Etaamb.openjustice.be
Document van 13 april 2000
gepubliceerd op 07 januari 2003

Besluit van de Regering betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen

bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
numac
2002033008
pub.
07/01/2003
prom.
13/04/2000
ELI
eli/besluit/2000/04/13/2002033008/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

13 APRIL 2000. - Besluit van de Regering betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen


De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Gelet op het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1994 over de logiesverstrekkende inrichtingen en hotelinrichtingen, inzonderheid op de artikelen 2, 23, 29 en 30;

Gelet op de Europese Richtlijn 98/34 van de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en de notificatie met toepassing van deze richtlijn;

Gelet op het akkoord van de Minister-President, bevoegd inzake Begroting, gegeven op 27 maart 2000;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 23 maart 1999;

Op de voordracht van de Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet besluit verstaan onder : 1° het decreet : het decreet van 9 mei 1994 over logiesverstrekkende inrichtingen en hotelinrichtingen, gewijzigd bij het decreet van 4 maart 1996;2° De Minister : de Minister van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd inzake Toerisme;3° het Ministerie : de Afdeling « Sport en Cultuur » van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap. Veiligheidsnormen

Art. 2.De specifieke veiligheidsnormen bepaald in artikel 3 van het decreet en waaraan de logiesverstrekkende inrichtingen en voor de hotelinrichtingen moeten voldoen zijn in de bijlage 1 bij dit besluit opgenomen.

De producten die in een andere lidstaat van de Europese Unie of van een staat die ondertekende partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig vervaardigd of in de handel gebracht zijn, aan de normen, voorschriften en/of technische specificaties van voorliggend besluit echter niet of niet volledig voldoen, worden geacht aan deze normen, voorschriften en/of technische specificaties te voldoen, indien het veiligheidsniveau van deze producten gelijkwaardig is met hetgeen dat krachtens voorliggend besluit aangeboden wordt. HOOFDSTUK II. - Toekenning, weigering, schorsing en intrekking van de hotelvergunning Aanvraag om toekenning van een hotelvergunning

Art. 3.§ 1 - Bij de aanvraag om toekenning van een hotelvergunning, die met een daarvoor bestemd formulier aan het Ministerie wordt gericht, moeten volgende bescheiden gevoegd worden : 1° een korte beschrijving van het hotel met zijn adres;2° een bewijs van goed zedelijk gedrag minder dan drie maanden geleden uitgereikt op naam van de aanvrager en van de persoon die belast is met het dagelijks beheer van de hotelinrichting;3° indien de aanvrager een rechtspersoon is, de als bijlage tot het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte oprichtingsakte van de vennootschap met de eventuele wijzigingen;4° het in artikel 2 van het decreet vermelde veiligheidsattest opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in bijlage 2 en, zo nodig, in bijlage 3 en waaruit blijkt dat voldaan is aan de normen opgenomen in bijlage 1;5° zo nodig een stedenbouwkundig attest of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de bouwvergunning, wanneer deze documenten door de desbetreffende wetgeving vereist zijn;6° een afschrift van een verzekeringscontract tot dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid van de aanvrager voor alle schaden berokkend door hemzelf of door zijn aangestelden, of van de aanvraag erom. § 2 - Indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is, moet telkens een bewijs van goed zedelijk gedrag worden uitgereikt op naam van de Voorzitter van de Raad van Beheer en van de afgevaardigde beheerder(s). § 3 - Het bewijs van goed zedelijk gedrag mag vervangen worden door een gelijksoortig attest uitgereikt door een ervoor bevoegde overheid en waaruit blijkt dat artikel 20 van het decreet wordt nageleefd, indien de personen voor wie een bewijs van goed zedelijk gedrag noodzakelijk is, tot één der volgende categorieën behoren : * onderdaan van één der Lid- of geassocieerde Staten van de Europese Gemeenschap; * onderdaan van één der Lidstaten van de Raad van Europa die het Europees Vestigingsverdrag hebben bekrachtigd; * een staatloze die bestendig in België verblijft; * onderdaan van een Staat welke aan Belgen een gelijkwaardige wederkerigheid toekent en die bestendig in België verblijft.

Beslissing van de Minister

Art. 4.De Minister deelt de aanvrager zijn beslissing mede binnen 75 dagen na ontvangst van de aanvraag. Die beslissing moet met redenen omkleed zijn.

Een afschrift van de beslissing wordt aan de burgemeester van de gemeente gezonden, waar de hotelinrichting gevestigd is.

De hotelvergunning wordt opgemaakt volgens het model opgenomen in bijlage 4; de weigering wordt opgemaakt volgens het model opgenomen in bijlage 5. Beide documenten geven de noodzakelijke adviezen weer.

Uitzonderingen

Art. 5.De in artikel 23 van het decreet vermelde afwijking moet schriftelijk worden aangevraagd en met nauwkeurige redenen omkleed zijn; ze kan slechts door de Minister worden toegekend.

Intrekking of schorsing van de hotelvergunning

Art. 6.De gevallen bepaald in artikel 25 van het decreet, waarin de hotelvergunning ingetrokken of opgeschorst kan worden, worden in een inspectieverslag vastgelegd. Dit verslag wordt aan de houder van de vergunning en aan de Minister betekend die de beslissing tot schorsing of intrekking neemt.

Elke beslissing moet met redenen omkleed zijn en wordt aan de houder van de hotelvergunning per aangetekende brief betekend.

Een afschrift van die beslissing wordt aan de burgemeester van de gemeente, waar de hotelinrichting gevestigd is, op dezelfde dag betekend. HOOFDSTUK III. - Classificatie en schild Classificatie

Art. 7.De hotelinrichtingen worden overeenkomstig de in bijlage 7 bepaalde normen geklasseerd. Een aanvraag om classificatie wordt aan het Ministerie gericht op het te dien einde voorgeschreven formulier.

De Minister deelt de aanvrager zijn met redenen omkleden beslissing per aangetekende brief mede binnen 50 dagen na ontvangst van de aanvraag.

Classificatie in een lagere categorie

Art. 8.De Minister mag beslissen een hotelinrichting in een lagere categorie te klasseren, indien die inrichting niet meer voldoet aan de normen die haar categorie bepalen.

Die met redenen omklede beslissing wordt aan de houder van de hotelvergunning per aangetekende brief betekend.

Schild

Art. 9.De houder van de hotelvergunning verkrijgt een schild, dat de classificatie van de hotelinrichting door een overeenkomstige aantal sterren aanduidt en dat zichtbaar dicht bij de hoofdingang wordt aangebracht. Het schild is van het model opgenomen in bijlage 6 bij dit besluit; het blijft eigendom van de Duitstalige Gemeenschap.

De diefstal, het verlies of de vernietiging van het schild moeten bij de lokale politie of de rijkswacht aangegeven worden. Een nieuw schild wordt pas uitgereikt nadat het bewijs van deze aangifte geleverd is. HOOFDSTUK IV. - Verplichtingen van de houder van een hotelvergunning Inlichtingen

Art. 10.Op schriftelijk verzoek van het Ministerie is de houder van een hotelvergunning verplicht, tegen de bepaalde datum, alle gegevens mee te delen over de uitrusting, de aangeboden dienstverstrekkingen en de tarieven van de hotelinrichting.

Die gegevens kunnen door de Duitstalige Gemeenschap gebruikt worden om in een hotelgids bekend gemaakt te worden of ter beschikking worden gesteld.

Worden die gegevens niet medegedeeld, dan worden uitsluitend de benaming en het adres van de hotelinrichting in de betrokken hotelgids vermeld.

Overname van een inrichting of van het bestuur ervan

Art. 11.Wordt de inrichting door de echtgenote of door een verwante in de eerste graad overgenomen, dan moet aan de aanvraag slechts het bewijs van goed zedelijk gedrag worden toegevoegd, dat in artikel 3, § 1, 2°, van dit besluit wordt vermeld.

Wordt de persoon belast met het dagelijks beheer van de hotelinrichting of één der in artikel 3, § 2, van dit besluit genoemde persoon vervangen, dan moet aan het Ministerie binnen 10 dagen een nieuw bewijs van goed zedelijk gedrag worden betekend.

Op verzoek van het Ministerie moet de houder van de hotelvergunning een nieuw bewijs van goed zedelijk gedrag voorleggen.

Wijziging van de bepalingen

Art. 12.Iedere wijziging van de bepalingen waaraan de toekenning van de hotelvergunning is onderworpen, alsmede iedere ombouw die de voorwaarden bepaald in artikel 21 van het decreet aantast, wordt aan het Ministerie binnen 10 dagen medegedeeld.

Vergoeding

Art. 13.De houder van de hotelvergunning stort als bijdrage in bestuurs-, controle en toezichtskosten tot de bestuurskosten de volgende jaarlijkse vergoeding op een rekening van de Duitstalige Gemeenschap : * 2000 F voor hotels met minder dan 20 kamers; * 4000 F voor hotels met 20 tot 39 kamers; * 6000 F voor alle andere hotelinrichtingen.

Die vergoeding dient de eerste keer vooraleer het schild wordt uitgereikt en vervolgens telkens vóór 1 maart te worden betaald; zij mag in geen enkel geval worden terugbetaald. HOOFDSTUK V. - Controle op de gasten Controle

Art. 14.Een dubbele fiche, opgesteld overeenkomstig de wet van 17 december 1963 tot inrichting van de controle op reizigers in logementhuizen en voor iedere gast ingevuld, kan te allen tijde ingekeken worden door de ambtenaar bepaald in artikel 32 van het decreet. HOOFDSTUK VI. - Opheffings-, overgangs - en slotbepalingen Opheffing

Art. 15.Het koninklijk besluit van 17 juli 1964 betreffende het statuut van hotelinrichtingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 oktober 1974 en 9 maart 1977 is opgeheven.

Overgangsperiode

Art. 16.§ 1 - Binnen een termijn van 6 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit nodigt het Ministerie de houders van een hotelvergunning uit, die overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 juli 1964 betreffende het statuut van hotelinrichtingen werd toegekend, een nieuwe hotelvergunning in toepassing van het decreet te vragen. De tot nu toe geldende vergunning blijft geldig tot de beslissing over die aanvraag.

De betrokkenen moeten de aanvraag binnen een termijn van 90 dagen indienen; wordt de termijn niet nageleefd, dan kan de hotelvergunning worden ingetrokken.

De nieuwe hotelvergunning wordt overeenkomstig de bepalingen van het decreet en van dit besluit toegekend. De termijn van 75 dagen bepaald in artikel 4, lid 1 van dit besluit wordt echter tot 150 dagen gebracht.

De Minister kan de termijn bedoeld in het eerste lid van dit artikel met 6 maanden verlengen. § 2 - De classificatie die met de toekenning van een nieuwe hotelvergunning gebeurt, geldt voor alle aanvragers tegelijk vanaf de termijn die hen door de Minister wordt medegedeeld.

Het nieuwe schild wordt aan de betrokkenen niet vóór die datum uitgereikt.

Inwerkingtreding

Art. 17.Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2000.

Tenuitvoerlegging

Art. 18.De Minister bevoegd inzake Toerisme wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Eupen, 13 april 2000.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 1 VASTLEGGING VAN DE VEILIGHEIDSNORMEN INZAKE BRANDBEVEILIGING, SPECIFIEK BEPAALD VOOR DE LOGIESVERSTREKKENDE INRICHTINGEN ALGEMENE BEPALINGEN 01. Doel 02.Maatregelen die door de exploitant moeten worden genomen 03. Toepassingsgebied 04.Terminologie 05. Indeling van de inrichtingen 06.Voorschriften voor de bewoning 07. Gedrag bij brand van bouwmateriaal en -elementen HOOFDSTUK I.- INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN 1 1. Inplanting 12.Toegangswegen HOOFDSTUK II. - VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN 2 1. Structurele elementen 22.Valse plafonds 23. Binnenwanden HOOFDSTUK III.- COMPARTIMENTERING 3 1. Compartimenten 32.Constructie van de compartimenten 33. Overdekte parkeerruimten HOOFDSTUK IV.- EVACUATIE 4 1. Algemeen 42.Evacuatiewegen 421. Plaats, verdeling en breedte 422.Deuren 423. Wanden en evacuatiewegen 424.Bouwvoorschriften voor de trappen die nog moeten worden gebouwd 425. Binnentrappehuizen 426.Brandladders 427. Signalisatie HOOFDSTUK V.- EISEN INZAKE REACTIE BIJ BRAND HOOFDSTUK VI. - VERWARMING VAN LOKALEN EN LEIDINGEN VOOR BRANDSTOFTOEVOER - KEUKENS EN RESTAURANTS 6 1. Stookplaatsen 62.Verwarmingstoestellen 621. Algemeenheden 622.verwarmingstoestel van het verbrandingstype 623. schoorsteen en rookuitlaat 624.aan te houden afstanden 625. warmtegeneratoren 626.heteluchtverwarming 627. lokalen verwarmd door generatoren met directe uitwisseling 628.elektrische verwarmingstoestellen 63. Gastoevoerleidingen 64.Keukens en restaurants HOOFDSTUK VII. - UITRUSTING VAN DE INRICHTING 7 1. Liften en goederenliften 72.Liften met prioriteitsoproep 73. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie 731.Evacuatiewegen 732. Noodaggregaten 733.Veiligheidsverlichting 74. Melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijdingsmiddelen 741.Bepalen van de toestellen voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding 742. Brandmelding 743.Waarschuwing en alarm 744. Algemene automatische installaties voor brandmelding d.m.v. gescheiden verklikkers 745. Blusmiddelen HOOFDSTUK VIII.- ONDERHOUD EN CONTROLE 8 1. Algemeen 82.Periodieke controles 821. Liften en goederenliften 822.Installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting 823. Installaties voor verwarming en klimaatregeling 824.Installaties gevoegd met brandbaar gas 825. Melding, waarschuwing, alarm 826.Algemene automatische installaties voor brandverklikking d.m.v. gescheiden verklikkers 827. Blusmiddelen 828.Filters en afvoerleidingen van keukenkappen 829. Ventilatiedeuren en -openingen HOOFDSTUK IX.- UITBATINGSVOORSCHRIFTEN 9 1. Algemeen 92.Deuren, deurtjes, enz. 93. Kooktoestellen en komforen 94.Voorlichting van personeel en gasten op het gebied van de brandbeveiliging 95. Gasinstallaties 96.Opslagen van brandstoffen 97. Allerlei

ALGEMENE BEPALINGEN 01.Doel De veiligheidsnormen geven de opsomming van de maatregelen die kunnen worden genomen in de bij artikel 0.3 bedoelde inrichtingen, ten einde : a) het ontstaan van brand te voorkomen, b) de veiligheid van de personen te verzekeren, c) de interventie van de brandweer te vergemakkelijken.02. Maatregelen die door de exploitant moeten worden genomen De exploitant neemt de geschikte maatregelen om : a) brand te voorkomen, b) elke branduitbarsting snel en doeltreffend te bestrijden, c) in geval van branduitbarsting : - waarschuwing en alarm te geven; - de veiligheid van de personen te verzekeren en, zo nodig, voor hun snelle en gevaarloze evacuatie te zorgen; - onmiddellijk de bevoegde brandweerdienst te verwittigen. 03. Toepassingsgebied Onverminderd de wettelijke en reglementaire teksten ter zake gelden deze bepalingen voor alle op 1 januari 1994 bestaande inrichtingen die als logiesverstrekkende inrichtingen beschouwd worden in de zin van het decreet van 9 mei 1994 over de logiesverstrekkende inrichtingen en hotelinrichtingen.Behoudens wat de structurele elementen van het gebouw betreft (cf. art. 21), gelden deze maatregelen niet voor het gedeelte van het gebouw dat bewoond wordt door derden, door de eigenaar of door de exploitant, op voorwaarde dat dit gedeelte afgezonderd is van het eigenlijk gebouw zoals bepaald bij artikel 32. 04. Terminologie : zie norm NBN S 21-201 Brandbeveiliging in de gebouwen - terminologie 05.Indeling van de inrichtingen De inrichtingen worden ingedeeld in 3 categorieën : Cat. 1 - De lage gebouwen - Ze worden onderverdeeld in 2 subcategorieën, Cat. 1 a - gebouwen met 1 bewoond niveau boven de grond, dat het normale evacuatieniveau is.

Cat. 1 b - gebouwen met 2 of 3 bewoonde niveaus boven de grond, waaronder respectievelijk 1 of 2 boven het normale evacuatieniveau.

Cat. 2 - De middelhoge gebouwen Onder middelhoog gebouw wordt elk gebouw verstaan dat drie of meer bewoonde niveaus boven het normaal evacuatieniveau telt en niet tot categorie 3 behoort.

Cat. 3 - De hoge gebouwen Onder hoog gebouw wordt elk gebouw verstaan waarvan de afstand tussen het bodemniveau van de hoogste verdieping en het laagste niveau van de grond rond het gebouw meer dan 25 m bedraagt.

Deze bepalingen worden gegeven onverminderd het koninklijk besluit van 4 april 1972 houdende vaststelling van de algemene voorwaarden die in de norm NBN 713.010 zijn overgenomen betreffende de brandbeveiliging in de hoge gebouwen. 06. Voorschriften voor de bewoning Er mogen geen individuele of collectieve kamers worden ingericht voor het nachtverblijf onder het laagste evacuatieniveau.07. Gedrag bij brand van bouwmateriaal en -elementen 071.Op het verzoek van de burgemeester of zijn afgevaardigde is de exploitant verplicht het bewijs voor te leggen dat de bepalingen inzake gedrag bij brand van bouwelementen en -materiaal, opgenomen in deze reglementering, worden nageleefd.

Kan hij dit bewijs niet voorleggen, dan is hij verplicht een schriftelijke beschrijving van de samenstelling van de bouwelementen en -materiaal met de medeondertekening van een architect te geven waarvoor het voormelde bewijs niet kan geleverd worden. 072. Reactie bij brand - Testmethodes Het bouwmateriaal wordt ingedeeld volgens de klassering die in de norm NBN S21-203 wordt opgenomen. 073. Weerstand tegen brand (Rf) De weerstand tegen brand van de bouwelementen wordt beoordeeld op basis van één van de twee volgende criteria : - de test van een gelijkaardig element overeenkomstig de norm NBN 713.020, - de verificatie van de conformiteit van de beschrijving van het bij artikel 0.7.1. bepaald element met een type-element waarvan de weerstand tegen brand gekend is.

Bij gebrek aan een conformiteitsbewijs wordt besloten dat aan de vereiste inzake de Rf niet voldaan is. 074. Boringen en uithollingen in de wanden Rf De boringen en uithollingen in de wanden waarvoor een Rf vereist is, moeten afgesloten worden met elementen die een Rf-graad hebben die gelijk is met deze van de wand. HOOFDSTUK I. - INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN 1 1. Inplanting Het gebouw moet afgezonderd zijn van de aanpalende constructies door wanden die een Rf van ten minste 1/2 h : voor categorie 1 1 h : voor de categorieën 2 en 3 hebben of in metselwerk of beton gebouwd zijn. De bijgebouwen, luifels, uitspringende daken, uitkragende gedeelten of andere toevoegingen zijn enkel toegelaten, indien daardoor noch de evacuatie en de veiligheid van de gebruikers noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden.

Indien verscheidene gebouwen van een inrichting met elkaar verbonden zijn met overdekte en afgesloten doorgangen, zijn hun openingen voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een Rf van 1/2 h. 12. Toegangswegen De inrichtingen zijn voortdurend bereikbaar door de voertuigen van de brandweerdiensten.Er wordt ervoor gezorgd dat in de nabijheid van de inrichtingen het stationeren, het in werking stellen en het manoeuvreren van het materiaal voor de brandbestrijding en van het reddingsmateriaal gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

Nadere toelichtingen over de bereikbaarheid worden aan het oordeel van de territoriaal bevoegde brandweerdienst overgelaten. HOOFDSTUK II. - VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN 2 1. Structurele elementen 211.De elementen van de draagstructuur van het gebouw moeten een Rf van ten minste 1/2 h : voor categorie 1 1 h : voor de categorieën 2 en 3 hebben of in metselwerk of beton gebouwd zijn. 212. Indien niet voldaan wordt aan de voorschriften van punt 21.1., moeten de inrichting in haar geheel en de evacuatiewegen van het hele gebouw uitgerust zijn met een algemene en automatische installatie voor brandmelding door middel van gescheiden verklikkers die overeenkomstig artikel 744 ontworpen is. In elk geval moet de weerstand tegen brand van de structurele elementen van de inrichtingen van de categorieën 2 en 3 ten minste gelijk zijn aan 1/2 h. 213. Deze voorschriften gelden niet voor de structuurelementen die het dakwerk ondersteunen.22. Valse plafonds In de inrichtingen van categorie 3 hebben de valse plafonds van de evacuatiewegen een brandstabiliteit van 1/2 h.Indien aan dit voorschrift niet voldaan wordt, moet de inrichting uitgerust zijn met een algemene en automatische installatie voor brandmelding door middel van gescheiden verklikkers die overeenkomstig artikel 744 ontworpen is. 23. Binnenwanden Onverminderd de bepalingen van artikel 21, moeten de verticale binnenwanden die de appartementen en de kamers begrenzen ten minste een Rf 1/2 h hebben of gebouwd zijn in metselwerk of beton. Dit voorschrift geldt niet voor deuren.

Indien niet aan dit voorschrift voldaan wordt, moet de inrichting uitgerust zijn met een algemene en automatische installatie voor brandmelding door middel van gescheiden verklikkers die overeenkomstig artikel 744 ontworpen is. HOOFDSTUK III. - COMPARTIMENTERING 3 1. Iedere bouwlaag die geen normaal evacuatieniveau is, vormt één of meer compartimenten. De oppervlakte van een compartiment is kleiner dan 1.250 m5.

De lengte van een compartiment is de afstand tussen de twee punten van het compartiment die het meest van elkaar verwijderd zijn. Die afstand bedraagt niet meer dan 75 m.

De volgende afwijkingen zijn toegelaten : - de bovenvermelde voorschriften gelden niet voor de parkeerruimten met verdiepingen; - een compartiment kan gevormd worden door twee opeenvolgende verdiepingen met binnentrapverbinding (duplex), indien de gecumuleerde oppervlakte van beide verdiepingen niet groter is dan 700 m2; - de benedenverdieping en de eerste verdieping (of tussenverdieping) kunnen eveneens een compartiment vormen op voorwaarde dat het totaal volume niet groter is dan 10.000 m3. 32. Constructie van de compartimenten De wanden tussen de compartimenten moeten een Rf van ten minste 1/2 h : voor categorie 1 1 h : voor de categorieën 2 en 3 hebben of in metselwerk of beton gebouwd zijn. Slechts de verbinding tussen twee compartimenten door zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een Rf 1/2 h is toegestaan.

Indien aan bovenvermelde voorschriften niet voldaan is, wordt de inrichting uitgerust met een algemene en automatische installatie voor brandmelding d.m.v. gescheiden verklikkers die overeenkomstig artikel 744 is ontworpen. 33. Overdekte parkeerruimten Onverminderd de bepalingen van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) moeten de wanden tussen de parkeerruimten en de rest van het gebouw aan de volgende voorschriften voldoen : Rf 1/2 h : voor categorie 1 Rf 1h : voor de categorieën 2 en 3 hebben of in metselwerk of beton gebouwd zijn. Slechts de verbinding tussen de parkeerplaats en de rest van het gebouw door zelfsluitende deuren Rf 1/2 h is toegestaan. HOOFDSTUK IV. - EVACUATIE 4 1. Algemeen De evacuatiewegen worden oordeelkundig verdeeld over het gebouw en moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de aanwezigen mogelijk maken.Elk compartiment heeft tenminste twee vluchtmogelijkheden in geval van brand.

De eerste vluchtmogelijkheid bestaat uit een trap.

Aanvaardbare oplossingen voor de tweede vluchtmogelijkheid zijn : Voor de gebouwen van categorie 1 : - een andere trap; - buitenladders, ontworpen overeenkomstig artikel 426; - een opendraaiend venster per kamer indien de kamervloer zich ongeveer op de hoogte van de begane grond in de onmiddellijke nabijheid bevindt. Bovendien is de vensterbank maximum 1,5 m hoog vergeleken met deze vloer.

Voor de gebouwen van de categorieën 2 en 3 : - een andere trap.

De af te leggen afstand tot de dichtst bijgelegen trap mag niet groter zijn dan 35 m. De af te leggen afstand tot de tweede evacuatiemogelijkheid mag niet langer zijn dan 60 m.

De lengte van de doodlopende evacuatiewegen bedraagt niet meer dan 15 m. De deuren in de evacuatiewegen draaien open in de richting van de uitgang.Die bepaling geldt, voor zover mogelijk, voor de deuren die naar buiten leiden. 42. Evacuatiewegen 421.Plaats, verdeling en breedte 4211. De plaats, de verdeling en de breedte van de trappen, uitgangswegen, uitgangen, deuren en wegen die ernaartoe leiden, moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de mensen mogelijk maken, ofwel door hen in alle veiligheid op straat te laten komen ofwel door hen op een vrije ruimte buitenhuis te laten uitkomen waarop iedereen in alle veiligheid plaats kan vinden.4212. Op de niveaus van de kamers en van de andere lokalen waartoe de gasten toegang hebben en die op de verdiepingen of in de kelderverdieping gelegen zijn : - moet er in elk geval : ten minste één trap bestaan die toegang geeft tot die plaatsen, zelfs indien er een ander toegangsmiddel bestaat; - moeten er, wat de inrichtingen van de categorieën 2 en 3 betreft : tenminste twee trappen bestaan die toegang geven tot die lokalen. 4213. De breedte van de trappen, uitgangswegen, uitgangen en wegen die ernaartoe leiden moet gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,80 m.De breedte van de trappen kan verminderd worden tot 0,70 m voor de op 1 juni 1973 bestaande of in bouw zijnde gebouwen. 4214. De uitgangswegen, uitgangen, deuren en wegen die ernaartoe leiden moeten een totale breedte hebben die ten minste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken. De trappen moeten een totale breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan dit aantal vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgangen, en vermenigvuldigd met 3 indien ze er naar opstijgen.

Het berekenen van deze breedten moet gesteund zijn op de onderstelling dat bij de evacuatie van het gebouw, alle personen van een verdieping samen naar de naburige verdieping zoeken en dat deze al ontruimd is wanneer zij er aankomen.

Onder deze personen worden niet alleen het personeel van de inrichting verstaan, maar ook de bezoekers, de gasten en de andere personen die deze trappen, uitgangswegen, uitgangen en wegen die ernaartoe leiden moeten gebruiken.

Wanneer het aantal van deze personen niet met voldoende benadering kan vastgesteld worden, stelt de exploitant dit aantal onder zijn eigen verantwoordelijkheid vast. 4215. De trappen zijn ten minste voorzien van een leuning langs de kant waar een valrisico bestaat.4216. De lokalen waar doorgaans ten minste honderd personen hun verblijf hebben en de niveaus waarop zich doorgaans ten minste honderd personen bevinden, moeten ten minste twee afgescheiden uitgangen hebben.4217. De niveaus waarop zich doorgaans ten minste 100 personen bevinden, moeten met de benedenverdieping in verbinding staan langs ten minste twee afgescheiden trappen.4218. In de trappehuizen, uitgangswegen, nooduitgangen en wegen die ernaartoe leiden is het verboden allerlei voorwerpen achter te laten die de doorgang zouden versperren of de nuttige breedte ervan versmallen.4219. De kamers en andere lokalen toegankelijk voor de gasten geven rechtstreeks uitgang op een evacuatieweg.De verbinding tussen en naar de trappehuizen geschiedt langs evacuatiewegen of doorloopgangen. 422. Deuren 4221.De deuren in de uitgangswegen die twee uitgangen verbinden moeten in beide richtingen opendraaien. 4222. De draaideuren en de draaibomen, zelfs in de binnen gelegen uitgangswegen geplaatst, zijn slechts toegelaten als aanvulling van de deuren en doorgangen die krachtens artikel 421 noodzakelijk zijn.4223. Elke zelfsluitende deur die niet gemakkelijk met de hand kan geopend worden, moet uitgerust zijn met een toestel dat automatisch de deur opent bij het uitvallen van de energiebron die de deur aandrijft en dat de deuropening over heel haar breedte openstelt.Het gebruik van automatische schuifdeuren is slechts toegelaten voor de uitgangen die naar buiten voeren. Deze schikkingen gelden noch voor de branddeuren noch voor de liftdeuren. 4224. De panelen van de glazen deuren moeten een merkteken dragen zodat hun aanwezigheid opvalt.4225. De hellende vlakken met een hellingshoek van meer dan tien percent en de mechanische trappen (roltrappen) worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal en de breedte van de trappen die krachtens artikel 4214 noodzakelijk zijn.4226. Elke mechanische trap moet onmiddellijk kunnen stilgelegd worden door twee bedieningen, de ene bovenaan de andere onderaan de trap geplaatst.423. Wanden en evacuatiewegen De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben een Rf van ten minste 1/2 h : voor categorie 1 1 h : voor de categorieën 2 en 3 of zijn in metselwerk of beton gebouwd.424. Bouwvoorschriften voor de trappen die nog moeten worden gebouwd 4241.Algemeen Onverminderd de bepalingen van artikel 421 zijn de trappen langs beide zijden voorzien van een stevig vastgehechte leuning die zo mogelijk doorloopt op de bordessen. Hun nuttige breedte bedraagt ten minste 0,80 m. Voor de trappen met een nuttige breedte kleiner dan 1,30 m is één enkele leuning voldoende.

De treden hebben een diepte van ten minste 20 cm op de looplijn. Zij zijn voorzien van massieve stootborden.

De trappen van de inrichtingen van categorie 3, behoudens de binnentrapverbinding van de duplexen, voldoen bovendien aan de volgende vereisten : - de traparmen zijn recht, bevinden zich de ene boven de andere en tellen ten hoogste 17 treden; - de diepte van de treden is overal gelijk aan ten minste 25 cm; - de treden mogen niet hoger zijn dan 18 cm; - geen enkele trede mag met meer dan 5 cm over de stootboorden uitstreken; - de hellingshoek mag niet groter zijn dan 37°. 4242. Buitentrappen De treden van buitentrappen worden anti-slip uitgevoerd.De volgende afwijkingen van artikel 4241 zijn toegelaten : - de stootborden zijn niet verplicht; - de helling mag niet groter zijn dan 45°. 425. Binnentrappehuizen 4251.Elk binnentrappehuis van een inrichting dat verscheidene compartimenten verbindt, moet met wanden afgescheiden zijn.

De binnenwanden van de trappehuizen hebben een Rf van ten minste 1h of zijn gebouwd in metselwerk of beton. De toegangsdeuren hebben een Rf 1/2 h en zijn voorzien van een zelfsluitend toestel. Op de benedenverdieping mogen de ontvangstruimten en de lokalen die er rechtstreeks bijbehoren in het compartiment van het trappehuis ingelijfd worden : dit impliceert dat er doorlopend voorzorgsmaatregelen tegen brand worden genomen. 4252. Mogen zonder wanden blijven, de binnentrappen van de volgende gebouwen : - gebouwen met slechts één bouwlaag boven het normaal evacuatieniveau en waarvan het aantal gasten beperkt is tot 20; - gebouwen met slechts twee bouwlagen boven het normaal evacuatieniveau en waarvan het aantal gasten beperkt is tot 20.

In dit geval moeten alle kamers evenwel rechtstreeks bereikbaar zijn voor het reddingsmateriaal van de territoriaal bevoegde brandweerdienst. 4253. Voor de gebouwen van de categorieën 1 en 2 en voor zover er slechts 10 kamers per niveau zijn met hoogstens 20 personen, kunnen de muren en de toegangsdeuren tot die kamers de afscheiding met het trappehuis vormen. In dit geval is het toegelaten dat de Rf deuren van de kamers niet voorzien zijn van een zelfsluitend toestel. 4254. De trappehuizen geven toegang tot een evacuatieniveau.4255. De trappehuizen die toegang geven tot de verdiepingen en de kelderverdieping mogen niet in de rechtstreekse verlenging liggen van de trappehuizen die toegang geven tot de niveaus gelegen boven een evacuatieniveau. Onverminderd de bepalingen voorzien inzake compartimentering, mogen de trappehuizen de ene boven de andere gelegen zijn op voorwaarde dat ze door wanden en/of deuren worden afgescheiden. 4256. Met uitsluiting van de draagbare blustoestellen, het materiaal ter bestrijding van de brand en het receptiemeubilair dat zich op het evacuatieniveau bevindt, mag zich geen enkel verplaatsbaar voorwerp in een trappehuis bevinden.4257. Een ventilatieopening die in open lucht uitmondt, is voorzien bovenaan elk trappehuis.Deze opening met een doorsnede van 1 m5 kan horizontaal, verticaal of hellend zijn. Het openen gebeurt door middel van een handbediend systeem dat goed zichtbaar geplaatst wordt op het evacuatieniveau en dat uitsluitend voorbehouden is aan de territoriaal bevoegde brandweerdienst. 426. Brandladders De brandladders zijn stevig bevestigd.Zij zijn al dan niet opklapbaar. Zij komen uit op vrije ruimten waar de gebruikers zich in veiligheid kunnen stellen. De eventuele toegangsplatvormen zijn voorzien van balustrades van ten minste 1 m hoogte. Bestaat er geen doorloop buiten, dan kan een brandladder slechts bruikbaar zijn voor de evacuatie van 2 kamers per verdieping of van 4 kamers, indien die brandladder slechts een verdieping bedient. De afstand tussen de sporten, op de aslijn gemeten, bedraagt 250 mm tot 300 mm.

De bovenste sport bevindt zich ten minste 1,5 m boven het hoogste niveau van waar de ladder kan bereikt worden. 427. Signalisatie 4271.Aan iedere bouwlaag wordt een volgnummer gegeven, met inachtneming van volgende regels : - de nummers vormen een ononderbroken reeks; - het normale evacuatieniveau draagt het nummer 0; - de bouwlagen gelegen onder het normale evacuatieniveau dragen een negatief nummer; - de bouwlagen gelegen boven het normale evacuatieniveau dragen een positief nummer. 4272. Het volgnummer van elke bouwlaag wordt aangeduid : - leesbaar op de binnen- en buitenwand van de bordessen, van de trappen of trappehuizen; - in de liftkooi of moet duidelijk leesbaar zijn vanuit de liftkooi telkens wanneer deze stilstaat. 4273. De plaats van elke uitgang en van elke nooduitgang evenals de richting van de wegen, uitgangswegen en trappen die er naar toe leiden, worden aangeduid door de reddingstekens bepaald bij artikel 54quinquies van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) en zijn bijlagen.4274. De volgnummers van de bouwlagen worden aangeduid in de liftkooien naast de bedieningstoetsen.Bovendien worden de uitgangen of de nooduitgangen aangeduid naast het nummer van de bouwlaag waarop zij zich bevinden door middel van de respectievelijke reddingstekens omschreven in artikel 54quinquies van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming en zijn bijlagen. 4275. Langs de evacuatiewegen mogen geen spiegels worden aangebracht op plaatsen waar de gasten zich daardoor zouden kunnen vergissen in de richting naar de trappen en de uitgangen. HOOFDSTUK V. - EISEN INZAKE REACTIE BIJ BRAND Bij de vernieuwing van de bestaande bekledingen, moeten de in de volgende tabel opgenomen eisen toegepast worden. De rangschikking van het bouwmateriaal stemt overeen met de testmethodes die in de norm NBN S21-293 zijn opgenomen.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld HOOFDSTUK VI. - VERWARMING VAN LOKALEN EN LEIDINGEN VOOR BRANDSTOFTOEVOER - KEUKENS EN RESTAURANTS 6 1. Stookplaatsen De stookketel wordt in een stookplaats gezet.Het is verboden brandbare materialen in de stookplaats op te slaan.

De muren, wanden, vloeren en zolderingen van de stookplaatsen hebben ten minste een Rf 1 h. Als er gebruik gemaakt wordt van vloeibare of gasvormige brandstoffen, moet elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw, en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats afgesloten zijn door een deur met Rf 1/2 h.

De deuren sluiten automatisch. Zij zijn voorzien van geen enkel toestel dat het mogelijk maakt ze in geopende stand vast te zetten.

Het is in alle omstandigheden verboden ze in open stand te houden.

De stookplaatsen moeten behoorlijk verlucht zijn. 62. Verwarmingstoestellen 621.Verwarmingstoestellen moeten zodanig opgevat en opgesteld zijn dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden. 622. De verwarmingstoestellen van het verbrandingstype moeten gebruiksklaar worden gehouden, verbonden zijn met een goed trekkende schoorsteen en zo ontworpen zijn dat een volledige en regelmatige afvoer van de verbrandingsgassen verzekerd is, zelfs in geval van maximale sluiting van de regelingssystemen.623. De schoorstenen en de rookgangen van de verwarmingstoestellen moeten gebouwd zijn uit onbrandbare materialen en behoorlijk onderhouden worden.624. De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookgangen moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld zijn of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar voorkomen wordt.625. De warmtegeneratoren met automatische aansteekmachine die vloeibare of gasvormige brandstoffen gebruiken, moeten zodanig uitgerust zijn dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen : - bij het al dan niet automatisch stilvallen van de brander; - zodra de vlam toevallig uitdooft; - zodra er oververhitting of overdruk in de uitwisselaar voorkomt; - in geval van onderbreking van de elektrische stroom wat de warmtegeneratoren betreft die vloeibare brandstoffen gebruiken. 626. De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 6261.De temperatuur van de lucht mag op de verdelingspunten 80° C niet overschrijden. 6262. De aanvoerkanalen van warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn.6263. Wanneer de generator van warme lucht zich in een stookplaats bevindt a) is de aanzuiging van de te verwarmen lucht niet toegelaten in deze stookplaats of haar bijgebouwen;b) moeten de roosters van de luchtaanzuigbuis en van de wederaanzuigbuis voorzien zijn van efficiënte stoffilters die geen brandbare dampen laten doorkomen.6264. Indien de lucht rechtstreeks in de generator wordt opgewarmd, moet de druk van de warme lucht in deze generator steeds hoger zijn dan die van de gassen die in de haard circuleren.627. In de lokalen die met warme lucht door een generator met directe uitwisseling verwarmd zijn, moet een toestel automatisch de ventilator stilleggen in geval van abnormale stijging van de temperatuur van de warme lucht.Wanneer de generator van warme lucht zich in een stookplaats bevindt, moet zich naast dit toestel ook een handbediening bevinden die buiten deze stookplaats is geïnstalleerd. Deze laatste schikking geldt niet voor de elektrisch verwarmde generatoren met rechtstreekse uitwisseling. 628. In de kamers zijn de elektrische verwarmingstoestellen toegelaten, behalve diegene die een zichtbare elektrische weerstand bevatten;individuele verwarmingstoestellen van het verbrandingstype zijn verboden.

Wanneer elektrische verwarmingstoestellen van het accumulatietype met ontlading door geforceerde convectie (ook elektrische radiatoren van het dynamisch accumulatietype genoemd) gebruikt worden, mag de temperatuur van de lucht op de verdelingspunten het peil van 80° C overschrijden dat in artikel 6261 is bepaald, mits naleving van de volgende vereisten : 6281. Elk toestel is zodanig ontworpen en gemaakt dat de temperatuur van de lucht over het vlak van zijn evacuatierooster 120° C niet overschrijdt. Bovendien is de temperatuur van de lucht, gemeten op een afstand van 0,30 m in de richting van de warme luchtstroom, niet hoger dan 80° C. 6282. De fabrikant van een dergelijk toestel bezorgt aan de gebruiker een bedieningsvoorschrift en instructies voor de installatie die rekening houden met de noodzaak een zone rond het toestel vrij te houden. Deze zone moet zich ten minste tot 0,20 m uitstrekken van elk punt van de ruimte waar de temperatuur van 80° C kan worden bereikt tijdens de werking van het toestel. 6283. De installatie van het toestel wordt uitgevoerd volgens de door de fabrikant verstrekte instructies.63. Gastoevoerleidingen Wanner het gebouw waarin de logiesverstrekkende inrichting gelegen is algemene gastoevoerinstallaties bezit, dan moeten deze aan de norm NBN 051-003 beantwoorden wat vloeibaar gemaakt petroleumgas betreft.64. Keukens en restaurants De keukens, restaurants, de combinaties keukens-restaurants en andere lokalen bestemd voor het bereiden van de maaltijden met uitsluiting van de ontbijten, zijn begrensd door wanden die een Rf van ten minste : 1/2 h : voor categorie 1 1 h : voor de categorieën 2 en 3 hebben of in metselwerk of beton gebouwd zijn. De deuren hebben een RF van 1/2 h en zijn zelfsluitend.

De deuren mogen in geopende stand gehouden worden, indien ze voorzien zijn van een zelfsluitend toestel dat in werking gesteld wordt door de algemene en automatische brandmeldinstallatie waarvan sprake in artikel 744. HOOFDSTUK VII. - UITRUSTING VAN DE INRICHTING 7 1. Liften en goederenliften Het geheel van de liften en goederenliften, bestaande uit één of meer kokers, is begrensd door wanden die een Rf van ten minste 1/2 h : voor categorie 1 1 h : voor de categorieën 2 en 3 hebben of in metselwerk of beton gebouwd zijn. Die bepaling geldt slechts voor de voorzijden van de liftbordessen en voor de wanden die deel uitmaken van de gevel.

De liftbordesvoorzijde, de deuren inbegrepen, moeten gedurende 1/2 uur aan de criteria van stabiliteit en vlamdichtheid van de norm NBN 713.020 voldoen. 72. Liften met prioriteitsoproep 721.Elke inrichting van categorie 3 wordt bediend door en lift met prioriteitsoproep. Deze lift geeft uit op een evacuatieniveau dat gemakkelijk toegankelijk is voor de brandweerdiensten. Bedienen verscheidene liftengroepen een zelfde compartiment, dan bezit elke liftengroep een lift met prioriteitsoproep.

Aan deze vereiste is voldaan : - indien een lift het evacuatieniveau en alle bovenliggende verdiepingen bedient; - indien verscheidene liften elk het evacuatieniveau en een gedeelte van de bovenliggende verdiepingen bedienen op voorwaarde dat het geheel van de liften met prioriteitsoproep de toegang tot alle compartimenten van het gebouw mogelijk maakt. 722. Op het liftbordes van het evacuatieniveau is een brandweerschakelaar aangebracht waarmee de prioriteitsoproep van de liften kan gegeven worden.Deze schakelaar moet in een kistje zijn aangebracht dat voorzien is van een ruitje met het opschrift « Brandweer ». Daarmee kan de liftkooi prioritair worden opgeroepen op het evacuatieniveau. Na stilstand mag deze gebruikt worden zonder dat hij aan buitenoproepen beantwoordt. Buiten de omstandigheden die hun specifieke gebruik noodzakelijk maken, worden de liften met prioriteitsoproep normaal gebruikt. 73. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie 731.Alle evacuatiewegen, de brandladders inbegrepen, zijn voldoende verlicht. Alleen elektrische verlichting is toegelaten. 732. Noodaggregaten Het vermogen van de noodaggregaten is voldoende om de volgende installaties gelijktijdig te voeden : a) de installaties voor melding, waarschuwing en alarm;b) de machines van de liften met prioriteitsoproep;c) de installaties voor rookafvoer (ventilatieopeningen van artikel 425);d) de brandspuiten. Zodra de normale voeding van het stroomnet uitvalt, verzekeren de noodaggregaten automatisch en ten laatste binnen de dertig seconden de werking van bovenvermelde installaties gedurende één uur. 733. Veiligheidsverlichting De grote gemeenschappelijke lokalen (eetzalen, restaurants, keukens, vergaderzalen, ontspanningszalen) de evacuatiewegen en -mogelijkheden, de trappen, de liftkooien, de stookplaatsen en de lokalen waarin de autonome stroombronnen zijn ondergebracht, zijn voorzien van een veiligheidsverlichting. De veiligheidsverlichting stemt overeen met de norm NBN C71-100 (installatievoorschriften en instructies voor het toezicht en het onderhoud) en het machinepark met de norm NBN C71-598-222 (autonome blokken van veiligheidsverlichting) en de norm NBN L13-005 (fotometrische en calorimetrische voorschriften). 74. Melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijdingsmiddelen 741.Bepalen van de toestellen voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding. 7411. Alle inrichtingen zijn uitgerust met installaties voor melding, waarschuwing, alarm en brandbestrijding.De territoriaal bevoegde brandweerdienst wordt door de exploitant geraadpleegd voor het bepalen van deze uitrusting. 7412. Het aantal en het type toestellen worden bepaald door het brandrisico.De toestellen worden in voldoend aantal oordeelkundig gespreid, zodat zij elk punt van de instelling kunnen bedienen. 7413. De handbediende toestellen moeten gemakkelijk bereikbaar, oordeelkundig gespreid en degelijk aangeduid zijn.Ze zijn zodanig geplaatst dat zij de circulatie niet hinderen en niet beschadigd of omvergestoten kunnen worden.

De eventueel buiten geplaatste toestellen worden tegen onweersomstandigheden beschut. 742. Brandmelding Elk toestel dat de verbinding tot stand kan brengen mits menselijke interventie is voorzien van een bericht over zijn bestemming en gebruiksaanwijzing.Gaat het om een telefoontoestel, dan vermeldt dit bericht het te vormen oproepnummer om de bevoegde brandweerdienst te verwittigen, behalve wanneer de verbinding rechtstreeks of automatisch geschiedt. In dit laatste geval moet de melding van brandontdekking of -verklikking terstond aan de brandweerdiensten bevestigd kunnen worden door middel van een telefoontoestel. 743. Waarschuwing en alarm De waarschuwings- en alarmseinen of- berichten kunnen door alle betrokken personen opgevangen worden en mogen niet met elkaar noch met andere seinen kunnen worden verward.Hun elektrische circuits zijn apart.

In de inrichtingen van categorie 3 veroorzaakt de inwerkingtreding van het alarm de achtereenvolgende terugkeer van de liftkooien van de liften zonder prioriteitsoproep naar het evacuatieniveau en het stopzetten op dat niveau. 744. Algemene automatische installaties voor brandmelding d.m.v. gescheiden verklikkers In de gevallen waar het onderhavig reglement een automatische installatie van brandmelding d.m.v. gescheiden verklikkers eist, wordt de installatie uitgevoerd en gekeurd overeenkomstig de norm NBN S21.100.

Het materiaal moet de goedkeuring hebben gekregen waarbij zijn conformiteit met deze norm bevestigd wordt. 745. Blusmiddelen 7451.De blusmiddelen bestaan uit al dan niet automatische toestellen of installaties.

De snelblussers en de muurhaspels dienen voor de eerste interventie, d.w.z. dat zij hoofdzakelijk bestemd zijn om gebruikt te worden door het personeel en de bewoners. 7452. De snelblussers en de muurhaspels moeten aan de Belgische normen voldoen. Het Benormerk waarborgt deze overeenstemming. 7453. Muurhaspels met axiale voeding en muurhydranten 7453.1. Wanneer muurhaspels met axiale voeding worden gekozen als middel voor brandbestrijding en eerste interventie, beantwoorden zij aan volgende voorschriften : - zij worden in voldoende aantal aangebracht en op de plaatsen die zodanig worden bepaald dat alle punten van de te beschermen oppervlakte bereikt worden door de straal van een brandspuit; - zij komen overeen met de norm NBN S21-033. 7453.2. Wanneer de muurhaspels met axiale voeding, aangevuld door muurhydranten, gekozen worden als middelen voor brandbestrijding en eerste interventie, voldoen ze aan volgende voorschriften : - ze worden gegroepeerd en hebben een gemeenschappelijke watertoevoer; - ze worden in voldoende aantal aangebracht en op de plaatsen die zodanig worden bepaald dat alle punten van de te beschermen oppervlakte bereikt worden door de straal van een brandspuit; - ze komen overeen met de NBN S21-033 (haspels) en met de NBN 571 (hydrant). 7453.3. In de inrichtingen van categorie 3 moet ten minste één muurhydrant per niveau geïnstalleerd worden, stemmend overeen met de norm NBN 571.

De doorsnede van de stijgende toevoerkolom is ten minste 70 mm breed; de overblijvende druk in de meest benadeelde hydrant is gelijk aan ten minste 2,5 bar bij een debiet van 500 l/min zonder slang noch straalpijp. 7453.4. Er is druk op het water die de toestellen bevoorraadt zonder daartoe voorafgaande maneuvers uit te voeren.

De toevoercanalisaties binnen het gebouw zijn van roestvrij staal, gegalvaniseerd staal of koper vervaardigd. Ze worden zorgzaam afgeschermd tegen de vorst. 7454. Bluswaterbevoorrading De bluswaterbevoorrading moet voldoende zijn.De bevoorrading kan verzekerd worden met stromend of stilstaand water of met het openbaar verdelingsnet. In dit laatste geval zijn het aantal en de lokalisatie van de brandkranen en brandmondingen zo bepaald dat de meest nabijgelegen kraan of hydrant op minder dan 100 m van de ingang van het gebouw geplaatst is.

Overeenkomstig de omzendbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 oktober 1975 betreffende de watervoorraden voor het blussen van branden moet er in een signalisatie voorzien worden.

Indien de bevoorrading met stromend of stilstaand water verzekerd wordt, is de capaciteit van de watervoorraad ten minste gelijk aan 40 m3 voor de inrichtingen van de categorieën 1 en 2 en 120 m3 voor die van categorie 3. HOOFDSTUK VIII. - ONDERHOUD EN CONTROLE 8 1. Algemeen 811.De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De exploitant laat die uitrusting op zijn verantwoordelijkheid periodiek door bevoegde personen controleren. 812. De exploitant zorgt ervoor dat de keuringen, onderzoekingen en controles, inzonderheid die waarvan sprake in artikel 82, uitgevoerd worden en dat er proces-verbaal wordt opgemaakt over de bij de artikelen 8.2.1. tot 8.2.8. voorgeschreven controles.

De data van de controles en van de vaststellingen die tijdens deze controles werden gedaan, evenals de instructies voor het personeel worden in een dossier geklasseerd dat ter beschikking wordt gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde. 82. Periodieke controles De hierna volgende schikkingen worden ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming uitgebreid tot alle bij dit besluit bedoelde inrichtingen, of er daar personeel tewerkgesteld is of niet.821. Liften en goederenliften De liften en goederenliften worden onderzocht zoals voorgeschreven in titel III, hoofdstuk I, afdeling II van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB).Door deze controles wordt ook de naleving van artikel 72 van deze voorschriften beoogd. 822. Installaties voor drijfkracht, verlichting, signalisatie en veiligheidsverlichting De installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie beantwoorden al naar gelang het geval aan de voorschriften van afdeling I, hoofdstuk-I van titel III van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB), of aan de voorschriften van het Algemeen Reglement van de Elektrische Installaties (MREI) of aan de voorschriften van het Technisch Reglement (TR) zoals aangenomen door het Belgisch Elektronisch Comité- (BEC). Onverminderd de bepalingen van deze reglementen, worden bovenbedoelde elektrische installaties gecontroleerd : - bij de inbedrijfstelling en iedere keer dat er belangrijke wijzigingen aangebracht worden; - jaarlijks, voor de hoogspanningsinstallaties en desgevallend de gemiddelde spanningsinstallaties volgens artikel 262 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming.

De bovenvermelde controles hebben ten doel de conformiteit van de elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie te controleren met de voorschriften van dit reglement.

De exploitant moet regelmatig de werking van de veiligheidsverlichting controleren, en ten minste alle zes maanden. 823. Installaties voor verwarming en klimaatregeling Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, worden eens per jaar de installaties voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling nagezien door een bevoegd technicus erkend door het Ministerie van Volksgezondheid, met uitsluiting van de installaties voor verse luchtproductie alleen. De afvoerleidingen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden. 824. Installaties gevoegd met brandbaar gas Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, wordt elke nieuwe of gedeeltelijk vernieuwde of herstelde installatie onderzocht vóór de in bedrijfstelling ervan, volgens de voorschriften van de Belgische normen en de regels van goede praktijk. De voormelde controle wordt om de vijf jaar uitgevoerd door een bevoegd organisme of installateur. De uitslagen ervan worden in een proces-verbaal opgetekend, dat de exploitant moet bewaren. 825. Melding, waarschuwing, alarm Jaarlijks worden de elektrische meldings-, waarschuwings-, alarm- en noodverlichtingsinstallaties en de installaties omschreven in artikel 826, andere dan de gewone telefoonlijnen, nagezien door een organisme erkend door het Ministerie van Economische Zaken voor de controle van de elektrische installaties. 826. Algemene automatische installaties voor brandverklikking d.m.v. gescheiden verklikkers Deze installaties worden jaarlijks door een bevoegd organisme of installateur nagezien en onderhouden. 827. Blusmiddelen De exploitant draagt er zorg voor dat de blustoestellen jaarlijks nagezien en onderhouden worden.828. Filters en afvoerleidingen van keukenkappen De exploitant draagt er zorg voor dat de vetfilters en afvoerleidingen van keukenkappen regelmatig onderhouden worden.829. Ventilatiedeuren en -openingen De exploitant draagt er zorg voor dat de ventilatiedeuren, -deurtjes en -openingen voorzien in dit reglement jaarlijks onderhouden worden. HOOFDSTUK IX. - UITBATINGSVOORSCHRIFTEN 9 1. Algemeen Naast alles waarin die regeling voorziet, neemt de exploitant alle nodige maatregelen om de personen, aanwezig in de inrichting, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffingen. De permanente maatregelen die in dat opzicht door de exploitant genomen worden zullen vermeld worden in een huishoudelijk reglement.

Periodiek en ten minste één maal per jaar, vestigt de exploitant de aandacht van het personeel op de bepalingen van dit hoofdstuk.

De opmerkingen die voorkomen in de processen-verbaal van de periodieke controles bedoeld in artikel 8 dienen zo snel mogelijk gevolgd te worden door de aangepaste verbeteringen. 92. Deuren, deurtjes, enz. De exploitant waakt over de goede werking van de zelfsluitende deuren, deurtjes, enz. en de bij brand zelfsluitende deuren, deurtjes, enz. 93. Kooktoestellen en komforen Kooktoestellen en komforen zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen. Er mogen geen verplaatsbare toestellen, gevoed met brandstoffen, in de inrichting geplaatst of gebruikt worden, tenzij met een hoeveelheid brandstof van ten hoogste 3 kg of 1 liter.

De reserve- of ledige recipiënten worden in open lucht of in een daartoe speciaal ingericht lokaal opgeslagen. Deze ruimte bevat geen enkele andere brandbare stof en is voorzien van een verluchting boven en onderaan. 94. Voorlichting van personeel en gasten op het gebied van de brandbeveiliging 941.Onverminderd de bepalingen van de artikelen 5210 en 5213 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (*) vestigt de exploitant de aandacht van de personeelsleden op het gevaar bij brand in de inrichting. Zij worden onder meer op de hoogte gesteld van de ingezetten middelen inzake : - verklikking, melding, waarschuwing en alarm; - de te nemen schikkingen om voor de veiligheid van de personen te zorgen; - de installaties voor de brandbestrijding.

De exploitant en sommige personeelsleden, speciaal aangeduid omwille van het permanent karakter van hun ambt genieten een opleiding wat het behandelen en de gebruiksvoorwaarden van de blusmiddelen betreft. 942. De exploitant organiseert ten minste één keer per jaar praktische oefeningen opdat de personeelsleden weten hoe zij zich bij brand moeten gedragen.943. Een veiligheidsrichtlijn opgesteld in de drie landstalen en in het Engels zal de instructies inzake brandbeveiliging aan de gasten meedelen (zie voorbeeld - bijlage 1a).95. Gasinstallaties Alle onontbeerlijke voorzorgen zijn genomen om gaslekken te voorkomen. De aanwezigheid van verplaatsbare recipiëënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in de lokalen van de kelderverdiepingen en in deze waarvan de bodem aan alle zijden lager is dan de omringende bodem van het gebouw, behalve voor toevallige werkzaamheden.

De verplaatsbare recipiënten voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen die niet in gebruik zijn en de recipiënten die geacht worden leeg te zijn, moeten in open lucht of in een doelmatig verlucht en speciaal voor dit gebruik bestemd lokaal opgeslagen worden. 96. Opslagen van brandstoffen Elke opslagplaats van vloeibare brandstoffen of van vloeibaar gemaakte petroleumgassen is buiten de aan de gasten toegankelijke lokalen en buiten de werklokalen ingericht.97. Allerlei 971.De exploitant zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen door verbodsberichten aan te brengen. 972. De toegang tot de ondergrondse parkeerplaatsen is verboden voor voertuigen uitgerust met een LPG-installatie. Dat verbod wordt aan de ingangen van de parkings aangebracht. 973. Veiligheidsrichtlijnen en plannen 9731.In de ingang van het hotel Een plan van de inrichting bedoeld om de hulpdiensten in te lichten moet onder meer de plaats aanduiden van : - de trappen en evacuatiewegen; - de beschikbare brandbestrijdingsmiddelen; - in voorkomend geval, het overzichtbord van het verklikking- en alarmsysteem; - de stookplaatsen; - in voorkomend geval, de installaties en lokalen die een bijzondere risico inhouden. 9732. Op elke verdieping In de inrichtingen met twee of meer verdiepingen wordt een vereenvoudigd oriëntatieplan nabij de toegang tot elke verdieping aangebracht.9733. In elke kamer Richtlijnen in de drie landstalen en in het Engels geven aan hoe te handelen in geval van brand. Ze worden vervolledigd met een vereenvoudigd verdiepingsplan waarop de plaats van de kamer ten opzichte van de evacuatiewegen, de trappen en/of de uitgangen bondig aangegeven is. 974. De omgeving van de plaatsen waar zich toestellen bevinden voor melding, waarschuwing en alarm of waar apparaten voor brandbestrijding aangebracht zijn, blijft steeds vrij, zodat bedoelde toestellen onverwijld kunnen gebruikt worden. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES _______ Nota's (*) Schikking opgenomen uit het Algemene Reglement voor de Arbeidsbescherming die verplicht werd gemaakt in aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van dit reglement voor alle inrichtingen bedoeld bij dit besluit of er daar personeel wordt tewerkgesteld of niet.

Bijlage 1a RICHTLIJNEN VOOR DE GASTEN Hoe brandgevaar voorkomen ? 1. Rook niet in bed en werp geen sigarettenpeuken in de papiermand of door het venster.2. Raak niet aan de elektrische installatie om die aan te passen of te veranderen zonder toelating van de directie.3. Gebruik geen voorwerpen of vloeistoffen die kunnen brand stichten.4. Maak geen eten klaar in de kamers op toestellen die geen deel uitmaken van de uitrusting van de inrichting.5. Maak U vertrouwd met de evacuatiewegen in de nabijheid van uw kamer.6. Leg geen wasgoed te drogen op de verwarmingstoestellen. Wat moet U doen bij branduitbreking ? 1. In geval van brand wordt U door een speciale installatie gewaarschuwd (*). 2. Indien U een brand of een rookuitwaseming ontdekt, moet U onmiddellijk de telefooncentrale verwittigen, nr................ (*) 3. Het personeel van de inrichting is opgeleid om de brand te bestrijden, de evacuatie van de gasten te leiden;het is op elk ogenblik klaar om over uw veiligheid te waken in afwachting van de aankomst van de brandweerdiensten. 4. Verlaat uw kamer, sluit de deur en begeef U langs de kortste weg naar de uitgang of nooduitgang.5. Volg de instructies van het personeel van de inrichting.6. Om uw ademhalingswegen te beschermen raden wij U aan een nat linnen of doekje vóór de neus en de mond te houden.7. Gebruik de liften niet;ze kunnen blijven stilstaan in geval van brand. 8. Vermijd de gangen vol rook en begeef U onmiddellijk naar de uitgang of nooduitgang.De richting naar de nooduitgangen en trappehuizen die verlicht zijn is duidelijk aangeduid, zelfs wanneer de normale verlichting is uitgevallen. 9. Verzamel U vóór de inrichting (*). (*) geval per geval aan te passen Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 2 MODEL VAN ATTEST Ondertekende, . . . . . , burgemeester te . . . . . verklaart hierbij dat de logiesverstrekkende inrichting (Benaming) . . . . . (Adres) . . . . . - (geen)/personeel tewerkstelt, aangeworven krachtens een arbeidsovereenkomst ( * ) - beantwoordt aan de brandveiligheidsnormen, bepaald in de bijlage 1 bij het besluit van de Regering van betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen behalve (-) voor de volgende punten, waarvoor overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van het besluit van de Regering een termijn om zich in orde te stellen werd toegestaan, die begint te lopen op : 1) Punt - termijn om zich in orde te stellen : 2) Punt - termijn om zich in orde te stellen : 3) Punt - termijn om zich in orde te stellen : (*) Doorhalen wat niet past. (-) Eventueel door te halen.

De burgemeester, Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 3 MODEL VAN ATTEST Ondertekende, . . . . . , Minister van Toerisme, verklaart hierbij dat de logiesverstrekkende inrichting (Benaming) . . . . . (Adres) . . . . . - (geen)/personeel tewerkstelt, aangeworven krachtens een arbeidsovereenkomst ( * ) - beantwoordt aan de brandveiligheidsnormen, bepaald in de bijlage 1 bij het besluit van de Regering van betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen behalve (-) voor de volgende punten, waarvoor een afwijking werd toegestaan overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 14 en 16 van het besluit van de Regering : 1) Punt : 2) Punt : 3) Punt : voor de volgende punten, waarvoor een termijn om zich in orde te stellen, die begint te lopen op, .. . . . werd toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van het besluit van de Regering. 1) Punt : termijn om zich in orde te stellen : 2) Punt : termijn om zich in orde te stellen : 3) Punt : termijn om zich in orde te stellen : De Minister, (*) Doorhalen wat niet past. (-) Eventueel door te halen.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 4 HOTELVERGUNNING Naam en adres van de aanvrager . . . . . . . . . . wordt de vergunning verleend, de logiesverstrekkende inrichting, gelegen te . . . . . , met de benaming als . . . . . te gebruiken.

De geldigheid van die vergunning is onderworpen aan de naleving van de voorschriften bepaald in het decreet van 9 mei 1994 over de logiesverstrekkende inrichtingen en hotelinrichtingen, alsmede van de daaropvolgende uitvoeringsbesluiten.

Die vergunning heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 5 jaar vanaf Eventuele bemerkingen : Eupen, De Minister, Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 5 WEIGERING VAN DE HOTELVERGUNNING of INTREKKING VAN DE HOTELVERGUNNING Naam en adres van de aanvrager . . . . . . . . . .

De Regering van de Duitstalige Gemeenschap weigert de vergunning om de logiesverstrekkende inrichting, gelegen te met de benaming . . . . . , als te gebruiken resp. schorst die vergunning op.

De weigering resp. de opschorting gebeurt in uitvoering van de voorschriften bepaald in het decreet van 9 mei 1994 over de logiesverstrekkende inrichtingen en hotelinrichtingen, alsmede van de daaropvolgende uitvoeringsbesluiten, in het bijzonder : Een opheffing van die weigering mag slechts worden aangevraagd op voorlegging van volgende bescheiden : Eupen,..........................19...................................

De Minister Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 6 MODEL VAN HET AAN DE VERGUNNINGHOUDER UITGEREIKTE SCHILD Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Kleuren : Witte H en witte ster (ren) op blauw veld.

Naargelang de hotelinrichting tot de categorie 1, 2, 3, 4 of 5 behoort, vertoont het schild een H met 1, 2, 3, 4 of 5 sterren.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

Bijlage 7 NORMEN M.B.T. DE CLASSIFICATIE VAN DE HOTELINRICHTINGEN Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld _______ Nota's (1) Deze cijfers stemmen overeen met de categorie van classificatie. De kruisjes duiden de minimale voorwaarden aan om in de desbetreffende categorie opgenomen te worden. (*) Onder badgelegenheid wordt verstaan een ruimte, volledig afgesloten en toegankelijk d.m.v. een deur, voorzien van een badkuip met douche of van een douche en waarin ook luchtverversing en verlichting aanwezig zijn.

Aanvullende inlichtingen 1.3.1.De algemene samenvattende tabel met de noodzakelijke telefoonnummers zichtbaar aanhangen.

Eventuele relais worden geplaatst naar gelang van de manier waarop de hotelinrichting beheerd wordt. 2.1. Raam met uitzicht naar buiten. 3.13. Meubel die zowel als bureau als toilettafel kan worden gebruikt. 4.1. Door een verbindingsdoor afgescheiden lokaal : directe toegang tot de lokaal zonder de kamer te verlaten. 6.1. Onder « vast geïnstalleerde toestellen » verstaat men onbeweegbare en beweegbare toestellen die voortdurend in een lokaal worden gebruikt.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Regering van 13 april 2000 betreffende de hotelvergunning en de classificatie van de hotelinrichtingen.

Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap : De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES

^