Besluit Van De Duitstalige Gemeenschap van 22 juni 2001
gepubliceerd op 03 oktober 2001
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Regering tot vaststelling van de berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid »

bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
numac
2001033062
pub.
03/10/2001
prom.
22/06/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

22 JUNI 2001. - Besluit van de Regering tot vaststelling van de berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid »


De Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1990, 18 juli 1990, 5 mei 1993, 16 juli 1993, 30 december 1993, 16 december 1996, 4 mei 1999, 6 mei 1999, 25 mei 1999 en 22 december 2000;

Gelet op het decreet van 26 juni 1986 tot regeling van de erkenning van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, van de toekenning van subsidies aan deze diensten en van de bijdragen van de beneficiant van de hulp, gewijzigd bij de decreten van 9 juni 1987, 21 december 1987, 1 maart 1988 en 25 juni 1991, alsmede bij het programmadecreet van 23 oktober 2000;

Gelet op het decreet van 9 mei 1988 tot oprichting van een Fonds voor Kinderwelzijn, tot overname van sommige personeelsleden van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn alsmede tot regeling van het herbergen van kinderen onder de zeven jaar, gewijzigd bij de decreten van 7 mei 1990 en 21 januari 1991;

Gelet op het decreet van 19 juni 1990 houdende oprichting van een « Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung » (Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor de personen met een handicap), gewijzigd bij het decreet van 29 juni 1998 en het programmadecreet van 23 oktober 2000;

Gelet op het decreet van 20 maart 1995 over jeugdbijstand, gewijzigd bij de decreten van 4 maart 1996, 20 mei 1997 en 23 oktober 2000;

Gelet op het koninklijk besluit van 30 maart 1973 tot bepaling van de te volgen gemeenschappelijke regels voor de vaststelling van de toelagen per dag toegekend voor onderhoud, opvoeding en behandeling van minderjarigen en van gehandicapten geplaatst ten laste van de openbare besturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 december 1973, 10 april 1974, 21 november 1974, 7 juli 1975, 20 juli 1976, 17 augustus 1976, 26 oktober 1976, 6 december 1976, 18 april 1977, 10 maart 1978, 12 juni 1978, 27 februari 1980 en bij de besluiten van de Executieve van 20 juli 1993 en 5 mei 1995;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 maart 1975 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor geestelijke gezondheidszorg, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 augustus 1976, 31 maart 1977, 8 maart 1978 en 18 december 1978, bij het besluit van de Executieve van 9 mei 1990 en bij de besluiten van de Regering van 20 december 1995, 18 december 1997, 30 november 1998 en 9 februari 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 augustus 1969 waarbij een weddetoelage toegekend wordt aan het paramedisch personeel van de erkende equipes voor medisch schooltoezicht;

Gelet op het besluit van de Executieve van 23 augustus 1988 tot vastlegging van het forfaitaire uurbedrag van de tegemoetkoming in de loon- en werkingskosten van de erkende diensten voor gezins- en bejaardenhulp;

Gelet op het besluit van de Regering van 21 april 1999 houdende erkenning en subsidiëring van de centra voor de coördinatie van de thuiszorg;

Gelet op het besluit van de Regering van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen, gewijzigd bij het besluit van de Regering van 21 december 2000;

Gelet op het ministerieel besluit van 24 april 1973 tot bepaling, wat betreft het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin, van de te volgen bijzondere regels voor de vaststelling van de toelagen per dag, toegekend voor het onderhoud en de behandeling van de gehandicapten, geplaatst ten laste van de openbare besturen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 11 april 1974, 22 november 1974, 30 april 1975, 13 december 1975, 31 maart 1976, 3 mei 1976, 9 september 1976, 20 april 1977, 9 mei 1977, 11 maart 1978, 14 juni 1978 en 29 juli 1981;

Gelet op het ministerieel besluit van 18 juni 1975 tot bepaling van de te volgen regels voor de vaststelling van het bedrag van de tegemoetkoming uit het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten in de kosten voor onderhoud, behandeling en opvoeding van gehandicapten die geplaatst zijn in inrichtingen die onder het stelsel van een semi-internaat werken, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 september 1975, 30 april 1976, 19 oktober 1976, 25 maart 1977, 9 mei 1977, 12 maart 1978, 14 juni 1978, 6 maart 1980, 29 juli 1981, 14 oktober 1988 en bij het besluit van de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap van 9 mei 1990;

Gelet op de raamovereenkomst over de niet-commerciële sector, gesloten tussen de Regering en de vakorganisaties op 30 juni 2000;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 13 juni 2001;

Gelet op het akkoord van de Minister-President, bevoegd inzake Begroting, gegeven op 22 juni 2001;

Gelet op het advies van de Raad van beheer van de Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor de personen met een handicap, gegeven op 1 juni 2001;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de harmonisering van de regelingen over de berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » geen uitstel meer lijdt daar de raamovereenkomst van 30 juni 2000 over de niet-commerciële sector van de Duitstalige Gemeenschap er reeds voor 1 januari 2001 in voorzag, en overwegende dat de onderhandelingen met de bevoegde paritaire comités op 19 maart 2001 zodanig gevoerd werden dat de voorliggende tekst kon opgesteld worden, zodat de omzetting onmiddellijk moet plaatsvinden, onder andere om een onnodige terugwerkende kracht te vermijden die zich tot een nog grotere termijn zou uitstrekken;

Op de voordracht van de Minister bevoegd inzake Gehandicaptenbeleid en van de Minister bevoegd inzake Jeugd en Gezin, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene regels

Artikel 1.Toepassingsgebied Voorliggend besluit is toepasselijk op de subsidiëring, door de Duitstalige Gemeenschap, van de personeelskosten aangegaan door de organisaties die in het kader van de bevoegdheden van de Duitstalige Gemeenschap in de sector van de persoonsgebonden aangelegenheden werkzaam zijn. Behoudens de overgangsbepalingen kan het aan alle tegenstrijdige bepalingen tegengesteld worden die van toepassing zijn op het ogenblik van zijn inwerkingtreding.

Met uitzondering van de projecten zijn de rechtspersonen die voor de residentiële en ambulante begeleiding van jongelui erkend zijn, van het toepassingsgebied uitgesloten.

Art. 2.Berekeningsgrondslag Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen worden de volgende kosten in aanmerking genomen voor de subsidiëring van de personeelskosten, voor zover zij de werkelijke aanneembare kosten van de organisaties omvatten.

Voor de berekening van de subsidiëring van de personeelskosten worden uitsluitend de hierna vermelde kosten : 1° de brutowedden;2° de wettelijke werkgeversbijdragen;3° de specifieke voordelen, in aanmerking genomen, indien ze met bewijsstukken gestaafd worden. De kosten bedoeld in het eerste lid hebben betrekking tot een algemene arbeidsregeling van 38 uren per week. Afwijkende algemene arbeidsregelingen mogen slechts na toestemming van de Regering voor de subsidiëring in aanmerking worden genomen. Bij gebreke van deze toestemming wordt de berekeningsgrondslag proportioneel verminderd.

De personeelskosten worden in aanmerking genomen ten belope van de vastgelegde maximale personeelsbezetting resp. van het vastgelegde maximale urenkrediet.

Wat de kosten bedoeld in het eerste lid betreft, wordt de koppeling van de bedragen aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen in aanmerking genomen, indien zij wettelijk op de betrokken wedden toepasselijk is. Bij de inwerkingtreding van dit besluit geldt het spilindexcijfer 138,01 (gebaseerd op het indexcijfer der consumptieprijzen toepasselijk op 1 januari 1984) voor de weddeschalen opgenomen in de bijlage I. Het uurloon wordt van de maandelijkse wedde naargelang de dienstprestaties afgeleid.

Art. 3.Verantwoording Om de subsidieerbare kosten te bewijzen dient de ontvanger van de toelage alle ad hoc bewijsstukken en vereiste documenten in. HOOFDSTUK II. - Wedden en werkgeversbijdragen

Art. 4.Weddeschalen Voor de subsidiëring van de weddekosten worden ten hoogste in aanmerking genomen de schalen met de jaarlijkse wedden per ambt zoals opgenomen in de bijlage I bij dit besluit en het vakantiegeld. Als wettelijke werkgeversbijdragen worden de wettelijk voorgeschreven tegemoetkoming van de werkgever in de reiskosten naar de werkplaats alsmede de bijdragen ten laste van de werkgever die zowel bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid alsook bij de arbeidsongevallenverzekering en de dienst voor arbeidsgeneeskunde moeten worden betaald, in rekening genomen.

De weddeschalen vermelden voor elk ambt de minimale wedde, de maximale wedde alsmede de tussentijdse verhogingen naargelang de dienstanciënniteit. Zij vermelden bovendien de leeftijd vanaf welke de dienstjaren voor de tussentijdse verhogingen aangerekend worden.

Art. 5.Diplomavereisten Om met de in artikel 4 bedoelde weddeschalen rekening te kunnen houden, moet aan de diplomavereisten, zoals in de bijlage I bij dit besluit voor de verschillende ambten bepaald, worden voldaan.

De bevoegde minister mag afwijkingen toestaan, indien een buitengewone nuttige beroepservaring of een bijzondere opleiding voor het betrokken ambt bewezen worden of indien er voor de vereiste kwalificatie een acuut gebrek aan arbeidskrachten heerst.

Art. 6.Dienstanciënniteit § 1. Voorafgaande diensten gepresteerd bij andere werkgevers worden bij de berekening van de dienstanciënniteit als volgt in aanmerking genomen : 1° diensten gepresteerd in de sector van de persoonsgebonden aangelegenheden, met dezelfde of een hogere kwalificatie als/dan de betrokken huidige werkzaamheid : voor het geheel;2° diensten gepresteerd in dezelfde sector, met een lagere kwalificatie dan de betrokken huidige werkzaamheid : ten belope van de helft;3° diensten gepresteerd bij een andere werkgever, met dezelfde of een hogere kwalificatie als/dan de betrokken huidige werkzaamheid : voor het geheel, wat het geschoolde werkliedenpersoneel en het administratief personeel betreft. Onder dezelfde voorwaarden worden de voorafgaande deeltijdse betrekkingen als voltijdse betrekkingen aangerekend. § 2. Voor de berekening van de lopende dienstanciënniteit, verworven in de arbeidstijdregeling waarvoor de personeelskosten gesubsidieerd worden, worden de deeltijdse arbeidstijdsregelingen als voltijdse arbeidstijdsregelingen aangerekend. § 3. Slechts volledige kalendermaanden worden voor de berekening van de dienstanciënniteit in aanmerking genomen.

Art. 7.Leidinggevende functie Bij organisaties die ten minste 10 personen tewerkstellen, wordt voor een gegradueerde of licentiaat met leidinggevende functie een bijzondere weddeschaal, zoals bepaald in de bijlage I bij dit besluit, in aanmerking genomen. HOOFDSTUK III. - Specifieke voordelen

Art. 8.Dertiende maand Bij de berekening van de in aanmerking te nemen personeelskosten, wordt er vanaf het jaar 2002 rekening gehouden met een dertiende maand wedde, die op basis van de wedde van de betrokkene voor de maand november overeenkomstig de in bijlage I bij dit besluit opgenomen schalen met de jaarlijkse wedde berekend wordt, alsmede met de bijdragen m.b.t. tot deze dertiende maand die met toepassing van de wetgeving over de sociale zekerheid moeten worden betaald.

Voor het jaar 2001 wordt de eindejaarspremie met inbegrip van de desbetreffende werkgeversbijdragen in aanmerking genomen.

Art. 9.Verdere voordelen Andere voordelen mogen voor de subsidiëring slechts in aanmerking worden genomen als ze in het kader van een overeenkomst tussen de sociale partners vastgelegd werden en de Regering vooraf haar toestemming gegeven heeft voor de subsidiëring ervan. HOOFDSTUK IV.- Bijzondere bepalingen inzake gehandicaptenbeleid

Art. 10.Bijzonder toepassingsgebied De bijzondere voorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de personeelskosten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de subsidies toegekend aan de inrichtingen en verenigingen die erkend zijn voor het onthaal, de plaatsing van en het toezicht op personen die met toepassing van artikel 4, § 1, 1°, van het decreet van 19 juni 1990 houdende oprichting van een « Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung » (Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor de personen met een handicap) ingeschreven zijn.

Art. 11.Weddeschalen en diplomavereisten Voor de in artikel 10 bedoelde personeelskosten worden, wat bepaalde ambten betreft, de bijzondere bepalingen opgenomen in de bijlage II bij dit besluit toegepast in afwijking van de overeenkomstige ambten opgenomen in de bijlage I bij dit besluit.

Art. 12.Leidinggevende functie Voor de in artikel 10 bedoelde personeelskosten wordt, in afwijking van artikel 7, telkens een bijzondere in de bijlage I bij dit besluit opgenomen weddeschaal desgevallend op een gegradueerde of een licentiaat met leidinggevende functie toegepast, indien ten minste. 1° 10 rechthebbenden in een dagcentrum, een tehuis of een dienst voor kort verblijf geplaatst worden;2° 25 gehandicapte werknemers in een beschutte werkplaats tewerkgesteld worden.

Art. 13.Door derden geleverde prestaties Overeenkomstig de bepalingen van dit artikel mogen de kosten van de prestaties geleverd door natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen die niet tot het personeel van de betrokken inrichting behoren, aangerekend worden in de personeelskosten waarmee rekening moet worden gehouden.

Dat is slechts het geval als het aantal personeelseenheden die wegens de door derden geleverde prestaties niet tewerkgesteld worden, 40% van de vastgelegde globale personeelsbezetting of van het vastgelegde globale urenkrediet (directeur en arts niet inbegrepen) niet overschrijdt.

Er wordt met de kosten rekening gehouden ten belope van de theoretische bezoldiging van de personeelseenheden die wegens de door derden geleverde prestaties niet tewerkgesteld worden. De minimale wedde van de desbetreffende weddeschaal dient als berekeningsgrondslag.

De aanneembare kosten betreffen bovendien elementen die voor de berekening van de dagprijs in aanmerking kunnen worden genomen. Een afdoend bewijs moet worden geleverd. HOOFDSTUK V. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

Art. 14.Overgangsbepaling Met het oog op de subsidiëring in samenhang met de vereiste bekwaamheidsbewijzen en de weddeschalen blijven de wettelijke en reglementaire bepalingen alsmede de overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van dit besluit geldig waren, toepasselijk de personen die door de in artikel 1 bedoelde organisaties tewerkgesteld zijn en voor wie vóór de inwerkingtreding van dit besluit toelagen toegekend waren, indien zij voordeliger zijn.

Indien er, wat de subsidiëring van een tot de inwerkingtreding van dit besluit tewerkgestelde persoon betreft, voor de berekening van de tussentijdse verhogingen echter met een hogere geldelijke anciënniteit rekening gehouden wordt als degene waarop deze persoon met toepassing van voorliggend besluit recht zou hebben, dan blijft deze geldelijke anciënniteit verworven.

Art. 15.Opheffing in de sector van de gehandicapten Het besluit van de Executieve van 20 juli 1993 tot vaststelling van bepaalde te volgen regels voor de berekening van de personeelskosten die aan de erkende inrichtingen en verenigingen verleend worden in het kader van de toelagen per dag toegekend door de "Dienststelle für Personen mit einer Behinderung sowie für die besondere soziale Fürsorge" wordt opgeheven.

Art. 16.Opheffing in de sector van de kleine kinderen De artikelen 23, § 2, leden 1 tot 3, § 3, lid 2, 40, § 2, leden 1 en 3, van het besluit van de Regering van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen worden opgeheven.

In artikel 23, § 1, van hetzelfde besluit wordt volgend lid ingevoegd : « Wat de personeelskosten betreft, worden de berekeningsgrondslagen toegepast die voor de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » door de Regering vastgelegd zijn. » In artikel 23, § 3, van hetzelfde besluit wordt de passus « de forfaitaire toelage voor een halve betrekking, zoals bepaald in bijlage 1, II » vervangen door « een toelage voor een halve betrekking ».

Artikel 23, § 3, lid 2, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

In artikel 35 van hetzelfde besluit wordt de passus « De Minister kan andere diploma's toelaten als een opleiding of een voor de beoogde functie nuttige ervaring van ten minste één jaar kan bewezen worden. » geschrapt.

In artikel 39 van hetzelfde besluit wordt de passus « , overeenkomstig volgende bepalingen, » geschrapt.

Artikel 40, § 2, van hetzelfde besluit wordt door de volgende bepaling vervangen : « Voor het vakpersoneel bedoeld in artikel 35 wordt een subsidie voor de personeelskosten toegekend. » Bijlage I bij hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 17.Opheffing in de sector van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp Artikel 1 van het besluit van de Executieve van 23 augustus 1988 tot vastlegging van het forfaitaire uurbedrag van de tegemoetkoming in de loon- en werkingskosten van de erkende diensten voor gezins- en bejaardenhulp wordt vervangen door de volgende bepaling : « De subsidie toegekend als tegemoetkoming in de loon- en werkingskosten stemt overeen met het verschil tussen de werkelijke uitgaven en de ontvangsten bepaald in artikel 7, § 2, van het decreet van 26 juni 1986 tot regeling van de erkenning van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp, van de toekenning van subsidies aan deze diensten en van de bijdragen van de beneficiant van de hulp, gewijzigd bij het decreet van 1 maart 1988, na aftrek van de niet aanneembare personeelskosten.

Als aanneembare personeelskosten gelden de kosten die met toepassing van de voor de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » door de Regering vastgelegde berekeningsgrondslagen berekend worden. » Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 18.Opheffing in de sector van de diensten voor geestelijke gezondheidszorg In artikel 25, § 1, lid 2, van het koninklijk besluit van 20 maart 1975 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de diensten voor geestelijke gezondheidszorg, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 maart 1985, de besluiten van de Regering van 20 december 1995, 18 december 1997 en 30 november 1998, worden de passus « (barema 22/6) » en de passus « Om bij een aanwerving een dienstanciënniteit eventueel in aanmerking te nemen is een voorafgaande toestemming van de minister vereist. » geschrapt.

Artikel 25, § 1, lid 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Executieve van 9 mei 1990, wordt door de volgende bepaling vervangen : « De bezoldigingen worden in aanmerking genomen voor zover zij door de met toepassing van artikel 17 vereiste erelonen of geldelijke bijdrage niet gedekt worden. » In artikel 25, § 1, wordt volgend lid ingevoegd : « Wat de personeelskosten betreft, worden de berekeningsgrondslagen toegepast die voor de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » door de Regering vastgelegd zijn. »

Art. 19.Opheffing in de sector van de thuiszorg Artikel 11, § 2, lid 2, van het besluit van de Regering van 21 april 1999 houdende erkenning en subsidiëring van de centra voor de coördinatie van de thuiszorg wordt door de volgende bepaling vervangen : « Wat de personeelskosten betreft, worden de berekeningsgrondslagen toegepast die voor de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » door de Regering vastgelegd zijn. »

Art. 20.Opheffing in de sector van de gezondheidscentra Artikel 4 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1969 waarbij een weddetoelage toegekend wordt aan het paramedisch personeel van de erkende equipes voor medisch schooltoezicht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 oktober 1969, 9 november 1971 en 3 juli 1972, wordt door de volgende bepaling vervangen : « Wat de personeelskosten betreft, worden de berekeningsgrondslagen toegepast die voor de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » door de Regering vastgelegd zijn. »

Art. 21.Inwerkingtreding Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2001.

Art. 22.Uitvoering De Minister bevoegd inzake Gehandicaptenbeleid en de Minister bevoegd inzake Jeugd, Gezin, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Eupen, 22 juni 2001.

De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden, H. NIESSEN

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Bijlage II bij het besluit van 22 juni 2001 tot vaststelling van de berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid » Barema nr. 8 : Opvoeder klasse III Deze kwalificatie wordt niet in aanmerking genomen in de sector van de gehandicapten.

Barema nr. 9 : Opvoeder klasse IIB In de sector van de gehandicapten mag de activiteit als opvoeder klasse IIB niet langer dan 5 opeenvolgende jaren uitgeoefend worden.

In de loop van die 5 jaar zijn de titularissen ertoe verplicht aan een opleiding deel te nemen om de kwalificatie als opvoeder klasse IIA of IA te verwerven.

Barema nr. 10 : Opvoeder klasse IIA In de sector van de gehandicapten geldt de volgende regeling : de opvoeders klasse IIB die tijdens één jaar een opleiding leidend tot de kwalificatie als opvoeder klasse IIA of IA leidt met vrucht hebben gevolgd, mogen gedurende ten hoogste 3 jaar op basis van de weddeschaal toepasselijk op de opvoeder klasse IIA bezoldigd worden.

Barema nr. 12 : Hoofdopvoeder In de sector van de gehandicapten moeten de hoofdovpvoeders houders zijn van één der bekwaamheidsbewijzen die voor de opvoeders klasse I vereist zijn en gedurende 3 jaar educatieve activiteiten in inrichtingen voor personen met een handicap hebben uitgeoefend.

Zo'n betrekking wordt uitsluitend door de Dienst voor de personen met een handicap toegewezen worden als de educatieve activiteiten van de inrichting ook in een filiaalinrichting of in het kader van een bijzonder project uitgeoefend worden.

Barema nr. 13 : Directeur of verantwoordelijke De personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van dit besluit als leider of verantwoordelijke benoemd waren.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van 22 juni 2001 tot vaststelling van de berekeningsgrondslagen voor de subsidiëring van de personeelskosten in de sectoren « sociale aangelegenheden » en « gezondheid ».

Eupen, 22 juni 2001.

De Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden, H. NIESSEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^