en van de Raad van Economische Coördinatie, die zich scharen achter het concept van het OGSO en achter het evenwicht tussen de woonfunctie en de economische activiteiten, positief onthaalt;

Overwegende dat ze echter geen positief antwoord kan bieden op de vragen van de GOC, van een deel van de ESRBHG en van verschillende reclamanten om de GSI en GHV niet om te vormen tot OGSO, en bijgevolg artikel 4 van het ontwerp van wijziging van het GBP te schrappen;

Dat ze de opmerking over de wijziging van het GBP voorafgaand aan de goedkeuring van het GPDO immers hiervoor al heeft beantwoord in deel 1.2. Methodologie;

Dat onderhavige wijziging, zoals reeds gezegd in het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP, slechts één manier is om het hoofd te bieden aan de bevolkingsgroei;

Dat, aangezien de huisvestingsbehoeften een snel antwoord vergen, deze wijziging nieuwe gebieden tracht te identificeren die kunnen worden verstedelijkt om woningen en uitrustingen te ontvangen;

Dat via het GPDO een verdichtingsbeleid moet worden uitgewerkt dat de antwoorden die worden geboden door onderhavige wijziging van het GBP zal aanvullen;

Dat ze in deel 2. 1. Algemeenheden ook al heeft geantwoord op de opmerking van het BIM om in de bijzondere voorschriften, incl. deze betreffende het OGSO, de verplichting op te nemen om toe te zien op de kwaliteit van de stedenbouwkundige kenmerken van de gebouwen en de landschapsinrichting van hun naaste omgeving, om doorsijpeling en weerkaatsing van de geluidsgevolgen te voorkomen en bij te dragen tot de realisatie van het groene netwerk;

Dat ze een raming kan geven van de woningen die in de nieuwe OGSO kunnen worden gecreëerd, maar dat deze raming nog zal evolueren naargelang de projecten die zullen worden gerealiseerd;

Dat het moeilijk is om het aantal potentieel gecreëerde woningen te ramen aangezien het GBP niet de kwesties verdichting en bouwprofielen regelt;

Dat een gelijkaardige denkoefening werd gemaakt als deze die aan de basis lag van de voorafgaande studie van het GBP, die een raming gaf van het Brusselse grondpotentieel en het onthaalpotentieel van inwoners; dat hierbij werd, uitgegaan van redelijke hypotheses die werden vastgesteld volgens de gemiddelde woningdichtheid per hectare, afhankelijk van het soort gebied; en dat, wetende dat van de 207 ha OGSO die de wijziging van het GBP voorstelt, een deel voorbehouden moet blijven voor andere bestemmingen, een redelijke raming van het onthaalpotentieel dat wordt gecreëerd door de wijziging van het GBP uitkomt op meer dan 20 000 extra inwoners. Dat dit potentieel net als in de voorafgaande studie een raming is die een vrij duidelijk standpunt geeft over de mogelijkheden die het GBP biedt om het onthaalpotentieel van nieuwe inwoners te verhogen;

Dat, gelet op de voorbereidende studie van de beschikbare gronden die een saldo identificeert van 63 000 inwoners die moeten worden gehuisvest, de wijziging van het GBP dus slechts gedeeltelijk beantwoordt aan de vraag;

Overwegende dat algemeen voorschrift 0.2. van toepassing is op het OGSO;

Dat het zich tot doel stelt om bij te dragen tot het groene netwerk en om 10 % groene ruimte op te leggen op grondniveau, bij alle projecten met een grondoppervlakte van minstens 5 000 m2;

Dat het programma opgenomen in het gewijzigde OGSO-voorschrift 9 bis 4 eveneens tegemoetkomt aan deze verplichting;

Dat er geen enkele geldige reden is om het OGSO anders te behandelen dan de andere gebieden van het GBP die kunnen worden verstedelijkt en waarop voorschrift 0.2 eveneens van toepassing is;

Dat dus ook tegemoet werd gekomen aan de opmerking van het BROH aangaande de groene corridors en het ecologische netwerk;

Overwegende dat de toename van het aantal soorten gebieden van het GBP de toepassing ervan niet complexer maakt;

Dat immers bij het onderzoek van een vergunningsaanvraag, de vergunnende overheden de voorschriften moeten onderzoeken die van toepassing zijn op de bestemmingszone waarvoor de vergunning werd ingediend;

Dat de creatie van een nieuw gebied de toepassing van het GBP dus niet bemoeilijkt, aangezien behalve de algemene voorschriften de bijzondere voorschriften niet cumulatief worden toegepast;

Overwegende dat, aangaande de vraag om geen nieuwe gebieden open te stellen voor huisvesting zolang het programma van de GGB niet is gerealiseerd, wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in deel 1.2. Methodologie;

Dat immers dit standpunt niet kan worden gevolgd aangezien de studie van het grondpotentieel voldoende duidelijk is over het feit dat, zelfs na uitvoering van het programma van de GGB, het grondpotentieel zonder wijziging van het GBP niet voldoende zal zijn om te beantwoorden aan de woningbehoeften als gevolg van de bevolkingsgroei;

Overwegende dat de verdichtings- en verbouwingsmogelijkheden van bestaande en leegstaande gebouwen zullen worden onderzocht ter aanvulling van onderhavige wijziging van het GBP;

Dat de Regering het nuttig acht om te herhalen dat de overgang van GSI naar OGSO zich niet tot doel stelt om geen economische activiteit meer toe te laten in deze gebieden;

Dat deze immers de hoofdfunctie blijft van de OGSO en dat het programma voorzien in voorschrift 9 bis 4 zich tot doel stelt om de ontwikkelaars van woningen te verplichten om ruimtes voor economische activiteit te realiseren;

Dat dit nieuwe voorschrift zowel de economische activiteiten als de huisvesting bevoorrecht en een stedelijke gemengdheid mogelijk maakt die ten goede komt aan het Gewest;

Overwegende dat de SGG die worden voorgesteld voor transformatie in OGSO werden geïdentificeerd vanwege de aanwezigheid van economische activiteiten;

Dat het OGSO de economische activiteiten immers beter beschermt dan het SGG aangezien ze de hoofdfunctie uitmaken van de OGSO; dat deze bescherming nog wordt verhoogd na de wijziging van het OGSO dat voortaan voorziet in een bewaringsclausule voor de bestaande activiteiten;

Overwegende dat een eventuele verhoging van de grondprijzen de bestaande ondernemingen niet zal wegjagen aangezien hun aanwezigheid wordt gegarandeerd door voorschrift 9 bis 4;

Overwegende dat bijna 45 % van de terreinen in de OGSO-polen publiek zijn; dat ze daardoor geen privébelangen dienen;

Dat de polen bovendien werden geïdentificeerd op basis van objectieve criteria die zijn uitgelegd in het voorwoord van het ontwerp van wijziging van het GBP; dat deze opmerking dus ongegrond is;

Dat bovendien wordt verwezen naar de antwoorden over de wijziging van het voorschrift van het OGSO dat is opgenomen in deel 3.2.3.; b. Bewaringsmechanisme voor de bestaande ondernemingen Overwegende dat de gemeente Jette, de ESRBHG en verschillende reclamanten vragen om in de voorschriften van het OGSO een bewaringsclausule voor de bestaande ondernemingen in te lassen; Overwegende dat de gemeente Jette en verschillende reclamanten voorstellen om in artikel 4 van het ontwerp het volgende voorschrift 4 bis 5 toe te voegen : "Bewaringsclausule : voor de bestaande gebouwen die in gebruik zijn genomen door productieactiviteiten, ongeacht de oppervlakte van het gebouw, brengt de verwezenlijking van uitbreidingswerken, verbouwingswerken, zware renovatiewerken of afbraakwederop-bouwwerken niet de verplichting met zich mee die is voorzien door 4 bis 3, noch die die is voorzien door 4 bis 4, 1ste lid";

Dat deze vraag tegemoetkomt aan de noodzaak om de bestaande ondernemingen die gevestigd zijn in de toekomstige OGSO te beschermen;

Dat het fenomeen van de verbouwing van industriegebouwen tot woningen reeds werd vastgesteld in SGG;

Dat voor de projecten van minder dan 10 000 m², voorschrift 4 bis 4 het gemengd karakter van het huizenblok oplegt, wat de verplichting inhoudt om huisvesting te voorzien bij de uitbreiding van een bestaande onderneming;

Dat het volgens de ESRBHG in de meeste gevallen irrealistisch is om de verwezenlijking van woningen op te leggen aan een bestaande onderneming die uitbreidingswerken of renovatiewerken wil uitvoeren;

Dat, volgens een reclamant, een bestaande onderneming a priori niet altijd beschikt over de vereiste oppervlakte voor de bouw van woningen;

Dat een reclamant wijst op de moeilijke situatie waarin groeiende ondernemingen zouden kunnen belanden om hun uitbreiding te verwezenlijken op hun huidige site;

Overwegende dat een reclamant voorstelt om een nieuw voorschrift in te voeren om de economische activiteiten in de OGSO, de sterk gemengde gebieden en de GSI te beschermen, naar het voorbeeld van voorschrift 0.12;

Dat volgens deze reclamant een garantie tot compensatie van de economische ruimtes die zouden verloren worden onvoldoende en onhaalbaar is zonder voorafgaand een inventaris van het huidige potentieel op te stellen;

Dat deze reclamant oppert dat er tussen het Gewestplan van 1979 en het GBP van 2001 ongeveer 106 ha industriegebieden werden geschrapt, zonder dat daarvoor ooit enige compensatie werd geboden;

Overwegende dat de GOC deze bekommernissen deelt; dat ze van mening is dat de bestaande ondernemingen die gevestigd zijn in de OGSO moeten kunnen "afwijken" van de voorschriften van 4 bis om te kunnen uitbreiden of hun installaties te vernieuwen;

Dat ze eraan herinnert dat de instandhouding van de productieactiviteiten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest één van de motivaties is van het besluit tot goedkeuring van het ontwerp van wijziging van het GBP;

Dat ze derhalve aan de Regering vraagt om te voorzien in een aangepast mechanisme dat tegemoetkomt aan deze bezorgdheid, hetzij door de invoering van een algemeen voorschrift naar het model van het bestaande voorschrift 0.12, hetzij door de toevoeging van een voorschrift binnen de OGSO, dat voor de bestaande ondernemingen voorziet in een vrijstelling van de toepassing van de voorschriften 4 bis 3 en 4 bis 4, 1°, mits onderwerping aan de speciale regelen van openbaarmaking (zie voorstel tot herformulering van het voorschrift verderop);

Overwegende dat de Regering inderdaad oordeelt dat de bestaande ondernemingen in de OGSO moeten worden beschermd;

Dat bijgevolg de Regering het advies van de GOC volgt om een bewaringsmechanisme toe te voegen voor de bestaande ondernemingen in de OGSO, zodat ze verbouwings-, uitbreidings- of zware renovatiewerken kunnen uitvoeren;

Dat deze clausule wordt opgenomen in artikel 9 bis 5 en als volgt wordt geformuleerd : "Er kan worden afgeweken van voorschrift 9 bis 4 voor verbouwings- of uitbreidingswerken van bestaande gebouwen die hoofdzakelijk zijn bestemd voor productieactiviteiten, in de ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken of groothandelszaken voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) De verbouwing of uitbreiding is nodig voor de behoeften van de bestaande onderneming;b) De verbouwing of uitbreiding wordt behoorlijk omkleed met economische en sociale redenen;c) De handelingen en werken zijn onderworpen aan speciale redenen van openbaarmaking";c. Mechanisme om meerwaarden te recupereren Overwegende dat de ESRBHG, Mobiel Brussel, de stad Brussel, de gemeente Anderlecht en verschillende reclamanten vragen dat de Regering zonder verwijl een gewestelijk mechanisme zou invoeren om de meerwaarden van gronden, gegenereerd door het ontwerp van demografisch GBP, te gelde te maken; Dat verschillende reclamanten oordelen dat een wijziging van GSI in OGSO zal leiden tot een stijging van de grondwaarde;

Dat de gemeente Jette, de ESRBHG en verschillende reclamanten vrezen dat de bestaande ondernemingen in OGSO ertoe aangezet zouden worden om te verhuizen, om een meerwaarde te verwezenlijken door hun terrein te verkopen, wat ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de werkgelegenheid;

Dat men anderzijds, volgens sommige reclamanten, er ook moet op toezien dat de stijging van de grondprijzen geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van economische projecten;

Dat een reclamant uiting geeft aan zijn vrees voor speculatieve leegstand op grote schaal in de gebieden bestemd als OGSO;

Dat een reclamant eveneens vreest dat er een vastgoedbel zou ontstaan als gevolg van de creatie van de OGSO;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht en een reclamant vragen dat het mechanisme om meerwaarden te gelde te maken rekening zou houden met de aspecten van bodemverontreiniging, zich daarbij baserend op de inventaris van de bodemtoestand die wordt opgesteld door het BIM;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht bovendien vraagt dat de meerwaarden van de grondverkoop bij een bestemmingswijziging gerecupereerd zouden worden door de plaatselijke overheid ten gunste van de bevolking;

Overwegende dat een reclamant voorstelt dat, gezien het feit dat er controle over het grondbezit is, de GOMB, in het kader van haar missie inzake economische expansie, zou instaan voor de omkadering van de controle van de criteria voor de opvang van ondernemingen op terreinen waarvan ze niet de eigenaar is;

Overwegende dat de gemeente Ukkel en de gemeente Anderlecht van mening zijn dat de meerwaarden gerecupereerd moeten worden via een vorm van stedenbouwkundige lasten opdat het Gewest/de gemeenten de nodige voorzieningen zouden kunnen verwezenlijken in functie van de bevolkingstoename;

Dat de gemeente Anderlecht voorstelt dat het door het Gewest ingevoerde instrument gepaard zou gaan met een strategisch ontwikkelingsplan van de plaatselijke overheid, om te bepalen waar de nodige voorzieningen moeten worden ingeplant die redelijkerwijze niet kunnen worden ingeplant op elk perceel;

Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie en een reclamant vragen om de gerecupereerde meerwaarden aan te wenden voor de verbetering van de bediening met het openbaar vervoer van de betrokken gebieden, omdat die bediening vandaag de dag niet altijd optimaal is;

Overwegende dat een lid van de Gewestelijke Mobiliteitscommissie echter van oordeel is dat de recuperatie van de meerwaarden zal leiden tot een toename van de meerkosten voor de valorisatie van die terreinen en dus een handicap zal vormen voor de investeringen van de ondernemingen;

Overwegende dat een deel van de Economische en Sociale Raad en een reclamant vragen om in de OGSO een mechanisme te voorzien dat borg staat voor de bouw van een redelijke proportie woningen die toegankelijk zijn voor de lage en middelhoge inkomens, om de nefaste impact van een stijging van de grondprijzen op de economische activiteit tegen te gaan en er voor te zorgen dat iedereen toegang heeft tot een degelijke woning;

Overwegende dat de GOC zich achter het verzoek schaart om te voorzien in een gewestelijk mechanisme om de grondmeerwaarden, die voortvloeien uit het ontwerp van demografisch GBP, te recupereren;

Dat ze betreurt dat dit mechanisme niet eerder werd uitgewerkt zodat het samen met het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP aan het openbaar onderzoek kon worden onderworpen;

Dat ze vraagt dat dit systeem van toepassing zou zijn voordat het GBP wordt goedgekeurd;

Dat ze oordeelt dat die recuperatie van de meerwaarden moet gekoppeld zijn aan de transacties (verkoop van terreinen enz....) en niet alleen aan de bestemmingswijzigingen;

Dat een lid van de GOC voorstelt om zich voor het mechanisme te laten inspireren door artikel 81 van het BWRO betreffende de vergoeding van waardeverminderingen;

Dat de GOC verdeeld is over het feit of de beoordeling van de recuperatie van de meerwaarde al dan niet gekoppeld dient te worden aan de bodemverontreiniging;

Dat een lid van mening is dat dit zou kunnen leiden tot juridische problemen en een gebrek aan gelijkheid ten opzichte van projecten in andere gemengde gebieden, bijvoorbeeld in sterk gemengd gebied;

Dat de GOC van mening is dat deze recuperatie van meerwaarden moet gebeuren op gewestelijk niveau en niet op lokaal niveau, en dat ze aangewend moet kunnen worden voor de verwezenlijking van voorzieningen (scholen en mobiliteit) en woningen die toegankelijk zijn voor de lage en middelhoge inkomens;

Dat ze onderstreept dat die woningen openbare eigendom zouden moeten zijn voor wat de sociale woningen betreft, en beheerd moeten worden door een overheidsinstantie voor de private middenklasse woningen;

Dat de GOC bovendien van mening is dat de GOMB kan bogen op interessante ervaring inzake de verwezenlijking van projecten met een cohabitatie tussen huisvesting en ondernemingen, en dus een nuttige adviesrol zou kunnen vervullen of zelfs zou kunnen instaan voor de omkadering van de verwezenlijking van de OGSO, in de gebieden waar er controle over het grondbezit is;

Overwegende dat het MER aanbeveelt om een deel van de meerwaarden te recupereren om met name de overheidsinfrastructuren te financieren;

Dat het MER voorstelt om het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten uit te breiden tot private woningprojecten in de OGSO;

Dat het MER evenwel wijst op het feit dat het in verontreinigde OGSO niet zeker is dat er meerwaarden kunnen worden gerecupereerd;

Overwegende dat de Regering heeft besloten om tegelijk met onderhavige wijziging van het GBP ook het nieuwe besluit betreffende stedenbouwkundige lasten goed te keuren;

Dat dit, zelfs al is het niet gericht op de recuperatie van de meerwaarden, de overheid de mogelijkheid biedt om de projectontwikkelaars te laten delen in de effecten die ze genereren op de overheidsfinanciën;

Dat de Regering met dit besluit stedenbouwkundige lasten wil opleggen aan private woningprojecten vanaf een bepaalde drempel, ook in de OGSO;

Dat de Regering daardoor tegemoetkomt aan de vele bezwaarschriften die ervoor pleiten om de gedeeltelijke wijziging van het GBP te koppelen aan het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten;

Dat in het besluit betreffende de stedenbouwkundige lasten echter rekening moet worden gehouden met de bodemvervuiling in sommige OGSO, zoals wordt aanbevolen door het MER, en dit om de realisatie van projecten niet in het gedrang te brengen;

Dat het advies van de GOC om de recuperatie van de meerwaarden te verbinden aan de transacties en niet aan de bestemmingen niet kan worden gevolgd;

Dat immers de aflevering van een vergunning de grond een meerwaarde kan geven, en niet het feit dat de woonfunctie wordt toegelaten in het OGSO,, temeer omdat de economische activiteiten de hoofdfunctie blijven van het gebied;

Dat de inwilliging van dit verzoek zou neerkomen op het recupereren van niet-gerealiseerde meerwaarden op terreinen met een economische bestemming;

Dat ook aan het verzoek van een lid van de GOC om te voorzien in een mechanisme in de aard van het mechanisme voorzien in artikel 81 van het BWRO geen gevolg kan worden gegeven; dat dit een wijziging van het BWRO impliceert, een procedure die niet kan worden voltooid binnen de goedkeuringstermijnen van het GBP; dat overigens wordt verwezen naar dezelfde opmerkingen als werden geformuleerd als antwoord op het verzoek van de GOC om meerwaarden te recupereren op de transacties; d. Cohabitatie ondernemingen/huisvesting Overwegende dat de Economische en Sociale Raad en verschillende reclamanten vragen om een specifieke geluidsisolatie op te leggen voor de woningen die worden gecreëerd in de toekomstige OGSO, om borg te staan voor de verenigbaarheid van ondernemingen en woningen en opdat de maatregelen voor de geluidsbeheersing niet enkel ten laste van de ondernemingen zouden vallen; Dat, volgens een reclamant, deze verplichting geïntegreerd zou kunnen worden in de verplichting om vanaf 2015 de passiefhuisnorm te respecteren;

Dat het er volgens verscheidene reclamanten op aankomt om te voorkomen dat bestaande ondernemingen in de OGSO er zouden wegvluchten omdat hen te strenge beperkingen inzake geluidshinder opgelegd zouden worden;

Overwegende dat de gemeente Jette, de gemeente Vorst, de Stad Brussel en het BIM vragen dat het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21/11/2012 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen zo snel mogelijk zou worden gewijzigd;

Dat het BIM vraagt om te voorzien in specifieke maatregelen voor de goede samenleving van de bestemmingen in OGSO, en desgevallend te voorkomen dat woningen te dicht bij ondernemingen worden gevestigd wanneer er vermoeden van onverenigbaarheid is, veeleer dan het vertrek van de onderneming te overwegen;

Dat het BIM eveneens vraagt dat de OGSO die zijn ingesloten door industriegebieden, bestemd zouden blijven als GSI;

Overwegende dat het BIM wijst op het feit dat heel wat kadastrale percelen in de nieuwe OGSO potentieel of daadwerkelijk verontreinigd zijn;

Dat de ontwikkeling van woningen een duurzame behandeling van de verontreinigde bodems bevordert en de volksgezondheid en het milieu ten goede komt, maar dreigt zwaar door te wegen op de economische balans;

Overwegende dat het BIM en de Stad Brussel vragen dat het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17/12/2012 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake bodemverontreiniging herzien zou worden vóór de inwerkingtreding van het gewijzigde GBP, om een juridische leemte te voorkomen;

Dat het BIM ervoor pleit om voor de OGSO een kwetsbaarheidsklasse te bepalen die niet rechtstreeks afhankelijk is van het GBP maar van het feitelijk gebruik van het terrein, zoals dat het geval is voor de sterk gemengde gebieden;

Dat een deel van de Economische en Sociale Raad en verschillende reclamanten er eveneens voor pleiten dat de economische activiteiten in OGSO zouden kunnen profiteren van dezelfde bodemsaneringsnormen als die welke geldig zijn voor de economische activiteiten van het oorspronkelijke gebied, om aanzienlijke meerkosten te voorkomen;

Dat de gemeente Anderlecht vraagt dat steunmaatregelen zouden worden ingevoerd voor de sanering van de gronden, met het oog op de introductie van de huisvesting in deze gebieden;

Overwegende dat verschillende reclamanten vragen om "bufferzones" te voorzien tussen de "industriële" functie en de "woonfunctie", om ervoor te zorgen dat het gemengde karakter van de functies niet de beide functies zou benadelen;

Dat de KCML en verschillende reclamanten onderstrepen dat de co-existentie tussen huisvesting en productieactiviteiten niet evident is vanwege de hinder die wordt veroorzaakt door industriële activiteiten;

Dat een reclamant vraagt dat effectief rekening zou worden gehouden met het keuzecriterium van de gebieden bestemd als OGSO dat stipuleert dat "de economische activiteiten die er thans gevestigd zijn, geen hinder opleveren die ze onverenigbaar maakt met de woonfunctie;

Dat die reclamant bovendien wijst op de noodzaak om GSIrelatief geïsoleerd te houden van de woonfunctie;

Dat de KCML vreest dat de oprichting van woningen ofwel zou gebeuren ten koste van de kwaliteit ervan, ofwel door een groot deel van de bestaande industrie te doen verhuizen;

Overwegende dat de GOC deze bekommernissen deelt en de Regering vraagt om, vóór de inwerkingtreding van het gewijzigd GBP, over te gaan tot de aanpassing van de normen van het besluit van 21/11/2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen, evenals het besluit van 17/12/2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake bodemverontreiniging, met de bedoeling om elke vorm van rechtsonzekerheid te vermijden.

Dat de GOC de mening van het BIM deelt en vraagt dat de OGSO zouden worden ingedeeld in een kwetsbaarheidsklasse die niet rechtstreeks afhankelijk is van het GBP, maar van het feitelijke gebruik van het terrein, zoals dat ook het geval is voor de sterk gemengde gebieden;

Dat de GOC anderzijds vraagt dat de normen van de OGSO geen hindernis zouden vormen voor de bestaande ondernemingen en dat de maatregelen om zich te schikken naar deze normen, niet uitsluitend ten laste zouden vallen van die ondernemingen;

Dat de GOC van mening is dat men de bestaande ondernemingen dient te helpen om hun hinder te beperken;

Dat ze overigens ook oordeelt dat het niet altijd verstandig is om, binnen het OGSO in kwestie, bufferzones te voorzien tussen de ondernemingen en de woningen, omdat dit sowieso dan elke vorm van verticale gemengdheid uitsluit;

Dat ze van oordeel is dat men de keuze moet kunnen behouden tussen verticale of horizontale gemengdheid en dat dit bepaald moet worden op grond van de specifieke configuratie van elk OGSO;

Dat ze evenwel de aandacht vestigt op de moeilijkheden die verbonden zijn aan de cohabitatie tussen functies; Dat men met deze moeilijkheden dient rekening te houden om aan de voorwaarden te kunnen voldoen voor de ontwikkeling van de twee functies zonder de bestaande economische activiteit in het gedrang te brengen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC en van sommige reclamanten volgt betreffende de goedkeuring van de geluids-, sanerings- en interventienormen inzake bodemverontreiniging;

Dat de Regering immers heeft beslist om tegelijk met onderhavige wijziging van het GBP de volgende besluiten te wijzigen : - het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen; - het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen buurtlawaai; - het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake bodemveron-treiniging;

Dat de Regering, zoals wordt aanbevolen door het MER, het BIM en de GOC, voorstelt om de OGSO in te delen in een kwetsbaarheidsklasse die niet rechtstreeks afhankelijk is van het GBP maar van het feitelijke gebruik van het perceel, zoals dat het geval is voor de SGG;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt om geen bufferzones te creëren, aangezien dit elke vorm van verticale gemengdheid uitsluit;

Dat het MER anderzijds aanbeveelt om voor de ondernemingen steunmechanismen te voorzien voor de sanering, maar dat in sommige gevallen een voldoende woningdichtheid een hefboomeffect zou kunnen creëren voor de bodemsanering;

Overwegende dat de Regering de aanbeveling van het MER volgt om de waarden toe te passen die overeenstemmen met een geluidszone van type 4, die momenteel ook van toepassing zijn op de GGB en de SGG;

Overwegende dat het criterium volgens welk "de economische activiteiten die er thans gevestigd zijn, geen hinder opleveren die ze onverenigbaar maakt met de woonfunctie" niet mag worden beschouwd als het enige criterium waarop de keuze van OGSO gebaseerd is;

Dat immers de stedelijke ontwikkeling en het optimale gebruik van het grondgebied niet toelaten dat men zich tot enkel dit criterium zou beperken;

Overwegende dat een groot aantal SGI werden behouden en dus geïsoleerd blijven van de woningen;

Overwegende dat bovendien wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in deel 2.1. Algemeenheden, dat de cohabitatie tussen de functies behandelt; e. Beheer van het gemengd karakter binnen de OGSO Overwegende dat het BIM vraagt dat het beheer van de grote OGSO zou gebeuren via een planningsysteem; Dat het BIM vraagt dat een BBP of richtschema verplicht zou worden voor de gebieden 1, 6, 8, 9, 14,15 en 16 van het ontwerp van GBP;

Dat de Stad Brussel eveneens vraagt om een mechanisme in de aard van de richtschema's uit te werken om de inrichting van de OGSO te beheersen, teneinde de problemen rond speculatie en inrichting op te lossen;

Dat de KCML onderstreept dat er nood is aan een gecoördineerd beheer van de OGSO op globaal niveau;

Dat de KCML zich afvraagt hoe de percentages huisvesting in de OGSO beheerd zullen worden;

Overwegende dat het BROH eveneens vraagt om een mechanisme in te voeren dat een globaal overzicht biedt van de inrichting van de toekomstige OGSO;

Dat dit mechanisme verzekerd zou kunnen worden door een aanlegplan of een operationeel masterplan of een partnership tussen verschillende private actoren of een parapubliek organisme;

Overwegende dat de gemeente Sint-Agatha-Berchem zich vragen stelt bij de uitvoerbaarheid van gemengde projecten huisvesting/ondernemingen door privé-actoren;

Dat volgens deze gemeente de gemengde projecten die vandaag zijn uitgevoerd, het werk zijn van een openbare operator, zijnde de GOMB, en dat ze nog niet echt hun nut hebben bewezen;

Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, het BROH en een reclamant zich scharen achter de ontwikkeling van het gemengd karakter, omdat dit er potentieel kan toe bijdragen om zowel het aantal verplaatsingen als de afstand van de verplaatsingen te verminderen;

Dat het BROH oordeelt dat de functionele gemengdheid borg moet kunnen staan voor een betere levenskwaliteit in de stad;

Dat men in de OGSO daarom voorrang moet geven aan de economische activiteiten die zich laten integreren in het stadsweefsel;

Dat, volgens het BROH, de OGSO eveneens een kans bieden om economische activiteiten aan te trekken die verbonden zijn met de groene, de witte economie en de creatieve economie, alsook voor de ontwikkeling van de overgang naar een functionele economie;

Dat het BROH vraagt dat het glossarium van het GBP zou worden onderzocht om te bepalen op welke manier die activiteiten vergund kunnen worden;

Overwegende dat de GOC het verzoek steunt om te voorzien in een globaal beheersinstrument voor de OGSO, om aldus een goed evenwicht te kunnen garanderen en rekening te houden met de specifieke kenmerken van elk gebied;

Dat dit beheersinstrument een richtschema of masterplan zou kunnen zijn en vervolgens vertaald zou moeten worden in een verordenend instrument;

Dat de GOC vaststelt dat een dergelijk instrument reeds bestaat (richtschema Reyers voor de "Reyers"-pool) of in aanmaak is voor de meeste OGSO (richtschema Schaarbeek Vorming voor de pool "Werkhuizenkaai", Masterplan voorafgaand aan een BBP voor de pool "Biestebroeck");

Dat ze vraagt om die werkzaamheden verder te zetten en een globale visie uit te werken voor elk OGSO (waaronder de polen Erasmus en NAVO die nog niet worden gedekt door deze instrumenten);

Dat ze van mening is dat, in het kader van die globale visie, een operationele structuur in het bijzonder het mechanisme zou moeten omkaderen voor de recuperatie van de meerwaarden die gegenereerd worden door de wijziging van het GBP;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt aangaande de mogelijkheid om te beschikken over een globale visie op de inrichting van de OGSO-polen;

Overwegende dat, zoals wordt onderstreept door de GOC, er al een planningsinstrument bestaat voor de pool Reyers;

Dat een dergelijk instrument ook wordt uitgewerkt voor de polen Mabru, Biestebroeck, Birmingham via het richtschema "Schaarbeek-Vorming" en het "Richtplan Kanaal";

Dat een dergelijk instrument nog moet worden opgestart voor de pool "Erasmus"; dat een BBP wordt uitgewerkt voor de pool "Navo";

Overwegende dat de Regering echter heeft beslist om het MER aan te vullen met illustraties van de stedelijke herstructureringsmogelijkheden in de verschillende OGSO-polen;

Overwegende dat deze instrumenten geen verordenende kracht hebben en dus geen mechanisme kunnen opleggen voor de recuperatie van de meerwaarden; dat voor dit punt wordt verwezen naar de opmerkingen die hiervoor al werden geformuleerd met betrekking tot dit verzoek;

Overwegende dat de oprichting van een operationele structuur zal kunnen worden onderzocht in het kader van de opstelling van het masterplan; f. Compensaties Gelet op de bezwaarschriften die een compensatie vragen voor de transformatie van GSI in OGSO; Gelet op de bezwaarschriften die vragen om gebieden te behouden die uitsluitend zijn voorbehouden voor industrie en ondernemingen waarvan de activiteiten niet verenigbaar zijn met huisvesting;

Gelet op het advies van de GOC die de bezorgdheid om de industriële activiteit te vrijwaren deelt;

Overwegende dat ze denkt dat het moeilijk zal zijn om de oppervlakten van GSI die omgevormd worden tot OGSO te compenseren;

Dat ze daarom vraagt om te voorzien in een mechanisme dat de bestaande ondernemingen in staat stelt om er te blijven en uit te breiden;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat het moeilijk is om te voorzien in een compensatie;

Dat deze overigens niet gerechtvaardigd is aangezien de economische activiteit de hoofdfunctie blijft van het gebied;

Dat ze het advies van de GOC volgt en een bewaringsmechanisme invoert dat wordt uitgelegd in punt 3.2.3. b; g. Transformatie van bepaalde SGG in OGSO Overwegende dat de Stad Brussel oordeelt dat de voorschriften van de SGG interessanter zijn voor de huisvesting; Dat ze oppert dat de SGG, in specifieke situaties, gewijzigd kunnen worden via BBP;

Dat een reclamant oordeelt dat het voorbarig is om sommige SGG om te vormen tot OGSO, in afwachting van het GPDO;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de bestemmingswijziging van de gebieden die getransformeerd worden in OGSO geval per geval moet worden onderzocht;

Overwegende dat de SGG die worden getransformeerd in OGSO de bestaande economische activiteiten in deze gebieden beter beschermen, terwijl de realisatie van woningen is toegestaan zoals al het geval is in de SGG;

Dat de bestemmingswijziging hierna geval per geval wordt onderzocht; h. Erfgoed Overwegende dat de KCML vraagt dat de verwezenlijking van de OGSO in de buurt van het kanaal gepaard zou gaan met de uitwerking van een inventaris van de gebouwen die representatief zijn voor het industrieel erfgoed (19de en 20ste eeuw) en met een studie van hun potentieel; Dat het volgens de KCML weinig zinvol lijkt om de reconversie van de oude industriegebouwen in woningen aan te moedigen, aangezien industriegebouwen zich vaak veel beter lenen tot een andere bestemming dan huisvesting;

Overwegende dat een reclamant vreest dat de OGSO een bedreiging zouden kunnen vormen voor het industrieel erfgoed, in het bijzonder op de sites Biestebroeck en Birmingham;

Overwegende dat de GOC vraagt dat een inventaris van de gebouwen die representatief zijn voor het industrieel erfgoed en de studie van hun potentieel zouden worden geïntegreerd in de richtschema's of masterplannen ter voorbereiding van de verwezenlijking van de OGSO;

Dat ze onderstreept dat landschapsaspecten ook in de kijker moeten gesteld worden, zoals bijvoorbeeld de Zennebedding;

Overwegende dat het MER de effecten van het ontwerp van wijziging op het erfgoed heeft onderzocht en de opmerkelijke elementen van het industrieel erfgoed heeft benadrukt;

Dat het MER oordeelt dat de wijziging van het GBP een gelegenheid is om de elementen met erfgoedwaarde, die soms niet verenigbaar waren met de huidige industriële activiteiten, te behouden en te herwaarderen;

Dat ook de interessante landschapsaspecten, zoals de Zennebedding, worden benadrukt in het MER;

Dat voor het overige de aspecten betreffende de bescherming van het erfgoed en de landschapsaspecten niet onder onderhavige wijziging van het GBP vallen en zullen worden onderzocht in het kader van eventuele BBP en bij het onderzoek van de vergunningsaanvragen; i. Voorschrift 4 bis 1 Overwegende dat een deel van de Economische en Sociale Raad en verschillende reclamanten voorstellen om de functie "handel" in de OGSO te beperken tot handelszaken die de gebruikelijke aanvulling vormen op de voorziene bestemmingen, om meer mogelijkheden te bieden inzake de oppervlakte voor productieactiviteiten en om het schema voor de handelsontwikkeling te respecteren; Overwegende dat de gemeente Sint-Joost-Ten-Noode, de gemeente Jette en een reclamant vragen dat het begrip "in ondernemingen geïntegreerde diensten" duidelijk zou worden gedefinieerd in het glossarium;

Dat de gemeente Schaarbeek vraagt dat dit begrip duidelijk onderscheiden zou worden van het begrip kantoor of van de "activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen";

Overwegende dat de gemeenten Ganshoren, Sint-Jans-Molenbeek, Jette, Vorst, Anderlecht en de Stad Brussel vragen dat zou worden verduidelijkt dat de "grote speciaalzaken" begrepen zijn in de term "handelszaak";

Dat de gemeente Anderlecht vraagt dat het voorschrift expliciet de speciaalzaken zou vermelden;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht vraagt om de hotelfunctie op te nemen in de bestemmingen die zijn toegestaan in de OGSO, aangezien zij complementair is aan de woonfunctie;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de logistieke activiteiten zouden worden opgenomen in de bestemmingen die zijn toegestaan in de OGSO;

Dat het toekomstig Goederenplan de noodzaak aanhaalt om reservegronden te voorzien waar logistieke activiteiten zullen worden toegestaan;

Overwegende dat de gemeente Sint-Joost-Ten-Node vraagt dat het glossarium zou preciseren wat de "groothandelszaak" precies omvat;

Overwegende dat een deel van de Economische en Sociale Raad en een reclamant blij zijn met het feit dat voorschrift 4 bis bevestigt dat de productieactiviteiten de hoofdfunctie van het gebied uitmaken;

Overwegende dat het BROH vraagt dat de hoofdfuncties en secundaire functies zouden worden toegelicht in het voorschrift;

Overwegende dat de Economische en Sociale Raad en de Adviesraad voor Huisvesting wijzen op het belang van het evenwicht tussen de bestemmingen die borg staan voor het gemengd karakter in de OGSO;

Dat de Adviesraad voor Huisvesting de bescherming vraagt van de zwakke functies, zoals de voorzieningen en de stedelijke industrie, ten opzichte van de sterkere functies;

Dat de Economische en Sociale Raad overtuigd is van de noodzaak van het gemengde karakter;

Overwegende dat de Economische en Sociale Raad oordeelt dat het GBP de ondernemingen kleiner dan 2000 m² en verenigbaar met huisvesting, moet helpen om er zich te vestigen;

Dat de Economische en Sociale Raad evenwel vraagt dat de industriële activiteiten en/of productieactiviteiten die noch verenigbaar zijn met huisvesting, noch vatbaar zijn voor verdichting, eveneens steun zouden krijgen om zich te vestigen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Dat de Economische en Sociale Raad bovendien oordeelt dat de afwijkende BBP voortaan verboden zouden moeten worden in de behouden GSI;

Overwegende dat de gemeente Jette vraagt om oppervlaktebeperkingen te voorzien voor de secundaire functies van het gebied, om duidelijk aan te geven wat de hoofdbestemming van het gebied is;

Dat het BIM en de Stad Brussel eveneens van oordeel zijn dat het niet logisch is dat de hoofdbestemmingen onderworpen zouden zijn aan sterkere beperkingen dan de secundaire bestemmingen;

Dat, volgens de Stad Brussel, de voorschriften van de OGSO en SGG te veel op elkaar lijken en dat de OGSO duidelijker voorrang zouden moeten geven aan de economische activiteiten, bijvoorbeeld door de handel te beperken en de bouw van woningen te onderwerpen aan de speciale regelen van openbaarmaking;

Overwegende dat een reclamant eveneens vraagt dat de speciale regelen van openbaarmaking voorzien zouden worden voor de functies vermeld in het tweede lid van voorschrift 4 bis 1 (woningen, handelszaken, voorzieningen...);

Dat een deel van de Economische en Sociale Raad vraagt dat het 3e lid van voorschrift 4 bis 1 zou worden vervangen door de volgende formulering : "De toename van de vloeroppervlakte voor de in het eerste en tweede lid bedoelde activiteiten kan worden vergund nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen." Overwegende dat een reclamant voorstelt om het tweede lid van voorschrift 4 bis 1 als volgt te wijzigen : "Deze gebieden kunnen bijkomend ook worden bestemd voor woningen, handelszaken..." Overwegende dat een reclamant voorstelt om de hoofdbestemming van het gebied te verduidelijken door het voorschrift als volgt aan te passen : 4 bis 1. Deze gebieden worden bestemd voor de productieactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten, namelijk "business to business"-diensten, waarvan de vloeroppervlakte wordt beperkt tot 500 m² per gebouw; 4bis.2. De toename van de vloeroppervlakte voor productieactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten kan worden vergund nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen; 4bis.3. Deze gebieden kunnen ook worden bestemd voor woningen, handelszaken, groothandelszaken en voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;

Overwegende dat een andere reclamant eveneens vraagt om het tweede lid van het voorschrift 4 bis 1, waarin de secundaire activiteiten worden vermeld, te verplaatsen naar voorschrift 4 bis 2, om nog duidelijker te onderstrepen welke de hoofdbestemming is van het gebied;

Overwegende dat verschillende reclamanten wijzen op een vertaalfout in het 3e lid van voorschrift 4 bis 1;

Overwegende dat een reclamant vraagt om in voorschrift 4 bis 1, tussen het 2e en 3e lid, de volgende precisering toe te voegen : "De bestemming voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten in het OGSO is aan geen enkele voorwaarde onderworpen";

Dat deze wijziging tot doel heeft om borg te staan voor de ontwikkeling van depots voor het rollend materieel van de MIVB;

Dat deze reclamant voorstelt om, in het geval dat de voorgaande wijziging niet zou worden weerhouden, het 1ste lid van het voorschrift 4 bis 2 aan te vullen met de woorden "en voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten" en om in voorschrift 4 bis 3 de volgende vermelding toe te voegen : "Deze bepaling is niet van toepassing op de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten." Overwegende dat de GOC een aantal bekommernissen deelt met de reclamanten en vraagt derhalve om voorschrift 4 bis 1 te wijzigen;

Dat ze van mening is dat de zwakke functies zoals de productieactiviteiten beter beschermd moeten worden;

Dat ze derhalve voorstelt om, enerzijds, speciale regelen van openbaarmaking op te leggen voor huisvesting en handel (secundaire functies) en, anderzijds, de handel te beperken tot de handelszaken die de gebruikelijke aanvulling zijn van en behoren bij de andere functies, dit om de bestaande handelskernen te versterken en de hoofdfuncties van de OGSO te ondersteunen;

Dat de grote speciaalzaken dus niet toegelaten zouden mogen worden in de OGSO;

Dat ze er overigens ook aan herinnert dat de groothandel reeds gedefinieerd wordt in het huidige glossarium van het GBP 2001;

Dat de GOC voorstelt om de verwijzing naar de drempel van 2000 m² voor productieactiviteiten te schrappen en alleen een drempel vast te leggen voor de in ondernemingen geïntegreerde diensten, die een verkapte vorm van kantoren vertegenwoordigen;

Dat ze eveneens vraagt om het begrip "in ondernemingen geïntegreerde diensten" duidelijk te definiëren in het glossarium. (overgenomen in voorschrift 5.2, 2e lid);

Dat de GOC van mening is dat de hotelfunctie niet thuis hoort in de OGSO, omdat die zich kan vestigen in andere gebieden in de nabijheid van de OGSO;

Dat ze daarentegen denkt dat het opportuun zou zijn om de logistieke functies en havenactiviteiten op te nemen in de toegestane activiteiten in OGSO, omdat men het gebruik van de waterweg in de gebieden langs het kanaal immers moet aanmoedigen, in het bijzonder om de ontwikkeling van SDC te ondersteunen;

Dat het instrument voor de uitvoering van de OGSO (richtschema of masterplan) moet bepalen welk soort havenactiviteiten of logistieke activiteiten aangewezen is op grond van de specifieke configuratie van elk gebied;

Dat de GOC bijgevolg voorstelt om voorschrift 4 bis 1 te herformuleren als volgt : " 4 bis 1 : Deze gebieden worden bestemd voor de productieactiviteiten, voor logistieke en havenactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten, namelijk "business to business"-diensten, waarvan de vloeroppervlakte wordt beperkt tot 500 m² per gebouw;

Eén lid onthoudt zich; 4bis 1 : Deze gebieden kunnen ook worden bestemd voor woningen, handelszaken die de gebruikelijke aanvulling zijn van en behoren bij de andere functies, groothandelszaken en voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, nadat de handelingen en werken onderworpen zijn aan de speciale regelen van openbaarmaking," Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat, krachtens artikel 42 van het BWRO, de GSI waarvan het ontwerp van gedeeltelijke wijziging de bestemming niet heeft gewijzigd, de komende jaren niet meer het voorwerp zullen kunnen uitmaken van afwijkende BBP;

Overwegende dat de functionele gemengdheid die wordt nagestreefd in de OGSO de mogelijkheid omvat om te beschikken over buurtwinkels; dat deze immers nodig zijn voor het creëren van nieuwe gemengde wijken; dat de Regering niet inziet waarom groothandelszaken en grote speciaalzaken zich niet zouden mogen vestigen in OGSO omdat het toch economische activiteiten betreft met een potentieel aan arbeidsplaatsen, die verzoend kunnen worden met de woonfunctie;

Dat de inplanting van handelszaken, groothandelszaken en grote speciaalzaken voortaan beperkt wordt door voorschrift 9 bis 2 in functie van drempels die identiek zijn aan deze van de sterk gemengde gebieden; dat om rekening te houden met de werkgelegenheids-capaciteit van dit soort economische activiteiten en de zowel rechtstreekse als onrechtstreekse weerslag hiervan ook voorzien wordt in een mogelijkheid om deze drempels te verhogen voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden : 1° de toename van de oppervlakten moet naar behoren gemotiveerd zijn om sociale of economische redenen;2° de plaatselijke omstandigheden moeten deze toename toelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoofdfunctie van het gebied;3° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan bijzondere bekend-makings maatregelen; Dat voorschrift 9 bis 2 dus als volgt zal worden geformuleerd : "De vloeroppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 1000 m² voor handelszaken die niet voldoen aan de omschrijving van grote speciaalzaken, 2500 m² voor groothandelszaken en 3500 m² voor grote speciaalzaken;

De toename van de vloeroppervlakte mag worden toegestaan onder de volgende voorwaarden : 1° de toename van de oppervlakten moet naar behoren gemotiveerd zijn om sociale of economische redenen;2° de plaatselijke omstandigheden moeten deze toename toelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoofdfunctie van het gebied;3° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan bijzondere bekend-makings maatregelen; Overwegende dat het begrip "handelszaak" ook de "grote speciaalzaak" omvat;

Dat de definitie van grote speciaalzaak in het glossarium verwijst naar die van handelszaak;

Dat het derhalve niet nodig lijkt om ze nog verder te definiëren;

Overwegende dat het begrip " in de ondernemingen geïntegreerde diensten" is bepaald in voorschrift 5.2; dat omwille van de juridische veiligheid deze definitie zal worden opgenomen in het glossarium van het GBP; dat dit begrip daardoor duidelijk wordt onderscheiden van het begrip "kantoor" of "activiteiten voor de vervaardiging van immateriële goederen";

Overwegende dat het niet opportuun lijkt om de hotelfunctie op te nemen in de OGSO; dat de OGSO immers niet op de toeristische of zakelijke assen zijn gelokaliseerd; dat het derhalve niet opportuun lijkt om er hotelmogelijkheden voor te behouden;

Overwegende dat uit de studies waarop onderhavige wijziging van het GBP gebaseerd is blijkt dat logistieke activiteiten doorgaans geen harmonieuze cohabitatie met meer "stedelijke" functies mogelijk maken; dat het daarom niet verstandig lijkt om logistieke functies toe te staan in de OGSO;

Dat er gronden beschikbaar blijven om infrastructuren te ontwikkelen van het type SDC;

Overwegende dat het glossarium het begrip "groothandelszaak" definieert;

Overwegende dat in de herformulering van het voorschrift van de OGSO duidelijk blijkt dat de productieactiviteiten een hoofdfunctie vormen; dat, om de hoofdfuncties te onderscheiden van de secundaire functies, ze respectievelijk worden opgenomen in voorschrift 9 bis 1 en 9 bis 2;

Overwegende dat het programma van voorschrift 9 bis 4 werd herzien en niet meer wordt geformuleerd in vloeroppervlakte voor de productieactiviteiten; dat deze het grootste deel van de grondinname van de betreffende projecten moeten innemen;

Overwegende dat, zoals de GOC opmerkt, de industriële functies van de GSI eveneens worden bevestigd door onderhavige wijziging van het GBP; dat de GSI op korte en middellange termijn de komende jaren dus niet het voorwerp zullen kunnen uitmaken van afwijkende BBP;

Overwegende dat de secundaire functies niet automatisch het voorwerp moeten uitmaken van bijzondere maatregelen van openbaarmaking aangezien ze toegelaten bestemmingen zijn in het gebied;

Overwegende dat deze secundaire bestemmingen niet bij de andere functies horen; dat er dus geen gevolg kan worden gegeven aan het verzoek om het voorschrift in die zin te herformuleren;

Overwegende dat het niet opportuun lijkt om de vloeroppervlakte van de in de ondernemingen geïntegreerde diensten te beperken; dat deze bestemming een hoofdfunctie vormt van het gebied;

Overwegende dat werd geantwoord op de voorstellen om het voorschrift te herformuleren teneinde een onderscheid te maken tussen de hoofdfuncties en de secundaire functies;

Overwegende dat de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten in toepassing van voorschrift 0.7 overal en zonder beperking kunnen worden ingeplant; dat het daarom niet nodig is om gevolg te geven aan het verzoek om het voorschrift voor dit punt te herformuleren; j. Voorschrift 4 bis 2 Overwegende dat de gemeente Schaarbeek oordeelt dat men het tweede lid van voorschrift 4 bis 2 zou moeten schrappen om de gelijkvloerse verdiepingen voor te behouden voor andere functies dan huisvesting, omdat de mogelijkheid om gebouwen volledig te bestemmen voor huisvesting in strijd is met een doelstelling van het plan, die erin bestaat de harmonische cohabitatie en het gemengd karakter van de verschillende functies na te streven; Overwegende dat een reclamant voorstelt om het voorschrift 4 bis 2 te wijzigen als volgt : "4 bis 2. Deze gebieden kunnen ook worden bestemd voor woningen, handelszaken, groothandelszaken en voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;

De gelijkvloerse verdiepingen van de gebouwen worden bestemd voor productieactiviteiten, de in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken, groothandelszaken en de toegangen tot de bovenverdiepingen en ondergrondse parkings;

De bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor huisvesting kan worden vergund indien de plaatselijke omstandigheden geen andere bestemmingen toelaten en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen.";

Dat het volgens deze reclamant essentieel is om de gelijkvloerse verdiepingen voor te behouden voor economische activiteiten en er enkel woningen toe te laten wanneer is aangetoond dat er geen productieactiviteiten, handelszaken of andere bestemmingen kunnen worden voorzien die bijzondere technische kenmerken, een bijzondere toegang vereisen...;

Overwegende dat een deel van de Economische en Sociale Raad en verschillende reclamanten vragen om het tweede lid van voorschrift 4 bis 2 te wijzigen als volgt : "De bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor huisvesting kan worden vergund indien de plaatselijke omstandigheden geen andere bestemmingen toelaten en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen";

Dat een ander deel van de Economische en Sociale Raad vraagt dat het voorschrift 4 bis 2 zou worden gewijzigd als volgt : "De bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor huisvesting kan enkel worden vergund wanneer blijkt dat er geen productieactiviteit of andere activiteit kan worden voorzien die bijzondere technische kenmerken vereist (hoogte, draagkracht van de vloer, bijzondere toegang ...) en wanneer de plaatselijke omstandigheden geen andere bestemmingen toelaten en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen";

Dat men volgens deze leden de transformatie van werkplaatsen voor productieactiviteiten in woningen zoveel mogelijk moet vermijden;

Overwegende dat het BIM en een reclamant vragen dat het GBP of de GSV een specifieke architecturale vorm zou opleggen (plafondhoogte, toegang, draagvermogen ...) in de OGSO ter ondersteuning van de bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor productieactiviteiten;

Overwegende dat het BIM en de Stad Brussel vragen dat de voorzieningen eveneens zouden worden vergund op de gelijkvloerse verdiepingen in de OGSO;

Overwegende dat het BIM vraagt dat voorschrift 4 bis 2 gekoppeld zou worden aan een voorschrift dat borg staat voor de kwaliteit van de binnenterreinen van huizenblokken voor huisvesting en tegelijkertijd de leefbaarheid van de ondernemingen zou garanderen;

Overwegende dat de Stad Brussel zich vragen stelt over het feit dat verticale gemengdheid wordt aanbevolen via voorschrift 4 bis 2 (productieactiviteiten op het gelijkvloers), terwijl het MER aantoont dat dit soort gemengdheid moeilijk is toe te passen en bepaalde nadelen inhoudt;

Overwegende dat de GOC meent dat men de mogelijkheid moet behouden om de gelijkvloerse verdiepingen te bestemmen voor huisvesting, mits speciale regelen van openbaarmaking, om een zekere keuzevrijheid te bewaren tussen de verticale of horizontale gemengdheid, al naargelang de specifieke configuratie van het gebied;

Dat ze eveneens vraagt om aan het voorschrift de mogelijkheid toe te voegen om voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten te verwezenlijken op de gelijkvloerse verdiepingen;

Dat ze vraagt dat de Regering de GSV zou wijzigen om te voorzien in een specifieke architecturale vorm (plafondhoogte, toegang, draagvermogen...) en de reconversiemogelijkheid te verplichten voor de gelijkvloerse verdiepingen in de OGSO;

Dat ze, met betrekking tot de binnenterreinen van huizenblokken, erop wijst dat voorschrift 0.6 van het GBP en de bepalingen van de GSV van toepassing zijn in de OGSO;

Dat de GOC bijgevolg vraagt om het voorschrift te wijzigen als volgt : "4 bis 2. De gelijkvloerse verdiepingen van de gebouwen worden bestemd voor productieactiviteiten, in ondernemingen geïntegreerde diensten, groothandelszaken en handelszaken die de gebruikelijke aanvulling zijn van en behoren bij de andere functies;

De bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor huisvesting en voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten kan worden vergund indien de plaatselijke omstandigheden dit toelaten en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen";

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt aangaande de keuzevrijheid tussen de verticale en horizontale gemengdheid; dat het MER niet de moeilijkheid van een verticale gemengdheid aantoont, maar de belangrijkste aandachtspunten uiteenzet;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt aangaande de toepassing van voorschrift 0.6. voor de binnenterreinen van huizenblokken;

Overwegende dat het verzoek tot wijziging van de GSV niet binnen het kader van de wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat de voorzieningen van collectief belang volgens voorschrift 0.7 overal kunnen worden ingeplant; dat het derhalve niet nodig is om de gevraagde wijziging toe te voegen; k. Voorschrift 4 bis 3 Overwegende dat een reclamant zijn goedkeuring hecht aan de keuze van de drempelwaarde van 10 000 m², omdat die volstaat voor de productieactiviteiten om de uitbouw van een klein K.M.O.-park en de goede werking ervan mogelijk te maken;

Overwegende dat verschillende reclamanten oordelen dat voorschrift 4 bis 3 gewijzigd moet worden omdat het in strijd is met de hoofdbestemming van de OGSO, zijnde de productieactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten; dat het voorschrift 4 bis 3 onder de opgesomde economische activiteiten bepaalde activiteiten vermeldt zoals handelszaken of groothandelszaken, die geen hoofdbestemmingen van het OGSO zijn;

Dat verschillende reclamanten vragen dat de quota die aan de verschillende activiteiten worden toegekend zouden worden herzien;

Dat sommige bezwaarschriften pleiten voor een verhoging van het quotum bestemd voor productieactiviteiten, omdat het de hoofdfunctie van de zone betreft; dat andere reclamanten een aanpassing van de quota voor woningen en productieactiviteiten vragen, met een verhoging van de quota voor huisvesting, om een verdichting van de zones mogelijk te maken en rekening te houden met de vervuiling van de gebieden;

Dat sommige reclamanten, waaronder de gemeente Anderlecht, vragen dat voor de economische activiteiten een quotum zou worden vastgesteld volgens de grondinname en voor de woningen volgens de vloeroppervlakte, om een verdichting van de huizenblokken mogelijk te maken en rekening te houden met het feit dat de economische activiteit moeilijk op de bovenverdiepingen kan worden gevestigd;

Dat het BIM oordeelt dat het onbeperkt openstellen van oppervlaktes voor elk project kleiner dan 10 000 m² het gevaar met zich meebrengt dat de niet-tertiaire werkgelegenheid zou verdwijnen;

Overwegende dat het BROH en een reclamant voorstellen dat het project het voorwerp moet uitmaken van één enkele aanvraag van stedenbouwkundige vergunning;

Dat volgens een reclamant een oplossing erin zou bestaan om het programma van het gebied te bepalen via een verkavelingsvergunning;

Overwegende dat de Stad Brussel vraagt dat het voorschrift een maximale oppervlakte voor handelszaken oplegt die niet overschreden mag worden;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het voorschrift een quotum van minimum 30 % economische activiteiten zou opleggen ten opzichte van de grondoppervlakte en niet 30 % van de vloeroppervlakte van het project, uit vrees dat de bouwdichtheid erdoor beperkt wordt, en dus ook de oppervlakten die bestemd zouden kunnen worden voor andere functies, zoals huisvesting en voorzieningen;

Dat de gemeente Anderlecht voorstelt om aspecten inzake bodemverontreiniging ook in aanmerking te nemen, door de drempels en quota geval per geval te bepalen, rekening houdend met de verontreiniging van de bodem;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht oordeelt dat voorschrift 4 bis 3 niet van toepassing zou mogen zijn in het geval van een grote speciaalzaak;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht bovendien vraagt dat praktische modaliteiten voorzien zouden worden om ondernemers, wier vak niet bestaat uit de productie en het beheer van vastgoed, in staat te stellen om onroerend goed te ontwikkelen om er hun activiteit te huisvesten;

Dat in dat verband publiek-private partnerships aangemoedigd zouden kunnen worden met bijvoorbeeld - de GOMB, die zou instaan voor de ontwikkeling van de woongedeelten gekoppeld aan economische projecten;

Overwegende dat de Stad Brussel, het BROH en het BIM vragen dat een minimumpercentage zou worden opgelegd voor de verwezenlijking van groene ruimtes en voorzieningen in het kader van het programma voor de projecten van meer dan 10 000 m²;

Dat dit verzoek tot doel heeft de levenskwaliteit van de toekomstige inwoners van de OGSO te verbeteren;

Overwegende dat een reclamant voorstelt om het voorschrift 4 bis 3 te wijzigen als volgt : "De verwezenlijking van een project met minstens 5 000 m² vloeroppervlakte kan worden vergund indien het voorziet dat minstens 50 % van de vloeroppervlakte bestemd wordt voor productieactiviteiten, de in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en groothandelszaken en maximaal 40 % van de vloeroppervlakte bestemd wordt voor huisvesting, en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen." Dat het er volgens deze reclamant op aankomt om te zorgen dat de vastgoeddruk op deze gebieden niet te groot wordt, dit door een minder groot gedeelte voor te behouden voor huisvesting;

Overwegende dat de gemeente Schaarbeek vraagt om erop toe te zien dat de algemene bewaringsclausule (0.9) van het GBP toegepast wordt op de bestaande ondernemingen bij projecten van meer dan 10 000 m²;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat het opleggen van één enkele vergunningsaanvraag een garantie biedt voor de effectieve uitvoering van het programma;

Dat er een evenwicht moet worden gezocht tussen de verschillende functies en dat het minimum moet worden verlaagd tot 50 % voor huisvesting;

Dat ze eraan herinnert dat men noch de verticale, noch de horizontale gemengdheid mag uitsluiten, en dat de preciezere evenwichtsverhoudingen bepaald moeten worden door een instrument dat een globale visie voor het gebied vastlegt;

Dat ze van mening is dat de productie van woningen in de OGSO gepaard moet gaan met voorzieningen en groene ruimten om de wijken leefbaar te maken;

Dat ze van mening is dat de drempel van 10 000 m² geschikt is voor de ontwikkeling van een echt gemengd project. Dat de GOC meent dat voorzien zou moeten worden in steun voor de ondernemingen, om hen aan te sporen en te helpen om gemengde projecten te ontwikkelen, zoals de ervaring van het GOMB;

Dat het haar aangewezen lijkt om de ontwikkeling van projecten van meer dan 10 000m² toe te laten op verschillende aan elkaar grenzende huizenblokken;

Dat ze het niet opportuun acht om het programma van 4 bis aan te passen op grond van de verontreinigingsgraad van de terreinen en dat deze kwestie afzonderlijk moet worden geregeld, in een specifiek instrument;

Dat bijgevolg de GOC voorstelt om het voorschrift te herformuleren als volgt : "4 bis 3. De verwezenlijking van een project met minstens 10 000 m² vloeroppervlakte, verdeeld over één of meerdere huizenblokken, kan worden vergund onder de volgende voorwaarden en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen : 1° het project maakt het voorwerp uit van één enkele aanvraag van stedenbouwkundige vergunning;2° het project voorziet in minstens 30 % vloeroppervlakte voor productieactiviteiten, minstens 30 % vloeroppervlakte voor woningen en minstens 5 % vloeroppervlakte voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten; 3° het project voorziet in minstens 20 % grondoppervlakte voor groene ruimten." Overwegende dat een project het voorwerp uitmaakt van één enkele vergunningsaanvraag; dat het derhalve niet opportuun is om het voorschrift voor dit punt aan te vullen;

Overwegende dat een project op meerdere huizenblokken kan worden gevestigd; dat het dus niet nodig is om deze kwestie te preciseren in het voorschrift;

Gelet op de verschillende bezwaren betreffende het programma en de nieuwe formulering ervan in voorschrift 9 bis 4, opgesteld als volgt : "9bis.4. De verwezenlijking van een project met minstens 10 000 m² vloeroppervlakte kan worden vergund onder de volgende voorwaarden en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaar making werden onderworpen : 1° Het project voorziet in de bestemming van minstens 90 % van de grondinname van het project voor productieactiviteiten, in de ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en groothandelszaken;2° Het project voorziet in minstens 40 % vloeroppervlakte voor woningen"; Dat deze herformulering zowel tegemoetkomt aan de bezwaarschriften die menen dat het contradictorisch is om quota toe te kennen aan de hoofdfuncties, ten opzichte van de secundaire functies, als aan deze die ervoor pleiten om rekening te houden met de zorg om verdichting en grondinname van de productieactiviteiten;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat de kwestie van verontreiniging niet binnen het kader van het GBP valt,;

Overwegende dat wordt verwezen naar de opmerkingen die al werden geformuleerd in de delen 2.1. Algemeenheden en 3.2.3. OGSO Algemeenheden aangaande de groene ruimtes in de OGSO;

Overwegende dat voorzieningen overal, zonder beperkingen, mogen worden ingeplant en het niet opportuun is om er een minimumquota voor te bepalen;

Overwegende dat wordt verwezen naar de opmerkingen die hierboven al werden geformuleerd aangaande de bewaringsclausule; l. Voorschrift 4 bis 4 Overwegende dat de gemeente Ganshoren, de gemeente Jette en het BROH vragen om voorschrift 4 bis 4 te preciseren, omdat het te vaag is en moeilijk te hanteren in de praktijk; Overwegende dat de gemeente Jette vraagt om het begrip "verenigbaar zijn met de andere activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de omliggende huizenblokken" te preciseren;

Overwegende dat een deel van de Economische en Sociale Raad en sommige reclamanten vrezen dat de verplichting van verenigbaarheid die in voorschrift 4 bis 4 is opgenomen, zich vooral richt tot de ondernemingen, terwijl die nochtans de hoofdbestemming van het gebied uitmaken;

Overwegende dat het BIM vraagt dat aan de derde voorwaarde van 4 bis 4 de volgende zin zou worden toegevoegd : "over de verenigbaarheid wordt beslist na advies van de Overlegcommissie", om deze verenigbaarheid geval per geval te onderzoeken;

Overwegende dat het BIM vraagt dat de verplichting van het gemengd karakter in punt 1 van het voorschrift 4 bis 4 zou worden geschrapt teneinde ze te beperken tot de projecten voorzien door 4 bis 3;

Dat het opleggen van het gemengd karakter per huizenblok de ondernemingen uit hun historisch gebied zou kunnen verjagen in het geval er geen enkele andere bestemming aangevraagd zou worden;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het voorschrift het gemengd karakter zou opleggen op het niveau van de pool en niet per huizenblok;

Overwegende dat het BIM voorstelt om een 4de voorwaarde toe te voegen aan voorschrift 4 bis 4 : "De projecten voorzien minstens 20 % grondoppervlakte voor doorlaatbare groene ruimten";

Overwegende dat de GOC van mening is dat voorschrift 4 bis 4 te vaag en onnauwkeurig is en bijgevolg vatbaar voor zeer uiteenlopende interpretaties;

Dat ze vreest dat de eisen van verenigbaarheid van de activiteiten vooral ten laste van de bedrijven zal vallen; dat de GOC vraagt om de volgende zin toe te voegen : "Nieuwe functies worden slechts onverenigbaar verklaard na advies van de Overlegcommissie. Deze beslist daarover op grond van een milieueffectenanalyse (rapport of studie)";

Overwegende dat, zoals wordt benadrukt in het MER, de formulering van het voorschrift vatbaar is voor subjectieve interpretatie van de manier waarop de projecten "de structurering van het stadsweefsel" en de verenigbaarheid van de functies bevorderen;

Dat het beoordelingselementen betreft die betrekking hebben op de goede plaatselijke aanleg, volgens de vergunnende overheid, maar ook volgens de eigenschappen van elke OGSO-pool;

Dat wordt verwezen naar de opmerkingen die werden geformuleerd over hoe de "structurering van het stadsweefsel" en de "verenigbaarheid tussen de functies" in deel 2.1. Algemene voorschriften betreffende alle zones moet worden geïnterpreteerd;

Overwegende de hierna volgende herformulering van voorschrift 4 bis 4 en 9 bis 6 : "Algemene voorwaarden voor alle bestemmingen bedoeld in de voorschriften 9 bis 1 tot 9 bis 4 : a) De projecten garanderen de gemengdheid van het gebied;b) De projecten bevorderen de structurering van het stedelijk weefsel;c) De aard van de activiteiten moet verenigbaar zijn met de andere activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de omliggende huizenblokken"; Overwegende dat voorschrift 9 bis 6 betreffende de algemene voorwaarden die voor alle bestemmingen moeten worden gerespecteerd niet van toepassing is op voorschrift 9 bis 4 betreffende de bewaringsclausule;

Dat dus gemengdheid niet wordt opgelegd aan de bestaande activiteiten;

Overwegende dat de vergunnende overheden geval per geval onderzoeken; dat het niet aan de Overlegcommissie is, wiens advies niet consultatief is, om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de functies; m. Conclusie Als conclusie stelt de Commissie voor om voorschrift 4 bis te herschrijven als volgt : 4 bis 1 : Deze gebieden worden bestemd voor de productieactiviteiten, voor logistieke en havenactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten, namelijk "business to business"-diensten, waarvan de vloeroppervlakte wordt beperkt tot 500 m² per gebouw.Eén lid onthoudt zich; 4 bis 2. Deze gebieden kunnen ook worden bestemd voor woningen, handelszaken die de gebruikelijke aanvulling zijn van en behoren bij de andere functies, groothandelszaken en voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, nadat de handelingen en werken werden onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking"; 4 bis 3. De gelijkvloerse verdiepingen van de gebouwen worden bestemd voor productieactiviteiten, in ondernemingen geïntegreerde diensten, groothandelszaken en handelszaken die de gebruikelijke aanvulling zijn van en behoren bij de andere functies;

De bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor huisvesting en voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten kan worden vergund indien de plaatselijke omstandigheden dit toelaten en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen; 4 bis 4. De verwezenlijking van een project met minstens 10 000 m² vloeroppervlakte, verdeeld over één of meer huizenblokken, kan worden vergund onder de volgende voorwaarden en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen; 1° het project maakt het voorwerp uit van één enkele aanvraag van stedenbouwkundige vergunning;2° het project voorziet in minstens 30 % vloeroppervlakte voor productieactiviteiten, minstens 30 % vloeroppervlakte voor woningen en minstens 5 % vloeroppervlakte voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;3° het project voorziet in minstens 20% grondoppervlakte voor groene ruimten; 4 bis 5. Algemene voorwaarden voor alle bestemmingen bedoeld in de voorschriften 4 bis 1 tot 4 bis 4 : 1. De projecten verzekeren het gemengde karakter van het huizenblok;2. De projecten bevorderen de structurering van het stedelijk weefsel;3. De aard van de activiteiten moet verenigbaar zijn met de andere activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de omliggende huizenblokken.De nieuwe functies worden slechts onverenigbaar verklaard na advies van de Overlegcommissie. Deze beslist daarover op grond van een milieueffectenanalyse (rapport of studie); 4 bis 6. Voor zover een productieactiviteit wordt behouden en minstens dezelfde oppervlakte beslaat als oorspronkelijk, gelden de verplichtingen van voorschrift 4bis niet voor bestaande gebouwen die gebruikt worden door productieactiviteiten die het voorwerp kunnen uitmaken van handelingen en werken die gericht zijn op de uitbreiding, verbouwing, zware renovatie of afbraak-wederopbouw van het gebouw;

NB : Voor zover 4bis1 zoals voorgesteld door de Commissie wordt goedgekeurd;

Als conclusie stelt de Regering voor om, in het licht van wat voorafgaat, het voorschrift betreffende het OGSO te herschrijven als volgt : 9 bis 1 Deze gebieden worden bestemd voor de productieactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten, namelijk "business to business"-diensten, waarvan de vloeroppervlakte wordt beperkt tot 2 000 m² per gebouw;

De toename van de vloeroppervlakte voor productieactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten kan worden vergund nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen; 9 bis 2 Deze gebieden kunnen ook worden bestemd voor woningen, handelszaken, groothandelszaken en voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten.

De vloeroppervlakte bestemd voor andere handelszaken dan grote speciaalzaken mag niet meer bedragen dan 1 000 m² per gebouw, niet meer dan 2500 m² voor groothandelszaken en niet meer dan 3 500 m² voor grote speciaalzaken;

De toename van de vloeroppervlakte mag worden toegestaan onder de volgende voorwaarden : 1° de toename van de oppervlakten moet naar behoren gemotiveerd zijn om sociale of economische redenen;2° de plaatselijke omstandigheden moeten deze toename toelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoofdfunctie van het gebied;3° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan bijzondere bekend-makings maatregelen; 9 bis 3 De gelijkvloerse verdiepingen van de gebouwen zijn bestemd voor productieactiviteiten, de in ondernemingen geïntgreerde diensten, handelszaken en groothandelszaken;

De bestemming van de gelijkvloerse verdiepingen voor woningen kan worden vergund onder de volgende voorwaarden : a) De lokale omstandigheden laten deze bestemming toe zonder de hoofdfuncties van het gebied in het gedrang te brengen;b) De handelingen en werken werden onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking; 9 bis 4 De verwezenlijking van een project met minstens 10 000 m2 vloeroppervlakte kan worden vergund onder de volgende voorwaarden en nadat de handelingen en werken werden onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking : 1° Het project voorziet in de bestemming van minstens 90 % van de grondinname van het project voor productieactiviteiten, de in de ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en groothandelszaken;2° Het project voorziet in minstens 40 % vloeroppervlakte voor woningen; 9 bis 5 Er kan worden afgeweken van voorschrift 9 bis 4 voor de verbouwings- of uitbreidingswerken aan bestaande gebouwen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor productieactiviteiten, de in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken of groothandelszaken voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden : a) De verbouwing of uitbreiding is noodzakelijk voor de behoeften van de bestaande onderneming;b) De verbouwing of uitbreiding is behoorlijk omkleed met economische en sociale redenen;c) de werken en handelingen werden onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking; 9 bis 6 Algemene voorwaarden voor alle bestemmingen bedoeld in de voorschriften 9 bis 1 tot 9 bis 4 : a) De projecten garanderen de gemengdheid van het gebied;b) De projecten bevorderen de structurering van het stedelijk weefsel;c) De aard van de activiteiten moet verenigbaar zijn met de andere activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de omliggende huizenblokken; n. Andere Overwegende dat de gemeente Anderlecht zich afvraagt of voorschrift 0.7. van het GBP van toepassing is in de OGSO;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat de algemene voorschriften van toepassing zijn in alle gebieden, maar aan de Regering toch vraagt om te preciseren op welke manier voorschrift 0.7. gekoppeld moet worden aan de bijzondere voorschriften van de OGSO, in het bijzonder de verplichtingen vermeld in voorschrift 4 bis 3;

Overwegende dat voorschrift 0.7. van toepassing is in alle gebieden, ongeacht de grenzen en beperkingen die zijn opgelegd in de bijzondere voorschriften betreffende deze gebieden;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht vraagt dat men strategische maatregelen en instrumenten zou voorzien (met name via het GPDO) ter ondersteuning van de nieuwe lasten die de gemeentelijke overheid moet dragen inzake infrastructuren, voorzieningen, mobiliteit en diensten die nodig zijn in het licht van de bevolkingsgroei;

Dat de gemeente Anderlecht met name vraagt dat het Gewest zou samenwerken met de plaatselijke overheid om de mobiliteitsopties te coördineren die ontwikkeld moeten worden om het gebruik van het openbaar vervoer in de OGSO te bevorderen;

Overwegende dat de GOC het deels eens is met deze beschouwingen maar meent dat deze bezwaren niet kaderen in de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze bezwaren niet binnen het kader van de wijziging van het GBP vallen;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht vraagt dat de GSV zou worden aangepast om rekening te houden met de nieuwe bouwtypologieën die vereist zullen zijn in de OGSO (plafondhoogte, converteerbaarheid van de gebouwen...);

Overwegende dat de GOC vraagt dat de GSV zou worden aangepast om rekening te houden met de nieuwe bouwtypologieën van gemengde projecten (plafondhoogte, reconversiemogelijkheden van gebouwen...);

Overwegende dat deze bezwaren niet binnen het kader van de wijziging van het GBP vallen;

Overwegende dat een reclamant vraagt om rekening te houden met het juridisch probleem dat wordt gecreëerd met betrekking tot het saldo van de toelaatbare kantooroppervlakten in de OGSO;

Dat sommige OGSO momenteel geen woongebieden en gemengde gebieden zijn;

Dat het saldo van een maas die dit type OGSO bevat, dus geen rekening zou houden met de kantoren die aanwezig zijn in het gebied en dat dit niet meer correct zou zijn;

Overwegende dat de GOC de Regering vraagt om het juridisch probleem met betrekking tot de toepassing van de KaSTK in de OGSO te regelen; dat het immers zo is dat voorschrift 0.14 van het GBP vermeldt dat de KaSTK van toepassing is in de gebieden met gemengd karakter, waarvan de OGSO voortaan deel uitmaken;

Dat volgens de Commissie voorschrift 0.14 niet van toepassing zou mogen zijn in de OGSO, aangezien er geen kantoren zijn toegelaten;

Overwegende dat de Regering, bewust van deze kwestie, heeft besloten om het OGSO onder te brengen in de "andere activiteitsgebieden" en niet meer in de "gemengde gebieden";

Overwegende dat het BIM vraagt dat aan elk nieuw urbanisatieproject dat mogelijk gemaakt wordt door de wijziging van het GBP compensatiemaatregelen zouden worden gekoppeld om de impact op het overstromingsgevaar te neutraliseren, of zelfs om de toestand te verbeteren, en dit zowel voor bouwwerken als voor openbare ruimten;

Dat volgens het BIM het ontwerp van wijziging van het GBP onvermijdelijk zal leiden tot een toename van de ondoorlaatbaarheid van de bodem in vergelijking met de huidige feitelijke toestand (urbanisatie van braakliggende terreinen) maar ook ten opzichte van de huidige rechtstoestand;

Dat het BIM de aandacht vestigt op het verhoogde overstromingsgevaar dat het gevolg kan zijn van een dichte urbanisatie indien die niet gepaard gaat met adequate maatregelen ter compensatie van de negatieve effecten;

Overwegende dat de GOC deze bekommernissen deelt en vraagt dat de GSV zou worden aangepast om rekening te houden met de verdichting van de stad als gevolg van de bevolkingsgroei, door normen op te leggen die voorzien in het behoud van voldoende doorlaatbare groene ruimten;

Overwegende dat het MER aanbeveelt om de doorlaatbare oppervlaktes te optimaliseren, door de keuze van de materialen aan te passen;

Overwegende dat deze opmerkingen voor het overige niet binnen het kader van de wijziging van het GBP vallen; 3.3. Industriegebieden 3.3.1. Gebied voor stedelijke industrie (GSI) a. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant vraagt dat de Regering gebruik zou maken van de andere instrumenten die tot haar beschikking staan om het probleem van de hoge leegstand in bepaalde GSI aan te pakken in plaats van hun bestemming te wijzigen;dat die reclamant voorstelt om bijvoorbeeld gebruik te maken van artikel 257 van het BWRO dat stipuleert dat de niet-uitgebate bedrijfsruimten die ingeschreven zijn in de inventaris die wordt beheerd door de GOMB, het voorwerp moeten uitmaken van een rehabilitatie en een herbestemming door de eigenaars;

Overwegende dat de GOC deze bekommernissen deelt maar meent dat deze veeleer betrekking hebben op het GPDO dan op het GBP;

Overwegende dat de preambule van het ontwerp ter wijziging van het GBP wijst op de noodzaak om een aantal industriegebieden te handhaven binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met het oog op economische activiteiten die onverenigbaar zijn met wonen maar die niettemin nuttig zijn voor de werking van de stad;

Dat aangezien de lijst van de productieve activiteiten van meer dan 1 000 m² aantoont dat ongeveer 700 000 m² van het vloeroppervlak van werk- en opslagplaatsen onbenut blijft en dat in verband met de woonbehoeften gebleken is dat het passend zou zijn een functionele gemengdheid toe te laten binnen bepaalde industriegebieden;

Dat, om aan deze dubbele doelstelling te voldoen, de Regering heeft voorgesteld om 16 % van het totale oppervlak van de GSI van het GBP te transformeren, zijnde 97 ha; dat als gevolg daarvan, gezien het lage percentage van de GSI die worden omgezet in OGSO, de Regering de noodzaak heeft ingezien om industriegebieden te handhaven;

Overwegende dat de toepassing van artikel 257 van het BWRO, bedoeld voor toepassing op niet-uitgebate bedrijfsruimten die zijn opgenomen in de inventaris beheerd door het GOMB, en dat ongeacht de bestemming van het gebied; dat de toepassing van een dergelijk instrument overigens niet past binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Overwegende dat een reclamant van mening is dat de bescherming van de GSI van cruciaal belang is ter bescherming van de industriële werkgelegenheid en om de uitbreiding ervan mogelijk te maken;

Dat volgens deze reclamant het creëren van banen voor laaggeschoolden een prioriteit zal blijven in de komende tien jaar;

Overwegende dat de GOC deze mening deelt en eraan herinnert dat de bescherming van industriële activiteiten in het Gewest van primordiaal belang is;

Overwegende dat enerzijds verwezen wordt naar bovengenoemde opmerkingen in verband met het behoud van een groot aantal ha GSI; dat anderzijds in de preambule van het ontwerp ter wijziging van het GBP wordt gesteld dat de gewenste functionele mix binnen de OGSO precies een verdichting van deze gebieden beoogt ten behoeve van de woongelegenheid, maar eveneens ten behoeve van economische activiteiten die werkgelegenheid scheppen; dat uit de preambule eveneens blijkt dat het opleggen van een plafond van 2 000 m² vloeroppervlak per gebouw voor de productieve activiteiten en bij de bedrijven geïntegreerde diensten in de OGSO is ingegeven door de vaststelling dat kleinere bedrijven meer banen per m² kunnen genereren;

Dat de Regering dus wel degelijk aandacht heeft gehad voor het creëren van banen voor laaggeschoolden; b. Bijzondere voorschriften Dat de Regering dus wel degelijk aandacht heeft gehad voor het creëren van banen voor laaggeschoolden;1° de aard van de activiteiten moet verenigbaar zijn met de andere activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de omliggende huizenblokken;2° de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en de landschapsinrichting van hun naaste omgeving moeten hun inpassing mogelijk maken in zowel het natuurlijk als bebouwd stedelijk kader.3° de omgeving van de bouwwerken en installaties en de braakliggende gebieden dragen bij tot de ontwikkeling van het groen netwerk en het Brussels ecologisch netwerk.Men dient er het behoud, het beheer en de ontwikkeling aan te moedigen van de biotopen en de landschappelijke elementen zoals waterlopen en hun oevers, hooilanden en gras- en bloemstroken, hagen, bermen, sloten, vijvers en poelen, vochtige gebieden en bosjes die de kwaliteit van de landschappen en de samenhang van het Brussels ecologisch netwerk verbeteren;

Overwegende dat de GOC meent dat het meer aangewezen zou zijn dit verzoek te integreren in een algemeen voorschrift dat van toepassing is op alle gebieden, naar het model van voorschrift 0.6.; dat zij de Regering vraagt om na te denken over de invoering van een nieuw algemeen voorschrift daarover;

Overwegende dat er reeds een antwoord is geformuleerd op de opmerkingen in deel 2.1. algemeenheden; 3.3.2. Gebied voor havenactiviteiten en vervoer (GHV) a. Algemeenheden Overwegende dat meerdere reclamanten zich erover verheugen dat de meeste GHV hun bestemming behouden;dat een reclamant evenwel betreurt dat de bestemmingswijzigingen van de linkeroever van het Becodok en het huizenblok `MaBRU en ECFG' niet worden gecompenseerd door de inschrijving van andere gelijkwaardige terreinen in GHV, of via de mogelijkheid om logistieke en havenactiviteiten in te planten op de site Schaarbeek Vorming;

Overwegende dat de GOC het eens is met het principe van de compensatie van de oppervlakten van de havenactiviteiten die ingenomen worden door MaBRU en het ECFG door een gelijke oppervlakte op de site van Schaarbeek-Vorming; dat zij derhalve aan de Regering vraagt om een deel van het GGBua te bestemmen als GHV; dat zij er tevens aan herinnert gekant te zijn tegen een nieuw stadion op deze site;

Overwegende dat het ontwerp ter wijziging van het GBP een voorstel omvatte om het programma van het GGBua te wijzingen teneinde de oprichting van logistieke en havenactiviteiten mogelijk te maken binnen dit gebied, en om meer bepaald de vroegmarkt en het Europees centrum voor fruit en groenten naar deze site te kunnen verhuizen; dat de Regering daarmee al geantwoord heeft op het verzoek om compensatie van de reclamant en van het GOC;

Dat de Regering bovendien beslist heeft logistieke activiteiten tot hoofdfunctie van het GGBUA te verheffen;

Overwegende dat de inplanting van een stadion op Schaarbeek-Vorming niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP; 3.4. Andere activiteitengebieden 3.4.1. Administratiegebied a. Algemene positieve evaluaties van de wijziging van artikel 7 Overwegende dat meerdere gemeenten en reclamanten hun goedkeuring hechten aan de wijziging van voorschrift nr.7 om in administratiegebieden woningen toe te staan als hoofdbestemming, op gelijke voet met kantoren;

Dat de gemeente Elsene benadrukt dat deze wijziging de door haar aanbevolen gemengdheid van kantoren en woningen verbetert;

Overwegende dat de GOC nota neemt van deze opmerkingen;

Overwegende dat de regering de positieve algemene opmerkingen die werden geformuleerd tegenover de wijziging van voorschrift 7 alleen maar kan verwelkomen;

Dat het MER inderdaad naar voren heeft geschoven dat gemengdheid van woningen en kantoren vele voordelen biedt (goede complementariteit en verenigbaarheid, betere sociale controle, nabijheid van werkplaatsen, ...); b. Mogelijkheid om gemengdheid te creëren door de wijziging van voorschrift 7 Overwegende, bovendien, dat de gemeente Elsene voorstelt om de gelijkheid van kantoren en woningen in de administratiegebieden gepaard te laten gaan met aanbevelingen aangaande een gemengdheid inzake het type woningen en met bepalingen die de creatie van de bijbehorende voorzieningen beogen vanaf een zekere vloeroppervlakte (volgens het principe van de wijziging van voorschrift 4.4);

Overwegende dat de GOC opmerkt dat deze wijziging de gelegenheid biedt om de monofunctionaliteit van bepaalde wijken - die leidt tot breuken in het stadpatroon - te doorbreken; dat zij voorstelt de stedenbouwkundige lasten te gebruiken ten gunste van de creatie van sociale huisvesting en openbare voorzieningen;

Overwegende dat wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in punt 1.17. met betrekking tot de stedenbouwkundige lasten;

Overwegende dat voorschrift 7 niet mag worden vergeleken met voorschrift 4.4. in de zin dat dit laatste voorziet in een vloeroppervlakte van voorzieningen; dat voorschrift 4.4 inderdaad beoogt de realisatie mogelijk te maken van een totaalproject dat een programma respecteert in huizenblokken met braakliggende terreinen of leegstaande gebouwen; dat een minimumpercentage aan vloeroppervlakte niet kan worden toegepast op het totaal van een gebied en buiten een programma; dat het opstellen van de voorwaarden en het toepassingsveld van een specifiek programma voor de administratiegebieden een globaal denkwerk eist dat het raamwerk van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP overstijgt;

Overwegende dat de stad Brussel oordeelt dat de wijziging van artikel 7 een beperkte impact zal hebben; dat de BBP gemakkelijker in staat zouden zijn de administratieve activiteiten te beperken;

Overwegende dat de GOC meent dat via de realisatie van BBP concreet de mogelijkheid kan worden benut om de woningen in te planten volgens de typologie van de bebouwing en de morfologie van de verschillende onderzochte wijken;

Overwegende dat de BBP het inderdaad mogelijk maken het vraagstuk van de inplanting van woongelegenheid en andere functies aan te snijden;

Overwegende echter dat de BBP, in toepassing van voorschrift 7 dat momenteel geldt, de bestemming van huisvesting - een secundaire bestemming van het gebied - zouden kunnen verbieden en beperken; dat daarentegen de BBP die kantoren - een hoofdbestemming van het gebied - zouden verbieden of streng zouden beknotten, strijdig zouden zijn met het huidige voorschrift 7 van het GBP;

Dat men derhalve niet kan stellen dat de wijziging een beperkt effect heeft en geregeld zou kunnen worden via de BBP;

Overwegende dat de stad Brussel voorstelt om een KaSTK voor het administratiegebied op te stellen om daar de huisvesting te promoten;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat de KaSTK niet geldt in een administratiegebied omdat het kantoor er een hoofdbestemming blijft;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Overwegende dat de gemeenten Anderlecht, Jette en Sint-Joost-ten-Node reserves uiten met betrekking tot de wijziging van voorschrift 7, die in de algemene voorschriften had moeten worden opgenomen (bijvoorbeeld in het verlengde van de voorschriften 0.9. en 0.10), in het bijzonder indien het doel erin bestaat om de reconversie van bestaande gebouwen mogelijk te maken;

Overwegende dat de wijziging in voorschrift 7 niet alleen beoogt "de reconversie van bestaande gebouwen mogelijk te maken" maar ook de noodzakelijke voorwaarden te installeren voor een functiegemengdheid in de administratiegebieden;

Dat de eventueel door te voeren reconversies van bestaande gebouwen mikken op gebouwen waarvan de bestemming nog altijd overeenstemt met de voorschriften van het Plan, en dat de kantoorfunctie een hoofdbestemming van het gebied blijft; dat de wijziging aan voorschrift 7 derhalve niet kon worden opgenomen in het kader van voorschrift 0.9, dat geldt voor bestaande gebouwen waarvan de bestemming of het geoorloofd gebruik niet overeenstemt met de voorschriften van het Plan;

Dat deze wijziging evenmin past in het kader van voorschrift 0.10 dat geldt voor gebouwen die werden opgetrokken voor 1979 en die niet werden geëxploiteerd tijdens een periode van 5 jaar die voorafgaat aan de datum van inwerkingtreding van het Plan, namelijk een niet-exploitatie van voor 1 mei 1996;

Overwegende dat de gemeente Anderlecht oppert dat het nuttig ware geweest om van de wijziging van het BBP te profiteren om de inventaris op te stellen van de kantoren die gemakkelijk tot woningen geconverteerd kunnen worden; dat de gemeente eraan herinnert dat volgens de schatting van het Overzicht van het kantorenpark 15 % van de leegstaande kantoren gemakkelijk tot woningen geconverteerd kunnen worden;

Overwegende dat de Regering zich meer bepaald op de rapporten van het Overzicht van het kantorenpark heeft gebaseerd om onderhavige wijziging van het GBP door te voeren; dat deze wijziging inderdaad - zoals aangegeven in het voorwoord op het ontwerp van plan - gemotiveerd wordt door de leegstandsgraad van het kantorenaanbod die bijna 9,5 % bedraagt (rapport van het Overzicht van het kantorenpark nr. 27/2011), en door een aandeel van 15 % van kantoorgebouwen die gemakkelijk converteerbaar zijn (rapport van het Overzicht van het kantorenpark nr. 28/2011); Dat hiermee de opmerking van de gemeente Anderlecht beantwoord is;

Overwegende dat sommige gemeenten vraagtekens plaatsen bij het feit dat geen speciale regelen van openbaarmaking worden opgelegd voor de oprichting van woningen, terwijl deze maatregelen wel opgelegd worden in het gebied voor voorzieningen;

Overwegende dat er reden is om eraan te herinneren dat huisvesting een hoofdbestemming vormt in administratiegebied terwijl dit een secundaire functie is in een gebied voor voorzieningen;

Dat de hoofdfuncties van de verschillende verstedelijkbare gebieden van het GBP niet automatisch het voorwerp moeten vormen van bijzondere bekendmakingsmaatregelen;

Overwegende dat bepaalde reclamanten vragen hebben bij de noodzaak of de opportuniteit om voorschrift 7 te wijzigen aangezien huisvesting in de huidige vorm van het GBP reeds onvoorwaardelijk toegestaan is in administratiegebied;

Dat de gemeente Sint-Pieters-Woluwe vindt dat deze wijziging nauwelijks impact zal hebben op de oprichting van nieuwe woningen in de administratiegebieden, tenzij op het niveau van de volledige herbestemming van een klein geïsoleerd administratiegebied;

Overwegende dat wordt verwezen naar het antwoord dat in dit hoofdstuk wordt geformuleerd aangaande de mogelijkheid om via BBP de huisvesting in de administratiegebieden te beperken bij afwezigheid van wijziging van het nu geldende voorschrift;

Dat deze wijziging bovendien als effect zal hebben dat BBP die huisvesting in de betrokken gebieden niet toestaan, impliciet worden ingetrokken;

Dat het derhalve noodzakelijk is dit voorschrift zoals voorgesteld te wijzigen in het ontwerp van wijziging van het GBP;

Overwegende dat sommige reclamanten vaststellen dat het ontwerp van GBP geen specifiek gebied meer bevat voor de kantooractiviteit;

Overwegende dat het past hier eraan te herinneren dat het rapport van het Overzicht van het kantorenpark nr. 27/2011 voor 2010 melding maakt van een leegstand van 9,5 % van het kantorenaanbod in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Dat de leegstand binnen het Gewest varieert, met in de 2e kroon de administratiegebieden met een hoger dan gemiddelde leegstand die schommelt tussen 10 en 17%;

Dat kantoren niettemin een van de hoofdbestemmingen blijft in de administratiegebieden;

Overwegende dat een reclamant van oordeel is dat de wijziging van voorschrift 7 een voorafgaande wijziging van het GewOP vereist, omdat er geen echt administratiegebied meer bestaat;

Overwegende dat wordt verwezen naar de opmerkingen geformuleerd in punt 1.2. Methodologie met betrekking tot de goedkeuring van het GewOP voorafgaand aan een wijziging van het GBP;

Dat inderdaad, zoals reeds gepreciseerd, de ordonnantie van 14 mei 2009 tot wijziging van het BWRO artikel 27 van de Code heeft gewijzigd met de bedoeling de mogelijkheid toe te staan het GBP te herzien zonder dat het GewOP hiertoe die wijziging moet voorzien; c. Technische aspecten van de reconversie van kantoren in woningen Overwegende dat het BROH vraagt erop toe te zien dat bij de reconversies van kantoren in woningen de gebouwen met een zekere erfgoedwaarde niet bedreigd worden; Dat de KCML ook vraagt een inventaris van het erfgoed van opmerkelijke administratiegebouwen op te stellen, met een studie van hun potentieel tot reconversie, vooraleer dit voorschrift in te voeren;

Overwegende dat de GOC uitnodigt om deze inventaris op te stellen maar ook preciseert dat het niet aan het ontwerp van GBP toekomt om technische richtlijnen te geven;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat de inhoud van het GBP inderdaad niets te maken heeft met de technische elementen met betrekking tot de reconversie of de bescherming van het erfgoed, die het voorwerp zijn van andere reglementeringen; d. Lokalisatie van de administratieve wijken die moeten worden opengesteld voor gemengdheid Overwegende dat bepaalde reclamanten onderstrepen dat bepaalde administratiegebieden geschikter zijn voor de oprichting van woningen dan andere : in het bijzonder de administratiegebieden die bij stations en drukke spoorlijnen liggen, zouden minder aangewezen zijn voor deze functie; Dat deze reclamanten vragen om een differentiatie te maken tussen deze gebieden door bijvoorbeeld te voorzien in afwijkingen;

Overwegende dat de GOC ook aanbeveelt toe te zien op de keuzes van bestemmingen volgens de typologie van de gebouwen en de plaatselijke omstandigheden van de verschillende wijken;

Dat de GOC eraan herinnert dat de ontwikkeling van administratieve wijken in de buurt van stations een maatregel is die is aanbevolen door het GewOP;

Dat zij gunstig staat tegenover deze maatregel, maar ook meent dat de ontwikkeling van woningen in de buurt van stations niet mag worden verhinderd;

Dat ze voorts onderstreept dat andere gebieden zich uitermate lenen voor de ontwikkeling van een gemengdheid tussen kantoren en woningen, in het bijzonder de assen die efficiënt worden bediend door het openbaar vervoer;

Overwegende dat de wijziging van voorschrift 7 geldt voor alle administratiegebieden;

Dat het feit dat woningen als hoofdfunctie worden geplaatst, dit nog niet tot een verplichting maakt voor alle ontwerpen;

Dat de ontwikkeling van kantoren het kader van deze wijziging van het GBP overstijgt; e. Financiële en juridische onzekerheid Overwegende dat sommige reclamanten opmerken dat de wijziging van voorschrift 7 van aard is om in de toekomst een grote onzekerheid en een aanzienlijk waardeverlies te creëren voor de eigenaars van gebouwen in deze gebieden; Dat deze wijziging in het kader van een procedure voor vergunningsaanvraag een aanzienlijke discretionaire macht verleent aan de uitreikende overheid inzake het gebruik van het gebouw dat ze via de vergunning toestaat;

Overwegende dat een reclamant preciseert dat de overheden geneigd zouden kunnen zijn om huisvesting op te leggen in elk project dat hen wordt voorgelegd, ongeacht de locatie van het project, terwijl men zich in de eerste plaats zou moeten toespitsen op de kantoorgebouwen die leeg staan of niet aangepast zijn aan de huidige standaarden;

Overwegende dat een reclamant vreest dat deze juridische onzekerheid en dit gebrek aan voorspelbaarheid er zou kunnen toe leiden dat de kantooractiviteiten door de aangrenzende Gewesten worden opgeslorpt;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat de wijziging van voorschrift 7 niet verplicht tot toepassing van gemengdheid in de stedenbouwkundige vergunningen; dat zij er voorts aan herinnert dat er vandaag nog nauwelijks verschil is tussen de grondprijs bij administratieve of bij residentiële bestemming; dat dit de opmerkingen van de reclamanten relativeert;

Dat zij erop wijst dat kantoorleegstand in de andere gewesten niet mag worden geminimaliseerd, en de bereikbaarheid niet mag worden overschat;

Overwegende dat het aangewezen is, zoals de GOC aangeeft, erop te wijzen dat wijziging van voorschrift 7 niet verplicht tot toepassing van gemengdheid in stedenbouwkundige vergunningen;

Dat de analyse van het MER ook aangeeft dat de wijziging niet zal leiden tot de verplichting woningen te bouwen, en evenmin tot volledige verdwijning van kantoren ten voordele van "enkel huisvesting";

Overwegende, zoals de GOC en het MER aangeven, dat de grondprijzen van terreinen met administratieve roeping vandaag nagenoeg gelijk zijn aan die voor huisvesting;

Dat de leegstand in de andere gewesten ook niet geminimaliseerd mag worden; f. Voorstellen en eisen Overwegende dat andere reclamanten zich verzetten tegen de wijziging van het voorschrift omdat ze de mogelijkheid willen behouden om de wettelijk toegestane m² kantoren te handhaven en te herontwikkelen; Dat zij daarom vragen dat de administratieve functie formeel gewaarborgd wordt voor de bestaande gebouwen; dat een reclamant vraagt dat de vrije keuze van bestemming aan de eigenaars van de gebouwen zou worden gelaten, onder toezicht van de overheden die belast zijn met de evaluatie van de goede plaatselijke ordening;

Overwegende dat de GOC de wijziging van voorschrift 7 door het ontwerp van GBP goedkeurt; dat zij verwijst naar haar hoger al vermelde opmerkingen over de kwestie van de gemengdheid;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de administratieve functie formeel zou worden gewaarborgd voor de bestaande gebouwen, met inbegrip van de afbraak-wederopbouwprojecten, binnen de limiet van 120 % van het bestaande bouwprofiel;

Overwegende, zoals hoger uiteengezet, dat de wijziging niet tot effect heeft dat de realisatie van huisvesting zal worden verplicht en evenmin dat een einde wordt gemaakt aan handhaving van wettelijk verworven toestanden; dat het niet nodig is, omdat de administratieve functie een hoofdfunctie van het gebied blijft, een beveiligingsmechanisme op te zetten;

Dat de Regering derhalve het advies van de GOC volgt en de voorgestelde wijziging in het ontwerp van GBP handhaaft; g. Begrip/wijziging van voorschrift 7.4 Overwegende dat een reclamant de wijziging van voorschrift 7.4 opmerkt;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat voorschrift 7.4 niet werd gewijzigd;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; h. Verenigbaarheid met de BBP Overwegende dat sommige gemeenten zich afvragen of er sprake is van impliciete opheffing van BBP die geen huisvesting zouden toestaan in administratiegebied; Dat een reclamant integendeel vraagt dat de bestaande BBP formeel behouden zouden blijven door een uitdrukkelijke bepaling van het GBP; dat die BBP immers werden opgesteld na een grondige analyse van de toestand van de betrokken wijken en dat het niet opgaat dat die analyse opzij geschoven zou worden door een algemene bepaling die door haar aard zelf niet gepaard ging met een onderzoek van de individuele toestand van elk goed;

Overwegende dat de GOC vaststelt dat omzendbrief nr. 15 betreffende de impliciete opheffing van de lagere plannen dan het GBP deze vragen beantwoordt; dat de GOC vraagt deze omzendbrief te bevestigen in de overwegingen van het besluit van de regering dat zich uitspreekt over dit ontwerp van GBP; Dat omzendbrief nr. 15 preciseert : "Er geldt een impliciete opheffing van de voorschriften van het BBP die de verwezenlijking van de krachtens het GBP voorziene hoofdbestemmingen verhinderen. Men dient evenwel in elk afzonderlijk geval zorgvuldig de situatie te bestuderen alvorens te beslissen dat er sprake is van een specifieke onverenigbaarheid. (...) Er is geen sprake van aantasting van de hoofdbestemming zolang de bepalingen van het BBP die de door het GBP voorziene hoofdbestemming uitsluiten, slechts betrekking hebben op een bijkomstig of beperkt gedeelte van het gebied van het GBP." Het 'gebied' wordt in het glossarium van het GBP omschreven als "delen van huizenblokken of aan elkaar grenzende huizenblokken met eenzelfde bestemming"; dat de GOC opmerkt, bij het lezen van deze omzendbrief, dat de impliciete opheffingen van het BBP geval per geval zullen worden onderzocht en geen betrekking zullen hebben op kleine sites die uitsluitend voor kantoren zijn bestemd en dus de hoofdbestemmingen van het administratiegebied niet in het gedrang brengen : dergelijke terreinen met een kleine oppervlakte lenen zich immers niet altijd concreet voor meerdere bestemmingen;

Overwegende dat, zoals de GOC aangeeft, deze kwesties worden verhelderd in omzendbrief nr. 15 betreffende de impliciete opheffingen van de lagere plannen dan het GBP;

Dat omzendbrief nr. 15 preciseert : "Er geldt een impliciete opheffing van de voorschriften van het BBP die de verwezenlijking van de krachtens het GBP voorziene hoofdbestemmingen verhinderen. Men dient evenwel in elk afzonderlijk geval zorgvuldig de situatie te bestuderen alvorens te beslissen dat er sprake is van een specifieke onverenigbaarheid. Er is geen sprake van aantasting van de hoofdbestemming zolang de bepalingen van het BBP die de door het GBP voorziene hoofdbestemming uitsluiten, slechts betrekking hebben op een bijkomstig of beperkt gedeelte van het gebied van het GBP." Dat de impliciete opheffingen van BBP a priori geen betrekking zullen hebben op kleine sites die uitsluitend voor kantoren zijn bestemd en dus de hoofdbestemmingen van het administratiegebied niet in het gedrang brengen; 3.4.2. Gebied voor voorzieningen a. Technische aspecten van voorschrift nr.8 Voorschriften en procedures Overwegende dat meerdere gemeenten zich verzetten tegen de wijziging van voorschrift 8 omdat ze van mening zijn dat het een belangrijke wijziging van dit voorschrift betreft en geen gewone herformulering;

Dat het BROH integendeel preciseert dat de herformulering van artikel 8 vormelijk is en volgt op een interpretatiemoeilijkheid van het voorschrift;

Dat dit materiële amendement het voorschrift niet wijzigt;

Dat de gemeente Koekelberg opmerkt dat de wijziging van het voorschrift geen ingrijpende verandering zal teweegbrengen in het praktisch beheer van de aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen;

Dat meerdere reclamanten opmerken dat de kwalificatie van de handelszaken "die de gebruikelijke aanvulling zijn van en behoren bij die gebieden" niet meer voorkomt in artikel 8 van het ontwerp van GBP; dat deze reclamanten vragen om te bevestigen dat het nieuwe artikel 8 van het ontwerp van GBP ook nog huisvesting toelaat die de gebruikelijke aanvulling is van en behoort bij de hoofdfunctie, met name voorzieningen;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat het voorschrift van het ontwerp van GBP in zijn artikel 8.1. geen melding meer maakt van woningen die de gebruikelijke aanvulling zijn en behoren bij de voorzieningen;

Dat zij oordeelt dat huisvesting die hoort bij de hoofdfunctie voorziening (zoals een conciërgewoning) aanvaardbaar is indien haar 'bijhorende' functie is gemotiveerd in het project voor de voorzieningen dat het voorwerp uitmaakt van een stedenbouwkundige vergunning;

Overwegende dat hier moet worden herinnerd, zoals het MER aangeeft, dat het voorschrift werd geherformuleerd om de betekenis ervan te verhelderen en de eraan gegeven interpretatie te bevestigen;

Dat derhalve, zoals het BROH aangeeft in zijn advies, de toepassing ervan bij de aflevering van de vergunning niet zal worden gewijzigd;

Dat de hoofdfunctie van dit gebied voorzieningen blijft en dat huisvesting een secundaire functie vormt en bijzondere regelen van openbaarmaking kent;

Dat de handelszaken altijd de gebruikelijke aanvulling zijn en behoren bij andere bestemmingen, voorzieningen of huisvesting;

Overwegende dat verscheidene reclamanten vaststellen dat de wijziging van artikel 8 van het ontwerp van GBP niet langer de omvang van de toegestane handelszaken preciseert - wat wel het geval was in het GBP 2001 met de uitdrukking "doorgaans kleine handelszaken" - en zich afvragen of deze wijziging wel aangewezen is;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat de geschrapte omschrijving geen enkel reglementair karakter inhield;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat de geschrapte omschrijving geen enkel reglementair karakter inhoudt; Dat de handelszaken altijd de gebruikelijke aanvulling moeten zijn en moeten behoren bij de andere functies (voorzieningen en huisvesting), wat de oppervlakte ervan beperkt; dat de geschrapte omschrijving te maken had met het begrip "bijbehorend" dat door het glossarium wordt gedefinieerd als "bij de hoofdbestemming komend en met geringe relatieve oppervlakte"; dat dit begrip wordt geschrapt in het nieuwe voorschrift; dat de toegestane handelszaken niettemin enkel deze kunnen zijn die de gebruikelijke functies van voorziening en huisvesting assorteren;

Overwegende dat het BROH, de gemeente Ganshoren en meerdere reclamanten vragen te verhelderen dat de voorziening een prioritaire bestemming moet blijven en huisvesting een secundaire bestemming;

Dat een reclamant voorstelt om het voorschrift te verhelderen door de hoofdbestemming (voorzieningen) in de eerste paragraaf (8.1) te onderscheiden van de secundaire bestemming (huisvesting) in een tweede paragraaf (8.2);

Dat de gemeente Sint-Pieters-Woluwe en een reclamant opmerken dat de wijziging van het voorschrift kan leiden tot onzekerheid aangaande de mogelijkheid om bepaalde gebieden voor voorzieningen volledig te herbestemmen voor huisvesting, aangezien de huisvesting één van de twee hoofdbestemmingen van het gebied is geworden;

Overwegende dat de GOC integendeel opmerkt dat de huisvesting is onderworpen aan speciale regelen van openbaarmaking, wat bewijst dat ze een secundaire bestemming blijft;

Dat zij desondanks aanbeveelt om voorschrift 8.1 te splitsen zodat deze hiërarchie duidelijker wordt;

Overwegende dat het gebruik, in voorschrift 8 maar ook in andere voorschriften van het GBP, van de termen "kunnen ook worden bestemd" in plaats van "worden bestemd" de secundaire bestemming als huisvesting onderscheidt van de hoofdbestemming tot voorziening;

Overwegende dat er, zoals de GOC aanbeveelt, reden is om voorschrift 8.1. te verduidelijken door het te splitsen om deze hiërarchie van functies in gebieden voor voorzieningen te bevestigen; Dat de Regering de GOC op dit punt volgt;

Overwegende dat het BIM en een reclamant opmerken dat er een wijziging is in voorschrift 8.3;

Overwegende dat de GOC benadrukt dat voorschrift 8.3 niet werd gewijzigd;

Overwegende dat verscheidene reclamanten aanhalen dat de procedure voor de aflevering van de stedenbouwkundige vergunning voor woningen in het gebied voor voorzieningen werd versoepeld, dat de huidige procedure de uitwerking van een BBP vereist (en in voorkomend geval een MER), wat democratische inspraak van de burgers in het milieubeleid mogelijk maakt, dat de wijziging strijdig is met het verdrag van Aarhus;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat het geldende GBP net zoals het ontwerp tot wijziging van het GBP speciale regelen van openbaarmaking voorschrijven voor de realisatie van huisvesting in een gebied voor voorzieningen; dat de procedure die de vestiging van woningen mogelijk maakt, dus niet werd gewijzigd en een openbaar onderzoek omvat, gevolgd door een overlegcommissie;

Overwegende dat het geldende GBP geen realisatie van een BBP en evenmin in voorkomend geval van een MER oplegt voor de inplanting van woningen; dat het geldende GBP en het ontwerp ter wijziging van het GBP beide speciale regelen voor openbaarmaking voorschrijven voor de realisatie van woningen in gebied voor voorzieningen;

Dat, zoals de GOC benadrukt, de procedure die de inplanting van huisvesting mogelijk maakt, dus niet werd gewijzigd;

Meerwaarde, stijging van de grondprijzen in GV : concurrentie tussen de functies voorzieningen en huisvesting Overwegende dat het BROH, de gemeente Anderlecht en meerdere reclamanten vrezen dat de huisvesting een gevaar dreigt te vormen voor de voorzieningen, een zwakkere bestemming;

Dat meerdere reclamanten opmerken dat het Regeringsbesluit geen melding maakt van de manier waarop de overheden de concurrentie tussen woningen en voorzieningen zullen beheren;

Dat verscheidene reclamanten vrezen dat de wijziging van het voorschrift leidt tot een stijging van de grondprijzen en een zekere speculatieve druk uitoefent op de eigenaars voor gedeeltelijke of volledige verkaveling van gebouwen of terreinen die vandaag exclusief voorbehouden zijn voor voorzieningen;

Dat deze reclamanten vrezen dat deze wijziging zal leiden tot een forse terugval in de ontwikkeling van voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten die nochtans onontbeerlijk zijn in het licht van de verwachte bevolkingsgroei;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat huisvesting de secundaire bestemming blijft van het gebied voor voorzieningen en dus onderworpen blijft aan de speciale regelen van openbaarmaking; dat de procedure dus niet werd gewijzigd; dat de GOC dan ook oordeelt dat de grondwaarde niet fundamenteel zal veranderen; dat zij opmerkt dat heel wat terreinen in de gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten openbaar bezit zijn;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat zoals eerder onderstreept en zoals herhaald door de GOC, voorschrift 8 alleen vormelijk is gewijzigd en dat er dus reden is om aan te nemen dat de grondwaarde van de terreinen niet zal veranderen; b. Andere aspecten van voorschrift 8 Beschikbare ruimten in de gebieden voor voorzieningen Overwegende dat de gemeente Sint-Agatha-Berchem, de ESRBHG en verscheidene waarnemers onderstrepen dat de inventaris van de beschikbare grondoppervlakte in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aangeeft dat het grootste grondpotentieel zich situeert in de gebieden voor voorzieningen, die goed zijn voor bijna 300 hectare vrije oppervlakten en oppervlakten beschikbaar voor verdichting;dat die oppervlakten bijzondere aandacht verdienen en zoveel mogelijk behouden moeten blijven;

Dat de gemeente Sint-Agatha-Berchem en verscheidene reclamanten verbaasd zijn dat het ontwerp van GBP de ontwikkeling van de huisvesting in de gebieden voor voorzieningen motiveert door de aanwezigheid van een groot potentieel aan vrije of te verdichten percelen in deze gebieden;

Overwegende dat de GOC de aandacht vestigt op het feit dat de toekomstige behoeften aan voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten vandaag niet bekend zijn; Dat een evaluatie moet worden opgemaakt in het kader van het GPDO;

Dat de GOC van mening is dat deze grondreserves moeten worden behouden met het oog op de demografische groei, ze prioritair te reserveren voor voorzieningen en de ontwikkeling van secundaire bestemmingen streng te controleren;

Dat zij haar hoger geformuleerde vraag om voorschrift 8.1 te splitsen herhaalt;

Overwegende dat de voorbereidende studie voor het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP aangeeft dat de gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten precies de gebieden zijn met nog het grootste grondpotentieel op vrije percelen;

Dat de voorzieningen moeten worden gevrijwaard en begunstigd in de context van de bevolkingsgroei;

Dat, zoals het ontwerp tot wijziging van het GBP onderstreept, voor de ontwikkeling van deze functie geen wijziging van het GBP vereist is, gezien de grondreserves en voorschrift 0.7. dat de inplanting van voorzieningen in alle gebieden toestaat;

Dat, zoals hoger vermeld, de Regering heeft beslist om het advies van de GOC te volgen en voorschrift 8.1 te splitsen tussen hoofdbestemming en secundaire bestemming, om dit meer te verduidelijken;

Verband tussen behoefte aan huisvesting en behoefte aan voorzieningen Overwegende dat de ESRBHG, de gemeenten Anderlecht en Vorst, het BIM en diverse reclamanten de noodzaak onderstrepen van een reële analyse van de toename van de behoeften aan diverse voorzieningen (scholen, rusthuizen, cultuurcentra, sportinfrastructuur, ziekenhuizen, ...) die nodig zijn ter begeleiding van de bevolkingsgroei;

Dat de voorzieningen een belangrijke uitdaging vormen in termen van internationale ontwikkeling van de stad en tegemoetkoming aan de behoeften van de Brusselaars;

Overwegende dat de GOC aanbeveelt om in het GPDO het begrip voorzieningen te verfijnen om de buurtvoorzieningen te onderscheiden van de andere soorten voorzieningen (en zich daarbij meer bepaald te baseren op informatie afkomstig van de Wijkmonitoring);

Dat de GOC benadrukt dat de speciale regelen van openbaarmaking, uitgevoerd tijdens het onderzoek van de aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen, met name bedoeld zijn om te bevestigen dat de bestemmingen huisvesting en voorzieningen elkaar aanvullen en op elkaar afgestemd zijn;

Overwegende dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP slechts een gedeelte van de antwoorden aanreikt voor de uitdagingen die verbonden zijn met de groei van de bevolking;

Dat de kwestie van behoefte aan "buurt"voorzieningen het kader van deze wijziging van het GBP overschrijdt en moet worden geïntegreerd in het denkwerk dat op het niveau van het GewOP wordt gevoerd, en, indien nodig, daarna moet worden overgeheveld naar het gepaste regelgevende instrument;

Gevolgen op het vlak van erfgoed en milieu Overwegende dat de KCML, het BIM en verscheidene reclamanten eraan herinneren dat de gebieden voor voorzieningen vaak opmerkelijke kwaliteiten vertonen inzake erfgoed, landschappen maar ook op natuurlijk en ecologisch vlak (meer bepaald als element in het groen netwerk) en wat hun potentieel aan groene ontspanningsruimte betreft;

Dat het belangrijk is de kwaliteit van die ruimtes te vrijwaren;

Overwegende dat de GOC deze bedenkingen deelt en vraagt om bijzondere aandacht te besteden aan deze kwaliteiten, vooral door voldoende doorlaatbaarheid van deze sites te handhaven;

Dat de Commissie voorstelt om daartoe een voorschrift 0.6 bis op te stellen;

Overwegende dat de wijziging van voorschrift 8 op geen enkele manier de kwaliteiten inzake erfgoed, landschappen en natuur van de gebieden voor voorzieningen aantast;

Dat voorschrift 0.6 van het GBP 2001 preciseert dat in alle gebieden de handelingen en werkzaamheden bij voorrang de plantaardige en daarna de minerale, esthetische en landschappelijke kwaliteiten van de binnenterreinen van huizenblokken verbeteren en er het behoud of de aanleg van oppervlakten in volle grond bevorderen;

Dat de Regering in het gedeelte 2.1. algemeenheden reeds heeft geantwoord op de opmerkingen met betrekking tot de creatie van een voorschrift 6bis;

Betere verdeling van de gebieden voor voorzieningen Overwegende dat het BIM en meerdere reclamanten vragen de spreiding van gebieden voor voorzieningen te herzien en daarbij bepaalde gebieden uitsluitend voor deze functie te reserveren en andere gebieden die volkomen achterhaald zijn te schrappen en te vervangen op geschiktere plaatsen;

Overwegende dat de gemeente Sint-Pieters-Woluwe en meerdere reclamanten van oordeel zijn dat, om de concurrentie en de meerwaarde die voortvloeit uit het openstellen van de gebieden voor voorzieningen voor andere bestemmingen, binnen de perken te houden, het verstandiger was geweest om op de kaart van de bodembestemmingen bepaalde gebieden voor voorzieningen, die achterhaald zijn, te wijzigen in woongebieden of gemengde gebieden, veeleer dan in alle gebieden voor voorzieningen die herbestemmings-mogelijkheden voor huisvesting uit te breiden;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze overwegingen moeten worden gemaakt in het kader van het GPDO en dat ze vergezeld zouden moeten zijn van een inventaris van de mogelijk betrokken sites;

Overwegende dat er reden is om te onderstrepen dat voorschrift 0.7. toelaat om voorzieningen in te planten in alle gebieden (met uitzondering van groengebieden, groengebieden met hoogbiologische waarde, bosgebieden, parkgebieden en landbouwgebieden), voor zover ze verenigbaar zijn met de hoofdbestemming van het betrokken gebied; dat er dus geen reden is om over te gaan tot de gevraagde "compensatie";

Dat de overwegingen van de reclamanten en van de geraadpleegde instanties inderdaad moeten worden geïntegreerd in een globale studie die het kader van onderhavige wijziging overschrijdt; dat de Regering derhalve het advies van de GOC volgt;

Overwegende dat het BROH vraagt om te voorzien in bijkomende voorwaarden voor de realisatie van huisvesting in de gebieden voor voorzieningen;

Dat meerdere reclamanten het nodig achten een maximumpercentage te bepalen voor huisvesting in gebieden voor voorzieningen;

Dat meerdere reclamanten vragen een maximumpercentage te bepalen voor handelszaken in gebieden voor voorzieningen, om de concurrentie met de linten voor handelskernen en met de gebieden met gemengd karakter te vermijden, waar de handel dichter bij de woonfunctie aansluit;

Overwegende dat de GOC het eens is met de keuze om voorzieningen te behouden als hoofd- en prioritaire bestemming van de gebieden voor voorzieningen;

Dat zij benadrukt dat dit het doel is van voorschrift 8; dat zij herinnert aan haar vraag om de tekst hiervan te verduidelijken;

Overwegende dat huisvesting en handel secundaire functies zijn in gebieden voor voorzieningen;

Dat deze functies derhalve de hoofdbestemming, namelijk voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst, niet mogen aantasten;

Dat het daarom niet nodig lijkt minimumpercentages vast te leggen;

Dat, zoals eerder aangegeven, aan het voorschrift afzonderlijke paragrafen zullen worden toegevoegd om de secundaire en hoofdfuncties beter te onderscheiden;

Noodzaak om te voorzien in bijzondere programma's voor de ontwikkeling van de GV die grote oppervlaktes dekken, meer bepaald de universitaire campussen Overwegende dat de stad Brussel, de gemeente Elsene en meerdere reclamanten de noodzaak onderstrepen om toe te zien op het evenwicht tussen huisvesting en voorzieningen aan de hand van voorschriften die specifieker afgestemd zijn op de verschillende morfologieën van de sites, meer bepaald wat de universitaire campussen aangaat;

Dat meerdere reclamanten onderstrepen dat de hoofdfunctie van de universitaire campussen, die toegespitst zijn op hogere studies, behouden moet blijven voor de toekomstige uitbreiding van de universiteiten (gekoppeld aan de bevolkingsgroei);

Dat meerdere reclamanten aangeven dat het onontbeerlijk zal zijn om er huisvesting voor studenten te creëren;

Dat de inplanting van andere functies het probleem doet rijzen dat er minder capaciteit overblijft voor de voorzieningen die er de hoofdbestemming moeten blijven;

Dat een reclamant het specifieke geval aanhaalt van de universitaire campus Oefenplein, en de verkoop van universitaire gronden aan een ontwikkelaar aan de kaak stelt;

Dat de gemeente Elsene opmerkt dat er een BBP wordt uitgewerkt voor dit gebied;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat richtschema's en BBP middelen zijn om te beantwoorden aan de doelstelling om een gepaste verstedelijking van grote sites te garanderen;

Dat de GOC vraagt om in het kader van het GPDO een wetenschappelijke studie te voeren om de werkelijke behoeften aan nieuwe woningen en voorzieningen te preciseren; Dat de GOC meent dat het creëren van woongelegenheid in gebieden voor voorzieningen strikt moet worden beperkt, behalve als deze woningen horen bij de hoofdfunctie of deze aanvullen, en dat de groene ruimten bij de voorzieningen zo goed mogelijk moet worden behouden;

Dat de GOC voorstelt om in het kader van het GPDO een lijst op te maken van de grote sites - universitaire campussen en andere vrije sites van meer dan 10 000 m² - waar de vestiging van woningen in gebieden voor voorzieningen zou worden onderworpen aan zowel een sociaaleconomische motivering als aan de uitwerking van een BBP;

Dat de GOC evenwel wijst op de bijzonderheid van universitaire woningen die de hoofdfunctie van de universitaire campus aanvullen : ze moeten bijgevolg worden onderscheiden van residentiële woningen, en ze moeten bijzondere aandacht krijgen bij de inrichting van universitaire campussen;

Overwegende dat de voorbereidende studie voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP de universitaire campussen heeft geïdentificeerd als monofunctionele gebieden met een verdichtingspotentieel;

Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP duidelijk maakt dat huisvesting toegestaan is in gebieden voor voorzieningen, weliswaar als secundaire bestemming, met naleving van speciale regels voor openbaarmaking, en niet verschillend van de toepassing van het huidige voorschrift;

Dat voorschrift 8 geldt voor alle gebieden voor voorzieningen en dus geen onderscheid maakt voor het bijzondere geval van de universitaire campussen;

Dat, zoals de Commissie aangeeft, de BBP en/of richtschema's geschikte middelen zijn om de gepaste verstedelijking van deze specifieke zones te definiëren; Dat voor de nieuwe behoeften van de universitaire campussen een globale reflectie vereist is die het kader van onderhavige wijziging van het GBP overschrijdt;

Voorstel om de bestemming voor woningen (verdiepingen) en de bestemming voor voorzieningen (gelijkvloers) te combineren in eenzelfde gebouw Overwegende dat een reclamant voorstelt om in bepaalde gevallen huisvesting te vergunnen op de verdiepingen van de voorzieningen, die op de gelijkvloerse verdiepingen moeten worden ondergebracht;

Overwegende dat de GOC zich achter dit voorstel schaart als de lokale omstandigheden dit toelaten en met het oog op goede inrichting van de sites;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat inderdaad de mogelijkheid van een vermenging van voorzieningen/woningen individueel zal worden bekeken bij de levering van stedenbouwkundige vergunningen, met het oog op een goede inrichting van de sites;

Gevolgen van de toename van de behoeften aan voorzieningen op het vlak van het openbare beheer Overwegende dat de gemeente Sint-Gillis opmerkt dat de verdichting en toename van de woonfunctie die voorzien worden door het ontwerp van GBP, aanzienlijke investeringen van de overheden zullen vereisen, zowel op het vlak van collectieve voorzieningen als voor openbare ruimten, mobiliteit of diensten aan de bevolking; dat gepaste financiële en menselijke middelen nodig zullen zijn en voorzien moeten worden;

Dat het BROH onderstreept dat de bouw van woningen, met name in de OGSO, gekoppeld moet worden aan de oprichting van collectieve buurtvoorzieningen;

Dat men zich grondig zou moeten bezinnen over de uitwerking van een innoverend mechanisme van stimuli voor een doeltreffende begeleiding van de bestemmingswijzigingen van het GBP, bijvoorbeeld in de vorm van een "Ordonnantie op de sociale lasten";

Dat het volkomen nieuwe karakter van bepaalde maatregelen (reconversie van kantoren, inname van leegstaande verdiepingen boven handelszaken, groepswoningen, drempel van 15 % openbare sociale woningen, ...) meer vereist dan een eenvoudige compensatiemaatregel zoals die wordt voorzien door de stedenbouwkundige lasten;

Overwegende dat de GOC verwijst naar haar advies in de rubriek van de algemene overwegingen;

Overwegende dat meer bepaald in punt 1.17. (Mechanismen om meerwaarden te recupereren) een antwoord op deze opmerkingen te vinden is;

Dat een aanpassing van het stelsel van stedenbouwkundige lasten het voorwerp is van denkwerk dat parallel met de gedeeltelijke wijziging van het GBP plaatsvindt;

Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de bevolkingsgroei zal leiden tot een stijging in het gebruik van het openbaar vervoer en bijgevolg ook tot nieuwe behoeften inzake depots voor rollend materieel;

Dat deze reclamant vraagt om in het ontwerp van GBP de voorschriften af te stemmen op de bestemming van de sites die eigendom zijn of zullen worden van de MIVB; dat het belangrijk is dat de voorschriften van het ontwerp van GBP geen meerkosten met zich meebrengen voor de aankoop van de sites in kwestie doordat die terreinen zouden worden opengesteld voor vastgoedprojecten, en in het bijzonder voor huisvesting;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat de meeste stelplaatsen van de MIVB in het GBP 2001 zijn bestemd als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;

Dat zij opmerkt dat het van essentieel belang is dat de MIVB de precieze locatie van al haar toekomstige inplantingen aangeeft; dat deze analyse moet worden uitgevoerd in het GPDO, en in relatie met het plan IRIS II;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat voorschrift 0.7 de inplanting van voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten mogelijk maakt in alle gebieden;

Dat de rechtszekerheid van de eigendommen van de MIVB niet in het gedrang komt;

Dat antwoorden op de kwestie van eventuele verhoging van grondprijzen hierboven te vinden zijn.

Conflict tussen artikel 8 van het ontwerp van GBP en algemeen voorschrift 0.7 Overwegende dat een reclamant onderstreept dat er een conflict bestaat tussen algemeen voorschrift 0.7 en het voorstel tot wijziging van artikel 8;

Dat de twee voorschriften tegenstrijdige doelstellingen beogen, waarbij het eerste de ontwikkeling van voorzieningen op heel wat plaatsen toelaat, terwijl het tweede de druk van andere functies toestaat in de gebieden voor voorzieningen;

Overwegende dat de GOC niet akkoord gaat met de opmerking en opmerkt dat deze twee voorschriften zich in een verschillende context situeren;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat voorschrift 0.7. inderdaad de inplanting van voorzieningen in alle gebieden toelaat, en hierdoor meer bepaald de complementariteit van de voorzieningen met de andere functies waarborgt;

Dat voorschrift 8 aangaande de gebieden voor voorzieningen gebieden betreft die specifiek zijn voorbehouden voor voorzieningen;

Dat de dominerende aanwezigheid van voorzieningen in deze gebieden echter niet onverenigbaar is met de aanwezigheid van andere functies zoals huisvesting;

Dat eraan herinnerd moet worden dat voorschrift 8 vormelijk werd verduidelijkt maar dus niet werd gewijzigd wat de toepassing betreft;

Nut van een bewaringsclausule Overwegende dat de ESRBHG en verscheidene reclamanten vragende partij zijn voor de uitwerking van een clausule voor de bewaring en uitbreiding van de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten om borg te staan voor de realisatie van voldoende voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten voor de groeiende Brusselse bevolking;

Dat de bewaringsclausule de vorm zou kunnen aannemen van een bijkomend lid in voorschriften 8.1 en 8.2 en als volgt zou kunnen worden geformuleerd : "In dat geval mag het aantal m² vloeroppervlakte, bestemd voor de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten ten behoeve van de Brusselse bevolking en/of de bezoekers van het Gewest, nooit kleiner zijn dan de bestaande m² op 1 januari 2011, vermeerderd met 20 %";

Overwegende dat sommige instanties een minder strikte alternatieve maatregel voorstellen die niet de toename met 20 % voorschrijft;

Overwegende dat de GOC voorstelt om een voorschrift 0.12 op te stellen om het behoud van de voorzieningen op de site of in het gebied te garanderen;

Dat de Commissie aanbeveelt om toe te zien op de reconversiemogelijkheden van de gebouwen;

Overwegende dat geen bijzonder mechanisme van bewaring toegevoegd hoeft te worden vermits het voorschrift alleen vormelijk wordt gewijzigd en niet tot gevolg heeft dat de realisatie van voorzieningen niet meer wordt toegestaan of dat de realisatie van huisvesting wordt verplicht; Dat het advies van de GOC dus niet wordt gevolgd;

Het nut om rekening te houden met dergelijke ontwikkelingen in het GPDO Overwegende dat een reclamant vindt dat de evaluatie van de complementariteit tussen de woonfunctie en de voorzieningen meer thuishoort in de denkoefeningen in het kader van de uitwerking van een Gewestelijk Ontwikkelingsplan;

Dat deze reclamant vraagt dat de wijzigingen die worden voorgesteld door het ontwerp van GBP, zouden worden opgeschort in afwachting van de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat de GOC akkoord gaat met deze opmerking;

Overwegende dat de complementariteit met de huisvestingsfunctie kan worden geïntegreerd in de denkoefening op het niveau van het GPDO; dat de Regering niettemin, zoals hoger aangegeven, heeft beslist om parallel te handelen, en wel op twee manieren : - op middellange en lange termijn, door te starten met het uitwerken van een nieuw gewestelijk ontwikkelingsplan dat, op basis van het stadsproject dat het zal bekrachtigen, zal bepalen welke aanpassingen eventueel nodig zijn aan het GBP om de vastgelegde doelstellingen te bereiken; - op korte termijn, door te beslissen om het GBP gedeeltelijk te wijzigen om, binnen de grenzen die het BWRO toewijst aan het GBP, bij te dragen tot het voldoen aan bepaalde dringende behoeften die werden geïdentificeerd en waar het Gewest op moet kunnen reageren;

Dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP slechts een gedeelte van de antwoorden aanreikt voor de uitdagingen die verbonden zijn met de groei van de bevolking, meer bepaald op het vlak van de voorzieningen; 3.5. Gebieden voor groene ruimten en landbouwgebieden Overwegende dat er gevraagd wordt om het algemeen voorschrift 0.2 te herzien om het voortbestaan van de groene ruimten die werden gecreëerd of opgelegd bij de realisatie van stedenbouwkundige vergunningen, te garanderen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet kadert in de wijzigingen, die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP; dat ze suggereert dat deze vraag wordt geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen; dat ze vraagt om, bij deze laatste herziening van het GBP, een complete inventaris van de bestaande groene ruimten uit te voeren; dat ze eraan herinnert dat ze voorstander is van de opstelling van een nieuw algemeen voorschrift 0.6bis;

Overwegende dat er wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven en naar de antwoorden die er worden aangevoerd met betrekking tot de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de vragen, geformuleerd door de geraadpleegde instanties, moeten worden opgenomen in de reflectie, gevoerd op het niveau van het GPDO en, als ze erin opgenomen worden, vervolgens in het gepaste regelgevende instrument worden omgezet (GBP, GSV enz.).;

Dat de regering dus het advies van de GOC volgt en dat deze vraag niet in onderhavige wijziging van het GBP kadert; 3.5.1. Groengebied met hoogbiologische waarde Overwegende dat de aandacht erop wordt gevestigd dat de voorgestelde wijziging van de bewoording van het voorschrift nr. 11 meer juridische zekerheid biedt, doordat de dubbelzinnigheid, die momenteel bestaat over de toegankelijkheid van de GGHW voor het publiek, wordt opgeheven; dat er evenwel wordt aan herinnerd dat toegankelijkheid niet moet worden begrepen als een terbeschikkingstelling van heel de ruimte, maar wel van een "lokale tolerantie" die het mogelijk maakt om een site te ontdekken, zonder zijn essentiële natuurlijke kenmerken aan te tasten, een verduidelijking waarvan het misschien nuttig zou zijn ze aan het voorschrift toe te voegen;

Dat er opnieuw aan herinnerd wordt dat het algemeen voorschrift 0.9 op de GGHW van toepassing is en dat de historische elementen dus op dezelfde manier als de natuurlijke kenmerken moeten worden bewaard;

Dat er gevraagd wordt om uit voorzorg de gevolgen op de fauna en flora van elk project dat het nieuwe voorschrift aanwendt, door een onafhankelijke expert te laten evalueren;

Dat er daarentegen reclamanten zijn die zich tegen de wijziging van voorschrift 11 verzetten, omdat ze van mening zijn dat dit geen juridische grond kent omdat ze niet het voorwerp was van het besluit tot instelling van de procedure ter gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat deze wijziging volgens hen zelfs ingaat tegen de doelstellingen die door dit besluit werden bepaald en dat ze de biologische rijkdom van het Gewest bedreigt;

Dat er reclamanten zijn die klagen over de verwarring, teweeggebracht door het gebruik van de letterwoorden GGHW en GHW en door de mengeling van de begrippen van groen netwerk en groene wandeling;

Dat het groene netwerk de sites onderling moet verbinden, maar niet noodzakelijk alle sites zelf moet doorkruisen; dat het groene netwerk meerdere functies omvat, die in evenwicht samen moeten bestaan zonder dat de ene, in dit geval de sociale functie, zich ontwikkelt ten nadele van de andere, hier de ecologische functie; dat de recreatieve inrichtingen, verbonden aan het groene netwerk, beperkt moeten worden tot de parkgebieden, de gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht en de gebieden met voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;

Dat de kwestie van de toegankelijkheid en de aanwezigheid van paden niet relevant is, omdat er al publiek toegankelijke paden aanwezig waren in de GGHW; dat alleen "verharde" wegen kunnen worden toegelaten;

Dat deze wijziging, gezien de demografische druk in het Brusselse Gewest, alle GGHW in gevaar zou brengen, aangezien de verwijzing naar het "groene netwerk" het mogelijk zou maken om er alle inrichtingen die in een park toelaatbaar zijn, uit te voeren, met inbegrip van recreatieve inrichtingen, wat onverenigbaar is met de definitie van GGHW;

Dat het GBP eerder de oprichting van onthaalcentra voor de bezoekers, optrekjes voor de beheerders en ruimten voor schoolanimaties buiten de GGHW zou moeten stimuleren om een heus netwerk voor natuur- en milieu-educatie uit te bouwen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de wijziging van voorschrift 11 geen nut heeft, gezien ze niet voorzien is in het besluit van 20 januari 2011 ter instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat ze bovendien vraagt om voorschrift 11 niet te wijzigen, omdat de definitie van GGHW en de definitie van groen netwerk onverenigbaar zijn en dat voorschrift 11, door de toelating van de handelingen en werken, nodig voor de uitvoering van het groene netwerk in de GGHW, betekenisloos wordt;

Dat ze de oprichting van een netwerk voor natuur- en milieu-educatie steunt;

Overwegende dat, als het besluit van 20 januari 2011 ter instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP niet aankondigt dat er een revisie van voorschrift 11 van het GBP betreffende de groengebieden met hoogbiologische waarde (GGHW) wordt ingesteld, dit is omdat de regering niet de intentie had om de inhoud van dit voorschrift te wijzigen;

Dat het besluit ter gedeeltelijke openstelling van het GBP evenwel niet uitdrukkelijk de voorschriften, onderworpen aan wijziging, aanhaalt;

Dat, zoals uitdrukkelijk vermeld in het besluit van 29 maart 2012 dat het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP aanneemt, de wijziging van de bewoording van voorschrift 11 als enige doel heeft dit voorschrift te verduidelijken, omdat de huidige tekst dubbelzinnig is en zou kunnen worden begrepen dat het de integratie van de GGHW in het groene netwerk niet toelaat;

Dat de inhoud van sommige bezwaarschriften en meer nog het advies van de GOC (die van mening is dat de overwogen wijziging voorschrift 11 van zijn betekenis ontdoet) het bestaan van deze dubbelzinnigheid bevestigt;

Dat sommige reclamanten daarentegen terecht benadrukken dat alle gebieden voor groene ruimten deel uitmaken van het groene netwerk, maar dat dit niet betekent dat alle functies die aan het groene netwerk toegekend zijn overal aanwezig moeten zijn en dat het in 2001 aangenomen GBP niet de bedoeling had om de GGHW aan het groene netwerk te onttrekken, maar om het tegen enkele aspecten hiervan te beschermen;

Dat het precies deze principes zijn die de regering wil verduidelijken door de tekst van voorschrift nr. 11 te wijzigen;

Dat, gegeven het feit dat voorschrift 11 de GGHW bestemt en zal blijven bestemmen voor het behoud en het herstel van het natuurlijke milieu met hoogbiologische waarde dat zich in deze GGHW bevindt, de interventies betreffende het groene netwerk er uiteraard alleen kunnen worden toegestaan, indien ze met deze bestemming verenigbaar zijn;

Dat eraan moet worden herinnerd dat het concept van het groene netwerk niet betekent dat de ongedifferentieerde invulling van recreatieve, landschappelijke, ecologische en pedagogische functies in alle gebieden voor groene ruimten van het GBP is toegestaan; dat, integendeel, uit de definitie van het glossarium van het GBP ondubbelzinnig kan worden opgemaakt dat het groene netwerk er met name op gericht is om "een geschikte ruimtelijke en functionele verdeling (...) van de groene ruimten te verzekeren, rekening houdend met de behoeften van de bewoners en de stadsecologie"; dat elk type gebied voor groene ruimten van het GBP dus bestemd is om er een specifieke rol te spelen, vooraf bepaald door het bijzondere voorschrift van het GBP betreffende het type gebied in kwestie;

Dat de vrees van sommige reclamanten dat er in de GGHW inrichtingen worden aangelegd die thuishoren in parkgebieden of in gebieden met voorzieningen van collectief belang of openbare diensten, of dat het behoud van de GGHW in gevaar komt, dus niet gegrond is;

Dat de regering, integendeel, van mening is dat een goede integratie van de GGHW in het groene netwerk overeenkomstig de bestemming van deze gebieden, hun bescherming kan verbeteren, aangezien een betere kennis van de gebieden het publiek beter kan sensibiliseren voor hun belang voor de stedelijke ecologie;

Dat de regering, om deze interpretatie nog duidelijker te maken, beslist heeft om de wijziging als volgt te vervolledigen : "evenals de uitvoering van het groene netwerk, op voorwaarde, in dit laatste geval, dat de handelingen en de werken verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied";

Overwegende, voor het overige, dat een antwoord op de opmerkingen betreffende de uitbouw van een netwerk voor natuur- en milieu-educatie hierboven kan worden gevonden, meer bepaald in punt 1.2 waar de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP worden behandeld;

Dat deze opmerkingen niet kaderen in onderhavige wijziging van het GBP; 3.5.2. Parkgebieden Overwegende dat een reclamant kritiek heeft op § 3 van voorschrift 10, omdat deze volgens hem de deur zou openzetten voor misbruiken;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet kadert in de wijzigingen, die worden voorgesteld in het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat dit voorschrift niet aan wijziging onderworpen is;

Overwegende dat er wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven en naar de antwoorden die er worden aangevoerd met betrekking tot de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat de regering derhalve het advies van de GOC volgt; 3.5.3. Gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht Overwegende dat een reclamant zegt dat hij de wens van het Gewest om deze gebieden, waarvan het behoud onmisbaar is gezien de verwachte bevolkingsaangroei, te schrappen, niet begrijpt;

Overwegende dat de GOC verwijst naar de analyse van de gelokaliseerde bezwaren betreffende de GSVOL;

Overwegende dat de regering verwijst naar de hieronder gegeven antwoorden op de gelokaliseerde bezwaren betreffende de GSVOL;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de uitvoering van permanent overdekte sportterreinen en van bijhorende gebouwen meer zou worden toegestaan dan nu, wat het mogelijk zou maken om te beantwoorden aan de stijgende behoefte aan sportvoorzieningen die de bevolkingsaangroei in het Gewest met zich zal brengen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet kadert in de wijzigingen, die worden voorgesteld in het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt; dat er wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven en naar de antwoorden die er worden aangevoerd betreffende de mehodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 3.5.4. Begraafplaatsgebied Overwegende dat een reclamant vraagt om, met het doel het erfgoed dat de oude begraafplaatsen vormen, te bewaren, de laatste paragraaf van voorschrift 14 te schrappen, de reconversie van de begraafplaatsgebieden alleen in groengebied of in parkgebied toe te staan en deze in te richten, rekening houdend met het behoud van het erfgoed en middels een eensluidend advies van de KCML;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet kadert in de wijzigingen, die worden voorgesteld in het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat dit voorschrift niet ter wijziging werd onderworpen;

Overwegende dat er wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven en naar de antwoorden die er worden aangevoerd betreffende de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Dat de regering dus het advies van de GOC volgt; 3.5.5. Gebied van erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden Overwegende dat de Gemeente Watermaal-Bosvoorde vraagt om voorschrift 16 "Gebieden van erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden" te preciseren en een beperking in de tijd te voorzien voor de volumestijgingen van de bestaande gebouwen, naar het voorbeeld van wat er in dit opzicht voorzien is in voorschrift 0.9.;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet kadert in de wijzigingen, die worden voorgesteld in het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat er wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven en naar de antwoorden die er worden aangevoerd betreffende de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; Dat de regering dus het advies van de GOC volgt; 3.6. Gebieden betreffende bepaalde delen van het grondgebied 3.6.1. GGB a. Algemeenheden Gebrek aan planningsoverzicht Overwegende dat bepaalde reclamanten een openbaar onderzoek van de bestaande GGB vragen, en meer algemeen van de bestaande plannen, en dat er lessen zouden uit worden getrokken alvorens het GBP te wijzigen; Overwegende dat de GOC pleit voor een objectieve evaluatie van het plan, in functie van en rekening houdend met de doelstellingen beschreven in artikel 4 van het BWRO, zoals ook gebeurde in het kader van het eerste GewOP;

Overwegende dat de mogelijkheden voor nieuwe huisvesting van GGB zijn geëvalueerd en dat er rekening mee is gehouden in de studie van MSA-IGEAT waarin een diagnose werd gesteld van de toestand van de gronden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Dat er bovendien een algemene evaluatie vereist is van de huidige plannen in het kader van de ontwikkeling van het GPDO;

Dat voor het overige een antwoord kan worden gevonden in het voorgaande, onder punt 1.2, in het kader van de antwoorden in verband met de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overleg Gewest - Gemeenten en Stad Overwegende dat de Gemeente Jette onderstreept dat de aandacht moet uitgaan naar de integratie van de projecten in de GGB, niet alleen op het grondgebied van de gemeente waarin het GGB zich bevindt maar ook in de ruimere context van hun omgeving; dat het van cruciaal belang is om hierover uitgebreid overleg te plegen;

Overwegende dat de GOC meent dat een gemeenteoverschrijdende totaalvisie met overleg tussen de gemeenten, het Gewest en in bepaalde gevallen gemeenten buiten het Gewest, steeds wenselijk is;

Overwegende dat het milieueffectenrapport en de mechanismen voor overleg en inspraak van het publiek, georganiseerd in het kader van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, gemeente- en gewestoverschrijdende omvang hadden;

Dat voor het overige de opmerkingen van de gemeente Jette en van het GOC ressorteren onder het BWRO en niet onder het GBP en dat er bijgevolg geen rekening mee moet worden gehouden in het kader van onderhavige procedure;

Feitelijke groengebieden Overwegende dat bepaalde reclamanten de mening zijn toegedaan dat de GGB voornamelijk worden ingericht met het oog op de ontwikkeling van prestigeprojecten ten koste van braakliggende ruimten; dat de zogenaamde groene ruimten die er zijn gepland aan nut en belangstelling inboeten doordat zij erg versnipperd zijn en deels gemineraliseerd, en dat er geen rekening wordt gehouden met de `feitelijke groengebieden';

Overwegende dat de GOC vraagt om een inventaris op te stellen van alle feitelijk bestaande bestemmingen in de GGB in het kader van de studies die daaromtrent moeten worden uitgevoerd;

Overwegende dat de opmerkingen van de reclamanten en van de GOC geen betrekking hebben op de geplande wijzigingen in verband met de GGB; dat de geuite kritiek te maken heeft met een verschil in waarneming door de reclamanten wat bepaalde aspecten van de huidige feitelijke situatie betreft, zonder dat zij evenwel de inschatting door de Regering hekelen;

Er wordt aan herinnerd dat het MER de bestaande situatie heeft bestudeerd en dat de Regering zich dus met kennis van zaken heeft uitgesproken over de bestaande situatie van de GGB;

Ontbreken van stedelijke distributiecentra (SDC) Overwegende dat een reclamant vraagt om daadwerkelijk gemengde programma's uit te werken en te implementeren in de GGB die naast huisvesting en productieactiviteiten een geheel van functies bestrijken die nodig zijn voor het gemengd karakter; dat hij daarom vindt dat er op verschillende plaatsen, meer bepaald in de GGB, reservegronden voor stedelijke distributiecentra moeten worden voorzien, aangezien de wijziging van het programma van het GGBua wat dat betreft ontoereikend is volgens hem;

Overwegende dat de GOC het redelijk acht om minstens drie stedelijke distributiecentra van elk minstens 5 hectare in te planten, bijvoorbeeld een in het noorden (in het GGBua of het aangrenzende GHV), een ander in het zuiden (nabij het Biestebroeckdok/Schipperijdok) en een derde in het oosten van het gewestelijk grondgebied; dat zij wil dat de inplanting van die SDC wordt geanalyseerd bij de uitwerking van het `Goederenplan' van het GPDO;

Overwegende dat de programma's van de GGB, en bij gebrek daaraan het GBP dat die programma's uitvoert, de uitvoering van voorschrift nr. 4 met betrekking tot sterk gemengde gebieden, gemengde bestemmingen opleggen;

Aangezien het stedelijke distributiecentra (SDC) betreft, herinnert de Regering eraan dat deze ofwel toelaatbaar zijn in industriegebieden, in bepaalde GGB en in het GGBua (wanneer we ze als een logistieke activiteit kunnen beschouwen), of onder het algemeen voorschrift 0.7 van het GBP vallen (indien ze als een voorziening van collectief belang of van openbare diensten moeten worden beschouwd);

Dat bijgevolg het voorzien van welbepaalde inplantingsgebieden in de GBP paradoxaal genoeg zou leiden tot een beperking van de huidige inplantingsmogelijkheden voor de SDC, wat de Regering niet wil;

Dat de meest aangewezen plaatsen voor de inplanting bovendien moeten worden bepaald via de GPDO dat momenteel wordt uitgewerkt, zoals de GOC dat wenst;

Programmatorische beginselen van de duurzame urbanisatie Overwegende dat er wordt gevraagd dat de programma's van het GGB en GGBua preciezer zouden zijn wat duurzame urbanisatie betreft en zouden vereisen dat de projecten beantwoorden aan de principes uiteengezet in het Memento voor Duurzame Wijken gepubliceerd door het BIM;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de vermenging van functies, één van de beginselen van duurzame stedenbouw, geïntegreerd is in het GBP; dat zij vaststelt dat andere beginselen zoals hergebruik en converteerbaarheid van de gebouwen kunnen worden beheerd door andere verordenende instrumenten, waaronder de GSV; dat zij vraagt dat de integratie van het principe van sociale diversiteit in de planning zou worden bestudeerd door de Regering;

Overwegende dat, zoals de GOC opmerkt, het beginsel van duurzame stedenbouw dat impliciet deel uitmaakt van het opleggen van functionele gemengdheid in het GBP is geïntegreerd, terwijl andere beginselen die verband houden met hergebruik of converteerbaarheid, enz. vreemd zijn aan de inhoud van het GBP zoals gedefinieerd in artikel 24 van het BWRO en moeten worden ondergebracht bij andere verordenende instrumenten (meer bepaald de GSV) of indicatieve instrumenten (zoals het memento voor duurzame wijken);

Kwetsbaarheidsklassen in de `bodemordonnantie' Overwegende dat werd vastgesteld dat het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake bodemverontreiniging de GGB opneemt in de kwetsbaarheidsklasse die overeenstemt met hun bestemming of zo niet als woongebied; dat om dubbelzinnigheden te vermijden als gevolg van de gedeeltelijke wijziging van het GBP wordt gevraagd om dat besluit aan te passen opdat de GGB, het GGBua en het grondreservegebied zouden worden toegewezen aan een kwetsbaarheidsklasse die overeenstemt met hun bestemming of, bij dubbelzinnigheid als gevolg van dubbele bestemmingen, met hun feitelijke toestand of, zo niet, zouden worden bestempeld als woongebied;

Overwegende dat de GOC aan de Regering vraagt om, vóór de inwerkingtreding van het gewijzigde GBP, over te gaan tot de aanpassing van het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake bodemverontreiniging, teneinde elke vorm van rechtsonzekerheid te vermijden;

Overwegende dat in het bovenstaande, onder punt 1.13, een antwoord wordt geformuleerd op deze opmerkingen, waar met name wordt toegelicht dat de Regering, tegelijk met de inwerkingtreding van de wijziging van het GBP, zal overgaan tot de herziening van de volgende besluiten die verwijzen naar de zonering van het GBP : - het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen, - het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai, - het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de interventienormen en saneringsnormen inzake bodemverontreiniging; b. Voorschrift nr.18 Globale visie voor de kleinere GGB Overwegende dat enkele reclamanten van mening zijn dat het feit dat vastgoedprojecten mogelijk worden gemaakt in `kleine GGB' zonder de realisatie op te leggen van het globale programma dat ervoor voorzien was, in strijd is met de initiële wens, uitgedrukt op het moment van de oprichting van de GGB, om een globale visie op de urbanisatie van het gebied te garanderen evenals een evenwichtige ontwikkeling van de verschillende functies gedefinieerd in hun programma; dat zij vaststellen dat de wijziging aangebracht in het GBP niet strookt met de doelstellingen van het besluit van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP en dat er in het MER geen commentaar wordt gegeven bij deze wijziging; dat de reclamanten vrezen dat dit vergunningsaanvragers ertoe zal aanzetten zich toe te spitsen op de meest lucratieve functies die toegestaan zijn in deze GGB en de zwakkere functies te verwaarlozen; dat, meer bepaald in verband met het nieuwe GGB 15 dat betrekking heeft op de Heizelvlakte, eigendom van de Stad Brussel, de beoogde wijziging de Stad zal aanmoedigen om haar reürbanisatieproject voor de Heizelvlakte in het wilde weg en zonder een allesomvattende en ernstige effectenbeoordeling uit te voeren; dat de reclamanten bijgevolg vragen om voor de `kleine GGB' de verplichting te behouden om een vergunning aan te vragen die de hele perimeter van het gebied bestrijkt zolang het vereiste BBP niet is uitgewerkt; dat andere reclamanten de voorgestelde wijziging aanvaarden voor zover dat, althans voor sommigen, voor elke vergunningsaanvraag de uitvoering van een effectenbeoordeling voor alle GGB wordt opgelegd of, voor anderen, dat de wijziging een globale visie op de ontwikkeling van het betrokken GGB niet in de weg staat; dat men eveneens van oordeel is dat de voorgestelde vereenvoudiging begrijpelijk is in het geval van een GGB waar reeds bebouwing bestaat, maar dat men de mogelijkheid moet behouden om een vergunning te eisen voor het volledige GGB wanneer het een groot niet-geürbaniseerd gebied omvat, zoals het geval is voor het nieuwe GGB nr. 15;

Overwegende dat de GOC erop wijst dat aan de wijziging van dit voorschrift geen evaluatie in het MER is voorafgegaan; dat zij daarom hieromtrent een aanvullende studie van het MER vraagt; dat zij het tevens belangrijk acht om een globale visie te hebben op de ontwikkeling van deze GGB en om die reden pleit om het behoud van het huidige voorschrift;

Overwegende dat de Regering de reclamanten en de GOC erop wijst dat, in tegenstelling tot wat zij beweren, de tekst van het in 2001 aangenomen voorschrift nr. 18 niet oplegt dat, indien er geen BBP is, de aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen met betrekking tot de GGB 6B, 8, 9 en 10 zouden voorzien in de ontwikkeling van het volledige betrokken GGB;

Dat dit voorschrift in de praktijk slechts een vormvoorschrift is en enkel de verplichting oplegt om als perimeter van de aanvraag voor een bouwvergunning deze van de betrokken GGB te nemen; dat deze eis de aanvrager van een vergunning niet belet om binnen deze perimeter een project te ontwikkelen dat slechts een deel van het GGB beslaat; dat hij in de documenten van zijn aanvraag voor een bouwvergunning enkel de gegevens met betrekking tot zijn project in de globale gegevens van het GGB moet opnemen;

Dat dit vormvoorschrift het dossier voor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning ingewikkelder maakt, het risico op fouten verhoogt bij het verzamelen van de gegevens en, in het kader van bijzondere reclamemaatregelen, geïnteresseerden kan misleiden, meer bepaald en paradoxaal genoeg door een vertekend beeld te geven van de omvang van het project wanneer dit slechts op schaal van het GGB wordt voorgesteld en niet als dusdanig;

Dat de wijziging van de tekst van het voorschrift nr. 18 dus enkel bedoeld is om het bewuste vormvoorschrift en de eraan verbonden nadelen op te heffen;

Dat deze eis als enige voordeel biedt dat hij een globale visie op het GGB oplevert; dat we voor ogen moeten houden dat de regels van het BWRO en het OPE met betrekking tot de effectenbeoordeling voor bepaalde projecten van toepassing is, dat deze regels verhinderen dat een groot project kunstmatig in kleinere projecten wordt opgesplitst om zo de effectenbeoordeling van het totale project te vermijden, en dat de aanvragen voor een bouwvergunning die onderworpen zijn aan een effectenbeoordeling een document bevatten, gecontroleerd door een begeleidend comité (voor effectenstudies) of door het bestuur (voor de effectenrapporten), dat een totaalbeeld geeft van de ontwikkeling van het GGB; dat, in het geval van aanvragen van vergunningen die niet aan een effectenbeoordeling onderworpen zijn, de betrokken gemeenten en het Gewest een overzicht moeten bewaren van het betrokken GGB, zoals zij dat voor het hele grondgebied moeten doen, met dien verstande dat, voor de GGB, het specifieke programma van elk bijdraagt tot de vorming van dat beeld; dat de wijziging van de tekst van voorschrift nr. 18 dus niet leidt tot een opheffing van de algemene visie op de ontwikkeling van de GGB waarop dat voorschrift van toepassing is;

Dat het MER de wijziging van de tekst van voorschrift nr. 18 bijgevolg niet moest onderzoeken, aangezien het een louter vormelijke wijziging betreft en niets ten gronde wijzigt; c. GGB 3 (Weststation) Het respectieve belang van de huisvesting en de productieactiviteiten Overwegende dat reclamanten gekant zijn tegen de wijziging van het programma van het GGB waarbij een sterke voorkeur uitgaat naar een woonbestemming, waardoor de troeven worden ondermijnd van een multimodale pool die perfect is afgestemd op de ontwikkeling van economische activiteiten die werkgelegenheid kunnen verschaffen voor de buurtbewoners;dat zij van mening zijn dat de aanwezigheid van de spoorweg het gebied weinig aantrekkelijk maakt als woonbestemming, maar het wel uitstekend geschikt maakt voor bedrijven die gebruik zouden kunnen maken van de spoorwegverbinding; dat zij de huidige drempel van 20 % huisvesting dan ook wensen te behouden, waarbij het volgens sommigen om openbare en volgens andere om sociale woningen zou moeten gaan; dat andere reclamanten een wijziging vragen van het programma van het GGB om de kantoren te elimineren, een minimumpercentage van productieactiviteiten te voorzien en bijkomende voorwaarden op te leggen voor commerciële vestigingen; dat anderen daarentegen van mening zijn dat de verhoging van de minimumdrempel voor huisvesting in lijn is met de voorstellen van het ontwerp voor een richtschema voor het gebied en de juiste richting uitgaat, waarbij in dit gebied huisvesting kan worden gecreëerd die uitstekend bereikbaar is met het openbaar vervoer en waar bijgevolg weinig parkeerplaatsen vereist zijn;

Overwegende dat de GOC aanbeveelt om niet een nog groter aandeel van dit GGB voor te behouden voor huisvesting, ten einde dicht bij dit belangrijke communicatieknooppunt een belangrijke rol te kunnen voorbehouden voor de productieactiviteiten, die potentiële werkverschaffers zijn, en voor voorzieningen; dat zij eraan toevoegt dat het opnemen van handelszaken in dit gebied moet worden onderworpen aan een impactstudie teneinde de relevantie ervan na te gaan en dat er ook plaats zou moeten zijn voor de ontwikkeling van sociale of geconventioneerde huisvesting in dit gebied;

Overwegende dat het besluit waarin de voorgestelde gedeeltelijke wijziging van het GBP wordt aangenomen aangeeft dat de verhoging van de minimumdrempel voor huisvesting in het GGB nr. 3 wordt gerechtvaardigd door de conclusies van de studie met betrekking tot het richtschema voor het gebied, waarin rekening werd gehouden met de bestaande feitelijke situatie die voornamelijk wordt gekenmerkt door een aanzienlijke bevolkingsdichtheid in de omliggende wijken en een uitstekende bereikbaarheid met het openbaar vervoer;

Dat de verhoging van de minimumdrempel voor huisvesting bovendien volledig past in het kader van de belangrijkste doelstelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP, met name het bevorderen van huisvesting om het hoofd te kunnen bieden aan de demografische groei in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Dat voor het overige, aangezien het programma van het GGB nr. 3 niet gewijzigd is, de productieactiviteiten en handelszaken er overwegend toelaatbaar blijven, terwijl de mogelijkheden voor het inplanten van nieuwe kantoren erg beperkt blijven; dat het niet aangewezen is, gelet op de doelstellingen van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP, om deze principes te weerhouden;

Dat voor het overige een antwoord op de opmerkingen en op het advies van de GOC hierboven onder punt 1.2 kan worden gevonden, meer bepaald bij de antwoorden betreffende de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Belang van de groene ruimten Overwegende dat er wordt gevraagd de minimale oppervlakte aan groene ruimten uit te breiden en toe te zien op de kwaliteit ervan en ervoor te zorgen dat er geen versnippering plaatsvindt teneinde een antwoord te kunnen bieden op de hogere menselijke druk die in het gebied zal worden toegestaan, alsook om het huidige tekort aan groene ruimten in het gebied te ondervangen en de biologische waarde van de vegetatie die zich er ontwikkelt te beschermen; dat er eveneens wordt gevraagd om de aanbevelingen ter zake van het MER nauwgezet te volgen; dat er bovendien de aandacht op wordt gevestigd dat, gelet op de omvang van het GGB en de uitgebreide aanwezigheid van spoorweginfrastructuur, de totale toegestane oppervlakte van 150 000 m² blijkt te moeten leiden tot een verhoogde bodemafdichting of een verhoging van de bouwprofielen;

Overwegende dat de GOC vraagt dat in het programma de bepaling `een aaneengesloten groene ruimte van minimum 2 hectare' zou worden opgenomen, om een versnippering van de groene ruimten te vermijden, die tot mindere kwaliteit zou leiden;

Overwegende dat het richtschema dat momenteel wordt uitgewerkt voorziet in de inrichting van een park van minstens een hectare uit een stuk ten westen van het GGB; dat het GBP in het programma van het GGB Weststation minstens 1 ha voorbestemt voor groene ruimten;

Dat het een minimum betreft dat overschreden mag worden;

Dat desalniettemin, gelet op de bijzondere morfologie van het GGB (longitudinale ruimte) en de aanwezigheid van spoorwegen op een terrein van bijna 3 ha dat het GGB in twee verdeelt, het moeilijk lijkt een ruimte uit een stuk van minimum 2 ha te garanderen zonder de verschillende inplantingsmogelijkheden voor de gebouwen te beperken;

Dat het park niet de enige groene ruimte is waarin het richtschema voorziet, dat eveneens voorziet in groene ruimten en tuinen (doorlaatbare en aangeplante gebieden) rond de woningen die er zullen worden gebouwd, evenals een groene wandeling ten oosten van het GGB;

Dat deze groene ruimten in hun geheel kunnen bijdragen tot het groene netwerk;

Dat de grondinname en de bouwprofielen van de geplande ontwikkelingen in het richtschema dat momenteel wordt uitgewerkt in overeenstemming zijn met het principe van de goede plaatselijke ordening en de normen voor duurzame ontwikkeling;

Dat, gelet op het voorafgaande, er geen gevolg kan worden gegeven aan de vraag om het programma van het GGB te wijzigen teneinde `een aaneengesloten groene ruimte van ten minste 2 hectaren' op te leggen;

Zachte mobiliteit Overwegende dat er wordt gevraagd om, aanvullend op de lopende projecten, een groen fiets- en voetpad te voorzien langs de spoorwegen vanaf Bockstael, in de richting noord-zuid;

Overwegende dat de GOC zich achter deze beschouwingen schaart, die geanalyseerd zouden moeten worden in het kader van het GPDO;

Overwegende dat het richtschema dat momenteel in uitwerking is voorstelt om de longitudinale noord/zuidverbindingen te verbeteren via structurerende openbare ruimten bestemd voor het zachte verkeer (nieuwe openbare groene ruimte op de westelijke strook van het GGB en brede groene wandeling op de verbrede bedding van de Vandepeereboomstraat);

Overwegende dat de Regering daarom het advies van de GOC volgt en besluit om het programma van het GGB 3 als volgt aan te vullen : "de stedelijke vormgeving van het geheel beoogt de verbetering van de noord/zuidverbindingen door de site doorlaatbaar te maken voor voetgangers en fietsers";

Aanwezigheid van grote voorzieningen Overwegende dat een reclamant vraagt een pool van grote voorzieningen of een gedecentraliseerde tertiaire pool te plannen en verder benadrukt dat het gebied ook mogelijkheden biedt voor het goederenvervoer over het spoor;

Overwegende dat de GOC zich niet uitspreekt over het type voorzieningen in het kader van haar advies over het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP, aangezien zij verkiest omstandig advies daaromtrent uit te brengen bij de uitwerking van een richtschema of een BBP;

Overwegende dat het programma van het GGB, voorschrift nr. 4 met betrekking tot sterk gemengde gebieden (dat hierop van toepassing is bij gebrek aan BBP) alsook het algemeen voorschrift 0.7 allemaal de inplanting in het GGB toelaten van voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, zonder beperking;

Dat, wat de inplanting van een tertiaire pool betreft en het goederenvervoer over het spoor, er wordt verwezen naar punt 1.2, meer bepaald de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; d. GGB 5 (Prins Albert) Behoud van het architecturaal erfgoed Overwegende dat een reclamant van mening is dat er dwingende voorschriften nodig zijn die de instandhouding eisen van de erfgoedelementen van het GGB en de uitvoering opleggen van een globale studie van dat erfgoed voorafgaand aan elke mogelijke wijziging aan de bebouwing of de uitwerking van een BBP; Overwegende dat de GOC erop wijst dat het GGB 5 niet past in het kader van de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Overwegende dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP, geopend bij besluit van 20 januari 2011, GGB nr. 5 niet beoogde;

Dat in het voorafgaande, meer bepaald onder punt 1.2, een antwoord kan worden gevonden in het kader van de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Heraanlegplannen voor de Kleine Ring Overwegende dat een reclamant zich schaart achter het plan van een gedeeltelijke overkapping van de Kleine Ring tussen de Louizapoort en de Naamse Poort, omdat dit een nieuwe dynamiek zou creëren voor deze wijk die kadert in de doelstellingen van het IOP; dat de reclamant vraagt om de perimeter van het GGB 5 uit te breiden en dat het programma ervan zou moeten worden vervolledigd om dat project mogelijk te maken;

Overwegende dat de GOC erop wijst dat het GGB 5 niet is opgenomen in het kader voor de wijzigingen voorgesteld in het ontwerp van GBP; dat zij wil dat het project voor de gedeeltelijke overkapping van de Kleine Ring openbaar wordt gemaakt en wordt geanalyseerd in het kader van het GPDO; dat een deel van de leden meent dat de Kleine Ring een openbare ruimte moet blijven en gekant is tegen elk bovengronds bouwwerk en tegen commerciële inrichtingen onder de grond;

Overwegende dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP, geopend bij besluit van 20 januari 2011, GGB nr. 5 niet beoogde, evenmin als de gedeeltelijke overkapping van de Kleine Ring tussen de Louizapoort en de Naamse Poort;

Dat er wat dat betreft wordt verwezen naar punt 1.2, en naar de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP die daar te lezen zijn; e. GGB 6 (Thurn &Taxis) Belang en kwaliteit van de groene ruimten Overwegende dat een reclamant zich afvraagt of de opgelegde minimumoppervlakte aan groene ruimte niet kleiner is dan bepaald in het richtschema en hij kritiek heeft op het feit dat de gemineraliseerde esplanade zoals gepland in het GGB 6B als groene ruimte wordt beschouwd, waardoor de in het richtschema voorziene groene connectie niet zal worden gerealiseerd en de omvang van de echte groene ruimte vermindert;dat er bijgevolg wordt gevraagd om de gekozen opties van het richtschema te respecteren; dat er eveneens wordt gevraagd een maximum aan ruimten in volle grond te plannen opdat deze ruimten een ecologische rol zouden kunnen vervullen naast hun sociale rol; dat er vanuit deze optiek wordt gevraagd om een maximumdrempel op te leggen voor de mineralisering van de groene ruimten (beperkt tot de verkeersruimten); dat er eveneens wordt gevraagd de verbinding te garanderen tussen de toekomstige groene ruimte en de kanaalzone en de taluds langs de spoorzijde richting Bockstael;

Overwegende dat de GOC de aanpassing van het voorschrift van het ontwerp van GBP vraagt teneinde tegemoet te komen aan de aanbevelingen van het richtschema;

Overwegende dat de perimeter gedekt door het richtschema voor het Hefboomgebied nr. 5 van het GewOP, `Thurn en Taxis', groter is dan de eigenlijke site Thurn & Taxis; dat de groene ruimten voorzien in het gewijzigd voorschrift van het GBP voor de GGB 6A en 6B overeenstemmen met de groene ruimten die volgens het richtschema moeten worden aangelegd in het GGB 6 Thurn & Taxis; dat het besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 april 2009 inzake de uitvoering door BBP van het GGB 6, dat de opties van het richtschema reflecteert, in de geplande 9 hectare 150 niet enkel de in het GGB 6 aan te leggen groene ruimten integreert, maar ook deze die moeten worden aangelegd in de delen van de gebieden voor havenactiviteiten en vervoer en in spoorweggebieden die eveneens binnen de perimeter van het toekomstige BBP vallen; dat het richtschema verder in de aanleg voorziet van andere groene ruimten aansluitend bij de site Thurn & Taxis, tussen deze laatste en het kanaal enerzijds en spoorweglijn nr. 28 anderzijds; dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP de heraanleg van deze aangrenzende gebieden bekrachtigt door ze een bestemming te geven als parkgebied;

Dat uit het voorgaande blijkt dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP de principes van het richtschema - die louter indicatief zijn - niet afwijst maar ze juist integreert in een regelgevend instrument waarvan niet kan worden afgeweken;

Dat in verband met het inplannen van de gemineraliseerde ruimten tussen de te realiseren groene ruimten in de GGB 6A en 6B zowel het richtschema als het bovenvermelde besluit de mogelijkheid benadrukken om in de grote open publieke ruimte specifieke evenementen te organiseren, met de nadruk op verschillende soorten activiteiten en thema's; dat zij te dien einde een multifunctionele groene ruimte verwachten met hier en daar een overwegend mineraal karakter; dat de specifieke wijziging van het GBP bijgevolg niet tegen deze principes indruist;

Behoud van het architecturaal erfgoed Overwegende dat een reclamant oordeelt dat er dwingende voorschriften nodig zijn die de instandhouding van de erfgoedelementen van het GGB afdwingen, evenals de uitvoering van een allesomvattende studie van dat erfgoed voorafgaand aan elke mogelijke wijziging aan de bebouwing of de uitwerking van een BBP; dat de bestemming als parkgebied van vier percelen langs de spoorweg bijdraagt tot het groene netwerk maar dat er bij die operatie werk zou moeten worden gemaakt van de opwaardering van de Jubelfeestbrug;

Overwegende dat de GOC erop wijst dat de aanbevelingen met betrekking tot het behoud van het architecturaal erfgoed, op basis van de gedetailleerde lijst in het MER, geïntegreerd moeten worden in het BBP;

Dat er in dat verband wordt verwezen naar punt 1.2 en naar de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP die daar te lezen zijn;

Mobiliteit Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de site van Thurn & Taxis nog steeds weinig toegankelijk is voor het zachte verkeer en dat het transportpotentieel van het kanaal niet in aanmerking wordt genomen en zelfs in het gedrang lijkt te komen door bepaalde woonprojecten; dat een reclamant voorstelt om het spoorweggebied langs lijn 28 te behouden omdat dit gebied zowel de aanleg als wijziging van voet- of fietspaden mogelijk maakt, de inplanting van recreatieve moestuin- en tuinbouwactiviteiten en het behoud van de fauna en flora; dat het behoud van het spoorweggebied bovendien op langere termijn een eventuele uitbreiding tot vier sporen van lijn 28 zou mogelijk maken;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat het terrein in kwestie gelegen langs lijn 28 momenteel de bestemming van gemengd gebied heeft; dat overwogen wordt er een parkgebied van te maken en dat voor het project voor een fiets- en voetpad op deze plaats een stedenbouwkundige vergunning is aangevraagd; dat de GOC bovendien aanbeveelt om de kaai langs het Becodok niet te herbestemmen tot parkgebied en ze als gebied van openbaar nut te behouden waarbij het kanaal als vervoersas wordt gebruikt;

Overwegende dat het hier om het mobiliteitsbeleid in het algemeen gaat, legt de Regering de nadruk op de beperkte draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat we hier geen evaluatie moeten maken van alle huidige en toekomstige verplaatsingsbehoeften in het Gewest;

Dat de vraag van de GOC om de kaai langs het kanaal geen parkbestemming te geven indruist tegen de principes van het richtschema en het voormelde besluit waarvan heel wat reclamanten wensen dat ze in het GBP zouden worden geïntegreerd; dat de bestemming als parkgebied verenigbaar is met het behoud van een openbare bestemming, zoals gevraagd door de GOC; dat de tot parkgebied herbestemde perimeter beperkt is en het gebruik van het kanaal als transportas niet in het gedrang brengt; dat de Regering dus oordeelt dat er geen gevolg moet worden gegeven aan de vraag van de GOC; f. GGB 6B Aanwezigheid van (sociale) huisvesting Overwegende dat een reclamant betreurt dat het MER de sociaaleconomische gevolgen van de door het MER gewenste sociale gemengdheid niet evalueert;dat de reclamant vraagt om het GGB 6B uitsluitend open te stellen voor sociale woningen;

Overwegende dat bepaalde leden van de GOC van mening zijn dat sociale of gelijkgestelde huisvesting eveneens in het GGB 6B ontwikkeld moeten kunnen worden; dat andere leden vinden dat deze kwestie niet binnen het doel van het GBP valt;

Overwegende dat de Regering eraan herinnert dat de reglementering voor het type toelaatbare huisvesting geen deel uitmaakt van de inhoud van het GBP zoals bepaald in artikel 24 van het BWRO en dus moet worden aangepakt met andere wetgevende en verordenende instrumenten; dat voor het overige een antwoord kan worden gevonden in het voorgaande, onder punt 1.2, in het kader van de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Prioriteit van de bestemmingen Overwegende dat bepaalde reclamanten het volgende programma voorstellen voor het GGB 6B : `Dit gebied is bestemd voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, voor productieactiviteiten en voor kantoren. Het kan ook bestemd worden voor huisvesting en voor handelszaken die de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij de woonfunctie zijn'; dat een andere reclamant vraagt om huisvesting enkel als secundaire bestemming toe te laten in het GGB 6B;

Overwegende dat de meerderheid van de leden van de GOC voorstellen om van huisvesting en handelszaken (voor zover die de gebruikelijke aanvulling van en het toebehoren bij de woonfunctie zijn) hoofdbestemmingen te maken van het GGB 6B en de stellingname van de reclamant als zou het GGB 6B minder geschikt zijn voor huisvesting dan het GGB 6A ongegrond achten;

Overwegende dat de Regering bevestigt dat de tekst van de nieuwe 6de alinea (`het kan ook bestemd worden voor huisvesting') betekent dat de huisvesting zal worden toegelaten in het GGB nr. 6B als secundaire bestemming; dat deze secundaire bestemming wordt toegevoegd aan de andere reeds toegestane bestemmingen; waaronder handelszaken, door toedoen van de originele formulering van het programma van het GGB, die de rang van hoofdbestemmingen hebben; g. GGB 7 (Van Volxem) Huisvesting en prioriteit van de bestemmingen Overwegende dat enkele reclamanten het verlies aan potentieel voor de productieactiviteiten betreuren, niet alleen qua beschikbare gronden maar ook qua verbindingen met het spoor en derhalve tegen de wijziging van het programma van het GGB 7 gekant zijn, die de troeven van een multimodale pool ondermijnt;dat zij het nodig achten de productieactiviteiten, die de historische bestemming zijn van de wijk, te beschermen tegen de huisvesting, die is uitgegroeid tot een sterke functie; dat zij vragen een minimumpercentage aan economische activiteiten te voorzien in het GGB om de continuïteit daarvan te waarborgen; dat anderen dan weer eerder vragen om een maximumpercentage voor toelaatbare huisvesting te bepalen in het GGB; dat een reclamant vraagt om kantoren enkel als gebruikelijke aanvulling bij de andere functies toe te laten; dat meerdere herformuleringen van het programma van het GGB worden voorgesteld;

Overwegende dat de meerderheid van de leden van de GOC voorstellen om kantoren te schrappen uit het programma van het GGB 7; dat de GOC van mening is dat het GGB zich niet leent tot de inplanting van huisvesting in het gedeelte nabij de verhoogde spoorweg, maar niet gekant is tegen huisvesting in het bredere gedeelte; dat de meerderheid van de leden van de GOC geen bezwaar heeft tegen de verschillende types van handelszaken die er ingeplant zouden kunnen worden, behalve twee leden die van mening zijn dat de grote speciaalzaken er niet thuishoren en derhalve vragen om enkel gebruikelijke of aanvullende handel bij de huisvesting alsook groothandel toe te laten;

Overwegende dat in het besluit dat het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP goedkeurt de redenen worden uiteengezet waarom de Regering het nuttig acht om het GGB nr. 7 open te trekken voor huisvesting en het residentieel aantrekkelijker te maken; dat de Regering van mening is dat het opleggen van een maximumvloeroppervlakte voor huisvesting in strijd zou zijn met die beslissing;

Dat wat de productieactiviteiten betreft, het potentieel van het GGB dat bepaalde reclamanten roemen duidelijk niet volstond voor de ontwikkeling van het gebied, waar zich sinds de inwerkingtreding van het GBP meer dan tien jaar geleden niet een van dat soort activiteiten is komen vestigen; dat de praktijk dus heeft uitgewezen dat het door het GBP voorziene bestemmingsprogramma voor het GGB 7 niet het meest aangewezen was; dat het nieuwe programma, dat nog steeds productieactiviteiten en kantoren toelaat (als secundaire bestemmingen), zich zowel aansluit bij de tendens van het besluit dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP inleidt, als bij deze van talloze herontwikkelingsprojecten voor huisvesting in de buurt van het GGB;

Dat het behoud van productieactiviteiten en kantoren als secundaire bestemmingen gerechtvaardigd is om een gemengd karakter te creëren in het GGB, met activiteiten die werkverschaffers zijn en die baat kunnen hebben bij het uitstekende openbaar vervoer in het gebied;

Dat wat de handelszaken betreft de Regering niet inziet welke kenmerken van het gebied rechtvaardigen dat de inplanting van grote speciaalzaken, groothandelszaken of handelszaken die niet de gebruikelijke aanvulling van de woonfunctie zijn, verboden zou moeten worden;

Dat de Regering dus het advies volgt van de meerderheid van de leden van de GOC wat het behoud betreft van de mogelijkheid om alle soorten handelszaken in te planten in het programma van het GGB nr. 7;

Behoud van het architecturaal erfgoed Overwegende dat een reclamant het nodig acht dat er dwingende voorschriften komen voor het behoud van de erfgoedelementen in het GGB die nog niet beschermd zijn;

Overwegende dat de GOC aanbeveelt om de uitwerking en openbaarmaking van de Inventaris van het architecturaal erfgoed te versnellen, in het bijzonder voor het gedeelte met betrekking tot het industrieel erfgoed; dat zij ook om de opvolging van de beschermingsmaatregelen vraagt;

Overwegende dat wat dat betreft wordt verwezen naar punt 1.2, meer bepaald de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; h. GGB 8 (Marsveld) Schrapping Overwegende dat een reclamant de schrapping van het GGB 8 vraagt, dat achterhaald is gelet op de volledige reürbanisatie van het gebied, en de delen van de huizenblokken die in het GGB vallen te bestemmen voor dezelfde functies als de delen van aangrenzende huizenblokken (woongebied voor het huizenblok tussen de Londenstraat en de Troonstraat en gemengd gebied voor de twee andere delen van de huizenblokken); Overwegende dat de GOC erop wijst dat het GGB 8 niet past in het kader van de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van GBP; dat zij evenwel vraagt om deze opmerking te analyseren in het kader van het GPDO;

Overwegende dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP het GGB 8 niet beoogde;

Dat in het voorgaande een antwoord kan worden gevonden, onder punt 1.2, meer bepaald in het kader van de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; i. GGB 9 (Charle-Albert) Schrapping Overwegende dat een reclamant vraagt om het GGB 9 te schrappen, aangezien het nietig werd verklaard door de Raad van State; Overwegende dat de GOC erop wijst dat het GGB 9 niet past in het kader van de voorgestelde wijzigingen in het ontwerp van GBP; dat zij evenwel vraagt om deze opmerking te analyseren in het kader van het GPDO;

Overwegende dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP het GGB 9 niet beoogde, dat overigens geacht wordt nooit te hebben bestaan op grond van het arrest van de Raad van State nr. 188.117 van 20 november 2008 dat de bestemming en het programma ervan nietig heeft verklaard;

Dat ook nog eens wordt verwezen naar punt 1.2, meer bepaald de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; j. GGB 13 (Josaphatstation) Belang van de groene ruimten Overwegende dat een reclamant vraagt om in het GGB 13 een park van minstens 5 hectare te voorzien;dat een andere reclamant vraagt om minstens 20 % van de oppervlakte van het GGB 13 te bestemmen voor groene ruimten; dat anderen de beoogde wijziging steunen, die een verbetering zal betekenen voor het levenskader en het groen netwerk, maar vragen dat het opgelegde minimum aan groene ruimten niet de taluds aan de rand van de site zouden omvatten, die behouden moeten blijven; dat er eveneens wordt gevraagd om een groene weg te voorzien op de site;

Overwegende dat de GOC de aanbevelingen van het MER volgt (dat pleit voor 20 % groene ruimten op de site) om een te grote bodemafdichting te voorkomen en om borg te staan voor het groen netwerk en de ecologische verbinding;

Overwegende dat het MER geen minimum van 20 % groene ruimten vermeldt in het GGB maar enkel aanbeveelt om de taluds met bomen ten westen van de site maximaal te vrijwaren en ecologische verbindingen te realiseren met de aangrenzende groene ruimten;

Dat het opgelegde aantal hectaren groene ruimten in het gewijzigde programma van het GGB een minimum is en dat de groene ruimten die deel uitmaken van de openbare weg er niet bij horen;

Dat de impermeabilisatie van de bodem voornamelijk geregeld wordt door Titel I van de GSV, en niet door het GBP;

Dat het dan ook niet aangewezen lijkt het minimumpercentage groene ruimten te wijzigen in het GGB nr. 13; k. GGB 15-Heizel Procedure Overwegende dat de provincie Vlaams-Brabant en de gemeente Grimbergen betreuren dat ze niet betrokken werden in het proces voor de creatie van het GGB 15; Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat het Vlaams Gewest werd bevraagd zoals bepaald in artikel 25, § 6, van het BWRO en dat het elk initiatief had kunnen nemen om provinciaal of gemeentelijk overleg te plegen;

Overwegende dat er wat dat betreft wordt verwezen naar het advies van de GOC en, in het voorgaande, onder punt 1.8 (raadplegingsprocedure), 1.10 (Termijnen voor het uitbrengen van advies - bekendmaking - openbaar onderzoek) en 3.6.1.a (GGB - Algemeenheden - overleg Gewest-Gemeenten en Stad);

Overwegende dat meerdere reclamanten kritiek hebben op het feit dat er geen openbare raadpleging is geweest over het programma uitgewerkt door de Stad Brussel voor de Heizelvlakte en dat de wijziging van het voorschrift 18 van het GBP geen aanvraag voor een globale stedenbouwkundige vergunning meer oplegt; dat sommigen vragen om een BBP in te voeren; dat anderen vragen om een richtschema uit te werken, onderworpen aan een effectenstudie en een openbaar onderzoek; dat er eveneens wordt gevraagd, teneinde de naleving van het programma van het GGB te garanderen, een aanvraag voor een globale stedenbouwkundige vergunning op te leggen of een wettelijk kader te creëren voor de richtschema's, wat het mogelijk zou maken om in een later stadium verschillende vergunningsaanvragen in te dienen die elk betrekking hebben op een deel van het GGB;

Overwegende dat de GOC van mening is dat een globale planning vereist is voor de Heizelvlakte; dat zij eraan herinnert dat zij gekant is tegen de wijziging van voorschrift 18 en vraagt om voor de Heizel een BBP op te maken;

Overwegende dat er wat dat betreft verwezen wordt naar punt 3.6.1.b (GGB - voorschrift 18);

Dat de Regering er verder aan herinnert dat alinea 2 van voorschrift 18 met betrekking tot de GGB, die niet gewijzigd is, vereist dat de ontwikkeling van de GGB wordt bepaald door de BBP; dat alinea's 3 en 4 van dat voorschrift mechanismen aanreiken om af te wijken van deze algemene regel, van toepassing in afwachting van de goedkeuring van het vereiste BBP;

Dat de Regering het in het licht van het voorafgaande niet nuttig acht om de urbanisatie van het nieuwe GGB 15 in zijn geheel te onderwerpen aan een enkele aanvraag voor een globale bouwvergunning; dat iets dergelijks opleggen waarschijnlijk tot veel problemen zou leiden bij de uitvoering en handhaving, meer bepaald in het geval van een eventuele overdracht van bepaalde delen van het terrein waarop de globale vergunning van toepassing is of wanneer de vergunning verloopt;

Dat het definiëren van een wettelijk kader voor de richtschema's, die een instrument vormen gecreëerd door het GewOP voor de door deze laatste gecreëerde hefboomgebieden, niet past in het kader bepaald door het besluit dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP inluidt;

Dat de stad Brussel overigens - in samenwerking met het Gewest - reeds een masterplan heeft uitgewerkt, conform het Samenwerkingscharter tussen de stad Brussel en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat de stedelijke en internationale doelstellingen wil ondersteunen; dat dit het voorwerp vormt van heel wat overleg;

Winkelcentrum Overwegende dat meerdere reclamanten de opportuniteit van de inplanting van een winkelcentrum op de Heizel betwisten, meer bepaald omdat er reeds andere dergelijke projecten gepland zijn in de buurt en omdat het eigenlijke concept van het winkelcentrum, gebaseerd op het gebruik van de wagen, voorbijgestreefd zou zijn; dat sommigen vragen om enkel handel toe te laten in het GGB Heizel als gebruikelijke aanvulling van de bestemming huisvesting en/of voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten; dat anderen de toepassing vragen van de huidige voorschriften voor handelszaken gelegen in een gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten; dat meerdere reclamanten stellen dat de werkgelegenheid die door het nieuwe winkelcentrum wordt gecreëerd ten koste van de bestaande commerciële centra zal zijn en dat de voorgestelde wijziging derhalve in strijd is met de doelstellingen van het schema voor de commerciële ontwikkeling van het Gewest;

Overwegende dat de meerderheid van de leden van de GOC gekant is tegen de creatie van het GGB 15 en de instandhouding vraagt van de huidige bestemming als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, aangezien deze bestemming de inplanting mogelijk maakt van de door het Gewest gewenste collectieve voorzieningen, huisvesting en handelszaken die de gebruikelijke aanvulling op het gebied vormen en tegelijk de mogelijkheid voorziet om de voorschriften van de sterk gemengde gebieden toe te passen voor zover dat voldoende met economische en sociale redenen omkleed is en voor zover er een BBP is; dat de bestaande bestemming eveneens een herstructurering van de site en een verhoogde toegankelijkheid mogelijk maakt; dat de leden van de GOC verder vragen een studie te laten uitvoeren die de bouw van een congrescentrum zou verantwoorden en dat zij gekant zijn tegen de bouw van een winkelcentrum om dezelfde redenen als de reclamanten; dat zij menen dat het programma van het GGB de bestaande mobiliteitsproblemen zal verergeren en dat zij vragen de in plan Iris 2 bepaalde doelstellingen voor de vermindering van de druk van het autoverkeer te respecteren, meer bepaald door geen nieuwe parkeerplaatsen aan te leggen op de Heizelvlakte; dat daarentegen de GOC een minderheidsadvies heeft gegeven dat het principe van de creatie van het GGB 15 en het programma daarvoor goedkeurt, waarbij wordt onderstreept dat een BBP zal moeten worden ingevoerd op initiatief van de regering en dat een discussie over de opportuniteit van de heraanlegplannen, gedragen door de Stad Brussel, hier niet aan de orde is; dat deze leden vragen om een sociaaleconomische studie te laten uitvoeren ter rechtvaardiging van de relevantie en draagwijdte van een winkelcentrum op deze plaats;

Overwegende dat het ontwikkelingsschema voor de handel een tekort aan handelsaanbod in Noord-Brussel heeft vastgesteld;

Dat het MER bovendien werd vervolledigd met een studie ter objectivering van de behoeften aan handelsruimte in het BHG en meer bepaald in het noordwesten; dat dit de nood aan handelsaanbod bevestigt;

Dat Brussel volgens dit onderzoek onvoldoende uitgerust blijkt te zijn, vergeleken met de andere Belgische metropolen (Luik, Antwerpen en Gent);

Dat deze studie het tekort aan handelsruimte raamt op bijna 200 000 m² netto;

Dat de handelszaken die GGB 15 voorstelt, dit tekort gedeeltelijk zullen opvullen;

Dat het MER de plaats van een mogelijke handelsstructuur in Noord-Brussel bevestigt, gezien de geringe aanwezige structuur;

Dat het MER de volgende aanbevelingen formuleert voor de handelspool van de Heizel : - behoefte aan differentiatie in het handelsaanbod, - behoefte aan goede bereikbaarheid, - behoefte aan parkeergelegenheid, - behoefte aan functiegemengdheid (en meer bepaald van voorzieningen zodat een cultureel en ontspanningsprogramma kan worden aangeboden en gehandhaafd om de bezoekers aan te sporen langer op de site te blijven), - belang van een originele architectuur, - belang van een aangename en aantrekkelijke omgeving;

Dat het MER overigens de potentieel te creëren werkgelegenheid raamt op 7 500 banen voor de bouw van de infrastructuur (of 1 500 personen per jaar voor 5 jaar) en op 2.075 banen voor de exploitatie van de infrastructuur die is voorzien door het NEO-project;

Overwegende dat het internationale ontwikkelingsplan van Brussel zeer duidelijk bepaalt dat het voor Brussel noodzakelijk is om zich uit te rusten met internationale congresvoorzieningen voor evenementen van een zeker formaat;

Dat de bevestiging van de internationale uitstraling van Brussel moet verlopen via de ontwikkeling van de organisatie van congressen; dat het PIO daarom hamert op de prioritaire ontwikkeling van congresinfrastructuur, bovenop de huidige capaciteit van de renovatie van het congrespaleis op de Kunstberg; dat de organisatie van congressen inderdaad een economische sector is die directe, al dan niet gekwalificeerde banen creëert en voor heel wat indirecte positieve spin-offs zorgt; dat het PIO voor de ligging van deze uitrusting met internationale uitstraling de voorkeur geeft aan de Heizelvlakte;

Overwegende, gezien het voorafgaande, dat de Regering het minderheidsadvies van de GOC volgt, namelijk om het GGB nr. 15 Heizel te handhaven; dat het aanvullende onderzoek ter objectivering van de m² handelsruimte werd gerealiseerd en deze heeft bevestigd;

Programma - GGB Overwegende dat meerdere reclamanten vragen om de huidige bestemming te behouden en een BBP in te voeren; dat zij benadrukken dat een groot deel van het heraanlegplan, gedragen door de Stad Brussel, realiseerbaar is zonder een bestemmingswijziging, net als de verbeteringen die moeten worden aangebracht in de leesbaarheid, structurering en bereikbaarheid van de site; dat het GGB enkel vereist is voor het winkelcentrum, dat schadelijk wordt geacht te zijn en zeer kwetsbaar gelet op de economische omstandigheden; dat bepaalde reclamanten benadrukken dat de voetpaden moeten worden verbeterd net als de kwaliteit van de openbare ruimten, meer bepaald door de bestaande groene ruimten te behouden en de toegankelijkheid voor het autoverkeer in te dijken en het aantal parkeerplaatsen te verminderen; dat een reclamant kritiek heeft op het brede karakter van het programma, dat nagenoeg elke vorm van urbanisatie mogelijk maakt; dat de geplande bestemmingen onverenigbaar zijn met de bestaande activiteiten; dat huisvesting en handel de organisatie van evenementen op de site in het gedrang zouden kunnen brengen; dat het programma geen rekening houdt met voorschrift 12 van het regionaal plan voor de strijd tegen de geluidshinder; dat het programma van het GGB op zijn minst bepalingen zou moeten bevatten die ervoor zorgen dat de nieuwe bestemmingen geen hinderpaal vormen voor de bestaande activiteiten;

Overwegende dat het advies van de GOC ten aanzien van deze bezwaren zich beperkt tot wat in het voorgaande punt is uiteengezet;

Overwegende dat reeds werd geantwoord op de opmerkingen aangaande het "handelscentrum" en het BBP;

Overwegende dat de noodzaak om het voetverkeer te verbeteren als volgt is opgenomen in het GGB-programma : "De stedelijke vormgeving van het geheel beoogt de verbetering van de toegankelijkheid van de site voor voetgangers en fietsers";

Dat het programma, wat de groene ruimten betreft, bepaalt dat hun oppervlakte niet kleiner mag zijn dan 7 ha;

Dat de toegankelijkheid van de site geanalyseerd zal worden aan de hand van de aanvragen van vergunningen; dat deze in het kader van het NEO-project verbeterd is; dat het NEO-project inderdaad voorstelt om de parkeergelegenheid op de weg te schrappen en de aldus vrijkomende ruimte te gebruiken om ruime voet- en fietspaden in te richten;

Dat de bestaande lijnen van het openbaar vervoer en het verkeer naar en van Parking C geoptimaliseerd zullen worden;

Overwegende dat het type stedenbouw niet uitsluitend verbonden is met de bestemming;

Overwegende dat de Regering niet inziet waarom de geplande bestemmingen niet verenigbaar zouden zijn met de bestaande activiteiten, te meer daar deze in geringere mate al worden toegestaan in gebieden voor voorzieningen;

Overwegende dat de gemengdheid van de functies die gewenst zijn op de site, geen rem vormt voor de organisatie van evenementen en perfect verenigbaar zijn; dat de ligging van de verschillende functies gedetailleerd werd bestudeerd in het masterplan NEO;

Overwegende dat in het MER ook rekening werd gehouden met de evaluatie van het geluid;

Mobiliteit Overwegende dat meerdere reclamanten benadrukken dat het beoogde programma de bestaande mobiliteitsproblemen nog zal vergroten; dat de Ring van Brussel alleen al het merendeel van de zwarte punten telt, geïnventariseerd door het Vlaams Gewest; dat zij van mening zijn dat de mobiliteitseffecten als randvoorwaarde moeten worden opgenomen in de uitwerking van het herontwikkelingsprogramma voor de Heizelvlakte, dat het MER voor het plan voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP op dat vlak tekort schiet en dat het voorziene programma in strijd is met het gewestelijke mobiliteitsbeleid dat de autoverkeerstroom juist wil verminderen; dat zij aandringen op de noodzaak van een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer; dat zij vaststellen dat de site gelegen is in toegankelijkheidszones B en C en dat het Gewest niet over het nodige budget beschikt om deze toegankelijkheid te verbeteren; dat een reclamant verklaart dat het MER de voordelen aanhaalt van de verbreding van de Ring, bestudeerd door het Vlaams Gewest, maar waartegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zich verzet;

Overwegende dat het advies van de GOC ten aanzien van deze bezwaren zich beperkt tot wat in het voorgaande punt is uiteengezet;

Overwegende dat wordt verwezen naar de reeds geformuleerde opmerkingen in het kader van mobiliteit;

Dat het MER bovendien uiteenzet dat de aanwezigheid van diverse, geografisch goed verspreide metrostations rond de site een belangrijke troef vormt, vooral voor het beheer van grote evenementen; dat veel bestemmingen snel te bereiken zijn vanuit het station Heizel, dankzij de zeer goede commerciële snelheid van de metro;

Dat het MER aangeeft dat de verhoging van de capaciteit (en de frequentie) van de metro op de Heizel mogelijk is zonder de infrastructuur te moeten wijzigen maar louter door extra metrostellen te verwerven;

Overwegende dat het MER geen melding maakt van de voordelen van het plan tot verbreding van de Ring; dat het stelt dat het niet aan onderhavig onderzoek toekomt om te oordelen over de opportuniteit van een eventuele verbreding van de Ring, meer bepaald met betrekking tot overwegingen van duurzame ontwikkeling of vermindering van het wegverkeer in de omgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Parking Overwegende dat bepaalde reclamanten kritiek hebben op de manier waarop het MER de parkeerproblematiek heeft aangepakt; dat meerdere reclamanten opmerken dat het parkeeraanbod vandaag reeds ontoereikend is wanneer er grote evenementen zijn en dat het geplande programma dat probleem alleen maar erger zal maken; dat er in het programma bijgevolg bijkomende en beter toegankelijke parkeerplaatsen zouden moeten worden voorzien; dat andere reclamanten daarentegen vragen om in het programma een verbod op bijkomende parkeerplaatsen op te nemen; dat een reclamant van mening is dat een congrescentrum met meer dan 1.200 plaatsen geen toekomst heeft;

Overwegende dat het advies van de GOC ten aanzien van deze bezwaren zich beperkt tot wat in het voorgaande punt is uiteengezet;

Overwegende dat de Regering meent dat de stationeerstrategie voor de Heizelsite inderdaad cruciaal is voor de bereikbaarheid van de site en om deze een kwalitatieve meerwaarde te schenken;

Dat deze strategie het kader van onderhavige wijziging van het GBP overschrijdt en zal worden onderzocht via stedenbouwkundige vergunningen;

Dat de Regering in dit verband zal toezien op vermindering van de hinder die omwonenden ondervinden van stationeren; op de integratie van parkeerplaatsen buiten de weg; op maximalisering van dubbel gebruik en op een beter gebruik van Parking C;

Dat al deze aspecten opgenomen zijn in het NEO masterplan dat een globale visie geeft voor de heraanleg van de site;

Begrenzing van het GGB nr. 15 Overwegende dat een reclamant vraagt om het huizenblok van de Brussels International Trade Mart in de perimeter van het GGB 15 op te nemen om het betreffende moderniseringsproject te vergemakkelijken, om de verschillende bestemmingen van het door de Stad Brussel gedragen project beter te verdelen en de toegang tot het GGB vanaf de A12 te vergemakkelijken;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de toekomstige ontwikkeling van het huizenblok van de Brussels International Trade Mart moet worden geïntegreerd in een globale reflectie over het hele Heizelplateau;

Overwegende dat het huizenblok van de Trade Mart geïntegreerd is in de globale reflectie van het masterplan NEO; dat het geen deel hoeft uit te maken van GGB 15 Heizel; dat er immers geen enkele nieuwe functie wordt beoogd voor dit huizenblok; dat modernisering en betere bereikbaarheid toegestaan zijn zonder wijziging van bestemming;

Overwegende dat een reclamant voorstelt om de perimeter van het GGB uit te breiden teneinde er de toegangsinfrastructuur (A12, ondergrondse parking, ...) in op te nemen, die evenwel bestudeerd moeten worden in het kader van een richtschema of de aflevering van vergunningen; dat de Stad Brussel op haar beurt vraagt om de perimeter van het GGB uit te breiden tot een deel van het aangrenzend parkgebied met het oog op de aanleg van een nieuwe toegangsweg - een operatie die wordt gecompenseerd door een uitbreiding van de groene ruimte in het aangrenzende gebied voor voorzieningen van collectief belang en van openbare diensten - en het woordelijk voorschrift aan te vullen en er melding te maken van de aanleg van de toegangswegen tot de site;

Overwegende dat de meerderheid van de leden van de GOC zich verzet tegen de inrichting van het GGB 15 en bijgevolg ook tegen de vragen om de perimeter ervan uit te breiden; dat de GOC zich in het bijzonder verzet tegen elke uitbreiding die bedoeld is om een toegang te creëren aan de rand van de woonwijk Verregat, aangezien een dergelijke toegang als negatief wordt gezien voor de woonkwaliteit in de wijk; dat zij daarentegen vraagt dat, in het kader van de aanvaarding van het BBP, het mobiliteitsprobleem over een groter grondgebied zou worden bestudeerd in het MER. Overwegende dat wordt verwezen naar de reeds geformuleerde opmerkingen inzake mobiliteit en handhaving van GGB 15;

Overwegende dat is geantwoord op de opmerkingen van de Stad Brussel betreffende de aanleg van de nieuwe toegangsweg middels een wijziging van het tracé van het parkgebied gelegen ten noorden van het GGB nr. 15 Heizel;

Sport/ Ontspanning/ Voorzieningen Overwegende dat meerdere reclamanten kritiek hebben op het ontbreken van enige toekomstvisie voor de sport- en ontspanningsruimten; dat zij betreuren dat het programma het recreatietoerisme volledig opheft in het gebied, terwijl de belangrijkste toeristische attracties van het Gewest er momenteel gevestigd zijn; dat zij vragen dat een minimumoppervlakte zou moeten worden voorbehouden voor toerisme en ontspanning, waarbij sommigen zelfs 50 000 m² opperen;

Overwegende dat de GOC betreurt dat het project de verdwijning van de bestaande toeristische voorzieningen impliceert; dat zij vraagt om op de site minstens dezelfde oppervlakte voor te behouden voor toeristische en vrijetijdsvoorzieningen als nu het geval is;

Overwegende dat de wijziging van bestemming van het GGB niet betekent dat de bestaande toeristische voorzieningen op de site verdwijnen;

Dat het programma inderdaad aanwezigheid van voorzieningen verplicht; dat het niet opportuun lijkt het aantal m² te kwantificeren aangezien sommige van die "voorzieningen met toeristische roeping" in feite handelszaken zijn in de zin van het GBP;

Dat het masterplan NEO overigens aandringt op de onmisbare aanwezigheid van voorzieningen met toeristische of vrijetijdsroeping;

Groene ruimten Overwegende dat meerdere reclamanten vragen dat de voorziene 7 hectare groene ruimten enkel als groengebied, groengebied met hoogbiologische waarde of parkgebied zou worden bestemd, dat de gebieden voor sport- en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht buiten die gebieden gelokaliseerd zouden worden, en dat deze gebieden niet versnipperd zouden worden of bestemd zouden worden als naaste omgeving van gebouwen of voor de wegenaanleg; dat er verder wordt gevraagd om de beboste massieven langs de Eeuwfeestlaan te behouden en de groengebieden van deze laan en de Keizerin Charlottelaan te integreren in het groene netwerk; dat het belang van de site in het ecologische netwerk over de Ring wordt onderstreept;

Overwegende dat de GOC deze klachten overneemt;

Overwegende dat de gebieden voor sport en vrijetijdsactiviteiten in open lucht (GSVOL) aanzienlijke aanplantingen bevatten - en moeten bevatten op grond van voorschrift 13 van het GBP - die rechtvaardigen dat zij tot de groengebieden worden gerekend;

Dat de ervaring heeft uitgewezen dat het kleine aandeel van en het type toegelaten bouwwerken in de GSVOL geen gevaar vormen voor de ecologische functie die deze gebieden naast hun sportfunctie garanderen;

Dat naast de groengebieden, de groengebieden met hoogbiologische waarde, de bosgebieden en de landbouwgebieden, die de kern vormen van het groene netwerk, de GSVOL een belangrijke aanvullende en afwisselende rol vervullen, net als de parkgebieden, de begraafplaatsgebieden en de gebieden van erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden;

Dat het bijgevolg niet aangewezen is de GSVOL niet op te nemen in de minimumquota voor groene ruimten opgelegd door het programma van het GGB 15;

Dat voor het overige de aard en de precieze locatie van de in stand te houden of aan te leggen groene ruimten in het GGB kunnen worden gepreciseerd in eventuele BBP of stedenbouwkundige vergunningen die het GGB ten uitvoer brengen;

Overwegende dat de gebieden voor sport of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht (GSVOL) aanzienlijke aanplantingen bevatten - en moeten bevatten op grond van voorschrift 13 van het GBP - die rechtvaardigen dat zij tot de groengebieden worden gerekend;

Dat de ervaring heeft uitgewezen dat het kleine aandeel van en het type toegelaten bouwwerken in de GSVOL geen gevaar vormen voor de ecologische functie die deze gebieden naast hun sportfunctie garanderen;

Dat naast de groengebieden, de groengebieden met hoogbiologische waarde, de bosgebieden en de landbouwgebieden, die de kern vormen van het groene netwerk, de GSVOL een belangrijke aanvullende en afwisselende rol vervullen, net als de parkgebieden, de begraafplaatsgebieden en de gebieden van erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden;

Dat het dus niet aangewezen is de GSVOL niet op te nemen in de minimumquota voor groene ruimten, opgelegd door het programma van GGB 15;

Dat voor het overige de aard en de precieze locatie van de in stand te houden of aan te leggen groene ruimten in het GGB kunnen worden gepreciseerd in eventuele BBP of stedenbouwkundige vergunningen die het programma van GGB ten uitvoer brengen;

Handel Overwegende dat een reclamant voorstelt om de groothandelszaken en de in ondernemingen geïntegreerde diensten, zoals bepaald door het huidige voorschrift 5.2 betreffende de gebieden voor stedelijke industrie, op te nemen in het programma van het GGB, aangezien dergelijke bestemmingen geen concurrentie vormen voor het project dat wordt gedragen door de Stad Brussel, noch voor het Tentoonstellingspark, maar van aard zijn om synergieën tot stand te brengen die gunstig zijn voor de hele site; dat een andere reclamant vraagt om de nadruk te leggen op buurthandelszaken en niet op het high-endsegment, dat niet inspeelt op de lokale vraag en dat de mobiliteitsproblemen zal verergeren;

Overwegende dat de meerderheid van de leden van de GOC zich verzet tegen de creatie van het GGB 15 en de huidige bestemming van het gebied geschikt vindt, die handelszaken toelaat als gebruikelijke aanvulling daarvan;

Overwegende dat het niet opportuun lijkt om gebieden voor stedelijke industrie op te nemen in het programma van GGB 15; dat het GGB-programma de in de OG vergunde handelszaken toelaat zonder dezelfde beperkingen op te leggen; dat het GBP geen onderscheid maakt tussen buurtwinkels en high-endwinkels; dat een dergelijke vraag het kader van onderhavige GBP-wijziging overschrijdt;

Programma (andere opmerkingen) Overwegende dat meerdere reclamanten menen dat er sprake is van manipulatie wanneer het project 800 nieuwe arbeidsplaatsen voorhoudt in verband met de 20 000 m² nieuwe kantoren, gelet op de leegstand van kantoren in Brussel; dat een reclamant voorstelt om de mogelijkheid om nieuwe kantoren toe te laten in het gebied te schrappen, aangezien een dergelijke inplanting in de periferie van een stad ontoelaatbaar is vanuit stedenbouwkundig oogpunt;

Overwegende dat de meerderheid van de leden van de GOC, gelet op de aanzienlijke leegstand van kantoren in het Gewest, vraagt om de mogelijkheid om 20 000 m² bijkomende kantoorruimte toe te laten te schrappen en enkel kantoren te aanvaarden als gebruikelijke aanvulling op de hoofdfunctie van het gebied; dat een lid van de GOC daartegen argumenteert dat de nabijheid van de Ring en het aanbod van het openbaar vervoer de vestiging van kantoren rechtvaardigt, wat ook het gemengde karakter van het gebied zou versterken;

Overwegende dat het plafond van 20 000 m² kantoren de bestaande kantoren in het gebied omvat en dus niet overeenstemt met een mogelijkheid tot uitbreiding met 20 000 m²; dat de toegestane uitbreiding overeenstemt met het verschil tussen het plafond van 20 000 m² en de totale oppervlakte bestaande kantoren;

Dat de mogelijkheid tot uitbreiding, die klein is op de schaal van het GGB, bovendien verder wordt beperkt door de verplichting, opgelegd door het programma van het GGB, dat deze kantoren de gebruikelijke aanvulling dienen te zijn op de hoofdfuncties van het GGB;

Dat het aangewezen is om de inplanting toe te laten in de nabijheid van de hoofdfuncties van de aanvullende administratieve functies;

Dat de door het programma van het GGB opgelegde beperkingen in verband met de eventuele bouw van nieuwe kantoren garanderen dat er geen kantoren zullen worden ontwikkeld ten koste van andere functies of ten koste van bepaalde administratiegebieden;

Dat het dus niet nodig is het programma van het GGB 15 te wijzigen op dat punt;

Overwegende dat meerdere reclamanten erop wijzen dat het MER uitdrukkelijk afraadt om sociale woningen te bouwen op de site; dat zij net vragen om publieke woningen te bouwen op de site, aangezien het overheidsgronden betreft;

Overwegende dat de GOC vraagt om de huisvesting in overheidsbeheer te houden, aangezien het overheidsgronden betreft, en er een significante verhouding sociale huisvesting te voorzien;

Overwegende dat het MER een gemengdheid van functies en huisvesting van kwaliteit aanbeveelt voor de site, wat niet betekent dat de bouw van sociale woningen wordt afgeraden;

Dat voorts het GBP niet als doel heeft het soort beheer (openbaar of privé) van een volledig gebied of een deel ervan te bepalen, evenmin als de bijzondere activiteiten en infrastructuren die er moeten komen;

Overwegende dat meerdere reclamanten vaststellen dat het programma van het GGB het lot van het voetbalstadion niet regelt; dat zij de bouw vrezen van een nieuw stadium op de site Schaarbeek-Vorming, wat onvoldoende ruimte zou laten voor de creatie van een logistieke cluster op die plaats en zou kunnen leiden tot de verplaatsing van bepaalde activiteiten buiten het Gewest; dat het Gewest wordt gevraagd om tussenbeide te komen opdat het Fonds voor Spoorweginfrastructuur en de NMBS Holding de site van Schaarbeek-Vorming op middellange termijn zouden verlaten;

Overwegende dat de GOC zich uitspreekt voor het behoud van het stadion op de Heizelvlakte; dat zij van mening is dat de bouw van een nieuw stadion op de site van Schaarbeek-Vorming het potentieel ervan zou verminderen gelet op de creatie van een multimodale logistieke cluster;

Overwegende dat er wat dat betreft wordt verwezen naar punt 1.2, naar de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP evenals naar punt 3.6.2.b betreffende het GGBua;

Water Overwegende dat meerdere reclamanten vrezen dat de forse verdichting en een toename van de impermeabilisatie van de Heizelvlakte de reeds aanwezige wateroverlast in de lager gelegen gebieden zouden verergeren; dat zij zich eveneens zorgen maken over de aanleg van ondergrondse parkeerplaatsen op een plaats waar de grondwaterlaag relatief ondiep ligt en daardoor kwetsbaar is voor de insijpeling van vervuild water; dat zij erop wijzen dat het rioleringsnet daar ontoereikend is; dat een reclamant vraagt om op zijn minst het bestaande percentage doorlaatbare oppervlakte te behouden;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat het programma een aanzienlijke verhoging betekent van de densiteit en van de ondoorlaatbaarheid van de site, dat er ondergrondse parkings zouden worden gebouwd en dat de grondwaterlaag op deze plaats vrij ondiep ligt; dat zij vraagt om minstens eenzelfde percentage doordringbare oppervlakten te behouden;

Overwegende dat er in dat verband wordt verwezen naar punt 1.2, meer bepaald naar de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de impermeabilisatie van de bodem hoofdzakelijk wordt geregeld door Titel I van de GSV en niet door het GBP; dat daarnaast ook het/de eventuele BBP, aangenomen in het kader van de uitvoering van het programma van het GGB, deze problemen kan/kunnen benaderen;

Erfgoed Overwegende dat meerdere reclamanten aandringen op het behoud van het erfgoed geïdentificeerd in het MER; dat er wordt gevraagd om een voorafgaande landschapsstudie en een studie van het onroerend erfgoed uit te voeren; dat er eveneens wordt gevraagd dat de Eeuwfeestlaan de monumentale hoofdas van de Heizelvlakte zou blijven;

Overwegende dat de GOC het behoud van het erfgoed vraagt zoals geïdentificeerd in het MER, met inbegrip van de grote structurerende assen van de site;

Overwegende dat er wat dat betreft wordt verwezen naar punt 1.2, meer bepaald de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat deze kwesties vooral onder de bevoegdheid van de bescherming van monumenten en landschappen vallen, van de eventuele BBP aangenomen in het kader van de uitwerking van het programma van het GGB en van de af te leveren vergunningen voor de reürbanisatie van het gebied;

Specifieke opmerkingen Overwegende dat een reclamant wijst op de uitbatingsovereenkomst die het Tentoonstellingspark van Brussel en Kinepolis aan elkaar bindt, die loopt tot 2025 en die de klanten van Kinepolis gratis toegang verleent tot de parkings van de site; dat er wordt gevraagd om hier rekening mee te houden bij de schrapping van bovengrondse parkings en de bouw van nieuwe ondergrondse parkings;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat het garanderen van toegang tot de toekomstige parkings aan de klanten van Kinepolis niet in een GBP is opgenomen;

Overwegende dat het GBP, dat erop gericht is de bestemming van de grond in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in de toekomst te organiseren, geen rekening hoeft te houden met het bestaan van contractuele bepalingen waar het Gewest niet bij betrokken is en die het gratis gebruik van een parking door de klanten van een onderneming beogen;

Overwegende dat een reclamant zich verzet tegen de bouw van woontorens die voor overlast en een gevoel van onveiligheid zorgen; dat anderen de aandacht vestigen op de organisatie van de leveringen;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet binnen het kader van een ontwerp van GBP vallen;

Overwegende dat er wat dat betreft wordt verwezen naar punt 1.2, meer bepaald naar de antwoorden op de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de kwestie van de bouwprofielen van de gebouwen voornamelijk wordt geregeld door Titel I van de GSV en niet door het GBP; dat daarnaast ook de eventuele BBP, aangenomen in het kader van de uitvoering van het programma van het GGB, deze problemen kunnen benaderen, evenals het probleem van de organisatie van het verkeer van bestelwagens;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de ondergrondse depotfunctie voor de drie vervoerswijzen (metro, tram en bus) goed te preciseren in het programma;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat het programma van het GGB 15 een stelplaats voor trams voorziet; dat er wordt voorgesteld om deze ondergronds te bouwen;

Overwegende dat het in dit stadium te vroeg is om de mogelijkheid van de bouw van een ondergrondse stelplaats voor openbare transportvoertuigen volledig uit te sluiten;

Overwegende dat de aandacht van de regering er op wordt gevestigd dat het programma van het GGB 15 niet langer over `westpool' zou mogen spreken aangezien het volledige GGB ten westen van de Eeuwfeestlaan gelegen is;

Overwegende dat de GOC van mening is dat het een schrijffout betreft;

Overwegende dat het bezwaar werd gevolgd en dat het eerste luik van het voorlaatste lid wordt : "om opnieuw een gemengde wijk te creëren"; 3.6.2. GGBua (Vormingsstation) a. Onafgewerkt richtschema Overwegende dat een reclamant vaststelt dat het GGBua het voorwerp uitmaakt van een richtschema dat nog niet openbaar gemaakt is en dat het, zonder uit te maken of het al dan niet zinvol zou zijn om het GGBua open te stellen voor de voorgestelde bestemmingen, logischer was geweest om het resultaat van dat richtschema bekend te maken en aan een openbaar onderzoek te onderwerpen alvorens het GBP te wijzigen; Dat diezelfde reclamant van mening is dat de verhuizing van MABRU binnen het GGBua de huidige goede integratie in de stedelijke omgeving gedeeltelijk in het gedrang zou kunnen brengen;

Overwegende dat de GOC bovenstaande opmerking goedkeurt en wil dat ze wordt onderzocht in het GPDO; dat zij betreurt dat zij geen toegang had tot het richtschema (dat wordt bestudeerd) alvorens zich te moeten uitspreken, aangezien het GGBua een groot deel van het grondgebied van de Stad Brussel vertegenwoordigt;

Overwegende dat de verschillende opties voor de ontwikkeling van het GGBua momenteel worden onderzocht in het kader van een richtschema dat wordt uitgewerkt; dat er naar aanleiding van de procedure voor de goedkeuring hiervan geen openbaar onderzoek plaatsvindt;

Dat anderszins de wijziging van het programma van het GGBua de verhuizing van MABRU binnen het GGBua noch tot doel, noch tot gevolg heeft; dat zij er gewoon de eventuele inplanting van een multimodale logistieke pool wil mogelijk maken die profiteert van de nabijheid van het kanaal en de spoorweg; dat in dat kader een eventuele verplaatsing van de activiteiten van MABRU mogelijk is, mocht er worden besloten andere projecten te ontwikkelen op de site waar het nu gevestigd is; dat de Regering de vrees van een reclamant als zou de mogelijke nieuwe inplanting de goede integratie van MABRU in de stedelijke omgeving verstoren niet deelt; dat die mogelijke verplaatsing naar aanleiding van de ontwikkeling van het GGBua juist een unieke kans zou bieden om de activiteiten van MABRU, die onontbeerlijk zijn voor het Gewest, nog beter in het stadsweefsel te integreren;

Dat er voor het overige wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven, meer bepaald de uiteenzettingen betreffende de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; b. Prioriteit (of exclusiviteit) van de bestemmingen Overwegende dat veel reclamanten vragen hebben bij de wenselijkheid van de keuze van de bestemmingen van het GGBua;dat sommigen onder hen vrezen dat er te veel bestemmingen zijn voorgesteld; dat zij benadrukken dat de economische en havenactiviteiten er voorrang moeten krijgen, eventueel door de instandhouding van de spoorwegactiviteiten te garanderen;

Dat andere reclamanten, zoals de Stad Brussel, vinden dat de logistieke en havenactiviteiten voorrang moeten krijgen in het GGBua, aangezien het gebied zich goed leent voor dat soort activiteiten, die elders in de stad moeilijk onder te brengen zijn;

Dat bepaalde reclamanten benadrukken dat de ontwikkeling van het gebied gepaard moet gaan met een versterking van de vervoerinfrastructuren, zowel via de binnenvaart, via het spoor als via de weg;

Overwegende dat de GOC het voorstel van openbaar beheer (door de Haven van Brussel en/of de GOMB) goedkeurt, via de controle van het grondbezit, van het deel (54 hectare) van het betreffende GGBua;

Dat zij tevens het voorstel goedkeurt om er, als hoofdbestemming, haven- en logistieke activiteiten te installeren, evenals productieactiviteiten;

Dat zij het eens is met de opmerking over de noodzaak aan gepaste verbindingen via de weg, spoorweg en waterweg om de ontwikkeling van de logistieke activiteiten op de site zo goed mogelijk te bevorderen;

Overwegende dat de vraag om van de logistieke activiteiten een hoofdbestemming te maken wordt gevolgd;

Overwegende dat het GBP niet als doel heeft het soort beheer (openbaar of privé) te bepalen van het volledige of een deel van het gebied, noch welke specifieke activiteiten en infrastructuren er moeten komen; dat een aantal van deze aspecten van de toekomstige ontwikkeling van het GGBua mogelijk zullen worden gedefinieerd in het BBP of in de af te leveren stedenbouwkundige vergunningen; c. Schrappen van het project voor een voetbalstadion Overwegende dat een groot aantal reclamanten opheldering wenst over de mogelijkheid van de bouw van een voetbalstadion op de site;dat sommigen onder hen, die ertegen gekant zijn, aanvoeren dat de bouw de ontwikkeling van het gebied in de weg zou staan in overeenstemming met de prioritaire bestemmingen zoals bepaald in het programma voor het gebied;

Overwegende dat de GOC de bezwaren steunt en gekant is tegen elk project voor een voetbalstadion in het GGBua, aangezien er reeds een voetbalstadion is op de Heizel;

Overwegende dat een antwoord op deze opmerkingen hierboven onder punt 1.2 kan worden gevonden, meer bepaald bij de uiteenzettingen aangaande de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; d. Belang en kwaliteit van de groene ruimten Overwegende dat meerdere reclamanten zich zorgen maken over het gebrek aan groene ruimten in het programma van het GGBua; Dat meer bepaald het BIM vraagt om meer rekening te houden met de rol van de groene ruimten op de site, aangezien zij een schakel vormen in het ecologische netwerk van het gewest;

Overwegende dat de GOC achter het principe staat van minimale groene ruimten in het GGBua teneinde een te grote bodemafdichting te vermijden, de ecologische link te behouden, ...;

Dat zij 20 % voor groene ruimten wenst voor te behouden;

Overwegende dat het voorstel tot wijziging van het programma van het GGBua de aanleg van groene ruimten in het gebied oplegt, zoals reeds het geval is in de huidige versie van het programma; dat verder de verschillende opties voor de ontwikkeling van het GGBua momenteel worden onderzocht in het kader van een richtschema dat wordt uitgewerkt; dat binnen het kader van dat richtschema en de later goed te keuren BBP zal worden aangegeven waar en hoeveel groene ruimten er precies moeten komen;

Dat voor het overige wordt verwezen naar punt 1.2 hierboven, meer bepaald de uiteenzettingen betreffende de methodologie en de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; 3.7. Voorschriften met betrekking tot de gebieden in overdruk Overwegende dat er gevraagd wordt : - nieuwe soorten gebieden in overdrukt te voorzien, verbonden met het ecologisch belang van bepaalde gebieden : gebieden waar handelingen en werken zouden worden onderworpen aan bijzondere voorwaarden tot behoud of realisatie van groene ruimten en die refereren aan de ecologische doelstellingen die voor deze gebienden werden geidentificeerd in de milieuplannen en programma's; - een nieuw voorschrift 21bis "Gebieden van ecologisch belang" in te lassen, dat het stelsel zou uitwerken voor de hoger aangehaalde nieuwe gebieden in overdruk;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet kaderen in de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP, en vraagt ze te analyseren in het GPDO en het GBP dat daarop zal volgen;

Overwegende dat de voorschriften met betrekking tot de gebieden in overdruk niet werden gewijzigd; dat wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat de Regering hier dus het advies van de GOC volgt. 3.7.1. Gebieden van culturele, historische of esthetische waarde of voor stadsverfraaiing Overwegende dat een reclamant vraagt dat voorschrift 21 : - voorrang geeft aan het objectievere historische belang boven het subjectievere esthetische belang en verfraaiing die het historische en culturele belang zouden kunnen neutraliseren; - de aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen in GCHEWS te onderwerpen aan de bijzondere regelen van openbaarmaking, en niet alleen aan het advies van de Overlegcommissie, vooral wanneer er een afweging nodig is tussen "esthetische waarde" en "historische waarde"; - de bestaande perceelsindeling van de historische bebouwing te behouden en de aanpassing van de bestemmingsprogramma's van vergunningsaanvragen af te stemmen op de capaciteiten van de bestaande gebouwen; - elke vraag voor de volledige of gedeeltelijke afbraak in GCHEWS te onderwerpen aan het eensluidende advies van de KCML;

Overwegende dat de GOC meent dat deze bezwaren niet kaderen in de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat voorschrift 21 niet tot wijziging wordt aangeboden; dat wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat de Regering hier dus het advies van de GOC volgt. 3.7.2. Lint voor handelskernen Overwegende dat een reclamant vraagt om de linten voor handelskernen en de galerijen met een letter "G" preciezer weer te geven;

Overwegende dat de GOC meent dat deze vraag niet kadert in de wijzigingen die worden voorgesteld in het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat de kaart van de bestemmingen niet tot wijziging werd aangeboden in de zin dat ze betrekking heeft op voorschrift 22; dat wordt verwezen naar punt 1.2, hierboven, en naar de antwoorden die er worden aangereikt aangaande de draagwijdte van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat de Regering overigens niet inziet hoe de kaart van de bestaande bestemmingen in dit verband niet precies zou zijn; dat de Regering dus het advies van de GOC volgt.

B. PLAATSGEBONDEN BEZWAREN 1. Delta 1.1 DELTA-gebied in het algemeen en deel DELTA ZUID (administratiegebied in het ontwerp van GBP) Overwegende dat de reclamanten wijzen op de noodzaak van een totaalvisie op de inrichting van de site - DELTA NOORD en DELTA ZUID;

Dat de reclamanten het niet verstandig vinden om Delta Zuid als administratiegebied te bestemmen, met name vanwege de geannuleerde vestigingsplannen van de Europese Commissie, de monofunctionele ontwikkeling van AG en het gevaar voor fileproblemen die daaruit voortvloeit, de leegstand in de kantoorgebouwen, de mobiliteitsproblemen, zoals de verzadiging op de assen van de perimeter, de toename van het verkeer door de aanleg van een tunnel, het ontbreken van een IC-IR-station in de omgeving, de creatie van 5 000 bijkomende parkeerplaatsen, de sterke helling van de site en de ingesloten ligging en de financiering van de infrastructuren;

Dat sommige van deze reclamanten vragen om het onderzoek van het project uit te stellen tot na een openbaar onderzoek van minstens 6 maanden over het toekomstige ontwerp van GPDO en een richtschema;

Dat sommige van deze reclamanten vragen om alle door de overheid gefinancierde studies te mogen raadplegen die de burgers meer informatie kunnen geven, en met name deze die de demografische groei objectiveren;

Dat sommige van deze reclamanten vragen om Delta Zuid te bestemmen als GGB om dit deel te kunnen bebouwen na de opstelling van een richtplan;

Dat sommige van deze reclamanten voorstellen om Delta Zuid als stedelijk industriegebied te bestemmen;

Dat sommige reclamanten vragen om Delta Zuid als SGB te bestemmen zodat dit deel als braakliggend beschouwd kan worden om er overwegend woningen te kunnen bouwen en de ontwikkeling van openbare woningen en studentenwoningen te kunnen aanmoedigen;

Dat sommige van deze reclamanten voorstellen om op regeringsniveau een principebeslissing te nemen voor de bouw van een ecowijk;

Dat sommige van deze reclamanten erop wijzen dat er behalve woningen ook voorzieningen van collectief belang moeten worden gecreëerd voor de nieuwe bewoners; dat het deel DELTA ZUID van het gebied dus ook moet worden uitgerust met een school en een crèche; dat ook een stormbekken nodig is; dat ook moet worden toegezien op de ontwikkeling van het ecologische netwerk;

Dat verschillende reclamanten zich kanten tegen de verlenging van de E 411 tot aan de middenring en tegen de aanleg van een overstapparking; dat ze vragen dat het principe om de penetratie van voertuigen in de stad te beperken wordt herbevestigd;

Overwegende dat de gemeente Elsene preciseert dat, aangezien de Europese instellingen zich niet op deze plaats willen komen vestigen, het pertinent zou zijn om de potentiële bestemmingen te herbekijken; dat het creëren van een GGB een mogelijkheid zou zijn om duidelijk te maken welke relatie moet worden gecreëerd tussen de delen DELTA NOORD en DELTA ZUID en de site DELTA PLEIN;

Dat de gemeente Elsene instemt met de in het MER voorgestelde globale benadering van de site en haar verbindingen met de omliggende wijken, evenals met een regelmatige raadpleging van alle gesprekspartners, waarvan zij deel uitmaakt;

Overwegende dat de gemeente Oudergem de geplande bestemming voor de terreinen van DELTA ZUID, die de oprichting van een kantoorcomplex van 200 000 m² zou mogelijk maken, niet ondersteunt; dat deze bestemming niet meer van deze tijd is; dat ze vraagt om het administratiegebied DELTA ZUID om te zetten in een GGB "zodat er handelszaken, kantoren, woningen, infrastructuren en voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten kunnen worden gecreëerd waarvan de oppervlakten zouden worden vastgelegd in een BBP";

Overwegende dat de gemeente Watermaal- Bosvoorde vraagt dat het regenwater afkomstig van de Delta-site en bestemd is voor de Watermaalbeek het voorwerp uitmaakt van hydraulische studies om de maximale lozingsdrempel te bepalen, en dat de nodige infrastructuren en kunstwerken worden voorzien om de woningen in de vallei te beschermen;

Dat de gemeente Watermaal-Bosvoorde vraagt om in geval van verkaveling van percelen het beheer van de waterstromen (grijze en witte) te bestuderen en de rioleringsnetwerken te herbekijken;

Dat de gemeente Watermaal-Bosvoorde garanties vraagt aangaande de totale tenuitvoerlegging van de Delta-site, zodat alle milieueffecten kunnen worden behandeld;

Overwegende dat de Economische en Sociale Raad (ECSBHG) de volgende aanvullende kritieken formuleert : - de tegenstrijdigheid met het Plan Iris 2 (dat bereikbaarheid ziet als een essentieel criterium bij de keuze van de bestemmingen), - de aanmoediging van de verdichting die een grote impact heeft op het milieu;

Overwegende dat een reclamant en de Gewestelijke Mobiliteitscommissie (GMC) aanmanen tot voorzichtigheid omtrent de toekomst van het deel DELTA ZUID; dat een goede bereikbaarheid de uitvoering van aanzienlijke verbindingsmiddelen vereist; dat daarentegen de nabijheid van de spoorweg op termijn interessant zou kunnen zijn voor de ontwikkeling van logistieke activiteiten;

Dat een reclamant en de GMC daarom voorstellen om de bestemming als spoorweggebied van het midden van het deel DELTA ZUID te behouden als toekomstige grondreserve;

Overwegende dat het BIM vraagt om maatregelen te nemen om de potentiële impact van de uitvoering van de beoogde programma's te verzachten, om ten minste de realisatie te garanderen van de drie ecologische verbindingen die zijn geïdentificeerd in het MER;

Dat het BIM van mening is dat de aanbevelingen die het MER voorstelt voor de ten uitvoer te leggen middelen om deze verbindingen te garanderen, niet volstaan en dat verbindingscorridors in volle aarde moeten worden voorzien;

Dat het BIM vraagt om bijzondere aandacht te besteden aan de soorten functies en hun schikking, zodat ze aangepast zijn aan het lawaai en de trillingen die onvermijdelijk zijn op een site die is ingesloten tussen spoorwegen;

Dat een reclamant het meer opportuun acht om er een OGSO te creëren; dat deze terreinen immers uitstekend bereikbaar zijn voor bedrijven en dat een gemengd project met ook huisvesting bovendien landschapsvoorzieningen zou mogelijk maken op de daken van de bedrijven, evenals een hoogwaardige inrichting ten aanzien van het toekomstige ziekenhuis;

Overwegende dat de Commissie oordeelt dat het voorbarig is om de driehoek Delta Zuid te bestemmen als administratiegebied, aangezien de Europese Commissie zich niet op de site zal vestigen;

Dat ze het van kapitaal belang acht dat een globale visie van het geheel van de site wordt ontwikkeld;

Dat de Commissie van mening is dat het voorstel van sommige reclamanten om een GGB te creëren wellicht plausibel, maar voorbarig is;

Dat ze echter vraagt om deze kwestie meer globaal te bekijken in het kader van het GPDO en het GBP dat eruit volgt. Dat ze in dit kader wijst op het belang om de site te ontsluiten door er verbindingen en wegen naar de Triomflaan en de andere wijken te ontwikkelen, evenals ecologische verbindingen zoals is aanbevolen in het MER. Dat ze eveneens vraagt om bij de verstedelijking van de site bijzondere aandacht te besteden aan de soorten functies en hun schikking, zodat ze aangepast zijn aan het lawaai en de trillingen afkomstig van de spoorweg;

Dat de Commissie kennis zou willen nemen van de documenten betreffende het richtschema en de door de overheid gefinancierde studies over het gebied;

Overwegende dat de huidige bestemmingen van de terreinen op de Delta-site de toekomstige ontwikkeling van dit gebied in de weg staat; dat een ontwikkeling van dit gebied al in het GewOP van 2002 werd weerhouden; dat Delta geïdentificeerd werd als een prioritair interventiegebied; dat in de inleiding van het GewOP overigens gezegd wordt dat de spoorwegsite zich in de toekomst zou gaan ontwikkelen;

Dat het belang van een ontwikkeling van deze site in het PIO herhaald wordt en dit plan het hefboomgebied daarom als strategisch gebied aanduidt;

Dat een bestemmingswijziging van Delta Zuid het mogelijk maakt om er tal van functies te vestigen die de Regering als noodzakelijk identificeert, zoals huisvesting, maar niet toegestaan zijn in een spoorweggebied;

Dat een bestemmingswijziging van het gebied niet impliceert dat de Regering de facto de realisatie van een specifiek project goedkeurt;

Dat ingevolge de beslissing van het Gewest om de EG niet op de site onder te brengen omdat het programma als te omvangrijk beschouwd wordt, de Regering duidelijk stelling neemt over de onmogelijkheid om er 200 000 m² aan kantoorruimte te realiseren;

Dat de Regering zich bovendien heeft uitgesproken over het voornemen om huisvesting in te planten op de site;

Dat de Regering van oordeel is dat, zoals sommige van de reclamanten opmerken, de verdere uitwerking van een globale visie essentieel is;

Dat het inderdaad onontbeerlijk is om deze site te verstedelijken en daartoe open te trekken naar de omliggende wijken;

Dat om de site doordringbaar en toegankelijk te maken, uit de huidige studies en het MER blijkt dat de inplantingen rond twee assen ingedeeld moeten worden om de openbare ruimtes en de bebouwing te kunnen structuren;

Dat het enerzijds een oost-west gerichte as betreft die Beaulieu met Elsene verbindt en anderzijds een noord-zuid gerichte as die de Pleincampus met Watermaal-Bosvoorde verbindt;

Dat gezien hetgeen voorafgaat, de Regering beslist om de GOC en verschillende reclamanten bij te treden om het gebied Delta Zuid als GGB te bestemmen;

Dat een GGB de mogelijkheid biedt om de door de Regering gewenste functies voor dit gebied toe te staan en dit te laten aansluiten op de noodzaak om een verbinding tussen Delta Zuid en Delta Noord te realiseren;

Dat de Regering daarom voorstelt om GGB nr. 16 Delta in te voeren met het volgende programma : "Dit gebied is bestemd voor woningen, voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten en groene ruimtes. Het kan eveneens bestemd worden voor handelszaken, kantoren en productie-activiteiten.

De stadssamenstelling van het geheel moet twee assen omvatten die de openbare ruimtes en de bebouwing structuren : een oost-westas die Beaulieu met Elsene verbindt en een noord-zuidas die de Pleincampus met Watermaal-Bosvoorde verbindt";

Dat met de bestemming van Delta Zuid als GGB de Regering via haar programma eveneens tegemoetkomt aan de vraag naar een bestemming als SGG en OGSO, aangezien de in deze twee toegestane functies in dat programma zijn opgenomen;

Dat de bestemming van de site als GGB bovendien zal toelaten om de totaalvisie af te ronden en toe te lichten in een BBP;

Overwegende dat de bezwaren betreffende de locatie van parkeerplaatsen, de aanleg van een tunnel, de verlenging van de E 411, de types van woningen en uitrustingen buiten het kader van deze wijziging van GBP vallen en dat niet al deze aspecten in het GBP behandeld worden;

Overwegende dat, voor wat betreft de vraag om over studies te beschikken, en meer bepaald studies over de bevolkingstoename, er wordt verwezen naar de opmerkingen in deel 1.2 Algemeen;

Overwegende dat in antwoord op de opmerkingen van de gemeente Watermaal-Bosvoorde in verband met het regenwater afkomstig van de Delta-site en met haar vraag om alle milieueffecten van de realisatie van het gebied te onderzoeken, de Regering eraan herinnert dat deze aspecten onderzocht werden in het MER en dat daarin de installatie van een stormbekken werd aanbevolen.

Dat die effecten bovendien opnieuw onderzocht zullen worden in aanloop naar de opstelling van een BBP, net als in eventuele milieueffectenrapporten m.b.t. SV-aanvragen;

Overwegende dat de toegankelijkheid als keuzecriterium voor de bestemmingen, zoals aangehaald door de ESRBHG, niet het enige beoordelingscriterium voor bestemmings-wijzigingen kan zijn;

Dat, zoals uiteengezet, de aspecten i.v.m. de mobiliteit en de verdichting nauwkeuriger onderzocht zullen worden in het BBP en in SV-aanvragen;

Overwegende dat er niet kan worden ingegaan op de vraag van de GOC en een reclamant om de bestemming als spoorweggebied van Delta Zuid te behouden om in de toekomst over een grondreserve te beschikken; dat, in het licht van wat voorafgaat, dit gebied herhaaldelijk behandeld werd als een gebied dat verstedelijkt kan worden met het oog op de stadsverbindingen;

Overwegende dat er tot nu toe geen specifiek programma overwogen wordt voor Delta Zuid;

Dat het verzoek van het BIM om de mogelijke effecten van de geplande programma's in te perken bijgevolg overbodig is;

Dat, zoals uiteengezet, nauwkeuriger aanbevelingen bepaald kunnen worden wanneer de effecten van een toekomstig, specifiek programma onderzocht worden; 1.2. Gedeelte Delta noord langs de Triomflaan (gebied voor uitrustingen in het ontwerp van GBP) Overwegende dat een reclamant van oordeel is dat een bestemming voor Delta Noord als administratiegebied meer flexibiliteit zou bieden voor het programma overwogen in de overeenkomst van 26 maart 2009 tussen het Chirec en de MVV en in het besluit van 7 oktober 2010 dat de opstelling van een BBP plant;

Dat de reclamant subsidiair voorstelt om voor dit gebied een GGB met een gemengd programma goed te keuren;

Dat hij, uiterst subsidiair en indien de bestemming als gebied voor voorzieningen wordt behouden, het Gewest vraagt om uitdrukkelijk te bevestigen dat het BBP "hefboomgebied nr. 13 - DELTA (partim)", dat momenteel wordt opgemaakt, wel degelijk bedoeld wordt in voorschrift 8.3., al. 3 van het GBP, en dat ongeacht de werkelijke datum van inwerkingtreding van het BBP, voor of na die van het ontwerp van GBP in zijn definitieve versie;

Overwegende dat een reclamant van mening is dat het vestigingsproject van het Chirec de conversie van gebied voor stedelijke industrie naar gebied voor voorzieningen rechtvaardigt;

Overwegende dat de gemeente Oudergem de Regering verzoekt om een standpunt over de toepassing van voorschrift 8.3 in te nemen voor de opstelling van het BBP, om alle interpretatieproblemen te vermijden;

Dat eenzelfde vraag kan worden gesteld voor het aangrenzende spoorweggebied, dat volgens het ontwerp van GBP moet worden overbrugd om er bouwwerken mogelijk te maken (art 9.1, 2e alinea);

Overwegende dat een waarnemer volledig akkoord gaat met de bestemming van de site bestemd voor het ziekenhuiscentrum Chirec als gebied voor voorzieningen; dat hij evenwel wenst dat het groene netwerk met de Campus Pleinlaan er wordt behouden;

Overwegende dat de GOC het opportuun acht om de bestemming van de site te wijzigen in gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten;

Dat ze wijst op het feit dat voorschrift 8.3.toelaat om af te wijken van de voorschriften van het gebied voor voorzieningen, en die van het sterk gemengd gebied toe te passen mits de realisatie van een BBP en een motivatie om economische en sociale redenen;

Dat de GOC de Regering vraagt om te bevestigen dat indien voor de site een BBP zou worden goedgekeurd vóór de definitieve goedkeuring van het ontwerp van GBP, dit laatste van toepassing zal zijn;

Dat ze aandringt op de noodzaak om op deze site verbindingen te creëren met de omliggende wijken, en in het bijzonder met de Delta driehoek;

Overwegende dat een lid vraagt om erop toe te zien dat de handelszaken die in dit kader zullen kunnen worden ontwikkeld, strikt beperkt blijven tot de gebruikelijke aanvulling van de andere functies;

Overwegende dat de Regering zich aansluit bij de GOC om een bestemming als gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten te behouden voor Delta Noord;

Dat voorschrift 8.3 van het BBP niet het voorwerp van de huidige wijziging uitmaakt; dat de toepassing ervan dus ongewijzigd blijft en dat de voorschriften voor SGG, mits een BBP, ook op gebieden voor voorzieningen toepasselijk zijn;

Dat de goedkeuring van een BBP vóór de definitieve aanneming van het GBP geen afbreuk doet aan de geldigheid ervan indien de in dat BBP overwogen bestemmingen beantwoorden aan de voorschriften voor SGG;

Dat dit ook geldt voor de toepassing van artikel 9.1, 2e alinea van het GBP, een artikel dat ongewijzigd blijft;

Dat de noodzaak om verbindingen met de omliggende wijken en in het bijzonder met Delta Zuid in een BBP onderzocht moet worden; dat die noodzaak aan bod komt in de voorschriften van het nieuwe GGB nr. 16 Delta;

Overwegende dat voor de opmerking betreffende het groene netwerk verwezen wordt naar de opmerkingen in deel 2.1 Algemeen; 1.3. Gedeelte Delta Pleinlaan (universiteitscampus ULB/VUB in gebied voor uitrustingen volgens het ontwerp van GBP) Overwegende dat de gemeente Elsene opmerkt dat de wijziging van voorschrift 8 (GV) bedoeld is om de huidige situatie te verduidelijken wat de aanvaardbaarheid van huisvesting betreft; dat wordt voorgesteld om in dit deel van de site huisvesting toe te laten als secundaire bestemming, mits speciale regelen voor bekendmaking;

Dat de gemeente benadrukt dat het besluit tot wijziging van het GBP in Brussel het licht werpt op de aanwezigheid van monofunctionele campussen bestemd als gebieden voor voorzieningen die geschikt lijken voor de ontwikkeling van huisvesting;

Dat de gemeente Elsene in het algemeen preciseert dat door het gebruik van deze terreinen door andere functies dan voorzieningen het probleem ontstaat dat er minder capaciteit is voor de voorzieningen nodig voor de demografische ontwikkeling, evenals het probleem dat de grondprijzen in deze gebieden potentieel kunnen stijgen ten nadele van de bestemming voor voorzieningen;

Dat daarom moet worden gepreciseerd dat de functie voorzieningen de belangrijkste blijft in aantal m²;

Overwegende dat de gemeente Elsene van mening is dat, bovendien, het potentieel van de universitaire campussen ULB/VUB om nauwe banden aan te knopen met de toekomstige ziekenhuissite (Delta Noord) moet worden benadrukt, en dat de inplanting van productieactiviteiten verbonden aan de gezondheids- en onderzoekssector op Delta Zuid moet worden aangemoedigd;

Overwegende dat de GOC de bezorgdheid deelt om voldoende ruimte te behouden voor de uitbreiding van de universitaire voorzieningen als de bevolking zal toenemen;

Dat ze wijst op het feit dat campussen veel ruimte innemen en dat de richtschema's en BBP middelen zijn om te beantwoorden aan de doelstelling om voor uitgestrekte sites een gepaste verstedelijking te voorzien;

Dat ze in dit kader aanbeveelt dat een globale visie van de Pleincampus erop toeziet dat verbindingen worden gecreëerd met de omliggende wijken, evenals samenwerkingen en synergieën tussen de campus en het ziekenhuiscomplex;

Overwegende dat ook de Regering ruimte wil vrijhouden voor voorzieningen, inclusief voor universitaire voorzieningen;

Dat, zoals gezegd in de antwoorden op de GV, de aanpassing naar een duidelijker interpretatie van het voorschrift streeft en niet bedoeld is om de toepassing ervan te wijzigen; dat ze bijgevolg geen impact zal hebben op de grondprijzen;

Dat er geen minimumaantal m² voor voorzieningen in GV opgelegd kan worden;

Dat voorzieningen de voornaamste bestemming in deze gebieden zijn, waardoor een ontwikkeling die geen rekening houdt met voorzieningen ronduit onmogelijk is;

Dat voor het overige in deel 8.1.1 een antwoord wordt gegeven m.b.t. de bestemming van het gebied Delta Zuid en de totaalvisie voor de site; 1.4. Toegankelijkheidsproblemen op de sites Delta noord + Delta zuid + Pleinlaan Overwegende dat de gemeente Elsene opmerkt dat de wijzigingen die zijn voorgesteld voor het Delta-gebied, zoals ze naar voren komen uit de bestemmingswijzigingen (gebied voor voorzieningen in het deel DELTA NOORD en administratiegebied in het deel DELTA ZUID), een grote impact zullen hebben op de mobiliteit in de gemeente Elsene;

Overwegende dat de gemeente zich zorgen maakt over deze impact en een aantal opmerkingen herhaalt die ze al formuleerde in het kader van eerdere discussies rond de ingesloten ligging en ontoereikende bereikbaarheid van de site;

Dat de omstandigheden voor het zachte vervoer weinig aangenaam zijn;

Dat de vele verkeersinfrastructuren aanzienlijke fysieke barrières vormen;

Dat de site wordt omringd door grootstedelijke wegen die al dagelijks verzadigd zijn tijdens de spitsuren;

Dat de keuze van het soort verstedelijking van de site een meer dan strategische impact zal hebben op het vlak van mobiliteit;

Dat de maatregelen voorgesteld in het kader van het ontwerp van richtschema negatieve gevolgen zullen hebben;

Overwegende dat de gemeente Elsene een aantal voorwaarden naar voren schuift en de Regering vraagt om daarmee rekening te houden;

Overwegende dat de GOC herhaalt dat ze geen kennis had van de studies die werden uitgevoerd in het kader van het richtschema, en dat ze zich dus niet kan uitspreken over de verschillende opties die erin worden ontwikkeld; dat die opties niet het voorwerp uitmaken van het ontwerp tot wijziging van het GBP;

Dat ze erkent dat mobiliteit van cruciaal belang is voor de werkzaamheid van de Delta-site en de omliggende wijken, en aanbeveelt dat dit het voorwerp uitmaakt van een globale studie in het kader van het GPDO en het GBP dat eruit volgt;

Overwegende dat de Regering ermee instemt dat mobiliteit van groot belang is voor de verstedelijking van de Delta-site en de omliggende wijken;

Dat, zoals de GOC aangeeft, de in het ontwerp van richtschema aanbevolen maatregelen niet het voorwerp uitmaken van de huidige wijziging van het GBP;

Dat de vragen van de gemeente Elsene daarom onderzocht zullen worden in het kader van de totaalvisie voor de site en het BBP dat daaruit zal volgen; 2. OGSO-polen 2.1. Algemeenheden Overwegende dat de Gewestelijke Mobiliteitscommissie, een deel van de Economische en Sociale Raad en verschillende reclamanten vragen om de verbinding van de industriegebieden met de waterweg en/of spoorweg te behouden, aangezien deze een belangrijke economische rol zal vervullen voor het vervoer van goederen en grondstoffen;

Dat de gebieden voor havenactiviteiten bovendien een tewerkstellingspotentieel bieden voor laaggeschoolde arbeiders;

Overwegende dat een reclamant vraagt om minder gebieden te bestemmen als OGSO, zodat de positieve en negatieve weerslag van het nieuwe voorschrift op een beperkt aantal gebieden kan worden geanalyseerd;

Overwegende dat een reclamant voorstelt om de mogelijkheid te bieden dat, via een vergunningsaanvraag, de voorschriften van het OGSO ook worden toegepast op terreinen die eraan grenzen, of die zodanige eigenschappen hebben dat er dezelfde potentialiteiten als in een OGSO mogelijk zijn, met name in het licht van de criteria waarop de keuze van de OGSO is gebaseerd;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de invoering van een nieuw bestemmingsgebied - het OGSO - de ontwikkeling van de industrie- en productiefunctie in het Brussels hoofdstedelijk Gewest niet in het gedrang mag brengen;

Dat ze oordeelt dat er specifieke gebieden, voorbehouden voor de industrie- en productiefunctie (GSI en GHV) en bij voorkeur gelegen in de buurt van de mobiliteitsassen (spoor, water, weg) in het noorden en het zuiden van Brussel, behouden moeten blijven;

Dat ze van mening is dat bedrijven van het type K.M.O. en ZKO het best geschikt zijn om zich te vestigen in de OGSO;

Dat wat de uitbreiding en de toepassing van de voorschriften van het OGSO tot de omliggende gebieden betreft, de Commissie het niet opportuun acht dat een eigenaar hierom kan verzoeken via zijn vergunningsaanvraag;

Overwegende dat wordt verwezen naar de opmerkingen in het deel 3.2.3.

OGSO en 3.3.1. GSI;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat ze de toepassing van het voorschrift van de OGSO via een vergunningsaanvraag weigert; 2.2. Erasmus 2.2.1. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant vraagt om de gebieden van de Erasmus-pool te behouden als GSI, aangezien deze pool niet voldoet aan een aantal voorwaarden, namelijk goede bereikbaarheid, ligging in de buurt van het stadsweefsel, mogelijkheden tot kwalitatieve verbetering of interessant kader voor de woonfunctie;

Dat een deel van de ESRBHG en een reclamant echter van mening zijn dat de Erasmus-pool een potentieel kader is voor de bouw van nieuwe woningen, maar dat er productieactiviteiten moeten kunnen worden ontwikkeld en er dus een evenwicht moet worden bewaard tussen de woonfunctie en de productieactiviteiten;

Dat een reclamant vraagt dat alle nieuwe constructies en inrichtingen in de buurt van nog niet verstedelijkte gebieden het voorwerp uitmaken van compenserende maatregelen (groene ruimtes die de verbindingen met het beschermde landschap Vogelzang bevorderen) en dat de nieuwe inrichtingen zo goed mogelijk moeten worden geïntegreerd in het landschapspatrimonium;

Dat deze reclamant ook vraagt om de oude boomgaarden te restaureren en op te nemen in de overeenkomst "Réseau Nature" van Natagora met de gemeente Anderlecht, de ULB Erasmus en de GOMB, en er alle beschikbare ruimtes aan toe te voegen Dat de gemeente Anderlecht van mening is dat de OGSO in de Erasmus-pool de ontwikkeling moeten mogelijk maken van verbindingen met het centrum van de gemeente (stedelijke, sociale en economische verbindingen)om elk risico van isolatie van dit deel van het Anderlechtse grondgebied te vermijden;

Overwegende dat gezien de aanwezigheid van de metro en de toekomstige doorgang van het GEN de Erasmus-site goed bereikbaar is met het openbaar vervoer;

Dat de pool geschikt is voor de ontwikkeling van huisvesting;

Dat de voorschriften betreffende de OGSO de nodige garanties bieden opdat de ontwikkeling van huisvesting niet ten koste zou gaan van de ontwikkeling van de bedrijven;

Dat overigens een beschermclausule is voorzien die de aanwezige bedrijven beschermt, zodat ze in de toekomst nog kunnen uitbreiden;

Dat dankzij de ontwikkeling van huisvesting de pool kan worden verbonden met de andere woonwijken van de gemeente Anderlecht;

Dat de kwestie van de ontwikkeling van de verbindingen met de rest van de gemeente, en de integratie in het landschapspatrimonium, niet het voorwerp uitmaken van het GBP, dat enkel de bodembestemming regelt;

Dat deze kwesties via andere instrumenten moeten worden geregeld; 2.2.2. Opmerkingen over de bestemming van de verschillende huizenblokken van de pool a. huizenblok tussen de Lenniksebaan, de Meylemeersstraat en de gewestgrens Studentenwoningen op de site van de ULB Overwegende dat enkele reclamanten blij zijn dat de percelen van de ULB in het gebied Erasmus-Zuid worden ingeschreven als OGSO, aangezien deze percelen ideaal gelegen zijn om er studentenhuisvesting te creëren; Dat een reclamant evenwel vraagt om deze percelen in te schrijven als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, zoals het geval was in het gewestplan;

Dat het immers niet de bedoeling is van de ULB om op deze percelen productieactiviteiten of andere geïntegreerde dienstverlening aan de bedrijven te ontwikkelen;

Dat deze reclamant ook vraagt om alle percelen van de ULB te bestemmen als gebied voor voorzieningen, met name de percelen 101 a en 101 b, zodat er studentenhuisvesting kan worden gecreëerd;

Overwegende dat de bestemming van dit huizenblok als OGSO de inplanting van woningen toelaat;

Dat gezien de aanwezigheid van de universiteitscampus in de Erasmus-pool, het opportuun kan zijn om een deel van de woningen te bestemmen voor de studenten van deze campus;

Dat het niet nuttig is om de bestemming van deze percelen te veranderen in gebieden voor voorzieningen De Meylemeersch-site en haar hoeve Overwegende dat de KCML, de Raad voor het Leefmilieu van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en verschillende reclamanten vragen om het Meylemeersch-gebied, met zijn valleitje, zijn hoeve, de boomgaarden en de met opmerkelijke knotwilgen omzoomde weide, te bestemmen als groengebied;

Dat de bestemming als groengebied het behoud van de historische en wetenschappelijke landschapskwaliteiten van de beschermde Vogelzang-site zal garanderen;

Dat een reclamant de Regering overigens verzoekt om het voorstel tot herbestemming van de Meylemeersch-hoeve opnieuw te onderzoeken (gemengd project : horeca, hoeveanimatie voor de kinderen, beheer van het landelijk landschap, restauratie, inschakeling van personen met een handicap ...);

Dat deze reclamant ten slotte vraagt dat de Regering zich zo snel mogelijk uitspreekt over de reeds ingediende aanvraag tot bescherming van de site;

Dat een andere reclamant vraagt om het deel Zuid van de Erasmus-pool, dat gelegen is langs de Vogelzangstraat en de voormalige Meylemeersch-hoeve omvat, niet te bestemmen als OGSO maar om zijn huidige bestemming te behouden;

Dat deze reclamant ook vraagt om een achteruitbouwstrook van 120 m langs de Vogelzangstraat te bestemmen als landbouwgebied in plaats van als OGSO, en om het groengebied langs het westelijke deel van het kerkhof uit te breiden met het hele beboste gebied langs het kerkhof;

Dat de gemeente Anderlecht vraagt om ook een brede strook van het gebied Erasmus-Zuid, aan de kant van het groengebied en het kerkhof, om te vormen tot groengebied om bij te dragen tot het gewestelijk groen netwerk tussen de Vogelzang- en de Pedevallei;

Dat het BROH voorstelt om rekening te houden met de aanwezigheid van de Meylemeersch-hoeve in de perimeter van het OGSO, en na te gaan hoe de bestemming als OGSO het behoud van dit gebied in het gedrang zou kunnen brengen;

Overwegende dat de bestemmingswijziging van dit huizenblok geen afbreuk doet aan de overeenkomst "Réseau Nature" die in 2009 werd gesloten tussen de ULB, het GOMB en de vereniging CCN Vogelzang, betreffende het respecteren van de landschapskwaliteiten van de site en een beheer van de groene ruimtes dat bevorderlijk is voor de biodiversiteit;

Dat de kwestie van de bescherming van de Meylemeersch-hoeve en haar boomgaard niet het voorwerp uitmaken van het GBP en van de wijziging ervan;

Site "Erasmus-Zuid" Overwegende dat verschillende reclamanten reserves uiten over de bestemming van dit huizenblok als OGSO;

Dat een reclamant vraagt dat de bouwzones die zijn vastgesteld door de stedenbouwkundige vergunning die aan de GOMB werd verstrekt voor zijn project "Erasmus-Zuid" worden gerespecteerd, en dat elke nieuwe bestemming overeenstemt met de aanbevelingen van de effectenstudie die in het kader van dit project werd gerealiseerd, met name wat het beheer van overtollig water en de lozing van afvalwater betreft;

Dat deze reclamant anderzijds vraagt dat, bij het project tot aanleg en afbakening van de Groene Wandeling, de overheden bijzondere aandacht besteden aan de omliggende projecten, door aan de af te leveren vergunningen verplichtingen te verbinden aangaande de rehabilitatie van deze gebieden en hun onmiddellijke omgeving;

Dat dit gebied de site "Erasmus-Zuid" omvat, een van de laatste grote grondreserves van de GOMB;

Dat de bestemming als OGSO de vraag oproept of een zekere verdichting kan worden doorgevoerd die met name zou impliceren : de herziening van de verkavelingsvergunning; de wijziging van het beheersysteem van de site (gericht op biodiversiteit) en de inachtneming van de realisatie van woningen door de bedrijven buiten het OGSO;

Dat de gemeente Anderlecht vraagt om het industriegebied "Erasmus-Zuid" te behouden als gebied voor stedelijke industrie, aangezien zijn bestemming coherent is met de ligging langs de Lenniksebaan en zijn makkelijke toegang tot de Ring;

Dat gezien de aanwezigheid van een hoogspanningslijn bovendien het voorzorgsbeginsel moet worden toegepast, namelijk een achteruitbouwstrook met een straal van 43 m rond de lijn;

Dat overigens de gemeente Anderlecht vraagt om de hoogspanningslijn in te graven of om te leiden om een kwalitatieve ontwikkeling van de site te garanderen;

Dat enkele reclamanten vragen om de huidige bestemming van het gebied "Erasmus-Zuid" te behouden om de inplanting van een nieuw complex ten behoeve van de volksgezondheid niet te verhinderen; in dit complex zouden de activiteiten van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) en het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA) worden ondergebracht;

Dat het voor het project onmogelijk blijkt om het programma voorzien in voorschrift 4 bis 3 (50 % huisvesting en 30 % productieactiviteiten...) toe te passen;

Dat de activiteiten in het kader van de epidemiologische surveillance van ziekten, lichamelijke, chemische en biologische gezondheidsrisico's weinig verenigbaar met de woonfunctie lijken;

Dat de groepering van deze activiteiten echter andere ruimtes in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou vrijmaken, die grotendeels zouden kunnen worden herbestemd als woongebied (Wytsman-site in Elsene, Verrewinkel-site in Ukkel en Groeselenberg-site);

Overwegende dat de bestemmingswijzigingen geen afbreuk zouden doen aan de afgeleverde vergunningen, noch aan de beheersprincipes van de site die werden voorzien;

Dat de elementen van de verkavelingsvergunning nog steeds van toepassing zijn;

Dat de bestemming van dit huizenblok als OGSO overigens de mogelijkheden voor bedrijven om zich op de terreinen van het GOMB te vestigen niet in het gedrang brengt;

Dat de kwestie van de hoogspanningslijnen niet het voorwerp uitmaakt van het GBP;

Dat bij het onderzoek van de vergunningsaanvragen evenwel rekening zal worden gehouden met de aanwezigheid van een hoogspanningsli Dat de mogelijkheid om woningen in te planten zal worden onderzocht met het oog op een "goede plaatselijke aanleg" Dat voorschrift 0.7 overigens de inplanting van voorzieningen mogelijk maakt in alle gebieden;

Dat in een OGSO dus een complex ten behoeve van de volksgezondheid kan worden ingeplant; b. huizenblok tussen de Wibranlaan en de Lenniksebaan Behoud van een groene corridor Neerpede/Vogelzang Overwegende dat het BIM en enkele reclamanten vragen om rekening te houden met het feit dat dit gebied, gelegen tussen ecologisch waardevolle gebieden (Vogelzangvallei en Neerpede) de rol vervult van ecologische corridor; Dat het BIM en enkele reclamanten vragen om een deel van de momenteel niet-bebouwde percelen te bestemmen als groene ruimte;

Dat sommige reclamanten vragen om het groengebied ten westen van de Erasmus-pool (Chaudron), dat in het verlengde ligt van het beschermd gebied naar het noorden en eindigt aan de Lenniksebaan, door te trekken tot aan het GEN-tracé om een ecologische verbinding met Neerpede te garanderen;

Dat deze reclamanten ook vragen om op de lijn 50 A een ecobrug te bouwen;

Dat het BIM vraagt om de strook groengebied in dit huizenblok te hertekenen om het achter het gebouw Multipharma te laten afbuigen naar de Lenniksebaan recht tegenover de Ketelstraat;

Dat deze wijziging van fundamenteel belang is om de Pede en de Vogelzang met elkaar te verbinden, zowel om de doorgang van de Groene Wandeling te garanderen als om een ecologische verbinding mogelijk te maken die zich verhoudt tot de ecologische corridor die is voorzien aan weerszijden van de Ketelstraat, door de verkaveling die de Pede zal isoleren;

Dat een andere reclamant vraagt om een bufferzone van +- 10 m breed te voorzien langs het pad door het huizenblok, om de realisatie van de Groene Wandeling naar de Ketelstraat mogelijk te maken en een bebouwbaar gebied te creëren langs de Lenniksebaan met een diepte van minstens 50 m;

Dat het volgens de gemeente Anderlecht overigens ondenkbaar is om deze site te verdichten omdat hij voor 100 % wordt ingenomen door bedrijven en door de uitvoeringsdiensten van het gemeentebestuur en omdat de vrije ruimte rond de gebouwen niet alleen dienst als `dynamische' parking maar ook als manoeuvreerruimte voor de gemeentelijke landbouwvoertuigen en leveringsvrachtwagens;

Dat in dit huizenblok enkel huisvesting kan worden gecreëerd als de bedrijven en de gemeentediensten zouden verhuizen;

Dat de gemeente Anderlecht voorstelt om het naburige huizenblok, dat wordt ingenomen door de overstapparking, eveneens te reconverseren om er woonactiviteit te kunnen ontwikkelen; de wedersamenstelling van deze huizenblokken zou zo voldoen aan de criteria die zijn vastgelegd voor de inplanting van OGSO;

Dat dit perceel al lang een stedelijke en landschappelijke breuk vormt;

Dat zijn reconversie zou bijdragen tot het creëren van verbindingen tussen de verschillende naburige activiteiten;

Dat de gemeente Anderlecht echter vraagt om de aanduiding "P", evenals minstens eenzelfde parkeercapaciteit, te vrijwaren;

Overwegende dat voorschrift 0.2 van het GBP de realisatie van groene ruimtes mogelijk maakt in alle gebieden, zonder beperking;

Dat de bestemming van dit huizenblok als OGSO dus niet verhindert dat er groene ruimtes kunnen worden gecreëerd;

Dat het groene netwerk wordt vastgelegd in het GeWop en niet in het GBP;

Dat het toekomstige GPDO desgevallend kan beslissen om nieuwe ecologische verbindingen te realiseren;

Dat de ontwikkeling van huisvesting op deze plaats op termijn opportuun kan zijn en in lijn ligt met de ontwikkeling van de toekomstige wijk op de Chaudron-site;

Dat overigens het naburige huizenblok waarop de pendelparking is aangelegd is bestemd als gebied voor voorzieningen;

Dat de bouw van woningen er dus al is toegestaan als secundaire bestemming;

Dat desgevallend, als deze parking wordt heraangelegd of als er een ondergrondse parking van wordt gemaakt, het dus mogelijk zou zijn om er huisvesting te voorzien; c. huizenblok tussen de H.Simonetlaan, de Olympische Dreef en de spoorweg Overwegende dat een reclamant vraagt om in het voorschrift van het OGSO uitdrukkelijk de notie "grote speciaalzaak" op te nemen;

Dat in het andere geval deze reclamant vraagt om te bevestigen dat de nv Decathlon Benelux haar activiteiten mag voortzetten in toepassing van de algemene voorschriften 0.9 en 0.11 van het GBP;

Dat een reclamant van mening is dat dit huizenblok veel kenmerken heeft die het onverenigbaar maken met huisvesting; het gebied is gelegen in Zone C voor het openbaar vervoer en ligt geklemd tussen de verkeerswisselaar van de Ring en de spoorweg;

Dat de gemeente Anderlecht vraagt dat de terreinen bestemd blijven als gebied voor openluchtsport of -recreatie en als gebied voor stedelijke industrie;

Dat deze terreinen ongeschikt zijn voor de bouw van nieuwe woningen aangezien ze geklemd liggen tussen de Ring en de spoorweg, afgesloten van het bewoonde stadsweefsel, en er een hogedrukgasleiding door loopt;

Dat de bestemming als gebied voor openluchtsport- of recreatie bijdraagt tot het gewestelijke groene netwerk tussen de Vogelzang- en de Pedevallei;

Overwegende dat grote speciaalzaken zijn toegelaten in het OGSO;

Dat deze activiteiten immers vallen onder de notie "handelszaken", aangezien ze in het glossarium van het GBP worden omschreven als "Handelszaken met een oppervlakte van 500 m² en meer waarvan de activiteit bestaat in dienstverlening of de verkoop van roerende goederen en die tot een gespecialiseerde sector behoren, met uitsluiting van de voedingssector";

Dat overigens de bestemmingswijziging van dit huizenblok de aanwezigheid van de bestaande bedrijven niet in het gedrang brengt;

Dat bovendien aan de voorschriften betreffende de OGSO een beschermclausule werd toegevoegd die bestaande bedrijven toelaat om hun activiteiten uit te breiden zonder beperking;

Dat de terreinen die vandaag zijn bestemd als gebied voor sport of recreatie momenteel niet worden gebruikt en niet geschikt zijn voor dit gebruik (kleine terreinen, aanwezigheid van taluds, ...);

Dat de bestemming van al deze huizenblokken als OGSO toelaat om er in de toekomst woningen in te planten;

Dat dit evenwel niet verplicht is voor projecten met een vloeroppervlakte van minder dan 10 000 m²;

Dat de mogelijkheid om huisvesting toe te staan op sommige terreinen van deze huizenblokken desgevallend moet worden beoordeeld wanneer stedenbouwkundige vergunningen worden aangevraagd, met het oog op een goede plaatselijke aanleg; d. huizenblok tussen de H.Simonetlaan, de Olympische Dreef en de spoorweg Overwegende dat de gemeente Anderlecht vraagt om de bestemming als GSI te behouden omdat het huizenblok wordt omringd door fysieke barrières (twee wegen en de spoorweg) en de geluidshinder de site weinig aantrekkelijk maakt voor huisvesting;

Overwegende dat zich tegenover dit huizenblok een woongebied met residentieel karakter bevindt dat is bepaald in het GBP en in een gelijkaardige omgeving ligt op het vlak van geluidshinder;

Dat in dit huizenblok overigens al gemengdheid bestaat aangezien er momenteel enkele woningen zijn ingeplant langs de Lenniksebaan; e. Overige Overwegende dat een reclamant en de Gewestelijke Mobiliteitscommissie vragen om de mogelijkheid te onderzoeken om een metrostelplaats in te planten onder de Henri Simonetlaan; Dat een reclamant vraagt om de ondergrondse metrostelplaats Erasmus te vermelden in het programma van het gebied "Erasmus" Overwegende dat het een reclamant verwondert dat de bestemming als bebouwbaar gebied van het perceel sectie E nr. 166 A wordt bevestigd, terwijl het sinds 19.03.2009 beschermd is;

Overwegende dat een reclamant vraagt om het gebied dat is bestemd voor huisvesting, gelegen ten zuidoosten van het kerkhof Vogelenzang, rond de Vogelzanglaan (nrs 130 tot 180), te bestemmen als landbouw- of groengebied; at deze bestemming volgens deze reclamant gerechtvaardigd is gezien de noodzaak om de huidige bestemming te behouden van de site, die bijdraagt tot zijn landschappelijke waarde doordat de Groene Wandeling erdoor loopt; dat hij tevens wijst op het feit dat de site weinig geschikt is voor de ontwikkeling van een woongebied aangezien hij ingesloten ligt tussen het kerkhof Vogelenzang, de gemeentelijke sportterreinen en verschillende groengebieden, loopt er slechts één smalle doodlopende weg door (de Vogelenzangstraat) en is er geen openbaar vervoer in de buurt;

Overwegende dat deze vragen niet binnen het kader van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP vallen;

Overwegende dat de GOC de volgende opmerkingen formuleert over de Erasmus-pool : - Ze uit de wil om op deze site een complex van volksgezondheid te creëren (WIV en CODA). - Ze preciseert dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van de Vogelzang, die in het GBP 2001 is opgenomen als groengebied; - Ze wijst op het feit dat de Regering zich ertoe verbonden heeft om de site van de Meylemeersch-hoeve, die in de buurt van dit gebied, in het zuidelijke deel van het OGSO is gelegen, te beschermen. Deze site biedt opmerkelijke landschappelijke en natuurlijke eigenschappen - Ze merkt op dat het terrein Erasmus-Zuid eigendom is van de GOMB die er een industriepark ontwikkelt. Ze is van mening dat deze ruimte moet worden voorbehouden voor het onthaal van bedrijven, temeer omdat de GOMB al een stedenbouwkundige vergunning heeft verkregen waarvan de bouwzones zo zijn bepaald dat de groene ruimtes in de buurt van de Vogelzang beschermd worden. - Ze neemt akte van de vraag van de ULB om studentenwoningen te mogen bouwen op het deel van het OGSO langs het gebied voor voorzieningen, en op het perceel dat ze bezit in de buurt van de Meylemeersch-hoeve. - Ze merkt op dat het gebied ten noorden van de spoorweg, dat ingesloten ligt tussen de spoorweg en de Ring, bijzonder weinig geschikt lijkt voor het onthaal van huisvesting, temeer omdat het is samengesteld uit twee taluds; - Ze stelt vast dat het terrein in het westen van de pool, waar nu onder meer de gebouwen van Multipharma staan, volledig bezet is en in de nabije toekomst zeker niet kan worden gemobiliseerd om huisvesting te ontvangen. - Ze is van mening dat een GEN-station onmisbaar is voor de ontwikkeling van de site;

Dat, al deze opmerkingen in acht genomen, de GOC oordeelt dat het voorbarig is om de bestemmingen van de Erasmus-pool te wijzigen;

Dat de GOC van mening is dat de herbestemming van de Erasmus-pool en de verschillende vragen die naar voor kwamen uit het openbaar onderzoek het voorwerp moeten uitmaken van een richtschema, dat zal bepalen welke bestemmingen moten worden voorgesteld bij de herziening van het GBP dat zal volgen uit het GPDO. Dat dit richtschema een coherentie visie van de site zal moeten ontwikkelen, rekening houdend met deze beschouwingen. Dat dit richtschema er ook moet op toezien dat er verbindingen worden ontwikkeld met het centrum van de gemeente, om elk risico dat de pool zal worden geïsoleerd te vermijden;

Overwegende dat ze al heeft geantwoord op deze opmerkingen;

Dat de Regering, gezien haar antwoorden op de bezwaarschriften, het advies van de GOC niet volgt en meent dat het opportuun is om de bestemming van deze gebieden te wijzigen in OGSO;

Dat de Regering evenwel de opmerking van de GOC deelt over de noodzaak om een totaalvisie te ontwikkelen op de pool;

Dat wat dit betreft het MER werd aangevuld met illustraties van de mogelijke stedelijke herstructurering in de verschillende OGSO-polen;

Dat de vraag van de GOC om voor de ontwikkeling van het gebied een richtschema te voorzien niet onder het GBP valt, maar dat dit eventueel kan worden onderzocht in het GPDO; 2.3. Biestebroek 2.3.1. Algemeenheden a. Algemene standpunten over de Biestebroek-pool Overwegende dat de gemeente Anderlecht van mening is dat de bestemming van deze huizenblokken moet worden geanalyseerd in een logica van hertekening van het stedelijk netwerk tussen de beide oevers en dat de reconversie van de verschillende huizenblokken moet worden gedissocieerd gezien de feitelijk bestaande situatie; Dat andere reclamanten menen dat de bestemming van deze huizenblokken opnieuw moet worden geëvalueerd volgens de bestaande potentialiteit voor het goederenvervoer langs het water, de nabijheid van het residentieel stadsweefsel of, daarentegen, een industriegebied, de toegang tot het openbaar vervoer;

Dat enkele reclamanten opmerken dat deze pool is ingesloten tussen industriegebieden;

Dat een andere reclamant zich vragen stelt over de verenigbaarheid van de toekomstige woningen met de bestaande bedrijven (die de waterweg gebruiken);

Dat hij vaststelt dat heel wat van deze terreinen bezet zijn;

Dat enkel reclamanten opmerken dat de spoorweg en het kanaal de goede bereikbaarheid van de woningen in de weg staan; dat deze infrastructuren een troef zijn voor de economische en industriële ontwikkeling van deze terreinen;

Dat een reclamant wijst op de beperkingen op het vlak van bodemreiniging indien er woningen worden gebouwd; Dat hij het behoud verdedigt van economische terreinen die gunstig zijn voor de ontwikkeling van een SDC en de werkgelegenheid;

Dat andere reclamanten zich kanten tegen de ontwikkeling van privéprojecten in de huizenblokken 15A (Kanaaldijk/Zoutstraat) en 15G (Kanaaldijk/Klein Eilandstraat/Industrielaan/Ontwikkelingsstraat);

Dat deze reclamanten van mening zijn dat deze terreinen ideaal gelegen zijn, langs het kanaal en een invalsweg naar de stad;

Dat zij van mening zijn dat hun economische bestemming moet worden behouden;

Dat ze vrezen dat de ontwikkeling van huisvesting ten koste zal gaan van de economische activiteit; b. Water en ondoorlaatbaarheid Overwegende dat een reclamant wijst op de gevolgen van een verstedelijking van deze terreinen op het vlak van afvloeiing; Dat de openstelling van deze gebieden voor huisvesting voor de overheid een hoge kost zal meebrengen op het vlak van rioleringsinfrastructuren die moeten worden voorzien; c. Ecologisch netwerk - groene verbindingen Overwegende dat enkele reclamanten benadrukken dat de nodige ruimtes moeten worden voorbehouden voor de ontwikkeling van het groene en ecologische netwerk; Dat ze vragen om de nodige groene ruimtes te voorzien om de porositeit van de huizenblokken en de continuïteit van de zachte mobiliteit te garanderen;

Dat ze vragen om rekening te houden met de doorstroming van de Zenne boven de grond; d. Openbaar grondbeheer Overwegende dat een reclamant vraagt om de Haven van Brussel en de GOMB een voorkooprecht te verlenen op de betreffende terreinen, dit om de ontwikkeling van het gebied conform het openbaar belang te garanderen;e. Seveso- en andere gevaarlijke bedrijven Overwegende dat een reclamant wijst op de aanwezigheid van een Fluxys-site met een ontspanningsstation en hogedrukgasleidingen; Dat hij de aandacht vestigt op het gevaar van dergelijke installaties;

Dat enkele reclamanten erop wijzen dat in het gebied drie Seveso-bedrijven gevestigd zijn die concessiehouder zijn van de Haven van Brussel, namelijk LUOIL in de voorhaven en COTANCO 1 en 2 in het Biestbroekdok;

Dat ze zich zorgen maken over de mogelijkheid voor deze bedrijven om hun milieuvergunning te verlengen indien de bestemming van de naburige huizenblokken als OGSO zou worden bevestigd;

Dat ze benadrukken dat het BIM veiligheidsperimeters heeft vastgesteld waarbinnen wordt afgeraden om woningen te bouwen, wat het verstedelijkingspotentieel van deze gebieden sterk vermindert;

Dat de gemeente Anderlecht vraagt om de delokalisatie van het Seveso-bedrijf te bevorderen om bij te dragen tot de ontwikkeling en de aanbevolen verdichting van het gebied;

Dat een reclamant vraagt om het MER aan te vullen met deze vraag en de analyse van de cohabitatie tussen de Seveso-bedrijven en de toekomstige residentiële ontwikkelingen; f. BBP Overwegende dat de gemeente Anderlecht meldt dat ze is begonnen met de realisatie van een BBP "Biestebroek" dat een deel van de huizenblokken bestemd als OGSO omvat.Dit plan stelt zich tot doel de kwaliteit van de wijk te verhogen door het stadsweefsel te herstructureren;

Overwegende dat de GOC van mening is dat het belangrijk is om rond het Biestebroekdok industrie- en havengebieden te behouden om er de ontwikkeling van watergebonden bedrijven te bevorderen;

Dat ze drukt op de noodzaak om voor deze huizenblokken een globale visie te ontwikkelen, via een totaalplan en/of een BBP;

Dat ze ook het belang van het industrieel erfgoed in dit gebied benadrukt (oude touw- en veterbedrijven, oude wolspinnerij, ...), en het feit dat vóór de eventuele herkwalificatie van dit gebied een bewaarlijst van het industrieel erfgoed moet worden opgemaakt. Dit erfgoed, ontwikkeld voor een productieactiviteit, verdient het om daarvoor opnieuw te worden gebruikt;

Dat ze benadrukt dat de onmiddellijke omgeving van het kanaal deel zou moeten uitmaken van het groene netwerk, door de inrichting van groene corridors en wegen voor de actieve vervoerwijzen;

Overwegende dat deze huizenblokken momenteel bestemd zijn als gebied voor stedelijke industrie;

Dat ze heel wat braakliggende of gedeeltelijk bebouwde percelen bevatten;

Dat de nabijheid van schoolvoorzieningen en een groene promenade deze sites bijzonder geschikt maken voor de inplanting van woningen;

Dat het grootste deel van deze pool in een bereikbaarheidszone C volgens Titel VIII van de GSV ligt;

Dat de bestemming als OGSO zou toelaten om het gebied te herstructureren;

Dat het MER overigens aangevuld is met voorbeelden van mogelijke stedelijke herstructurering in de verschillende OGSE-polen;

Dat huisvesting in het voorschrift betreffende de OGSO is opgenomen als secundaire bestemming;

Dat dit voorschrift de verplichting oplegt om de gelijkvloerse verdiepingen te bestemmen voor economische activiteiten en zo de huizenblokken te verdichten; huisvesting moet bij voorkeur worden voorzien op de bovenverdiepingen van de gebouwen;

Dat op die manier voor de economische activiteiten potentieel eenzelfde oppervlakte kan worden voorbehouden als vandaag mogelijk is;

Dat het voorschrift werd gewijzigd voor projecten van meer dan 10 000 m², in die zin dat het oplegt dat minstens 90 % van de grondinname van het project moet worden voorbehouden voor productieactiviteiten, geïntegreerde diensten aan bedrijven, handelszaken en groothandelszaken, en dat minstens 40 % vloeroppervlakte moet worden voorbehouden voor huisvesting;

Dat deze verschillende elementen gunstig zijn voor de inplanting van economische activiteiten;

Overwegende dat het MER vermeldt dat rond het kanaal sommige gebouwen hun afvalwater in het kanaal zouden kunnen lozen vanwege technische problemen met de rioolaansluiting;

Dat huisvestingsprojecten een mogelijkheid zouden bieden om gebouwen die nog niet op de riolering zijn aangesloten er op aan te sluiten;

Dat het GBP evenwel geen geschikt instrument is om deze vraag te beantwoorden;

Overwegende dat de realisatie van groene ruimtes om bij te dragen tot het groene netwerk in alle gebieden is toegelaten, dus ook in de OGSO;

Dat het MER overigens aanbeveelt dat er bij de inrichting van de sites op wordt toegezien dat het lokale en gewestelijke ecologische netwerk langs het kanaal wordt versterkt;

Dat het ook aanbeveelt om de noordelijke dijk van de Zenne te versterken, ter hoogte van het gebied in het uiterste noordoosten van de Biestebroek-pool;

Dat aangaande de groene ruimtes in grote huizenblokken, voorschrift 0.2. van het GBP oplegt dat bij alle projecten met een grondoppervlakte van minstens 5000 m² minstens 10 % groene ruimte moeten worden voorzien;

Dat het tracé van het groene netwerk wordt vastgelegd door het GewOP en niet door het GBP;

Dat een eventuele versterking van de groene continuïteit in de pool dus kan worden onderzocht in het GDPO;

Overwegende dat aspecten inzake het voorkooprecht dat moet worden verleend aan de Haven en de GOMB niet worden behandeld in het GBP;

Dat ze het voorwerp moeten uitmaken van andere juridische instrumenten;

Overwegende dat de woningen moeten worden ingeplant volgens het principe van goede plaatselijke aanleg en dat dus, in voorkomend geval, rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van ontspanningsstations of hogedrukgasleidingen;

Overwegende dat wordt gewezen op de aanwezigheid van twee Seveso-bedrijven in de pool;

Dat echter het bedrijf Univar op korte termijn zal verhuizen en dat Cotanco binnenkort zijn milieuvergunning moet vernieuwen;

Dat de veiligheidsperimeters worden bepaald bij de aflevering van de milieuvergunningen, en onderzocht in het kader van de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen;

Dat de verenigbaarheid van de gebouwen en de Seveso-bedrijven wordt onderzocht in het kader van effectenstudies;

Dat aangaande de noodzaak om een totaalvisie te ontwikkelen op de inrichting van het gebied, het GPDO kan voorzien in de uitwerking van een directeur plan voor het gebied; 2.3.2. Opmerkingen over de bestemming van de verschillende huizenblokken van de Biestebroek-pool a. huizenblok tussen de Veeartsenstraat, de Tweestationsstraat en de spoorweg (15 in het ontwerp van GBP) Overwegende dat een reclamant wijst op de aanwezigheid van gebouwen met erfgoedkwaliteiten in dit huizenblok; Dat deze reclamant opmerkt dat een stedenbouwkundige vergunning werd toegekend voor de bouw van een gebouw op het achterste terrein, met een oppervlakte van 15 000 m²;

Dat hij meent dat een bestemming van deze gebouwen als huisvesting niet gepast is en een aanzienlijke minderwaarde tot gevolg zou hebben;

Dat hij benadrukt dat de grond achteraan niet geschikt is voor de bouw van woningen (geen rechtstreekse toegang tot de straat en nabijheid van de spoorweg);

Dat hij een wijziging van voorschrift 4bis vraagt om de bestaande gebouwen te beschermen en om de bouw van woongebouwen niet verplicht te maken (maar wel mogelijk);

Dat als deze wijziging niet wordt aanvaard, hij vraagt om de bestemming van deze terreinen niet te wijzigen;

Overwegende dat de GOC meent dat het voorbarig is om de bestemming van dit huizenblok te wijzigen;

Dat ze vraagt om dit huizenblok op te nemen in de denkoefening over het toekomstige richtschema voor het gebied van het Zuidstation;

Overwegende dat het industrieel erfgoed volgens het MER een interessante hefboom is;

Dat het een lijst heeft opgesteld van gebouwen die van belang zijn;

Dat in de toekomst echter nog een volledige bewaarlijst van dit erfgoed kan worden opgemaakt;

Dat aangaande de bescherming van bestaande industriële gebouwen het voorschrift betreffende het OGSO werd gewijzigd en voortaan ook een beschermclausule bevat die verbouwings- of uitbreidingswerken toelaat aan bestaande gebouwen bestemd voor productieactiviteiten, geïntegreerde diensten aan bedrijven, handelszaken of groothandelszaken, onder bepaalde voorwaarden, en deze projecten vrijstelt van de verplichting om woningen te bouwen;

Dat de Regering bijgevolg het behoud van dit gebied als OGSO bevestigt; b. Huizenblok tussen de Kanaaldijk, de Gouverneur Nensstraat, de Zoutstraat en de Kommenstraat Overwegende dat een reclamant opmerkt dat in dit huizenblok een project is voorzien dat grotendeels bestaat uit woningen, met een vrij hoge dichtheid, evenals uit aanvullende functies die verenigbaar zijn met huisvesting; Dat deze percelen een belangrijke verbinding vormen met de andere residentiële of gemengde wijken aan de overkant van het kanaal;

Dat ze bovendien een uniek uitzicht genieten op het kanaal;

Dat deze reclamant vreest dat de bestemming van dit huizenblok als OGSO de realisatie van zijn project zal hinderen;

Dat volgens hem voorschrift 4bis3 niet coherent is met 4bis1, in de mate dat het van huisvesting een hoofdbestemming maakt, terwijl ze in voorschrift 4bis1 is opgenomen als secundaire bestemming;

Dat de verplichting die voorschrift 4bis4 oplegt om in een gemengd huizenblok te voorzien immers niet garandeert dat de hoofdbestemmingen zoals ze zijn bepaald door dit voorschrift vertegenwoordigd worden in de projecten;

Dat hij vreest dat een BBP voor dit huizenblok, dat de inplanting van de hoofdbestemmingen die zijn voorzien in het voorschrift niet zou toelaten, in tegenspraak zou zijn met het GBP;

Dat deze reclamant vraagt om hetzij dit huizenblok te bestemmen als SGG, hetzij dat huisvesting zou worden beschouwd als hoofdbestemming, hetzij het programma te versoepelen voor projecten van meer dan 10 000 m²;

Dat de gemeente Anderlecht deze vraag steunt;

Dat dit huizenblok een structurerende rol moet vervullen op schaal van de gemeente, gezien zijn ligging aan de toekomstige GEN-halte "Kuregem" op het kruispunt van de Bergensesteenweg, de Wayezstraat en de as Veeartsenstraat/Carpentierstraat naar het Zuidstation;

Dat de gemeente wenst dat er een "punt van wisselend gemengd karakter" zou worden voorzien zodat er een grote speciaalzaak kan worden gevestigd;

Dat de gemeente opmerkt dat de hoge reinigingskost zou moeten worden gecompenseerd door een voldoende en leefbare dichtheid om rendabele vastgoedprojecten mogelijk te maken;

Dat ze een herkwalificatie van de haventerreinen in Anderlecht vraagt, evenals de aanleg van fietspaden en fietsroutes in de buurt van het water;

Dat de KCML opmerkt dat tussen het Biestebroekdok en de Zoutstraat tal van logistieke centra zijn gevestigd die zwaar vrachtverkeer genereren dat moeilijk te verzoenen is met huisvesting;

Overwegende dat de GOC de bestemming van dit huizenblok als OGSO goedkeurt aangezien ze het pertinent acht om op dit terrein een gemengd project met huisvesting te ontwikkelen;

Dat ze evenwel vraagt om de realisatie van woningen in dit huizenblok aan de volgende voorwaarden te onderwerpen : - het kruispunt van de Kuregembrug herkwalifieren; - industrie en havengebieden behouden in het zuiden van de pool; - geen obstakel vormen voor de ontwikkeling van een stedelijk distributiecentrum in het naburige huizenblok; - bijzondere aandacht besteden aan het beheer van de geluidshinder; - verbindingen ontwikkelen en streven naar stedelijke continuïteit met de omgevende wijken; - rekening houden met de aanwezigheid van de Seveso-installaties;

Overwegende dat de Regering net als de gemeente Anderlecht van mening is dat deze percelen een belangrijke verbinding vormen met de andere residentiële of gemengde wijken in de buurt van het kanaal;

Dat ze in dit opzicht een structurerende rol moeten vervullen op schaal van de gemeente;

Dat het huizenblok overigens een bevoorrechte positie bekleedt op landschappelijk vlak;

Dat het in de buurt ligt van buurtvoorzieningen en uitstekend bediend wordt door het openbaar vervoer;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat ze de bestemming van dit huizenblok als OGSO goedkeurt;

Dat aangaande de aangehaalde tegenspraak tussen de hoofd- en secundaire bestemmingen die in het OGSO zijn voorzien en de verplichtingen betreffende projecten van meer dan 10 000 m², dit voorschrift werd gewijzigd in die zin dat minstens 90 % van de grondinname van het project moet worden voorbehouden voor productieactiviteiten, geïntegreerde diensten aan bedrijven, handelszaken en groothandelszaken en minstens 40 % van de vloeroppervlakte voor huisvesting; waardoor bovendien zowel een verticale als een horizontale gemengdheid kan worden tot stand gebracht.

Dat deze wijziging dit voorschrift coherent maakt;

Dat er geen punt van wisselend gemengd karakter moet worden voorzien in het huizenblok, aangezien het voorschrift betreffende de OGSO de grote speciaalzaak toelaat als "handelszaak";

Dat het aspect van de herkwalificatie van de Kuregembrug niet kan worden behandeld in het GBP, maar het voorwerp kan uitmaken van een analyse in het kader van de stedenbouwkundige vergunning;

Dat de gebieden voor havenactiviteiten en vervoer niet worden gewijzigd;

Dat de industriegebieden in het zuiden van de pool worden behouden als OGSO;

Dat de aanwezigheid van een stedelijk distributiecentrum moet worden onderzocht in het kader van het GPDO; dat het GBP niet de plaats van dit soort voorziening kan bepalen;

Dat dit soort activiteit niet verboden is in een OGSO;

Dat het aspect van de geluidshinder wordt beheerd door een ander administratief instrument en wordt onderzocht in het kader van de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen;

Dat de Regering verder beslist heeft de tenuitvoerbrenging van de gedeeltelijke wijziging van het GBP gepaard te laten gaan van een wijziging van het besluit van 21.11.2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen en dat van 21.11.2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai;

Dat de effectenstudies die worden uitgevoerd in het kader van projecten die zijn onderworpen aan een stedenbouwkundige vergunning en aan een milieuvergunning, nagaan wat de effecten zijn en welke maatregelen moeten worden genomen indien er Seveso-bedrijven aanwezig zijn; c. Huizenblokken tussen de waterweg, de Dantestraat, de Grondelstraat en de Klein Eilandstraat (SDC) Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de huidige werken betreffende het GPDO de inplanting voorzien van stedelijke distributiecentra (SDC) in het Gewest.Enkele huizenblokken in de Biestebroek-pool zouden daartoe kunnen worden weerhouden;

Dat hij vraagt om een strategie voor toegang tot de waterweg te ontwikkelen en de bestemming van alle huizenblokken als GSI te behouden;

Dat een andere reclamant vraagt om sommige huizenblokken te bestemmen als GHV;

Dat de gemeente Anderlecht van mening is dat het behoud van deze huizenblokken als GSI de structurering van het stadsweefsel zou afremmen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze huizenblokken moeten worden behouden als SGI of moeten worden bestemd als GHV;

Dat ze drukt op het belang om er bedrijven te ontwikkelen die zijn verbonden met de waterweg, en wijst op het feit dat het MER heeft voorgesteld om deze huizenblokken te bestemmen als gebied voor havenactiviteiten en vervoer;

Dat ze ook benadrukt dat de Haven het gebied Biestebroek heeft geïdentificeerd als een strategische zone voor de ontwikkeling van een stedelijk distributiecentrum (SDC);

Dat overigens de aanwezigheid van Seveso-bedrijven (Cotanco) de inplanting van woningen in deze huizenblokken bemoeilijkt;

Dat ze ook wijst op het feit dat heel wat percelen vervuild zijn, en dus weinig geschikt voor de ontwikkeling van toegankelijke woningen;

Overwegende dat de Regering net als de gemeente Anderlecht van mening is dat een bestemming van deze huizenblokken als OGSO zou toelaten om er het stadsweefsel te herstructureren;

Dat het behoud van deze huizenblokken als GSI de mogelijkheden voor een herkwalificatie van de site, en de mogelijkheid om haar een nieuwe identiteit te geven, zou verminderen;

Dat de bestemming van deze huizenblokken als OGSO het gebruik van de waterweg door de bedrijven niet in de weg staat;

Dat de vraag over de inplanting van een SDC hiervoor al werd beantwoord (punt 2.3.2. b.);

Dat de vraag over de aanwezigheid van een Seveso-bedrijf hiervoor al werd beantwoord in punt 2.3.1 : d. huizenblokken tussen de Klein Eilandstraat, de Industrielaan die wordt verlengd door de Tweestationsstraat, de Paepsemlaan en de Kanaaldijk Overwegende dat enkele reclamanten, waaronder de gemeente Anderlecht, vragen om deze huizenblokken te behouden als GSI, gezien de nabijheid van het kanaal en het naburige industriegebied; Dat ze de site geschikt achten voor de vestiging van een SDC;

Overwegende dat de GOC meent dat deze huizenblokken moeten worden behouden als SGI, gezien hun moeilijke bereikbaarheid met het openbaar vervoer (zone C in de GSV) en de massale aanwezigheid van bedrijven;

Dat gezien de nabijheid met de industrielaan het gebied overigens weinig geschikt is voor de ontwikkeling van huisvesting;

Dat ze evenwel van mening is dat het bestaande bomenscherm moet worden behouden, en dat langs het kanaal het ecologisch netwerk en de actieve vervoerwijzen moeten worden ontwikkeld;

Dat ze van mening is dat het huizenblok tussen de Grondelsstraat, de waterweg, de Dantestraat en de Klein Eilandstraat beter geschikt is voor de inplanting van een SDC dat snel operationeel moet zijn;

Overwegende dat de vraag over de plaats van een SDC werd beantwoord in punt 2.3.2. b;

Dat aangaande de geluidshinder die wordt gegenereerd oor de nabijheid van de Industrielaan, een herstructurering van het huizenblok en een verdeling van de verschillende bestemmingen moet worden gerealiseerd om de inplanting van woningen aan de gunstigste kant voor hun rust (Kanaaldijk) te bevoorrechten;

Dat de Kanaaldijk is voorzien van een bomenrij die in het GBP is opgenomen als groengebied, wat de hele site een landschappelijke kwaliteit geeft; e. Huizenblok tussen de Kubornstraat, de Tweestationsstraat en de Goederenstraat Overwegende dat de KCML vraagt om dit huizenblok op te nemen als OGSO aangezien het een stedelijke herstructurering verdient; Overwegende dat de GOC van mening is dat de herbestemming van dit huizenblok deel moet uitmaken van de totaalbezinning over het toekomstige richtschema voor het gebied van het Zuidstation;

Dat ze het daarom voorbarig acht om vandaag de bestemming van dit huizenblok te wijzigen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en het voorbarig acht om de bestemming van dit huizenblok te wijzigen;

Dat overigens een bestemming als GSI een herstructurering van het huizenblok toelaat;

Dat de bestemming dus niet moet worden gewijzigd; f. Klein Eiland-site Overwegende dat een reclamant wijst op de intentie van B-post om de Klein Eiland-site te verlaten en naar Neder-Over-Heembeek te vertrekken; Dat deze verhuis de kans biedt om deze terreinen voor te behouden voor de realisatie van een MIVB-stelplaats;

Dat hij vraagt om dit huizenblok te bestemmen als gebied van collectief belang of openbare diensten;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat ze vraagt om ze te onderzoeken in het kader van het GPDO en een globale wijziging van het GBP;

Overwegende dat een MIVB-stelplaats een voorziening is;

Dat voorzieningen onder algemeen voorschrift 0.7 vallen dat stelt dat ze in alle gebieden zijn toegelaten, voor zover ze verenigbaar zijn met de hoofdbestemming van het beschouwde gebied en de eigenschappen van het omgevende stedelijk kader;

Dat de bestemming van dit huizenblok dus niet moet worden gewijzigd; 2.4. Birmingham 2.4.1. Algemeenheden a. Algemene standpunten over de Birmingham-pool Overwegende dat een reclamant het niet opportuun acht om de huizenblokken binnen de Birmingham-pool te bestemmen als OGSO, gezien de criteria die hun keuze hebben bepaald; Dat andere reclamanten, onder wie de ESRBHG, van mening zijn dat de bestemming van deze huizenblokken als OGSO niet ten goede komt aan de bestaande bedrijven;

Dat deze reclamanten vragen om ze te behouden als GSI;

Dat sommige reclamanten opmerken dat de OGSO globaal gezien bebouwd zijn en vrezen dat de ontwikkeling van huisvesting ten koste zal gaan van de bedrijven;

Dat ze vragen om er de inplanting van huisvesting te beperken;

Dat een reclamant opmerkt dat deze pool goed wordt bediend door het openbaar vervoer (stations Jacques Brel en Delacroix, Weststation);

Dat hij van mening is dat het noordelijke del van het huizenblok Demets/Doyen/Birmingham een stedelijke continuïteit kan vormen met de bewoonde gebieden;

Dat sommigen zich zorgen maken over de reële uitbreidingsmogelijkheden van de bestaande bedrijven;

Dat anderen vragen om per perceel een economische activiteitsdrempel te bepalen, met het doel om deze bestemming te vrijwaren en dat er bijkomende maatregelen worden bepaald om de verenigbaarheid van de woningen en de productieactiviteiten te garanderen;

Dat de gemeente Anderlecht opmerkt dat binnen het BBP Bergen-Birmingham geen huisvesting is toegestaan, terwijl de gemeente graag de mogelijkheid had voorzien om huisvesting te ontwikkelen langs het kanaal tussen de Fernand Demetskaai en de Birminghamstraat;

Dat ze vraagt of dit BBP als impliciet herroepen moet worden beschouwd voor bepaalde aspecten die zouden indruisen tegen het GBP (inplanting van een loopbrug tussen de beide oevers, afwezigheid van huisvesting, het Zuidhaven-project, ...);

Dat het BIM opmerkt dat de bestemming van deze huizenblokken als OGSO het gebruikspotentieel van de waterweg dreigt te verminderen;

Dat het vraagt om de huidige bestemming van deze huizenblokken te behouden; b. Wijkcontracten en burgerparticipatie Overwegende dat een reclamant opmerkt dat het OGSO van de Birmingham-pool in de buurt ligt van een duurzaam wijkcontract; Dat hij van mening is dat de verdichting moet gepaard gaan met een vergroening in de vorm van hoogwaardige openbare ruimtes met veel groen;

Dat hij vraagt om rekening te houden met de kwestie van de burgerparticipatie bij de ontwikkeling van de wijk; c. Sociale huisvesting Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de helft van de gronden eigendom is van de overheid en vraagt om de woningen die worden gebouwd op de percelen van de overheid te bestemmen voor openbare huisvesting;d. Erfgoed Overwegende dat de KCML verwijst naar de aanwezigheid van opmerkelijke gebouwen in de huizenblokken langs het kanaal in de Birmingham-pool, in het bijzonder op de Fernand Demetskaai, de Mariemontkaai/de Bonnestraat, de Birminghamstraat en de Mariemontstraat; Dat deze gebouwen het verdienen om te worden geherwaardeerd en hergebruikt met volledige benutting van hun ruimtelijke mogelijkheden;

Dat ze vraagt dat van het OGSO een inventaris wordt opgemaakt, evenals een studie van de mogelijkheden van deze gebouwen om de bezinning over de herstructurering van het stedelijk weefsel te begeleiden; e. Ecologisch netwerk - groene ruimtes Overwegende dat enkele reclamanten, onder wie de RLBHG, vragen om bij de ontwikkeling van het OGSO langs het kanaal rekening te houden met de mogelijkheid om er een groene corridor te voorzien langs de spoorweg en het kanaal, om in dit deel van het grondgebied een ecologisch netwerk te ontwikkelen; 2.4.2. Opmerkingen over de bestemming van de verschillende huizenblokken van de pool;

Overwegende dat een reclamant vraagt om deze pool te behouden als GSI, om duurzame tewerkstelling voor laaggeschoolden te promoten en speculatie in deze wijken te vermijden; a. Huizenblok tussen de Demetskaai, de Delacroixstraat, de Birminghamstraat en de spoorweg Overwegende dat een reclamant vraagt om de huidige bestemmingen te behouden, behalve voor het deel in de Delacroixstraat (met inbegrip van het perceel nr 98 tot 218 van de Birminghamstraat en nrs.38 tot 55 van de Demetskaai) dat moet worden bestemd als woongebied of gemengd gebied;

Dat deze reclamant niet akkoord gaat met de bestemming van de zuidelijke helft van dit huizenblok als OGSO, gezien het belang van het aanwezige industriële erfgoed en het probleem om er huisvesting te creëren zonder dat te ontaarden;

Dat het BIM opmerkt dat dit huizenblok een Fluxys-site bevat met een ontspanningsstation waar een hogedrukgasleiding in uitkomt. Dat het wijst op het feit dat deze leidingen vaak meer risico's in houden dan een SEVESO-bedrijf;

Dat een reclamant benadrukt dat de hoogspanningsposten zich bevinden op de Fernand Demetskaai nr 23, meer bepaald op het perceel met kadasternummer 4, B, 83 N2 in Anderlecht;

Dat omwille van deze risico's het terrein niet geschikt is om er huisvesting te creëren, en dat hij vraagt om dit perceel te bestemmen als gebied voor voorzieningen;

Dat een reclamant opmerkt dat de MIVB op zijn grond tussen de Birminghamstraat en de Demetskaai de busstelplaats "Jacques Brel" uitbreidt, wat weinig verenigbaar is met huisvesting.

Dat hij vraagt om deze grond te bestemmen als gebied voor voorzieningen, zodat deze activiteit een bestendig karakter krijgt; b .Huizenblok tussen de Birminghamstraat, de Bonnestraat en de Mariemontkaai Overwegende dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek meent dat de bestemming van het huizenblok tussen de Birminghamstraat, de Bonnestraat en de Mariemontkaai als OGSO slechts weinig zal veranderen aan de bestaande toestand;

Dat ze deze wijziging niet nuttig acht; c. Huizenblok gelegen in Molenbeek en Anderlecht, Verheydenstraat Overwegende dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek opmerkt dat de bestemmingswijziging van dit huizenblok weinig zal veranderen aan de bestaande toestand aangezien de grootste wijziging zich in het kleine deel van het huizenblok situeert, in de Verheydenstraat, waar huisvesting mogelijk wordt; Overwegende dat de GOC het verstandig acht om een herstructurering van het stadsweefsel in dit gebied zo op te vatten dat er huisvesting kan worden ontwikkeld, en dus de idee deelt om deze huizenblokken te bestemmen als OGSO;

Dat de GOC inderdaad toegeeft dat dit gebied geschikt zou zijn voor huisvesting, vooral aan de uiteinden van de huizenblokken in de Delacroixstraat, recht tegenover de woonwijken (en onder meer de huizenblokken in de buurt van SGG;

Dat ze tevens oordeelt dat de Birmingham-pool gelegen is in de buurt van dichtbevolkte wijken;

Dat in deze gebieden echter veel bedrijven gevestigd zijn en dat het gevaar bestaat dat ze niet zullen worden heringericht op korte termijn;

Dat de GOC zich dus vragen stelt bij de temporaliteit van het ontwerp tot wijziging van het GBP en bij de hoogdringendheid om dit gebied te bestemmen als OGSO;

Dat er een bezinning moet worden gestart over het soort bedrijven dat in deze gebieden zou worden ontvangen;

Dat ze, in navolging van het MER, aanbeveelt om een totaalvisie over de inrichting van het gebied voor te stellen, via een richtschema en een BBP (of via de bijwerking van het GBP "Bergen-Birmingham"), om de gemengdheid van het gebied optimaal te organiseren en verbindingen te ontwikkelen tussen de beide kanaaloevers.

Dat ze tevens aanbeveelt om op de gronden die eigendom zijn van de overheid de ontwikkeling van sociale huisvesting te bevoorrechten;

Dat de GOC ten slotte de aanwezigheid benadrukt van heel wat industriegebouwen met erfgoedwaarde die moeten worden geherwaardeerd;

Dat ze vraagt om vóór de herbestemming van de pool een bewaarlijst op te maken van het opmerkelijk industrieel erfgoed;

Overwegende dat, gezien hun uitstekende bereikbaarheid met het openbaar vervoer en hun ligging in het hart van een dichtbevolkt stadsweefsel, de gebieden van de Birmingham-pool geschikt zijn voor de ontwikkeling van een gemengde stedelijke industrie en de integratie van huisvesting;

Dat de Regering in dit opzicht het advies van de GOC volgt.

Dat de inplanting van woningen het principe van de goede plaatselijke aanleg zal respecteren en dus, desgevallend, rekening zal houden met de aanwezigheid van ontspanningsstations of hoogspanningsposten;

Dat, wat de noodzaak betreft om een totaalvisie te ontwikkelen van de inrichting van het gebied, het Richtplan Kanaal dat momenteel wordt ontwikkeld zich tot doel stelt om toe te zien op een coherente ontwikkeling van het hele kanaalgebied;

Dat het MER overigens werd aangevuld met illustraties van de mogelijke herstructurering voor de OGSO;

Dat het GPDO echter ook kan voorzien in de uitwerking van een specifiek directeur plan voor dit gebied;

Dat over het soort bedrijven dat in het gebied kan worden onthaald overigens al verschillende bezinningen werden gestart, met name via het Master Plan Kanaal Molenbeek;

Dat bijna de helft van de terreinen van de pool eigendom zijn van de overheid;

Dat ze daarom geschikt zijn voor de ontwikkeling van huisvesting met een openbaar doel;

Dat evenwel het GBP niet het juiste instrument is om aan deze vraag te beantwoorden aangezien het niet kan bepalen welk soort huisvesting in een gebied moet worden toegelaten;

Dat de Regering hierover een bezinning is gestart, parallel met de wijziging van het GBP, en deze heeft opgenomen in het besluit betreffende de stedenbouwkundige lasten dat samen met de wijziging van het GBP ter goedkeuring zal worden voorgelegd aan de Regering;

Dat wat het industrieel erfgoed van de pool betreft, het MER opmerkt dat het een interessante hefboom is voor de herwaardering en herstructurering van deze gebieden;

Dat het MER een lijst heeft opgesteld van het opmerkelijk erfgoed in dit gebied;

Dat in de toekomst echter een volledige bewaarlijst van dit erfgoed kan worden opgesteld;

Overwegende bovendien dat de realisatie van groene ruimtes om bij te dragen tot het groene netwerk in alle gebieden is toegestaan, en dus ook in de OGSO;

Dat, wat de vraag van het BIM over grote huizenblokken betreft, voorschrift 0.2. van het GBP de verplichting bevat om bij alle projecten met een grondoppervlakte van minstens 5000 m² minstens 10 % van de oppervlakte in te richten als groene ruimte;

Dat overigens het tracé van het groene netwerk wordt vastgelegd in het GewOP en niet in het GBP;

Dat deze opmerkingen overigens al werden beantwoord;

Dat een eventuele versterking van de groene continuïteit in de pool dus kan worden onderzocht in het GPDO;

Dat in dit opzicht het MER aanbeveelt om de groene continuïteit te ontwikkelen langs het kanaal en de spoorweg;

Dat de bestemming van de Birmingham-pool als OGSO ten slotte het behoud en de uitbreiding van de stelplaats van de MIVB niet verhindert;

Dat, ter herinnering, de voorziening in alle gebieden kan worden ingeplant; 2.5. Werkhuizenkaai 2.5.1. Algemeenheden a. Gebruik van de waterweg Overwegende dat enkele reclamanten gekant zijn tegen de bestemmingswijziging van huizenblokken als OGSO en daarvoor verschillende redenen aanhalen : - het belang om het gebruikspotentieel van de waterweg te vrijwaren, - de bevordering van werkgelegenheid voor laaggeschoolden, - het risico van speculatie en verhoogde dualisering van de stad; Overwegende dat het antwoord op deze opmerking kan worden gevonden in punt 2.1. (OGSO-polen - algemeen); b. Stadion Dat een andere reclamant eraan herinnert dat hij fel gekant is tegen de inplanting van een voetbalstadion of om het even welke andere openbare voordelen op de site van de huidige containerterminal of op de site Schaarbeek-Vorming, aangezien ze een obstakel zou vormen voor de ontwikkeling van een grote economische pool in Brussel waar op termijn MABRU en het Europees Centrum voor Fruit en Groenten zullen worden gevestigd; Overwegende dat de GOC, net als de reclamant, oordeelt dat het niet opportuun is om een nieuw stadium te bouwen op de site Schaarbeek-Vorming of in een gebied voor havenactiviteiten en vervoer;

Overwegende dat de Regering opmerkt dat de kwestie van de inplanting van een voetbalstadion op de plaats van de huidige containerterminal of op de site Schaarbeek-Vorming niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt; 2.5.2. Opmerkingen betreffende de bestemming van de verschillende huizenblokken van de pool a. Huizenblok in Brussel, tussen de Werkhuizenkaai, de Lambermontlaan en de spoorweg Overwegende dat de Stad Brussel opmerkt dat Neder-Over-Heembeek een hoge verhouding van gebieden voor stedelijke industrie heeft, vooral langs het kanaal; Dat dit gebied het woongebied volledig scheidt van het kanaalgebied, terwijl dit laatste de wijk zou kunnen verfraaien;

Dat het creëren van SGG of OGSO die door het huidige GSI lopen het woongebied en het kanaalgebied opnieuw zou verbinden, met behoud van de bedrijven;

Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de vroegmarkt en het Europees Centrum voor Fruit en Groenten ten vroegste in 2020, en waarschijnlijk in 2024, zullen verhuizen naar de site Schaarbeek-Vorming;

Dat het belangrijk is om tot die tijd de logistieke functies op het vlak van voeding op de site te houden of verder te kunnen ontwikkelen;

Dat de bestemming van dit huizenblok als OGSO hem voorbarig lijkt;

Dat enkele reclamanten opmerken dat deze site ideaal gelegen is in de buurt van de waterweg en de spoorweg, en dat hij een betere stedelijke bereikbaarheid biedt dan de site Schaarbeek-Vorming;

Dat de delokalisatie van de Mabru-site haar goede integratie in het stedelijke milieu zou breken;

Dat de woonfunctie een betere bediening van deze site door het openbaar vervoer zou vergen;

Dat de reclamant bijgevolg vraagt om de huidige bestemming van de site te behouden, overwegende dat de bestemmingswijziging niet dringend is, temeer omdat de Stad Brussel er de grondbeheersing van in handen heeft;

Overwegende dat een reclamant opmerkt dat het terrein erg verontreinigd is en van de stad wordt gescheiden door tal van infrastructuren en een blinde muur op de andere oever van het kanaal (koninklijk domein);

Overwegende dat een reclamant verklaart dat hij tot 2028 een erfpachtovereenkomst op dit terrein heeft met de Stad Brussel;

Dat hij vreest dat de voorschriften van het OGSO hem zullen beletten om te renoveren of zijn activiteiten uit te breiden;

Dat hij vraagt om in dit voorschrift een `beschermclausule" op te nemen die de bestaande bedrijven de mogelijkheid biedt om te blijven en zich te ontwikkelen zonder dat ze verplicht worden om woningen te realiseren;

Overwegende dat een reclamant wijst op het memorandum van de Haven dat - als compensatie voor de verhuis van MABRU en het ECFG - een bestemmingswijziging aanraadt voor een deel van de site Schaarbeek-Vorming, om er terreinen voor te behouden voor deze activiteiten;

Dat deze bestemmingswijziging niet is opgenomen in het ontwerp van GBP, maar wel zal worden geïntegreerd in het programma van het richtschema van Schaarbeek-Vorming;

Dat de KCML zich afvraagt of de omzetting van het GSI in een OGSO werkelijk verstandig is, ze is immers van mening dat het onmogelijk is om van deze site een stuk stad te maken aangezien er in de buurt een winkelcentrum wordt ontwikkeld dat de site zal afsluiten van de rest van de stad;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de realisatie van een gemengde bestemming op deze plats kan stroken met de algemene evolutie van dit deel van Brussel, waar een bezinning over de goede verdeling van de bestemming wordt gevoerd in samenhang met de site Schaarbeek-Vorming.

Aangezien MABRU en het ECFG pas in 2025 zullen verhuizen en de betreffende sites vervuild zijn, vraagt ze zich echter af of het wel zo dringend is om dit gebied te bestemmen als OGSO;

Dat ze dus voorstelt om te wachten tot het GPDO en het richtschema "Schaarbeek-Vorming" zijn goedgekeurd vooraleer de bestemming van het gebied te wijzigen;

Dat ze het van kapitaal belang acht dat de bestaande productieactiviteiten behouden blijven en indien nodig al eerder kunnen worden uitgebreid;

Dat ze overigens vraagt om na te denken over de heropening van de Zenne of ten minste de herwaardering van haar tracé;

Overwegende dat de bezinning over de evolutie van het huizenblok tussen de Werkhuizenkaai, de Lambermontlaan en de spoorweg is opgenomen in de studie van het richtschema van Schaarbeek-Vorming;

Dat deze bezinning de inrichting beoogt van een gemengd stadsweefsel in dit gebied, na de verhuis van de vroegmarkten;

Dat een stedenbouwkundig attest en een stedenbouwkundige vergunning werden afgeleverd voor de inplanting van handelszaken, grote speciaalzaken en recreatieactiviteiten aan de rand van de Van Praetbrug;

Dat de voormalige familistère van de Godin-fabrieken het voorwerp uitmaakt van een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van 58 sociale woningen door het OCMW van de Stad Brussel;

Dat deze elementen een bestemmingswijziging van dit huizenblok als OGSO rechtvaardigen, om de stedelijke evolutie van deze hele wijk te begeleiden;

Dat de site echter geleidelijk aan zal worden ingericht, naarmate de terreinen ter beschikking worden gesteld en de activiteiten die er momenteel aanwezig zijn verhuizen;

Dat het voorschrift van het OGSO werd gewijzigd door er een clausule in op te nemen die stelt dat de bestaande bedrijven er kunnen blijven of kunnen worden verbouwd of uitgebreid;

Dat de huidige economische activiteiten er dus niet bedreigd worden;

Dat de terreinen op de site Schaarbeek-Vorming in het GBP zijn ingeschreven als GGBUA;

Dat het programma van het GGBUA door onderhavige wijziging werd goedgekeurd om er met name logistieke activiteiten mogelijk te maken, evenals de verhuis van de activiteiten van de Mabru-site in een logistieke pool;

Dat de exacte bestemming van de terreinen zal worden onderzocht in het kader van het richtschema van Schaarbeek-Vorming en wordt vastgelegd in het BBP dat zal worden uitgewerkt na de goedkeuring daarvan;

Dat de herwaardering van het tracé van de Zenne het voorwerp uitmaakt van bezinningen in het kader van de realisatie van de groene en blauwe netwerken;

Dat deze netwerken worden bepaald in het GewOP en niet specifiek moeten worden opgenomen in het GBP om te worden gerealiseerd;

Dat dit terrein in de toekomst zeer goed zal worden bediend door het openbaar vervoer, gezien het project voor een GEN-halte aan het vlakbij gelegen station Schaarbeek-Reizigers en het metroproject Noord dat wordt onderzocht en dit gebied zou verbinden met het Noordstation;

Dat de Regering, net als de GOC, van mening is dat de realisatie van een gemengde bestemming op deze plaats kan stroken met de algemene evolutie van dit deel van Brussel, waarvoor een bezinning over de goede verdeling van de bestemmingen wordt gevoerd in samenhang met de site Schaarbeek-Vorming; b. Godin-site, Werkhuizenkaai 156-158 Overwegende dat enkele reclamanten en de Stad Brussel, die wijzen op de toekomstige ontwikkelingen die op de Godin-site worden verwacht (SV huisvesting en project Equilis-Just Under the Sky), oordelen dat het coherenter zou zijn om het hele huizenblok dat wordt afgebakend door de spoorweg te bestemmen als OGSO; Dat andere reclamanten een bestemming als gemengd gebied voorstellen;

Dat een reclamant vraagt om de site van de oude Godin-fabrieken - Werkhuizenkaai 155 tot 163, te bestemmen als GCHEWS, omdat het een industrieel erfgoed betreft dat een opmerkelijk (en beschermd) geheel vormt;

Dat een andere reclamant de bescherming van de Familistère Godin vraagt in het kader van de hertekening van de wijken waarin ze is ingeplant;

Dat een andere reclamant de herwaardering van de Zenne vraagt;

Overwegende dat het de GOC verwondert dat het ontwerp van GBP geen bestemmingswijziging voor de Godin-site heeft voorgesteld;

Dat ze van mening is dat deze site inderdaad nauw verbonden is met de pool "Werkhuizenkaai" en vraagt om het samen met de rest van de pool te ontwikkelen;

Dat een gemengde ontwikkeling, rekening houdend met het aanwezige erfgoed, inderdaad geschikt zou zijn in dit gebied;

Overwegende dat op deze site enkele ontwikkelingen zijn voorzien (stedenbouwkundige vergunning voor de inrichting van 58 woningen in de Familistère Godin en "Just under the Sky");

Dat deze projecten de ontwikkeling garanderen van een gemengde wijk die de potentiële ontwikkelingen die op de naburige site worden verwacht aanvult;

Dat aangezien deze ontwikkelingen worden toegelaten via stedenbouwkundige vergunningen, een bestemmingswijziging van dit deel van het huizenblok niet gerechtvaardigd is;

Dat de afbakening van de GGBUA niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat de vraag over de herwaardering van het tracé van de Zenne hierboven al werd beantwoord;

Dat bijgevolg de Regering het niet opportuun acht om de bestemming van deze site te wijzigen; c. Huizenblok tussen de Werkhuizenkaai, de Paleisstraat, het Masuiplein, de Verlengde Masuistraat en de spoorweg Overwegende dat enkele reclamanten, waaronder de RLBHG en het BROH, vragen om bij de ontwikkeling van de OGSO rekening te houden met de mogelijkheid om het tracé van de Zenne, die door twee sites stroomt (MABRU en SIBELGA) te behouden en te betrekken bij de ontwikkeling van het ecologisch netwerk; Dat het BROH en een reclamant opmerken dat op de site de hoofdzetel van Sibelga gevestigd is, die in zijn geheel het voorwerp heeft uitgemaakt van een stedenbouwkundige vergunning;

Dat een reclamant opmerkt dat het gebied vandaag is bestemd als sterk gemengd gebied waar dus al gemengdheid bestaat; dat het huizenblok woningen omvat in de Paleisstraat en op het Masuiplein Dat het geen melding maakt van de redenen om de bestemming van dit huizenblok te wijzigen, vermits de voorschriften voor dit nieuwe gebied dicht aanleunen bij die voor het SGG;

Dat de maatschappij Sibelga de verplichtingen van voorschrift 4bis3 van het niet kan vervullen bij een aanvraag tot uitbreiding;

Dat deze reclamant vraagt om het huizenblok te behouden als SGG;

Dat deze reclamant wijst op de aanwezigheid van een klein groengebied dat samenvalt met de voormalige bedding van de Zenne;

Dat dit groengebied met geen enkele realiteit op deze site overeenstemt, aangezien het een bedieningsweg is;

Dat het behoud van dit groengebied niet nodig is en de goede bereikbaarheid van de onderneming in de weg zou staan als het oude tracé van de Zenne zou moeten worden geherwaardeerd;

Dat deze groene strook niet nodig is voor de aanleg van het toekomstige Zennepark dat is voorzien in het wijkcontract "Masui";

Dat hij vraagt om dit groengebied te schrappen ten voordele van een SGG;

Dat deze reclamant zich zorgen maakt over een eventuele inrichting van het Masuiplein als een verkeersvrij plein met bomen;

Dat deze inrichting nadelig zou zijn voor de toegang tot zijn onderneming en de voortzetting van zijn activiteiten op deze site zou verhinderen;

Dat hij vraagt om over dit punt een overleg te organiseren;

Overwegende dat de GOC de bezorgdheid van de reclamant over het behoud en de uitbreidingsmogelijkheden van zijn activiteit deelt;

Dat ze evenwel herinnert aan het feit dat ze een beschermclausule heeft voorgesteld in het voorschrift betreffende de OGSO, teneinde garanties te bieden voor de bestaande bedrijven;

Dat indien deze beschermclausule niet zou worden weerhouden, de GOC aanbeveelt om dit gebied te behouden als SGG;

Dat ze overigens van mening is dat het oude tracé van de Zenne een markant element is van het landschap dat moet worden benadrukt wanneer mogelijk;

Overwegende dat dit gebied ruimschoots wordt geëxploiteerd door de maatschappij Sibelga, die recent stedenbouwkundige vergunningen heeft verkregen voor een aanzienlijke herinrichting van de site (inrichting van de onmiddellijke omgeving van de gebouwen, nieuwbouw en renovatie); dat ze woningen omvat in de Paleisstraat en op het Masuiplein;

Dat dit gebied in de buurt ligt van het kanaal en de spoorweg en dat bovendien het openbaar vervoernet er goed ontwikkeld is, met name in de Koninginnelaan en op de Werkhuizenkaai;

Dat op de Wijkhuizenkaai een druk voertuigenverkeer heerst, zodat de bedrijven in het gebied een vrij goede zichtbaarheid genieten;

Dat dit gebied omwille van zijn bezetting en ligging kan worden beschouwd als een overgangsgebied tussen een gemengde stedelijke wijk en een wijk waar de economische functie overheerst;

Dat de economische activiteiten er moeten worden bevorderd maar ook de huisvesting moet worden gevrijwaard;

Dat het dus gerechtvaardigd is om dit gebied te bestemmen als OGSO in plaats van als SGG; het nieuwe gebied wil immers de economische activiteiten vrijwaren door behalve een verdichting van de percelen ook een verticale gemengdheid te organiseren, waarbij wordt aangemoedigd om op de gelijkvloerse verdieping economische activiteiten te vestigen;

Dat het voorschrift betreffende het OGSO werd gewijzigd om ook een beschermclausule te voorzien voor de bestaande economische activiteiten, die hen verbouwings- en uitbreidingsmogelijkheden garandeert;

Dat de vraag over het behoud van het tracé van de Zenne hierboven al werd beantwoord;

Dat de bestemmingswijziging van het tracé van de Zenne niet binnen het kader van onderhavige wijziging valt, maar een algemene bezinning vraagt bij een globale wijziging van het GBP;

Dat de inrichting van het Masuiplein niet onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat een overleg is voorzien in het kader van de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen; d. Perceel in de Navezstraat Overwegende dat het BIM van mening is dat de bestemmingswijziging van dit deel van het huizenblok, dat in het GBP 2001 is opgenomen als spoorweggebied, de realisatie van het groene netwerk op de taluds en in de omgeving van de spoorweg niet langer garandeert; Dat een andere reclamant opmerkt dat deze wijziging op termijn zal leiden tot het schrappen van de moestuingebieden;

Dat de gemeente Schaarbeek opmerkt dat door deze bestemmingswijziging een toegang voor zwaar verkeer zal moeten worden aangelegd, wat een aanzienlijke weerslag zal hebben op de leefbaarheid van deze wijk;

Dat een reclamant opmerkt dat het "Navez-terrein" in de Vierhoek ligt, een van de belangrijkste spoorknooppunten van het land;

Dat Infrabel op korte termijn van plan is om bouwwerken te realiseren in de Vierhoek. Op middellange termijn wil het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een spoorwegstation inrichten dat is verbonden met de toekomstige Metro Noord, in de buurt van de Berenkooi. Op lange termijn zullen verschillende bezinningen worden gehouden om de Noord-Zuidverbinding te ontdubbelen;

Dat het in de huidige staat van de kennis van de evolutie van de spoorweginfrastructuur niet erg voorzichtig lijkt om dit gebied te verstedelijken;

Dat deze reclamant vraagt om de bestemming van de terreinen als spoorweggebied te behouden;

Dat de GOC oordeelt dat er te veel onzekerheid heerst over het strategische belang van dit gebied voor de ontwikkeling van het spoorwegnet;

Dat ze pleit voor een status-quo en de Regering vraagt om een duidelijke strategie te bepalen voor de ontwikkeling van de spoorweg;

Dat deze wijziging desgevallend zou moeten worden onderzocht in het kader van een globale wijziging van het GBP;

Overwegende dat het MER opmerkt dat deze site in de buurt van de wijkcontracten "Masui" en "Portaels-Navez" ligt;

Dat de site momenteel niet verstedelijk is en wordt ingenomen door moestuintjes;

Dat ze in de Vierhoek ligt, een van de belangrijkste spoorknooppunten van het Belgische spoorwegnet;

Dat in deze Vierhoek grote projecten worden gerealiseerd die een rechtstreekse invloed hebben op het onderzochte gebied;

Dat er geen enkele openbare weg door de site loopt;

Dat het MER aanbeveelt om, in de huidige staat van de kennis van de evolutie van de infrastructuur, dit gebied niet te verstedelijken of ten minste de inrichtingsmogelijkheden te beperken zodat de evolutie van de spoorweginfrastructuur niet in het gedrang komt;

Dat in het licht van deze bezwaarschriften en analyses, de percelen van de Navezstraat worden behouden als spoorweggebied; 2.6. NAVO Overwegende dat enkele reclamanten, steunend op de analyse van de criteria waarop de keuze van de OGSO is gebaseerd, van mening zijn dat het niet opportuun is om de huizenblokken van de NAVO-pool te bestemmen als OGSO; dat ze onder andere menen dat deze pool niet goed wordt bediend door het openbaar vervoer, dat de aanwezige economische activiteiten hinder kunnen veroorzaken en dat deze pool zich niet in stedelijk kader situeert die interessant en herwaardeerbaar is voor de woonfunctie;

Dat deze huizenblokken in de buurt van de Ring gelegen zijn;

Dat dit gebied weinig aantrekkelijk is voor huisvesting (veel bronnen van geluidshinder); Dat de graad van verontreiniging er moet worden gecontroleerd;

Dat ze vragen om deze huizenblokken niet te bestemmen als OGSO en om hun huidige functie als GSI te behouden;

Dat enkele reclamanten opmerken dat een bouwproject voor sociale woningen in de Parochiestraat en de Wilgeroosjesstraat werd opgegeven omdat het gebied te lawaaierig werd geacht;

Dat de wijk echter tal van braakliggende terreinen bevat waar huisvesting zou kunnen worden gecreëerd;

Dat ze een globale visie op heel Haren aanbevelen;

Dat hij overigens opmerkt dat dit gebied een goed bereikbaarheidspotentieel biedt : ingang van de stad : ingang van de stad, nabijheid van het kanaal, aanwezigheid van twee stations en verbindingen van de MIVB en De Lijn.

Dat sommige reclamanten het opportuun achten om er semi-natuurgebieden te vrijwaren;

Dat andere reclamanten van mening zijn dat de NAVO-pool een geschikt kader biedt om huisvesting te creëren;

Dat ze vragen om een evenwicht te zoeken tussen de bestemmingen huisvesting en productieactiviteiten verenigbaar met het stadsweefsel; a. Site A Maes, site Waterranonkelstraat/spoorweg Overwegende dat de Stad Brussel verduidelijking wenst over de doelstellingen die worden nagestreefd door de voorschriften OGSO en SGI; Dat er een duidelijker onderscheid moet worden gemaakt tussen de twee, zodat een van de twee voorschriften daadwerkelijk de productieactiviteiten beschermt door er onder meer de handel te beperken en de bouw van woningen te onderwerpen aan de SRO in de OGSO; b. Huizenblok in Brussel, tussen de Middelweg, de Haachtsesteenweg, de Waterranonkelstraat (site Noendelle van de GOMB) Overwegende dat een reclamant vraagt om het gebied met het industriepark van de GOMB te behouden als GSI, wat overeenstemt met zijn huidige gebruik; Dat een andere reclamant opmerkt dat hij eigenaar is van het deel van het voornoemde huizenblok dat momenteel is bestemd als SGG;

Dat hij op dit deel van het huizenblok een project wil ontwikkelen dat een verdichting zou mogelijk maken ten gunste van economische activiteiten.

Dat hij de wijziging van dit huizenblok in OGSO goedkeurt omdat hij dan een project zou kunnen ontwikkelen dat perfect beantwoordt aan de voorschriften van dit gebied. c. Haachtsesteenweg Overwegende dat een reclamant verklaart dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zopas de onteigening heeft goedgekeurd van een terrein bestemd voor de uitbreiding van de busstelplaats Haren, langs de Haachtsesteenweg; Dat hij vraagt om dit terrein te bestemmen als gebied voor voorzieningen;

Overwegende dat de RLBHG en de KCML vragen om rekening te houden met de mogelijkheid om in de huizenblokken in de buurt van de Haachtsesteenweg een groene corridor te creëren langs de spoorweg, om er het ecologische netwerk te ontwikkelen;

Dat ze vragen om hetzelfde te doen in het OGSO in de buurt van het Maespark;

Overwegende dat de KCML opmerkt dat de impact van de stedelijke ontwikkeling op de stedenbouwkundige eigenschappen van de sites moet worden geëvalueerd, en dat de eigenschappen van de lokale bebouwing, met name de typologie van de oude witloofhoeves langs de Haachtsesteenweg, moeten worden geherwaardeerd;

Dat ze verklaart dat de Stad Brussel in dit opzicht bezig is met de studie van een richtschema; d. Perceel in Evere, Haachtsesteenweg 1295, perceel met kadasternummer 21B68E en H; Overwegende dat een reclamant wijst op de aanwezigheid van een hoogspanningspost op het perceel Haachtsesteenweg 1295, kadasternummer 21B68E en H.;

Dat hij benadrukt dat hiermee rekening moet worden gehouden bij de bouw van woningen;

Dat hij vraagt om dit perceel te bestemmen als gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten; e. "Koningin Elisabeth"-site in Evere, tussen de J.Bordetlaan, de Zaventemstraat, de GOMB-site Da Vinci en de site van de NAVO Overwegende dat een reclamant opmerkt dat het master plan van de Koningin Elisabeth-site enkele grote prioritaire doelstellingen heeft bepaald voor de toekomst van zijn terreinen in de Koningin Elisabethwijk, de zetel van de Defensiestaf, en van deze die momenteel worden gebruikt door de NAVO;

Dat Defensie er een permanente helihaven wil inrichten die zowel beantwoordt aan de behoeften van de NAVO als aan de behoeften van de Defensiestaf;

Dat deze reclamant bijgevolg vraagt om de NAVO-site te behouden als gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten;

Overwegende dat de gemeente Evere en de Stad Brussel vragen om dit huizenblok op te nemen in het OGSO. Er wordt voor dit huizenblok namelijk een BBP bestudeerd, waaraan deze twee gemeenten meewerken (BBP "Da Vinci"). In dit BBP zou de site van de kazernes, die momenteel te weinig wordt gebruikt, worden omgezet in gemengd stadsweefsel van kwaliteit;

Dat dit BBP de ontwikkeling van huisvesting voorziet aan de kant van Evere en de Koningin Elisabeth-wijk;

Dat de Stad Brussel van mening is dat het niet nodig is om de NAVO-site om te zetten in een OGSO, aangezien ze in ieder geval het voorwerp zal uitmaken van een BBP; f. Deel van het goed in Haren, Raketstraat 98, kadaster afdeling C, nr.238/B; Raketstraat 100 Overwegende dat een reclamant vraagt dat de goederen in de buurt van de OGSO de voorschriften van dit gebied kunnen genieten, of dat het OGSO kan worden uitgebreid tot de aangrenzende gebieden, op eenvoudig verzoek bij de indiening van een stedenbouwkundige vergunning voor deze percelen en voor zover de aanvrager houder is van een zakelijk recht;

Dat dit wordt gedaan voor de percelen in de Raketstraat 98 en 100;

Overwegende dat de GOC pleit voor het status-quo van de gebieden aan weerszijden van de Haachtsesteenweg;

Dat ze het tevens niet opportuun acht om de SGG van de NAVO-pool om te vormen tot OGSO, aangezien in SGG al gemengdheid is toegestaan;

Dat ze het tevens niet opportuun acht om de SGI van de NAVO-pool om te vormen tot OGSO, aangezien er al gemengdheid is toegestaan;

Dat ze bovendien meldt dat deze gebieden aanzienlijke geluidshinder ondervinden door de nabijheid van de luchthaven, wat ze weinig geschikt maakt voor huisvesting;

Dat ze wijst op het belang om het Maes-park te beschermen en een bewaarlijst op te maken van het bijzonder erfgoed van de witloofhoeves langs de Haachtsesteenweg;

Dat wat de NAVO-site betreft, de GOC het opportuun acht om ze te bestemmen als OGSO, zoals het ontwerp van plan voorstelt, voor zover er een systeem voor het recupereren van de meerwaarden wordt ingevoerd, zoals ze al vroeg in haar algemeen advies over de OGSO;

Overwegende dat de analyse van het te bebouwen en verdichtbare grondpotentieel (deels onbebouwde percelen) wijst op het belang van deze terreinen die zijn gewezen aan de gewestgrenzen;

Dat de terreinen aan weerszijden van de Haachtsesteenweg een scharnierpunt vormen tussen de gebieden met een economische bestemming en de woonwijken;

Dat een van de keuzecriteria van de OGSO erin bestond om de huidige maar ook de toekomstige bediening van deze terreinen door het openbaar vervoer te onderzoeken;

Dat dit gebieden een groot bereikbaarheidspotentieel biedt : ingang van de stad, nabijheid van het kanaal, aanwezigheid van twee stations en verbindingen van de MIVB en de De Lijn;

Dat twee GEN-stations zijn voorzien, respectievelijk in Bordet en Haren, evenals de metro Noord;

Dat de bestemming van deze terreinen als OGSO de mogelijkheid zal bieden om er activiteiten te ontwikkelen die geschikt zijn voor het creëren van een overvang tussen de wijken met een economische bestemming en woonwijken;

Dat het MER deze analyse bevestigt en oordeelt dat deze pool zich dankzij de aanwezigheid van huisvesting in de buurt vrij snel zal kunnen integreren in een stadsweefsel en zo de aanwezige huisvesting in de buurt kan versterken;

Overwegende dat de vraag van Defensie er meer specifiek in bestaat de grenzen van het gebied "Haren-Navo" vast te stellen zodat de prioritaire doelstellingen van het masterplan voor de Koningin Elisabethwijk kunnen worden verwezenlijkt;

Dat met deze vraag derhalve wordt voorgesteld de bestemmingswijziging tot OGSO te behouden maar de perimeter ervan te beperken zodat een groter gebied voor uitrustingen van collectief belang of van openbare dienst behouden blijft om te kunnen voldoen aan de vandaag reeds geïdentificeerde behoeften;

Dat de Regering beslist op deze vraag in te gaan aangezien hiermee nog steeds een ruimte kan worden vrijgelmaakt die geschikt is voor de ontwikkeling van een gemengde wijk;

Dat bovendien de inplanting van een voorziening in dit gebied ook mogelijk is via voorschrift 0.7;

Dat het algemene voorschrift van het GBP 0.2.voorziet dat bij de inrichting van terreinen vanaf een bepaalde oppervlakte groene ruimtes moeten worden voorzien;

Dat dit voorschrift tevens mogelijk maakt om rekening te houden met de realisatie van het groene netwerk;

Dat het OGSO zich kenmerkt door het feit dat het aanmoedigt tot de creatie van projecten met een zekere densiteit en een verticale gemengdheid, waarbij de gelijkvloerse verdiepingen worden ingenomen door economische activiteiten en de bovenverdiepingen door huisvesting;

Dat deze activiteiten zich vrij kunnen inplanten in deze gebieden, maar dat hun inplanting op het gelijkvloers van de gebouwen moet beantwoorden aan twee voorwaarden : de lokale omstandigheden maken deze bestemming mogelijk zonder afbreuk te doen aan de hoofdfuncties van deze gebieden en de acties en werken zijn onderworpen aan speciale regelen van openbaarmaking;

Dat het voorschrift van het OGSO werd aangevuld met een beschermclausule waardoor de bestaande bedrijven kunnen worden behouden en zich nog kunnen ontwikkelen;

Dat al deze maatregelen een ruimte plaats voorzien voor economische activiteiten;

Dat het niet nodig is om een deel van deze terreinen te bestemmen als gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten om er een stelplaats van de MIVB te kunnen bouwen;

Dat deze stelplaatsen kunnen worden ingeplant via het algemene voorschrift 0.7;

Dat de kwesties van erfgoed en bescherming van bebouwing met typologisch opmerkelijke eigenschappen niet binnen het kader van het GBP vallen, maar van een ander administratief instrument;

Dat deze kwesties moeten worden onderzocht in het licht van de aanvragen van stedenbouwkundige vergunningen;

Dat de inachtneming van de bestaande beperkingen op de site, zoals de aanwezigheid van een hoogspanningspost, wordt onderzocht in het kader van de aanvragen van verkavelings- of stedenbouwkundige vergunningen en dus geen bestemmingswijziging van de betreffende percelen vergen;

Dat het niet aanvaardbaar is om de rechten betreffende een bestemmingsgebied uit te breiden tot naburige gebieden, op eenvoudig verzoek bij de indiening van een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning;

Dat deze praktijk, die op geen enkele wettelijke grond steunt, niet zou toelaten om de rechten verbonden aan een perceel duidelijk te onderscheiden; 2.7. Mommaerts-Reyers 2.7.1. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant benadrukt dat het invoeren van woningen in de gebieden die zijn voorgesteld als OGSO een van de aanbevelingen is van het richtschema dat werd goedgekeurd voor het hefboomgebied;

Dat deze reclamant echter vaststelt dat geen enkel voorstel werd gedaan om het naast elkaar bestaan van de verschillende functies te garanderen en organiseren;

Dat een reclamant zich vragen stelt over de mogelijkheden om de aanwezige productieactiviteiten te behouden en uit te breiden;

Dat volgens een reclamant de Reyers-pool de enige geloofwaardige OGSO-pool is, voor zover de audiovisuele pool die er aanwezig is ontwikkelingscapaciteiten kan behouden;

Dat een reclamant vraagt om in de omgeving van de Reyers-site ruimte voor te behouden om te beantwoorden aan de toekomstige behoeften aan nieuwe MIVB-stelplaatsen;

Overwegende dat de GOC de bestemmingswijzigingen goedkeurt die het ontwerp van GBP voorziet in de pool "Mommaerts-Reyers".

Dat ze wijst op het feit dat het richtschema "Reyers" voorziet in de ontwikkeling van een gemengde wijk in een van de huizenblokken die vandaag worden voorgesteld als OGSO. Dat dit richtschema ook voorziet in een verdichting van de percelen langs de Leuvensesteenweg die met name de inplanting van handelszaken, kmo's en woningen bevordert;

Dat de GOC bovendien het belang onderstreept om de ontwikkeling van dit gebied te associëren met een voluntaristisch openbaar vervoersbeleid;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat het voorschrift betreffende de OGSO werd gewijzigd en voortaan een beschermclausule bevat voor de bestaande bedrijven, die kunnen worden uitgebreid en gerenoveerd zonder groottebeperking en zonder noodzakelijk huisvesting te moeten voorzien;

Dat wat de toekomstige behoeften van de MIVB betreft, het algemene voorschrift 0.7. voorzieningen toelaat in alle gebieden; 2.7.2. Opmerkingen over de bestemming van de verschillende huizenblokken van de pool a. Zone 11 A, huizenblokken tussen de Leuvensesteenweg, de L. Grosjeanlaan, de Kolonel Bourgstraat en de J. Georginlaan Overwegende dat sommige reclamanten vragen om zone 11 A te bestemmen als parkgebied;

Dat de KCML vraagt om de onmiddellijke omgeving van de treurbeuk, die is opgenomen in de bewaarlijst van de opmerkelijke bomen, te bestemmen als parkgebied;

Dat sommige reclamanten zich verzetten tegen de inschrijving van het huizenblok als OGSO omdat het ontwerp tot wijziging van het GBP de rechtszekerheidsbeginselen voor de huizenblokken die eerder waren ingeschreven als GSI niet respecteert;

Dat krachtens artikel 194, § 1 van het BWRO de leidende ambtenaar een ongunstig advies zal verlenen voor een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die niet beantwoordt aan de voorschriften van een ontwerp van GBP; dat bijgevolg de projecten op de door de wijziging bedoelde percelen tijdens de periode van opmaak van het ontwerp tot wijziging bevroren zijn omdat de verplichte bestemming huisvesting pas kan worden toegestaan na de inwerkingtreding van het `definitieve' GBP;

Dat BMW België-Luxemburg in Brussel een groot filiaal wil vestigen en dat in oktober 2011 een vergunningsaanvraag werd ingediend voor een project in dit huizenblok, met een grote showroom, bijhorende kantoren en werkplaatsen;

Dat het niet denkbaar is om in dit project de inplanting te voorzien van een bijkomende vloeroppervlakte voor woningen van ongeveer 14 000 m², zoals zou worden opgelegd door voorschrift 4 bis 3;

Dat indien het gebied zou worden behouden als OGSO, deze reclamanten vragen om in voorschrift 4 bis 3 een overgangsbepaling te voorzien volgens welke een dergelijke verplichting slechts van toepassing is voor vergunningsaanvragen die zijn ingediend na de inwerkingtreding van het plan;

Dat de gemeente Evere vraagt dat het ontwerp tot wijziging van het GBP de toekomstige stedelijke ontwikkelingen niet afremt, met name het project om de activiteiten van BMW te reorganiseren op de voormalige "Philips"-site;

Overwegende dat de Commissie herinnert aan haar voorstel om in de voorschriften betreffende de OGSO een beschermclausule op te nemen die de bestaande ondernemingen toelaat om renovatiewerken te ondernemen zonder de quota opgelegd door voorschrift 4 bis 3 te moeten respecteren;

Dat de Commissie overigens vraagt om een beschermzone te voorzien rond de opmerkelijke beuk die op het terrein aanwezig is;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt betreffende de mogelijkheid voor de bestaande bedrijven om zich uit te breiden en renovatiewerken te ondernemen.

Dat het voorschrift betreffende de OGSO in die zin werd gewijzigd;

Dat het reorganisatieproject voor de BMW activiteiten derhalve niet bedreigd is;

Dat de kwestie van de bescherming van de beuk niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt en moet worden onderzocht in het licht van de bepalingen van het BWRO betreffende het erfgoed in het kader van het onderzoek van vergunningsaanvragen; b. huizenblok tussen de Leuvensesteenweg, de Tollaan, de E40 en de Gemeenschappenlaan Overwegende dat de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe oordeelt dat het probleem dat de bedrijven zouden wegtrekken als gevolg van een mogelijke grondspeculatie zich niet bijzonder stelt in dit deel van het huizenblok, aangezien het immers recht tegenover bestaande woningen ligt en het GSI in de rest van het huizenblok behouden blijft; Dat een reclamant zich vragen stelt over de verenigbaarheid tussen de woonfunctie en de industriefunctie in dit huizenblok;

Overwegende dat de GOC het opportuun acht om dit gebied te bestemmen als OGSO, zoals wordt voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat dit gebied het immers mogelijk maakt om het GSI dat de rest van het huizenblok beslaat te verbinden met het daartegenover liggende woongebied;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt. c. huizenblokken tussen de Leuvensesteenweg en de Evenepoelstraat Overwegende dat een reclamant vraagt om de huizenblokken tussen de Leuvensesteenweg en de Evenepoelstraat in te schrijven als SGG aan de kant van de Leuvensesteenweg en als WG aan de kant van de Evenepoelstraat; Overwegende dat de gemeente Schaarbeek eveneens vraagt om het huizenblok 377 en het deel van het huizenblok 379 dat gelegen is tussen de Leuvensesteenweg, de Reyerslaan, de Evenepoelstraat en de Lebrunstraat op te splitsen in twee gebieden : SGG voor het deel aan de Leuvensesteenweg en woongebied voor de delen aan de Reyerslaan en de Evenepoel- en Lebrunstraat;

Overwegende dat de GOC de vraag om de huizenblokken van de Evenepoelstraat te splitsen pertinent acht;

Dat ze evenwel oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat ze vraagt om deze wijziging op te nemen in de wijziging van het GBP dat zal volgen op de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt. Dat deze vraag inderdaad niet binnen de doelstellingen van de gedeeltelijke wijziging van het GBP valt;

Dat ze moet worden onderzocht bij een volgende wijziging van het GBP; d. Administratiegebieden aan weerszijden van de Kolonel Bourgstraat tussen de Georgin- en de Grosjeanlaan Overwegende dat een reclamant pleit voor een grootschalige reconversie van de kantoren in het administratiegebied aan weerszijden van de Kolonel Bourgstraat ten gunste van woningen en voorzieningen, of handelszaken gericht op de wijk, gezien de geringe bereikbaarheid met het openbaar vervoer en de structuur van de wijk; Overwegende dat de GOC voorstelt om de mogelijkheid te onderzoeken om de bestemming van de administratiegebieden, gelegen aan weerszijden van de Kolonel Bourgstraat, te wijzigen in OGSO;

Dat ze is immers van mening is dat administratiegebieden moeten gelegen zijn in gebieden die zeer goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer (zone A in de GSV), wat in de gebieden aan weerszijden van de Kolonel Bourgstraat niet het geval is;

Dat ze ook vaststelt dat deze administratiegebieden heel wat leegstaande kantoren herbergen;

Dat ze het daarom interessant acht om er gemengdheid te bevorderen, meer bepaald de inplanting van bedrijven aan de kant van de E40 en van woningen aan de kant van de Kolonel Bourgstraat;

Dat ze ook van mening is dat deze gebieden een territoriale continuïteit vormen met de andere OGSO van de pool en dat deze bestemmingswijziging de ontwikkeling mogelijk maakt van zowel huisvesting als productieactiviteiten;

Dat een lid daarentegen van mening is dat deze administratiegebieden moeten worden behouden, aangezien de wijziging van voorschrift 7 van huisvesting een hoofdfunctie maakt in een AG en dus al een gemengdheid van functies en een reconversie van de leegstaande kantoorgebouwen mogelijk maakt;

Overwegende dat de wijziging van voorschrift 7 betreffende de administratiegebieden van huisvesting daadwerkelijk een hoofdfunctie maakt;

Dat de leegstaande kantoren in de Kolonel Bourgstraat dus kunnen worden omgebouwd tot woningen;

Dat het voorschrift betreffende de administratiegebieden ook voorzieningen en handelszaken toelaat, evenals productieactiviteiten, voor zover deze verenigbaar zijn met de andere bestemmingen van het gebied;

Dat de bestemming van deze gebieden dus niet moet worden gewijzigd; 2.8. Andere OGSO-vragen Overwegende dat de GOC het niet opportuun acht om de kleine geïsoleerde gebieden die het ontwerp van GBP voorstelt te bestemmen als OGSO;

Dat ze immers van mening is dat voor de inrichting van de OGSO een richtschema en/of GBP moet worden opgesteld en dat deze gebieden te klein zijn om het voorwerp uit te maken van dergelijke totaalplannen;

Dat een lid evenwel oordeelt dat deze gebieden als OGSO moeten worden bestemd om meer bescherming te bieden aan de bestaande productieactiviteiten;

Overwegende dat, zoals is aangegeven in de motivaties van het besluit van 29 maart 2012 houdende aanvaarding van het ontwerp tot wijziging van het GBP, de bestemming van sommige SGG als OGSO bedoeld is om hun economische hoofdbestemming te bevestigen door de productieactiviteiten beter te beschermen, zonder de ontwikkeling van huisvesting te verhinderen; Dat deze gebieden dus een verhoogde bescherming van de productieactiviteiten bieden; dat de Regering bijgevolg het minderheidsadvies van de GOC deelt om sommige SGGI te bestemmen als OGSO. 2.8.1. Huizenblok in Vorst, tussen het Sint-Denisplein, de Brandstoffenstraat, de Marguerite Bervoetsstraat en de Schaatsstraat Overwegende dat de gemeente Vorst en een reclamant zich verzetten tegen de reconversie van dit huizenblok, dat vandaag is bestemd als SGG, in een OGSO;

Dat geen rekening werd gehouden met het feit dat dit huizenblok een buffergebied vormt tussen de huizenblokken bestemd als SGG en andere gelegen in een WG en GemG;

Dat een ontwerp van verkavelingsvergunning wordt onderzocht; dat het betrekking heeft op meer dan een derde van dit huizenblok; dat het niet beantwoordt aan dit voorschrift en dat het niet zeker is dat eraan kan worden beantwoord;

Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de aanwezige economische activiteiten in het huizenblok geen economisch en sociaal belang bieden en slechts weinig banen genereren; dat het voornamelijk gaat om een autosloopbedrijf en een autobewaarplaats;

Dat een aanvraag voor een verkavelingsvergunning die wordt onderzocht voorstelt om dit huizenblok te herstructureren en de bestemming ervan te wijzigen;

Dat het een veel betere situatie vooropstelt dan de huidige;

Dat de huisvesting die er is voorzien in het verlengde ligt van de woonwijken en de link legt tussen het project van de GOMB en de wijk Bervoets/Texas/Brandstoffen;

Dat de voorschriften van het OGSO dit project onmogelijk zouden maken;

Dat het MER wijst op het risico dat deze terreinen ingesloten en slecht verbonden zouden blijven;

Dat de reclamant dit betwist; dat hij opmerkt dat dit huizenblok langs wegen ligt die makkelijk toegang bieden tot het centrum van de gemeente Vorst;

Dat het ruimschoots wordt omringd door programma's ten behoeve van een zekere gemengdheid van bestemmingen, of gericht op huisvesting, zoals het huisvestingsproject van de GOMB;

Overwegende dat het BIM opmerkt dat, bij ontstentenis van maatregelen die een minimale groene ruimte in het OGSO opleggen, de bestemmingswijziging van dit huizenblok kan leiden tot de volledige ondoorlaatbaarheid van deze site, wat onaanvaardbaar is;

Overwegende dat de GOC van mening is dat dit huizenblok moet worden behouden als SGG, voor zover de verkavelingsvergunning de bestaande productieactiviteiten niet in het gedrang brengt;

Dat een lid wenst dat dit gebied wordt bestemd als OGSO om de bestaande productieactiviteit te beschermen;

Overwegende dat de Regering het advies van de meerderheid van de GOC volgt;

Dat een verkavelingsvergunning die bijna de helft van het huizenblok dekt wordt onderzocht;

Dat deze verkavelingsvergunning werd opgesteld op basis van de voorschriften betreffende sterk gemengde gebieden;

Dat de realisatie ervan niet mag worden verhinderd en dus het huizenblok moet worden behouden als SGG; 2.8.2. Huizenblok in Jette, tussen de Laarbeeklaan, het Oude Afspanningsplein, de Tentoonstellingslaan, de Kleine Sint-Annastraat en het Poelbos Overwegende dat de gemeente Jette de bestemmingswijziging van dit huizenblok niet goedkeurt;

Dat dit huizenblok een bevoorrechte plaats is voor de ontwikkeling van bedrijven op het grondgebied van de gemeente;

Dat de voorschriften van het OGSO bouwprofielen dreigen te genereren die haaks staan op de bestaande bouwprofielen aan de andere kant van de Laarbeeklaan;

Dat deze situatie nadelig zou zijn voor de integratie van projecten in hun onmiddellijke omgeving, gezien de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied en van een beschermd landschap;

Overwegende dat de GOC van mening is dat dit gebied moet worden behouden als SGG. Dat een lid wenst dat dit gebied wordt bestemd als OGSO om de bestaande productieactiviteit te beschermen;

Overwegende dat de Regering het minderheidsadvies van de GOC volgt; dat de bestemming als OGSO van dit gebied inderdaad zijn economische hoofdbestemming bevestigt;

Dat het GBP niet de bouwprofielen bepaalt die moeten worden gerespecteerd in de OGSO;

Dat het voorschrift betreffende de OGSO dus verschillende mogelijkheden toelaat op het vlak van morfologie van de projecten (horizontale of verticale gemengdheid); dat de redenen die worden ingeroepen om dit gebied niet te bestemmen als OGSO bijgevolg niet opgaan; 2.8.3. Huizenblok in Jette, tussen de Ch. Woestelaan, de R. Uyttenhovelaan, het M. De Moorplein en de Hoekjegrondstraat (huizenblok 8.32) Overwegende dat de gemeente Jette zich verzet tegen de bestemming van dit huizenblok als OGSO en vraagt om het te bestemmen als GSI;

Dat de gemeentelijke overheid de economische activiteiten in sommige wijken wil behouden als de situatie dit rechtvaardigt;

Dat een stedenbouwkundige vergunning voor de herbestemming van deze percelen voor de bouw van woningen werd geweigerd omdat ze, gezien de nabijheid van de spoorweg, niet geschikt zijn voor de bouw van kwaliteitswoningen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat dit gebied moet worden behouden als SGG aangezien het al gemengdheid mogelijk maakt;

Dat ze het niet opportuun acht om een SGI te voorzien in dit huizenblok dat te midden van een bewoond stadsweefsel ligt, en in de buurt van de ontwikkelingen die zijn voorzien rond Thurn & Taxis, met name nieuwe parkgebieden.

Dat een lid wenst dat dit gebied wordt bestemd als OGSO om de bestaande productieactiviteit te beschermen;

Overwegende dat de Regering het advies van de meerderheid van de GOC volgt en het niet opportuun acht om dit huizenblok te bestemmen als GSI; dat ze het minderheidsadvies van de GOC volgt om zijn bestemming als OGSO te behouden; dat immers zijn bestemming als OGSO de economische hoofdbestemming van het huizenblok bevestigt door er de potentiële ontwikkeling van woningen toe te staan; dat de gemengdheid die de GOC in dit huizenblok wenst beter wordt bevorderd door zijn bestemming als OGSO; 2.8.4. Huizenblok in Ukkel, tussen de Engelandstraat, de Dieweg, de Groetveldlaan en de Alsembergsesteenweg Overwegende dat de gemeente Ukkel zich verzet tegen de bestemming van dit huizenblok als OGSO omdat op de site het bedrijf Schneider Electric gevestigd is en ze vreest dat de nieuwe bestemming zou leiden tot vastgoedpromotie;

Dat immers de sociale en functionele gemengdheid van de wijk moet worden gepromoot, zonder de bestaande bedrijven in moeilijkheden te brengen;

Dat ze vraagt om specifieke maatregelen te nemen om de meerwaarden te recupereren en sociale huisvesting op te leggen in de bouwprojecten;

Dat ze meent dat, als huizenblokken waar de bedrijven goed geïntegreerd zijn worden bestemd als OGSO, hen dit zou aanmoedigen om weg te trekken;

Overwegende dat de Commissie van mening is dat dit gebied moet worden behouden als SGG;

Dat een lid wenst dat dit gebied wordt bestemd als OGSO om de bestaande productieactiviteit te beschermen;

Overwegende dat de Regering het minderheidsadvies van de GOC volgt; dat de bestemmingswijziging immers niet het behoud van de bestaande activiteiten in het gedrang brengt;

Dat, aangezien huisvesting al is toegelaten in een sterk gemengd gebied, de bestemming als OGSO de grondwaarde niet zal wijzigen;

Dat de bestemming als OGSO bedoeld is om de economische hoofdbestemming van het gebied te bevestigen en tegelijk functionele gemengdheid te bevorderen;

Dat, ter herinnering, het GBP niet kan bepalen welk soort woningen moet worden gebouwd in een gebied; 2.8.5. Huizenblok in Molenbeek, tussen de Osseghemstraat, de Euterpestraat, de De Rudderstraat, de J. B. Janssenstraat en de Delhaizestraat Overwegende dat een reclamant vreest dat voorschrift 4 bis 3, die de verplichting oplegt om bij projecten van meer dan 10 000 m² ook woningen te bouwen, elke ontwikkeling van een bestaand bedrijf zou kunnen beletten vanwege de onverenigbaarheid tussen de economische activiteit en huisvesting, waardoor het bedrijf op termijn zou kunnen wegtrekken;

Dat hij vraagt om te bevestigen dat de algemene voorschriften 0.11 en 0.9 van toepassing blijven en dus de verbouwing, zware renovatie, afbraak/wederopbouw of bestemmings- of gebruikswijziging van bestaande gebouwen nog mogelijk zullen zijn;

Overwegende dat de gemeente Sint-Jans-Molenbeek van mening is dat de bestemmingswijziging van dit huizenblok slechts een beperkte impact zal hebben op de bestaande situatie;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de huidige bestemming van dit huizenblok te behouden zodat het bestaande erfgoed (opslagplaats en fabriek Delhaize) kan worden bewaard;

Dat de reconversie tot OGSO de bestaande bebouwing radicaal dreigt te wijzigen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat dit gebied moet worden behouden als SGG;

Dat een lid wenst dat dit gebied wordt bestemd als OGSO om de bestaande productieactiviteit te beschermen;

Overwegende dat de Regering het minderheidsadvies van de GOC volgt; dat het voorschrift betreffende de OGSO immers werd gewijzigd;

Dat voortaan ook een beschermclausule is voorzien voor de bestaande bedrijven, zodat ze nog kunnen uitbreiden of renovatiewerken kunnen ondernemen zonder groottebeperking en zonder de verplichting om woningen te bouwen;

Dat de bestemmingswijziging de bestaande bebouwing en het behoud van het erfgoed niet in het gedrang brengt;

Dat de bestemming als OGSO de economische hoofdbestemming van dit gebied bevestigt; 2.8.6. Perceel in Jette, op de hoek van de Tentoonstellingslaan en de Laarbeeklaan, kadasternummers A 100L2, A100D2, A100H2 en A102N Overwegende dat een reclamant vraagt om zijn goed, dat momenteel is ingeschreven als parkgebied, te wijzigen in OGSO zodat de bestaande handelsactiviteit er kan worden ontwikkeld en gemoderniseerd;

Dat deze nieuwe bestemming de renovatie/bouw zou mogelijk maken van twee serres op de twee percelen van zijn eigendom;

Overwegende dat de GOC voorstelt om deze vraag te onderzoeken in het GBP dat zal volgen op de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat, gezien de geringe omvang van het perceel, het niet opportuun zou zijn om het te bestemmen als OGSO;

Dat immers de voorschriften van het OGSO niet op gepaste wijze zouden kunnen worden toegepast op een terrein van deze omvang;

Dat de inschrijving van dit perceel in een andere bestemming eventueel kan worden onderzocht bij de volgende globale wijziging van het GBP; 2.8.7. Deel van het huizenblok in Evere, tussen de H. Dunantlaan en de Eenboomstraat Overwegende dat de gemeente Evere akkoord gaat met de bestemming van de huizenblokken van de NAVO-pool als OGSO en vraagt om dit gebied uit te breiden tot het voornoemde deel van het huizenblok;

Dat ze erop wijst dat ze de gedeeltelijke wijziging heeft ondernomen van een BBP ("900 - "zoning Evere local"); dat dit BBP zal afwijken van het GBP 2001 omdat het er huisvesting wil inplanten zonder evenwel de economische hoofdbestemming van het gebied in het gedrang te brengen;

Dat de wijziging van dit deel van het huizenblok in OGSO dit BBP zou doen overeenstemmen met het GBP;

Overwegende dat de GOC de vraag van de gemeente Evere goedkeurt en vraagt om deze huizenblokken te bestemmen als OGSO;

Dat ze van mening is dat de doelstellingen van de gemeente overeenstemmen met de doelstellingen van de Regering betreffende de inrichting van de OGSO;

Dat ze evenwel meldt dat een aanvulling op het MER noodzakelijk is om de milieu-impact van deze wijziging te kunnen beoordelen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat het huizenblok waar de gemeente het BBP 900 "Zoning Evere local" gedeeltelijk wil wijzigen om er huisvesting in te planten zal worden bestemd als OGSO;

Dat het MER werd aangevuld om de impact van deze wijziging te onderzoeken;

Dat volgens deze aanvulling van het MER, de bestemming van dit huizenblok als OGSO een betere stedelijke overgang zal garanderen tussen de woongebieden van de wijk en de GSI, en de inplanting zal mogelijk maken van hoogstaande gebouwen in de buurt van het beschermde landschap van de begraafplaats van Brussel; 2.8.8. Huizenblokken in Brussel, in de Witloofstraat Overwegende dat de Stad Brussel vraagt om een deel van dit GSI in te schrijven als SGG of OGSO, om de continuïteit van de animatie en huisvesting te garanderen met behoud van de mogelijkheid om er productieactiviteiten te ontwikkelen;

Dat ze opmerkt dat er huizen staan in de buurt van de site waar de toekomstige gevangenis zal worden gebouwd;

Dat dit gebied is verbonden met het gemengde gebied van de oude Haachtsesteenweg en met het centrum van Diegem;

Overwegende dat de GOC van mening is dat dit gebied te klein is om te worden gewijzigd in een OGSO;

Ze vraagt evenwel om zijn eventuele bestemmingswijziging te onderzoeken in het volgende GBP dat zal volgen op de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat de bestemming van dit gebied momenteel niet moet worden gewijzigd;

Dat de toekomstige gevangenis deels in dit SGI zal worden gevestigd; dat er in toepassing van voorschrift 0.7 voorzieningen mogen worden geplaatst in een SGI;

Dat het, in afwachting van een definitief project dat de inplanting van de toekomstige gevangenis afbakent, voorbarig is om de bestemming van de rest van het SGI te wijzigen;

Dat deze wijziging evenwel kan worden onderzocht bij de volgende globale wijziging van het GBP; 2.8.9. Site van de toekomstige gevangenis van Haren Overwegende dat een reclamant opmerkt dat het ontwerp van GBP nergens melding maakt van de bestemming van de terreinen voor de bouw van de toekomstige gevangenis, tussen de Woluwelaan, de Haachtsesteenweg, de Witloofstraat en de Keelbeekweg;

Overwegende dat enkele reclamanten het nieuwe gevangenisproject afwijzen omdat het de groene ruimtes en dus hun levenskwaliteit aantast;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vraag niet onder het GBP valt; dat ze evenwel vraagt om deze vraag te onderzoeken in het GPDO en het GBP dat er op zal volgen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat deze gedeeltelijke wijziging van het GBP vooral beoogt om te beantwoorden aan de bevolkingsgroei en geen betrekking heeft op de kwestie van de toekomstige gevangenis; 2.8.10. Huizenblok 361 E, in het noordoosten van het GGB nr 13 Josaphat Overwegende dat de gemeente Schaarbeek vraagt om het huizenblok 361 E, gelegen ten noordoosten van het GGB nr. 13 Josaphat, te bestemmen als OGSO;

Dat dit huizenblok vandaag bestemd is als GSI;

Dat dit huizenblok binnen de perimeter van het BBP tot uitvoering van het GGB nr 13 ligt;

Dat dit GSI lijkt te voldoen aan de criteria die het ontwerp tot wijziging van het GBP geeft voor de OGSO;

Overwegende dat de GOC van mening is dat dit gebied moet worden behouden als GSI, in afwachting van een onderzoek naar de mogelijke uitbreiding van het GGB Josaphat, teneinde het op te nemen in de globale ontwikkeling van dit gebied en zo een eventuele evolutie van de aanwezige functies mogelijk te maken;

Dat ze vaststelt dat dit gebied volledig wordt ingenomen door bedrijven en ingesloten ligt tussen taluds;

Dat deze wijziging moet worden onderzocht in het kader van het GBP dat zal volgen op de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat het niet opportuun is om de bestemming van dit GSI te wijzigen;

Dat immens nog een BBP wordt onderzocht;

Dat dit gebied voorzichtigheidshalve moet worden voorbehouden voor de ontwikkeling van stedelijke bedrijven die zijn verbonden met de spoorweg;

Dat het goederenvervoerplan immers aanbeveelt om terreinen langs de spoorweglijnen voor te behouden om te anticiperen op de ontwikkeling van een verdeling die in de toekomst eerder zal gericht zijn op het spoor;

Dat de Regering op de site Josaphat (GSI + GGB), die eigendom is van de SAF, een gemengde wijk wil ontwikkelen met behoud van het GSI dat enkel zal worden bestemd voor economische activiteiten. 3. Kaarten 3.1. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant opmerkt dat bepaalde cartografische documenten niet in het Nederlands vertaald zijn en dat dergelijke fouten vermeden hadden kunnen worden indien de gemeenten geraadpleegd waren geweest;

Overwegende dat de GOC vraagt om na te gaan of sommige cartografische documenten al dan niet in het Nederlands vertaald zijn en, in voorkomend geval, om deze te vertalen Overwegende dat de Regering oordeelt dat dit bezwaarschrift ongegrond is;

Dat een en ander werd gecontroleerd;

Dat alle verordenende cartografische documenten tweetalig zijn; 3.1.1. Gebouw Overwegende dat een reclamant vraagt om het gebouw aan de Tweedekkerstraat nr. 21-25 weer te geven op de kaarten;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat de gebouwen slechts indicatief opgenomen zijn op de kaarten;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC bevestigt dat de gebouwen slechts indicatief zijn opgenomen op de kaarten;

Dat het bijgevolg niet noodzakelijk lijkt om dit gebouw er in op te nemen; 3.1.2. Wegennet Overwegende dat verschillende reclamanten vragen om de basiskaart van de zes verordenende kaarten van het GBP te verbeteren en bij te werken;

Overwegende dat de GOC meent dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat ze evenwel vraagt om ze te onderzoeken in het kader van het GBP dat zal volgen op het GPDO;

Dat in het kader van de opstelling van het nieuwe GBP een nieuwe feitelijke situatie moet worden opgemaakt;

Dat deze alle wijzigingen van het weggennet zal bevatten die werden gerealiseerd sinds de goedkeuring van het GBP 2001;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBOP valt;

Dat de basiskaart moet worden bijgewerkt in het kader van een globale herziening van het GBP;

Overwegende dat een reclamant vraagt om tecontroleren of de locatie van de toekomstige Picardbrug overeenstemt met het weggebied zoals het is getekend op de kaarten;

Overwegende dat de GOC, na controle bij de Directie Studies en Planning van het BROH, bevestigt dat de locatie van de toekomstige Picardbrug overeenstemt met het weggebied zoals het is getekend op de kaarten;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat ze de overeenstemming tussen de locatie van de toekomstige Picardbrug en het weggebied zoals het is getekend op de kaart van de bestemmingen bevestigt;

Overwegende dat een reclamant vraagt om rekening te houden met de nieuwe naam die is gegeven aan het deel van de Paul Hymanslaan vanaf de Roodebeeksteenweg tot aan de Woluwelaan, met name Paul-Henri Spaakpromenade;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de wijziging van het wegennet ter hoogte van de Lindelaan in Ukkel weer te geven op de basiskaart;

Dat een andere reclamant vraagt om de kleine weg tussen de Woluwelaan en de Neerveldstraat niet op te nemen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vragen niet binnen het kader van de wijzigingen van het GBP vallen;

Dat ze evenwel vraagt om ze te onderzoeken in het GBP dat zal volgen op het GPDO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat de basiskaart moet worden bijgewerkt in het kader van een globale herziening van het GBP; 3.2. Kaart van de bestaande rechtstoestand 3.2.1. Algemeenheden Overwegende dat enkele reclamanten vragen om de kaart van de bestaande rechtstoestand bij te werken;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag gegrond is;

Dat ze evenwel opmerkt dat deze informatie beschikbaar is op de site "Brugis" van het BROH;

Dat een nieuwe bestaande rechtstoestand moet worden opgemaakt in het kader van de uitwerking van het nieuwe GBP, waarbij rekening zal worden gehouden met alle wijzigingen van de rechtstoestand sinds de goedkeuring van het GBP 2001;

Overwegende dat de Regering evenwel meent dat deze vraag niet relevant is voor deze wijziging van het GBP;

Dat deze informatie al ter beschikking van het publiek staat op de website van het BROH- www.brugis.irisnet.be;

Dat de kaart van de bestaande situatie zal worden bijgewerkt in het kader van een globale herziening van het GBP; 3.3. Kaart van de bestemmingen 3.3.1. Algemeenheden Overwegende dat een reclamant vraagt om een volledige gecoördineerde versie van de grafische voorschriften van het GBP op te stellen;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag gegrond is.

Dat ze opmerkt dat deze informatie beschikbaar is op de site "Brugis" van het BROH;

Dat ze echter vraagt om een volledige gecoördineerde versie van de grafische voorschriften van het GBP op te stellen na de goedkeuring van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat de Regering, net als de GOC, deze vraag gegrond acht;

Dat ze ook van mening is dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat deze informatie al ter beschikking van het publiek staat op de website van het BROH- www.brugis.irisnet.be;

Overwegende dat een reclamant opmerkt dat onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP een gelegenheid zou zijn geweest om de kaart van de bestemmingen bij te werken;

Overwegende dat de GOC ervoor gekozen heeft om geen nieuwe gedeeltelijke wijzigingen van het GBP voor te stellen;

Dat ze immers van mening is dat de vragen tot bestemmingswijziging moeten worden onderzocht in het GBP dat zal volgen op het GPDO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat deze vraag niet binnen het kader van onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat een grondige bezinning over de kaart van de bestemmingen moet worden gevoerd in het kader van een globale herziening van het GBP; 3.3.2. Woongebied met residentieel karakter en woongebied Overwegende dat een reclamant onderstreept dat een aantal verspreide percelen van bestemming zouden moeten veranderen zodat er de woonfunctie en/of het erfgoedkarakter kan worden beschermd van de plaatselijke bebouwing waarvan de typologie niet strookt met de in het GBP voorziene bestemming;

Dat het gaat om gebouwen die gelegen zijn in administratiegebied of gebied voor voorzieningen;

Dat enkele reclamanten vragen om de bestemming te wijzigen van bepaalde percelen met woningen die gelegen zijn in een gebied voor stedelijke industrie;

Dat verschillende gemeenten vragen om de bestemming te wijzigen van percelen of huizenblokken ten gunste van woongebied met residentieel karakter of woongebied, en dit op basis van verschillende redenen : - bescherming van het erfgoed of een beschermd landschap, - bescherming van de bestaande huisvesting in administratiegebieden of gebieden voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten, - behoud van gemengdheid in administratiegebieden, - bevestiging van bestaande toestanden, - bevestiging van bebouwbare gebieden, - correctie van materiële fouten, - bevestiging van BBP, verkavelingsvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen, - verhoging van de oppervlaktes bestemd voor buurtwinkels, - bouwmogelijkheden in een weggebied, Overwegende dat de GOC oordeelt dat een globale studie nodig is voordat ze zich kan uitspreken over deze opmerkingen, die niet binnen het kader van het ontwerp van GBP vallen;

Dat dergelijke wijzigingen het voorwerp zouden moeten uitmaken van een milieuanalyse en een openbaar onderzoek;

Dat ze voorstelt om deze vragen te analyseren in het kader van de wijziging van het GBP dat zal volgen op de realisatie van het GPDO;

Overwegende dat huisvesting in een administratiegebied voortaan een hoofdbestemming is, net als kantoren;

Dat het mogelijk is om in een gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten huisvesting te creëren mits speciale regelen van openbaarmaking;

Dat huisvesting in een sterk gemengd gebied een hoofdbestemming is;

Dat de huisvesting die in deze gebieden aanwezig is dus niet wordt bedreigd;

Dat het dus niet nodig is om de bestemming te wijzigen van huizenblokken in een gebied waar huisvesting is toegelaten;

Dat de bestemmingswijziging van bepaalde percelen niet kan worden gewijzigd, want dat dit niet overeenstemt met de schaal van het GBP dat de bestemmingen bepaalt per huizenblok;

Dat het GBP de bestaande feitelijke toestand niet in het gedrang brengt;

Dat de bestaande gebouwen waarvan de bestemming of het gebruik niet overeenstemmen met de voorschriften van het plan - krachtens algemeen voorschrift 0.9. - het voorwerp kunnen uitmaken van verbouwingswerken, zware renovaties of afbraak- en wederopbouwwerken;

Dat deze gebouwen dus niet worden bedreigd door een wijziging van het GBP;

Dat de wijziging van huizenblokken in woongebieden met residentieel karakter in woongebied of gemengd gebied, om er meer buurtwinkels te kunnen ontwikkelen, niet het voorwerp uitmaakt van onderhavige wijziging van het GBP;

Dat de kwestie van de ontwikkeling van buurtwinkels in woonwijken meer globaal moet worden geanalyseerd op het hele gewestelijke grondgebied;

Dat beschermde gebouwen niet worden bedreigd door onderhavige wijziging van het GBP;

Dat ze immers de beschermclausule genieten, evenals algemeen voorschrift 0.8. dat specifiek betrekking heeft op de bescherming van onroerend erfgoed of ingeschreven zijn op de bewaarlijst;

Dat de bestemmingswijziging van huizenblokken die momenteel gelegen zijn in een gebied voor voorzieningen, ten voordele van een van de twee woongebieden met het doel de bestaande woongebouwen beter te beschermen, niet het verhoopte effect heeft. In toepassing van de algemene voorschriften 0.7 en 0.12 kan immers een voorziening worden ingeplant in bestaande huisvesting;

Dat algemeen voorschrift 0.12. de totale of gedeeltelijke wijziging van de bestemming van een woning en de afbraak van een woning verbiedt in onder meer een gemengd gebied, een sterk gemengd gebied en een administratiegebied, behalve om te voldoen aan bepaalde voorwaarden zoals het behoud van minstens dezelfde oppervlakte aan huisvesting op de site of in het gebied;

Dat de bestaande huisvesting in deze gebieden daardoor dus beschermd is;

Dat de wijziging van huizenblokken in een gemengd gebied, ten gunste van een van de twee woongebieden, met behoud van de bestaande bedrijven door toevoeging van een punt van wisselend gemengd karakter in een deel van de huizenblokken, geen betere bescherming van de huisvesting tot gevolg heeft aangezien de wijziging/schrapping ervan al beperkt wordt door algemeen voorschrift 0.12;

Dat het besluit van de Regering van 20 januari 2011 tot instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP bepaalt dat "het aangewezen is [...] om de vestiging van woningen en schooluitrustingen in de verschillende te bebouwen gebieden van het GBP te bevorderen [...].";

Dat bijgevolg de bestaande gebieden voor voorzieningen moeten worden gevrijwaard;

Dat de bestemming van een huizenblok of een deel ervan dat is gedekt door een BBP, een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning niet moet worden gewijzigd;

Dat de vergunningen aan de particulier een recht verlenen dat door onderhavige wijziging van het GBP niet in het gedrang wordt gebracht;

Dat de aanvragen tot bestemmingswijziging van sommige huizenblokken wegens materiële fout, of van huizenblokken gelegen in een groengebied, ten voordele van de twee woongebieden, moeten worden onderzocht in het kader van een totaalvisie, tijdens een globale herziening van het GBP;

Dat de woningen in Vorst, gelegen in de Luttrebruglaan in een gebied voor stedelijke industrie, zich in een volledig bebouwd huizenblok situeren;

Dat deze huisvesting niet wordt bedreigd aangezien ze onder de beschermclausule van het GBP valt (algemeen voorschrift 0.9.);

Dat het huizenblok waarin ze gevestigd is bovendien bestemd is als sterk gemengd gebied door deze wijziging van het GBP;

Dat het perceel in Vorst, op de hoek Besme/Alsemberg boven de metro-ingang in het huizenblok Besme/Alsemberg/Kemmelberg/ Antoine Bréart, en gelegen in een weggebied, zou kunnen worden opengesteld voor bebouwing als de gemeente zou beslissen om afstand te doen van de weg;

Dat dit perceel dan de bestemming zou krijgen van het aanpalende perceel; Dat hiervoor dus geen wijziging van het GBP nodig is;

Dat bijgevolg deze aanvragen worden verworpen, het huizenblok gelegen in Vorst aan de Luttrebrug uitgezonderd;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat ze oordeelt dat deze opmerkingen niet binnen het kader van het ontwerp van GBP vallen en moeten worden geanalyseerd in het kader van een globale wijziging van het GBP; 3.3.3. Gemengd gebied Overwegende dat enkele reclamanten vragen om de bestemming te wijzigen van enkele huizenblokken die zijn gelegen in woongebied met residentieel karakter, in woongebied en in gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten, ten gunste van een gemengd gebied, zodat de handelsoppervlakte er kan worden opgevoerd en er een gemengd programma kan worden ontwikkeld met kantoren, handelszaken, bedrijven en huisvesting;

Dat enkele reclamanten de bestemmingswijziging van percelen of huizenblokken vragen met het doel de bestaande bestemming (huisvesting, kantoren, ...) te behouden en het bouwkundig erfgoed te beschermen;

Dat een reclamant de handelsbestemming binnen een lint van handelskernen wil behouden;

Dat een reclamant vraagt dat de grond waarop het vroegere station Vorst-Oost is gevestigd, op grondgebied Vorst, Toegangsweg nr. 36, zou worden bestemd als gemengd gebied, zodat er de ontwikkeling kan worden voorzien van een gemengd project met woningen, detailhandels, voorzieningen en kantoren, zonder afbreuk te doen aan de spoorwegfunctie en de ontwikkeling van de site;

Dat de gemeente Schaarbeek vraagt dat het huizenblok op grondgebied Schaarbeek, tussen de Vooruitgangstraat, de Koninginnelaan en de spoorweg (huizenblok 53) bestemd zou worden als gemengd gebied om de mogelijkheden te vrijwaren voor de wederopbouw van dat huizenblok na de door de MIVB geplande werken om de bedding van de sporen te verbreden;

Dat de gemeente Ukkel vraagt om de delen van het spoorweggebied Moensberg, gelegen langs de Horzelstraat (ten noorden ervan), te bestemmen als gemengd gebied, om er gemengde projecten te kunnen ontwikkelen die zijn afgestemd op de plaatselijke toestand;

Dat de gemeenteraad oordeelt dat dat spoorweggebied immers vatbaar is voor verstedelijking gepaard gaand met de ingebruikname - de komende jaren - van de halte "Moensberg" die door het GEN bediend zal worden;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat er een globale denkoefening moet gebeuren over de handelsoppervlakten die mogen worden toegestaan in elk van de gebieden;

Dat ze meent dat deze bezwaren niet binnen het kader vallen van de wijzigingen van het ontwerp van GBP;

Dat ze evenwel vraagt dat deze opmerkingen geanalyseerd worden in het kader van het GPDO en van een globale wijziging van het GBP;

Overwegende dat de vragen tot bestemmingswijzing van huizenblokken die zijn gelegen in een van de twee woongebieden, ten gunste van het gemengd gebied, het voorwerp moeten uitmaken van een algemene bezinning vóór een globale wijziging van het GBP;

Dat het GBP de gebieden voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten wil beschermen om de ontwikkeling van schoolvoorzieningen en andere buurtvoorzieningen in de wijken mogelijk te maken;

Dat deze gebieden onder bijzondere voorwaarden kunnen vallen die van toepassing zijn op sterk gemengde gebieden, mits motivatie om economische en sociale redenen;

Dat het GBP de feitelijk bestaande situatie niet in het gedrang brengt;

Dat de bestaande gebouwen, waarvan de bestemming of het gebruik niet overeenstemt met de voorschriften van het plan - krachtens algemeen voorschrift 0.9. - het voorwerp kunnen uitmaken van verbouwingswerken, zware renovaties of afbraak- en wederopbouwwerken;

Dat deze gebouwen dus niet worden bedreigd door een wijziging van het GBP;

Dat de bestemming van enkele percelen niet kan worden gewijzigd aangezien dit niet strookt met de schaal van het GBP, dat de bestemmingen bepaalt per huizenblok;

Dat deze vraag niet binnen het kader van de gedeeltelijke wijziging van het GBP valt;

Dat het gebied voor voorzieningen van collectief belang of openbare diensten de inplanting van woningen toelaat;

Dat de woningen en de gebouwen met erfgoedwaarde er niet worden bedreigd;

Dat huisvesting niet beter beschermd wordt in een gemengd gebied;

Dat de bestaande handelszaken in een gemengd gebied en in een lint van handelskernen niet worden bedreigd door de wijziging van het GBP;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt in die zin dat ze meent dat deze vragen niet binnen het kader van de wijziging van het GBP vallen;

Dat de vraag om bestemming van de grond waarop het voormalige station Vorst-Oost staat, Toegangsweg nr 36, wordt beantwoord in punt 3.3.4. betreffende sterk gemengde gebieden;

Dat de terreinen die het spoorwegknooppunt Moensberg vormen de volgende eigenschappen hebben : - ze vormen een uitgestrekt gebied in het zuidelijke deel van het gemeentelijke grondgebied, - ze omvatten een grote, niet-verstedelijkte oppervlakte die is verdeeld in verschillende percelen, waarvan sommige aan de uitgeruste weg zijn gelegen;

Dat de site het voorwerp heeft uitgemaakt van een stedenbouwkundig attest met effectenstudie, met de bedoeling er aanpalend de infrastructuren en installaties in te richten die zijn verbonden aan de exploitatie van het GEN;

Dat de aanvraag van een stedelijke vergunning volgend op dit stedenbouwkundig attest momenteel wordt onderzocht;

Dat op de rest van het terrein een ontwikkeling van bebouwing en activiteiten kan worden voorzien op de percelen van de spoorweg;

Dat een potentiële stedelijke ontwikkeling in rechtstreekse verbinding met het stadscentrum een gelegenheid biedt om de geplande GEN-halte te creëren;

Dat de Regering de vraag goedkeurt om een deel van dit spoorweggebied te veranderen in een gemengd gebied;

Dat het huizenblok in Schaarbeek, tussen de Vooruitgangsstraat, de Koninginnelaan en de spoorweg (huizenblok 53) het voorwerp uitmaakt van een BBP dat nog wordt onderzocht, en dat afwijkt van het GBP in die zin dat het vloeroppervlaktes voorziet per project in het hele gebied, en niet per gebouw zoals is voorgeschreven door het bijzonder voorschrift betreffende het woongebied;

Dat de wijziging van de bestemming van dit huizenblok in een gemengd gebied de afwijking van het GBP niet kan vermijden;

Dat de Regering oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de gedeeltelijke wijziging van het GBP valt; 3.3.4. Sterk gemengd gebied Overwegende dat een reclamant vraagt dat het kantoorgebouw in de Eversstraat 2, gelegen in sterk gemengd gebied, zijn administratieve bestemming zou kunnen behouden;

Dat de GOC oordeelt dat deze vraag ongegrond is;

Dat zij erop wijst dat het ontwerp tot wijziging van het GBP het gebruik van de bestaande gebouwen niet in het gedrang brengt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en eveneens oordeelt dat de vraag ongegrond is; dat de wijziging van het GBP de bestemming aangegeven in de stedenbouwkundige vergunningen niet in het gedrang brengt;

Overwegende dat de Gemeente Vorst vraagt om het spoorweggebied van het station Vorst-Oost te wijzigen om er in een sterk gemengd gebied te voorzien tussen de toegangsweg en de lijn;

Dat het interessant zou zijn om dit deel van het gebied te opwaarderen, dat voldoende terreinoppervlakte biedt voor de installatie van woningen, productieactiviteit en/of voorzieningen;

Dat dit gebied borg zou kunnen staan voor de continuïteit van het sterk gemengd gebied aan de andere kant van de Brusselsesteenweg;

Dat de Commissie deze vraag relevant acht maar niet kadert in de wijzigingen voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat zij evenwel vraagt om deze vraag te analyseren in het kader van het GPDO en een volledige wijziging van het GBP;

Overwegende dat het terrein gedeeltelijk bezet is door diverse activiteiten;

Dat de stationsgebouwen verkocht zijn door de NMBS en als handelszaken worden gebruikt;

Dat een bestemming als sterk gemengd gebied een gemengd project mogelijk zou maken op dit terrein, aansluitend bij de terreinen gelegen aan de andere kant van de Brusselsesteenweg;

Dat dit huizenblok, middels een bijzonder bestemmingsplan, kan profiteren van de voorschriften van het sterk gemengd gebied;

Dat het dan ook gerechtvaardigd is dat huizenblok als sterk gemengd gebied te bestemmen, zodanig dat het niet nodig is een dergelijk plan uit te voeren om een aanvang te nemen met de urbanisatie ervan;

Dat dit gerechtvaardigd is, gelet op de kleine omvang van het terrein;

Dat deze wijziging beantwoordt aan de doelstellingen van het besluit tot instelling van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het huizenblok op grondgebied Vorst, tussen de Lutrebruglaan, de Gerijstraat, de spoorweg en het GGB Van Volxem bestemd zou worden als sterk gemengd gebied;

Overwegende dat de GOC deze vraag relevant acht, gelet op het feitelijk gemengd karakter op dit terrein;

Dat zij vraagt om de bestemming van het gebied als SGG te onderzoeken in het kader van een wijziging van het GBP dat volgt uit de goedkeuring van het GPDO;

Dat een lid van mening is dat het meer opportuun zou zijn een om dit gebied te bestemmen als OGSO teneinde de aanwezige economische activiteit te beschermen;

Overwegende dat de Regering net zoals de GOC van mening is dat het pertinent is dit gebied te bestemmen als sterk gemengd gebied;

Dat dit huizenblok inderdaad een feitelijk gemengd karakter heeft met de aanwezige woningen aan de Noordkant;

Dat een groot deel van het huizenblok wordt ingenomen door de drukkerij van het Ministerie van Financiën;

Dat het overige deel van het huizenblok evenwel bestaat uit leegstaande kantoor-gebouwen;

Dat het aangewezen kan zijn deze kantoren tot woningen om te bouwen;

Dat dit huizenblok is geïntegreerd in het stedelijk weefsel aangezien het naast een woonwijk ligt waarop momenteel het wijkcontract "Vroege Groenten - Luttrebrug" van toepassing is;

Dat bovendien het programma van het GGB Van Volxem, gelegen aan de Noordkant van het blok, is aangepast zodat er woningen kunnen worden ingeplant;

Overwegende de vragen van meerdere reclamanten en gemeenten om de volgende huizenblokken of delen van huizenblokken als sterk gemengd gebied te bestemmen : - in Elsene, het weggebied gevormd uit de Kleine Ring tussen de Louizapoort en de Luxemburgstraat, teneinde er high-endhandel te kunnen onderbrengen, - in Jette, het huizenblok tussen de Bulinsstraat, de Rosalie Uyttenhovestraat, de Pannenhuisstraat en de Odon Walandlaan, opdat de bestaande onderneming er behouden zou kunnen blijven, - in Sint-Jans-Molenbeek de percelen in het administratiegebied in de Ulensstraat 21 tot 37 teneinde er woonhuizen met een erfgoedkarakter te beschermen;

Dat een reclamant vraagt dat de kantoorgebouwen in de Gulden Vlieslaan in Sint-Gillis hun bestemming zouden kunnen behouden;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de Kleine Ring een openbare ruimte moet blijven en gekant is tegen elk bovengronds bouwwerk en tegen commerciële inrichtingen in de ondergrond;

Dat een lid van de Commissie deze laatste mening niet deelt;

Dat de GOC van mening is dat het huizenblok in Jette, gelegen tussen de Bulinsstraat, de Rosalie Uyttenhovestraat, de Pannenhuisstraat en de Odon Walandlaan, potentieel heeft voor de ontwikkeling van huisvesting en dat het dus in gemengd gebied moet blijven;

Dat zij van mening is dat de vraag betreffende de percelen in de Ulensstraat in Sint-Jans-Molenbeek ongegrond is, aangezien het ontwerp tot wijziging van het GBP voorstelt om van huisvesting een hoofdfunctie te maken in administratief gebied, evenwaardig aan kantoorruimte;

Dat zij er in verband met de vraag voor Sint-Gillis, Gulden Vlieslaan, aan herinnert dat het ontwerp tot wijziging van het GBP de bezetting van de bestaande gebouwen niet in het gedrang brengt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC;

Dat de vraag in verband met het huizenblok in Jette aan de Bulinsstraat potentieel heeft voor de ontwikkeling van huisvesting;

Dat het ontwerp tot wijziging van het GBP voorstelt om van huisvesting een hoofdfunctie te maken in administratiegebied, evenwaardig aan kantoorruimte;

Dat de huisvesting er dus niet bedreigd is;

Dat het ontwerp tot wijziging van het GBP de bezetting van de bestaande gebouwen en dus de bezetting van de kantoorgebouwen aan de Gulden Vlieslaan niet in het gedrang brengt; 3.3.5. Gebied voor havenactiviteiten en vervoer Overwegende dat een reclamant vraagt dat het GHV ter hoogte van het huizenblok gelegen op het grondgebied van Brussel, tussen het Vergotedok, de Groendreef, de Rederskaai en de Koninginnelaan, behouden zou worden opdat de betonproductieactiviteiten in het hart van de stad behouden zouden kunnen blijven;

Dat deze inplanting een bevoorrading via de waterweg mogelijk maakt, die zowel economisch als ecologisch gunstig is;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat dit bezwaar ongegrond is aangezien het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP de bestemming van dit gebied niet wijzigt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; 3.3.6. Administratiegebied Overwegende dat een reclamant vraagt dat gebouwen en complexen die momenteel in een administratiegebied liggen en volledig of hoofdzakelijk gebruikt worden als kantoorruimte deze bestemming in de toekomst formeel zouden kunnen behouden;

Overwegende dat de GOC deze vraag ongegrond acht aangezien het ontwerp tot wijziging van het GBP het huidige gebruik van de bestaande gebouwen niet in het in gedrang brengt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt. a. Brussel Overwegende dat een reclamant vraagt dat zijn pand in de Boudewijnstraat nr.27 van een woongebied wordt omgezet in een administratiegebied, teneinde het te kunnen opwaarderen;

Dat zijn pand een sterke mix van functies mogelijk maakt die in het verlengde zou liggen van de bestemmingen die zijn toegestaan in de naburige huizenblokken;

Dat het GBP 2001 in een woongebied slechts heel beperkt andere bestemmingen toestaat dan huisvesting; dat het toelaatbare kantoorsaldo in de maas de gedeeltelijke reconversie van het pand tot kantoren niet toelaat;

Overwegende dat de GOC deze vraag niet relevant acht omdat ze niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; dat deze vraag immers niet beantwoordt aan de doelstellingen van het besluit tot gedeeltelijke openstelling van het GBP; b. Jette Overwegende dat de Gemeente Jette van mening is dat in een administratiegebied zou moeten worden voorzien voor het pand in de L. Theodorstraat 83 tot 89 teneinde rekening te houden met de daadwerkelijke bestemming van dit grote gebouw;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp tot wijziging van het GBP valt en eerder moet worden onderzocht in het kader van de globale herziening van het GBP dat volgt uit de goedkeuring van het GPDO. Zij wijst erop dat voorschrift 0.9. bovendien ook verbouwingswerken, zware renovaties of de afbraak en wederopbouw van dit gebouw mogelijk maakt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat de feitelijke bestemming van dat gebouw niet in het gedrang komt; c. Sint-Gillis Overwegende dat een reclamant oordeelt dat het terrein tussen de spoorbundel en de Fonsnylaan (Fonsnylaan nr.47, 48 en 49) niet geschikt is voor huisvesting;

Dat hij daarom vraagt om de `en' (bestemd voor kantoren `en' woningen) in het voorschrift met betrekking tot administratiegebieden te vervangen door `en/of';

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat voorschrift 7, zoals het werd gewijzigd, niet de verplichting oplegt om alle hoofdfuncties te realiseren binnen eenzelfde project;

Dat de GOC overigens oordeelt dat het creëren van gemengdheid in dit uitgestrekte huizenblok verantwoord zou zijn;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt betreffende het feit dat de wijziging van voorschrift 7 geen verplichting oplegt om alle hoofdfuncties binnen eenzelfde project te realiseren; dat de wijziging van het voorschrift van de AG overigens precies bedoeld is om er een functionele gemengdheid te introduceren;

Overwegende dat een reclamant vraagt om een deel van het spoorweggebied van de wijk van het Zuidstation te herbestemmen in administratiegebied (Fonsnylaan, Victor Hortaplein, Engelandstraat), overeenkomstig het samenwerkingsprotocol van 29 juli 2008 tot revitalisatie en revalorisatie van de Zuidwijk;

Overwegende dat de GOC aangeeft dat zij niet op de hoogte is van dit samenwerkingsprotocol en dus niet kan oordelen of de vraag opportuun is;

Dat zij evenwel van mening is dat de revitalisatie van de Zuidwijk niet binnen het kader valt van de wijzigingen van het ontwerp tot gedeeltelijke wijziging van het GBP en erop wijst dat de Regering de toekomstige uitwerking van een richtschema voor dit gebied heeft aangekondigd;

Dat zij overigens vraagt om het voornoemde samenwerkingsprotocol openbaar te maken;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt. Dat in de komende maanden een richtschema zal worden uitgewerkt met betrekking tot de Zuidwijk; d. Schaarbeek Overwegende dat een reclamant vraagt om het gebied aangrenzend aan de spoorweg, verderop aan de Vooruitgangstraat (nr.86) te herbestemmen als administratiegebied, vanuit dezelfde optiek als het samenwerkingsprotocol van 29 juli 2008 tot revalorisatie van de Zuidwijk;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat zij niet op de hoogte is van dit protocol en dat de vraag niet past in het kader van de wijzigingen van het ontwerp voor het GBP en bijgevolg zal moeten worden onderzocht binnen het GPDO en het GBP dat eruit volgt;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat deze vraag immers niet past in het kader van de doelstellingen van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; e. Watermaal-Bosvoorde Overwegende dat een reclamant vraagt om een materiële fout te corrigeren in het GBP 2001 in verband met de site aan de Vorstlaan 23-25, waarbij bepaalde gebouwde en wettelijk toegestane delen van de gebouwen niet als administratiegebieden maar als parkgebieden zijn opgenomen op de kaart; Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet past in het kader van de wijzigingen van het ontwerp tot wijziging van het GBP;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt. f. -Sint-Lambrechts-Woluwe Overwegende de opmerking van de Gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe dat de wijziging van voorschrift 7.1 in de richting gaat van de reconversie van de kantoren in woningen, waarvoor momenteel stedenbouwkundige vergunningen zijn aangevraagd op haar grondgebied;

Overwegende dat dit zo is, en dat de projecten waarvoor stedenbouwkundige vergunningen zijn aangevraagd evenwel vanuit een goede plaatselijke ordening zullen moeten worden beoordeeld door de uitreikende overheid; 3.3.7. Gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten a. Anderlecht Overwegende dat een reclamant de kwestie aanhaalt van de bouw van een voorziening op de percelen in de Transvaalstraat in Anderlecht, die momenteel ingeschreven zijn in parkgebied of woongebied; Dat de reclamant, in geval van afwijzing van dat verzoek, vraagt om de bestemming van die percelen te wijzigen in gebied voor voorzieningen;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt;

Dat zij wel vraagt om ze te analyseren in het GPDO en het GBP dat eruit volgt;

Overwegende dat het voorschrift 0.7 een inplanting van de voorzieningen in alle gebieden mogelijk maakt;

Dat deze voorzieningen in parkgebied er evenwel enkel een gebruikelijke aanvulling en toebehoren bij kunnen zijn;

Dat de wijziging van bestemming van dat parkgebied in gebied voor voorzieningen bovendien niet in het kader van onderhavige gedeeltelijke wijziging van het GBP valt;

Dat zij eventueel zal moeten worden onderzocht ter gelegenheid van de volgende globale herziening van het GBP; b. Etterbeek Overwegende dat een reclamant vraagt om de bestemming van de site van het ziekenhuis Leopoldpark, Froissartstraat 38 te veranderen in administratief gebied; Dat deze vraag de integratie van de reconversie van de site van de ziekenhuizen beoogt wanneer deze verhuisd zullen zijn naar de Deltasite (CHIREC), gepland voor 2017;

Dat, volgens de reclamant, de voorschriften met betrekking tot administratiegebieden een flexibiliteit en een gemengd karakter mogelijk maken in lijn met de reconversieprojecten die zouden kunnen worden uitgewerkt;

Dat daarentegen het voorschrift met betrekking tot gebieden voor voorzieningen slechts een beperkte ontwikkeling van huisvesting mogelijk maakt, tenzij via de goedkeuring van een BBP steunend op het voorschrift 8.3., al.3.;

In tweede instantie vraagt de reclamant om de site te bestemmen als sterk gemengd gebied;

Overwegende dat de GOC eerst en vooral voorstelt dat de Regering het grondbeheer in dit gebied overneemt, zoals het geval is voor het ziekenhuis Edith Cavell in Ukkel;

Dat zij vervolgens aanbeveelt om het BBP `blok 533', dat dit huizenblok dekt, bij te werken;

Dat zij aanbeveelt om toe te zien op een herbestemming van de site die huisvesting bevoorrecht als hoofdfunctie;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat het mogelijk is om baat te hebben bij de voorschriften van het sterk gemengde gebied krachtens voorschrift 8.3. al.3, middels BBP;

Dat het BBP `blok 533' in die zin zou kunnen worden aangepast, teneinde de site te kunnen reconverteren ten bate van huisvesting;

Dat de bestemming van de site in het GBP dus niet moet worden gewijzigd;

Overwegende dat een reclamant zou willen dat het gebouw in de Froissartstraat 50 in Etterbeek als administratiegebied zou worden bestemd;

Dat de vraag wordt ingegeven door de ligging van het gebouw in een wijk die overwegend voor administratieve en gelijkgestelde functies bestemd is;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet past in het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en vindt dat deze vraag niet beantwoordt aan de doelstellingen van de Regering opgesomd in het besluit tot invoering van de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat een reclamant zou willen dat het gebouw aan de Etterbeeksesteenweg 140 in Etterbeek als administratiegebied zou worden bestemd;

Dat de vraag wordt ingegeven door de ligging van het gebouw in een wijk die overwegend voor administratieve en gelijkgestelde functies bestemd is;

Overwegende dat de GOC van mening is dat deze vraag niet past in het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP;

Dat zij er overigens aan herinnert dat het richtschema `Europese wijk' aanbeveelt om langs de Etterbeeksesteenweg woningen in te planten om er meer functionele gemengdheid te bevorderen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en vindt dat deze vraag niet beantwoordt aan de doelstellingen van de Regering opgesomd in het besluit tot invoering van de gedeeltelijke wijziging van het GBP; c. Ganshoren Overwegende dat de Gemeente Ganshoren vraagt om de bestemming van het gebied voor voorzieningen dat het huizenblok van het OCMW bestrijkt gedeeltelijk te wijzigen ter bevordering van het in orde brengen en de renovatie van deze gebouwen (die onder meer het rusthuis omvatten) en dus het gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten uit te breiden; Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat rusthuizen volgens het glossarium van het GBP worden gelijkgesteld met woningen;

Dat de GOC de vraag bijgevolg ongegrond acht;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt; d. Jette Overwegende dat een reclamant vraagt om de bouw van twee hotels en een aparthotel toe te laten in het gebied voor voorzieningen van het AZ-VUB; Overwegende dat de GOC oordeelt dat deze vraag niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp van GBP valt en moet worden geanalyseerd in het kader van het GBP dat volgt uit het GPDO;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Overwegende dat de Gemeente Jette vraagt om, gelet op de huidige situatie en om in te spelen op de stijgende vraag naar de bouw van nieuwe scholen en de uitbreiding van bestaande scholen, de volgende gebouwen te bestemmen als gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten : - school op de Steenweg op Wemmel nr. 309; - gemeentelijk gebouw in de Dupréstraat nr. 113; - school in de Leopold I-straat nr. 362, en zou moeten worden uitgebreid tot nr. 358; - school in de Berréstraat nr. 23-25; - gebouw in de Onze-Lieve-Vrouw-van Lourdeslaan nr. 32-34; - uitbreiding van het bestaande gebied voor voorzieningen op het rechtergedeelte van het huizenblok dat wordt begrensd door de Loossens-, de Esseghem- en de Dansettestraat, met het onbebouwde terrein ernaast tussen de Dansettestraat en de Augustijnenstraat; - gebouw in de Leopold I-straat nr. 305;

Overwegende dat de GOC meent dat de vragen van de Gemeente Jette niet binnen het kader van de wijzigingen van het ontwerp tot wijziging van het GBP vallen maar het voorwerp moeten uitmaken van een bezinning over de noodzakelijke bijwerking van het GBP van 2001 bij de globale herziening ervan na goedkeuring van het GPDO, met name afhankelijk van de evolutie van de feitelijke situatie;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt;

Dat, ter herinnering, de voorzieningen in alle gebieden van het GBP mogen worden ingeplant;

Dat deze wijzigingen van bestemming dus niet noodzakelijk zijn om er de bouw of uitbreiding van scholen mogelijk te maken; e. Koekelberg Overwegende dat de Gemeente Koekelberg vaststelt dat de huidige wijziging van het GBP een uitgelezen kans was geweest om een aantal correcties of bijwerkingen aan te brengen in de bestemmingskaart, waarbij de volgende percelen als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten zouden moeten worden ingeschreven : - het noordelijk paviljoen van het metrostation Simonis en het aangrenzende postkantoor; - de gemeentelijke basisschool 'de kadeekes' (Herkoliersstraat 68); - de katholieke middelbare school 'Instituut van de Ursulinen' (Jules Debeckerstraat 71-75; - de Sint-Annakerk (Sint-Annakerkstraat 66); - het politiecommissariaat (Veiligheidsstraat 4); - home Jourdan van het OCMW (François Delcoignestraat 39);

Overwegende dat de GOC van mening is dat de vragen van de Gemeente Koekelberg niet passen in het kader van de wijzigingen van het ontwerp tot wijziging van het GBP maar het voorwerp moeten uitmaken van een bezinning over de noodzakelijke bijwerking van het GBP van 2001 bij de globale herziening ervan na goedkeuring van het GPDO, met name afhankelijk van de evolutie van de feitelijke situatie;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt en verwijst naar de antwoorden die werden verstrekt op vergelijkbare vragen ingediend door de Gemeente Jette; f. Ukkel Overwegende dat de Gemeente Ukkel vraagt dat de wijziging van het GBP rekening zou houden met de evolutie van de functies in het huizenblok Groeselenberg en met de uitwerking van het bijzonder bestemmingsplan nr.64;

Dat de Gemeente Ukkel eraan herinnert dat het gebied voor voorzieningen van het vroegere ziekenhuis `2 Alice' aan het veranderen is, aangezien het ziekenhuis de site verlaten heeft in november 2011; dat er voor het gebouw van het ziekenhuis een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd voor de reconversie ervan in 116 woningen;

Dat de Gemeente vraagt om het middelste deel van het huizenblok, tussen de Groeselenbergstraat en de Ringlaan, te bestemmen als woongebied, het gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten van het Atheneum in de Houzeaulaan uit te breiden teneinde het atheneum te kunnen vergroten door de vierkante koer in te sluiten (in de CODA-zone, waarvan het gebouw zeer geschikt zou zijn voor het Atheneum) en een tweede gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten te behouden voor het rusthuis in de Beeldhouwerslaan en de huidige verpleegsterschool, teneinde een gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten te behouden voor de toekomstige behoeften van deze wijk nabij het centrum van de Gemeente;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de door het BBP Groeselenberg gewenste bestemmingen niet onverenigbaar zijn met het ontwerp voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de GOC erop wijst dat het voorschrift 8.3. van het GBP immers toelaat om, via een BBP en motivaties om economische en sociale redenen, de voorschriften van het sterk gemengd gebied toe te passen in een gebied voor voorzieningen;

Overwegende dat de Regering oordeelt dat, om zich te schikken naar de ontwikkeling van de site naar aanleiding van de verhuizing van het ziekenhuis `2 Alice', het opportuun is om een gedeelte van het gebied voor voorzieningen in te schrijven in een woongebied;

Dat het dankzij de reconversie van de site van het vroegere ziekenhuis inderdaad mogelijk zal zijn om nieuwe woningen te creëren;

Dat al een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd voor de bouw van 116 woningen;

Dat de percelen waarop zich het koninklijk atheneum en de verpleegsterschool bevinden als gebied voor voorzieningen blijven ingeschreven;

Dat de Regering het advies van de GOC op dit punt dus niet volgt;

Overwegende dat de Gemeente Ukkel vraagt dat het ontwerp van GBP rekening zou houden met het nakende vertrek van een deel van de activiteiten van de site `Edith Cavell' van CHIREC, waarvoor een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest werd ingediend, waarbij de dagkliniek en de consultaties die op de site blijven minder oppervlakte beslaan dan de woningen die via reconversie van deze zeer dicht bebouwde site gecreëerd zullen worden;

Dat de Gemeente vraagt om de bestemming als woongebied uit te breiden tot het volledige huizenblok, alsook om het lint voor handelskernen te verlengen langs de Vanderkinderestraat tot aan het kruispunt met de Generaal Lotz-straat, en langs de oostelijke kant van de Edith Cavellstraat, tussen de Vanderkinderestraat en de Marie Depagestraat, gelet op de typologie van de benedenverdieping van dat gebouw, die zich leent voor handelszaken;

Overwegende dat de GOC deze vraag relevant acht aangezien ze verband houdt met de herbestemming van de Delta-site ten gunste van het CHIREC;

Dat zij vraagt om deze bodembestemmingswijziging toe te voegen aan het ontwerp tot wijziging van het GBP;

Dat zij van mening is dat een herinrichting van de site in het voordele van huisvesting opportuun is, temeer daar de bezinningen over de ontwikkeling van deze site reeds verder zijn gevorderd dan voor de site Leopoldpark, aangezien het Gewest het grondbeheer ervan heeft overgenomen;

Dat de GOC overigens oordeelt dat het verval van dit geheel moet worden voorkomen, gelet op het nakende vertrek van het ziekenhuis Edith Cavell; dat dit de herbestemming als woongebied noodzakelijk maakt en rechtvaardigt; dat het ook verstandig lijkt om het lint voor handelskernen uit te breiden om het te versterken, rekening houdend met de verwachte bevolkingstoename in de wijk;

Overwegende dat de Regering net zoals de GOC van mening is dat het opportuun is om de site opnieuw aan te leggen ten voordele van huisvesting;

Dat de overbrenging van het ziekenhuis naar de nieuwe site van CHIREC bij Delta plaats zal vrijmaken voor het inplanten van nieuwe functies op de site;

Dat op de site van Delta inderdaad een nieuw gebied voor voorzieningen werd gecreëerd waar een nieuw ziekenhuiscomplex kan worden gebouwd waarin met name de ziekenhuisdiensten van de site Edith Cavell kunnen worden samengebracht;

Dat de aanvraag van stedenbouwkundig attest die werd ingediend voor de reconversie van de site van Edith Cavell voorziet in de ontwikkeling van woningen op de verdiepingen en van handelszaken op de benedenverdieping;

Dat het behoud van een polikliniek op de benedenverdieping ook voorzien is;

Dat de Regering beslist heeft om dit gebied als gemengd gebied te bestemmen om de inplanting van deze functies mogelijk te maken;

Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de Sterrenwacht van Ukkel als wetenschappelijke pool in staat moet blijven om plaats te bieden aan nieuwe instellingen voor sterrenkunde, astrofysica, klimaatonderzoek, enz;

Overwegende dat de GOC akte neemt van deze opmerking;

Overwegende dat het gebied waarin de Sterrenwacht gevestigd is niet wordt beïnvloed door de wijziging van het GBP en bijgevolg zijn huidige bestemming behoudt; g. Opmerkingen die betrekking hebben op meerdere sites Overwegende dat een reclamant onderstreept dat busdepots en aangrenzende woningen moeilijk met elkaar verenigbaar zijn, waardoor sommige depotprojecten geweerd zouden kunnen worden uit bepaalde bestemmingsgebieden (bv : OGSO); Dat diezelfde reclamant wijst op de noodzaak om bepaalde terreinen in gebieden voor voorzieningen te behouden of te converteren, teneinde voor de MIVB de mogelijkheid veilig te stellen om er in de toekomst bus- of tramdepots in te planten; dat deze sites niet toegankelijk zouden mogen zijn voor huisvesting; dat deze bedenkingen betrekking hebben op : - de eigendommen van de MIVB tussen de Birminghamstraat en de Demetskaai, op zijn minst voor het gedeelte dat is voorbehouden voor de inplanting van een busdepot; - de site van het tramdepot Marconi; - de uitbreiding van het busdepot van Haren naar de Haachtsesteenweg; - rekening houdend met toekomstige behoeften, het terrein van B-Post op de site van het Klein-Eiland, waar een vierde groot busdepot van het BHG zou kunnen worden ingeplant; - rekening houdend met toekomstige behoeften, een terrein in de naaste omgeving van de site Thurn & Taxis; - rekening houdend met toekomstige behoeften, een terrein in de naaste omgeving van de Reyerssite;

Dat dezelfde reclamant vraagt om de mogelijkheid te onderzoeken om een metrostelplaats in te planten onder de Henri Simonetlaan in Anderlecht (Erasmuswijk);

Overwegende dat de GOC verwijst naar zijn advies betreffende de gebieden voor voorzieningen;

Overwegende dat voorzieningen in alle gebieden van het GBP mogen worden ingeplant;

Dat de bezinning over de inplanting van depotsites voor de MIVB niet past in het kader van onderhavige wijziging van het GBP;

Dat daarover moet worden nagedacht via het GPDO, dat op basis van het stadsplan kan uitmaken welke sites voor deze depots moeten worden voorbehouden; 3.3.8. Groengebieden Overwegende dat reclamanten vragen om de groene ruimten aan een systematische evaluatie te onderwerpen, om te bepalen of een deel ervan niet als groengebied zou moeten worden bestemd op basis van hun biologische en/of landschappelijke waarde;

Dat een reclamant vraagt om een deel van de grote gebieden voor voorzieningen als groengebied te bestemmen;

Dat een andere reclamant vraagt om een deel van de SGG die momenteel braak liggen, als gebied voor groene ruimten te bestemmen;

Dat het project ter wijziging van het GBP volgens het MER een globaal verlies van groene ruimten met zich brengt;

Dat een reclamant vraagt dat er in het GBP werkelijk maatregelen worden opgenomen om het verlies aan groene ruimten te compenseren en dat deze bijdragen aan de recreatieve, wandelgerelateerde en ecologische continuïteit, als deel van het Groene Netwerk en het Brussels ecologisch netwerkgroene ruimten;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat deze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in onderhavige wijziging van het GBP;

Dat het groene netwerk het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van de opstelling van het GPDO;

Dat een systematische studie van de groene ruimten van het gewest zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een toekomstige, globale herziening van het GBP;

Dat, wat het globale verlies van groene ruimten betreft, het MER voorstelde dat de compensatie in de eerste kroon gebeurt (MER Deel III p. 2); Dat hiertoe enerzijds de programma's van GGB 6 (Thurn & Taxis) en 13 (Josaphat) werden herzien om er de oppervlakten, bestemd als groene ruimten, uit te breiden;

Dat er anderzijds nieuwe parkgebieden werden gecreëerd : - het eerste ten westen van Thurn & Taxis, langs de spoorweg L 28 en op het traject van de oude spoorweg die naar het terrein van Thurn & Taxis leidde, - het tweede op de linkeroever van het Becodok, - het derde op het Tivoliterrein; a. Groengebieden Overwegende dat talrijke reclamanten bezwaarschriften hebben ingediend betreffende de inschrijving in een woongebied van het terrein gelegen tussen de Distelstraat, de Ernest Cambierlaan, de Papaverstraat en de Rogierlaan in Schaarbeek; Dat sommigen vragen de bestemming als groengebied te behouden;

Dat anderen vragen om te onderzoeken of een uitbreiding van de spoorweg mogelijk is in het huidige spoorweggebied, dan wel of het belangrijk is om een deel van het genoemde gebied als spoorweggebied te behouden met het oog op een mogelijke uitbreiding naar 3 of 4 sporen van lijn 26 Noord;

Overwegende dat de GOC akte neemt van de herbestemming van het betreffende gebied als WG;

Dat ze de aandacht erop vestigt dat dit gebied geen echt biologisch belang heeft;

Dat ze ook benadrukt dat het feit van het gebied als WG te bestemmen er niet toe zal leiden dat het volledig bebouwbaar zal worden, gezien de GSV moet worden nageleefd;

Dat ze er ook de aandacht op vestigt dat de wijk goed voorzien is van groene ruimten; dat ze inderdaad profiteert van de nabijheid van het Josaphatpark (PG) en het complex van het Chazalstadion (GSVOL);

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat dit gebied geen echt biologisch belang heeft;

Dat de wijk goed voorzien is van groene ruimten, gezien de nabijheid van het Josaphatpark en het Chazalstadion;

Dat het gebied niet volledig bebouwbaar zal zijn, gezien de GSV moet worden toegepast;

Dat het mobiliteitsbeleid van het gewest het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van de opstelling van het GPDO;

Dat eens het GPDO afgerond is, dit beleid in het GBP zal moeten worden weergegeven bij een globale herziening hiervan;

Overwegende dat reclamanten vragen om de grenzen van het woongebied met residentieel karakter, gelegen tussen de Goedeherderstraat en het groengebied van Hogenbos in Sint-Agatha-Berchem, te doen samenvallen met de kadastrale percelen 396, 40a, 41k en 42a;

Dat de nieuwe rooilijn dan voetweg 265 zou raken;

Overwegende dat verscheidene reclamanten bezwaren hebben kenbaar gemaakt met betrekking tot Haren;

Dat, om een evenwicht tussen de gebieden bestemd voor huisvesting en de bescherming van de natuur te bewaren; dat ze vragen dat : - de zuidwestelijke helft van het gebied met de Keelbeekstraat, gelegen tussen het industrieterrein van de Wansonfabrieken, de NMBS-lijn 26/36 en het activiteitengebied genaamd "Millenium" rond de Metrologielaan, wordt bestemd als groengebied met hoogbiologische waarde, - het centrale deel van het huizenblok Kerkeveld, langs de voetweg van de Keelbeek, binnen het dorp, wordt ingeschreven als groengebied, - het noorden van de Ganzenweidestraat, onder het Diaboloproject, behouden blijft als groengebied, - dat het verlaten terreintje aan de Bruulstraat (tussen nr. 78 en nr. 74), eigendom van de Stad Brussel, wordt bestemd als groengebied om hier een speelplein aan te leggen, - het groengebied tussen het terrein van de MIVB, NMBS-lijn 26, NMBS-lijn 36 en de Harenheidestraat behouden blijft;

Dat een andere reclamant vraagt dat een deel van dit laatste gebied wordt bestemd als bebouwbaar gebied;

Overwegende dat talrijke reclamanten bezwaarschriften hebben ingediend betreffende de site van het Avijlplateau te Ukkel;

Dat de site een historisch, landschappelijk, ecologisch, sociaal en educatief belang heeft;

Dat sommigen vragen de hele site als groengebied te bestemmen;

Dat andere reclamanten er voorstander van zijn dat het middendeel van de site als groengebied wordt beschermd, terwijl ze de bestemming als bebouwbaar gebied van de terreinen aan de straatkant steunen, op voorwaarde dat deze voor sociale huisvesting zullen worden gebruikt;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de percelen 366T11, 366B12 en 366L8 van de site van het Wienerklooster, gelegen aan de Wienerstraat nr. 18 tot 34 te Watermaal-Bosvoorde, wegens hun erfgoedkundige belang worden herbestemd als GG in plaats van WG, overeenkomstig hun statuut van beschermd landschap;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de volgende gebieden als groengebied te behouden : - het GG, gelegen aan de Tweehuizenweg te Sint-Lambrechts-Woluwe, - het GG van de Paul-Henri Spaakpromenade, - het GG aan de voet van de talud langs de Neerveldstraat;

Dat een andere reclamant vraagt om een deel van deze gebieden als gebied voor voorzieningen te bestemmen om er parkings aan te leggen;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat deze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in onderhavige wijziging van het GBP;

Dat het groene netwerk het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van het opstellen van het GPDO;

Dat dit nieuwe, groene netwerk zal moeten worden weergegeven in het GBP bij een toekomstige, globale wijziging hiervan;

Dat er bovendien een systematische studie van de groene ruimten van het gewest zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een toekomstige, globale herziening van het GBP;

Dat wat het Avijlplateau betreft, er al een BBP is dat de bebouwbare en de behouden groengebieden bepaalt;

Dat wat de site van het Wienerklooster betreft, de vermelde percelen in de beschermde site geïntegreerd zijn en dat ze op grond hiervan dus al een wettelijke bescherming genieten; b. Groengebieden met hoogbiologische waarde Overwegende dat twee reclamanten een bezwaar hebben kenbaar gemaakt betreffende het groengebied, gelegen in de Ransbeekstraat nabij de site van Solvay in Brussel (NOH); Dat er op het perceel 48 h al sinds de jaren 1960 twee gebouwen staan;

Dat deze twee gebouwen sinds 2004 bestemd zijn voor voorzieningen, aangezien er een crèche in ondergebracht is;

Dat, om de (voor)schoolse voorzieningen te versterken en te voorzien in de bijkomende, collectieve behoeften, wordt overwogen om in de onmiddellijke nabijheid van de eerste twee gebouwen een derde gebouw met een bodemoppervlakte van 75 m2 neer te zetten voor de opvang van 15 tot 20 kinderen;

Dat de huidige bestemming de bouw van dit derde gebouw niet toelaat;

Dat de eerste reclamant vraagt : - enerzijds een deel (3.250 m2) van het kadastraal perceel 48 h, met een oppervlakte van 6.250 m2, dat momenteel groengebied is ingeschreven, wordt ingeschreven in een gebied voor stedelijke industrie, - anderzijds, als planologische compensatie, een deel (3.400 m2) van het kadastraal perceel 50 p, met een totale oppervlakte van 13 000 m2, dat momenteel GG is, in te schrijven in GGHW;

Dat de tweede reclamant vraagt dat dit gedeelte van het groengebied wordt herbestemd als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, eerder dan als gebied voor stedelijke industrie;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de begraafplaats van Dieweg wordt herbestemd als groengebied met hoogbiologische waarde, gezien zijn verandering van bestemming en overeenkomstig zijn statuut van beschermd landschap;

Overwegende dat meerdere reclamanten vragen om de bestemming van volgende terreinen te wijzigen in groengebied met hoogbiologische waarde, ten behoeve van de verbetering van de biodiversiteit : - de site van de Sterrenwacht van Ukkel, - het perceel Coba-Pauwels, - de site van het Pasteur-instituut;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat deze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in onderhavige wijziging van het GBP;

Dat sommige van deze sites als beschermd landschap al wettelijke bescherming genieten;

Dat in het kader van het opstellen van het GPDO een reflectie wordt gevoerd over de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, maar ook ten opzichte van het groene netwerk;

Dat een systematische studie van de groene ruimten van het gewest zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een toekomstige globale herziening van het GBP; c. Parkgebieden Overwegende dat meerdere reclamanten bezwaren kenbaar hebben gemaakt betreffende de wijziging van de bestemming van het terrein in Schaarbeek, gelegen op het binnenterrein van het huizenblok dat wordt gevormd door de Jan Blockxstraat, de Nestor de Tièrestraat, de Helmetsesteenweg en de Lambermontlaan; Dat sommigen vragen het hele gebied als parkgebied te behouden;

Dat anderen vragen om het binnenterrein van het huizenblok als parkgebied te behouden en dat de percelen, gelegen aan de rooilijn, worden bestemd voor voorzieningen;

Overwegende dat de GOC achter de wijziging van bestemming van het gebied in gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten staat;

Dat ze vaststelt dat dit gebied eigendom is van de school, gelegen aan de andere kant van de Jan Blockxstraat;

Dat er al een voorlopige uitbreiding van deze school geïnstalleerd is op een terrein dat aangrenst aan het gebied, gelegen in hetzelfde huizenblok, langs de Haachtsesteenweg;

Dat de GOC benadrukt dat het feit dat het gebied als GV wordt bestemd, niet met zich brengt dat het hele gebied bebouwbaar wordt, aangezien de GSV moet worden nageleefd;

Dat ze eveneens benadrukt dat voorschrift 8 met betrekking tot de gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, voorziet dat de directe omgeving van de gebouwen en installaties bijdraagt tot de realisatie van het groene netwerk;

Dat ze er tot slot de aandacht op vestigt dat deze bestemming de meest aangewezene is om bij te dragen tot de gewestelijke behoeften aan schoolvoorzieningen, terwijl er toch een groen kader wordt behouden in het betreffende huizenblok;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze er de aandacht op vestigt dat deze site eigendom is van de school, gelegen aan de andere kant van de Jan Blockxstraat;

Dat deze school beschikt over een voorlopige uitbreiding, geïnstalleerd op een terrein dat grenst aan het gebied, langs de Haachtsesteenweg;

Dat, wat de GSV betreft, het feit dat het gebied als GV wordt bestemd, niet met zich brengt dat het hele gebied bebouwbaar wordt;

Dat voorschrift 8 betreffende de gebieden voor voorzieningen van collectief belang en voor openbare diensten voorziet dat de gebouwen en installaties bijdragen tot de realisatie van het groene netwerk;

Dat deze bestemming de meest aangewezene is om bij te dragen tot de gewestelijke behoeften aan schoolvoorzieningen, terwijl er toch een groen kader wordt behouden in dit huizenblok;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de volgende sites te bestemmen als gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten : - de site van de onderwijsinstelling, gevestigd in het huizenblok dat wordt gevormd door de Jean Van Lierdestraat, de Obusstraat, de Puccinistraat en de J. Kelchtermansstraat, - het perceel dat opgenomen is in het parkgebied, gelegen op de hoek van de Théo Lambertlaan en de Guillaume Stassartlaan te Anderlecht;

Dat hij beweert dat de bestemming van deze instellingen als parkgebied hun uitbreiding afremt;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de percelen 255 D 4, 255 X 3 en 253 G 11, gelegen in de Transvaalstraat te Anderlecht, worden bestemd als GV;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de groene strook van NOH te consolideren door twee parkgebieden of groengebieden te creëren op de terreinen die zijn eigendom zijn aan de Koning Albertlaan te Brussel;

Overwegende dat een reclamant een vermindering vraagt van de grondinname van het parkgebied op het perceel van De Villa's van Ganshoren, gelegen tussen de Van Overbekelaan en het domein van het kasteel de Rivieren (oude "erfdienstbaarheid van uitzicht" op het kasteel);

Overwegende dat een reclamant vraagt dat de onterechte bescherming van de Simoneaustraat van Elsene als groengebied wordt gecorrigeerd;

Overwegende dat een reclamant de inschrijving van de volgende ruimten als parkgebied vraagt : - het kleine huizenblok tussen de Vlamingenstraat, de Pierre Timmermansstraat, de Walenstraat en de Jettelaan, - de huizenblokken van de site van De Tuinen van Jette, die volledig ingenomen zijn door groene ruimten, - het kleine huizenblok, op de hoek van de Ongenastraat en de Jean-Baptiste Serkeynstraat;

Dat deze twee laatste zijn aangelegd overeenkomstig de geldende BBP;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat het deel van het GGHW, gelegen ten noordoosten van de Zénobe Grammestraat en ten zuiden van de spoorweg, wordt herbestemd als parkgebied;

Dat alleen de bestemming als parkgebied dit gebied zal toelaten om een sociale, recreatieve en pedagogische rol te vervullen;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de kaarten aan te passen om het groengebied met een grote biologische diversiteit van het Ter Bronnenpark te Sint-Pieters-Woluwe te behouden en duidelijk en coherent af te bakenen, in overeenstemming met de feitelijke en de rechtstoestand, hetgeen het ecologische netwerk in de Woluwevallei zal waarborgen;

Dat hij ook vraagt om bebouwing slechts toe te laten aan de straatkant, zonder binnen te dringen in het Ter Bronnenpark, dat overigens erkend is als binnenterrein van hoge kwaliteit;

Overwegende dat een reclamant vraagt om het park van de Vandenhovenstraat als parkgebied te behouden;

Dat een andere reclamant vraagt om een deel van dit parkgebied te bestemmen als gebied voor voorzieningen om er parkings aan te leggen;

Overwegende dat twee reclamanten een bezwaar kenbaar hebben gemaakt betreffende het gebied van de site van de oude spoorlijn, die een groene wandeling geworden is, gelegen in het verlengde van het Stationsplein;

Dat een van hen vraagt om dit gebied als bewoonbaar gebied op te nemen;

Dat de andere reclamant het gebied als groengebied wil behouden;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat deze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in onderhavige wijziging van het GBP;

Dat in het kader van het opstellen van het GPDO een reflectie wordt gevoerd ten opzichte van de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, maar ook ten opzichte van het groene netwerk;

Dat een systematische studie van de groene ruimten van het gewest zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een toekomstige globale herziening van het GBP;

Dat sommige van deze sites al wettelijke bescherming genieten door bescherming als site of via een BBP; d. Gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht Overwegende dat meerdere reclamanten bezwaren kenbaar hebben gemaakt betreffende het huizenblok, gelegen tussen de Tritomasstraat, de Scabiosastraat, de Kerstrozenstraat, de Aartshertogenlaan en de Aartshertogensquare in Watermaal-Bosvoorde; Dat sommige reclamanten vragen dat het perceel niet volledig wordt bestemd als residentieel woongebied, maar dat de boomgroep aan de Aartshertogenlaan en een brede strook aan de achterzijde van de huizen in de Kerstrozenstraat worden bewaard door er groengebied van te maken;

Dat een andere vraagt dat het GSVOL wordt behouden en van mening is dat het vanuit sociaal oogpunt wenselijk is dat het ter beschikking van sportclubs wordt gesteld en dat dit met name de nieuwe bewoners van de wijk ten goede kan komen;

Overwegende dat de GOC vraagt om alleen de aan de straatkant gelegen delen van het gebied, langs de Scabiosastraat en de Tritomasstraat, te bestemmen als woongebied met residentieel karakter;

Dat ze daarentegen vraagt om, voor het middelste deel van het huizenblok met toegang tot de straat, de bestemming als groene ruimte te behouden;

Dat de Commissie opmerkt dat dit gebied momenteel niet in gebruik is;

Dat het omgeven is door bouwwerken langs de Aartshertogensquare en de Kerstrozenstraat en dat het gelegen is in de tuinwijk Floréal, die bestemd is als woongebied met residentieel karakter en zich bijzonder goed leent tot een bestemming die de omgeving respecteert;

Dat het voor de bewoners een goede zaak is dat een deel van het gebied de bestemming als groene ruimte behoudt;

Dat dit gebied zal bijdragen tot het groene netwerk en het mogelijk zal maken om de boomgroep langs de Aartshertogenlaan te behouden;

Overwegende dat het advies van de GOC om de delen van de site, gelegen aan de straatkant, langs de Scabiosastraat en de Tritomasstraat, te bestemmen als woongebied met residentieel karakter en het centrale deel van het huizenblok te bestemmen als parkgebied met toegang tot de straatkant, niet kan worden opgevolgd;

Dat dit niveau van detail niet valt onder het GBP, maar onder een BBP, een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning;

Dat de exacte rand van de grens tussen deze twee gebieden een grondige studie vereist, die niet via de onderhavige, gedeeltelijke wijziging van het GBP kan worden uitgevoerd;

Overwegende dat meerdere reclamanten bezwaren kenbaar hebben gemaakt betreffende het huizenblok gelegen in Oudergem en Watermaal-Bosvoorde tussen de Woudmeesterlaan, de Jean Accentlaan, de René Stevenslaan, de Jean Van Horenbeeklaan en Ten Reuken;

Dat sommige reclamanten zich verzetten tegen de wijziging van de bestemming van het GSVOL;

Dat ze vragen dat, als deze wijziging toch zou worden doorgevoerd, een brede strook van dit perceel wordt bestemd als groengebied om de verbinding tussen deze twee essentiële elementen van het Natura 2000-netwerk niet te verliezen;

Dat op zijn minst de grondinname van de gebouwen aan de straatkant beperkt moet worden en de vegetatie van de rest in het midden van het gebied behouden moet blijven;

Dat de verandering van bestemming in GGHW van het beboste gebied ten zuiden van het GSVOL ook een aanvaardbaar alternatief kan vormen wat betreft het behoud van een ecologische verbindingsgang tussen de Natura 2000-stations;

Overwegende dat de GOC vraagt om alleen de delen van het gebied, gelegen aan de straatkant, langs de Woudmeesterlaan en de Jean Van Horenbeecklaan als woongebied met residentieel karakter te bestemmen;

Dat ze daarentegen vraagt om voor het centrale gedeelte van het huizenblok, met toegang tot de straatkant, de bestemming als gebied voor groene ruimte te behouden;

Dat dit gebied al minstens tien jaar niet meer voor sport- of vrijetijdsactiviteiten wordt gebruikt;

Dat de status van dit gebied te midden van een wijk, bestemd als WGRK, dichtbij het Senypark, het Ten Reukenpark en het Zoniënwoud, dit gebied geschikt maakt voor de bestemming als woongebied met residentieel karakter;

Dat het behoud van een deel van het gebied als gebied voor groene ruimten het mogelijk moet maken een verbinding te behouden tussen het Zoniënwoud en de Wouluwevallei, twee essentiële elementen van het Natura 2000-netwerk;

Overwegende dat het advies van de GOC niet kan worden gevolgd;

Dat er verwezen wordt naar dezelfde opmerkingen als hierboven gemaakt; d. Gebied voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht Gezien de vraag betreffende het gebied voor sport en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht, kadastraal bekend sectie B 25 F, gelegen aan de Léopold De Swaefstraat 27 te Anderlecht, om het te wijzigen in gebied voor voorzieningen van collectief belang, teneinde te kunnen voorzien in de vraag naar schoolgebouwen ingevolge de bevolkingsaangroei; Overwegende dat een reclamant vraagt dat het gebied voor sport en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht, gelegen in het huizenblok tussen de R. Uyttenhovestraat, de Maurice De Moorstraat en de Hoekje Grondstraat, gewijzigd wordt in gebied voor voorzieningen van collectief belang om het te kunnen gebruiken voor voorzieningen van openbaar nut, die de wijk nodig heeft;

Overwegende dat een reclamant vraagt dat enerzijds het niet-beschermde deel van het GSVOL, gelegen aan de Perckestraat in Ukkel, als WGRK wordt opgenomen, met het doel van het ontwerp van GBP om er enkele woningen te creëren; Dat anderzijds de dunne driehoek van hetzelfde gebied als bosgebied bestemd wordt om de zonering van het GBP te laten overeenstemmen met de perceelgrens;

Overwegende dat twee reclamanten bezwaarschriften betreffende het GSVOL aan de Struybekenweg hebben ingediend;

Dat de eerste vraagt dat een gebied voor voorzieningen van collectief belang en van openbare diensten wordt gevestigd in de plaats van het gebied voor sport en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht, met het doel de aanleg mogelijk te maken van een parking, onmisbaar voor de sportactiviteiten op de site van het stadion;

Dat de andere reclamant zich verzet tegen het voornemen om het gebruik van de Fallonparking te bestendigen door een wijziging aan het GBP, door dit gebied voor sport en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht om te vormen tot een gebied voor voorzieningen van collectief belang en van openbare diensten;

Overwegende dat een reclamant vraagt de volgende terreinen te bestemmen als gebied voor sport- en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht : - het voetbalveld gelegen nabij de Mostincklaan, kadastraal bekend sectie B nr.19w, - het hockeyterrein, gelegen in het Parmentierpark, net naast de tennispleinen;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat deze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in de onderhavige wijziging van het GBP;

Dat het ontwerp van het demografisch GBP bij zijn opstelling aan een voorbereidende studie werd onderworpen;

Dat deze studie alle gebieden voor sport en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht geanalyseerd heeft volgens twee criteria, waarvan het eerste het niet-gebruik van deze gebieden voor sportieve doeleinden en het tweede het grondpotentieel van deze gebieden was;

Dat op basis van deze analyse slechts twee gebieden voor sport en vrijetijdsactiviteiten in de open lucht aan de criteria beantwoordden en voor herbestemming werden voorgesteld; e. Bosgebied Overwegende dat een reclamant vraagt om de bestemming van het perceel, gelegen in de Godshuizenlaan nr.35 te Ukkel, gekadastreerd 4e divisie, sectie F, perceel nr. 356x4, te wijzigen in woongebied met residentieel karakter;

Dat niets wijst op een bosfunctie van het perceel;

Overwegende dat een andere reclamant vraagt dat een deel van het perceel, gelegen op sectie F nr. 356a, gedeelte dat uitkomt op de Godshuizenlaan te Ukkel, als woonzone bestemd wordt in plaats van als groene ruimte;

Dat dit gedeelte van het perceel uitkomt op een uitgeruste weg en gelegen is tussen bestaande bouwwerken;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat ze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in de onderhavige wijziging van het GBP;

Dat een systematische studie van de groene ruimten van het gewest zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een toekomstige globale herziening van het GBP; f. Landbouwgebieden Overwegende dat een reclamant vraagt om de bestemming van het perceel, gelegen naast het nr.45 van de Scherdemaelstraat te Anderlecht en gekadastreerd 8e divisie, sectie H 93, te wijzigen in woongebied met residentieel karakter;

Dat de andere percelen in de omgeving allemaal als WGRK bestemd zijn;

Dat deze bestemming de reclamant in staat zou stellen om een stedenbouwkundige vergunning te krijgen om een huis te bouwen;

Overwegende dat een reclamant vraagt om de bestemming van het perceel, gelegen op sectie H nr. 98f, met een oppervlakte van 22a 08ca, te wijzigen in bebouwbaar gebied;

Dat dit perceel gelegen is aan een volledig uitgeruste weg, tussen en tegenover bestaande woningen;

Overwegende dat de GOC van oordeel is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze niettemin vraagt dat ze worden geanalyseerd in het GPDO en het GBP dat eruit zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet kadert in onderhavige wijziging van het GBP;

Dat een systematische evaluatie van de bestemmingen zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een toekomstige globale herziening van het GBP; 3.3.9. Overige delen van het grondgebied a. Grondreservegebied Overwegende dat een reclamant het betreurt dat het ontwerp ter gedeeltelijke wijziging van het GBP niet voorziet om de bestemming van het Vorsterieplateau, het laatste grondreservegebied van het Gewest, te wijzigen, in tegenstelling tot wat het MER aanbeveelt;dat hij vraagt om de driehoek `Van Kerm' als woongebied te bestemmen en anderzijds een nieuw GGB voor het Vorsterieplateau te creëren;

Overwegende dat de GOC van mening is dat de reflectie betreffende de bestemming van het grondreservegebied in het kader van het GPDO moet worden gevoerd; dat ze in dit opzicht suggereert om het noordelijk gedeelte van het terrein, de driehoek `Van Kerm' genoemd, te bestemmen als woongebied en de rest als groengebied met hoogbiologische waarde;

Overwegende dat het MER een eventuele wijziging van het voorschrift betreffende het grondreservegebied heeft bestudeerd, zonder deze aan te bevelen, en een eventuele herbestemming van deze zone als GGB vermeldt, opnieuw zonder deze aan te bevelen; dat de passages van het MER, gewijd aan het grondreservegebied, evenwel vergezeld gaan van de vermelding "wijziging niet weerhouden door het ontwerp ter wijziging van het GBP";

Dat, zoals door het MER wordt benadrukt, het grondreservegebied zal kunnen worden bebouwd als de noodzaak van de bestemming is bekrachtigd door de regering, ten gevolge waarvan er BBP zullen moeten worden opgesteld overeenkomstig de bijzondere voorschriften die op sterk gemengde gebieden van toepassing zijn;

Dat de eventuele verstedelijking van het grondreservegebied dus geen voorafgaande herbestemming van het voorschrift van deze zone voor het GBP vereist;

Dat, aangezien het gaat om het laatste grondreservegebied en gezien de gedeeltelijke integratie in het Natura 2000-netwerk en de potentiële gevolgen van deze integratie op de zijn ontwikkeling, de regering het bovendien verkiesbaar heeft geacht om het grondreservegebied niet te wijzigen in het kader van deze gedeeltelijke wijziging van het GBP; 3.3.10. Gebieden in overdruk a. Gebied van culturele, historische of esthetische waarde of voor stadsverfraaiing Overwegende dat talrijke reclamanten vragen om de gebieden van culturele, historische of esthetische waarde of voor stadsverfraaiing uit te breiden omwille van hun erfgoed, architectonische of landschappelijke waarde; Dat een andere reclamant vraagt om een deel van het GCHEWS te schrappen;

Dat de GOC van mening is dat deze vragen niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze evenwel vraagt dat ze worden gecontroleerd in het GBP dat op het GPDO zal volgen;

Overwegende dat de Regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet onder onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat een systematische studie zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een globale revisie van het GBP; b. Lint voor handelskern Overwegende dat talrijke reclamanten vragen de bepaalde linten voor handelskernen te beperken omwille van het erfgoed; Dat andere reclamanten de opheffing van bepaalde linten voor handelskernen vragen;

Dat nog anderen vragen om nieuwe linten voor handelskernen toe te voegen met het oog op overeenstemming met de bestaande situatie;

Dat de GOC van mening is dat de bovengenoemde bezwaren niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze evenwel vraagt dat deze worden gecontroleerd in het GBP dat op het GPDO zal volgen;

Overwegende dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet onder onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat het gewestelijke beleid voor commerciële ontwikkeling het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van de opstelling van het GPDO;

Dat een systematische evaluatie van de linten voor handelskernen zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een globale revisie van het GBP; c. Winkelgalerij Overwegende dat een reclamant vraagt dat er een "G" wordt geplaatst ter hoogte van de winkelgalerij, gelegen aan de Liebrechtlaan 72-76 te Jette; Dat een andere reclamant vraagt dat de bestemming van het winkelcentrum Stockel Square, gelegen aan de Kerkstraat 96-98 te Sint-Pieters-Woluwe, bevestigd wordt door de "G" uit te breiden tot de volledige site, met inbegrip van het hele aangrenzende perceel (kadastraal perceel sectie D, nr. 67T), uit te breiden;

Dat de GOC van mening is dat de bovengenoemde bezwaren niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze evenwel vraagt dat ze worden gecontroleerd in het GBP dat op het GPDO zal volgen;

Dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet valt onder de onderhavige wijziging van het GBP;

Dat het gewestelijke beleid voor commerciële ontwikkeling het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van de opstelling van het GPDO;

Dat een systematische evaluatie van de winkelgalerijen zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een globale revisie van het GBP; d. Punt van wisselend gemengd karakter Overwegende dat een reclamant vraagt dat een punt van wisselend gemengd karakter wordt toegevoegd op het goed, gelegen aan de Léon Theodorstraat 109 te Jette, gezien de bestaande toestand, de bestaande bestemmingen en bouwwerken op het binnenterrein van het huizenblok; Dat de GOC van mening is dat dit bezwaar niet kadert in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze evenwel vraagt dat het wordt gecontroleerd in het GBP dat op het GPDO zal volgen;

Dat de Regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vraag niet onder onderhavige wijziging van het GBP valt;

Dat een systematische evaluatie van de bestemmingen zal moeten worden uitgevoerd in het kader van een globale revisie van het GBP; e. Overstapparking Overwegende dat een reclamant vraagt dat een "P" wordt geplaatst op het gebied voor voorzieningen van collectief belang en van openbare diensten van het UZ Brussel te Jette; Dat een andere vraagt dat twee overstapparkings worden aangelegd, een ter hoogte van het viaduct van de Drie Fonteinen, de andere op het grondgebied van de gemeente Oudergem, in de nabijheid van Jezus-Eik;

Dat nog een andere vraagt om de "P" van de overstapparking van de Moensberg langs de Bourdonstraat aan te brengen;

Dat de GOC van mening is dat de bovengenoemde bezwaren niet kaderen in de wijzigingen, voorgesteld in het ontwerp van GBP;

Dat ze evenwel vraagt dat deze worden gecontroleerd in het GBP dat op het GPDO zal volgen;

Dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat deze vragen niet vallen onder onderhavige wijziging van het GBP;

Dat het gewestelijke beleid inzake parkeerterreinen en mobiliteit het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van de opstelling van het GPDO;

Dat het parkeerbeleid overigens het voorwerp vormt van een plan, uitgevoerd op gewestelijk niveau, dat desgevallend in een toekomstige globale wijziging van het GBP zal worden weergegeven;

Overwegende dat meerdere reclamanten bezwaren geuit hebben betreffende de parking van Roodebeek in het huizenblok, gelegen tussen de Paul-Henri Spaakpromenade, de Roodebeeksteenweg, de Spirulinelaan en de Jacques Brellaan in Sint-Lambrechts-Woluwe;

Dat de fout die het demografische GBP wil rechtzetten bijgevolg niet alleen betrekking heeft op de plaats van de "P" in overdruk, maar ook op de bestemming van het huizenblok als "gebied voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten" in plaats van "typisch woongebied";

Dat de MIVB vraagt om dit huizenblok als OGSO te bestemmen, wat perspectieven opent voor andere bestemmingen die beter verenigbaar zijn met een pool van openbaar vervoer boven een ondergrondse overstapparking;

Dat de bestemming van de parking van Roodebeek als overstapparking of ontradingsparking niet verenigbaar is met haar ligging in het midden van het stedelijke weefsel;

Dat een betere locatie zou zijn nabij de E40 of de ring, of anders, ter hoogte van het metrostation Kraainem;

Dat deze openbare parking - die geen overstapparking is - bijgevolg toegankelijk moet blijven om te voorzien in de behoeften, verbonden aan de activiteiten van de site van Wolubilis en de huisvestingsprojecten in de omgeving;

Dat de GOC deze verzoeken niet gegrond acht en dat het niet aangewezen is om dit gebied, waarop de "P" in overdruk staat, verder te specifiëren;

Dat het GBP 2001 deze parking per vergissing vermeldde in het aangrenzende huizenblok tussen de Paul Hymanslaan, de Jacques Brellaan en de Neerveldstraat;

Dat de aangebrachte wijziging slechts tot doel heeft deze fout recht te zetten;

Dat de regering het advies van de GOC volgt in de zin dat de wijziging van het GBP slechts tot doel heeft deze fout recht te zetten;

Dat er geen reden is om het gebied, waarop de "P" in overdruk staat, verder te specifiëren;

Dat voor het GBP een overstapparking of een pool voor openbaar vervoer kan worden overwogen, evenals voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;

Dat voorschrift 0.7. voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten toelaat in alle gebieden, met inbegrip van woongebieden;

Dat de aanleg van een parking niet onverenigbaar is met een toekomstige urbanisatie van het huizenblok;

Dat het gewestelijke parkeer-en mobiliteitsbeleid het voorwerp vormt van een reflectie in het kader van de opstelling van het GPDO; 4. Milieueffectenrapport 4.1. Algemeenheden Overwegende dat sommige reclamanten van oordeel zijn dat het MER interessante informatie bevat, maar op bepaalde punten onvolledig is;

Dat andere reclamanten en gemeentes van oordeel zijn dat het document slecht gestructureerd en moeilijk leesbaar is;

Overwegende dat sommige reclamanten menen dat de aanbevelingen te algemeen zijn;

Dat een andere reclamant betreurt dat het MER geen alternatieven biedt op het vlak van ontwikkelingsmogelijkheden van programma's voor economische activiteiten in andere gebieden van het plan;

Dat de gemeente Anderlecht betreurt dat de niet-technische samenvatting geen cijfers bevat van de economische en sociale gegevens om de doorgevoerde territoriale wijzigingen te belichten;

Overwegende dat de GOC betreurt dat het MER niet erg gestructureerd en moeilijk leesbaar is, wat een belemmering kon vormen voor een goed begrip van het ontwerp.

Dat de GOC eraan herinnert dat het MER tot doel heeft de milieueffecten van het ontwerpplan te beoordelen, teneinde deze te voorkomen of te verzachten, en dat de inhoud van een MER is vastgelegd in bijlage C bij het BWRO. Dat het MER niet tot doel heeft de haalbaarheid te onderzoeken bijvoorbeeld met betrekking tot het economische ontwikkelingspotentieel van het gewest, zoals bepaalde reclamanten vragen.

Dat dergelijke studies weliswaar noodzakelijk zijn, maar elders onderzocht moeten worden, meer bepaald bij de studies voorafgaand aan de opstelling van het ontwerp van plan;

Overwegende dat de Regering de mening van de GOC deelt wat betreft de reikwijdte van het MER dat niet als haalbaarheidsstudie bestemd is;

Dat wat betreft de leesbaarheid van het document, de niet-technische samenvatting de voornaamste effecten van het plan samenvat en begrijpelijker is bij het openbaar onderzoek;

Dat de niet-technische samenvatting, om zijn synthetiserend karakter te behouden, niet alle gegevens van het hoofdrapport kan overnemen en dus bepaalde cijfergegevens niet weergeeft. 4.2. Lucht - Energie Overwegende dat sommige reclamanten menen dat de analyse van het MER ontoereikend is wat betreft Lucht, Energie en Klimaat;

Overwegende dat de GOC het normaal vindt dat de analyse van het MER inzake lucht en energie algemener van aard is, aangezien het GBP geen directe bouwvormen en -dichtheden oplegt voor de bebouwbare gebieden;

Dat de effecten van de wijzigingen van de bodembestemming wat betreft energieverbruik bijvoorbeeld slechts geraamd kunnen worden, zonder vooruit te lopen op de typologie van de gebouwen die hier daadwerkelijk zullen worden neergezet;

Dat het MER derhalve een algemene analyse omvat en aanbevelingen inzake typologie en dichtheid met het oog op een zo laag mogelijk energieverbruik van de gebouwen;

Dat de precieze effecten op het vlak van energie en luchtkwaliteit moeten worden geanalyseerd op lagere niveaus, bijvoorbeeld op het niveau van de BBP of de projecten;

Dat de GOC niettemin betreurt dat het hoofdstuk Lucht-Klimaat van het MER niet voldoende rekening gehouden heeft met de impact van de verplaatsingen veroorzaakt door de veranderingen van bodembestemming op de energieconsumptie en de luchtkwaliteit;

Overwegende dat de Regering de mening van de GOC deelt;

Dat ze er evenwel op wijst dat de effecten m.b.t. het verkeer verbonden aan de veranderde bodembestemming onderzocht werden in het hoofdstuk mobiliteit van het MER; 4.3. Water Overwegende dat enkele reclamanten van mening zijn dat water in het MER wordt behandeld als een volkomen marginaal punt, dat enkel aandacht wordt besteed aan de gebieden die vandaag problemen kennen;

Dat de RLBHG en enkele reclamanten menen dat het MER de kwestie van het water enkel benadert vanuit het oogpunt `leidingen en verzamelleidingen', en geen duurzamere alternatieven voorstelt zoals werd gevraagd door de Staten-Generaal van het Water in Brussel;

Overwegende dat de GOC betreurt dat de kwestie van het waterbeheer in het MER niet onderzocht is uit een meer duurzaam oogpunt;

Overwegende dat het MER, voor elke GBP-wijziging, de volgende aspecten beschrijft : hydrografie, historiek van de overstromingen, insijpelingspotentieel, openbare riolering, leidingwater en ondoordringbaarheid;

Dat het MER een analyse maakt van de effecten van de wijzigingen op de ondoordringbaarheid en dus ook op het afstromend water, maar ook ten opzichte van het veranderde gedrag gekoppeld aan de veranderde functies;

Dat de aanbevelingen in het MER de brug slaan met de doelstellingen van het waterbeheersplan en het regenplan die beide een duurzaam waterbeheer nastreven; 4.4. Geluidshinder Overwegende dat een reclamant betreurt dat het MER geen maatregelen voorstelt om geluidshinder te verminderen aan de bron;

Overwegende dat de GOC dat eveneens betreurt;

Overwegende dat de aanbevelingen in het MER zowel aanbevelingen bevatten voor de isolatie van gebouwen, maar ook voor de inperking van geluidshinder bij de bron, zoals - voor het spoorverkeer - het gebruik van akoestisch performant rollend materieel, een snelheidsbeperking op het treinverkeer of ook de invoering van stille wissels;

Overwegende dat de gemeente Vorst betreurt dat het MER geen normen aangaande de geluidshinder in de OGSO voorstelt;

Overwegende dat de Commissie erop wijst dat het MER wel geluidsnormen voorstelt. In het rapport wordt aangeraden om in OGSO de waarden toe te passen die gelden voor geluidszone 4, zoals in de GGB en SGG;

Overwegende dat de Regering de mening van de GOC bijtreedt, dat de Regering parallel met de inwerkingtreding van de wijziging van het GBP zal overgaan tot de herziening van de volgende besluiten die verwijzen naar de zone-indeling in het GBP : - het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen de geluids- en trillingenhinder voortgebracht door ingedeelde inrichtingen, - het besluit van 21 november 2002 betreffende de strijd tegen het buurtlawaai, - het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van de saneringsnormen en interventienormen inzake bodemverontreiniging; 4.5. Bodemverontreiniging Overwegende dat, volgens een reclamant, bodemverontreiniging het enige milieuprobleem is dat in het MER op een ernstige manier wordt behandeld;

Overwegende dat de Commissie van mening is dat de bodemverontreiniging een cruciaal probleem is voor de ontwikkeling van het gewest en het feit waardeert dat het MER een grondige analyse van dit aspect bevat;

Overwegende dat de Regering akte neemt van deze positieve beoordeling tijdens het openbaar onderzoek en door de GOC. 4.6. Erfgoed Overwegende dat een reclamant opmerkt dat de lijst van interessant erfgoed die in het MER is gerealiseerd niet altijd volledig is, met name voor de OGSO Erasmus en Biestebroeck;

Overwegende dat de GOC deze vergetelheden betreurt en eraan herinnert dat ze verzocht heeft om gedetailleerde inventarissen van het industriële erfgoed in het kader van de realisatie van de OGSO;

Overwegende dat het erfgoed in het MER aan bod komt in de vorm van een gedetailleerde voorbereidende inventaris, gevolgd door aanbevelingen om de voornaamste krachtlijnen uit te zetten voor de erfgoedomgeving;

Dat deze voorbereidende inventaris echter niet kan gelden als een gedetailleerd erfgoedonderzoek dat wel gevoerd kan worden bij de uitvoering van projecten in de OGSO; 4.7. Mobiliteit Overwegende dat meerdere reclamanten van oordeel zijn dat de rol van de personenwagen in verhouding tot de "actieve vervoerwijzen" overschat wordt;

Overwegende dat de GOC betreurt dat het gebruik van personenwagens overschat is in het MER;

Dat ze ook betreurt dat er in het MER niet ingegaan wordt op de kwestie van het goederenvervoer, met name het vervoer naar de nieuwe bebouwbare gebieden (meer bepaald de OGSO's, en het gebruik van innoverend actief vervoer op dit gebied);

Overwegende dat het MER uitging van tendentiële en dus relatief voorzichtige modale verdelingen om de door de wijziging van het GBP geïnduceerde verplaatsingen te ramen;

Overwegende dat gezien de macro-economische invalshoek en de onzekerheid over eventuele programma's, het slechts om ramingen gaat en niet om nauwkeurige en uitvoerige cijfers;

Dat de toegepaste modale verdelingen bijgevolg de effecten op de mobiliteit inschat vanuit een "pessimistisch" scenario;

Dat deze keuze aansluit op het voorzichtigheidsprincipe;

Dat dit echter niet impliceert dat de wijzigingen van het GBP daadwerkelijk dat geraamde verkeer met zich mee zal brengen;

Dat de aanbevelingen in het MER op het vlak van mobiliteit nu net bedoeld zijn om het aandeel van de verplaatsingen met het openbaar vervoer te doen toenemen en de actieve vervoermiddelen te ontwikkelen;

Dat in het MER bepaalde effecten op het goederentransport geanalyseerd werden wanneer dat pertinent bleek, meer bepaald voor de OGSO Biestebroek; 4.8. BBP Overwegende dat de gemeentes Ganshoren, Oudergem, Schaarbeek en Anderlecht vragen dat het MER de implicatie van de wijziging van het GBP op de bestaande BBP onderzoekt, met name het geval van de impliciete opheffingen;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat het de taak van de gemeentes is om na te gaan of hun BBP in strijd zijn met het GBP en deze zo nodig te herzien;

Dat ze ook herinnert aan omzendbrief nr. 15 die de regels bepaalt die moeten worden gevolgd in het geval van impliciete opheffingen;

Overwegende dat de Regering het met de GOC eens is; Dat er wordt verwezen naar de opmerkingen in deel 3.4.1 betreffende de AG en naar de toepassing van omzendbrief nr. 15;

Overwegende dat een reclamant van mening is dat het MER de effecten van de opheffingen van de BBP, die als gevolg van de wijziging van voorschrift 7.1 huisvesting zouden verbieden in een administratiegebied, niet heeft onderzocht;

Overwegende dat de GOC deze vraag als pertinent beschouwt en de Regering vraagt om de gevolgen van de wijziging van voorschrift 7.1. voor de bestaande BBP te verduidelijken;

Overwegende dat de Regering in de motivering van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP toelichtte dat de wijziging van voorschrift 7 "bovendien tot gevolg heeft dat bijzondere bodembestemmingsplannen waarin huisvesting niet wordt toegestaan in de bedoelde gebieden impliciet opgeheven worden";

Dat er wordt verwezen naar de opmerkingen in deel 1.5 Gevolgen van het ontwerp van GBP op de bestaande BBP; 4.9. Potentieel aantal gecreëerde woningen Overwegende dat de Stad Brussel en een reclamant vragen dat het MER een raming geeft van het aantal woningen dat potentieel kan worden gecreëerd gezien de gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Overwegende dat de GOC van mening is dat het aantal woningen dat potentieel kan worden gecreëerd, moeilijk te schatten is, aangezien het GBP de kwestie van de dichtheid en de bouwprofielen niet regelt.

Dat ze toch vraagt om een schatting te maken in het kader van de richtschema's en/of BBP voor de realisatie van de OGSO;

Overwegende dat, zoals de GOC aanstipt, het potentieel gecreëerde aantal woningen moeilijk geschat kan worden, aangezien de kwestie van de dichtheid en de bouwprofielen niet in het GBP geregeld worden;

Dat, mits een vergelijkbare oefening als deze die voorafging aan het vooronderzoek voor het GBP dat het potentieel aan Brusselse grondreserve en het huisvestingspotentieel daarvan raamde; gebaseerd op redelijke hypotheses die steunen op gemiddelde woningdichtheden per hectare naargelang van het type van grondgebied; en in de wetenschap dat van de 207 ha aan OGSO die bij de wijziging van het BGP betrokken zijn, een deel bestemd moet blijven voor andere bestemmingen, kan het door de wijziging van het GBP gecreëerde huisvestingspotentieel op meer dan 20 000 bijkomende inwoners geschat worden;

Dat dit potentieel slechts een raming is in het voorbereidende onderzoek, maar toch een tamelijk duidelijk beeld geeft van de huisvestingsmogelijkheden geboden door het GBP;

Overwegende dat een reclamant van mening is dat het MER geen aanbevelingen zou moeten geven over het soort te creëren huisvesting, gezien het BWRO, niet toelaat om de soorten woningen te onderscheiden in het GBP;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat ze zou willen dat op termijn het GBP een onderscheid kan maken tussen de types woningen in de voorschriften;

Overwegende dat eraan dient herinnerd dat het krachtens het BWRO inderdaad niet toegestaan is om de verschillende woningtypes te onderscheiden in de voorschriften;

Dat dit evenwel niet belet dat er in het MER aanbevelingen gedaan worden m.b.t. het type van te bouwen woningen wanneer er concrete projecten worden uitgevoerd; 4.10. Voorbereidende studies Overwegende dat de Stad Brussel vraagt dat het MER als bijlage de voorbereidende studies opneemt die in het MER zijn vermeld (overzicht van de productieactiviteiten, GOMB-studie ter bepaling van de behoeften aan oppervlakte voor productieactiviteiten, studie ter bepaling van de drempel van 10 000 m² voor de verplichting van gemengdheid...);

Overwegende dat de GOC het van primordiaal belang acht dat alle studies waarop het ontwerpplan gebaseerd is, toegankelijk zijn voor het publiek;

Overwegende dat de meeste gegevens van de bedoelde studies samengevat worden in het MER;

Overwegende dat het Overzicht van de productieactiviteiten, waaruit de gegevens betreffende de ondernemingen werden overgenomen, voor het publiek beschikbaar is en op de website van het BROH gedownload kan worden; 4.11. GGB - GGBUA Overwegende dat bepaalde reclamanten menen dat het MER lacunes vertoont inzake : - de sociaal-economische gevolgen van de aanbeveling voor sociale gemengdheid in de woningen gepland in GGB 6-B; - het ecologische belang van de bestaande plantengemeenschappen in het GGB 6 en op de site van Schaarbeek Vorming;

Overwegende dat de GOC deze lacunes betreurt;

Overwegende dat het MER aangeeft dat er in de wijken rond de site Thurn en Taxis een tamelijk beperkt verhouding sociale woningen bestaat;

Dat op basis van die vaststelling aanbevolen wordt om een reële vermenging te ontwikkelen in de woningen die op de site gebouwd zullen worden en die zowel openbare als private woningen zullen bevatten;

Dat het MER wijst op de aanwezigheid van interessante natuurlijke ruimtes bestaande uit bermen, braakliggende terreinen en bosjes tussen de spoorlijnen;

Dat er ook vermeld wordt dat terwijl GGB 6b mineraal verhard is, GGB 6a momenteel deels braak ligt en dat de plantengroei op dat deel ontwikkeld kan worden; 4.12. Heizel en transregionale effecten Overwegende dat meerdere reclamanten, onder wie de gemeente Grimbergen en Asse, net als de provincie Vlaams-Brabant, bezorgd zijn over de gevolgen voor de mobiliteit van de ontwikkeling van het Heizel-plateau;

Dat deze reclamanten op enkele gebreken in het MER wijzen : - parking T wordt in het MER verkeerdelijk aangeduid als "openbaar en gratis (behoudens reservatie)"; - het MER zich baseert op de hypothese van de verbreding van de Ring om de bereikbaarheid van de site aan te tonen; - de gebruikte gegevens (tellingen) dateren van 2007); - de fileproblemen op de A 12 en het sluipverkeer langs Grimbergen worden onderschat; - er wordt te weinig aandacht besteedt aan de bereikbaarheid per fiets (met name het project "fietsGEN"), net als aan de bereikbaarheid van de site met het openbaar vervoer voor de naburige Vlaamse gemeentes; - de kwestie van de parkings wordt onvoldoende behandeld; - het MER houdt geen rekening met inrichtingen voor parking C voorzien in het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan van het VSGB; - het MER biedt geen alternatief of oplossing voor de mobiliteitsproblemen die zullen worden veroorzaakt door het creëren van een winkelcentrum; - de analyse van de effecten van de bestemmingswijzigingen op het Heizelplateau m.b.t. de luchtkwaliteit en het klimaat verwijst naar een algemene analyse en doet geen onderzoek naar de mogelijke grensoverschrijdende effecten van de uitstoot veroorzaakt door het wegverkeer; - de theoretische capaciteit voor de wegen vermeld in het MER zou onvoldoende zijn voor de Ring (3 rijstroken), vooral niet om de gevraagde capaciteitsverhoging te kunnen verwerken;

Dat de gemeente Grimbergen vraagt om de effecten op de handelszaken op haar grondgebied in het MER te vermelden;

Dat de gemeente Asse van mening is dat het Neo-project een negatieve impact zal hebben op de kleine handelszaken in het gebied (Asse, Vilvoorde...);

Dat de provincie Vlaams-Brabant meent dat de grensoverschrijdende negatieve effecten van het Neo-project onvoldoende werden bestudeerd in het MER;

Dat de provincie Vlaams-Brabant de analyse van het MER volgens welke 7 handelspolen met gewestelijke uitstraling de negatieve effecten van het project zouden voelen niet deelt;

Dat de provincie Vlaams- Brabant en de Gemeente Asse betreuren dat de aanbeveling in het MER om de handel te differentiëren niet wordt vertaald in het programma van het GGB, noch op enige andere manier;

Dat het Vlaams Gewest oordeelt dat het MER de omvang van de grensoverschrijdende effecten en de interacties met een aantal ontwikkelingen waartoe het Vlaams Gewest heeft besloten niet voldoende benadrukt en dat het vraagt om met die ontwikkelingen rekening te houden;

Dat het Vlaams Gewest van mening is dat de ontwikkelingen van de sites Delta en Heizel een impact zullen hebben op het vlak van territoriale ontwikkeling, toenemende mobiliteitsvraag en andere milieuaspecten voor de beide gewesten;

Dat het MER een aantal aspecten naar voor schuift die een wederzijds en regelmatig overleg vereisen tussen de beide gewesten (parking C, plan van De Lijn, optimalisering van de Ring, ...);

Dat het Vlaams Gewest ook vraagt dat een correcte raming (meer bepaald gebaseerd op de gegevens van het Vlaamse mobiliteitscentrum) van de geïnduceerde verplaatsingen op de wegen, maar ook van het openbaar vervoer, en hun impact op de lengte en lokalisatie van de files, aan het dossier wordt toegevoegd;

Dat het Vlaams Gewest evenwel erkent dat de werkelijke impact slechts kan worden berekend op het niveau van het project, en dat bijgevolg een overleg moet worden georganiseerd over de twee strategische gebieden Delta en Heizel;

Overwegende dat de GOC deze bekommernissen deelt.

Dat ze aanraadt om het intergewestelijke overleg te ontwikkelen en studies te realiseren in samenwerking met het Vlaamse Gewest over de volgende aspecten : - de sociaaleconomische gevolgen van de gelijktijdige ontwikkeling van nieuwe ontwerpen van winkelcentra die gepland zijn door de twee gewesten (Uplace, JUTS en Neo); - de gevolgen op het vlak van mobiliteit van de plannen en projecten van de twee Gewesten (uitbreiding van de Ring, Neo, VSGB, ontwikkeling van het openbaar vervoer enz.);

Overwegende dat het MER (deel 1) de wisselwerkingen onderzoekt tussen het ontwerp van wijziging van het GBP en het ruimtelijke uitvoeringsplan (RUP) voor het Vlaamse stedelijke gebied rond Brussel (VSGB);

Dat er in het MER gewezen wordt op het feit dat de in het ruimtelijk uitvoeringsplan geplande ontwikkelingen (conversie van parking C, Uplace) aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de mobiliteit op plaatsen in het gebied die nu al verzadigd zijn (R22, N1, N211 en R0, A12), wet het verkeer rond de Heizel kan bemoeilijken;

Dat het MER aanstipt dat het gemengde project gepland voor parking C toch voorziet om de huidige capaciteit van deze parking te behouden;

Dat wat betreft de hypothetische uitbreiding van de Ring waartegen het Gewest gekant is, het MER geen standpunt inneemt en in de analyse preciseert dat "het niet de taak is van het huidige onderzoek om te oordelen of het al dan niet aangewezen is om de Ring uit te breiden";

Dat de toegankelijkheid van de site voor de actieve vervoermiddelen in het MER beschreven wordt aan de hand van een kaart met daarop de fietsroutes in de omgeving van de site;

Dat het MER echter niet uitvoerig is op dat vlak en er bij het project nauwkeuriger analyses noodzakelijk zullen zijn;

Dat de in het MER gebruikte gegevens (tellingen) de meest recent beschikbare (2008) waren op het moment van de studie;

Dat gezien de aard van het GBP, dat de bodembestemming regelt maar niet de volumes of de dichtheid van de projecten die zullen worden uitgevoerd, bepaalde effecten alleen geraamd en niet nauwkeurig volgens een model berekend kunnen worden;

Dat nauwkeurige analyses uitgevoerd moeten worden op projectniveau;

Dat dit meer bepaald van toepassing is voor de uitstoot van polluenten en broeikasgassen, het aantal parkeerplaatsen of de effecten op de files;

Dat wat betreft de effecten gekoppeld aan de aanwezigheid van een winkelcentrum op de Heizel, de analyse in het MER gebaseerd is op de invloedsgebieden van de andere polen in het Brusselse en in het Vlaamse Gewest;

Dat handelspolen die producten aanbieden waarvan de kwaliteit en hoeveelheid mogelijk gelijkwaardig zijn met de producten die op de Heizel verkocht zullen worden als concurrentie beschouwd werden;

Dat, in deze hypothese, de stadscentra van de naburige gemeentes in de provincie Vlaams-Brabant bijgevolg niet als concurrentie gezien worden;

Dat de exacte omvang van deze effecten in dit stadium onmogelijk exact becijferd kan worden, in die zin dat er voor de Heizel nog geen handelsproject is vastgelegd;

Dat er toch aanbevelingen (meer bepaald i.v.m. differentiatie) geformuleerd werden om die effecten in te perken;

Dat evenwel het MER werd aangevuld om de impact van de aanwezigheid van een winkelcentrum in de handelskernen van de gemeenten grenzend aan Vlaams Brabant uitvoeriger te analyseren;

Dat deze studie bevestigt dat een winkelcentrum zoals is voorzien op het Heizelplateau slechts een beperkte impact zou hebben op de lokale handel van de omliggende gemeenten, gezien de differentiëring : het winkelcentrum op de Heizel zal vooral gericht zijn op bestemmingshandel, in sommige gevallen op aspecten die nog niet aanwezig zijn in Brussel, en weinig of niet op de buurthandel;

Dat uit deze analyse blijkt dat enkel de handelspool van de gemeente Wemmel een lichte impact zou kunnen ondergaan van de aanwezigheid van een winkelcentrum op de Heizel;

Overwegende ten slotte dat de Regering de GOC bijtreedt aangaande de noodzaak om het intergewestelijk overleg uit te bouwen en studies uit te voeren in overleg met het Vlaams Gewest; dat in die zin de drie Gewesten overigens onlangs een informatieforum ruimtelijke ordening hebben opgericht om permanent gegevens te kunnen uitwisselen; 4.13. Delta Overwegende dat de gemeente Elsene opmerkt dat de berekeningen van de verplaatsingen die worden geïnduceerd door een gemengde verstedelijking van het zuiden van de site, opgenomen op p. 68 van het MER, blijkbaar onvolledig zijn aangezien ze geen rekening houden met een toename van het aantal inwoners;

Overwegende dat de GOC eraan herinnert dat ze voorstander is van een status-quo op dit gebied zolang er geen globale studie gemaakt is.

Overwegende dat het MER uitgaat van de hypothese van de ontwikkeling van 45 000 m² aan woningen voor het scenario van een gemengde verstedelijking van het zuiden van de site;

Dat er evenwel een fout geslopen is in de tabel op blz. 168 die geen rekening houdt met de toename van het aantal inwoners;

Dat de Regering de GOC bijtreedt en verwijst naar de opmerkingen in deel 1.1 Delta, meer bepaald naar de beslissing van de Regering om "Delta Zuid" als GGB te bestemmen;

Overwegende dat een reclamant de bewering van het MER - "Momenteel heeft de site geen grote ecologische waarde"" in twijfel trekt;

Overwegende dat de GOC opmerkt dat de spoorwegtaluds een zeker belang hebben als ecologische verbinding;

Overwegende dat in het MER wordt aangenomen dat het gebied momenteel bestaat uit braakliggende zones met struikbegroeiing en een stuk grond waar grasachtigen woekeren die momenteel geen grote ecologische waarde hebben, maar die mits specifieke inrichtingen van betekenis kunnen zijn in het plaatselijke ecologische net;

Overwegende dat de gemeente Elsene opmerkt dat het MER (met name op p. 27 en 47) verwijst naar een "park van de Pleincampus", terwijl in het richtschema dat wordt uitgewerkt geen enkel park is voorzien;

Overwegende dat de GOC nota neemt van deze opmerking;

Overwegende dat het MER verwijst naar het momenteel boomrijke kader van de Pleincampus (ULB-VUB), maar dit inderdaad geen echt park is; 4.14. Bijzondere voorschriften Overwegende dat de Stad Brussel opmerkt dat de bewering van het MER, volgens welke de wijziging van voorschrift 4.4. de grondwaarde zou verhogen (vol 1, p. 412), niet gestaafd is. De wijziging van het voorschrift vermindert immers de mogelijkheden om kantoren te creëren en legt op dat er voorzieningen moeten worden gecreëerd;

Overwegende dat de GOC erop wijst dat de huisvesting vandaag een sterke functie is, op dezelfde wijze als de kantoren en dat de verplichting inzake voorzieningen minimaal is (5 %);

Overwegende dat de Regering zich bij de mening van de GOC aansluit;

Overwegende dat het BIM van mening is dat het MER de risico's verbonden aan een toename van het aantal inwoners in de SGG onvoldoende heeft bestudeerd;

Overwegende dat een reclamant van mening is dat het MER de effecten van de wijziging van voorschrift 8, op het feit dat de meeste terreinen waar gebieden voor voorzieningen worden gecreëerd privé-eigendom zijn en dat de eigenaars in dit soort configuraties de neiging hebben om de ontwikkeling van woningen te begunstigen ten koste van voorzieningen, niet heeft geanalyseerd;

Overwegende dat de GOC vindt dat ze niet beschikt over de elementen die nodig zijn om zich uit te spreken over dit verzoek en de Regering vraagt de nodige elementen aan te brengen om te kunnen antwoorden op deze opmerkingen;

Overwegende dat de wijziging van het voorschrift op SGG betrekking heeft op slechts een heel klein deel van de als SGG bestemde gebieden;

Dat voorschrift 4.4 alleen braakliggende terreinen en verwaarloosde en/of verloederde gebouwen betreft;

Dat de in deze wijziging toegestane toename van het aantal inwoners moeilijk becijferbaar is, maar de bevolking in deze gebieden niet opmerkelijk zou doen toenemen;

Overwegende dat, zoals eerder aangegeven, de inhoud van voorschrift 8 niet veranderd werd, maar dat het voorschrift bovenal verduidelijkt werd;

Dat die verduidelijking niet verschilt van de interpretatie gegeven aan het voorschrift van het GewOP van 2001;

Dat de wijziging dus geen invloed zal hebben op de prijs van de terreinen;

Overwegende dat een reclamant oordeelt dat het MER de impact van het opheffen van de notie "meestal geringe omvang" voor de winkels in voorschrift 8.2 niet heeft onderzocht;

Overwegende dat de GOC oordeelt dat dit verzoek ongegrond is;

Overwegende dat de Regering de GOC bijtreedt en eraan herinnert dat de geschrapte uitdrukking geen verordenende waarde had; 4.15. OGSO Overwegende dat de gemeente Vorst opmerkt dat het MER geen uitleg geeft over het feit dat het huizenblok tussen de Schaatsstraat, de Tweede Britse Legerlaan en de spoorweg, uiteindelijk niet werd weerhouden als OGSO;

Overwegende dat de stad Brussel opmerkt dat de sociaal-economische analyse van het MER verkeerdelijk geen openbare eigenaar vermeldt voor de site Mabru/ECFG;

Overwegende dat de stad Brussel oordeelt dat het MER het aandeel van nog bestaande stedelijke industrieën in de OGSO had moeten vermelden, zodat men zich een idee had kunnen vormen van wat in het gedrang komt, inzonderheid m.b.t. grondspeculaties;

Overwegende dat een reclamant van oordeel is dat het MER geen enkele bezinning inhoudt over de economische ontwikkelingscapaciteit van de betrokken gebieden voor stedelijke industrie of sterk gemengde gebieden;

Overwegende dat sommige reclamanten van mening zijn dat de sociaal-economische gevolgen van de bestemming van sommige GSI als OGSO slecht heeft geëvalueerd, meer bepaald de effecten van de inrichtingsvormen in de OGSO of de inkrimping van de tewerkstellingsgebieden;

Overwegende dat de Gemeente Vorst oordeelt dat het MER in gebreke blijft wat de gevolgen van de bestemming van het huizenblok tussen de Sint-Denisstraat, de Brandstoffenstraat, de Marguerite Bervoetsstraat en de Schaatsstraat als OGSO op de omliggende huizenblokken betreft;

Overwegende dat een reclamant betreurt dat het MER de domeinen "Fauna en Flora" en "Water" niet op dezelfde manier heeft bestudeerd als voor de andere polen;

Dat deze reclamant wijst op de nabijheid van een beschermd landschap, een natuurreservaat en op het bestaan van de Vogelzangbeek die aan volledige sanering toe is (verontreiniging en overstromingsrisico);

Overwegende dat de GOC deze lacunes betreurt;

Dat ze meent dat sommige van deze lacunes echter niet te wijten zijn aan het MER, maar wel aan het ontbreken van een strategische visie, wat toe te schrijven is aan het feit dat dit ontwerp van wijziging van het GBP niet volgt op de goedkeuring van het GPDO;

Overwegende dat in het besluit van 29 maart 2012 tot goedkeuring van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP aangestipt wordt dat de bestemmingswijziging van bepaalde sterk gemengde gebieden (SGG) naar een OGSO bedoeld is om er de bestaande economische activiteit te bevestigen, maar de toekomstige inplanting van woningen niet in de weg staat;

Dat, zoals aangegeven in het MER, de bestemming van bepaalde SGG en OGSO minder problemen met de stedelijke integratie inhoudt, aangezien huisvesting al is toegestaan in deze gebieden;

Dat er in principe dus geen directe gevolgen zijn voor de buurtbewoners;

Dat het huizenblok tussen de Schaatsstraat, de Tweede Britse Legerstraat en de spoorweg uiteindelijk niet als OGSO werd weerhouden als gevolg van de uitgereikte verkavelingsvergunning die een deel van het gebied in 31 percelen verdeeld;

Dat een bestemming als SGG beter geschikt is vanwege de vele aanwezige woningen;

Dat het MER een fout bevat in die zin dat er geen openbare eigendom wordt aangegeven voor de pool "Werkhuizenkaai";

Dat, zoals eerder gezegd, het MER overigens bedoeld is om de milieueffecten van het ontwerpplan zo dicht mogelijk bij de bron te onderzoeken en niet om de haalbaarheid of mogelijke economische ontwikkeling van ondernemingen te bestuderen;

Dat het MER, in de beschrijving van de bestaande toestand, toch de in de OGSO aanwezige ondernemingen oplijst;

Dat het MER ook aanbevelingen bevat om de OGSO aantrekkelijker te maken voor ondernemingen;

Dat de toevoeging van een bewaringsclausule in de beschrijving van OGSO's, beslist door de Regering, anderzijds het gevaar dat aanwezige bedrijven wegtrekken enigszins beperkt;

Dat het MER het aspect fauna en flora en het aspect water voor de Erasmus-pool volgens dezelfde methodologie onderzoek als voor de andere OGSO-polen;

Dat het MER op de nabijheid van de Vogelzangsite (beschermde site en natuurreservaat) wijst en daar rekening mee houdt; 4.16. Evaluatie Natura 2000 Overwegende dat het BIM vraagt om de evaluatie van het ontwerp tot wijziging van het GBP aan te vullen met de evaluatie van de effecten op de natuur- en bosreservaten;

Overwegende dat de GOC dit verzoek steunt en eraan herinnert dat de Natuurordonnantie werd goedgekeurd op 1 maart 2012 en de bepalingen ervan moeten worden toegepast;

Overwegende dat er in het MER een geschikte evaluatie werd gerealiseerd;

Dat de Natuurordonnantie aangenomen werd één maand voor de goedkeuring van het ontwerp van GBP en dat de specifieke criteria van elke Natura 2000-site nog niet vastgelegd zijn; dat een nauwkeurige, specifieke evaluatie dus niet mogelijk is;

Dat alle algemene aspecten gekoppeld aan een geschikte evaluatie toch onderzocht werden in het MER; 4.17. Groengebieden met hoogbiologische waarde Overwegende dat enkele reclamanten oordelen dat de evaluatie van de milieueffecten van de wijziging van voorschrift 11 onvolledig en onvoldoende is, meer bepaald omdat het groene net herleid wordt tot een groene wandeling; omat het MER met de gebruikte afkortingen de verwarring voedt tussen "GGHW" en "GHW; dat de nuloptie niet onderzocht werd; dat er bepaalde fouten in het MER staan;

Overwegende dat de GOC sommige van deze opmerkingen deelt en eraan herinnert dat ze aanbeveelt voorschrift 11 niet te wijzigen en dat ze het derhalve niet nodig acht het MER in dit opzicht aan te vullen;

Overwegende dat, zoals eerder aangegeven, de aanpassing van de omschrijving van voorschrift 11 alleen bedoeld is om dat voorschrift op te helderen, want de huidige omschrijving is dubbelzinnig in die zin dat men zou kunnen aannemen dat de integratie van GGHW in het groene net niet is toegestaan;

Dat alle gebieden met groene ruimtes bijdragen in het groene net; dat dit niet betekent dat de aan het groene net toegewezen functies overal aanwezig moeten zijn; dat het in 2001 goedgekeurd GewOP niet de bedoeling had om de GGHW uit het groene net te lichten, wel om ze te beschermen tegen bepaalde aspecten daarvan;

Dat voorschrift 11 de GGHW bijgevolg bestemt en altijd zal blijven bestemmen voor het behoud en het herstel van natuurlijke habitats met hoge biologische waarde, en interventies m.b.t. het groene net dus alleen toegestaan kunnen worden als ze met die bestemming verenigbaar zijn;

Dat de Regering gesloten heeft om voorschrift 11 in die zin aan te vullen;

Dat de wijziging van de omschrijving van het voorschrift dus geen direct milieueffect heeft;

Dat, zoals aanbevolen in het MER, er toch op toegezien moet worden dat, indien voorgeschreven, een geschikte evaluatie gemaakt wordt voor de onderzochte projecten in die gebieden; 4.18. Vormfouten Overwegende dat de stad Brussel, de gemeentes Sint-Agatha-Berchem en Anderlecht op enkele vormfouten in het MER wijzen;

Overwegende dat de GOC nota neemt van die opmerkingen;

Overwegende dat de Regering, net als de GOC, nota neemt van die vormfouten; 5. Overzicht van fouten in de voorschriften Overwegende dat de GOC alle vormelijke verbeteringen heeft opgelijst die zijn aangebracht naar aanleiding van het openbaar onderzoek en de Regering heeft verzocht deze te controleren, in voorkomend geval met de hulp van een jurist; Dat de Regering rekening heeft gehouden met de relevante verbeteringen met betrekking tot de voorschriften waarop deze procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP van toepassing is;

Dat de Regering voor het overige van mening is geweest dat het niet past binnen de doelstellingen van deze procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP om in de voorschriften van het in 2001 goedgekeurde GBP eventuele materiële fouten te verbeteren waarvan geen enkele reclamant heeft gesteld dat zij afbreuk doen aan een goed begrip van deze voorschriften.

I.2 Motivering in antwoord op de vereisten van artikel 64 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud en artikel 26, eerste lid, van het BWRO Overwegende dat heel de motivering van onderhavig besluit doorspekt is met elementen die toelaten na te gaan op welke manier rekening is gehouden met de milieuoverwegingen vermeld in artikel 64 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud en artikel 26, eerste lid, van het BWRO; dat meer algemeen, teneinde tegemoet te komen aan de vereisten inzake een formele motivering die door deze bepalingen bekrachtigd worden en waar door de afdeling wetgeving aan herinnerd wordt, de Regering naar de hierna volgende beschouwingen verwijst;

Overwegende dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP geen afbreuk doet aan de integriteit van de Natura 2000-gebieden en de natuur- en bosreservaten;

Dat geen enkele bestemmingswijziging rechtstreeks betrekking heeft op een Natura 2000-gebied of een natuur- of bosreservaat;

Dat sommige bestemmingswijzigingen niettemin betrekking hebben op gebieden die in de nabijheid van Natura 2000-gebieden of natuur- of bosreservaten gelegen zijn;

Dat de adequate analyse van de effecten die het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP op deze gebieden heeft, uitgevoerd is via het Milieueffectenrapport (onderdeel fauna en flora);

Dat rekening houdend met het feit dat de instandhoudingsdoelstellingen en de beheersplannen van de betrokken Natura 2000-gebieden en natuur- en bosreservaten nog niet door de Regering goedgekeurd zijn, het op dit ogenblik niet mogelijk is een adequate evaluatie van de effecten uit te voeren volgens de vormvereisten van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;

Dat de evaluatie van de effecten van de gedeeltelijke wijziging van het GBP derhalve uitgevoerd is op grond van de huidige situatie met toepassing van het "stand-still" principe;

Dat de algemeenheidsgraad van het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP en de kwaliteit van het MER niettemin de mogelijkheid bieden te besluiten dat deze wijziging op zich geen afbreuk doet aan de integriteit van de Natura 2000-gebieden en van de natuur- en de bosreservaten;

Dat voor de projecten waarvoor een vergunning vereist is en die voldoen aan de gedeeltelijke wijziging van het GBP nadien ook, indien ze binnen het toepassingsgebied van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud vallen, een gepaste evaluatie van hun effecten zal moeten plaatsvinden om tot een nauwkeuriger inschatting te komen van de impact van de projecten die in de toekomst in de Natura 2000-gebieden en natuur- en bosreservaten of in de buurt ervan ontwikkeld kunnen worden;

Overwegende trouwens dat het MER niet alleen tot de vaststelling komt dat de integriteit van de Natura 2000-gebieden en de natuur- en bosreservaten ongeschonden blijft, maar voor sommige plaatsen ook matigende maatregelen voorstelt die bijdragen tot een versterking van de integriteit van het nabijgelegen gebied of reservaat; dat met deze matigende maatregelen rekening zal moeten worden gehouden in het kader van het onderzoek van de vergunningsaanvragen die ingediend zullen kunnen worden ten gevolge van de gedeeltelijke wijziging van het GBP en de relevantie ervan nauwkeuriger ingeschat zal dienen te worden in het licht van de kenmerken van elk van deze projecten; dat de maatregelen in kwestie de volgende zijn : Voor het als woongebied met residentieel karakter bestemde gebied in de Jan Van Horenbeecklaan dat vlakbij een Natura 2000-gebied gelegen is (het Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en de Woluwevallei) : Het MER beveelt aan om bij de aanleg van bestaande en toekomstige wegen rond de site bomenrijen aan te planten, zodat deze dienst kunnen doen als nestplaats voor vleermuizen; verder beveelt het MER ook aan om aanpassingen door te voeren die de biodiversiteit ten goede moeten komen met als doel de ecologische verbindingen te versterken en een sensibiliseringscampagne te plannen gericht naar de toekomstige bewoners van plaatsen in de buurt van gebieden die interessant zijn voor wat de biodiversiteit betreft, en waarin onder meer opgeroepen wordt louter inheemse plantensoorten te gebruiken in de particuliere tuinen;

Voor de in de buurt van het natuurreservaat Vogelzang gelegen OGSO-pool Erasmus : het MER beveelt aan om het bosrijke karakter van de terreinen ten zuiden van de Lenniksebaan te bewaren, ervoor te zorgen dat in elk bouwproject voorzien wordt in het behoud van uitgestrekte groene ruimten en het regenwater van de site naar de Vogelzangbeek te doen afvloeien via een netwerk van open sloten;

Voor het OGSO in Jette dat afgebakend wordt door de Laarbeeklaan, het Oude Afspanningsplein, de Tentoonstellingslaan, de Kleine Sint-Annastraat en het Poelbos en gelegen is in de buurt van het natuurreservaat Poelbos en een Natura 2000-gebied (bossen en vochtige gebieden van de Molenbeekvallei) : het MER beveelt aan om in het kader van latere projecten erop toe te zien dat het project in de omgeving geïntegreerd wordt door de ontwikkeling te bevorderen van ecologisch waardevolle groene ruimten, de aanleg van bufferzones te versterken, of nog te voorzien in de aanleg van groene daken;

Voor het OGSO in Ukkel dat afgebakend wordt door de Engelandstraat, de Dieweg, de Groelstveldlaan en de Sint-Jobsesteenweg en ten noorden van het natuurreservaat Kinsendaal ligt : het MER beveelt aan om het zuidelijke deel van het gebied te behouden als groene ruimte om zo de rol van ecologische verbinding die het vervult in stand te houden en het gewestelijke groene netwerk te bevorderen;

Voor het nieuwe woongebied dat gepland wordt in de buurt van het station van Bosvoorde aan de rand van het Tournay-Solvaypark, dat een Natura 2000-station vormt dat verbonden is met het Natura 2000-gebied "het Zoniënwoud met bosrand, aangrenzende bosgebieden en de Woluwevallei" : het MER beveelt aan om bijzondere aandacht te besteden aan het gebruik van inheemse plantensoorten in eventuele particuliere tuinen, onder meer door een sensibiliseringscampagne op te zetten gericht op de toekomstige bewoners ter plaatse;

Overwegende bovendien dat de wijziging van bepaalde schriftelijke voorschriften ook betrekking zou kunnen hebben op enkele Natura 2000-gebieden en natuur- en bosreservaten;

Dat voor wat de groengebieden met hoogbiologische waarde betreft, voorschrift 11 van het GBP gewijzigd wordt om te verduidelijken dat inrichtingen die noodzakelijk zijn voor het groene netwerk toegelaten zijn in deze gebieden; dat ten gevolge van het openbaar onderzoek en de aanbevelingen van de adequate evaluatie die het MER in dat verband uitgevoerd heeft, besloten is om deze intentie nog te verduidelijken door erop te wijzen dat de uitvoering van werken die noodzakelijk zijn voor het groene netwerk slechts toegelaten waren "op voorwaarde dat de handelingen en werken verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied", dat wil zeggen met het behoud en de regeneratie van het natuurlijk leefmilieu; dat de nieuwe formulering van voorschrift 11, aangezien deze niets verandert aan het stelsel dat van toepassing is op de groengebieden met hoogbiologische waarde, geen enkele afbreuk inhoudt van de integriteit van deze gebieden die bovendien erkend zijn als Natura 2000-gebied of natuur- of bosreservaat; dat bovendien, zoals het MER eraan herinnert, voor elke vergunningsaanvraag die in deze gebieden gelegen is een gepaste evaluatie van de effecten uitgevoerd zal moeten worden, overeenkomstig de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud; dat het MER tevens aanbeveelt een belangrijke inspanning op het vlak van communicatie en sensibilisering van het publiek te leveren, evenals de menselijke druk zo veel mogelijk in goede banen te leiden en te omkaderen, onder meer door de wegen in deze gebieden te bewegwijzeren;

Overwegende dat het programma van het GGBUA gewijzigd werd om er benevens productieactiviteiten havenactiviteiten als hoofdbestemming toe te laten; dat aangezien het GGBUA gelegen is aan de rand van het natuurreservaat Het Moeraske, het MER aanbeveelt om bij de verstedelijking van het GGBUA te voorzien in het behoud van ruimten zonder verharde ondergrond;

Overwegende overigens dat het MER alle effecten van de gedeeltelijke wijziging van het GBP op de milieuthema's die aan bod komen in bijlage C bij het BWRO onderzocht heeft;

Dat naar aanleiding van deze analyse, het MER een reeks aanbevelingen geformuleerd heeft om de mogelijke effecten die aangeduid werden te matigen;

Dat de Regering met name de volgende aanbevelingen opgevolgd heeft : Voor het gebied Delta heeft het MER aanbevolen nieuwe stedelijke verbindingen te creëren die het mogelijk maken de bestaande barrières te doorbreken en zorg te besteden aan de stedelijke overgangen tussen de verschillende naburige wijken van het gebied. Dat deze aanbeveling geïntegreerd werd in het programma van het GGB 16 waarin bepaald wordt dat "de stedelijke samenstelling van het geheel twee structuurassen voor de openbare ruimten en de bebouwing dient te omvatten, een Oost-Westas die Beaulieu verbindt met Elsene en een Noord-Zuidas die de Pleincampus verbindt met Watermaal-Bosvoorde";

In verband met de OGSO's heeft het MER in de eerste plaats vastgesteld dat het nodig zal zijn aanzienlijke overheidsinvesteringen te plannen op het vlak van de openbare ruimten, de voorzieningen en het openbaar vervoersaanbod en bijgevolg beveelt het aan om een mechanisme te voorzien voor de uitbreiding van de stedenbouwkundige lasten dat toelaat de vastgoedprojecten te verwezenlijken en tegelijk de openbare en de privé-sector de mogelijkheid biedt de vruchten van deze projecten onderling te verdelen en de kosten ten laste te nemen die hen te beurt vallen; dat deze uitbreiding beoogt dat de privé-actoren de inrichting van de openbare ruimte en voorzieningen gedeeltelijk voor hun rekening nemen, de overdracht van deze elementen aan de overheid en/of een rechtstreekse financiële bijdrage; dat met deze aanbeveling rekening werd gehouden via een besluit betreffende de stedenbouwkundige lasten dat samengaat met de wijziging van het GBP. Nog met betrekking tot de OGSO's heeft het MER gewezen op de noodzaak in de betrokken gebieden groeimogelijkheden te behouden voor de aanwezige ondernemingen; dat met deze overweging rekening werd gehouden door aan de voorschriften betreffende de OGSO's een "beschermingsclausule" van de bestaande ondernemingen toe te voegen die de ondernemingen in kwestie in staat stelt verder uit te breiden of renovatiewerken uit te voeren zonder de verplichting inzake het gemengde karakter van de projecten te hoeven naleven;

Nog steeds voor wat de OGSO's betreft, heeft het MER aanbevolen de besluiten betreffende het beheer van verontreinigde bodems, het buurtlawaai en het lawaai voortgebracht door de ingedeelde inrichtingen, waarin verwezen wordt naar de zone-indeling van het GBP, aan te passen zodat ook het nieuwe gebied van de OGSO's in de normen die op de SGG van toepassing zijn, opgenomen wordt;

Dat deze aanbevelingen opgevolgd zijn door de Regering, die van plan is de betrokken besluiten te wijzigen;

In verband met het parkgebied ten noorden van de Heizel, dat als uitrustingsgebied herbestemd wordt, heeft het MER aanbevolen om in de buurt een groene ruimte te behouden die voldoende groot van omvang is voor de bewoners van de omliggende wijken; dat gehoor werd gegeven aan deze aanbeveling aangezien de uitbreiding van het uitrustingsgebied gepaard gaat met de creatie van een parkgebied van een overeenkomstige omvang;

Overwegende ook dat in de eerste versie van het MER aanbevolen werd het "mogelijke verlies aan groene ruimten" ten gevolge van de bestemmingswijziging van sommige sport- of vrijetijdsgebieden in open lucht te compenseren; dat deze aanbeveling van bij de opmaakfase van het ontwerp van wijziging van het GBP geïntegreerd werd; dat er nieuwe gebieden voor groene ruimten in het GBP opgenomen zijn, en dan meer bepaald nieuwe parkgebieden rond het GGB nr. 6 (Thurn en Taxis);

Overwegende anderzijds dat naar aanleiding van de analyse van het MER bepaalde bestemmingswijzigingen niet in de gedeeltelijke wijziging van het GBP opgenomen zijn;

Dat het in de eerste plaats gaat om een deel van het spoorweggebied in de Navezstraat in Schaarbeek, waarvan overwogen werd het als stedelijk industriegebied te bestemmen; dat het MER heeft aanbevolen om in toepassing van het voorzorgsbeginsel dit gebied als spoorweggebied te behouden aangezien het gelegen is in de "vierhoek" die een strategisch gebied vormt voor de ontwikkeling van de spoorwegen in de toekomst;

Dat er verder ook gepland werd een sport- of vrijetijdsgebied in open lucht in het noorden van het Gewest, tussen de Ring en de gewestgrens, te bestemmen als stedelijk industriegebied of gebied bestemd voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten; dat het MER aan het licht heeft gebracht dat dit gebied slechts matig met het openbaar vervoer te bereiken is, hetgeen moeilijk verenigbaar is met de geplande bestemmingen; dat door het als sport- of vrijetijdsgebied in open lucht te behouden het gebied ook zijn rol in het transregionale groene netwerk verder kan blijven vervullen; dat de Regering deze aanbeveling heeft opgevolgd en besloten heeft om de bestaande bestemming van het gebied te behouden;

Dat overwogen werd het stedelijk industriegebied in Brussel en Evere dat de huizenblokken omvat die besloten liggen tussen de Houtweg, de Frans Van Cutsemstraat en de Haachtsesteenweg; dat het MER heeft aanbevolen om het voorzorgsbeginsel toe te passen aangezien dit gebied zich op het potentiële traject bevindt van de toekomstige uitbreiding van het metronetwerk in noordelijke richting; dat de Regering deze aanbeveling heeft opgevolgd en de bestemming van dit gebied niet heeft gewijzigd.

I.3 Motivering in antwoord op de vereisten van artikel 24 van het BWRO Overwegende dat het GBP aansluit bij de richtlijnen van het geldend Gewestelijk Ontwikkelingsplan en niet in strijd is met de 12 prioriteiten die erin geformuleerd worden;

Dat door een antwoord te bieden op de demografische groei, in het bijzonder prioriteit 1 van het GewOP, die betrekking heeft op de residentiële aantrekkelijkheid en het creëren van woongelegenheid, in de gedeeltelijke wijziging van het GBP geïntegreerd wordt. Dat ze eveneens bijdraagt tot de uitvoering van prioriteit 3 (Een waardige en betaalbare woning garanderen voor alle Brusselaars);

Dat door op de Heizelvlakte een nieuw GGB 15 te creëren, de gedeeltelijke wijziging van het GBP ook aansluit bij de richtlijnen van prioriteit 10 betreffende de valorisatie van het interculturele, internationale en Europese karakter van Brussel, evenals bij de richtlijnen van prioriteit 6 (de commerciële, culturele en toeristische aantrekkingskracht van het Gewest versterken);

Dat de creatie van de OGSO's bovendien als doel heeft de vestiging te bevorderen van ondernemingen die verenigbaar zijn met de stedelijke omgeving en levensgemeenschap, wat in de lijn ligt van prioriteit 2 (alle sectoren van de Brusselse economie nieuw leven inblazen met het oog op de ontwikkeling van de lokale werkgelegenheid, waarbij men erop toeziet dat de activiteiten verenigbaar zijn met het leefmilieu en de stedelijke leefkwaliteit);

Dat in de aangebrachte wijzigingen ook indirect rekening wordt gehouden met de meerderheid van de andere prioriteiten. Dat door nieuwe groene ruimten te voorzien in de eerste kroon het groene karakter van het Gewest versterkt wordt (prioriteit 9), of nog dat de bestemmingswijzigingen die het mogelijk maken woningen in te planten over het algemeen betrekking hebben op gebieden die goed met het openbaar vervoer te bereiken zijn, wat kadert in de doelstelling van een modal shift van de auto naar de andere vervoerswijzen (prioriteit 8);

Dat in het kader van het MER overigens een analyse is uitgevoerd inzake de samenhang van de gedeeltelijke wijziging van het GBP met de gewestelijke ontwikkelingsdoelstellingen van het GewOP. Dat deze analyse de bevestiging levert dat de gedeeltelijke wijziging van het GBP in overeenstemming is met deze doelstellingen II. 1. Inleidende overwegingen Overwegende dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest volgens de cahiers van het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse van mei 2010, 1.108.158 inwoners telde op 1 januari 2011; dat de Brusselse bevolking na decennia van demografisch verval, in het midden van de jaren 1990 terug begon toe te nemen : dat deze groei versnelde in de loop van de voorbije jaren tot een gemiddelde van ongeveer 14 000 bijkomende inwoners per jaar;

Overwegende dat, zoals uiteengezet in deel I, het ontwerp van wijziging van het GBP daarom van die bevolkingstoename is uitgegaan, wat neerkomt op een jaarlijkse uitbreiding met ongeveer 7 000 gezinnen;

Overwegende dat in de laatste bijwerking van de demografische perspectieven van het Planbureau de bevolkingstoename op 180 000 inwoners tegen 2020 wordt geraamd, wat een dringende aanpassing van het GBP bevestigt;

Overwegende dat uit een eerste analyse van de woningproductie tussen 2003 en 2008 (resultaat van het 1e rapport van het Overzicht van de huisvestingsvergunningen) blijkt dat er jaarlijks een vergunning wordt uitgereikt voor ongeveer 4400 bijkomende woningen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;

Dat we mogen aannemen dat elk jaar meer dan 90 % van deze vergunde woningen, dus ongeveer 4100 eenheden, effectief in de steigers gezet en afgewerkt worden;

Overwegende dat deze woningproductie niet voldoet aan de huisvestingsvraag zoals deze uit de bevolkingstoename resulteert;

Overwegende dat het, naast de productie van woningen, bijgevolg nodig is om de verwezenlijking van bijkomende woningen te bevorderen, meer bepaald via de plantools waarover het Gewest beschikt;

Overwegende dat de goedkeuring van het besluit van 20 januari 2011 die de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP opent en het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP van 29 maart 2012 dit doel nastreven;

Overwegende dat het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP gebaseerd is op een overzicht van de gronden die geschikt zijn voor huisvesting krachtens de vigerende grafische en schriftelijke voorschriften (het GBP 2001);

Overwegende dat uit dit onderzoek blijkt het grondpotentieel volgende resultaten oplevert :

Foncier disponible (m2) Beschikbare grond (m2)

Zones du PRAS Gebieden van het GBP

Sur parcelle déjà bâtie Op bebouw perceel

Sur parcelle libre Opon bebouw perceel

Total Totaal

Zones d'habitation à prédominance résidentielle Woongebieden met residentieel karakter

336.268

975.538

1.311.806

Zones d'habitation Typische woongebieden

712.681

1.294.450

2.007.131

Zones mixtes Gemengde gebieden

128.204

154.681

282.885

Zones de forte mixité Sterk gemengde gebieden

331.030

320.623

651.653

Zones d'industries urbaines Gebieden voor stedelijke industrie

1.312.326

708.469

2.020.795

Zones d'activités portuaires et de transport Gebieden voor havenactiviteiten en vervoer

172.131

361.391

533.522

Zones administratives Administratiegebieden

73.335

27.939

101.274

Zones d'équipements d'intérêt collectif ou de service public Gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten

2.069.415

1.313.376

3.382.791

Zones de chemin de fer Spoorweggebieden

29.994

52.635

82.629

ZIR GGB

35.465

76.299

111.765

Zone de réserve foncière Grondreservegebied

-

172.010

172.010

Total - Totaal

5.200.850

5.457.411

10.658.261


Overwegende dat het gebied van collectief belang of van openbare diensten met 131 hectare die beschikbaar is, nog het hoogste grondpotentieel op onbebouwd perceel heeft;

Overwegende dat deze grondreserve een antwoord kan bieden op de behoeften aan schoolvoorzieningen, welke zullen toenemen ten gevolge van de demografische groei die voor een groot deel betrekking zal hebben op de laagste leeftijdscategorieën van de bevolking;

Dat de woongebieden, met een gecumuleerd potentieel van de woongebieden met residentieel karakter en van de typische woongebieden van 216 hectare op vrije percelen, op de tweede plaats komen;

Dat de administratieve bestemming met 2,7 hectare ten slotte het laagste grondpotentieel op vrije percelen vertegenwoordigt;

Overwegende dat, zoals uiteengezet in deel I, op basis van het aldus bepaalde totale grondpotentieel, het woningpotentieel geraamd werd voor de grote projecten in uitvoering en voor het resterende grondpotentieel, rekening houdend met een gemiddelde dichtheid;

Dat het aantal woningen, na het bepalen van het totaal aantal woningen, werd vermenigvuldigd met een gemiddelde samenstelling van een Brussels gezin van 2,05 inwoners;

Dat de verwezenlijking van alle geïdentificeerde grootprojecten, op deze basis, de huisvesting van ongeveer 49 000 inwoners zou moeten toelaten;

Dat het resterende grondpotentieel in de woongebieden en gemengde gebieden de huisvesting van ongeveer 28 000 inwoners zou moeten toelaten;

Dat in totaal zou worden voldaan aan de huisvestingsvraag van ongeveer 77 000 personen;

Overwegende dat, zoals reeds uiteengezet, deze identificatie van de terreinen en van het inwonerspotentieel slechts een deel is van de reflectie over het onthaalpotentieel van het Brusselse grondgebied in de ruime zin;

Dat er namelijk ook moet worden gewerkt aan de verdichting van bestaande percelen of bouwelementen via een rationalisering en een aangepaste bezetting van de beschikbare ruimte;

Dat deze problematiek derhalve moet worden aangepakt door de wijziging of de invoering van andere instrumenten voor stedenbouw, patrimonium en mobiliteit en vervat dient te worden in het GPDO;

Overwegende dat de identificatie van de beschikbare grond en zijn huisvestings- en inwonerspotentieel de volgende conclusies mogelijk maakte : de cijfers tonen vrij duidelijk dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen grondpotentieel heeft dat de bouw van voldoende, lees meer dan het vereiste aantal woningen toelaat om de verwachte bevolkingstoename op te vangen; de zeldzaamheid van de terreinen en hun vaak ongunstige ligging in de tweede kroon pleiten voor de herziening van het "monofunctionele" aspect van bepaalde gebieden;

II. 2. WIJZIGINGEN AANGEBRACHT AAN DE SCHRIFTELIJKE VOORSCHRIFTEN VAN HET GBP 2.1 Wijziging van de voorschriften 0.1 en 0.12 Overwegende de courante moeilijkheid om, zoals thans geëist wordt door het voorschrift 0.12, op dezelfde plaats of in het gebied de nodige ruimte te vinden om woningen te bouwen;

Dat het derhalve aangewezen is de toepassing van voorschrift 0.12 ietwat te versoepelen door de creatie van huisvesting toe te laten in het gebied wanneer het gaat om woongebieden en in de aangrenzende gebieden van datgene waar de uitvoering van het voorgestelde project gepland is, wanneer het gaat om gemengde gebieden;

Dat het evenwel aangewezen is deze mogelijkheid niet toe te staan in administratiegebieden om te vermijden dat de bestaande huisvesting in deze gebieden zou verdwijnen;

Overwegende dat het bovendien betaamt de toepassing van voorschrift 0.12., eerste lid, 7°, te beperken tot het oprichten of uitbreiden van een handelszaak binnen een lint voor handelskernen op de gelijkvloerse en op de eerste verdieping om te vermijden dat de bestaande huisvesting op de hoger gelegen verdiepingen zou verdwijnen;

Overwegende dat ook algemeen voorschrift 0.1 moet worden aangepast opdat deze wijziging cumulatief van toepassing zou zijn op de bijzondere voorschriften;

Dat het daarenboven betaamt het ondernemingsgebied in de stedelijke omgeving toe te voegen aan de gebieden die onderworpen zijn aan voorschrift 0.12 om er de woonfunctie te beschermen; 2.2. Creatie van een nieuwe algemeen voorschrift 0.16 voor de "Seveso" inrichtingen Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie België op 30 september 2010 heeft veroordeeld voor de tekortkoming van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij de omzetting van artikel 12, § 1, tweede lid, van Richtlijn 96/82/CE van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, "Seveso II";

Dat artikel 12, § 1, tweede lid, van de Richtlijn stelt : "De Lidstaten dragen er zorg voor dat er in hun beleid inzake de bestemming of het gebruik van de grond en/of andere toepasselijke takken van beleid alsmede de procedures voor de uitvoering van die takken van beleid rekening wordt gehouden met de noodzaak om op een lange-termijnbasis voldoende afstand te laten bestaan tussen de onder deze richtlijn vallende inrichtingen enerzijds en woongebieden, door het publiek bezochte gebieden, waardevolle natuurgebieden en bijzonder kwetsbare gebieden anderzijds, en, voor bestaande inrichtingen, aanvullende technische maatregelen te treffen overeenkomstig artikel 5, teneinde de gevaren voor personen niet te vergroten";

Dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op 15 september 2011 een arrest (zaak C-53/10) heeft geveld dat belangrijke verduidelijkingen geeft over de draagwijdte van de verplichtingen die deze bepaling oplegt;

Dat het Hof twee belangrijke punten opheldert : de naleving van de "voldoende afstand" heeft niet enkel betrekking op de vestiging van nieuwe "Seveso"-activiteiten, maar ook op de vestiging van elk project in de buurt van een bestaande "Seveso"-inrichting;

Deze "voldoende afstand" leidt niet tot het verbod van elk project in de aldus vastgelegde perimeter; in functie van de omstandigheden kan een project geldig worden vergund in deze perimeter;

Dat deze verduidelijking op zich rechtvaardigt dat de exacte bepaling van de afstanden in kwestie moet worden toevertrouwd aan de autoriteiten die de stedenbouwkundige vergunningen afleveren en niet algemeen wordt geregeld door het GBP;

Dat het eerste en tweede lid van deze bepaling slechts van toepassing zijn als er sprake is van de inplanting van nieuwe vestigingen. 2.3. Wijziging van voorschrift nr. 4.4. betreffende de sterk gemengde gebieden Overwegende dat de sterk gemengde gebieden (verder "SGG") vaak goed gelegen zijn ten opzichte van het aanbod qua openbaar vervoer; dat deze nabijheid toelaat om de impact in termen van wegverkeer te beperken en de bevordering van de huisvesting rechtvaardigt; dat een algemene bevordering van de huisvesting, de aard zelf van deze gebieden zou kunnen aantasten door hun inherente gemengdheid te doen verdwijnen;

Overwegende dat het echter mogelijk is om de huisvesting in SGG op doelgerichte wijze te bevorderen door de minimale vloeroppervlakte voor huisvesting in het kader van de tenuitvoerlegging van voorschrift 4.4 van het GBP, naar boven toe te herzien;

Dat dit voorschrift nu de verwezenlijking van minstens 35 % vloeroppervlakte voor huisvesting oplegt; dat het gewenst is om dit percentage te verhogen tot 50 %, zodat het mogelijk wordt om de creatie van meer woningen op te leggen met behoud van de gemengdheid die inherent is aan de SGG's waarin de betrokken projecten zich zullen inschrijven;

Overwegende dat de stijging van het deel dat voor huisvesting wordt voorbehouden, moet worden aangevuld met de verplichting om een minimum aan voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten die nodig zijn voor het stadsleven, in de betrokken projecten te vestigen; dat in dit opzicht een minimum van 5 % vloeroppervlakte kan voldoen aan deze behoeften zonder de leefbaarheid van de projecten in gevaar te brengen;

Overwegende ook dat de stijging van het deel dat voor huisvesting wordt voorbehouden, impliceert dat de vloeroppervlakte voor groene ruimten moet worden verhoogd om een kwalitatieve omgeving te verzekeren; dat de drempel vandaag is vastgelegd op minstens 10 %; dat het optrekken van deze drempel tot 20 % kan voldoen aan de behoeften aan groene ruimten van de inwoners zonder de leefbaarheid van de projecten in gevaar te brengen;

Overwegende dat de stijging van de drempels voor huisvesting en voor de voorzieningen van collectief belang of van openbare dienst in een streven naar coherentie impliceert dat het plafond van vloeroppervlakte voor kantoren, voor vergunde activiteiten in gebieden voor stedelijke industrie en voor handelszaken, dat vandaag is vastgelegd op 60 % moet worden verlaagd; dat dit plafond in de toekomst 40 % zal bedragen met een maximum van 15 % voor andere kantoren dan deze die vergund zijn in gebieden voor stedelijke industrie;

Overwegende ten slotte dat de voorbereidende studie van het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP een potentieel van bijna 65 hectare vrije of gedeeltelijk vrije percelen in SGG heeft geteld; dat sommige van deze terreinen potentieel voldoen aan de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van voorschrift 4.4.;

Dat de plicht om de aanwezigheid één of meerdere vervallen en verlaten gebouwen of van één of meerdere braakliggende terreinen voor 1 januari 2000 aan te tonen, een van deze voorwaarden is;

Dat, zoals uiteengezet in deel I, bleek dat het wenselijk was om die voorwaarde bij te werken;

Dat om een eventuele speculatie betreffende de verlaten gebouwen te vermijden, de datum van 1 januari 2011 in de betekening wordt vastgelegd en deze voorafgaat aan de datum van het besluit, 20 januari 2011, dat de procedure voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP opent; 2.4. Creatie van een nieuw voorschrift 9bis betreffende de ondernemingsgebieden in de stedelijke omgeving (OGSO) Overwegende dat sommige "monofunctionele" economische gebieden in het Brussels Gewest moeten worden behouden voor de economische activiteiten die onverenigbaar zijn met huisvesting, maar toch nuttig zijn voor de werking van de stad;

Dat de industriegebieden, inclusief de gebieden voor stedelijke industrie (voorschrift nr. 5) en de gebieden voor havenactiviteiten en vervoer (voorschrift nr. 6), deze functie vervullen en het aangewezen is om ze te handhaven;

Overwegende echter dat het bureau BRAT in 2011 een overzicht van de productieactiviteiten van meer dan 1 000 m² heeft opgesteld; dat uit dit overzicht blijkt dat ongeveer 700 000 m² van de vloeroppervlakte voor ateliers en opslagplaatsen ongebruikt is;

Dat de studie raamt dat 1/3 van deze oppervlakten verlaten oppervlakken zijn, veroordeeld tot afbraak of op zijn minst een zware renovatie;

Overwegende dat het, gelet op deze toestand en de huisvestingsvraag waarmee het Gewest zal worden geconfronteerd, nuttig is gebleken om een functionele gemengdheid in bepaalde industriegebieden toe te laten;

Dat in het kader van het onderzoek van het grondpotentieel waarvan hoger sprake is, meerdere industriegebieden werden geïdentificeerd als geschikt voor huisvesting;

Overwegende echter dat de productieactiviteit aanwezig moet blijven in het Brussels Gewest om het economisch weefsel en de tewerkstelling te diversifiëren;

Dat de te versterken economische activiteiten door hun aard verenigbaar zijn met huisvesting;

Dat, daar waar het mogelijk is, de ontwikkeling van een functionele gemengdheid, borg voor een betere leefkwaliteit in de stad, trouwens voorrang moet krijgen;

Dat deze gemengdheid meer bepaald tot doel heeft om de dichtheid van deze gebieden te verhogen ten voordele van de huisvesting, maar ook van economische activiteiten die werkgelegenheid creëren;

Overwegende dat bovenstaande bekommernissen tevens gelden voor bepaalde sterk gemengde gebieden waar er geen of slechts weinig huisvesting is, ook al is deze daar toegelaten;

Overwegende dat de gebieden die aan deze eisen voldoen, worden bestemd als ondernemingsgebied in de stedelijke omgeving (verder, "OGSO");

Dat de handhaving en de uitbreiding van de bestaande economische activiteiten verzekerd is, zoals aangebracht door de opmerkingen ingediend tijdens het openbaar onderzoek en door de GOC en de ontwikkeling van nieuwe activiteiten wordt vergund in dit nieuwe gebied, net als de verwezenlijking van woningen;

Overwegende bijgevolg dat de voorschriften betreffende de OGSO's deze een overwegend economische roeping geven en er simultaan huisvesting en voorzieningen introduceren;

Overwegende dat, zoals uiteengezet in deel I, het opleggen van een plafond voor de vloeroppervlakte op 2 000 m² per gebouw voor de productieactiviteiten en de in ondernemingen geïntegreerde diensten enerzijds is gemotiveerd door de vaststelling dat relatief kleine ondernemingen meer werkgelegenheid per m² genereren en, anderzijds, door de wens om in de OGSO's voorrang te verlenen aan de vestiging van activiteiten die verenigbaar zijn met huisvesting; dat is gebleken dat de grootte van de ondernemingen in dit opzicht belangrijk is;

Dat de GOMB een grote vraag heeft opgetekend naar lokalen voor economische activiteiten met een oppervlakte van 250 tot 1 000 m²;

Overwegende dat de bezettingsdichtheid van de OGSO's moet worden verhoogd, dat deze verdichting borg zal staan voor de handhaving van een belangrijke economische activiteit;

Overwegende dat de productieactiviteiten, de in ondernemingen geïntegreerde diensten, de handelszaken en de groothandelszaken bij voorkeur op de gelijkvloerse verdieping worden gevestigd; dat het bijgevolg belangrijk is om deze ruimten prioritair hiervoor te bestemmen;

Overwegende dat het tezelfdertijd aangewezen is, in het kader van grootprojecten, om de verwezenlijking te promoten van gemengde projecten met een hoog aandeel woningen;

Dat de voorbereidende studie van het project voor de gedeeltelijke wijziging van het GBP met het oog hierop en op basis van de grootte van de percelen de drempel van 10 000 m² heeft vastgelegd, vanaf welke de projecten een mengeling van bestemmingen moeten aanbieden; dat deze drempel is bevestigd door het advies van de GOC;

Dat op grond van de bezwaren en opmerkingen geuit naar aanleiding van het openbaar onderzoek het programma vermeld in voorschrift 9 bis 4 werd herzien om rekening te houden met de grote behoefte aan grondinname voor economische activiteiten;

Dat het voorschrift voor projecten van meer dan 10 000 m² aan productie activiteiten, geïntegreerde diensten aan bedrijven, handels zaken en groothandelszaken immers een vloer oppervlakte oplegt die overeenstemt met minstens 90 % van de grondinname van het project en minstens 40 % van de vloeroppervlakte voor huisvesting; waardoor bovendien zowel een verticale als horizontale vermenging tot stand kan worden gebracht;

Dat de Regering ingevolge het openbaar onderzoek eveneens heeft beslist te voorzien in vestigingsdrempels voor handelszaken, groothandelszaken en grote speciaalzaken middels voorschrift 9 bis, en dit 2 op grond van identieke drempels als in sterk gemengde gebieden;

Dat om rekening te houden met de werkgelegenheids capaciteit van dit soort economische activiteiten en de zowel rechtstreekse als onrechtstreekse weerslag hiervan evenwel ook voorzien wordt in een mogelijkheid om deze drempels te verhogen voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden : 1° de toename van de oppervlakten moet naar behoren gemotiveerd zijn om sociale of economische redenen;2° de plaatselijke omstandigheden moeten deze toename toelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoofdfunctie van het gebied;3° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan bijzondere bekend-makings maatregelen; Overwegende ten slotte dat de meeste projecten die worden ontwikkeld in de OGSO's, met de herstructurering van grote percelen zullen worden geconfronteerd;

Dat het, omwille van de gewenste vestiging van huisvesting in deze gebieden, belangrijk is om aan te dringen op de noodzaak om deze percelen te herstructureren om een dichtbebouwd en kwalitatief stedelijk weefsel te creëren dat de verenigbaarheid van de verschillende bestemmingen zal verzekeren;

Dat, ter illustratie, het MER aangevuld werd met herstructureringsmogelijkheden voor de 6 polen van het OGSO;

Dat de algemene voorwaarden die het nieuwe voorschrift 9bis.6 oplegt, dit doel nastreven;

Overwegende dat het OGSO voortaan vervat is in het deel "E. Bijzondere voorschriften betreffende de overige activiteitengebieden " van het GBP en niet langer in deel "C. Bijzondere voorschriften betreffende de gebieden met een sterk gemengd karakter "; dat deze aanpassing voorvloeit uit de opmerkingen geuit tijdens het openbaar onderzoek en uit het advies van de GOC en verhindert dat de KaSTK zou worden toegepast op het OGSO terwijl er geen kantoren zijn toegestaan maar dat productieactiviteiten van immateriële goederen bij de hoofdbestemmingen horen; 2.5. Wijziging van voorschrift nr.7 betreffende de administratiegebieden Overwegende dat de huidige omschrijving van voorschrift 7 van het GBP betreffende de administratiegebieden, de huisvesting slechts als secundaire bestemming toelaat;

Dat het rapport van het Overzicht van het kantorenpark nr. 27/2011 een leegstand meldt van 9,5 % van de kantorenvoorraad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2010;

Dat 15 % van de leegstaande kantoorgebouwen werd erkend als gemakkelijk converteerbaar (zie verslag van het Overzicht van het kantorenpark nr. 28/2011);

Overwegende dat de conversie van kantoorgebouwen voor ander gebruik een van de oplossingen is om het vastgestelde overschot weg te werken;

Dat de administratiegebieden bovendien grotendeels monofunctioneel zijn; dat dit leidt tot een weinig aantrekkelijke sfeer en een laag veiligheidsgevoel; dat deze tendens moet worden omgekeerd door de gemengdheid van deze gebieden na te streven, meer bepaald door er de huisvesting te bevorderen, die buiten de kantooruren een sociale controle zal verzekeren;

Overwegende dat de administratiegebieden meestal goed worden bediend door het openbaar vervoer en over een goede toegankelijkheid beschikken;

Dat ze meestal in de buurt van groene ruimten gevestigd zijn, wat bijdraagt tot de kwaliteit van hun leefkader;

Dat de kantoorfunctie bovendien geen hinder creëert die onverenigbaar is met huisvesting;

Overwegende dat het bijgevolg aangewezen is om van huisvesting een hoofdbestemming te maken in de administratiegebieden, op gelijke voet met de kantoren om er de herbestemming van kantoren in huisvesting aan te moedigen en de ruimere vestiging van woningen toe te laten;

Dat deze wijziging onder andere impliciet zal leiden tot de opheffing van de bijzondere bestemmingsplannen die de verwezenlijking van de hoofdbestemmingen van het gebied niet toestaan; 2.6. Wijziging van voorschrift nr. 8 betreffende de gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten Overwegende dat deze wijziging wordt verantwoord door de wil om de Franse versie van het huidige voorschrift te verduidelijken omdat de interpretatie ervan tot verwarring leidde voor wat betreft de aanvaardbaarheid van huisvesting die geen gebruikelijke aanvulling is op de inrichting of het gebied;

Dat huisvesting vergund is in gebieden van collectief belang of van openbare diensten als secundaire bestemming, met naleving van de speciale regelen van openbaarmaking;

Dat ingevolge het openbaar onderzoek en het advies van de GOC het voorschrift wordt aangepast om voorzieningen duidelijk te identificeren als hoofdbestemming en huisvesting als bijkomende bestemming; 2.7. Wijziging van voorschrift nr. 11 met betrekking tot de groengebieden met hoogbiologische waarde Overwegende dat zowel de GG als de GHBW essentiële onderdelen vormen van het groen netwerk, een inrichtingsprincipe dat conform het glossarium van het GBP gericht is op "het aanleggen of verbeteren van verbindingen tussen de groene ruimten door beplantingen, wandelruimten of ongeacht welke groenstrook" en tot doel heeft "te zorgen voor een adequate ruimtelijke en functionele spreiding van de groene ruimten (voor recreatieve, landschappelijke, ecologische en pedagogische doeleinden), rekening houdend met de behoeften van de inwoners en de stedelijke ecologie";

Dat de bewoordingen van voorschrift nr. 10 met betrekking tot de GG geen twijfel laten bestaan over de mogelijkheid om in deze gebieden inrichtingen te verwezenlijken die bijdragen tot de totstandkoming van het groen netwerk;

Dat voorschrift nr. 11 met betrekking tot de GHBW dienaangaande minder duidelijk is;

Dat het evenwel nooit de bedoeling is geweest van het GBP om de GHBW te onttrekken aan het groen netwerk, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat het merendeel van deze gebieden doorkruist werden door paden nog vóór het GBP van kracht werd en dat deze paden sindsdien toegankelijk gebleven zijn voor het publiek;

Dat het dus aangewezen is de bewoordingen van voorschrift nr. 11 van het GBP te verduidelijken door te preciseren dat er enkel de handelingen en werken zijn toegelaten die noodzakelijk zijn voor de actieve of passieve bescherming van het natuurlijk milieu of van de soorten, alsook voor de totstandkoming van het groen netwerk;

Dat de Regering ingevolge het openbaar onderzoek en het advies van de GOC deze interpretatie verder wenst te verduidelijken door de oorspronkelijke wijziging aan te vullen als volgt : "op voorwaarde dat in dit laatste geval de handelingen en werken verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied";

Overwegende dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de mening deelt van de GOC en van die indieners van bezwaren die menen dat de wijziging van voorschrift 11 niet aansluit bij de overwegingen die aangevoerd werden ter rechtvaardiging van de goedkeuring van het besluit tot instelling van de procedure van gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de afdeling wetgeving evenwel opmerkt dat de wil om de bepaling duidelijker te formuleren zonder aan de inhoud ervan te raken, het kader te buiten gaat dat afgebakend werd door het besluit van 20 januari 2011, zonder verder in detail te treden over de redenen die aan de grond liggen van deze vaststelling;

Dat de Regering dit standpunt niet deelt om de hierboven aangehaalde redenen en omwille van het feit bovendien dat deze zuiver vormelijke wijziging van voorschrift 11 die uitdrukkelijk deel uitmaakt van het op 29 maart 2012 vastgestelde ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP onderzocht werd in het kader van het MER en voorgelegd werd aan het openbaar onderzoek en aan adviesorganen die in het kader van de procedure geraadpleegd dienden te worden; dat het nut van het procedurele kader derhalve volledig intact is gebleven en dat wat sommigen als een ommezwaai in de houding van de Regering tussen de goedkeuring van het besluit van 20 januari 2011 en dat van 29 maart 2012 zouden kunnen beschouwen op gepaste wijze gemotiveerd is, zowel in het besluit van 29 maart 2012 als in dit besluit;

Dat de Regering bijgevolg van plan is de vormelijke wijziging van voorschrift 11 van het GBP om de toegelichte redenen te behouden 2.8. Wijziging van voorschrift nr. 18 betreffende de gebieden van gewestelijk belang Overwegende dat dit voorschrift een procedurele eis invoert die in de praktijk zonder gevolg gebleven is vermits de vergunningsaanvragen die voor deze gebieden worden ingediend, meestal slechts de urbanisatie van een deel van hun oppervlakte voorzien, hoewel ze de hele perimeter van het GGB omvatten;

Dat de urbanisatie van de totale perimeter van deze gebieden meestal gebeurt op basis van opeenvolgende aanvragen voor stedenbouwkundige vergunningen;

Dat de plicht voor eigenaars om het totale grondgebied van de GGB te urbaniseren op basis van een enkele stedenbouwkundige vergunning, die geldt voor meerdere gebouwen die verschillende bestemmingen kunnen hebben, een hindernis kan zijn voor de bouw van woningen omdat niet alle kandidaat-bouwers de mogelijkheid en/of de capaciteit hebben om de simultane ontwikkeling te realiseren van de andere functies die in het GGB zijn geprogrammeerd;

Dat het bijgevolg gewenst is om deze nutteloze en potentieel contraproductieve procedurele eis te schrappen;

Overwegende trouwens dat de noodzaak om de omgeving van het Heizelstadium onmiddellijk her in te richten, rechtvaardigt dat het nieuwe GGB nr.15 Heizel, dat een relatief beperkte perimeter dekt, wordt ingeschreven bij de GGB's die - bij gebrek aan BBP, kunnen worden bebouwd in overeenstemming met hun programma;

Overwegende dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de mening deelt van de GOC en van die indieners van bezwaren die menen dat de wijziging van voorschrift 18 niet aansluit bij de overwegingen die aangevoerd werden ter rechtvaardiging van de goedkeuring van het besluit tot instelling van de procedure van gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de afdeling wetgeving evenwel opmerkt dat de wil om een procedurele vereiste die in de praktijk nutteloos is gebleken te schrappen, zonder aan de inhoud van voorschrift 18 te raken, het kader te buiten gaat dat afgebakend werd door het besluit van 20 januari 2011, zonder verder in detail te treden over de redenen die de afdeling tot deze vaststelling geleid hebben;

Dat de Regering dit standpunt niet deelt om de hierboven aangehaalde redenen;

Dat voorschrift 18 zoals gewijzigd bovendien verwijst naar de GGB's nr. 15 (Heizel) en nr. 16 (Delta), sites waar in het bijzonder op gedoeld wordt in de beschouwingen van het besluit van 20 januari 2011 ter rechtvaardiging van de instelling van de procedure tot gedeeltelijke wijziging van het GBP; dat in deze beschouwingen herinnerd wordt aan het belang deze twee sites te urbaniseren in het licht van de richtlijnen van het Plan voor Internationale Ontwikkeling (PIO); dat de procedurele vereenvoudiging die voortvloeit uit de wijziging van voorschrift 18 in de prioritaire ontwikkeling van het PIO kadert; dat de wijziging bijgevolg behouden dient te worden; dat met het oog op een identieke behandeling van de andere reeds door voorschrift 18 bedoelde GGB's deze procedurele vereenvoudiging ook op hen van toepassing is;

Dat deze procedurele wijziging van voorschrift 18 die uitdrukkelijk deel uitmaakt van het op 29 maart 2012 vastgestelde ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het GBP tot slot onderzocht werd in het kader van het MER en voorgelegd werd aan het openbaar onderzoek en aan adviesorganen die in het kader van de procedure geraadpleegd dienden te worden; dat het nut van het procedurele kader derhalve volledig intact is gebleven en dat wat sommigen als een ommezwaai in de houding van de Regering tussen de goedkeuring van het besluit van 20 januari 2011 en dat van 29 maart 2012 zouden kunnen beschouwen op gepaste wijze gemotiveerd is, zowel in het besluit van 29 maart 2012 als in dit besluit;

Dat de Regering bijgevolg van plan is de vormelijke wijziging van voorschrift 18 van het GBP om de toegelichte redenen te behouden. 2.9. Wijziging van voorschriften betreffende bepaalde gebieden van gewestelijk belang (GGB) Overwegende dat de wijziging van de programma's van de GGB's met het oog op, enerzijds, de invoering van deze bestemming in de gebieden die deze nu niet toelaten en, anderzijds, het verhogen van het aandeel van de huisvesting in een aantal van de gebieden die hierin reeds voorzagen; 2.9.1. GGB Nr. 3 : Weststation Overwegende dat dit gebied zich over twee wijken aan weerszijden van de spoorweg uitstrekt en is voorzien van grote economische ruimten en een hoge concentratie aan woningen;

Dat de bevolkingsdichtheid rond de GGB er relatief hoog is;

Dat het gerechtvaardigd lijkt om op 13 ha van de GGB, die nu ondergebruikt zijn, een wijk te ontwikkelen met een groot aantal woningen en voorzieningen, die de twee delen van de gemeente die vandaag gescheiden zijn door de inname van de spoorweg, met elkaar zal verbinden;

Overwegende de studie betreffende het richtschema van het GGB nr. 3 Weststation;

Dat deze studie de haalbaarheid van een gemengde ontwikkeling op het volledige gebied aantoont en voorstelt om er zo'n 150 000 m² nieuwe vloeroppervlakten te creëren, waarvan minstens 50 % bestemd is voor huisvesting en de rest voor voorzieningen, kantoren, handelszaken en productieactiviteiten;

Overwegende de heel goede bediening van het GGB door het openbaar vervoer (metro, tram, bus en spoorlijn);

Dat het Weststation deel zal uitmaken van de GEN-stations, wat zijn intermodale dimensie verder zal versterken;

Dat de site door deze hoedanigheid bijzonder interessant is voor de ontwikkeling van de huisvesting;

Dat het bijgevolg aangewezen is de minimumdrempel voor huisvesting hier op te trekken van 20 % tot 50 %, dit is de drempel die bepaald is door de studie met betrekking tot de uitvoering van het richtschema voor dit GGB;

Overwegende dat ingevolge het openbaar onderzoek en het advies van de GOC het programma van het GGB bovendien als volgt wordt aangevuld : " De stadscompositie van het geheel beoogt de Noord/Zuid-verbindingen te verbeteren door middel van permeabiliteit van de site voor voetgangers en fietsers ";

Overwegende dat de afdeling wetgeving van de Raad van State van mening is dat de toevoeging van een lid aan het programma van GGB nr. 3, waarin bepaald wordt dat "de stedelijke vormgeving van het geheel de verbetering van de noord-zuidverbindingen beoogt door de site permeabel te maken voor voetgangers en fietsers", niet aansluit bij de overwegingen die aangevoerd werden ter rechtvaardiging van de goedkeuring van het besluit tot instelling van de procedure van gedeeltelijke wijziging van het GBP;

Dat de afdeling wetgeving echter niet de redenen toelicht die haar tot deze vaststelling leiden;

Dat de Regering dit standpunt niet kan delen, omdat met deze toevoeging een positief antwoord poogt te worden gegeven op een voorstel dat geformuleerd wordt in het advies van de GOC dat verwijst naar de richtlijnen van het richtschema dat voor het gebied uitgewerkt wordt;

Dat een bevestiging van het standpunt dat de afdeling wetgeving van de Raad van State met betrekking tot dit punt ingenomen heeft neer zou komen op een ontkenning van het nut van het openbaar onderzoek en van de adviezen verleend door de verschillende geraadpleegde instanties;

Dat in dit geval de toevoeging steunt op het advies van de GOC, bijkomstig is en de in het besluit van 20 januari 2011 aangekondigde richtlijnen van de gedeeltelijke wijziging van het GBP niet in vraag stelt;

Dat integendeel, aangezien deze gedeeltelijke wijziging vooral als aangekondigd doel heeft de inplanting van woningen te bevorderen in de verschillende gebieden van het GBP die voor verstedelijking in aanmerking komen, de toevoeging van voormeld lid in het programma van GGB nr. 3 in dit doel kadert, vermits de bijzondere aandacht die besteed wordt aan de toegankelijkheid van dit gebied voor voetgangers en fietsers in verband staat met de verhoging van de minimale oppervlakte bestemd voor woningen die er opgelegd wordt en bij zal dragen tot een verbeterde leefbaarheid;

Dat de Regering bijgevolg van plan is de toevoeging van het bovengenoemde lid aan het programma van GGB nr. 3 te behouden 2.9.2. GGB Nr. 6B : Thurn & Taxis Overwegende dat GGB nr. 6A en 6B het voorwerp waren van een richtschema dat onder meer voorziet om de grondgebieden te "verbinden" door de Maritieme wijk te verbinden met de Maria-Christinawijk, een nieuw gewestpark te creëren en er uiteenlopende bestemmingen te vestigen;

Overwegende de bevoorrechte ligging van de site langs het kanaal, in de rand van de eerste kroon, nabij het centrum van Brussel en de dichtbebouwde gemengde gebieden;

Overwegende de ligging van de site in het toekomstig netwerk van het openbaar vervoer;

Dat de bediening van de site in de toekomst zal worden verbeterd door de bouw van een brug in het verlengde van de Bolivarlaan voor aansluiting op de Havenlaan en de Picardstraat, voorbehouden voor het openbaar vervoer en de actieve vervoersmodi;

Overwegende dat er een tramlijn zal worden aangelegd die de site enerzijds verbindt met de Jubelfeestlaan en het station Bockstael en anderzijds met het Rogierplein via het Noordstation;

Overwegende dat, indien huisvesting wordt vergund in het GGB nr. 6A, dat niet zo is in het GGB nr. 6B; dat dit verschil niet meer gerechtvaardigd is, gelet op het voorgaande;

Dat bijgevolg de mogelijkheid moet worden gegeven om woningen te vestigen in het GGB nr. 6B, om een gemengdheid van de functies te bevorderen;

Overwegende daarenboven dat het erop aan komt een kwaliteitsvol leefkader te bieden aan de toekomstige bewoners;

Dat het daarom betaamt de openbare groene ruimten in de gebieden van de eerste kroon die in de toekomst sterk verdicht zullen worden, te vermeerderen en te bestendigen;

Dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 april 2009 betreffende de tenuitvoerbrenging, via een BBP, van het GGB nr. 6 voor de GGB's 6A en 6B voorziet in de verplichte aanleg van een multifunctionele openbare groene ruimte van 7 hectare;

Dat het derhalve aangewezen is de voor het GGB nr. 6 voorziene oppervlakte voor openbare groene ruimten te wijzigen door ze te spreiden over GGB nr. 6A en GGB nr. 6B;

Dat het evenwel betaamt de aanleg toe te laten van gevarieerde en multifunctionele openbare ruimten die geschikt zijn voor verschillende gebruiksdoeleinden (ontspanning, rust, spelen, opzetten van grote tenten, organiseren van diverse evenementen, ..);

Dat bijgevolg : de openbare groene ruimte van GGB nr. 6A een landschapsbehandeling zal krijgen en verharde delen zal kunnen omvatten; de openbare groene ruimte van GGB nr. 6B verharde delen zal omvatten met een zone die bestemd is voor het organiseren van occasionele evenementen; 2.9.3. GGB Nr. 7 : Van Volxem Overwegende dat het gebied nabij een residentiële wijk ligt; dat in de buurt meerdere huisvestingsprojecten zijn verwezenlijkt;

Dat dit gebied ook in een vroegere industriële wijk ligt die de herkwalificatie van de vroegere brouwerijen Wielemans in Centrum voor Hedendaagse Kunst heeft gekend;

Dat er een bouwproject voor een school bestaat op een deel van het gebied;

Dat het GEN-project de toegankelijkheid van het gebied via het Zuidstation, de stations van Vorst-Oost en Vorst-Zuid bevordert; dat ook de creatie van een station in Wielemans-Ceupens wordt bestudeerd;

Overwegende dat deze diverse inrichtingen pleiten voor de vestiging van woningen op de site;

Dat het gebied een potentieel aan bebouwbare vloeroppervlakte bevat, dat in de voorbereidende studie van het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP, wordt geraamd op 18 000 tot 25 000 m²;

Overwegende dat huisvesting, handel en voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten vanaf heden de hoofdbestemmingen van dit GGB zullen zijn, met het oog op zijn betere residentiële aantrekkelijkheid; dat de kantoren en de productieactiviteiten secundaire bestemmingen worden; 2.9.4. GGB nr. 13 : Station Josaphat Overwegende dat het betaamt op een site waarop in de toekomst een grote woonwijk zal worden ontwikkeld, de aanleg van een minimum aan groene ruimten te waarborgen om zo een kwaliteitsvol leefkader te garanderen voor de toekomstige bewoners;

Dat het er derhalve op aankomt de minimale oppervlakte te bepalen die in het programma voor GGB nr. 13 voorbehouden moet worden voor groene ruimten;

Overwegende dat het GewOP en het in opmaak zijnde BBP voorzien in de aanleg van een groene ruimte en van een groen snoer aan de westelijke rand van het GGB Station Josaphat;

Overwegende dat de verschillende scenario's die opgenomen zijn in het ter studie voorliggende BBP de bestaande taluds met bomen grotendeels behouden om er de interessante ecologische kenmerken van te vrijwaren;

Overwegende dat het op grond daarvan betaamt in het programma voor het GGB de verplichting op te leggen minstens 1 hectare niet bij de wegen horende groene ruimten aan te leggen; 2.10. Creatie van een nieuw GGB : nr. 15 - HEIZEL Overwegende dat het Plan voor de Internationale Ontwikkeling dit gebied identificeerde omdat de internationale aantrekkelijkheid en roeping van de site moeten worden gevaloriseerd;

Dat jaarlijks inderdaad ongeveer 4,5 miljoen bezoekers de site van de Heizel bezoeken; dat het toerisme, zowel als vrijetijdsbesteding als voor congressen, een sector met een hoog economisch potentieel is;

Dat het een van de redenen is waarom de Heizelvlakte werd geïdentificeerd als één van de gebieden die geschikt is voor de vestiging van voorzieningen die bijdragen tot de verbetering van het internationale statuut van het Gewest, zoals een congrescentrum van internationale omvang en een grote concertzaal;

Overwegende dat het gaat om het optimaliseren van een site die al bebouwd is en een heel goede bediening door het openbaar vervoer kent, dat geografisch verdeeld is rond de site en deze meer bepaald een rechtstreekse en snelle verbinding verzekert met het station Brussel-Zuid en de Vijfhoek;

Dat de kwaliteit van deze bediening meer bepaald in het kader van de organisatie van grote evenementen een belangrijke troef is;

Overwegende dat de openbare grondbeheersing van de site een troef is om er gemengde bestemmingen te voorzien;

Overwegende dat het milieueffectenrapport van het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP steunt op de programmering uit de studie van de herinrichting van de Heizelvlakte die de Stad Brussel heeft gemaakt;

Dat deze programmering een internationaal congrescentrum van 3 500 plaatsen, een concertzaal met een capaciteit van minstens 15 000 plaatsen, een winkelcomplex van 72 000 m² en andere functies voorziet, waaronder de woonfunctie (750 woningen);

Dat het MER het aantal banen dat wordt gecreëerd door de verwezenlijking van dit programma, op 7500 banen in de bouwsector (tijdens de bouwperiode van de nieuwe infrastructuren) en 2075 bedienden voor de exploitatie van de geplande infrastructuren heeft geraamd;

Overwegende dat het interessant lijkt om het leeuwendeel van deze functies op een deel van de site te concentreren, te combineren en te groeperen in een logica van rationeel bodemgebruik en dus van voorbeeldigheid qua milieu;

Overwegende dat de betrokken perimeter volgens het milieueffectenrapport van het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP7,76 ha groene ruimten telt in de bestaande feitelijke toestand;

Dat de nagestreefde voorbeeldigheid qua milieu ook de handhaving impliceert van een minstens equivalente oppervlakte aan groene ruimten;

Overwegende daarenboven dat het, gelet op voorgaande elementen, betaamt om in dit gebied te voorzien in de bouw van een stelplaats voor het openbaar vervoer en de site beter toegankelijk te maken voor voetgangers en fietsers;

Overwegende dat de omvang van het programma dat op de site gepland is, de creatie vereist van een nieuw gebied van gewestelijk belang dat, in het GBP, de grote lijnen van dit programma vastlegt;

Dat de perimeter van dit nieuw GGB niet de volledige Heizelvlakte bestrijkt, maar enkel de huizenblokken omvat die beoogd worden door de hierboven vermelde programmering; 2.10.bis Nieuw GGB : Delta Overwegende dat de huidige bestemming als spoorweggebied van de site Delta Noord momenteel niet geschikt is voor de toekomstige ontwikkeling van het gebied zoals overwogen in het PIO;

Overwegende dat, gezien de vestiging van de EC op de site geannuleerd werd, de Regering besloot om op deze site een nieuwe wijk met hoofdzakelijk huisvesting te zien ontstaan;

Dat ingevolge het openbaar onderzoek en het advies van de GOC, besloten werd om dit terrein als GGB te bestemmen en over een globale visie voor de ontwikkeling ervan te beschikken; dat huisvesting als hoofdfunctie werd opgenomen in het programma van GGB nr. 16 "Delta"; 2.11. Wijziging van het programma voor het gebied van gewestelijk belang met uitgestelde aanleg : Vormingsstation Overwegende dat het in het licht van de verwachte bevolkingsgroei in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest absoluut nodig is in het Gewest te voorzien in de nodige terreinen voor de logistieke bediening met het oog op de dagelijkse bevoorrading;

Overwegende dat de in uitvoering zijnde studie over het gebied Schaarbeek-Vorming bepaalt om op deze site een multimodale logistieke pool te vestigen;

Overwegende de Regeringsbeslissing van 14 januari 2010 om het stedelijk distributiecentrum (BILC) onder te brengen op Schaarbeek-Vorming;

Overwegende dat de vroegmarkt en het Europees Centrum voor fruit en groenten in de toekomst mogelijk zouden moeten verhuizen naar de site van Schaarbeek-Vorming, hetgeen onder meer zal afhangen van de projecten die overwogen worden voor de Mabru-site;

Overwegende de nabijheid van het kanaal, de spoorweg en de verkeersweg die dit GGBUA uitermate geschikt maakt voor de uitbouw van een trimodaal platform (water, spoor, weg);

Dat het bijgevolg aangewezen is in dit gebied de vestiging toe te laten van logistieke en havenactiviteiten;

Dat, ingevolge het openbaar onderzoek en het advies van de GOC, de logistieke activiteit als hoofdbestemming van het gebied werd aangeduid; 2.12. Wijziging van algemeen voorschrift 0.14, van de voorschriften 16 en 18 en van de programma's van de GGB's nr. 1, 2, 3, 5, 7, 8 en 12 wat betreft hun verwijzing naar de inwerkingtreding van het plan Overwegende dat moet worden verduidelijkt dat de datum van inwerkingtreding van het plan waarnaar wordt verwezen in deze voorschriften en programma's, de datum van inwerkingtreding van het GBP op 3 mei 2001 blijft; dat de datum van inwerkingtreding van de gedeeltelijke wijziging van het plan deze datum niet vervangt;

II. 3. WIJZIGINGEN AAN DE KAART VAN DE BODEMBESTEMMINGEN 3.1. Gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht Overwegende dat de voorbereidende studie van het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP systematisch alle gebieden voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht (verder "GSVOL") heeft geteld om de relevantie van deze bestemming te bekrachtigen op de plaatsen waar ze voorzien is door het GBP;

Dat deze studie enkele gebieden heeft kunnen identificeren die niet worden gebruikt voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht;

Overwegende dat het GSVOL van Watermaal-Bosvoorde in de huizenblok tussen de Tritomastraat, de Scabiosastraat, de Kerstrozenstraat, de Aartshertogenlaan en -square een gewezen rugbyterrein is, eigendom van de gemeente, nu een braakliggend terrein is;

Dat dit gebied omgeven is door gebouwen langs de Aartshertogensquare en de Kerstrozenstraat;

Dat dit gebied, in de tuinstad Floréal, die bestemd is als woongebied met residentieel karakter, zich bijzonder goed leent voor een residentiële bestemming die zijn omgeving respecteert;

Dat dit terrein dus bestemd is als woongebied met residentieel karakter;

Overwegende dat het GSVOL in Watermaal-Bosvoorde en Oudergem, in het huizenblok tussen de Woudmeesterlaan, de Jean Accentlaan, de René Stevenslaan, de Jean Van Horenbeeklaan en Ten Reuken, bestaande uit percelen van een privé-eigenaar, al minstens tien jaar niet meer wordt gebruikt voor sport- of vrijetijdsactiviteiten;

Dat zijn ligging in een wijk die bestemd is als woongebied met residentieel karakter, nabij de parken Seny en Ten Reuken en het Zoniënwoud, er een geschikte site van maakt voor een bestemming als woongebied met residentieel karakter;

Overwegende trouwens twee huizenblokken in Anderlecht, waarvan de ene tussen de Henri Simonetlaan en de Quarantainestraat ligt en de andere tussen de Quarantainestraat en de spoorweg;

Dat deze twee huizenblokken vandaag onderdak bieden aan braakliggende terreinen en weinig geschikt zijn voor de ontwikkeling van een gebied voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht (kleine terreinen, aanwezigheid van taluds, ...);

Dat deze huizenblokken aanleunen bij de Zonings GOMB Erasmus Zuid (door het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP om lager vermelde redenen als ondernemingsgebied in de stedelijke omgeving bestemd);

Dat deze huizenblokken goed bereikbaar zijn via het wegennet;

Dat deze twee huizenblokken bijgevolg moeten worden bestemd als ondernemingsgebied in een stedelijke omgeving, zoals omschreven in de onderstaande titel 3.3. betreffende de wijzigingen aangebracht aan de letterlijke voorschriften van het GBP; 3.2. Spoorweggebied Overwegende de in Brussel gelegen terreinen die zich bevinden in een spoorweggebied vlak naast het gemengd gebied in de Navezstraat;

Dat deze terreinen momenteel niet bebouwd zijn, maar ingenomen worden door moestuinen;

Dat de omliggende huizenblokken, die gelegen zijn in gemengd gebied, voor het grootste deel ingenomen worden door economische activiteiten;

Dat van aan de Navezstraat een toegangsweg kan worden aangelegd naar deze niet bebouwde terreinen die gelegen zijn in spoorweggebied;

Dat deze terreinen geschikt zijn voor de ontwikkeling van economische activiteiten;

Dat het betaamt deze terreinen in te delen als gebied voor stedelijke industrie om zo de verdwijning te compenseren van het soortgelijk gebied dat momenteel is ondergebracht op de Deltasite, die omgevormd zal worden tot een gebied voor uitrustingen van collectief belang of van openbare dienst;

Overwegende de gronden gelegen in Ukkel tussen de Horzelstraat, de Vleeskersenstraat, de Noordkriekenstraat en de Lindenlaan, vandaag bestemd als spoorweggebied;

Overwegende dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat het opportuun is deze gronden te bestemmen als gemengd gebied zodat er projecten kunnen worden ontwikkeld met een gemengd karakter dat is aangepast aan de toestand ter plaatse;

Dat de site het voorwerp heeft uitgemaakt van een stedenbouwkundig attest met effectenstudie, met de bedoeling er de infrastructuren en installaties in te richten die zijn verbonden aan de exploitatie van het GEN;

Dat de stedenbouwkundige vergunning volgend op dit stedenbouwkundig attest ondertussen is uitgereikt;

Dat op de rest van de site een ontwikkeling van bebouwing en activiteiten kan worden voorzien op de percelen van de spoorweg;

Dat de Regering de vraag goedkeurt om een deel van dit spoorweggebied te veranderen in een gemengd gebied;

Overwegende het huizenblok dat ligt tussen de toegangsweg tot het station Vorst-Oost, de J-B Vanpelaan, de Monte Carlolaan en de Brusselsesteenweg, dat vandaag bestemd is als spoorweggebied;

Overwegende dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat het opportuun is dit huizenblok te bestemmen als sterk gemengd gebied zodat het kan worden opgewaardeerd ten gunste van woningen, productieactiviteiten en/of uitrustingen en hiermee voor continuïteit kan worden gezorgd bij het sterk gemengde gebied aan de overkant van de Brusselsesteenweg;

Dat de Regering deze vraag goedkeurt; 3.3. Ondernemingsgebieden in een stedelijke omgeving en het sterk gemengd gebied 1. Overwegende dat, wat betreft het beginsel van de creatie van ondernemingsgebieden in de stedelijke omgeving (verder de "OGSO"), wordt verwezen naar bovenstaande uitleg onder de titel over de wijzigingen aan de schriftelijke voorschriften van het GBP;2. Overwegende dat verder de redenen worden uiteengezet die de bestemming van bepaalde gebieden als OGSO hebben gerechtvaardigd;3. Overwegende om te beginnen, dat de studies die werden gemaakt in het kader van de verwezenlijking van het DgewOP vaststellen dat het kanaalgebied in de toekomst een meer centrale rol zal spelen in het Gewest en een ontwikkeling zal kennen, zowel op het vlak van demografie als qua mobiliteit en steun aan de economische ontwikkeling; Dat het kanaal van breukas zal evolueren naar verbindingsas, ruggengraat van een nieuw stadscentrum;

Dat werd vastgesteld dat in het centrale gebied van het kanaal een groot aantal conversies naar huisvesting plaatsvinden, wat veel minder het geval is in het noorden en het zuiden van dit gebied : dat dit fenomeen wordt verklaard door de sterke demografische druk waaraan het oude industriële weefsel van het centrum van het Gewest is onderworpen; 3.1. Overwegende dat het huizenblok in Brussel tussen de Werkhuizenkaai, de Paleizenstraat, het Masuiplein, de Verlengde Masuistraat en de spoorweg momenteel bestemd is als sterk gemengd gebied;

Dat dit gebied voor een zeer groot deel geëxploiteerd wordt door het bedrijf Sibelga (bedrijfszetel en productie-activiteiten), dat onlangs stedenbouwkundige vergunningen verkregen heeft voor een verregaande herinrichting van deze site (aanleg van de omgeving van de gebouwen, nieuwe constructies, renovaties, ...); dat dit gebied tevens woningen omvat langs de Paleizenstraat en het Masuiplein;

Dat dit gebied gelegen is in de nabijheid van het kanaal en de spoorweg en dat het openbaar vervoersnet er bovendien goed is uitgebouwd, inzonderheid op de Koninginnelaan en de Werkhuizenkaai; dat langs de Werkhuizenkaai een groot aantal voertuigen passeert, waardoor de in dit gebied gevestigde bedrijven een vrij goede zichtbaarheid genieten;

Dat zich in de directe omgeving woningen bevinden in het zuiden, groothandelsbedrijven in het noorden, spoorwegen in het oosten en het noorden en het kanaal in het westen;

Dat dit gebied, door de benutting ervan en zijn ligging, beschouwd kan worden als een overgangszone tussen een gemengde stadswijk en een wijk met een overheersende economische functie;

Dat het erop aankomt de economische activiteiten er te bevorderen, maar tegelijk de woonfunctie te vrijwaren; 3.2. Overwegende dat het huizenblok in Brussel tussen de Werkhuizenkaai, de Lambermontlaan en de spoorweg vandaag grotendeels bestemd is als gebied voor havenactiviteiten en vervoer en in mindere mate als gebied voor stedelijke industrie;

Dat het gebied voor havenactiviteiten van de Werkhuizenkaai wordt bestudeerd in het kader van de studie betreffende de redactie van het richtschema van Schaarbeek Vorming;

Dat deze studie, in zijn versie van 29 januari 2013, de inrichting overweegt van een gemengd stedelijk weefsel in dit gebied, na de verhuizing op middellange termijn van de Vroegmarkten;

Dat de Haven van Brussel, in zijn Memorandum, voorstelt om de bestemming van dit huizenblok te wijzigen om er andere functies toe te laten;

Dat dit gebied in een gebied B van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV ligt en in de buurt van het IC/IR- reizigersstation van Schaarbeek;

Dat dit huizenblok het voorwerp was van talrijke infrastructuurprojecten voor wegverkeer en openbaar vervoer;

Dat een bestemming als OGSO hoger vermelde inrichtingen mogelijk zal maken; 3.3. Overwegende de huizenblokken en een deel van het huizenblok in Anderlecht en Molenbeek, tussen de Verheydenstraat, de N. Doyenstraat, de L. Delacroixstraat, de F. Demetskade en de spoorweg, die bestemd zijn als gebied voor stedelijke industrie en bestaan uit grote percelen, niet dicht bebouwd;

Dat de overheid een reeks vrije of verdichtbare percelen in het centrum van het gebied bezit;

Dat dit huizenblokken zich uitstrekt over de gebieden A, B en C van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV;

Dat de bestemming als OGSO toelaat om de betrokken huizenblokken en delen van huizenblokken te herstructureren; 3.4. Overwegende het huizenblok in Sint-Jans-Molenbeek tussen de Birminghamstraat, het Hertogin van Brabantplein, de Mariemontkaai en de De Bonnestraat dat bestemd is als sterk gemengd gebied;

Dat dit huizenblok ingenomen wordt door economische activiteiten en zeer weinig of geen huisvesting bevat;

Dat er industriële panden aan te treffen zijn die soms dienst doen voor administratieve activiteiten en daarnaast ook een heterogene bebouwing; dat de omgeving van de site hoofdzakelijk geïndustrialiseerd is en zeer dicht benut wordt; dat de site omzoomd wordt door verschillende wegen waarop groot vrachtvervoer mogelijk is;

Dat door de omvorming van dit huizenblok tot een OGSO de bestaande productie-activiteiten behouden kunnen blijven, terwijl er daarnaast ook huisvesting wordt toegelaten; 3.5. Overwegende de huizenblokken in Anderlecht : - tussen de E. Vanderveldesquare, de Zoutstraat, de spoorweg, de dijk van het Kanaal, de Industrielaan en de Paapsemlaan; - tussen de Twee Stationsstraat, de Veeartsenstraat en de spoorweg;

Dat deze huizenblokken nu bestemd zijn als ondernemingsgebied in de stedelijke omgeving;

Dat deze huizenblokken talrijke braakliggende of gedeeltelijk bebouwde percelen omvatten;

Dat de nabijheid van schoolvoorzieningen en van een laan met bomen, deze site bijzonder geschikt maakt voor de vestiging van woningen;

Dat we wijzen op de aanwezigheid van twee ondernemingen "Seveso" in de buurt;

Dat de onderneming Univar op korte termijn zal verhuizen en de onderneming Cotanco binnenkort zijn milieuvergunning moet verlengen;

Dat dit gebied voor het grootste deel in gebied C van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV ligt;

Dat de bestemming als OGSO toelaat om het gebied te herstructureren; 3.6. Overwegende het huizenblok en het deel van het huizenblok in Evere en Schaarbeek, tussen de Leuvensesteenweg, de Léon Grosjeanlaan, de Kolonel Bourgstraat en de Jacques Georginlaan, bestemd als gebied voor stedelijke industrie;

Dat het richtschema Reyers op deze plaats de ontwikkeling voorziet van een gemengde wijk waarin huisvesting zou worden toegelaten op de verdiepingen van de gebouwen waarvan de gelijkvloerse verdieping bestemd is als gebied voor stedelijke industrie, verenigbaar met huisvesting;

Dat deze ontwikkelingen zullen leiden tot een stijging van de bouwdichtheid in de wijk;

Dat deze verdichting de verwezenlijking van heuse stadswijken zal toelaten;

Dat dit huizenblok en het deel van een huizenblok gevestigd zijn in gebied C van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV;

Dat ze gevestigd zijn in de buurt van het station Meiser dat op termijn zal worden bediend door het GEN;

Dat hun bestemming als OGSO de ontwikkeling van dit project zal toelaten; 3.7. Overwegende : het huizenblok in Schaarbeek tussen de J. Georginlaan, de Kolonel Bourgstraat, de A. Reyerslaan en de H. Evenepoelstraat; het huizenblok in Evere tussen de Leuvensesteenweg, de G. De Lombaerdestraat, de Maquisstraat, de G. Van Laethemstraat en de H. Verriestlaan, dat grotendeels wordt ingenomen door de busstelplaats van De Lijn, waarover het richtschema Reyers vooropstelt dat deze daar op lange termijn zou vertrekken; het huizenblok in Schaarbeek en Evere tussen de Leuvensesteenweg, de Tollaan, de E40 en de Gemeenschappenlaan;

Dat elk van deze huizenblokken een sterk gemengd gebied omvat;

Dat het richtschema Reyers aanbeveelt de percelen op deze plaatsen te verdichten om de vestiging van handelszaken, K.M.O.'s en woningen te bevorderen;

Dat deze SGG's daarenboven bereikbaar zijn met het openbaar vervoer dat de Leuvensesteenweg bedient, vanwaar ze een goede zichtbaarheid genieten; 3.8. Overwegende het huizenblok in Sint-Jans-Molenbeek tussen de Osseghemstraat, de Euterpestraat, de De Rudderstraat, de J.B. Janssenstraat en de Delhaizestraat, dat gelegen is in een sterk gemengd gebied;

Dat het derhalve opportuun is deze te bestemmen als OGSO;

Dat dit huizenblok thans ingenomen wordt door de magazijnen van Delhaize en een tot dezelfde groep behorende supermarkt;

Dat dit huizenblok zich bevindt in een dicht stadsweefsel; dat de gebouwen in bepaalde gevallen aan de straat grenzen met een blinde gevel of een muur die zorgt voor een weinig fraaie breuklijn (onder meer in de Janssenstraat); dat de bebouwing hoofdzakelijk bestaat uit opslagplaatsen; dat er tevens grote manoeuvreer- en parkeerruimtes voor vrachtwagens aan te treffen zijn;

Dat het huizenblok zich bevindt in de nabijheid van het Weststation en van huizenblokken die bestemd zijn als gemengd gebied, woongebied of woongebied met residentieel karakter;

Dat deze goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer en de omgeving bevorderlijk zijn om op dit huizenblok woningen te vestigen;

Dat het er evenwel op aankomt de bestaande economische activiteit te versterken, zonder in de toekomst de inplanting van woningen te verhinderen;

Dat de bestemming van het huizenblok als OGSO tegemoetkomt aan deze dubbele eis; 4. Overwegende trouwens dat de analyse van het te bebouwen en verdichtbare grondpotentieel (gedeeltelijk onbebouwde percelen) het belang aantoont van twee belangrijke sites op de rand van de gewestgrenzen (Erasmus en NAVO/Leopold III); 4.1. Overwegende, in de eerste plaats, de huizenblokken die nu bestemd zijn als gebied voor stedelijke industrie en, in mindere mate, als gebied voor sport- of vrijetijdsactiviteiten in de open lucht - waarvan al sprake was in titel 3.1, hoger - in Anderlecht, tussen de Henri Simonetlaan en de gewestgrens Dat de voorbereidende studie van de gedeeltelijke wijziging van het GBP erkend heeft dat deze huizenblokken een zeker grondpotentieel hebben dat in de toekomst sterk zal evolueren, in het bijzonder indien deze huizenblokken worden geopend voor huisvesting;

Dat deze huizenblokken zich uitstrekken over de gebieden B en C van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV;

Dat de bestemming van de betrokken huizenblokken als ondernemingsgebied in de stedelijke omgeving zal toelaten om hen te herstructureren en er huisvesting toe te laten; 4.2. Overwegende, in de tweede plaats : het huizenblok te Brussel, tussen de Middelweg, de Haachtsesteenweg en de Waterranonkelstraat; de huidige site van de NAVO in Brussel en Evere, in het huizenblok tussen de Bourgetlaan en de Jules Bordetlaan, de Everestraat en de gewestgrens; het huizenblok te Brussel, tussen het Middelweg, de Haachtsesteenweg, de Vliegveldstraat en de A. Maesstraat; het huizenblok te Brussel, tussen de waterranonkelstraat, de Haachtsesteenweg en de spoorweg;

Dat al deze terreinen deel uitmaken van een omvangrijk ontwikkelingsgebied rond de huidige site van de NAVO;

Dat deze terreinen nu bestemd zijn als gebieden voor stedelijke industrie wat de eerste betreft, als gebied van collectief belang of van openbare diensten wat de tweede betreft en als sterk gemengde gebieden wat de twee laatste betreft;

Dat de verhuizing van de NAVO de vrijmaking toelaat van een ruimte die geschikt is voor de ontwikkeling van een gemengde wijk;

Dat dit gehele gebied in de toekomst sterk zal evolueren naar een bestemming die huisvesting en economische activiteiten combineert;

Dat deze terreinen in de buurt liggen van gemengde gebieden, gebieden voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten en gebieden voor stedelijke industrie;

Dat ze dus scharnieren vormen tussen de gebieden met economische roeping en de woonwijken;

Dat deze terreinen zich uitstrekken over de gebieden B en C van de toegankelijkheidskaart van Titel VIII van de GSV;

Dat twee GEN-stations gepland zijn in Bordet en Haren;

Dat de bestemming van deze terreinen als OGSO de ontwikkeling zal toelaten van bestemmingen die een overgang kunnen vormen tussen de wijken met economische roeping en de woonwijken;

Overwegende bovendien het huizenblok in Evere tussen de Henry Dunantlaan, de Eenboomstraat, de Kareelovenlaan en de Pierre Dupontstraat;

Dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat dit huizenblok onderhevig is aan de huidige procedure tot gedeeltelijke wijziging van het BBP "900 - Plaatselijke zoning Evere", dit in afwijking van het GBP, om er een functionele mix van economische activiteiten en woningen te vestigen;

Dat de Regering derhalve beslist dit huizenblok te bestemmen als OGSO; 6. Overwegende tot slot de huizenblokken : in Ukkel, tussen de Engelandstraat, de Dieweg, de Groelstveldlaan en de Sint-Jobsteenweg, hoofdzakelijk ingenomen door kantoren van het bedrijf Schneider Electrics; in Jette, tussen de R. Uyttenhovestraat, het De Moorplein en de Hoekje Grondstraat, hoofdzakelijk ingenomen door het bedrijf "AVP" (bedrijf dat communicatie-advies verstrekt en audiovisueel materiaal uitleent voor seminaries, shows, ...); in Jette, tussen de Laarbeeklaan, het Oude-Afspanningsplein, de Tentoonstel-lingslaan, de Kleine Sint-Annastraat en het Poelbos, hoofdzakelijk ingenomen door twee bedrijven (ARTE Print en de Nationale Loterij);

Dat deze drie huizenblokken gelegen zijn in sterk gemengd gebied;

Dat het huizenblok in Ukkel goed bediend wordt door het openbaar vervoer (via het station Ukkel-Calevoet en de trams/bussen die er stoppen), omgeven wordt door woningen en zich bevindt in een zeer groene omgeving;

Dat het huizenblok in Jette, tussen de R. Uyttenhovestraat, het De Moorplein en de Hoekje Grondstraat, zich bevindt tussen huizenblokken die bestemd zijn voor huisvesting en langs de westzijde begrensd wordt door een spoorlijn;

Dat het huizenblok in Jette tussen de Laarbeeklaan, het Oude-Afspanningsplein, de Tentoonstellingslaan, de Kleine Sint-Annastraat en het Poelbos goed bediend wordt door het openbaar vervoer en goed bereikbaar is via de Ring en, naast een groot deel kantoren, aan de zuidkant reeds plaats biedt voor woningen;

Dat het aangewezen is de economische activiteiten op deze drie huizenblokken te versterken, maar daarnaast ook huisvesting toe te laten, wat mogelijk zal zijn door deze blokken te herbestemmen tot OGSO;

Overwegende het huizenblok tussen de Luttrebruglaan, de Gerijstraat, de spoorweg en het GGB Van Volxem, dat vandaag bestemd is als gebied voor stedelijke industrie;

Dat de Regering dit voorstel volgt;

Dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat het opportuun is dit huizenblok te bestemmen als sterk gemengd gebied;

Dat de bestaande feitelijke toestand van dit huizenblok immers voorziet in huisvesting aan de noordelijke zijde en het gelegen is nabij woongebieden, sterk gemengde gebieden en een huizenblok dat staat ingeschreven als OGSO; 3.4. Gebieden voor uitrustingen van collectief belang of van openbare diensten Overwegende het huizenblok tussen de Edith Cavellstraat, de Vanderkinderestraat, de Generaal Lotzstraat en de Marie Depagestraat, dat vandaag bestemd is als gebied voor uitrustingen;

Dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat het opportuun is de bestemming van dit huizenblok te wijzigen om het op handen zijnde gedeeltelijke vertrek van de activiteit op de site "Edit Cavell" die hoort bij Chirec op te vangen; dat een aanvraag voor een stedenbouwkundig attest in onderzoek is voor deze site;

Dat de Regering beslist dit huizenblok in te schrijven als gemengd gebied zodat de site enerzijds kan worden heraangelegd ten gunste van de woonfunctie en dat er anderzijds ook handelszaken kunnen worden gevestigd;

Dat dank zij deze bestemmingswijziging een deel van de activiteiten van CHIREC gehandhaafd kan worden aangezien de voorziening zich in alle gebieden kan vestigen in toepassing van voorschrift 0.7. van het GBP;

Overwegende het huizenblok tussen de Groeselenbergstraat, de Houzeaulaan, de Ringlaan en de Beeldhouwerslaan, dat vandaag bestemd is als gebied voor uitrustingen;

Dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat het opportuun is dit huizenblok te bestemmen als woongebied zodat rekening kan worden gehouden met de lopende uitwerking van het BBP nr. 64 en met de evolutie van de functies ingevolge het vertrek van het vroegere ziekenhuis 2 Alices in november 2011;

Dat inderdaad uit het ontwerp van BBP nr. 64 blijkt dat dit gebied in hoofdzaak bestemd is voor woningen en uitrustingen;

Dat het derhalve opportuun lijkt dit huizenblok te bestemmen als woongebied; 3.5. Parkgebieden Overwegende de volgende delen van huizenblokken in Brussel en Sint-Jans-Molenbeek : - het deel van de Materialenkaai en het deel van het huizenblok dat bestemd is als gebied voor haven- en vervoersactiviteiten tussen de Havenlaan, de kapiteindienst van de Haven van Brussel, het kanaal en het bestaande parkgebied, met uitzondering van de terreinstrook in het verlengde van de twee kanten van de Picardstraat, tussen de Havenlaan en het kanaal, die dienst blijft doen als weg; - het buiten dienst gestelde spoorweggebied gelegen tussen GGB nr. 6A, Thurn en Taxis, de Jubelfeestlaan en het woongebied in de Samberstraat; - het buiten dienst gestelde spoorweggebied langs weerszijden van de gemeentegrens op het huizenblok dat gevormd wordt door de Jubelfeestlaan, de Scheldestraat, de Jean Dubrucqlaan en de Verhoevenstraat; - het buiten dienst gestelde deel van het spoorweggebied en de niet-bebouwde percelen van het gemengd gebied op het huizenblok gevormd door de Jean Dubrucqlaan, de Belgicalaan, de spoorweg- en metrolijnen en de Charles Demeerstraat; - het buiten dienst gestelde deel van het spoorweggebied op het huizenblok gevormd door de Charles Demeerstraat, de spoorweg- en metrolijnen, de Tielemansstraat en de Emile Bockstaellaan;

Dat deze terreinen opgenomen zijn in het richtschema voor hefboomgebied nr. 5 "Thurn en Taxis", dat goedgekeurd werd op 4 december 2008; dat dit richtschema voorziet in de aanleg van een groot stadspark dat het vroegere tracé van spoorlijn 28A verbindt met het kanaal;

Dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 april 2009 "betreffende de uitvoering, via een bijzonder bestemmingsplan, van het gebied van gewestelijk belang nr. 6 "Thurn en Taxis" onder meer voorziet in "de aanleg van een grote openbare ruimte die multifunctioneel is en uit één stuk bestaat, tussen de Havenlaan en het tracé van de vroegere lijn 28";

Dat de hierboven vermelde herziening van het programma voor het GGB nr. 6 de oppervlakte van groene ruimten in het GGB naar boven toe herziet;

Dat de bestemmingswijziging van de hierboven vermelde terreinen tot parkgebied, samen met deze wijziging van het programma voor GGB nr. 6 "Thurn en Taxis", toelaat tegemoet te komen aan de doelstellingen die vervat zijn in het richtschema en het besluit van 23 april 2009;

Overwegende het huizenblok in Brussel dat gevormd wordt door de Molenbeekstraat, de de Wautierstraat, de Tivolistraat, de Claessensstraat en de Dieudonné Lefèvrestraat en zich bevindt in sterk gemengd gebied;

Dat dit huizenblok voor het grootste deel eigendom is van de GOMB, die er momenteel een verkavelingsproject ontwikkelt en daarbij voorziet in een kavel die dienst moet doen als park;

Dat het wenselijk lijkt dit parkgebied op te nemen in het GBP om zo de garantie te bieden op de totstandkoming van deze recreatieve ruimte die ten goede moet komen aan de toekomstige bewoners van de 500 woningen die op de site gepland zij;

Overwegende ten slotte dat uit het openbaar onderzoek is gebleken dat het opportuun is de grenzen van het parkgebied gelegen ten noorden van het GGB nr. 15 te wijzigen om de vestiging van een nieuwe mobiliteitsinfrastructuur mogelijk te maken en de bestaande groene ruimte te op te waarderen; 3.6. Strategische sites : Delta en Heizel 3.6.1. Overwegende dat voor de Deltasite de huidige bestemmingen van de terreinen als spoorweggebied en gebieden voor stedelijke industrie de toekomstige ontwikkeling van het gebied zoals overwogen door het PIO en het ontwerp van richtschema, niet toelaten;

Overwegende dat het hefboomgebied nr. 13 "Delta" een "prioritair interventiegebied" is in de zin van artikel 17 van het BWRO;

Dat de preambule van het GewOP (p. 258) dit hefboomgebied als volgt rechtvaardigt : "Overwegende dat het hefboomgebied Delta dat grenst aan een belangrijke universiteitspool gelegen is op een van de belangrijke toegangswegen tot de stad en ook een spoorwegsite omvat die in de toekomst verder uitgebouwd zal worden;

Overwegende dat dit gebied veel problemen kent inzake mobiliteit, dat de site goed bereikbaar is (ring, metro, GEN) en goed zichtbaar is".

Dat de bebouwing van de driehoek Delta volgens het milieueffectenrapport van het project ter gedeeltelijke wijziging van het GBP, de kans zou bieden om de stedelijke verbindingen te verbeteren tussen de verschillende wijken die vandaag van elkaar afgesneden zijn door de spoorweg;

Overwegende dat een deel van de terreinen in het hefboomgebied nr.13 "Delta" deel uitmaakte van de vroegere "valoriseerbare" vastgoedactiva van de NMBS, die op 1 januari 2005 overgedragen zijn aan het Fonds voor spoorweginfrastructuur (FSI) dat voor 100 % in handen is van de Belgische Staat; dat krachtens een authentieke verkoopakte van 25 april 2006, deze terreinen verworven zijn door de Maatschappij voor Verwerving van Vastgoed (MVV), publiekrechtelijke naamloze vennootschap opgericht bij ordonnantie van 20 juli 2005 (BS van 1 augustus 2005) met als doel het vastgoedbeleid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten uitvoer te leggen;

Overwegende dat in een op 26 maart 2009 ondertekende kaderovereenkomst de MVV zich ertoe verbonden heeft een recht van erfpacht te vestigen op deze terreinen ten gunste van de vzw "Centre Hospitalier Interrégional Edith Cave-l - les Cliniques et hôpitaux de la Basilique, de Brain' l'Alle-d - Waterloo, Edith Cavell, Lambermont et du Parc Léopold" (afgekort tot CHIREC) die vier ziekenhuizen uit Brussel en Waals-Brabant verenigt, waaronder de Kliniek Edith Cavell;

Dat de hoger vermelde overeenkomst van 26 maart 2009 in volgend vastgoedprogramma voorziet op de terreinen waar dit besluit betrekking op heeft : "1.3. Vastgoedprogramma De vastgoedontwikkeling op het terrein Delta Oudergem met verschillende bestemmingen (ziekenhuisuitrusting van collectief belang, handel, hotel, ), welke het onder punt 1.4. beschreven ziekenhuisproject omvat en een minimale vloeroppervlakte van 125 000 m2 beslaat, de inrichtingen die noodzakelijk zijn om het terrein bouwrijp te maken daarbij niet inbegrepen (binnenwegen, diverse netwerken, aanplantingen, naaste omgeving, diverse uitrustingen, ...).

Dit Programma moet ook de bouw en maximale exploitatie mogelijk maken van " middelhoge gebouwen " in de zin van het KB van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand, waarbij het niveau 0 dat als referentie geldt op het niveau van de Triomflaan is gelegen.

Tot slot moet dit Programma er ook in voorzien dat de lokalen die, omwille van de natuurlijke glooiing die het terrein Delta Oudergem op bepaalde plaatsen kenmerkt, beneden het hierboven vermelde niveau O gelegen zijn voldoende zonlicht zullen krijgen om er optimaal gebruik van te kunnen maken";

Overwegende dat de Regering op 22 mei 2006 besloten heeft een richtschema op te stellen voor het hefboomgebied Delta;

Dat men er al in geslaagd is een aantal inrichtingskeuzes voor het hefboomgebied te maken; dat het, wat in het bijzonder de terreinen betreft waar de overeenkomst van 26 maart 2009 betrekking op heeft, aangewezen lijkt deze voor het CHIREC-ziekenhuiscomplex te bestemmen;

Overwegende dat de Regering, om hoger vermelde redenen, op 7 oktober 2010, een besluit heeft aangenomen waarbij besloten wordt een bijzonder bestemmingsplan op te maken dat een deel beslaat van het hefboomgebied nr. 13 "Delta" op het grondgebied van de gemeente Oudergem en betrokken bij de overeenkomst van 26 maart 2009;

Overwegende dat het bestaande gebied voor stedelijke industrie in het verlengde van de vorige beslissingen, moet worden bestemd als gebied van uitrustingen voor collectief belang of van openbare diensten;

Overwegende dat de Regering zich voor de rest van de terreinen die de MVV krachtens de hoger vermelde authentieke verkoopakte van 25 april 2006 heeft aangekocht, ingevolge het feit dat de Europese Commissie zich niet langer op de site wenst te vestigen ten gunste van de vestiging van woningen heeft uitgesproken;

Dat het gelet op de insluiting van het noordelijke deel van de Deltasite opportuun lijkt de totaalvisie op de ontwikkeling van dit gebied te voltooien en het te bestemmen als gebied van gewestelijk belang; 3.6.2. Overwegende dat met betrekking tot de Heizelsite, waarvan een deel is bestemd als GGB, wordt verwezen naar de opmerkingen vervat hierboven onder punt 2.10.; 3.7. Andere gebieden 3.7.1. Schaarbeek : Distelhoek Overwegende dat een arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 26 februari 2010, wat betreft de Distelhoek, tussen de Distelstraat en de Papaverstraat en de Rogierlaan en de Cambierlaan, het Gewest veroordeeld heeft tot de vergoeding van de eigenaar van het terrein in toepassing van artikel 81, § 1, van het BWRO;

Dat het betrokken terrein tussen een spoorlijn, twee grote lanen en een typisch woongebied ligt;

Dat er heel wat kleine moestuinen op dit terrein gevestigd zijn;

Dat uit de ligging en het gebruik blijkt dat het geen heus biologisch belang heeft dat zijn bestemming als groengebied zou rechtvaardigen;

Dat het bijgevolg gewenst is om het verbod om op het betrokken terrein te bouwen, te verbouwen of te verkavelen in toepassing van artikel 81, § 1, voorlaatste lid, van het BWRO, op te heffen;

Dat de opheffing van dit verbod niet tot gevolg heeft dat het volledige terrein bebouwbaar is, vermits de bepalingen van titel I van de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening van toepassing blijven;

Dat de rest van het huizenblok bestemd is als typisch woongebied en dat, in een streven naar coherentie, dezelfde bestemming voor het betrokken terrein moet worden gehandhaafd; 3.7.2. Schaarbeek : school Jan Blockxstraat Overwegende de demografische groei waarmee het Gewest in de komende jaren zal worden geconfronteerd en die vooral betrekking zal hebben op de jongste leeftijdsschijven van de bevolking, moeten er nieuwe schoolvoorzieningen worden gecreëerd en moeten de bestaande inrichtingen worden uitgebreid daar waar het nog mogelijk is;

Dat de binnenterreinen van het huizenblok dat in Schaarbeek wordt gevormd door de Jan Blockxstraat, de Nestor De Tièrestraat, de Helmetsesteenweg en Lambermontlaan, eigendom van de school aan de andere kant van de Jan Blockxstraat, een uitbreiding van deze schooluitrusting zou toelaten;

Dat het GBP een dergelijke uitbreiding verbiedt door het betrokken terrein als parkgebied te bestemmen;

Dat de hoger vermelde demografische eisen dus de wijziging van de bestemming van het betrokken terrein als gebied van uitrustingen voor collectief belang of van openbare diensten nodig maakt;

Dat deze bestemming trouwens al wordt gegeven in het GBP aan de schoolvoorziening aan de andere kant van de Jan Blockxstraat;

Dat voorschrift 8 van het GBP betreffende het gebied van collectief belang of van openbare diensten, bovendien voorziet dat de omgeving van de gebouwen en installaties van collectief belang bijdragen tot de verwezenlijking van het groene netwerk;

Dat deze bestemming dus het meest geschikt is om te beantwoorden aan de gewestelijke behoeften aan schoolvoorzieningen, met behoud van een groen kader in het betrokken huizenblok; 3.7.3. Sint-Lambrecht-Woluwe : overstap-parking Overwegende de in Sint-Lambrechts-Woluwe gelegen overstapparking op het blok tussen de Paul Hymanslaan, de Roodebeeksteenweg, de Spirulinalaan en de Jacques Brellaan;

Dat deze parking werd aangelegd in uitvoering van een koninklijk besluit van 14 januari 1975, dat bij uittreksel bekendgemaakt werd in het Belgisch Staatsblad van 11 april 1975 en voorschreef om "de nodige gebouwen te onteigenen met het oog op de inrichting van de ontradingsparking Paul Hymans door de Intercommunale Vereniging voor de autosnelwegen van de Brusselse periferie";

Dat deze overstapparking in het GBP verkeerdelijk aangeduid staat op het naburige blok tussen de Paul Hymanslaan, de Jacques Brellaan en de Neerveldstraat te Sint-Lambrechts-Woluwe;

Dat deze vergissing te verklaren valt door het feit dat deze twee blokken slechts één blok vormden op de kaart van de bodembestemmingen van het tweede ontwerp van GBP, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september 1999, waarbij het stuk van de Jacques Brellaan dat aansluit op de Paul Hymanslaan niet op deze kaart opgenomen is;

Dat de wijziging van het GBP deze vergissing wil rechtzetten door de "P", die op de kaart van de bodembestemmingen en op de kaart van het openbaar vervoer per vergissing op het aanpalende huizenblok werd aangeduid, te verplaatsen naar het huizenblok tussen de Paul Hymanslaan, de Roodebeeksteenweg, de Spirulinalaan en de Jacques Brellaan;

Na beraadslaging, Besluit : Op voordracht van de Minister-President, belast met Ruimtelijke Ordening, Keurt het ontwerp goed voor de gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk bestemmings plan, goedgekeurd op 3 mei 2001 :

Artikel 1.In voorschrift 0.1. van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 goedgekeurd werd worden de woorden "3° tot 6° " vervangen door "3° tot 7° ".

Art. 2.Voorschrift 0.12. van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt gewijzigd als volgt : 1. In het eerste lid worden de woorden "een ondernemingsgebied in stedelijke omgeving" ingevoegd tussen de woorden "een sterk gemengd gebied" en "of in een administratiegebied".2. In het eerste lid, 1°, worden de volgende wijzigingen aangebracht : - de woorden "in ondernemingsgebieden in stedelijke omgeving" worden ingevoegd tussen de woorden "in gebieden met gemengd karakter" en "administratiegebied", - er wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt : "indien het onmogelijk blijkt om op de site minstens dezelfde oppervlakte aan huisvesting te behouden in woonzones, dan dient op z'n minst dezelfde oppervlakte aan huisvesting binnen het gebied gecreëerd te worden;indien het onmogelijk blijkt om in het gebied minstens dezelfde oppervlakte aan huisvesting te behouden in gemengd gebied en in ondernemingsgebied in stedelijke omgeving, dan dient op z'n minst dezelfde oppervlakte aan huisvesting binnen een aangrenzend gebied gecreëerd te worden.". 3. Het eerste lid, 7°, wordt vervangen door de volgende tekst "de oprichting of de uitbreiding van een handelszaak binnen een lint voor handelskernen toelaten op de gelijkvloerse of op de eerste verdieping".

Art. 3.Er wordt een nieuw algemeen voorschrift toegevoegd, met het nummer 0.16, luidende : "0.16. De inrichtingen bedoeld in artikel 3 van het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, mogen enkel worden vergund in gebieden voor stedelijke industrie en in gebieden voor havenactiviteiten en vervoer.

Ze kunnen bovendien enkel worden vergund wanneer volgende voorwaarden zijn vervuld : - handelingen en werken worden aan de speciale regelen van openbaarmaking onderworpen; - hun vestiging is naar behoren met redenen omkleed wat betreft hun verenigbaarheid met de andere activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de omliggende huizenblokken; er wordt bijzondere aandacht besteed aan de noodzaak om voldoende afstand te laten bestaan tussen enerzijds de betrokken inrichtingen en anderzijds, de woongebieden, door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, gebieden voor vrijetijdsactiviteiten, waardevolle natuurgebieden of bijzonder kwetsbare gebieden en de belangrijke verkeerswegen in de mate waarin dat mogelijk is.

De voorwaarde die in 3° van het vorige lid wordt opgelegd, is ook van toepassing op elk project in de buurt van een bestaande inrichting."

Art. 4.Voorschrift 4.4. van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt als volgt gewijzigd : 1. in het eerste lid, 1°, wordt de datum "1 januari 2000" vervangen door "1 januari 2011"; 2. het tweede lid, 3°, wordt vervangen door de volgende tekst : "het ontwerp voorziet minstens 50 % vloeroppervlakte voor huisvesting, minstens 5 % vloeroppervlakte voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, hoogstens 40 % vloeroppervlakte voor kantoren, voor vergunde activiteiten in gebieden voor stedelijke industrie en voor handelszaken met een maximum van 15 % voor andere kantoren dan deze die vergund zijn in gebieden voor stedelijke industrie;"; - in het tweede lid, 4°, wordt het cijfer "10 %" vervangen door "20 %.

Art. 5.In voorschrift 5.2., eerste lid, 2 van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001, de woorden "meer bepaald de "business to business"-diensten, die taken aanbieden op het gebied van conceptie, beheer, technieken, commerciële of adviestaken, zoals de ontwikkeling van informaticasystemen, communicatie- of beheerssystemen voor de ondernemingen, inzake publiciteit of de ontwikkeling van design, met uitsluiting van de financiële diensten, bank- en verzekeringsdiensten en diensten gepresteerd door beoefenaars van vrije beroepen." zijn verwijderd;

Art. 6.Voorschrift 7.1 van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt vervangen door de volgende tekst : "Deze gebieden zijn bestemd voor kantoren en woningen. Zij kunnen ook worden bestemd voor hotelinrichtingen en voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten;".

Art. 7.Voorschrift 8 van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt als volgt gewijzigd : 1. In voorschrift 8.1 worden de woorden "alsmede voor de woningen die er de gebruikelijke aanvulling van zijn en erbij behoren" geschrapt. 2. Voorschrift 8.2 wordt vervangen door de volgende twee nieuwe voorschriften : "8.2. Mits speciale regelen van openbaarmaking worden toegepast, kunnen deze gebieden ook worden bestemd voor woningen. 8.3. Mits speciale regelen van openbaarmaking worden toegepast, kunnen deze gebieden ook worden bestemd voor handelszaken die de gebruikelijke aanvulling zijn van de bestemmingen bedoeld in 8.1 en 8.2.". 3. Het huidige voorschrift 8.3 wordt hernummerd tot 8.4.

Art. 8.Er wordt een nieuw voorschrift 9 bis ingevoegd met de titel "ondernemingsgebieden in een stedelijke omgeving", dat luidt als volgt : 9 bis.1 Deze gebieden worden bestemd voor productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten, hetzij "business to business" diensten, met een vloeroppervlakte die beperkt is tot 2 000 m² per gebouw.

De toename van de vloeroppervlakte bestemd voor productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten kan worden vergund als de handelingen en werken eerst zijn onderworpen aan speciale regelen van openbaarmaking. "9bis.2 Deze gebieden kunnen ook bestemd worden voor woningen, handelszaken, groothandel en uitrustingen van collectief belang of openbare diensten.

De vloeroppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 1000 m² voor andere handelszaken dan de grote speciaalhandel, 2500 m² voor de groothandel en 3500 m² voor grote speciaalzaken.

De toename van vloeroppervlakte kan worden vergund onder de volgende voorwaarden : 1° de toename van de oppervlakten moet naar behoren gemotiveerd zijn om sociale of economische redenen;2° de plaatselijke omstandigheden moeten deze toename toelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoofdfunctie van het gebied;3° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan speciale regelen van openbaarmaking. 9bis.3 De benedenverdieping van gebouwen worden bestemd voor productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en groothandel.

De bestemming van de benedenverdieping als huisvesting kan worden vergund onder de volgende voorwaarden : 1° de plaatselijke omstandigheden moeten deze toename toelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de hoofdfunctie van het gebied;2° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan speciale regelen van openbaarmaking. 9bis.4 De verwezenlijking van een project van minstens 10 000 m² vloeroppervlakte kan worden vergund op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden is voldaan en nadat handelingen en werken zijn onderworpen aan speciale regelen van openbaarmaking : 1° Het project beoogt een vloeroppervlakte die overeenstemt met minstens 90 % van zijn grondinname te bestemmen voor productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en de groothandel;2° Het project beoogt minstens 40 % van de vloeroppervlakte te bestemmen voor huisvesting. 9bis.5 Van voorschrift 9bis.4 kan worden afgeweken voor verbouwings- of uitbreidingswerken aan bestaande gebouwen die in hoofdzaak bestemd zijn voor productieactiviteiten en in ondernemingen geïntegreerde diensten, handelszaken en de groothandel, voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° De verbouwing of uitbreiding moet noodzakelijk zijn voor de behoeften van de bestaande onderneming;2° De verbouwing of uitbreiding moet naar behoren gemotiveerd zijn om sociale of economische redenen;3° de handelingen en werken moeten onderworpen zijn aan speciale regelen van openbaarmaking. 9bis.6 Algemene voorwaarden voor alle bestemmingen bedoeld in de voorschriften 9bis.1 tot 9bis.4 : 1° De projecten maken de structuur van het stedelijk weefsel;2° De aard van de activiteiten moet verenigbaar zijn met de overige activiteiten of bestemmingen van het huizenblok waarop het project betrekking heeft en van de naburige huizenblokken.

Art. 9.Voorschrift 11, tweede lid, van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt aangevuld met de woorden ", of voor de verwezenlijking van het groen netwerk, op voorwaarde dat in dit laatste geval de handelingen en werken verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied.".

Art. 10.Voorschrift 18 van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt als volgt gewijzigd : 1. Het vierde lid wordt vervangen door de volgende tekst : "Zolang de inrichting van de gebieden van gewestelijk belang nrs.6B, 8, 9, 10, 15 en 16 niet werd vastgelegd overeenkomstig lid 2, kunnen de handelingen en werken voor de bijzondere bestemmingen die zijn bepaald in hun programma's, evenwel worden toegelaten nadat zij aan de speciale regelen van openbaarmaking zullen onderworpen zijn."; 2. In het vijfde lid wordt na de eerste zin de volgende zin ingelast : "Het gebied van gewestelijk belang nr.15 bepaalt in zijn programma een toelaatbaar kantoorsaldo dat de bestaande kantoren op de dag van de inwerkingtreding van de gedeeltelijke wijziging van het op [...] goedgekeurde plan omvat. "

Art. 11.In het derde lid van het programma voor het GGB nr. 3 Weststation van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1. Het cijfer "20 %" wordt vervangen door "50 %"; 2. Er wordt een laatste lid toegevoegd dat luidt als volgt : "De stadscompositie van het geheel beoogt een verbetering van de noord/zuid-verbindingen door de permeabiliteit van de site voor voetgangers en fietsers.".

Art. 12.In het programma van het GGB nr.6, Thurn & Taxis van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 : 1. wordt het tweede lid vervangen door de volgende tekst : "De oppervlakte bestemd voor openbare groene ruimten mag niet kleiner zijn dan 5,5 ha, de bij de wegen horende groene ruimten niet inbegrepen.Deze openbare groene ruimten mogen minerale ruimten omvatten."; 2. wordt een zesde lid toegevoegd, luidende : "Het kan ook worden bestemd voor woningen."; 3. wordt een zevende lid toegevoegd, luidende : "De oppervlakte bestemd voor openbare groene ruimten mag niet kleiner zijn dan 1,5 ha, minerale ruimten inbegrepen.".

Art. 13.In het programma van het GGB nr.7, Van Volxem van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001, wordt het eerste lid vervangen door twee nieuwe, luidende : "Dit gebied is bestemd voor woningen, handelszaken en voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten.

Het kan ook worden bestemd voor kantoren en productieactiviteiten.".

Art. 14.In het programma van het GGB nr.13, Josaphatstation van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001, tussen de huidige eerste en tweede lid, word een nieuwe lid toegevoegd, luidende : "De oppervlakte die wordt bestemd voor groene ruimten mag niet kleiner zijn dan 1 ha, de bij de wegen horende groene ruimten niet inbregrepen.".

Art. 15.Er wordt een nieuw GGB-programma toegevoegd, met het nummer 15, luidende : "GGB Nr. 15 - HEIZEL Dit gebied wordt bestemd voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, handelszaken, woningen, hotelinrichtingen en groene ruimten.

Het kan ook worden bestemd voor kantoren die de gebruikelijke aanvulling vormen op de hoofdfuncties van de zone.

De vloeroppervlakte bestemd voor kantoren, met inbegrip van de kantoren die bestaan op het moment van de inwerkingtreding van de gedeeltelijke wijziging van het plan ingesteld op (...), wordt beperkt tot een totaal van 20 000 m².

De oppervlakte die wordt bestemd voor groene ruimten mag niet lager zijn dan 7 ha.

De vloeroppervlakte bestemd voor huisvestingen bedraagt minimum 75 000 m².

De stedelijke vormgeving van dit geheel beoogt : - de herinrichting van een gemengde wijk, - de verbetering van de toegankelijkheid van de site voor voetgangers en fietsers.

Er moet voorzien worden in de voorbehouden ruimte voor het openbaar vervoer evenals in de verwezenlijking van een stelplaatsinfrastructuur".

Art. 16.Er wordt een nieuw programma voor een GGB toegevoegd met het nummer 16, dat luidt als volgt : "GGB nr. 16 - Delta Dit gebied wordt bestemd voor woningen, voor uitrustingen van collectief belang of van openbare diensten en voor groene ruimten.

Het kan eveneens bestemd worden voor handelszaken, voor kantoren en voor productieactiviteiten.

De stadscompositie van het geheel moet twee structurerende assen omvatten voor openbare ruimten en voor gebouwen, een oost/west-as die Beaulieu verbindt met Elsene en een noord/zuid-as die de Campus Pleinlaan verbindt met Watermaal-Bosvoorde ".

Art. 17.Het eerste lid van het programma voor het GGBUA Vormingsstation van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt vervangen door een nieuw lid dat luidt als volgt : "Dit gebied zal worden bestemd voor productieactiviteiten en voor haven- en logistieke activiteiten, en dan meer bepaald overslag, distributie, verpakking, groothandel, vervoer en opslag".

Art. 18.De verklaring van de voornaamste in de stedenbouwkundige voorschriften gebruikte termen van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt aangevuld met de volgende definitie : "In ondernemingen geïntegreerde diensten "Business to business" diensten die voorzien in ontwerp, beheer, technische en handelstaken, of advies, zoals de ontwikkeling van computer-, communicatie- of beheerssystemen voor ondernemingen, reclame en design, met uitzondering van financiële, bank- en verzekeringsdiensten en dienstverlening door vrije beroepen.".

Art. 19.De uitdrukkingen "inwerkingtreding van het plan", "inwerkingtreding van het gewestelijk bestemmingsplan" en "goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan" worden in alle voorschriften waarin ze voorkomen, aangevuld met "goedgekeurd op 3 mei 2001".

Art. 20.Kaart nr. 3 - Bodembestemmingen - van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt gedeeltelijk gewijzigd conform de uittreksels van de kaart in bijlage.

Art. 21.Kaart nr. 6 - Openbaar vervoer - van het gewestelijk bestemmingsplan dat op 3 mei 2001 wordt gedeeltelijk gewijzigd conform het uittreksel van de kaart in bijlage.

Art. 22.De Minister-President die bevoegd is voor Ruimtelijke Ordening, wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 2 mei 2013.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking Ch. PICQUE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^