Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 20 december 2018
gepubliceerd op 09 januari 2019
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot de erkenning van de sociale ondernemingen

bron
brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2018015670
pub.
09/01/2019
prom.
20/12/2018
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2018015670

BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST


20 DECEMBER 2018. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering met betrekking tot de erkenning van de sociale ondernemingen


De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20 dat van toepassing gemaakt is door artikel 8 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 betreffende de Brusselse instellingen;

Gelet op de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen, artikelen 12, 13, 20, 21, 29 en 34;

Gelet op het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 december 2004 tot uitvoering van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen;

Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 20 september 2018;

Gelet op het advies van het beheerscomité van Actiris, gegeven op 6 september 2018;

Gelet op het advies van het Overlegplatform van de sociale economie, gegeven op 17 september 2018;

Gelet op de gendertest uitgevoerd op 28 juni 2018;

Gelet op het advies nr. 64.515/1 van de Raad van State, gegeven op 27 november 2018, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende het advies van de Federatie van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, gegeven op 1 oktober 2018;

Overwegende het proces van overleg gehouden tussen alle actoren uit de sector van de sociale economie dat leidde tot de formulering van het advies betreffende de erkenningscriteria als bedoeld in artikel 20 van de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;

Op voordracht van de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Tewerkstelling;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder : 1° "de ordonnantie" : de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;2° "de minister" : de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regeringbevoegd voor de Tewerkstelling;3° "het bestuur" : de directie Werkgelegenheidsbeleid van Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;4° "werkdag" : een dag van de week die niet valt op een zaterdag, een zondag, een wettelijke feestdag of tijdens de periode tussen 25 december en 1 januari;5° "werknemer" : een werknemer tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst geregeld door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;6° "rechtspersoon" : een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3 of 7 van de ordonnantie;7° "beginnende onderneming" : een privaatrechtelijke rechtspersoon die minder dan vier jaar is ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;8° "ARSO" : de Adviesraad voor sociaal ondernemerschap. HOOFDSTUK 2 - Erkenning van sociale ondernemingen Afdeling 1 - Procedure voor de toekenning en hernieuwing van de

erkenning

Art. 2.De rechtspersoon bedoeld in artikel 3 of 7 van de ordonnantie dient de erkenningsaanvraag in bij het bestuur via het formulier opgesteld door het bestuur, op om het even welk moment van het jaar, ofwel via een aangetekende zending met de post, ofwel via elektronische post.

Bij de aanvraag wordt een volledig dossier gevoegd met de bewijselementen met betrekking tot artikel 11, alsook de documenten bedoeld in artikel 12, § 2, 1° tot 4° van de ordonnantie.

De sjablonen voor de documenten waarin artikel 12, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie voorziet, worden vastgesteld door de minister.

Art. 3.§ 1. Het bestuur onderzoekt de erkenningsaanvraag en bepaalt of de rechtspersoon voldoet aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 2 en in artikel 11 van de ordonnantie.

Binnen een termijn van tien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de erkenningsaanvraag richt het bestuur aan de rechtspersoon, via een aangetekende brief of via elektronische post, ofwel een ontvangstbevestiging die vermeldt dat het dossier volledig is, ofwel een bericht waarbij de rechtspersoon gevraagd wordt het dossier te vervolledigen binnen de dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van het bericht.

Als het bestuur binnen de twintig werkdagen niet over alle ontbrekende documenten, stukken of gegevens zou beschikken, wordt de aanvraag definitief onontvankelijk.

De rechtspersoon kan ten vroegste zes maanden na de kennisgeving door het bestuur van de beslissing om de aanvraag onontvankelijk te verklaren een nieuwe erkenningsaanvraag indienen. § 2. Het bestuur onderzoekt de aanvraag wanneer die volledig is en bezorgt ze aan de ARSO, samen met een analyseverslag, binnen de vijftien werkdagen te rekenen vanaf de verzending van de ontvangstbevestiging die vermeldt dat het dossier volledig is naar de rechtspersoon.

Uiterlijk veertig werkdagen na de ontvangst van het volledige dossier brengt de ARSO een advies uit over de erkenningsaanvraag, dat bezorgd wordt aan het bestuur. De raad kan de aanvrager uit eigen beweging of op verzoek van de aanvrager horen.

Als de vertegenwoordigers van de rechtspersoon gehoord worden op initiatief van de ARSO, krijgen ze een oproeping toegestuurd per brief of per elektronische post. Dat bericht vermeldt de punten waarover ze gehoord zullen worden.

De ARSO mag aan de rechtspersoon elk programma of actieplan vragen, alsook elke andere verbintenis of akte, stuk of document waarmee ze aantoont de voorwaarden van de ordonnantie en van de bijhorende uitvoeringsmaatregelen na te leven.

Het bestuur bezorgt het volledige dossier aan de minister binnen de zeven werkdagen na de ontvangst van het advies van de ARSO. § 3. Uiterlijk tien werkdagen na de ontvangst van het volledige dossier en het advies van de ARSO doet de minister een uitspraak over de erkenningsaanvraag en bezorgt hij zijn beslissing aan het bestuur.

Het bestuur betekent de beslissing via een aangetekende postzending aan de aanvrager, en deelt ze ook mee aan de ARSO. De kennisgeving vermeldt de mogelijke beroepsmogelijkheden, de instanties die ze onderzoeken, alsook de formele vereisten en termijnen die moeten worden nageleefd.

Als er beslist wordt de erkenning toe te kennen, dan wordt de beslissing bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. De beslissing vermeldt de duur van de erkenning.

Art. 4.De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing op elke aanvraag tot hernieuwing van de erkenning die geformuleerd wordt door een erkende sociale onderneming.

De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning wordt ten vroegste zes maanden en ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de lopende erkenning ingediend. Afdeling 2. - Procedures bij schorsing en intrekking van de erkenning

Art. 5.§ 1. De minister schorst de erkenning of trekt ze in op voorstel van het bestuur en na ontvangst van het dossier bezorgd door het bestuur en, in voorkomend geval, door de gewestelijke werkgelegenheidsinspectie, in de gevallen waarbij de erkende sociale onderneming : 1° de bepalingen van de ordonnantie en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen niet naleeft;2° de erkenning op bedrieglijke wijze heeft verkregen, op basis van valse, onvolledige of onjuiste verklaringen;3° op bedrieglijke wijze valse, onvolledige of onjuiste informatie opneemt in de documenten bedoeld in artikel 12, § 2, 1 tot 4° van de ordonnantie;4° het toezicht hindert dat georganiseerd wordt op grond van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen, alsook de bijhorende uitvoeringsbesluiten. § 2. De schorsingsbeslissing wordt voorafgegaan door een ingebrekestelling van de erkende sociale onderneming, via een aangetekende brief, waarin de grondslag en de redenen voor de overwogen schorsing worden meegedeeld.

De erkende sociale onderneming beschikt over een termijn van vijftien werkdagen vanaf de verzendingsdatum van de ingebrekestelling via een aangetekende postzending als bedoeld in het eerste lid om haar opmerkingen te bezorgen via een aangetekende brief. Binnen diezelfde termijn en in dezelfde vorm kan de erkende sociale onderneming vragen gehoord te worden door het bestuur. De erkende sociale onderneming wordt minstens tien werkdagen op voorhand op de hoogte gebracht van de datum voor de hoorzitting, via een aangetekende brief. Er wordt een verslag opgesteld van de hoorzitting.

Het bestuur bezorgt het verslag van de hoorzitting aan de minister binnen een termijn van tien werkdagen na de hoorzitting.

De minister spreekt zich uit over de schorsingsbeslissing binnen de tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verslag van de hoorzitting.

Het bestuur maakt de schorsingsbeslissing bekend aan de erkende sociale onderneming via een aangetekende brief, uiterlijk binnen de tien werkdagen na de datum van beslissing door de minister. Bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn kan de minister afzien van de schorsing van de erkenning. § 3. De schorsing gaat pas in vanaf de vijftiende werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing, behalve in geval van een bijzondere gemotiveerde omstandigheid. § 4. De intrekking wordt ambtshalve uitgesproken, is onherroepelijk en heeft onmiddellijk effect wanneer er onder de bestuurders, beheerders, mandaathouders en meer in het algemeen alle personen die gemachtigd zijn de erkende sociale onderneming te binden, personen hun functie behouden nadat ze het voorwerp hebben uitgemaakt van een of meerdere beslissingen of veroordelingen bedoeld in artikel 11, 4° van de ordonnantie. § 5. Onder voorbehoud van de mogelijkheid om de erkenning ambtshalve in te trekken zoals bedoeld in paragraaf 4, kan de minister een erkenning slechts intrekken als de erkende sociale onderneming de redenen voor de schorsing van haar erkenning niet heeft weggewerkt tijdens de schorsingsperiode.

Het bestuur bezorgt de minister, uiterlijk vijftien werkdagen na het einde van de schorsing, de redenen voor de schorsing waaraan niet werd verholpen. Uiterlijk tien werkdagen na ontvangst van het intrekkingsvoorstel spreekt de minister zich uit over het verzoek tot intrekking van de erkenning en geeft hij zijn beslissing door aan het bestuur voor kennisgeving aan de erkende sociale onderneming.

De onderneming wordt uitgesloten van de voordelen van de ordonnantie voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de kennisgeving van de intrekkingsbeslissing. Afdeling 3. - Procedure bij samenvoeging, omvorming of splitsing

Art. 6.§ 1. Bij een samenvoeging, omvorming of splitsing van de erkende sociale onderneming is het behoud, de overdracht of de opsplitsing van de erkenning mogelijk : 1° met het oog op de voortzetting van dezelfde activiteiten op stabiele en duurzame wijze;2° voor zover ze plaatsvinden tussen twee entiteiten die de erkenning genieten als erkende sociale onderneming of die daartoe een aanvraag indienen. § 2. Binnen de dertig werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het dossier, beslist de minister dat de samengevoegde of omgevormde entiteit, of een of meerdere gesplitste delen van de entiteit, de erkenning van de erkende sociale onderneming mag of mogen overnemen, ofwel dat het nodig is een nieuwe erkenningsaanvraag in te dienen. § 3. Het bestuur maakt de beslissing van de minister via een aangetekende brief bekend aan de sociale onderneming en deelt ze mee aan de ARSO. HOOFDSTUK 3. - Criteria die de toepassing aantonen van de kenmerken van de principes als bedoeld in Hoofdstuk 2 van de ordonnantie Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepaling voor de afdelingen 2 tot 3

Art. 7.§ 1. Voor de toekenning van de erkenning en het behoud ervan is de voorlegging vereist, door de rechtspersoon van de elementen opgesomd in de afdelingen 2 tot 4 via het activiteitenverslag bedoeld in artikel 12, § 2, 2° van de ordonnantie.

Het activiteitenverslag omvat de volgende specifieke hoofdstukken over de beginselen vermeld in artikelen 4 tot 6 en 8 tot 10, evenals artikel 21 van de ordonnantie : a) Een hoofdstuk over het economische project;b) een hoofdstuk over het sociale doel;c) een hoofdstuk over het democratische bestuur.d) Een hoofdstuk over de zelfevaluatie van de wijze waarop de onderneming zich bevindt tegenover de drie principes gedefinieerd in afdeling 2 van hoofdstuk 3, evenals over de doelstellingen van de ondernemingen op dit vlak voor het komend jaar; § 2. Vanaf het eerste verzoek tot hernieuwing van de erkenning legt de erkende sociale onderneming, naast het activiteitenverslag, het formulier bedoeld in artikel 20 van de ordonnantie voor, waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld. § 3. De criteria met het oog op de opname van specifieke gedeelten in het activiteitenverslag van de sociale onderneming bedoeld in de artikelen 8, 3°, b), 9, 2°, b), 10, 2° e), 10, 3°, c), 11, 3°, b) en 13, 3°, c) worden beschouwd als zijnde progressieve criteria in de zin van artikel 20, § 1 van de ordonnantie.

De onderneming moet eraan voldoen en de progressie toelichten, die beschouwd wordt als hun evolutie. Afdeling 2. - Criteria die aantonen dat de sociale en democratische

ondernemingen als bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de ordonnantie de kenmerken van de principes toepassen Onderafdeling 1. - De uitvoering van een economisch project

Art. 8.De uitvoering van een economisch project als bedoeld in artikel 4 van de ordonnantie moet aangetoond worden op basis van de volgende criteria : 1° om een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten aan te tonen : a) de opname van minstens één doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten in de statuten of oprichtingsakte van de rechtspersoon bedoeld in artikel 3 van de ordonnantie;b) het bijhouden van een boekhouding volgens de minimumindeling van het algemene rekeningenstelsel overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel of het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen, met uitzondering van de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar;c) het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaar, behalve voor beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;2° om een economisch levensvatbare activiteit aan te tonen : a) de rechtspersoon maakt niet het voorwerp uit van een vrijwillige vereffening, juridische reorganisatie of faillissement;b) voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaar, behalve voor beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;3° om een minimumniveau van kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid te bepalen : a) behalve voor beginnende ondernemingen moet het aantal werknemers minstens overeenstemmen met een voltijdsequivalent aangeworven voor onbepaalde tijd of drie zelfstandige werkende vennoten, waarvan minstens een zelfstandige in hoofdberoep;b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag dat het economisch project betreft, van een sectie "tewerkstelling" waarin de kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid bij de ondernemingen wordt beschreven en die minstens het volgende omvat : de evolutie van de tewerkstelling bij de onderneming beschrijft over de laatste drie jaar of sinds de meest recente erkenning in geval van verlenging, inclusief het aantal voltijdse equivalenten, de verhouding loonmassa/omzet, de uitsplitsing volgens soort arbeidsovereenkomst en het personeelsverloop. Onderafdeling 2. - Het nastreven van een sociaal doel

Art. 9.Het nastreven van een sociaal doel als bedoeld in artikel 5 van de ordonnantie moet aangetoond worden op basis van de volgende criteria : 1° de opname in de statuten van de rechtspersoon van een uitdrukkelijk sociaal doel, dat gericht is op hetzij het belang van de gemeenschap hetzij van een specifieke groep personen of de leden ervan;2° om de beperking van de uitkering van de winst en het nastreven van duurzame productie- en consumptiewijzen aan te tonen : a) met uitzondering van de rechtspersonen in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, de opname in de statuten of oprichtingsakte : i) van de beperking van de dividenden tot de maximale rentevoeten vastgesteld in artikel 1, § 1, 5° van het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen.Wanneer de statuten daarin voorzien, mag de beperking van de dividenden van een beginnende onderneming gespreid worden over de eerste zeven belastingjaren; ii) van de beperking van de vermogenswinst tot maximaal 100 %, wanneer die niet verboden is. b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag met betrekking tot het sociaal doel : i) van een sectie die het winstuitkeringsbeleid beschrijft; ii) van een sectie over het nastreven van duurzame productie- en consumptiewijzen. 3° om een gematigde loonspanning aan te tonen : a) de opname in de statuten of het activiteitenverslag van het principe van gematigde loonspanning, dat betrekking heeft op de verhouding tussen het hoogste en laagste aan het personeel van de rechtspersoon toegekende brutoloon, met inbegrip van de wettelijke en bovenwettelijke voordelen en, wat betreft de werkende vennoten, rekening houdend met de bruto emolumenten verhoogd met alle wettelijke en bovenwettelijke voordelen.De loonspanning bedraagt : i) 1 tot maximaal 4 voor rechtspersonen met tot 50 werknemers of werkende vennoten; ii) 1 tot maximaal 5 voor rechtspersonen met 51 tot 250 werknemers of werkende vennoten; iii) 1 tot maximaal 6 voor rechtspersonen met 250 of meer werknemers of werkende vennoten.

De berekening van de loonspanning wordt geanalyseerd op grond van een geanonimiseerde tabel die de minimum- en maximumlonen opneemt. Deze berekening gebeurt op basis van : i) het brutoloon; ii) de diverse voordelen van alle aard; iii) Voor de werkende vennoten worden bij de berekening de bruto emolumenten en alle in ii) bedoelde voordelen in aanmerking genomen.

De minimumvergoeding wordt berekend op grond van de laagste vergoeding voor een voltijdsequivalent in de rechtspersoon. b) deopname in de statuten of het huishoudelijke reglement van de algemene vergadering en de raad van bestuur van de wijze waarop financiële belangenconflicten worden beheerd. Onderafdeling 3. - Het voeren van een democratisch bestuur

Art. 10.Het voeren van een democratisch bestuur als bedoeld in artikel 6 moet worden aangetoond op grond van de volgende criteria : 1° om een hoge graad van beheersautonomie aan te tonen in zowel het beleid als het dagelijks bestuur : a) de opname in de statuten of het huishoudelijke reglement van een specifiek hoofdstuk over de rechten en plichten van de bestuurders, waarin de organisatie van de vergaderingen en de interne orde van de raad van bestuur worden geregeld en waarin de rol van de voorzitter en de eventuele overige leden worden bepaald, evenals de betrekkingen met de algemene vergadering en het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon.Dit hoofdstuk bevat met name : i) de principes van collegialiteit en solidariteit van bestuurders; ii) het principe dat een bestuurder verantwoordelijk is voor de belangen van de rechtspersoon en niet voor zijn persoonlijke belangen of die van instellingen die hij vertegenwoordigt of die hem afgevaardigd hebben; iii) de manier waarop belangenconflicten tussen de bestuurders en de rechtspersoon worden beslecht; iv) de manier waarop de vergoedingen bepaald worden; v) het principe van geheimhouding van de besprekingen.b) de raad van bestuur en de algemene vergadering zijn samengesteld uit : i) maximaal 49 % vertegenwoordigers van ondernemingen zonder uitdrukkelijk sociaal doel; ii) maximaal 25 % vertegenwoordigers van de overheid. Wordt beschouwd als vertegenwoordiger van de overheid, elke persoon die zetelt krachtens een mandaat gekregen op grond van statuten en/of voortvloeiend uit een beraadslaging van een overheidsinstelling of parastatale instelling. 2° om een democratische beslissingsmacht aan te tonen : a) De statuten van de rechtspersoon vermelden minstens een van volgende regels : i) het principe op grond waarvan een lid van de algemene vergadering gelijkstaat met één stem; ii) de beperking van de stemrechten van een natuurlijke persoon die deelneemt aan de algemene vergadering tot maximaal 10 % van de in de algemene vergadering aanwezige en vertegenwoordigde aandelen, met inbegrip van de volmachten en vertegenwoordigingen. b) De statuten of het huishoudelijk reglement van de algemene vergadering van de rechtspersoon bepalen het maximumaantal volmachten per persoon of deelnemer.c) De statuten van de rechtspersoon tonen aan dat de raad van bestuur is samengesteld uit minstens vier leden, of minstens drie leden voor beginnende ondernemingen bij hun eerste erkenning;d) De statuten of het huishoudelijke reglement voorzien in minstens een van de volgende maatregelen : i) de verkiezing van een onafhankelijke bestuurder die noch de overheid, noch privéondernemingen zonder sociaal doel vertegenwoordigen; ii) de mogelijkheid voor de werknemers om lid, coöperant of aandeelhouder van de rechtspersoon te worden. Het maatschappelijk aandeel bedraagt maximaal 150 euro; e) de opname in het activiteitenverslag van een hoofdstuk "democratisch bestuur", dat de evolutie aangeeft van het aantal leden, coöperanten of aandeelhouders, alsook de besluitvormingswijzen op de verschillende niveaus van de rechtspersoon voor de voornaamste beleidsbeslissingen, de aanwezigheidsgraad op de algemene vergaderingen en het aantal algemene vergaderingen.3° om een transparante en participatieve dynamiek, waarbij de voornaamste belanghebbende partijen betrokken worden, aan te tonen : a) de publicatie op de website van de rechtspersoon of, bij ontstentenis daarvan, interne aanplakking van de lijst met de leden van de raad van bestuur, hun respectieve functies en een organogram dat de interne organisatie van de rechtspersoon weerspiegelt;b) de opname in het huishoudelijke reglement of de statuten dat er eenmaal per jaar een vergadering wordt gehouden tijdens de werkuren, waarop alle personeelsleden of werkende vennoten en de belangrijkste belanghebbende partijen worden uitgenodigd en waarop met name de volgende thema's worden behandeld : i) de huidige en toekomstige economische en sociale ontwikkeling van de rechtspersoon; ii) het welzijn op het werk; iii) de voorstelling van het activiteitenverslag en een samenvatting van de rekeningen van de rechtspersoon; iv) het beleid op het vlak van personeelsbeheer, aanwerving en bijscholing. c) de opname in het hoofdstuk "Democratisch bestuur" van het activiteitenverslag, van de beschrijving van het participatieproces, de doelstellingen en werking ervan en de toepassing tijdens het betrokken jaar. Afdeling 3. - Criteria die aantonen dat de publieke initiatieven in

sociaal ondernemerschap als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 2 van de ordonnantie de kenmerken van de principes toepassen Onderafdeling 1. - De uitvoering van een economisch project

Art. 11.De uitvoering van een economisch project als bedoeld in artikel 8 van de ordonnantie moet aangetoond worden op basis van de volgende verplichte criteria : 1° om een doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten aan tonen : a) de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid tot oprichting van een dienst, structuur of entiteit van minstens één doorlopende activiteit van productie van goederen en/of diensten;b) het bijhouden van een boekhouding volgens de minimumindeling van het algemene rekeningenstelsel conform het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen of he koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel, of zoals voorzien in het minimum genormaliseerd rekeningstelsel vastgesteld door de overheid die de publiekrechtelijke rechtspersoon heeft opgericht;c) uitgezonderd de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1, het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaren, met uitzondering van de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit.2° om een economisch levensvatbare activiteit aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie : a) de rechtspersoon maakt niet het voorwerp uit van een vrijwillige vereffening, juridische reorganisatie of faillissement;b) het voorleggen van de resultatenrekening van de laatste drie jaren, uitgezonderd de beginnende ondernemingen die hun plan voorstellen over drie jaar, en, in voorkomend geval, de resultatenrekeningen in hun bezit;3° om een minimumniveau van kwaliteitsvolle en duurzame bezoldigde arbeid te bepalen : a) behalve voor beginnende ondernemingen moet het aantal werknemers minstens overeenstemmen met een voltijdsequivalent aangeworven voor onbepaalde tijd;b) de opname in het hoofdstuk van het activiteitenverslag dat het economisch project betreft, van een sectie "tewerkstelling" die de evolutie van de tewerkstelling bij de onderneming beschrijft over de laatste twee jaar of sinds de meest recente erkenning in geval van verlenging, inclusief het aantal voltijdse equivalenten, de verhouding loonmassa/omzet, de uitsplitsing volgens soort arbeidsovereenkomst en het personeelsverloop.Deze sectie maakt het mogelijk te beoordelen hoe de onderneming werk laat primeren op kapitaal bij de verdeling van de inkomsten.

Onderafdeling 2. - Het nastreven van een sociaal doel

Art. 12.Het nastreven van een sociaal doel als bedoeld in artikel 9 van de ordonnantie moet worden aangetoond op grond van de volgende criteria : 1° de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid tot oprichting van een dienst, structuur of entiteit van een uitdrukkelijk sociaal doel, gericht op hetzij het belang van de gemeenschap hetzij van een specifieke groep mensen of de leden ervan;2° de beschrijving in het activiteitenverslag, in het hoofdstuk met betrekking tot het sociaal doel, van de wijze waarop de eventuele winst worden besteed aan deze doelstelling, evenals van de duurzame productie en consumptiewijzen.3° om een gematigde loonspanning aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° van de ordonnantie : a) de opname in de statuten van het principe van gematigde loonspanning, dat betrekking heeft op de verhouding tussen het hoogste en laagste aan het personeel van de rechtspersoon toegekende brutoloon, met inbegrip van de wettelijke en bovenwettelijke voordelen.De loonspanning bedraagt : i) 1 tot maximaal 4 voor rechtspersonen met tot 50 werknemers; ii) 1 tot maximaal 5 voor rechtspersonen met 51 tot 250 werknemers; iii) 1 tot maximaal 6 voor rechtspersonen met meer dan 250 werknemers.

De berekening van de loonspanning wordt geanalyseerd op grond van een geanonimiseerde tabel die de minimum- en maximumlonen opneemt. Deze berekening gebeurt op basis van : i) het brutoloon; ii) de diverse voordelen van alle aard; iii) voor de werkende vennoten worden bij de berekening de bruto emolumenten en alle in ii) bedoelde voordelen in aanmerking genomen. b) de opname in de statuten of het huishoudelijke reglement van de algemene vergadering en de raad van bestuur van de wijze waarop financiële belangenconflicten worden beheerd. Onderafdeling 3. - Het voeren van een democratisch bestuur

Art. 13.Het voeren van een democratisch bestuur als bedoeld in artikel 10 van de ordonnantie moet worden aangetoond op grond van de volgende criteria : 1° om een hoge graad van beheersautonomie aan te tonen in zowel het beleid als het dagelijks bestuur, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie, de opname in het huishoudelijke reglement van de raad van bestuur van : a) de rechten en plichten van de bestuurders;b) de rol van de voorzitter en de eventuele overige leden, evenals de betrekkingen met de algemene vergadering en het dagelijkse bestuur van de rechtspersoon.Dit hoofdstuk bevat met name : i) de manier waarop belangenconflicten tussen de bestuurders en de rechtspersoon worden beslecht; ii) In voorkomend geval, de manier waarop de vergoedingen bepaald worden. 2° om een democratische beslissingsmacht aan te tonen, behalve voor de publiekrechtelijke rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2, 1° en 2° van de ordonnantie : a) de statuten van de rechtspersoon vermelden minstens een van de volgende niet louter op kapitaalbezit gebaseerde beslissingsregels : i) het principe op grond waarvan een lid van de algemene vergadering gelijkstaat met één stem; ii) de beperking van het stemrecht van een natuurlijke persoon die deelneemt aan de algemene vergadering tot 10 % van de in de algemene vergadering aanwezige en vertegenwoordigde aandelen, met inbegrip van de volmachten en vertegenwoordigingen. b) De statuten van de rechtspersoon vermelden het maximumaantal volmachten per lid of deelnemer.c) De aanwezigheid in de raad van bestuur van maximaal 75 % bestuurders die een overheid vertegenwoordigen.3° om een transparante en participatieve dynamiek, waarbij de voornaamste belanghebbende partijen betrokken worden, aan te tonen : a) publicatie op de website van de rechtspersoon of, bij ontstentenis daarvan, interne aanplakking van de lijst van de leden van de raad van bestuur of het daarmee overeenstemmend orgaan bij publiekrechtelijke rechtspersonen, hun respectieve functies en een organigram dat de interne organisatie van het publieke initiatief weerspiegelt;b) de opname in de statuten, de oprichtingsakte of de beslissing van de overheid dat er eenmaal per jaar een vergadering wordt gehouden tijdens de werkuren waarop alle personeelsleden en de belangrijkste belanghebbende partijen worden uitgenodigd en waarop met name de volgende thema's worden behandeld : i) de huidige en toekomstige economische en sociale ontwikkeling van het publieke initiatief; ii) het welzijn op het werk; iii) de voorstelling van het activiteitenverslag en een samenvatting van de rekeningen van het publieke initiatief in sociaal ondernemerschap; iv) de politiek van personeelsmanagement, de rekrutering en de permanente vorming. c) de omvatting in het activiteitenverslag, in het hoofdstuk met betrekking tot het democratische bestuur, van het participatieproces en van de doelstellingen en werking ervan, waarbij ook de toepassing tijdens het betrokken jaar aan bod komt. HOOFDSTUK 4 - Wijzigingsbepaling

Art. 14.In artikel 12 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 juni 2016 houdende bepaling van de met het toezicht en de controle belaste overheden in werkgelegenheidsaangelegenheden en houdende nadere regels met betrekking tot de werking van deze overheden wordt een 5° ingevoegd, dat luidt als volgt : "de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen en de bijhorende uitvoeringsmaatregelen." HOOFDSTUK 5. - Opheffingsbepaling

Art. 15.Het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 22 december 2004 tot uitvoering van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen, gewijzigd bij de besluiten van 13 december 2007 en 24 september 2010, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 6 - Overgangsbepaling

Art. 16.De rechtspersonen bedoeld in artikel 7, § 2 van de ordonnantie, die erkend zijn overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 18 maart 2004 betreffende de erkenning en de financiering van de plaatselijke initiatieven voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de inschakelingsondernemingen, die de maximale loonspanning bedoeld in artikel 9, 3° overschrijden omwille van overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van de ordonnantie zijn vrijgesteld van de navolging van dit criterium tot en met het einde van de overeenkomsten die deze overschrijding veroorzaken. HOOFDSTUK 7 - Slotbepalingen

Art. 17.Treden in werking op 1 februari 2019 : 1° de ordonnantie van 23 juli 2018 met betrekking tot de erkenning en de ondersteuning van de sociale ondernemingen;2° dit besluit.

Art. 18.De minister bevoegd voor Tewerkstelling wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 20 december 2018.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : De Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, R. VERVOORT De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Tewerkstelling, D. GOSUIN


begin


Publicatie : 2019-01-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^