Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Regering Van De Duitstalige Gemeenschap van 05 juni 2003
gepubliceerd op 31 oktober 2003

Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap betreffende het vakantiegeld toegekend aan de personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en van de paragemeenschappelijke instellingen van de Duitstalige Gemeenschap

bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
numac
2003033072
pub.
31/10/2003
prom.
05/06/2003
ELI
eli/besluit/2003/06/05/2003033072/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

5 JUNI 2003. - Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap betreffende het vakantiegeld toegekend aan de personeelsleden van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en van de paragemeenschappelijke instellingen van de Duitstalige Gemeenschap


De Regering van de Duitstalige gemeenschap, Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, inzonderheid op artikel 54, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990 en 16 juli 1993;

Gelet op de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, inzonderheid op artikel 11, § 1, vervangen bij de wet van 22 juli 1993;

Gelet op het decreet van 27 juni 1986 betreffende het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij de decreten van 19 februari 1990, 16 oktober 1995, 26 april 1999, 18 oktober 1999 en bij het programmadecreet van 23 oktober 2000;

Gelet op het decreet van 19 juni 1990 houdende oprichting van een Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor de personen met een handicap, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 1988, en op artikel 13;

Gelet op het decreet van 16 december 1991 betreffende de opleiding en de voortgezette opleiding in de Middenstand en de K.M.O.'s, inzonderheid op artikel 24, § 1, gewijzigd bij het decreet van 14 februari 2000;

Gelet op het decreet van 17 januari 2000 tot oprichting van een Dienst voor Arbeidsbemiddeling, inzonderheid op artikel 1;

Gelet op het besluit van de Regering van 27 december 1996 houdende organisatie van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap en houdende regeling van de aanwerving, de loopbaan en de bezoldiging van de ambtenaren, gewijzigd bij de besluiten van de Regering van 27 april 2000, 18 februari 2002, 18 november 2002 en 22 februari 2003;

Gelet op het besluit van de Regering van 10 maart 1999 tot vastlegging van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het « Belgisches Rundfunk- und Fernsehzentrum der Deutschsprachigen Gemeinschaft » (Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap);

Gelet op het besluit van de Regering van 7 juni 2001 houdende organisatie van de organismen van openbaar nut der Duitstalige Gemeenschap en houdende regeling van de aanwerving, de loopbaan en de bezoldiging van de ambtenaren ervan, gewijzigd bij het besluit van de Regering van 22 februari 2003;

Gelet op het protocol nr. S5/2003 van het Sectorcomité XIX van de Duitstalige Gemeenschap van 28 mei 2003;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 mei 2003;

Gelet op het akkoord van de Minister-President, bevoegd inzake Begroting en Personeel, gegeven op 5 juni 2003;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de dringende noodzakelijkheid door het feit gerechtvaardigd is dat de nieuwe regeling voor de berekening van het vakantiegeld onverwijld moet worden aangenomen opdat het desbetreffende punt van de sectorale overeenkomst 2001/2002 nog tijdig kan worden omgezet;

Op de voordracht van de Minister-President, bevoegd inzake Begroting en Personeel;

Na beraadslaging, Besluit : Toepassingsgebied

Artikel 1.Voorliggend besluit is toepasselijk op de stagiairs, ambtenaren en contractuelen van : 1° het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;2° de Dienst voor de personen met een handicap;3° het Instituut voor de opleiding en de voortgezette opleiding in de Middenstand en de KMO's;4° de Dienst voor Arbeidsbemiddeling;5° van het Belgisch Radio- en Televisiecentrum van de Duitstalige Gemeenschap, hierna « personeelsleden » genoemd. Definities

Art. 2.Voor de toepassing van voorliggend besluit dient te worden verstaan onder : 1° referentiejaar : het jaar vóór het jaar waarin de jaarlijkse vakanties toegekend worden;2° lopend jaar : het jaar waarin de jaarlijkse vakanties toegekend worden;3° bezoldiging : de bezoldiging, de wedde, de vergoeding of de met de bezoldiging of wedde gelijkgestelde toelage, de haard- of standplaatstoelage inbegrepen;4° volledige maand : maand waar de gepresteerde dienste van het begin tot het einde van de maand lopen;5° deeltijdse prestaties : prestaties waarvan de uurregeling een normale beroepsactiviteit niet volkomen in beslag neemt. Berekening van het vakantiegeld

Art. 3.§ 1. De personeelsleden hebben recht op een vakantiegeld, berekend op grond van de volgende formules : 1° bij volledige maanden tijdens het referentiejaar (G x Y/12 ) x P 2.bij niet volledige maanden tijdens het referentiejaar (G x Z/30xm ) x P 3° bij volledige en niet volledige maanden tijdens het referentiejaar (G x Y/12 + G x Z/30xm ) x P G = bezoldiging van het personeelslid voor de maand maart van het lopende jaar bij volledige prestaties Y = aantal volledige maanden van het referentiejaar Z = som van alle dagen van de niet volledige maanden van het referentiejaar m = aantal niet volledige maanden van het referentiejaar P = percentage dat voor de personeelsleden van de verschillende niveaus als volgt is vastgelegd : 1° voor de niveaus IV en III a) 70 % in 2003 b) 75 % in 2004 c) 80 % in 2005 d) 85 % vanaf 2006 2° voor het niveau II a) 70 % in 2004 b) 75 % in 2005 c) 80 % in 2006 d) 85 % vanaf 2007 3° voor het niveau II+ a) 70 % in 2005 b) 75 % in 2006 c) 80 % vanaf 2007 4° voor het niveau I a) 70 % in 2006 b) 75 % vanaf 2007. Voor de berekening van het vakantiegeld worden in aanmerking genomen de perioden gedurende welke het personeelslid : 1° zijn bezoldiging geheel of gedeeltelijk heeft genoten;2° met ouderschapsverlof was;3° afwezig is geweest in het kader van een geboorte, zoals bepaald in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971;4° afwezig is geweest wegens georganiseerde werkonderbreking;5° niet in dienst kon treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst krachtens de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of krachtens de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting van de wederoproeping om tuchtredenen. Gaat het om een personeelslid dat op het einde van het referentiejaar nog geen 25 jaar oud is, dan wordt de periode tussen 1 januari van het referentiejaar en de indiensttreding eveneens in aanmerking genomen, indien het personeelslid uiterlijk in dienst is getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op de datum waarop het studies heeft beëindigd die het recht op kinderbijslag openen of op de datum waarop zijn leerovereenkomst een einde heeft genomen. § 2. Indien in de loop van het referentiejaar slechts een gedeelte van de bezoldiging werd uitbetaald tijdens bepaalde periodes wegens deeltijdse prestaties, dan wordt het in § 1 bepaalde bedrag, voor deze periodes, naar rato verminderd door het percentage van de werkelijke prestaties t.o.v. de voltijdse prestaties als verminderingscoëfficiënt toe te passen. § 3. Het vakantiegeld bepaald met toepassing van de §§ 1 en 2 wordt desgevallend naar de hogere eurocent afgerond.

Tijdstip van de uitbetaling

Art. 4.Het vakantiegeld wordt in mei of juni van het lopende jaar uitbetaald.

In afwijking van het eerste lid vindt de uitbetaling plaats in de maand volgend op de maand van de inrustestelling van het personeelslid, van zijn ontslagneming, van zijn afdanking of van zijn overlijden.

Inhouding

Art. 5.Op het bruto bedrag van het vakantiegeld wordt 13,07 % ingehouden.

Overgangsbepalingen

Art. 6.§ 1. Indien het met toepassing van vorige artikelen toegekend vakantiegeld niet hoger ligt dan het bedrag toegekend krachtens het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur, dan wordt het hogere percentage bepaald in artikel 3, § 1, voor het niveau van het betrokken personeelslid toegepast om dit bedrag te overschrijden. § 2. In 2003 verkrijgen de personeelsleden van niveau II verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.

In 2003 en 2004 verkrijgen de personeelsleden van niveau II+ verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.

In 2003, 2004 en 2005 verkrijgen de personeelsleden van niveau II verder het vakantiegeld krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's Lands algemeen bestuur.

Inwerkingtreding

Art. 7.Voorliggend besluit heeft uitwerking op 1 mei 2003.

Uitvoering

Art. 8.De Minister-President, bevoegd inzake Begroting en Personeel, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Eupen, 5 juni 2003.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ

^