Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Franse Gemeenschapscommissie van 02 april 2009
gepubliceerd op 14 juli 2009

Besluit 2008/1561 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende de toepassing van het decreet van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden

bron
franse gemeenschapscommissie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2009031384
pub.
14/07/2009
prom.
02/04/2009
ELI
eli/besluit/2009/04/02/2009031384/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

2 APRIL 2009. - Besluit 2008/1561 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende de toepassing van het decreet van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden (tweede lezing)


Het college, Gelet op het decreet van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden;

Gelet op het advies van de afdeling « Hébergement » van de Conseil consultatif bruxellois francophone de l'Aide aux personnes et de la Santé;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën gegeven op 15 december 2008;

Gelet op het akkoord van het Lid van het College belast met de Begroting op 15 januari 2009;

Gelet op het advies 45.920/4 van de Raad van State gegeven op 23 februari 2009 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973;

Op voorstel van de Minister, Lid van het College belast met Sociale Actie en Gezin, Besluit : TITEL 1. - Algemene bepalingen en programmatie van de instellingen en diensten bestemd voor bejaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene Bepalingen

Artikel 1.Dit besluit regelt, krachtens artikel 138 van de Grondwet, een aangelegenheid als bedoeld in artikel 138 ervan.

Art. 2.Voor de toepassing van onderhavig besluit verstaat men onder : 1°de Administratie : de diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie; 2° het decreet : het decreet van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden;3° de Minister : het Lid van het College belast met Sociale Actie en Gezin;4° de volmachthebber : de wettelijke vertegenwoordiger van de gehuisveste of opgevangen persoon, of de door hem aangeduide persoon om hem te vertegenwoordigen;5° de wettelijke vertegenwoordiger : de door gerechtelijk besluit aangeduide persoon om de gehuisveste of opgevangen persoon wettelijk te vertegenwoordigen. HOOFDSTUK 2. - Programmatie van de residentiële instellingen

Art. 3.De maximale capaciteit van het aantal plaatsen in gemeenschapshuizen die kan worden toegelaten is 3 per 1000 inwoners ouder dan zestig jaar.

Art. 4.De maximale capaciteit van het aantal plaatsen in de gezinsopvang die kan worden toegelaten is 3 per 1000 inwoners ouder dan zestig jaar. HOOFDSTUK 3. - Programmatie van de niet-residentiële diensten

Art. 5.Het maximum aantal diensten van tele-bewaking die kunnen worden toegelaten door de Franse Gemeenschapscommissie bedraagt vijf.

Art. 6.Er kan één enkele dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden worden toegelaten.

TITEL 2. - Normen met betrekking tot de rusthuizen HOOFDSTUK 1. - Algemene Normen Afdeling 1. - Statuut van het rustoord

Art. 7.Het rustoord wordt beheerd door een privaatrechtelijk persoon, waarvan tenminste een van de activiteitszetels gevestigd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Afdeling 2. - Rechten en plichten van de residenten

Art. 8.§ 1. Aan de resident wordt de grootst mogelijke vrijheid toegekend, voor zover deze geen nadeel berokkent aan de andere residenten. De resident is met name verplicht om de persoonlijke hygiënemaatregelen in acht te nemen en zich te houden aan de veiligheidsregels. § 2. De resident heeft de volledige vrijheid van verkeer en om naar buiten te gaan, behalve in het geval van een tegengesteld advies van de behandelende geneesheer en het schriftelijk akkoord van de wettelijke vertegenwoordiger van de resident, te voegen bij het vertrouwelijk dossier van de betrokkene. De resident dient het personeel echter te informeren of zijn afwezigheden, in het bijzonder op de tijdstippen van de maaltijden. § 3. De resident heeft het recht om de bezoekers te ontvangen van zijn keuze. De bezoekdagen- en uren zijn zo breed mogelijk vastgelegd, ten minste drie uur in de namiddag en twee uur na 18 uur, alle dagen van de week met inbegrip van zonen feestdagen; de bezoekers worden geacht de werkingsregels van de instelling na te leven. § 4. Elke dwangmaatregel tegenover de resident is verboden. Wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk blijkt vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van de resident, dient deze te worden voorgesteld door de verzorgingsploeg en gerechtvaardigd te worden met een medisch attest dat bij het medisch dossier van de betrokkene wordt gevoegd, samen met een schriftelijk akkoord van de wettelijke vertegenwoordiger van de resident. De maatregel kan slechts worden genomen mits strikte naleving van de rechten van de betrokkene; § 5. De resident heeft recht op respect voor zijn privacy en zijn affectieve en seksuele leven, de bezoekers en de personeelsleden zijn met name verplicht om de resident te verwittigen alvorens zijn kamer te betreden. § 6. De resident of zijn gevolmachtigde kiest vrij zijn arts, uitgezonderd bij noodgevallen. Deze arts heeft vrije toegang tot de instelling op de uren en dagen die worden overeengekomen met de directeur; § 7. De resident heeft vrije keuze wat betreft het paramedisch personeel en de kinesitherapie, met uitzondering van het verplegend personeel dat voorzien is in de personeelsnormen en aangeworven werd door het rustoord middels een arbeidsovereenkomst.

Het paramedisch personeel gekozen door de resident heeft vrije toegang tot de instelling op de dagen en uren die worden overeengekomen met de directeur.

Wanneer de instelling over paramedisch personeel beschikt, loontrekkend of via het ziekenfonds, staat dit vermeld in het reglement van inwendige orde. § 8. De resident heeft vrije keuze wat betreft zijn apotheker, op zijn eigen verantwoordelijkheid of die van zijn gevolmachtigde.

Wanneer de resident niet bij machte is om de medicijnen die hem werden voorgeschreven zelf in ontvangst te nemen, is het rustoord verplicht om zijn medicijnen af te leveren met naleving van het Koninklijk besluit van 31 mei 1885 houdende goedkeuring der nieuwe onderrichtingen voor de geneesheren, de apothekers en de drogisten. § 9. Aan de resident wordt de volledige vrijheid verzekerd van filosofische, politieke en religieuze meningsuiting. Er mag hem geen enkele verplichting van commerciële, culturele, religieuze, politieke of taalkundige aard worden opgelegd. De door de resident gevraagde bedienaars van de erediensten of lekenconsulenten mogen hem vrij bezoeken. Het klimaat en de faciliteiten eigen aan de vervulling van hun opdracht zijn aanwezig. Familie, vrienden en de door de resident gevraagde bedienaars van de erediensten of lekenconsulenten hebben op elk moment vrije toegang wanneer zij een stervende dienen bij te staan. Afdeling 3. - Reglement van inwendige orde

Art. 9.Elk rustoord is ertoe gehouden een reglement van inwendige orde op te stellen volgens het model bedoeld in bijlage 1 van dit besluit. In het reglement van inwendige orde dienen de door het rustoord voorgestelde principes voor zijn leefproject geconcretiseerd te worden.

Een exemplaar van het ontwerp van het reglement van inwendige orde of elk hierop volgende wijzigingsontwerp wordt per aangetekend schrijven aan de administratie verzonden. De administratie beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van de documenten, om het ontwerpreglement of de aangebrachte wijzigingen goed te keuren of te weigeren. Bij gebreke van advies van de administratie binnen de termijn van 30 dagen, wordt het reglement beschouwd als goedgekeurd.

Een exemplaar van het nieuwe reglement wordt overhandigd aan de resident en eventueel aan zijn gevolmachtigde en er wordt een voor ontvangst en akkoord ondertekend exemplaar bewaard in het vertrouwelijk dossier van de resident. De wijzigingen worden toegepast vanaf de 30e dag volgend op de datum van de aankondiging.

Art. 10.Uitgezonderd in het geval van dringende opname, dient het reglement van inwendige orde voor ontvangst en akkoord ondertekend te worden door de resident vóór de opname of, in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde. Een kopie wordt overhandigd aan de resident of, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde.

Art. 11.§ 1. Het reglement van inwendige orde dient verplicht en op een duidelijke manier het juridisch statuut van het rustoord te bevatten, alsook de vermelding dat het exclusief deel uitmaakt van de Franse Gemeenschap, de identiteit van de beheerder, het nummer van erkenning van het rustoord, alsook de voorwaarden voor opname en onderbreking van het verblijf in het rustoord. Het reglement van inwendige orde preciseert met name de graad van rechtsgeldigheid, afhankelijkheid en gezondheid van de personen die worden opgenomen in het rustoord. § 2. Het reglement van inwendige orde beschrijft : 1° de rechten en plichten van de resident;deze verbindt zich ertoe om het reglement van het rustoord na te leven en rekening te houden met de eisen van het gemeenschapsleven; 2° de rechten en de plichten van het rustoord;dit verbindt zich ertoe om de resident toe te laten een leven te leiden overeenkomstig met de menselijke waardigheid en de nodige middelen te bewerkstelligen om het leefproject dat het voorstelt concreet te maken. § 3. Het reglement van inwendige orde stelt de resident in kennis van : 1° de naam van de directeur, aan wie alle opmerkingen mogen worden meegedeeld, zowel door de resident en, in voorkomend geval, zijn gevolmachtigde, als door zijn familie, alsook het uurrooster van zijn diensturen.2° de indienings- en onderzoeksmodaliteiten van opmerkingen en klachten, en bevat de vermelding van de adressen en telefoonnummers van de inspectiedienst van de administratie en de hygiëne-inspectie van de overheid;3° het bestaan van een participatiecommissie.4° de gegevens van de bevoegde inspectiedienst alsook van de erkende dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden; Afdeling 4. - Overeenkomst tussen de instelling en de resident

Art. 12.§ 1. Een overeenkomst, opgesteld volgens het model bedoeld in bijlage 2 van dit besluit, dient te worden afgesloten tussen het rustoord en de resident of, in voorkomend geval, zijn gevolmachtigde.

Uitgezonderd in het geval van dringende opname, wordt de overeenkomst afgesloten vóór de opname van de resident in het rustoord. Er wordt een kopie overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde.

Wanneer de resident niet bij machte is om deze overeenkomst zelf af te sluiten, en hij niet over een wettelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde beschikt, vraagt de directeur dat er een wettelijke vertegenwoordiger wordt aangeduid die speciaal wordt belast met de vertegenwoordiging van de resident.

Voor de residenten die ten laste worden genomen door een « Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn », kan de overeenkomst worden vervangen door een vordering van dat « Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn ». Er wordt een kopie van de type-overeenkomst overhandigd aan de resident die ten laste is van een « Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn ». § 2. De type-overeenkomst of iedere wijziging van deze wordt verzonden naar de administratie. De administratie kan op elk moment eisen om alle overeenkomsten die werden afgesloten door het rustoord en een resident of zijn gevolmachtigde, voor te leggen.

De administratie beschikt over een termijn van dertig dagen, vanaf de datum van ontvangst van de documenten, om een type-overeenkomst of iedere wijziging van deze goed te keuren of te weigeren. Bij gebreke van advies van de administratie binnen de termijn van dertig dagen, wordt de overeenkomst beschouwd als goedgekeurd. Een kopie van de nieuwe overeenkomst wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde, en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt bewaard in het vertrouwelijk dossier van de resident. De wijzigingen worden toegepast vanaf de dertigste dag volgend op de datum van de aankondiging.

Art. 13.§ 1. De overeenkomst bevat verplicht en op een duidelijke en volledige manier : 1° de algemene en bijzondere voorwaarden van huisvesting in het rustoord;2° de dagelijkse en maandelijkse verblijfsprijs, de lijst met de gedekte prestaties en de gedetailleerde opsomming en de volledige omschrijving van alle eventuele supplementen, met hun prijs alsook de vermelding van het verbod om supplementen die niet worden vermeld in de overeenkomst te factureren. Wanneer de resident zijn intrek neemt in een kamer in de loop van een maand is hij voor deze maand een bedrag verschuldigd dat in verhouding is met het nog resterende deel van de maand.

Wanneer de ziekte-en invaliditeitsverzekering van de resident ontoereikend is, worden in de overeenkomst de voorwaarden vermeld voor de tenlasteneming van de zorgen en de hulpverlening in de dagelijkse levenshandelingen; 3° De betalingsmodaliteiten van de verblijfsprijs en eventuele supplementen.Bij betaling via de bank wordt het rekeningnummer vermeld waarop de betalingen dienen te worden uitgevoerd. Bij contante betaling dient een ontvangstbewijs te worden afgeleverd door het rustoord; 4° het bedrag van de eventuele betaalde waarborg en de bestemming ervan.Dit bedrag mag niet hoger zijn dan de maandelijkse verblijfsprijs.

Wanneer er een waarborg vereist is, wordt deze door de partijen op een individuele rekening geplaatst die wordt geopend op naam van de resident bij een kredietsinstelling, met vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke vordering die resulteert uit de volledige of gedeeltelijke niet-naleving van de verplichtingen van de resident ».

De interesten die voortkomen uit de als dusdanig geplaatste som, worden gekapitaliseerd ten voordele van de resident.

Er kan slechts beschikt worden over de waarborg, zowel over de hoofdsom als over de interesten, door een van beide partijen, mits het voorleggen van hetzij een uitdrukkelijk akkoord dat na de afsluiting van de overeenkomst werd opgesteld, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing.

Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de resident of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventuele verschuldigde kosten en vergoedingen krachtens de overeenkomst; 5° het absolute verbod voor de resident om hetzij bij zijn opname, hetzij erna het beheer van zijn geld en zijn goederen toe te vertrouwen aan het rustoord of aan het personeel van het rustoord.6° ongeacht het verbod bedoeld in 5°, de voorwaarden voor inbewaringneming van de goederen en de waardepapieren die door de resident worden toevertrouwd aan het rustoord, hun beheermodaliteiten alsook het bewijs van aanduiding van de persoon of personen die belast is/zijn met dit beheer. Op vraag van de resident of zijn gevolmachtigde kan een bescheiden som door de directeur bewaard worden voor lopende uitgaven; 7° de verplichting voor de resident om zijn persoonlijke uitgaven zelf te bekostigen;8° de kortingsvoorwaarden op de verblijfsprijs van de resident in geval van een medisch verantwoorde afwezigheid of elke andere afwezigheid van een onafgebroken duur en langer dan 7 dagen, die vooraf wordt aangekondigd;9° het kamernummer, en eventueel het bednummer dat wordt toegekend aan de resident met vermelding van het maximum aantal residenten dat worden toegelaten in de kamer.Uitgezonderd tegengesteld advies van de behandelende geneesheer, mag er geen wijziging van kamer of van bed worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de resident en, in voorkomend geval, van zijn gevolmachtigde; 10° Opzeggingsvoorwaarden van de overeenkomst. De overeenkomst wordt in principe afgesloten voor een onbepaalde duur, met inachtneming van een proefperiode van een maand. Tijdens de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits inachtneming van een voorafgaande kennisgeving van ten minste 7 dagen.

Na de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment worden ontbonden mits inachtneming van de vastgestelde opzegtermijn.

De opzegtermijn mag niet korter zijn dan zestig dagen bij ontbinding van de overeenkomst door het rustoord. Deze bedraagt vijftien dagen bij ontbinding door de resident of zijn gevolmachtigde. De resident die uit het rustoord wordt ontslagen mag de overeenkomst ontbinden zonder voorafgaande kennisgeving, op elk moment tijdens de duur van de vooropzeg van zestig dagen gegeven door het rustoord. Wanneer een van de partijen de overeenkomst ontbindt zonder de opzegtermijn in acht te nemen, kan zij ertoe gehouden worden aan de andere partij een schadevergoeding te betalen ter compensatie van de vastgestelde vooropzeg.

De opzegging wordt gegeven per aangetekende brief of door overhandiging van een schriftelijk document met een ontvangstbewijs.

De opzegtermijn vangt aan op de derde werkdag die volgt op de datum van de aankondiging.

De ontbinding door het rustoord dient gemotiveerd te worden. Tenzij het rustoord enkel valide residenten toelaat, is het feit dat de persoon zorgen nodig heeft geen geldige reden. In dat geval kan enkel een advies gemotiveerd door de behandelende geneesheer de ontbinding rechtvaardigen.

Het overlijden of het definitieve vertrek om medische reden, op basis van een certificaat van de behandelende geneesheer dat aangeeft dat de verzorging in een andere instelling dient te gebeuren, heeft automatisch de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg binnen een termijn van maximum 15 dagen. Na deze termijn mag de directeur de kamer vrijmaken op kosten van de resident of, in voorkomend geval, van zijn gevolmachtigde.

In afwijking van wat voorafgaat, kunnen overeenkomsten worden vastgesteld voor een bepaalde duur wanneer het gaat om een verblijf met een maximale duur van negentig dagen in een tehuis dat speciaal erkend is voor kort verblijf. Voor deze overeenkomsten is geen enkele stilzwijgende verlenging toegelaten. § 2. De overeenkomst vermeldt eveneens : 1° de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken voor de regeling van alle geschillen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst;2° het bestaan van een participatiecommissie en het recht van de resident, of van zijn gevolmachtigde, om hier lid van te zijn. § 3. De gedetailleerde plaatsbeschrijving van de kamer die door de resident bezet wordt is bijgevoegd bij de overeenkomst. Ze wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen. Wanneer er geen plaatsbeschrijving werd opgesteld vóór zijn opname, wordt de resident geacht de kamer toegewezen gekregen te hebben in de staat waarin ze zich bevindt bij zijn vertrek en kan hij niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade. § 4. In de overeenkomst kunnen de toelatingsvoorwaarden voor een huisdier worden vermeld. § 5. In de overeenkomst wordt het bestaan van een sterfkamer of, bij gebreke, een overeenkomst afgesloten met een begrafenisonderneming; § 6. Iedere bepaling die de bepalingen van dit artikel schendt is van rechtswege nietig. Afdeling 5. - Individuele fiche

Art. 14.Bij de opname van elke resident wordt door de instelling een individuele fiche opgemaakt.

Ze wordt voor gezien ondertekend door de resident of door zijn gevolmachtigde en kan op elk moment geconsulteerd worden.

De individuele fiche wordt bewaard in een lokaal dat op elk moment toegankelijk is door het verzorgend personeel.

Deze fiche bevat de volgende aanduidingen : 1° de volledige identiteit van de resident (naam, voornaam, geboortedatum- en plaats, burgerlijke staat, nationaliteit) en, in voorkomend geval, van zijn wettelijke vertegenwoordiger;2° de namen, adressen en telefoonnummers : a) van de behandelende geneesheer van de resident;b) van het gewenste ziekenhuis;c) eventueel van het paramedisch personeel en van de kinesitherapie van zijn keuze;3° de te nemen maatregelen in geval van afwezigheid van de behandelende geneesheer.4° de namen, adressen en telefoonnummers van de vertrouwenspersonen en in voorkomend geval, van de gevolmachtigde die in geval van nood dient verwittigd te worden;5° de al dan niet gewenste morele, religieuze of filosofische assistent;6° de inlichtingen betreffende het ziekenfonds van de resident en van de houder (naam, adres, stelsel, statuten, aansluitingsnummer);7° in voorkomend geval, de noodzaak om het medisch dossier van de betrokkene te raadplegen. Er wordt een recent foto van de resident aangehecht. Afdeling 6. - Individueel vertrouwelijk dossier

Art. 15.Op het moment van zijn opname wordt voor elke resident een individueel vertrouwelijk dossier opgesteld. Uitgezonderd de controle van de administratie, mag dit individueel vertrouwelijk dossier, dat voor gezien werd ondertekend door de resident of zijn gevolmachtigde, niet ter inzage worden gegeven aan derden.

Art. 16.§ 1. Het individueel vertrouwelijk dossier bevat : 1° een kopie van de individuele fiche;2° een kopie van de akte die de gevolmachtigde aanduidt die belast is met de vertegenwoordiging van de resident tegenover de instelling en de administratie of, overeenkomstig Titel XI van het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek, een kopie van de gerechtelijke beslissing ter aanduiding van de wettelijke vertegenwoordiger die ermee belast wordt de resident te vertegenwoordigen tegenover de instelling en de administratie;3° een exemplaar van de overeenkomst ondertekend door de directeur en door de resident of, in voorkomend geval, zijn gevolmachtigde;4° een exemplaar van het reglement van inwendige orde ondertekend door de directeur en de resident of, in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde; 5° de namen, het adres en het telefoonnummer van de verschuldigde van de verblijfsprijs (de resident of zijn gevolmachtigde of het O.C.M.W.) en de inlichtingen met betrekking tot de betaling; 6° indien ze door de resident of, in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde werden meegedeeld, de inlichtingen met betrekking tot de pensioenuitkering (aard, kas, rekeningnummer);7° De inventaris van de meubelen van de resident, gedateerd en ondertekend door de directeur en de resident, of zijn gevolmachtigde. § 2. Het vertrouwelijk dossier van elke resident wordt door de instelling bewaard gedurende een periode van minimaal drie jaar na zijn overlijden, hetzij na zijn vertrek. Afdeling 7. - Participatiecommissie

Art. 17.Binnen elk rustoord wordt een participatiecommissie gevormd.

Iedere resident of, in voorkomend geval, zijn gevolmachtigde, heeft het recht om hier deel van uit te maken.

De participatiecommissie wordt samengesteld met residenten of hun gevolmachtigden. De nominatieve lijst van de leden van de participatiecommissie alsook de wijzigingen die hierin worden aangebracht worden meegedeeld aan de residenten of, in voorkomend geval, aan hun gevolmachtigden.

Art. 18.§ 1. De participatiecommissie voert haar eigen reglement van inwendige orde in. Een kopie ter informatie wordt overgezonden naar de administratie alsook naar de residenten en, in voorkomend geval, naar hun gevolmachtigden. § 2. De participatiecommissie houdt tenminste een maal per trimester een vergadering. Ze heeft een adviesbevoegdheid hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag van de beheerder of van de directeur van de instelling op elke vraag over de algemene werking van de instelling.

Er wordt een verslag van de vergaderingen opgemaakt dat kan geraadpleegd worden door de residenten of door hun familieleden en hun vertegenwoordigers.

De ambtenaren die belast zijn met de inspectie kunnen deze verslagen op elk moment raadplegen.

De commissie krijgt hulp van het personeel van het rustoord, teneinde de goede werking ervan te verzekeren. De directeur of zijn vertegenwoordiger kan de vergaderingen van de commissie bijwonen.

De kalender van de vergaderingen wordt drie weken op voorhand geafficheerd op een voor iedereen zichtbare plaats. Afdeling 8. - Klachtenbeheer

Art. 19.Suggesties, opmerkingen of klachten kunnen in een register worden opgenomen door de resident, zijn gevolmachtigde of zijn familie.

De klager dient door de directeur geïnformeerd te worden over het gevolg dat aan zijn klacht werd gegeven.

Het bovenvernoemde register dient een maal per trimester op haar eenvoudig verzoek voorgelegd te worden aan de participatiecommissie. Afdeling 9. - Informatiemaatregelen inzake sluiting, concordaat,

liquidatie en faillissement

Art. 20.Wanneer de beheerder vrijwillig beslist om het rustoord te sluiten, wordt zijn beslissing per aangetekende brief meegedeeld aan de administratie, en dit tenminste 3 maanden voor de vastgestelde sluitingsdatum.

Een kopie van deze beslissing dient geafficheerd te worden en verzonden aan de residenten of, in voorkomend geval, naar hun gevolmachtigden, aan het personeel van het rustoord en aan de Burgemeester van de gemeente, en dit binnen dezelfde termijn.

Art. 21.De beheerder die een concordaat aanvraagt verwittigt de administratie en deelt de datum mee van de zitting van de handelsrechtbank.

Wanneer er een zitting van de handelsrechtbank wordt vastgelegd omwille van financiële moeilijkheden die een vereffening of een faillietverklaring ten gevolge kunnen hebben, verwittigt de beheerder de administratie en deelt hij de datum van de zitting mee.

De beheerder verwittigt onmiddellijk de administratie, de residenten of,in voorkomend geval, hun gevolmachtigden en het personeel van het rustoord over de vereffening of het faillissement. Hij informeert hen over de naam van de vereffenaar of de curator die werden aangeduid door de handelsrechtbank. Afdeling 10. - Specifieke maatregelen voor de hergroeperingen van

instellingen

Art. 22.De rusthuizen die door de Franse Gemeenschapscommissie werden goedgekeurd, kunnen zich hergroeperen mits ze voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° beheerd worden door eenzelfde beheerder of een overeenkomst hebben afgesloten tussen beheerders, met het oog op de hergroepering van hun rusthuizen onder één enkele erkenning.Deze overeenkomst preciseert de identiteit van de persoon belast met de vertegenwoordiging van de hergroepering bij de administratie; 2° een overeenkomst afsluiten met betrekking tot de hergroepering. Deze overeenkomst vermeldt met name : a) de algemene doelstellingen van de hergroepering;b) de verdeling van de taken tussen de verschillende rusthuizen;c) de verdeling van het personeel tussen de verschillende rusthuizen;d) de modaliteiten met betrekking tot de boekhouding van de hergroepering.3° samen niet de maximale capaciteit van 200 plaatsen overschrijden;4° op elke plaats de normen naleven inzake de architectuur, het personeel en de werking; Afdeling 11. - Verplichte verzekeringen

Art. 23.De verplichte verzekeringen zijn : 1° verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen luxegoederen van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. HOOFDSTUK 2. - Architecturale normen en uitrusting Afdeling 1. - Capaciteit

Art. 24.De rusthuizen die na de inwerkingtreding van dit besluit voor het eerst een erkenning vragen, dienen over een minimale capaciteit van zestig en een maximale capaciteit van tweehonderd plaatsen te beschikken. Afdeling 2. - Veiligheid

Art. 25.§ 1. De bepalingen van het Koninklijk besluit van 12 maart 1974 ter vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden dienen te beantwoorden zijn van toepassing op de rusthuizen die goedgekeurd zijn of die een voorlopige werkingsvergunning kregen toegekend krachtens het reglement van 17 december 1993 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsvergunning, de erkenning, de weigering en de intrekking van erkenning en de sluiting van de inrichtingen bedoeld in artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden en tot bepaling van de toekenningsmodaliteiten van het principieel akkoord bedoeld in artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden.

Deze rusthuizen dienen bovendien uitgerust te zijn met een algemeen systeem voor branddetectie, voorzien van een jaarlijks onderhoudscontract. § 2. De rusthuizen die worden goedgekeurd na de inwerkingtreding van deze bepaling, alsook de uitbreidingen, nieuwe vestigingen en gebouwen die het voorwerp zijn van grote renovatiewerken van rusthuizen bedoeld in § 1, dienen de veiligheidsnormen vermeld in bijlage 3B van dit besluit na te respecteren; § 3. De naleving van de normen vermeld in § 1 en § 2 wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar het rustoord gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; § 4. Indien het rustoord niet op voldoende wijze de veiligheidsnormen vermeld in § 1 of § 2 respecteert, worden in het veiligheidsattest nauwkeurig en gedetailleerd alle bepalingen van het reglement vermeld waaraan niet voldaan werd.

In alle gevallen voegt de burgemeester bij het voornoemde attest een kopie bij van het rapport van het bezoek van de regionale brandweerdienst. Uitgezonderd bij een gemotiveerde tegengestelde beslissing, is dit attest zes jaar geldig; § 5. Bijlage 3A van dit besluit met betrekking tot het onderhoud en de controle inzake veiligheid alsook tot de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de bezetting van de lokalen is van toepassing op alle rusthuizen. § 6. Elke herinrichting van het gebouw dat de bestemming of de omvang van de lokalen wijzigt, dient ter voorafgaand onderzoek van de regionale brandweerdienst worden voorgelegd en dient het voorwerp te zijn van een attest dat wordt opgemaakt door de burgemeester van de gemeente waar het rustoord gelegen is; § 7. Op vraag van de beheerder van een rustoord, kan de Minister een afwijking van de normen vermeld in § 1 of § 2 toestaan, op advies van de administratie.

Deze afwijking wordt voorafgegaan door een overleg tussen de beheerder en de directie van het rustoord, de administratie, de burgemeester of zijn vertegenwoordiger en de regionale brandweerdienst.

Deze afwijking kan slechts worden toegekend indien : a) het materieel onmogelijk is de nodige werken te realiseren bij het conform maken van het rustoord aan de normen;b) de kosten van de uit te voeren werken voor het conform maken aan de normen bovenmatig hoog liggen in verhouding tot de verhoogde veiligheid in het gebouw door deze werken. De afwijking houdt rekening met : a) specifieke omstandigheden;b) eventuele alternatieve maatregelen die toelaten aan het gebouw een veiligheidsniveau toe te kennen dat gelijkwaardig is aan het niveau voorzien door de veiligheidsnormen vermeld in § 1 of § 2;c) toegangsmogelijkheden voor de voertuigen van de regionale brandweerdienst. § 8. Onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in § 7, kan de Minister voorlopige en eventueel voorwaardelijke afwijkingen toestaan van de veiligheidsnormen vermeld in § 1 of § 2. § 9. De toegestane afwijkingen krachtens § 7 en § 8 zijn nietig in geval van onderbreking of bij misbruik. § 10. Het gebouw dat bestemd is voor een rustoord kan geen vertrekken voor privédoeleinden bevatten behalve indien deze over een aparte ingang beschikken en als er geen enkele communicatie, behalve communicatie om veiligheidsredenen, mogelijk is tussen de twee partijen van het gebouw. De veiligheidsnormen vermeld in § 1 of 2 dienen worden tegemoet gekomen voor de totaliteit van het gebouw; Afdeling 3. - Gebouw in het algemeen

Art. 26.De algemene diensten en met name de keukens en wasplaatsen zijn zodanig georganiseerd en geïnstalleerd dat zij geen hinder vormen door geur, dampen en geluid.

Art. 27.§ 1. Alle rusthuizen dienen te beschikken over een woonkamer.

De woonkamer dient toegankelijk te zijn voor alle residenten welk ook hun graad van afhankelijkheid is. § 2. De rusthuizen die gebouwd zijn na de inwerkingtreding van deze normen, dienen uitgerust te zijn met een woonkamer en een eetzaal, liefst gescheiden, toegankelijk voor alle residenten, welk ook hun graad van afhankelijkheid is, en over een lokaal voorbehouden voor rokers wanneer het rustoord geen absoluut rookverbod heeft voorgeschreven. Dit lokaal is uitgerust met een systeem voor rookafzuiging. § 3. De eetzaal en de woonkamer moeten de residenten toelaten om hun maaltijden te kunnen gebruiken in maximum twee diensten. § 4. Er moet minstens één internetverbinding beschikbaar zijn voor de residenten. In de gebouwen die na de inwerkingtreding van deze normen gebouw zijn, dient in alle kamers een internetverbinding te zijn.

Art. 28.De totale oppervlakte van de gemeenschappelijke ruimten dient minstens twee vierkante meter per ruimte te zijn.

Onder gemeenschappelijke ruimte dient men alle binnenruimten te verstaan die toegankelijk zijn voor de residenten, met uitzondering van de kamers, de lokalen voorbehouden voor verzorging en en esthetische verzorging, keukens, trappen, gangen en sanitaire ruimten.

De gedeelten van de gangen en overlopen waarvan de breedte een inrichting van een ontmoetingsplaats toelaat, kunnen echter ook als gemeenschappelijke ruimte worden beschouwd, mits zeer strikte naleving van de veiligheidsnormen voorzien in bijlage 3 van dit besluit.

Alle gemeenschappelijke ruimten dienen voldoende ruim te zijn teneinde personen in een rolstoel toe te laten zich gemakkelijk te verplaatsen.

Art. 29.In alle lokalen van het rustoord die toegankelijk zijn voor de residenten, dienen alle oneffenheden van vloeren, trappen en andere obstakels vermeden te worden. Bovendien dient er gewaarschuwd te worden voor elk valrisico. Indien deze vloeroneffenheden niet vermeden kunnen worden, dienen zij duidelijk gesignaleerd te worden;.

Art. 30.Elk rustoord dat tweepersoonskamers bevat, dient over een aangepast lokaal te beschikken dat als sterfkamer of mortuarium kan dienen. Dit lokaal dient voorzien te zijn van een koeltafel en dient ingericht te zijn teneinde de naasten van de overleden personen toe te laten om zich te kunnen bezinnen met respect voor de filosofische overtuigen van de overledene of zijn gevolmachtigde.

Indien er geen mortuarium of sterfkamer is, dient het rustoord een overeenkomst af te sluiten met een begrafenisonderneming, die overleden personen onmiddellijk komt ophalen. Afdeling 4. - Kamers en hun uitrusting

Art. 31.§ 1. De maximale capaciteit van de kamers is twee personen. § 2. Elke kamer is genummerd. De bedden in de tweepersoonskamers zijn eveneens genummerd. De naam van de residenten staat aan de buitenkant van de kamer vermeld, behalve indien de resident of zijn gevolmachtigde zich hier schriftelijk tegen verzet. Een kopie van dit verzet wordt bewaard in het individueel dossier van de resident. § 3. De kamers zijn voorzien van minstens een lavabo met warm en koud stromend water, een spiegel en een tafel die de residenten van de kamer toelaat om eventueel gelijktijdig hun maaltijd te gebruiken. Er dient mogelijkheid te zijn om een radio, een televisie en een telefoon aan te sluiten.

De resident dient de mogelijkheid te hebben om over persoonlijke goederen en meubelen te beschikken in de kamer;

Het meubilair voor elke resident omvat tenminste : een bed van minstens 90 cm breed, een kleerkast, een zetel, een stoel, een nachtkastje met een lade en een verlichtingssysteem bereikbaar vanuit het bed, dat in werking kan worden gesteld zonder de andere resident van de kamer in de tweepersoonskamer te storen. Het gebruik van plooibedden is verboden. § 4. In de tweepersoonskamer bedraagt de ruimte tussen de bedden, in lengte zowel als in breedte minstens 1,30 m, behalve indien uitdrukkelijk een wijziging wordt gevraagd door de twee residenten van de kamer. Bovendien is elk bed minstens 0,80 m verwijderd van een venster. Onverplaatsbare scheidingselementen tussen de bedden en tussen de wastafel en de bedden laten toe om de residenten een minimum aan privacy te verzekeren. § 5. Het meubilair van de kamers is aangepast aan de toestand van de resident. Het is functioneel en in goede staat.

Art. 32.In de bestaande gebouwen of de gebouwen waar nog geen principieel akkoord voor werd verkregen voor de inwerkingtreding van dit besluit, bedraagt de minimale werkelijke oppervlakte van de individuele kamers of appartementen 12 m2 per persoon en 9 m2 per persoon in de tweepersoonskamers, sanitaire ruimten en inkomhal niet inbegrepen. De oppervlakte wordt gemeten van plint tot plint.

De hoeken, gaten en andere oppervlakten waar geen meubel kan worden geplaatst of verplaatst, worden niet meegerekend in de minimale oppervlakte van de kamer;

In afwijking van het eerste lid mag voor de bestaande rusthuizen op 1 februari 1994, de oppervlakte van de kamers niet kleiner zijn dan 9 m2 per persoon. De oppervlakte wordt gemeten van plint tot plint. De hoeken, gaten en andere oppervlakten waar geen meubel kan worden geplaatst of verplaatst, worden niet meegerekend in de minimale oppervlakte van de kamer. Deze afwijking is nietig in geval van overname van exploitatie.

Art. 33.In de gebouwen en de uitbreidingen van gebouwen waarvoor een principieel akkoord werd toegekend na de inwerkingtreding van deze normen, bedraagt de minimale oppervlakte van de individuele kamers vijftien m2 en van de tweepersoonskamers tweeëntwintig m2, sanitaire ruimten en inkomhal niet inbegrepen. De oppervlakte wordt gemeten van plint tot plint. De hoeken, gaten en andere oppervlakten waar geen meubel kan worden geplaatst of verplaatst, worden niet meegerekend in de minimale oppervlakte van de kamer. De minimale hoogte van deze kamers bedraagt twee en een halve meter. Tenminste de helft van de capaciteit van deze gebouwen bestaat uit individuele kamers.

Art. 34.In de instellingen die kamers met twee bedden bevatten, wordt een isoleerkamer voorzien van minimum negen m2 die over de voorzieningen vermeld in artikel 31, § 3 beschikt. Afdeling 5. - Sanitaire installaties

Art. 35.Afzonderlijke, fatsoenlijke en voldoende sanitaire installaties zijn voorzien voor de residenten en voor het personeel.

Art. 36.§ 1. De sanitaire installaties bestaan uit tenminste een WC voor 8 residenten in de rusthuizen die voor het eerst werden goedgekeurd voor 1 februari 1984 en een WC in elke kamer voor de rusthuizen die voor het eerst werden goedgekeurd na 1 februari 1994.

Tenminste een WC buiten de kamer per verdieping is toegankelijk voor rolstoelgebruikers. Een WC is gelijkvloers toegankelijk per niveau van te bedienen kamers. De WC's voorbehouden voor het personeel zijn voorzien van een wasbak. § 2. Alle WC's zijn gemakkelijk toegankelijk voor bejaarden. Zij beschikken over een goede rechtstreekse luchtverversing of een goede ventilatie. Hun deur kan niet binnenwaarts worden geopend. Ze zijn voorzien van schuin gemonteerde steunrekken en een kledinghaak.

Art. 37.Wanneer de kamers niet allemaal over een badkamer met een bad of douche beschikken, dient er minstens één bad of douche aangepast aan de noden van de residenten te worden voorzien per aangesneden groep van tien residenten die een kamer zonder badkamer betrekken.

Art. 38.In de gebouwen die na de inwerkingtreding van deze normen werden gebouwd, beschikken alle kamers over een WC en een privé douche of bad, toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

Wanneer de kamers over een douche beschikken, dient een medisch uitgeruste badkamer met bad voorzien te worden per aangesneden groep van zestig residenten.

Wanneer de kamers over lig-of zitbaden beschikken, dient een badkamer met douche voorzien te worden per aangesneden groep van zestig residenten.

Art. 39.De sanitaire installaties zijn voorzien van antislipmateriaal en steunstaven.

De douche is zo ontworpen dat de waterstraal georiënteerd kan worden.

Voorzorgen worden genomen opdat de apparaten voor watertoevoer en -afvoer geen ongevallen zouden kunnen veroorzaken.

Er wordt voortdurend en overeenkomstig de hygiëneregels gezorgd voor de afvoer van afvalwater. Afdeling 6. - Oproepsysteem

Art. 40.§ 1. De woonkamers, kamers, WC's en badkamers zijn voorzien van een oproepsysteem dat elk ogenblik in werking kan worden gesteld.

In de kamers is dit systeem bereikbaar vanaf de bedden en de zetels.

Het oproepsysteem is technisch zo ontworpen dat alle oproepen waarop zowel 's nachts als overdag snel moet worden gereageerd, voortdurend kunnen worden gelocaliseerd. § 2. In de vanaf de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen kan het in het voorgaande punt bedoelde systeem de termijn opnemen, waarin er op een oproep wordt gereageerd. Deze opnamen worden gevoegd bij het oproepregister bedoeld in artikel 69 van dit besluit. Afdeling 7. - Onderhoud, verwarming en verlichting

Art. 41.§ 1. De gebouwen worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vocht of doorsijpelingen.

Ongeacht het gekozen systeem voor de verwarming van de lokalen, mag dit geen enkele uitwaseming van vlammen, gas of stof veroorzaken in de lokalen die zonder toezicht toegankelijk zijn voor de bejaarden. § 2. In de voor de residenten toegankelijke lokalen moet de temperatuur, ongeacht de weersomstandigheden, overdag tussen 7 en 22 uur steeds tweeëntwintig graden bereiken, 's nachts achttien graden in de kamers, badkamers en woonkamers en achttien graden in de andere voor de bejaarden toegankelijke lokalen. § 3. Al de voor de residenten toegankelijke lokalen worden voortdurend voorzien van voldoende verlichting. Deze wordt aan de behoeften aangepast naar gelang van de in de lokalen ontwikkelde activiteiten.

Bovendien moeten in de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen de gemeenschappelijke gangen en sanitaire installaties voldoende verlicht worden, zodat de residenten zich veilig kunnen verplaatsen.

De verlichte oppervlakte is minstens gelijk aan een zesde van de oppervlakte van elke woonkamer of kamer van de bejaarden.

De ramen van deze lokalen laten een normaal zicht op de buitenomgeving toe vanuit zithouding, zonder gevaar voor ongevallen. Afdeling 8. - Liften, trappen

Art. 42.§ 1. Er moet voorzien worden in een lift die dienst doet voor alle verdiepingen die toegankelijk zijn voor de bejaarden wanneer het gebouw minstens één verdieping telt voor de residenten boven of onder de normale ontruimingsetage. § 2. In de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen, dient een lift voorzien te worden per aangesneden groep van 40 residenten. Tenminste twee liften laten het transport toe van mensen op een draagberrie. § 3. De liften moeten de toegankelijkheid van de personen met beperkte bewegelijkheid mogelijk maken. § 4. In afwijking van het eerste lid is, in de rusthuizen die voor 1 februari 1994 voor de eerste maal werden geëxploiteerd, enkel een lift of ander hefmiddel vereist als het gebouw minstens twee verdiepingen telt boven de normale ontruimingsetage.

Deze afwijking geldt niet voor de uitbreidingen of vergrotingen van deze rusthuizen die werden uitgevoerd na deze datum.

Art. 43.De gangen en de trappen zijn voldoende breed en voorzien van leuningen of steunstaven aan beide kanten.

De eerste en de laatste trede evenals elke afzonderlijke trede worden op de rand voorzien van een scherpkleurige band die schril afsteekt tegenover de vloerbedekking.

De gangen dienen te worden ingericht teneinde de residenten toe te laten om uit te rusten. HOOFDSTUK 3. - Personeelsnormen Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 44.§ 1. De directie en het personeel van de instelling zorgen, in het kader van het levensproject, voor een gunstige atmosfeer voor de levenskwaliteit van de residenten. Ze dragen bij tot het behoud van hun autonomie en hun ontplooiing. Ze hebben tot doel hun toegang tot een dynamischer sociaal leven te bevorderen, een beroep te doen op hun creatiemogelijkheden en de communicatie tussen de personen van de instelling te verbeteren. § 2. De instelling beschikt zowel overdag als 's nachts over voldoende gekwalificeerd personeel om de residenten gerust te stellen, hen de nodige zorgen te bieden en het onderhoud en de netheid van de lokalen te verzekeren, met inbegrip van zon-en feestdagen.

Art. 45.§ 1. De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken wanneer, hetzij de beheerder of zijn vertegenwoordiger, hetzij de directeur van het rustoord hetzij elke andere persoon die deelneemt aan het beheer van het rustoord in België of in het buitenland werd veroordeeld bij een gerechtelijke beslissing van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis voor een der overtredingen genoemd bij Boek II, Titel VII, Hoofdstukken V, VI en VII, artikel 422bis, IV en VI en Titel IX, Hoofdstukken I en II van het Strafwetboek, behalve indien de veroordeling voorwaardelijk was en de betrokkene het voordeel van uitstel niet verloren heeft of indien de gestrafte feiten niet werden begaan ter gelegenheid van een gelijksoortige activiteit en meer dan vijf jaar zijn verlopen sedert de uitspraak van het vonnis of desgevallend sedert het einde van de vrijheidsstraf. § 2. De erkenning wordt geweigerd of ingetrokken wanneer, hetzij de beheerder of zijn vertegenwoordiger, hetzij de directeur van het rustoord een door een bevoegde overheid uitgesproken verbod heeft om rechtstreeks een instelling voor bejaarden te beheren of te exploiteren.

Art. 46.In elk rustoord voor bejaarden zijn er drie categorieën personeel : het directie- en administratief personeel, het hotelpersoneel en het verzorgingspersoneel.

Voor de schatting van het personeel dat voor de verschillende ambten vereisd is, staat een voltijds equivalent, hierna VE genoemd, gelijk met 38 uur dagelijkse dienstverleningen, behoudens de in dit besluit uitdrukkelijk bedoelde uitzondering.

Art. 47.De minimale norm is één voltijds personeelslid per aangesneden groep van vijf residenten.

Art. 48.De directeur houdt een register bij, eventueel geïnformatiseerd, dat de kwalificatie van het personeel vermeldt, bij arbeids-of bediendenovereenkomst in dienst genomen of door overeenkomst verbonden, de data en de uren en de aard van de dienstverlening van iedereen.

Het maandelijks werkrooster wordt minstens 5 werkdagen op voorhand meegedeeld aan het personeel. De lijst van het personeel en het dagelijkse werkrooster worden aangeplakt in een lokaal dat steeds toegankelijk is voor het personeel.

Deze documenten, die permanent worden bijgehouden, worden ter beschikking gesteld van de administratie dat op elk moment een kopie kan eisen.

Art. 49.Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een dossier opgemaakt dat de volgende stukken bevat : 1° het voor het rustoord bestemde exemplaar of een voor eensluidend verklaard afschrift van de arbeids-of bediendenovereenkomst, of de overeenkomst;2° een kopie van het diploma of van de attesten van opleiding en van nuttige ervaring;3° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag daterend van minder dan 3 maanden op het moment van de aanwerving;4° een jaarlijks attest van de bedrijfsgeneeskunde. Dit dossier, alsmede het afschrift van de RSZ-lijsten worden ter beschikking gesteld van de administratie, dat op elk moment de voorlegging ervan kan eisen. Afdeling 2. - Directie-en administratief personeel

Onderafdeling 1. - Functie van de directeur

Art. 50.§ 1. De directeur zorgt voor het dagelijks beheer van het rustoord en is onmiddellijk verantwoordelijk vóór de beheerder.

Hij oefent voltijds zijn functie uit en dient tenminste twintig uur per week effectief aanwezig te zijn in zijn rustoord. De directeur kan de directie van meer dan twee rustoorden niet waarnemen.

De prestaties van de directeur mogen in geen geval gelden als meer dan een VE. De functie van directeur is niet verenigbaar met andere functies binnen het rustoord.

De directeur of zijn vervanger kan indien nodig teruggeroepen worden. § 2. De directeur staat minstens 4 uur per week ter beschikking van de residenten en hun familie op de dagen en de uren die op het mededelingenbord worden gemeld. De beschikbare uren moeten over twee dagen zijn gespreid, tenminste één uur daarvan moet na 18 uur geplaatst zijn. § 3. Wanneer een rustoord op meerdere plaatsen is gevestigd, dient de directeur op elke plaats voldoende aanwezig te zijn.

De directeur kan de functie bekleden van directeur van een serviceresidentie, van een dagopvangcentrum voor bejaarden of van een andere structuur, wanneer deze door dezelfde beheerder worden beheerd, op dezelfde plaats zijn gelegen als het rustoord en de totale capaciteit van de beheerde instellingen voor bejaarden niet hoger ligt dan tweehonderd plaatsen.

Art. 51.§ 1. In geval van afwezigheid of tijdelijke verhindering van de directeur, wijst de beheerder het personeelslid aan dat het best in staat is om voor het dagelijkse beheer van de instelling te zorgen tijdens zijn afwezigheid;

De naam van deze vervanger wordt aangeplakt en de residenten alsmede de personeelsleden worden hierover geïnformeerd. § 2. In geval van afwezigheid gedurende meer dan drie maanden, dient de beheerder ter vervanging van de directeur een persoon aan te duiden die de vereiste kwalificatie heeft voor de functie van directeur, zoals bedoeld in artikel 52.

Onderafdeling 2. - Opleiding van de directeur

Art. 52.§ 1. De directeur van een rustoord dient tenminste houder te zijn van een diploma van niet-universitair hoger onderwijs en van een specifieke aanvullende opleiding die minstens beantwoordt aan de volgende voorwaarden : 1° vijfhonderd uur opleiding gevolgd hebben aan een universiteit of een opleidingscentrum dat erkend is door een bevoegde overheid op het vlak van professionele vorming;2° honderd uur opleiding gevolgd hebben aan een universiteit of een opleidingscentrum dat erkend is door een bevoegde overheid op het vlak van professionele vorming voor houders van een universitair diploma in ziekenhuisbeheer zonder optie geriatrie; De houders van een universitair diploma in ziekenhuisbeheer met optie geriatrie zijn vrijgesteld van een aanvullende opleiding. § 2. Het programma van deze opleidingen is erkend door de Minister.

De organisator van de opleiding vraagt deze erkenning aan en zendt hiertoe een dossier over aan de administratie met betrekking tot de inhoud en de duur van de opleiding, en dit ten laatste twee maanden voor de aanvang van de opleiding.

De administratie analyseert het dossier en stelt de Minister voor om de beoogde opleiding al dan niet te erkennen, en dit ten laatste 30 dagen voor de aanvang van deze opleiding. Bij gebreke van een advies binnen een termijn van 15 dagen voor de aanvang van de opleiding, wordt de opleiding als erkend beschouwd. § 3. De directeur in functie van het rustoord die bij de inwerkingtreding van dit besluit erkend is door de Franse Gemeenschapscommissie, wordt geacht over de vereiste scholing te beschikken.

De Minister bepaalt, op advies van de administratie, de eventuele aanvullende opleidingen die vereist zijn voor de personen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit de functie hebben uitgeoefend van directeur van een rustoord dat erkend is door een andere bevoegde Belgische overheid.

Art. 53.§ 1. De opleidingscyclus van vijfhonderd uren dient de volgende onderwerpen te behandelen : 1° wetgeving : a) algemene organisatie van de volksgezondheid;b) elementen van het burgerlijk recht;c) elementen van het handelsrecht;d) elementen van het publiekrecht;e) arbeidsrecht;f) financiering van rustoorden;g) wetgeving betreffende de rustoorden en rust-en verzorgingstehuizen en andere vormen van residentiële en niet-residentiële instellingen voor bejaarden.Tenminste twee derde van deze materie dient betrekking te hebben op de wetgeving die van toepassing is op Brussel en op de Franse Gemeenschapscommissie; h) wetgeving betreffende de bejaarden (pensioenen, RIZIV, O.C.M.W.,.); i ) wetgeving betreffende de brandbeveiliging. Tenminste twee derde van deze materie dient betrekking te hebben op de wetgeving die van toepassing is op Brussel en op de Franse Gemeenschapscommissie; j ) wetgeving betreffende de bescherming van goederen en de rechten van personen. 2° kennis van de bejaarde : a) vergrijzing van de bevolking en socio-demografische evolutie, inclusief de regionale variaties;b) mechanisme van de veroudering;c) psychologische benadering van de bejaarde en psycho-geriatrie, inclusief de specifieke benadering van demente personen;d) voornaamste pathologieën van bejaarden;e) behandelingen, verzorging en palliatieve zorgen;f) diëtiek van de bejaarden;3° beheer van een rusthuis : a) algemene principes van boekhoudkundig en fiscaal recht;b) boekhoudkundig en financieel beheer;c) personeelsbeheer en human resources; d) relaties met de verzekeringinstellingen en het O.C.M.W.; e) relaties met de familie en met de hulpdiensten buiten het rustoord;f) creëren van een leefproject met de residenten;g) animaties, vrije tijd, culturele en sportieve activiteiten; h ) beleid van publieke relaties met het milieu, met inbegrip van milieuhygiëne. § 2. Het geheel van deze onderdelen dient deel uit te maken van de opleiding van de directeur. Het opleidingscentrum kan de kandidaat-directeur vrijstellen van een deel van voorgenoemde opleidingsonderdelen, voor zover deze kandidaatdirecteur het bewijs kan voorleggen dat hij reeds een gelijkwaardige opleiding heeft gevolgd. § 3. Het slagen van de opleidingscyclus dient erkend te worden door een attest dat tevens de aanwezigheid tijdens de opleidingscyclus bevestigt. § 4. De opleidingen die erkend zijn door het Waalse Gewest en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, zijn erkend door de Franse Gemeenschapscommissie onder voorbehoud van de voorlegging, binnen een termijn van een jaar na de infunctietreding van de directeur, van een attest van een aanvullende opleiding van tenminste acht uur of twee halve dagen, betreffende de specifieke wetgeving van de Franse Gemeenschapscommissie zoals bedoeld in § 1, 1°, g).

Art. 54.§ 1. De directeur is ertoe gehouden deel te nemen aan voortdurende opleidingsactiviteiten van minstens drie dagen of zes halve dagen per jaar. De opleiding handelt over elk onderwerp in verband met het welzijn of de gezondheid van bejaarden, de vergrijzing en elk onderwerp waarvoor de organisator interesse toont voor het beheer van een rustoord. Het doel van deze opleiding is om zich regelmatig aan te passen aan nieuwe situaties die zich voordoen in de domeinen bedoeld in artikel 53, § 1. § 2. Het programma van deze voortdurende opleidingen is erkend door de Minister.

De organisator van de opleiding vraagt deze erkenning aan en zendt hiertoe een dossier over aan de administratie met betrekking tot de inhoud en de duur van deze opleiding, en dit maximum een maand voor de datum van de opleiding.

De administratie analyseert het dossier en stelt de Minister voor om de beoogde opleiding al dan niet te erkennen, en dit ten laatste twintig dagen voor de aanvang van deze opleiding. Bij gebreke van een advies binnen een termijn van vijftien dagen voor de aanvang van de opleiding, wordt de opleiding als erkend beschouwd.

De door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en het Waalse Gewest erkende opleidingen zijn ambtshalve erkend door de Franse Gemeenschapscommissie.

Onderafdeling 3. - Administratief personeel

Art. 55.De directeur kan worden bijgestaan door een personeelslid dat hem voor de verschillende administraties-, opvang- en eventueel animatietaken assisteert. Afdeling 3. - Hotelpersoneel

Art. 56.§ 1. Het rustoord beschikt over voldoende personeel met de vereiste kwalificaties om de taken betreffende de keuken en het restaurant, het beddegoed en de wasserij, het technische onderhoud, de netheid en de hygiëne van de lokalen uit te voeren en ervoor te zorgen dat deze voldoen aan de in dit besluit vermelde normen. De taken die dit personeel worden toebedeeld zijn duidelijk vastgelegd in hun arbeidsovereenkomst. § 2. Een VE per 15 residenten is minimum vereist. Als het aantal residenten lager of hoger ligt, wordt het aantal tewerkstellingen verhoudingsgewijs bepaald. § 3. Het rustoord kan deze taken geheel of gedeeltelijk vervullen met de hulp van buitendiensten die met hem door een schriftelijke overeenkomst zijn gebonden. De gelijkstelling van deze prestaties met personeelskosten wordt bepaald door de directeur van het rustoord op basis van de bepalingen voorzien in bijlage 4 en gecontroleerd door de administratie. In geval van onenigheid wordt deze gelijkstelling vastgesteld door de Minister, na advies van de adviesraad. Afdeling 4. - Verzorgingspersoneel

Onderafdeling 1. - Omschrijvingen en taken

Art. 57.§ 1. Onder verzorgingspersoneel wordt verstaan : 1° de verplegers;2° de leden van het verplegend personeel. Onder verplegend personeel wordt verstaan de personen die de verplegers effectief bijstaan in het verstrekken van zorgen,die de residenten helpen bij hun dagelijkse levenshandelingen, bij het behoud van hun autonomie en bij het onderhoud van de kwaliteit van hun levensomstandigden. 3° de leden van de paramedische beroepen, kinesitherapeuten of reactiveringspersoneel. Onder reactiveringspersoneel wordt verstaan het personeel dat voorzien is van een van de kwalificaties zoals vermeld in artikel 4 van het Ministerieel Besluit van 6 november 2003, tot vaststelling van het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de bijdrage bedoeld in artikel 37, § 12, van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust-en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden. § 2. Het verplegend personeel kan slechts de taken uitvoeren met betrekking tot de behandeling van de residenten. Het mag geen taken uitvoeren die tot de vastgelegde diensten van het hotelpersoneel behoren. Om praktische redenen mag enkel het ontbijt worden klaargezet door het verplegend personeel, en dit indien de organisatie van het rustoord dit vereist. § 3. Het verplegend en verzorgend personeel dient uitbetaald en aangeworven te worden via een arbeidsovereenkomst met het rustoord. De andere personeelscategorieën mogen hetzij werknemers zijn hetzij zelfstandigen aangeworven in het kader van een aannemingsovereenkomst.

Er mag beroep worden gedaan op uitzendkrachten ter vervanging van een personeelslid dat tijdelijk afwezig is.

Onderafdeling 2. - Kwalificatie van het personeel en aantal

Art. 58.§ 1. Het rustoord beschikt op elk moment over voldoende zorg personeel om tegemoet te komen aan de noden van de residenten, in functie van hun aantal en hun afhankelijkheidsniveau. § 2. De vereiste normen voor het verzorgend personeel worden vastgesteld door het Ministerieel Besluit van 6 november 2003, tot vaststelling van het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de subsidie bedoeld in artikel 37, § 12, van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust-en verzorgingshuizen en in de rustoorden voor bejaarden, als financieringsnormen. § 3. Wanneer de norm vermeld in § 2 lager ligt dan één VE verzorgingspersoneel per aangesneden groep van tien residenten, wordt dit minimum echter vereist. Elke aangesneden groep wordt evenredig berekend. § 4. In de rustoorden die op meerdere sites gevestigd zijn, zijn de normen met betrekking tot het verzorgingspersoneel op elke site van toepassing. § 5. De referentieperiode voor de berekening van de personeelsnormen bedraagt een semester. § 6. Welke ook de norm is voor het verzorgingspersoneel berekend volgens de modaliteiten vermeld in § 1 tot 5, er dient zowel overdag als 's nachts minstens een lid van het verzorgingspersoneel aanwezig te zijn per aangesneden groep van zestig residenten.

Art. 59.§ 1. De nachtbewaking wordt verzekerd door een verpleger, indien tenminste twee derde van de residenten verzorging of hulp nodig hebben bij hun dagelijkse levenshandelingen (afhankelijkheidscategorieën B en C voorzien in het ministerieel besluit van 6 november 2003 ter vaststelling van het bedrag en de toekenningsvoorwaarden van de subsidie bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust-en verzorgingshuizen en in de rustoorden voor bejaarden (artikel 60, § 2, 3°). In een instelling met meer dan honderd residenten wordt de nachtbewaking verzekerd door minstens één verpleger. § 2. Bij gebreke van een tegengestelde vermelding in het arbeidsreglement, wordt de nachtperiode vastgesteld tussen 20 uur en 6 uur.

Art. 60.Wanneer een personeelslid aangeworven werd voor taken die tot verschillende personeelscategorieën behoren vermeld in artikelen 50, 55, 56 en 57, worden in de arbeidsovereenkomst of aannemingsovereenkomst de uren gepreciseerd die gewijd worden aan elk van deze functies.

Art. 61.Met uitzondering van de directeur, is het personeel ertoe gehouden deel te nemen aan een voortdurende opleiding van minstens dertig uur per twee jaar voor een VE. De directeur houdt een register bij waarin voor elke werknemer de gevolgde opleidingsuren en de onderwerpen van deze opleidingen vermeld staan. Dit register wordt ter beschikking gehouden van de agenten van de diensten van het College die belast zijn met de inspectie.

De aanwezigheidattesten van de opleidingen worden bewaard in het dossier van het lid van het verzorgingspersoneel. HOOFDSTUK 4. - Werkingsnormen Afdeling 1. - Organisatie van de verzorging en de hulp met het

dagelijks leven Onderafdeling 1. - Individueel verzorgingsdossier

Art. 62.Voorafgaand aan elke opname in een rustoord wordt er overlegd tussen de behandelende geneesheer gekozen door de resident of zijn familie, de directeur van het rustoord of de verantwoordelijke verpleegkundige, en in voorkomend geval de ziekenhuisarts.

Art. 63.Voor elke resident wordt een individueel verzorgingsdossier bijgehouden. Dit kan op elk moment door de resident of zijn vertegenwoordiger worden geraadpleegd. Mits betaling van de kostprijs kunnen zij hier ook een kopie van verkrijgen.

Het dossier wordt bewaard in het verplegingslokaal.

Art. 64.§ 1. Dit individueel verzorgingsdossier dient tenminste volgende gegevens te bevatten : 1° het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgesteld door de persoon die in de instelling verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage vermeldt van de verschillende personeelscategorieën die voorzien zijn in een forfaitaire bijdrage van het RIZIV.Het plan wordt tenminste een maal per maand geëvalueerd en aangepast in functie van de evolutie van de afhankelijkheid in verhouding tot de verzorging; 2° in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een precieze opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen : a) uitdrukkingsmoeilijkheden;b) verbaal storend gedrag;c) onwelvoeglijk gedrag;d) rusteloos gedrag;e) destructief gedrag;f) verstoord nachtelijk gedrag;3° voor de technische handelingen verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming : de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.4° een gewichtscurve van de resident, opgesteld op basis van maandelijkse wegingen;5° de data van de doktersbezoeken, de voorgeschreven medicijnen alsook hun dosering, de vereiste verzorging, de gevraagde onderzoeken en het eventuele dieet.6° de attesten ter rechtvaardiging van een dwangmaatregel, overeenkomstig artikel 8, § 4 van dit besluit;7° de eventuele wilsverklaringen voor euthanasie en wensen met betrekking tot de behandeling, overeenkomstig de wet van 28 mei 2002 met betrekking tot de euthanasie. § 2. Het individueel verzorgingsdossier wordt in het rustoord bewaard gedurende een periode van minimum drie jaar na het vertrek of het overlijden van de resident.

Onderafdeling 2. - Verzorging en hulp in het dagelijks leven

Art. 65.§ 1. Bij de afwisseling van de dienstploeg deelt de persoon die verantwoordelijk is voor de verzorging schriftelijk alle inlichtingen mee met betrekking tot de kenmerkende elementen die hebben plaatsgevonden gedurende de voorbije periode. § 2. De individuele voorbereiding van de medicijnen wordt verzekerd door een verpleger, volgens de geldende regels. De medicijnen mogen niet langer dan 3 dagen op voorhand bereid worden.

Alle medicijnen in de vorm van druppels dienen extemporaneus te worden bereid of ten vroegste de dag zelf.

De medicijnen worden bewaard in een meubel of een lokaal dat hiervoor speciaal wordt voorzien en op slot gedaan.

De behandelende geneesheer moet op elk moment het goede beheer van de voorgeschreven medicijnen kunnen controleren.

Art. 66.§ 1. Telkens wanneer de gezondheidstoestand van de resident dit vereist of op zijn vraag dient er beroep te worden gedaan op een geneesheer van zijn keuze.

Als een resident of zijn gevolmachtigde niet in staat is deze keuze te uiten en in afwezigheid van zijn arts of zijn vervanger, waarvan de personalia worden vermeld in de individuele fiche of het individuele dossier vermeld in artikelen 14 tot 16, doet de voor de verzorging verantwoordelijke persoon beroep op de arts van zijn keuze. § 2. De directie verzoekt alle artsen op bezoek die een of meerdere personen in een rustoord behandelen om zich ertoe te verbinden op de meest doeltreffende wijze deel te nemen aan de interne medische organisatie van de instelling.

Art. 67.§ 1. De beheerder moet alle voorzorgen nemen om de algemene basishygiëne in de instelling te verzekeren.

Het verplegingslokaal dient uitgerust te zijn met een wastafel die toelaat de handen hygiënisch te wassen met aangepaste ontsmettende producten, doekjes voor eenmalig gebruik en een vuilnisbak met deksel.

Het verzorgingspersoneel moet, indien nodig, wegwerphandschoenen kunnen gebruiken. § 2. De beheerder moet ervoor zorgen dat de voorkoming van besmettelijke ziekten wordt verzekerd.

In het bijzonder moet hij ervoor zorgen dat alle maatregelen worden getroffen voor de steriele zorgen, bij voorkeur door het gebruik van sets voor eenmalig gebruik.

De inspectie van de hygiëne wordt in alle betwistbare gevallen geraadpleegd en elke overdraagbare aandoening wordt hen onmiddellijk gesignaleerd door de directeur.

Art. 68.§ 1. Het verzorgingspersoneel verstrekt de nodige hulp aan de residenten bij het dagelijks leven. Deze hulp omvat onder andere de hulp bij het opstaan en het gaan slapen, de hulp bij het wassen en de hulp bij de maaltijden.

Het opstaan en het wassen van de residenten die hulp nodig hebben mag niet plaatsvinden vóór 7 uur, behalve op uitdrukkelijk verzoek van de resident en dient plaats te vinden vóór 9 uur en zoveel mogelijk op vraag van de resident.

Het naar bed brengen van de residenten die hulp nodig hebben dient plaats te vinden vóór 22 uur op uitdrukkelijke vraag van de resident.

Het personeel waakt erover dat alle residenten voldoende hydratatie hebben, met name door hen voldoende te laten drinken en, indien nodig, hen hierbij te helpen. Hier wordt een uitzonderlijke aandacht aan besteed gedurende warme periodes. § 2. Een bewakend personeelslid gaat tenminste twee maal per nacht op ronde. De residenten die dat wensen kunnen vragen om 's nachts niet gestoord te worden.

Onderafdeling 3. - Oproepregister

Art. 69.Zowel 's nachts als overdag vermeldt het personeelslid dat dienst heeft, het aan de oproepen gegeven gevolg van de residenten en met name de instructies die hij heeft gegeven, in het register.

Volgens de omstandigheden moet hij onmiddellijk beroep doen op de persoon van wie de interventie noodzakelijk is.

Het register wordt dagelijks ondertekend door de verantwoordelijken van de verzorgingsdienst en medeondertekend door de directeur.

In het bewakingslokaal en het verzorgingslokaal dienen de telefoonnummers van de artsen, verplegers, brandweerdienst, politie, ziekenhuizen en ambulances aangeplakt te worden.

Het register wordt ter beschikking gesteld van de ambtenaren die aangewezen zijn om te zorgen voor de toepassing van de bepalingen van het decreet en de normen. Afdeling 2. - Voeding, organisatie en regeling van de maaltijden

Art. 70.§ 1. De residenten krijgen minstens één warme maaltijd per dag.

De door de behandelend geneesheer voorgeschreven diëten worden nageleefd, behalve in geval van een schriftelijke weigering die ondertekend werd door de resident of zijn gevolmachtigde. Deze mogen niet extra gefactureerd worden, met uitzondering van de sondevoeding. § 2. Voor de middag-en avondmaaltijden dient er keuze te zijn tussen twee menu's. § 3. De residenten kunnen op verzoek of op geneeskundig voorschrift een lichte maaltijd gebruiken in de loop van de namiddag. Deze mag niet extra gefactureerd worden.

Art. 71.De bereiding en de verdeling van de maaltijden dienen te gebeuren volgens de netheids-, hygiëne, en dieetregels.

De voeding bevat dagelijks verse groenten of vers fruit.

Indien de gezondheidstoestand van de residenten dit vereist, dient gemixte voeding geserveerd te worden. De voedingsmiddelen worden niet samengemengd maar zoveel mogelijk apart gehouden, om de smaak ervan te bewaren.

Het rustoord laat regelmatig een controle uitvoeren op de naleving van de voorschriften inzake voedselhygiëne overeenkomstig de reglementering op dit vlak.

De verslagen van deze controles worden ter beschikking gehouden van de inspectie.

Art. 72.Het menu wordt minstens één dag op voorhand aan de residenten meegedeeld en wordt op een goed zichtbare plaats aangeplakt. Bovendien dient er een lijst te worden bijgehouden met de menu's van de voorbije maand. Deze lijst dient te worden voorgelegd op vraag van de vertegenwoordigers van de administratie.

Art. 73.Het ochtendmaal mag niet vóór 7 uur worden opgediend en moet kunnen gebruikt worden tot 9 uur.

Het middagmaal mag niet geserveerd worden voor 12 uur en het avondmaal niet voor 17u30.

Het rustoord ziet erop toe dat er tijdens de maaltijden een gezellige atmosfeer heerst. Hiertoe dient tenminste drie kwartier de tijd gelaten te worden aan de residenten om hun maaltijd te gebruiken.

Art. 74.De nodige hulp wordt verstrekt aan personen die moeilijkheden ondervinden om alleen te eten of te drinken. Afdeling 3. - Hygiëne

Art. 75.Dieren hebben geen toegang tot de keukens, de lokalen waar voedingsmiddelen worden bewaard, de eetzaal, de verzorgingslokalen en de lokalen voor de voorbereiding van geneesmiddelen.

Art. 76.De vaste afvalstoffen, met name het huishoudelijk afval, wordt geloosd in hermetisch afgesloten vuilniszakken, met inachtneming van de maatregelen voor de bescherming van het milieu, met name voor wat de selectieve ophalingen betreft.

Afvalstoffen afkomstig van verzorgingsactiviteiten worden op een andere manier geloosd, met inachtneming van het reglement dat hierop van toepassing is.

Art. 77.Het gebruik van toiletstoelen is strikt voorbehouden voor de bejaarden die niet over een WC beschikken op de kamer. Ze mogen niet gebruikt worden om de gewone stoel te vervangen. In elk geval wordt voortdurend een staat van netheid en hygiëne verzekerd.

Art. 78.Het gebruik van luiers is voorbehouden voor incontinente personen en kan niet dienen ter vervanging van de hulp bij toiletbezoek aan mensen die hiervoor afhankelijk zijn.

Art. 79.Het beddegoed wordt in een staat van bestendige netheid gehouden. Het dient in ieder geval minstens één keer per week en tekens als het nodig is, vervangen te worden.

Alle hygiënemaatregelen worden nageleefd voor het vuil linnengoed, dat verplicht uit de voor de residenten toegankelijke lokalen en de keukens dient gehouden te worden.

Art. 80.De baden of douches dienen dagelijks te kunnen gebruikt worden door de residenten. De nodige hulp wordt verstrekt aan de residenten die niet in staat zijn om zich alleen te wassen.

Het verzorgingspersoneel dient erover te waken dat geen enkele resident de andere residenten hindert door gebrek aan netheid en verzorging van zijn lichaam of kleding. Het rustoord voorziet de nodige middelen om elke resident toe te laten tenminste een maal per week een bad te nemen.

Art. 81.In heel het rustoord dient naar believen gratis en voldoende drinkwater aanwezig te zijn. Afdeling 4. - Functionele verbintenissen

Art. 82.Het rustoord gaat een functionele verbintenis aan met een dienst voor palliatieve zorg en nazorg of met een ziekenhuisteam voor palliatieve zorgen.

Ze kan een functionele verbintenis aangaan met een serviceresidentie, een gemeenschapshuis, een dagverzorgingscentrum of een dagopvangcentrum voor bejaarden.

Het rustoord en deze diensten kunnen gemeenschappelijke actviteiten organiseren in het belang van de residenten en de begunstigden, zonder dat deze de activiteiten bedoeld in 83, § 2, mogen vervangen. Afdeling 5. - Activiteiten en animatie

Art. 83.§ 1. Het rustoord dient over de nodige middelen te beschikken om naast een familiale sfeer, de verzorging, het toezicht, de activiteiten en de vrijetijdsbezigheden van de residenten te waarborgen. § 2. De activiteiten en de vrijetijdsbezigheden dragen bij tot de verwezenlijking van het leefproject van het rustoord. Om de actviteiten en de vrijetijdsbezigheden van de residenten te waarborgen, beschikt het rustoord over gespecialiseerd personeel waarvan de animatieopdrachten in de arbeidsovereenkomst vermeld staan, of sluit een overeenkomst met een of meerdere externe diensten. Voor alle types van residenten, welk ook hun graad van autonomie is, dienen dagelijkse activiteiten worden voorgesteld die zijn aangepast aan hun gezondheidstoestand.

Wanneer het rustoord residenten telt die jonger zijn dan 60 jaar, wordt overeenkomstig de afwijking vermeld in artikel 3, 1°, c), een bijzondere aandacht geschonken aan het organiseren van activiteiten voor deze residenten en aan de harmonieuze samenleving met de oudere residenten. § 3. Het wekelijks of maandelijks programma van de activiteiten wordt op een zichtbare plaats aangeplakt. HOOFDSTUK 5. - Boekhoudkundige normen en dagprijs Afdeling 1. - Dagprijs

Art. 84.§ 1. De verblijfsdagprijs wordt vastgesteld door het rustoord en goedgekeurd door de federale overheidsdienst economie. De maandelijkse verblijfsprijs wordt berekend door de dagprijs te vermenigvuldigen met 365,25 en door dit bedrag door 12 te delen.

De dagprijs omvat verplicht de elementen bedoeld in artikel 5 van dit besluit. Hij kan facultatieve elementen omvatten vermeld in dezelfde bijlage.

De lijst met voorschotten ten gunste van derden en toegelaten supplementen wordt vastgesteld in dezelfde bijlage. Een voorschot ten gunste van derden is een bedrag naast de dagprijs, dat wordt betaald door het rustoord voor diensten geleverd door derden en dat door het rustoord wordt teruggevorderd bij de facturatie. Een supplement is een product dat het rustoord zelf levert, op vraag van de resident. § 2. De beheerder dient bij de federale overheidsdienst economie de aanvragen tot wijziging van de dagprijs in, met inbegrip van de wijzigingen als gevolg van een indexering. Er wordt maximum een wijziging per jaar toegelaten. § 3. De verblijfsprijs in de centra voor kort verblijf mag niet verschillen van de prijs in centra voor langer verblijf. § 4. Er wordt een speciale prijs vastgesteld voor nachtopvang, in functie van de diensten die werden geboden tijdens deze opvang.

Deze is steeds lager dan de verblijfsprijs. Afdeling 2. - Individuele rekening van de residenten en facturatie

Art. 85.Voor elke resident houden de rustoorden een individuele rekening bij, waarop al de bijzonderheden van de inkomsten en uitgaven alsmede de leveringen en de ten gunste van de residenten gepresteerde diensten worden vermeld. De individuele rekening wordt gerechtvaardigd door schriftelijke bewijsstukken.

Art. 86.Een gedetailleerde maandelijkse factuur vermeldt de balans van de verschuldigde bedragen en de ontvangsten. Ze wordt met alle bewijsstukken aan de resident of zijn gevolmachtigde afgegeven.

Art. 87.Het geheel van de individuele rekeningen wordt vermeld op een speciale rekening in de globale boekhouding van het rustoord of op een aparte rekening. Afdeling 3. - Boekhouding

Art. 88.De boekhouding van het rustoord wordt opgesteld overeenkomstig de Wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen of overeenkomstig de Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen en hun uitvoeringsbesluiten.

Een kopie van de balans wordt verzonden naar de administratie in de maand van de goedkeuring.

Art. 89.De personeelsleden van de administratie belast met de inspectie en de controle van de rusthuizen kunnen kennis nemen van de globale boekhouding van het rustoord en van de individuele rekeningen van de residenten zonder zich te verplaatsen.

Art. 90.De boekhouding van het rustoord wordt jaarlijks gecontroleerd door een ondernemingsrevisor of door een externe controle. Afdeling 4. - Bescherming van de goederen van de residenten

Art. 91.Het beheer van de goederen en van het geld van een resident door het rustoord of door een personeelslid is verboden. Een bescheiden som van maximum 200 euro geïndexeerd, kan worden bewaard door de directeur van het rustoord op vraag van de resident of van zijn gevolmachtigde voor de kleine uitgaven van de resident. Dit bedrag dient op de individuele rekening van de resident geplaatst te worden. Hetzelfde geldt voor elke geldopneming door de resident. HOOFDSTUK 6 Specifieke normen met betrekking tot het kort verblijf

Art. 92.Het rustoord dat een speciale aanvullende erkenning geniet voor plaatsen voor kort verblijf dient de beschikken over het volgende extra personeel : 1, 4 VE met brugfunctie per dertig plaatsen in kort verblijf.

De brugfunctie is bedoeld om de aankomst en het vertrek van de resident te beheren, in overleg met de resident, zijn familie of zijn naasten, zijn behandelende geneesheer en eventueel de diensten voor thuishulp-of verzorging. Deze functie kan worden ingevuld door verplegend personeel, een sociaal assistent of reactivatiepersoneel.

Art. 93.De plaatsen voor kort verblijf worden aangeduid binnen het rustoord en worden voorbehouden voor residenten in kort verblijf. HOOFDSTUK 7 Specifieke normen met betrekking tot de nachtopvang

Art. 94.Het rustoord dat een speciale aanvullende erkenning geniet voor nachtopvang, organiseert het onthaal van de residenten tussen 18 en 20 uur en hun vertrek tussen 8 en 10 uur. De resident houdt dezelfde kamer gedurende heel de periode van zijn nachtopvang.

Art. 95.De residenten die in de nachtopvang worden opgenomen, worden op basis van 50 % in aanmerking genomen voor de berekening van de algemene personeelsnormen en op basis van 100 % voor de normen van het nachtpersoneel.

Art. 96.De residenten die in de nachtopvang worden opgenomen, hebben een verbindingslogboek.

Dit bevat tenminste de volgende elementen : 1° de identiteit van de resident, zijn adres en de gegevens van zijn naasten;2° naam, adres en telefoonnummer van de behandelende geneesheer;3° lopende behandelingen :medicijnen, voorgeschreven diëten;4° eventuele opmerkingen en verslagen van elke gebeurtenis s nachts of overdag.

Art. 97.De specifieke modaliteiten met betrekking tot de nachtopvang worden voorzien in de overeenkomst bedoeld in artikel 12.

Deze preciseren met name : 1° de uren van binnenkomen en buitengaan van de resident;2° de eventuele maaltijden die de resident in het rustoord neemt;3° de overdrachtmodaliteiten van de nodige informatie bij de tenlasteneming van de resident en met name het gebruik van het verbindingslogboek. TITEL 3. - Normen met betrekking tot de serviceresidenties HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie

Art. 98.§ 1. De serviceresidentie wordt georganiseerd door een privaatrechtelijk rechtspersoon. § 2. In geval van de serviceresidentie bedoeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet, is deze rechtspersoon hetzij de eigenaar van het gebouw, hetzij beschikt hij over een volmacht van de eigenaar om het gebouw te beheren in de hoedanigheid van serviceresidentie. § 3. In geval van de serviceresidentie bedoeld in artikel 3, 2°, b) van het decreet, beschikt deze rechtspersoon over een volmacht van de vereniging van mede-eigenaars om het gebouw te beheren in de hoedanigheid van serviceresidentie.

Art. 99.De serviceresidentie kan een autonome entiteit vormen of een functionele verbintenis hebben met een andere residentiële instelling voor bejaarden. Afdeling 2. - Reglement van inwendige orde

Art. 100.§ 1. De serviceresidentie stelt een reglement op van inwendige orde.

Het reglement van inwendige orde dient de principes die door de serviceresidentie worden voorgesteld voor haar leefproject concreet weer te geven.

Een exemplaar van het ontwerp van het reglement van inwendige orde of elk wijzigingsontwerp dat hierop volgt, wordt per aangetekende brief overgezonden naar de administratie. De administratie beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de ontvangst van de documenten, om het ontwerpreglement of de voorgenomen wijzigingen te erkennen of te weigeren. Bij gebreke van een advies van de administratie binnen de termijn van 30 dagen wordt het reglement als erkend beschouwd. Een kopie van het nieuwe reglement wordt aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde overhandigd en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt in het vertrouwelijk dossier van de resident bewaard. De wijzigingen treden in werking de 30e dag na de datum van de kennisgeving. § 2. Het reglement van inwendige orde wordt voor de opname door de resident of, in voorkomend geval door zijn gevolmachtigde, ondertekend voor ontvangst en akkoord. Een kopie wordt aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde overhandigd. § 3. Het reglement van inwendige orde bevat tenminste de volgende elementen : 1° de identiteit en het juridische statuut van de beheerder;2° modaliteiten voor de aanvraag van diensten, de frequentie en de uren van deze diensten;3° facturatiemodaliteiten voor het verblijf en de diensten en betalingsmodaliteiten van de facturen;4° regels met betrekking tot de bezoeken en de residentiële bezoeken. Afdeling 3. - participatie van de residenten

Art. 101.De serviceresidentie organiseert tenminste een maal per trimester een vergadering voor de residenten.

Deze wordt geleid door een resident of door een vertegenwoordiger van de residenten, gekozen door de residenten en wordt ermee belast zijn advies te geven over : a) de kwaliteit van de geboden diensten;b) elk ander onderwerp met betrekking tot de organisatie van de diensten of huisvesting geleverd door de servicedienst. De directeur woont deze vergaderingen bij en maakt hiervan een verslag op, dat wordt bewaard door de servicedienst. Afdeling 4. - Overeenkomst

Art. 102.§ 1. De servicedienst sluit een overeenkomst af met de resident.

Een kopie ervan wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde. § 2. De type-overeenkomst of elke wijziging ervan wordt overgezonden naar de administratie. De administratie kan op elk moment de voorlegging vragen van de overeenkomsten die werden afgesloten tussen de serviceresidentie en een resident of zijn gevolmachtigde.

De administratie beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de datum van de ontvangst van de documenten, om een type-overeenkomst of elke wijziging ervan te erkennen of te weigeren. Bij gebreke van een advies van de administratie binnen de termijn van dertig dagen, wordt de overeenkomst als erkend beschouwd. Een kopie van de nieuwe overeenkomst wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt bewaard in het vertrouwelijk dossier van de resident.

De wijzigingen treden in werking op de dertigste dag na de kennisgeving. § 3 De overeenkomst bepaalt verplicht, op een duidelijke en volledige manier : 1° de identiteit en het juridische statuut van de beheerder;2° de identiteit van de residents;3° de maandelijkse verblijfsprijs in geval van huur van de woonruimte alsook de opsomming van de huurlasten die in de verblijfsprijs zijn begrepen en de facturatie-en betalingsmodaliteiten van de huurlasten die niet in deze prijs begrepen zijn;4° de volledige lijst en de bepaalde of te bepalen prijs van de geboden diensten die in de overeenkomst begrepen zijn;5° de volledige lijst en de bepaalde of te bepalen prijs van de diensten die ter beschikking worden gesteld van de residenten en waar zij vrij gebruik van kunnen maken alsook de aanvraagmodaliteiten van deze diensten door de resident;6° de modaliteiten met betrekking tot de wijzigingen van de verblijfsprijzen en van de gepresteerde diensten door de serviceresidentie.7° de opzeggingsvoorwaarden van de overeenkomst en van de facultatieve diensten. De overeenkomst wordt in principe afgesloten voor een onbepaalde duur en mag worden ontbonden op elk moment mits inachtneming van de opzegtermijn die contractueel wordt vastgesteld.

De opzegtermijn mag niet minder bedragen dan negentig dagen in geval van ontbinding door de serviceresidentie.

De opzegtermijn is beperkt tot maximum dertig dagen wanneer de overeenkomst ontbonden werd door de resident om medische redenen.

Wanneer een van de partijen de overeenkomst opzegt zonder de opzegtermijn in acht te nemen, kan deze gehouden worden aan de andere partij een compenserende schadevergoeding te betalen van de vastgestelde opzegtermijn.

De opzeg wordt gegeven per aangetekende brief of door afgifte van een geschrift met een ontvangstbewijs. De opzegtermijn neemt aanvang op de derde werkdag die volgt op de datum van de kennisgeving. § 4. De overeenkomst vermeldt eveneens : 1° de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken voor de regeling van elk geschil met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst;2° het bestaan van een vereniging van residenten en het recht van de resident, of zijn gevolmachtigde, om hier deel van uit te maken. § 5. De gedetailleerde plaatsbeschrijving van de woonruimte die de resident betrekt wordt bij de overeenkomst gevoegd wanneer de resident geen eigenaar is van de woning. Ze wordt gedateerd en ondertekend door de partijen. Bij gebreke van een plaatsbeschrijving voor de opname, wordt de resident geacht de kamer toegewezen gekregen te hebben in de staat waarin ze zich bevindt bij zijn vertrek en kan hij niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade. § 6. In de overeenkomst kunnen de toelatingsvoorwaarden voor een huisdier worden vermeld. § 7. Iedere bepaling die strijdig is met de bepalingen van dit artikel is van rechtswege nietig. Afdeling 5. - Vertrouwelijk dossier

Art. 103.De serviceresidentie houdt per woning een vertrouwelijk dossier bij dat de volgende elementen bevat : 1° de individuele fiche van de resident/s van de woning met tenminste de vermelding van : a) hun identiteit en geboortedatum;b) de door de resident vermelde contactpersonen;c) de gegevens van de behandelende geneesheer van de resident/s;d) eventueel de personen of instellingen voor hulp of filosofischeof religieuze steun die op verzoek van de resident dienen gecontacteerd te worden.2° een kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 102;3° het ontvangstbewijs van het reglement van inwendige orde, ondertekend door de resident/s;4° een lijst van de door de residenten gevraagde diensten en van de geleverde diensten;5° de kopie van de gedetailleerde facturen gericht aan de residenten; Afdeling 5. - Informatiemaatregelen inzake sluiting, concordaat,

liquidatie en faillissement

Art. 104.Wanneer de beheerder vrijwillig beslist om de serviceresidentie bedoeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet, te sluiten, wordt zijn beslissing per aangetekende brief meegedeeld aan de administratie, en dit tenminste 3 maanden voor de vastgestelde sluitingsdatum.

Een kopie van deze beslissing dient geafficheerd te worden en verzonden aan de residenten of, in voorkomend geval, naar hun gevolmachtigden, aan het personeel van de serviceresidentie en aan de Burgemeester van de gemeente, en dit binnen dezelfde termijn.

Art. 105.De beheerder die een concordaat aanvraagt verwittigt de administratie en deelt de datum mee van de zitting van de handelsrechtbank.

Wanneer er een zitting van de handelsrechtbank wordt vastgelegd omwille van financiële moeilijkheden die een vereffening of een faillietverklaring ten gevolge kunnen hebben, verwittigt de beheerder de administratie en deelt hij de datum van de zitting mee.

De beheerder verwittigt onmiddellijk de administratie, de residenten of,in voorkomend geval, hun gevolmachtigden en het personeel van de serviceresidentie over de vereffening of het faillissement. Hij informeert hen over de naam van de vereffenaar of de curator die werden aangeduid door de handelsrechtbank. Afdeling 6. - Specifieke maatregelen voor de hergroeperingen van

instellingen

Art. 106.De servicesresidenties die door de Franse Gemeenschapscommissie werden goedgekeurd, kunnen zich hergroeperen mits ze voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° beheerd worden door eenzelfde beheerder of een overeenkomst hebben afgesloten tussen beheerders, met het oog op de hergroepering van hun serviceresidenties onder één enkele erkenning.Deze overeenkomst preciseert de identiteit van de persoon belast met de vertegenwoordiging van de hergroepering bij de administratie; 2° een overeenkomst afsluiten met betrekking tot de hergroepering. Deze overeenkomst vermeldt met name : a) de algemene doelstellingen van de hergroepering;b) de verdeling van de taken tussen de verschillende servicesresidenties;c) de verdeling van het personeel tussen de verschillende rusthuizen;d) de modaliteiten met betrekking tot de boekhouding van de hergroepering.3° samen niet de maximale capaciteit van tweehonderd plaatsen overschrijden;4° op elke plaats de normen naleven inzake de architectuur, het personeel en de werking; Afdeling 7. - Individuele rekening van de residenten en facturatie

Art. 107.Voor elke resident houden de serviceresidenties een individuele rekening bij, waarop al de bijzonderheden van de inkomsten en uitgaven alsmede de leveringen en de ten gunste van de residenten gepresteerde diensten worden vermeld. De individuele rekening wordt gerechtvaardigd door schriftelijke bewijsstukken.

Art. 108.Een gedetailleerde maandelijkse factuur vermeldt de balans van de verschuldigde bedragen en de ontvangsten. Ze wordt met alle bewijsstukken aan de resident of zijn gevolmachtigde afgegeven.

Art. 109.Het geheel van de individuele rekeningen wordt vermeld op een speciale rekening in de globale boekhouding van de serviceresidentie of op een aparte rekening. Afdeling 8. - Verplichte verzekeringen

Art. 110.De verplichte verzekeringen zijn : 1° verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen luxegoederen van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. HOOFDSTUK 2. - Gebouw en normen met betrekking tot de woonruimten en gemeenschappelijke lokalen Afdeling 1. - Capaciteit

Art. 111.De servicesresidentie heeft een capaciteit van minimum tien en maximum tweehonderd residenten. Afdeling 2. - Veiligheid

Art. 112.§ 1. De bepalingen van het Koninklijk besluit van 12 maart 1974 ter vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden dienen te beantwoorden zijn van toepassing.

De serviceresidenties dienen bovendien uitgerust te zijn met een algemeen systeem voor branddetectie voorzien van een jaarlijks onderhoudscontract. § 2. De naleving van de normen vermeld in § 1 wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar de serviceresidentie gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; § 3. Indien de serviceresidentie niet op voldoende wijze de veiligheidsnormen vermeld in § 1 respecteert, worden in het veiligheidsattest nauwkeurig en gedetailleerd alle bepalingen van het reglement vermeld waaraan niet voldaan werd.

In alle gevallen voegt de burgemeester bij het voornoemde attest een kopie bij van het rapport van het bezoek van de regionale brandweerdienst. Uitgezonderd bij een gemotiveerde tegengestelde beslissing, is dit attest zes jaar geldig; Afdeling 3. - Normen met betrekking tot de woningen en hun uitrusting

Art. 113.§ 1. De serviceresidentie bedoeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet stelt tenminste de volgende uitrusting ter beschikking van haar residenten : 1° een kitchenette of een keuken uitgerust met een wasbak, een koelkast, een kookplaat met minstens 2 kookpunten en een oven;2° een badkamer met tenminste een wastafel en een douche of een bad met douche;3° een WC, in voorkomend geval geïntegreerd in de badkamer;4° een oproepsysteem voor dringende gevallen.Dit oproepsysteem staat in verbinding met de bewaking georganiseerd door de serviceresidentie of door een dienst van tele-bewaking waarmee de serviceresidentie een overeenkomst afgesloten heeft. § 2. De serviceresidentie bedoeld in artikel 3, 2°, b) van het decreet beschikt over een oproepsysteem voor dringende gevallen. Dit oproepsysteem staat in verbinding met de bewaking georganiseerd door de serviceresidentie of door een dienst van tele-bewaking waarmee de serviceresidentie een overeenkomst afgesloten heeft. § 3. De oppervlakte van de woning in een serviceresidentie bedoeld in artikel 3, 2°, a) van het decreet bedraagt tenminste 35 m2. De sanitaire ruimten zijn niet inbegrepen in deze oppervlakte. De woning mag, uitgezonderd een afwijking toegestaan door de Minister, niet bewoond worden door meer dan twee personen. Het zicht naar buiten vanuit het verblijf mag niet gevormd worden door een blinde muur. Het zicht op de buitenomgeving moet voor de residenten mogelijk zijn vanuit zithouding. Afdeling 4. - Normen met betrekking tot de gemeenschappelijke ruimten

en hun uitrusting

Art. 114.De serviceresidentie beschikt over de volgende faciliteiten en gemeenschappelijke lokalen : 1° een lift die dienst doet voor alle verdiepingen die toegankelijk zijn voor de bejaarden wanneer het gebouw minstens één verdieping telt voor de residenten boven of onder de normale ontruimingsetage.2° een eetzaal met een capaciteit waar alle residenten gelijktijdig, of in twee diensten, hun maaltijd kunnen gebruiken;3° een of meerdere salons of gemeenschappelijke ruimten, uitgerust met zetels en tafels;4° de totale oppervlakte van de gemeenschappelijke lokalen bedoeld in punten 2° et 3° bedraagt minstens 2 m2 per resident;5° een wasplaats uitgerust met wasmachines en droogtoestellen;6° een voor de residenten toegankelijke WC in de nabijheid van de belangrijkste gemeenschappelijke ruimten. HOOFDSTUK 3. - Diensten

Art. 115.§ 1. De serviceresidentie stelt haar residenten, in naleving van artikel 102, § 3, de volgende diensten ter beschikking : 1° onderhoud van de woning;2° bereiding en verdeling van de maaltijden, hetzij opgediend in de woning, hetzij in de gemeenschappelijke eetzaal; De bereiding en de verdeling van de maaltijden vinden plaats volgens de hygiëneregels opgesteld voor de bereiding en de verdeling van maaltijden aan gemeenschappen en worden regelmatig gecontroleerd door de overheidsinstanties die hiervoor bevoegd zijn. De verslagen van deze controles worden ter beschikking gehouden van de inspecteurs van de Franse Gemeenschapscommissie. 3° onderhoud van het persoonlijk linnengoed en het huishoudlinnen;4° hulp bij de organisatie van hulp of diensten aan huis, in samenwerking met een coördinatiecentrum voor thuiszorg en dienstverlening aan huis, op vraag van de resident. § 2. De diensten worden gepresteerd door personeel van de serviceresidentie of door toeleveranciers, onder de verantwoordelijkheid van de residentie. § 3. De serviceresidentie verzorgt het onderhoud van de lokalen en hun uitrusting. HOOFDSTUK 4. - Personeel van de serviceresidentie Afdeling 1. - Directeur

Art. 116.§ 1. De directeur van de serviceresidentie zorgt voor het dagelijks beheer van de serviceresidentie. Hij is verantwoordelijk voor de organisatie van de diensten aan de residenten, de coördinatie en het toezicht van de door de toeleveranciers gepresteerde diensten en het bijhouden van de vertrouwelijke dossiers met betrekking tot de residenten bedoeld in artikel 103.

De directeur oefent halftijds zijn functie uit en beschikt over de vereiste kwalificaties om de functie van directeur van een rustoord uit te oefenen. Wanneer de serviceresidentie beheerd wordt door dezelfde beheerder dan een rustoord en op dezelfde plaats gelegen is, dan mag de directeur de functie van directeur van de serviceresidentie op zich nemen, en dit wanneer de totale capaciteit van de twee instellingen samen niet meer bedraagt dan 200 residenten. Afdeling 2. - Personeel belast met de diensten

Art. 117.De serviceresidentie beschikt over het volgende personeel : 1° personeel belast met het onderhoud van de gemeenschappelijke lokalen en de woningen van de residenten alsook personeel belast met het onderhoud van het persoonlijk linnengoed of het huishoudlinnen van de residenten indien het onderhoud verzorgd wordt door de serviceresidentie;2° personeel belast met de bereiding en de verdeling van de maaltijden indien de bereiding en de verdeling van de maaltijden verzorgd worden door de serviceresidentie;3° toezichtspersoneel indien het toezicht verzekerd wordt door de serviceresidentie. TITEL 4. - Normen met betrekking tot de gemeenschapshuizen HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut

Art. 118.Het gemeenschapshuis wordt georganiseerd door een privaatrechtelijk rechtspersoon, waarvan tenminste een van de vestigingen werd opgericht in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De statuten vermelden het organisatietype van het gemeenschapshuis en met name de betrokkenheid van de residenten van het gemeenschapshuis in deze organisatie.

Ze vermelden tevens de persoon die belast is met de vertegenwoordiging van het gemeenschapshuis in de contacten met de administratie en de persoon die belast is met de vertegenwoordiging van het gemeenschapshuis in de contacten met de residenten. Afdeling 2. - Reglement van inwendige orde

Art. 119.§ 1. Het gemeenschapshuis stelt een reglement van inwendige orde op.

In het reglement van inwendige orde dienen de door het gemeenschapshuis voorgestelde principes voor zijn leefproject geconcretiseerd te worden.

Het reglement van inwendige orde wordt voor de opname door de resident of, in voorkomend geval door zijn gevolmachtigde, ondertekend voor ontvangst en akkoord. Een kopie wordt aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde overhandigd. § 2. Het reglement van inwendige orde bevat tenminste de volgende elementen : 1° de toelatingsvoorwaarden en -modaliteiten in het gemeenschapshuis;2° de opzeggingsvoorwaarden en -modaliteiten van de overeenkomst afgesloten met het gemeenschapshuis;3° de regels met betrekking tot de organisatie van het leven in gemeenschap : a) uurroosters;b) bezoeken;c) verdeling van de taken;d) tijdelijke afwezigheden;e) de wijze waarop conflicten kunnen worden beslecht en beslissingen worden genomen met betrekking tot de organisatie van het leven in gemeenschap.4° de facturatiemodaliteiten van de woning, de huurlasten en de diensten, en de betalingsmodaliteiten van de facturen; Afdeling 3. - Overeenkomst

Art. 120.§ 1. Het gemeenschapshuis sluit een overeenkomst af met de resident.

Hiervan wordt hem en in voorkomend geval, zijn gevolmachtigde, een kopie overhandigd. § 2. De type-overeenkomst of elke wijziging ervan wordt overgezonden naar de administratie. De administratie kan op elk moment de voorlegging vragen van de overeenkomsten die werden afgesloten tussen het gemeenschapshuis en een resident of zijn gevolmachtigde.

De administratie beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de datum van de ontvangst van de documenten, om een type-overeenkomst of elke wijziging ervan te erkennen of te weigeren. Bij gebreke van een advies van de administratie binnen de termijn van dertig dagen, wordt de overeenkomst als erkend beschouwd.

Een kopie van de nieuwe overeenkomst wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt bewaard in het vertrouwelijk dossier van de resident. De wijzigingen treden in werking op de dertigste dag na de kennisgeving. § 3. De overeenkomst bepaalt verplicht, op een duidelijke en volledige manier : 1° de identiteit van de residents;2° de verblijfsprijs, de huurlasten en de aangeboden diensten, met inbegrip van de diensten gepresteerd door de toeleveranciers. § 4. De overeenkomst vermeldt eveneens : 1° de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken voor de regeling van alle geschillen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst; § 5. Iedere bepaling die strijdig is met de bepalingen van dit artikel is van rechtswege nietig. Afdeling 4. - Administratief vertrouwelijk dossier

Art. 121.Het gemeenschapshuis houdt per resident of per koppel residenten een dossier bij dat de volgende elementen bevat : 1° de individuele fiche van de inwoner/s met minstens de vermelding van : a) hun identiteit en geboortedatum;b) de door de resident vermelde contactpersonen;c) de gegevens van de behandelende geneesheer van de resident/s;d) eventueel de personen of instellingen voor hulp of filosofische of religieuze steun die op verzoek van de resident dienen gecontacteerd te worden;2° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 120;3° het ontvangstbewijs van het reglement van inwendige orde, ondertekend door de residents;4° de kopie van de gedetailleerde facturen gericht aan de residenten;5° in voorkomend geval de medische gegevens die de resident in zijn dossier wenst te laten opnemen. Afdeling 5. - Informatiemaatregelen inzake sluiting, concordaat,

liquidatie en faillissement

Art. 122.Wanneer de beheerder vrijwillig beslist om het gemeenschapshuis te sluiten, wordt zijn beslissing per aangetekende brief meegedeeld aan de administratie, en dit tenminste 3 maanden voor de vastgestelde sluitingsdatum.

Een kopie van deze beslissing dient geafficheerd te worden en verzonden aan de residenten of, in voorkomend geval, naar hun gevolmachtigden, aan het personeel van het gemeenschapshuis en aan de Burgemeester van de gemeente, en dit binnen dezelfde termijn.

Art. 123.De beheerder die een concordaat aanvraagt verwittigt de administratie en deelt de datum mee van de zitting van de handelsrechtbank.

Wanneer er een zitting van de handelsrechtbank wordt vastgelegd omwille van financiële moeilijkheden die een vereffening of een faillietverklaring ten gevolge kunnen hebben, verwittigt de beheerder de administratie en deelt hij de datum van de zitting mee.

De beheerder verwittigt onmiddellijk de administratie, de residenten of,in voorkomend geval, hun gevolmachtigden en het personeel van het gemeenschapshuis over de vereffening of het faillissement. Hij informeert hen over de naam van de vereffenaar of de curator die werden aangeduid door de handelsrechtbank. Afdeling 6. - Specifieke maatregelen voor de hergroeperingen van

instellingen

Art. 124.De rusthuizen die door de Franse Gemeenschapscommissie werden goedgekeurd, kunnen zich hergroeperen mits ze voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° beheerd worden door eenzelfde beheerder of een overeenkomst hebben afgesloten tussen beheerders, met het oog op de hergroepering van hun gemeenschapshuizen onder één enkele erkenning.Deze overeenkomst preciseert de identiteit van de persoon belast met de vertegenwoordiging van de hergroepering bij de administratie; 2° een overeenkomst afsluiten met betrekking tot de hergroepering. Deze overeenkomst vermeldt met name : a) de algemene doelstellingen van de hergroepering;b) de verdeling van de taken tussen de verschillende gemeenschapshuizen;c) de verdeling van het personeel tussen de verschillende gemeenschapshuizen;d) de modaliteiten met betrekking tot de boekhouding van de hergroepering.3° samen niet de maximale capaciteit van 200 plaatsen overschrijden;4° op elke plaats de normen naleven inzake de architectuur, het personeel en de werking. Afdeling 7. - Individuele rekening van de residenten en facturatie

Art. 125.Voor elke resident houdt het gemeenschapshuis een individuele rekening bij in zijn globale boekhouding. Deze rekening geeft een opsomming weer van de betalingen van de resident, alsook van de uitgaven, de leveringen en de ten gunste van de residenten gepresteerde diensten. De individuele rekening wordt gerechtvaardigd door schriftelijke bewijsstukken.

Art. 126.Een gedetailleerde maandelijkse factuur vermeldt de balans van de verschuldigde bedragen en de ontvangsten. Ze wordt met alle bewijsstukken aan de resident of zijn gevolmachtigde afgegeven.

Art. 127.Het geheel van de individuele rekeningen wordt vermeld op een speciale rekening in de globale boekhouding van het gemeenschapshuis of op een aparte rekening. Afdeling 8. - Verplichte verzekeringen

Art. 128.De verplichte verzekeringen in hoofde van de beheerder zijn : 1° een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen persoonlijke uitgaven van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. 3° een verzekering voor de vrijwilligers indien het gemeenschapshuis beroep doet op vrijwilligers. HOOFDSTUK 2. - Gebouw en normen met betrekking tot de woonruimten en gemeenschappelijke lokalen Afdeling 1. - Capaciteit

Art. 129.Het gemeenschapshuis heeft een capaciteit van minimum drie en maximum vijftien residenten. Afdeling 2. - Veiligheid

Art. 130.De naleving van de normen van de huisvestingscode wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar het gemeenschapshuis gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; Afdeling 3. - Normen met betrekking tot de woningen en hun uitrusting

Art. 131.§ 1. Het gemeenschapshuis beschikt tenminste over de volgende uitrusting : 1° een keuken uitgerust met een wasbak, een koelkast, een kookplaat met minstens 4 kookpunten en een oven;2° een badkamer met tenminste een wastafel en een douche of een bad met douche per 4 inwoners;3° een WC per 4 inwoners;4° een woonkamer die een eetplaats bevat met een capaciteit waar alle residenten gelijktijdig, of in twee diensten, hun maaltijd kunnen gebruiken;5° een salon, uitgerust met zetels en een tafel of twee verschillende vertrekken die deze inrichting bieden;6° een wastafel met koud en warm water in elke kamer. § 2. De maximale capaciteit van de kamers bedraagt twee personen. De totale oppervlakte van de kamers, zonder sanitaire ruimten, bedraagt minstens 12 m2 voor een persoon en 18 m2 voor 2 personen. Het zicht naar buiten vanuit het verblijf of de kamer mag niet gevormd worden door een blinde muur. HOOFDSTUK 3. - Personeel en werking Afdeling 1. - Personeel

Art. 132.§ 1. Het gemeenschapshuis beschikt indien nodig over het volgende personeel : 1° een directeur belast met het dagelijkse beheer van het gemeenschapshuis Wanneer dezelfde beheerder tenminste 3 gemeenschapshuizen uitbaat, oefent de directeur zijn functie tenminste halftijds uit en beschikt hij over volgende kwalificaties : a) een diploma van hoger secundair onderwijs;b) een certificaat van minstens zestig uur opleiding uitgereikt door een vormingsoperator die een erkende opleiding organiseert van directeur van een rustoord. Deze opleiding omvat tenminste : - dertig uren opleiding met betrekking tot de wetgeving en het beheer van de instellingen voor bejaarden; - dertig uur opleiding met betrekking tot de veroudering, de gezondheid en de psychologie van bejaarden. 2° personeel belast met het onderhoud, met name het onderhoud van de gemeenschappelijke lokalen en van de kamers of woningen van de residenten. Wanneer dit onderhoud niet ten laste van het gemeenschapshuis is, gebeurt het geheel of gedeeltelijk door de residenten. Het gemeenschapshuis kan eveneens beschikken over personeel dat belast is met het onderhoud van het persoonlijk linnengoed of het huishoudlinnen van de residenten; 3° eventueel personeel belast met de bereiding van de maaltijden. § 2. Het personeel bedoeld in § 1, 2° en 3° kan worden aangeworven via een arbeidsovereenkomst door het gemeenschapshuis of via een beroep op maatregelen zoals dienstencheques of de PWA's.

De residenten van het gemeenschapshuis kunnen beroep doen op de diensten voor thuiszorg volgens de voorwaarden voorzien in de betreffende wetgeving.

Wanneer de verstrekte hulp het gemeenschapsleven van de residenten betreft, wordt de bijdrage van de begunstigden berekend op basis van de gemiddelde inkomsten van de residenten van het gemeenschapshuis.

Art. 133.De directeur of de vertegenwoordiger van de beheerder van het gemeenschapshuis is verantwoordelijk voor de organisatie van de diensten aan de residenten, de coördinatie en het toezicht van de door de toeleveranciers gepresteerde diensten en het bijhouden van de administratieve dossiers met betrekking tot de residenten bedoeld in artikel 121. Afdeling 2. - Werking

Art. 134.§ 1. Op vraag van de residenten stelt het gemeenschapshuis de volgende diensten tot hun beschikking : 1° het onderhoud van de gemeenschappelijke lokalen en van de kamers of de woningen;2° eventueel de bereiding van de maaltijden die in de gemeenschappelijke eetzaal worden opgediend;3° het onderhoud van het persoonlijk linnengoed en huishoudlinnen; § 2. De diensten worden gepresteerd door personeel van het gemeenschapshuis of door toeleveranciers, onder de verantwoordelijkheid het gemeenschapshuis. § 3. Het gemeenschapshuis organiseert tenminste een maal per trimester een vergadering voor de residenten.

Het wordt ermee belast zijn advies te geven over : a) de organisatie van het gemeenschapsleven;b) de kwaliteit van de geboden diensten De directeur, of indien nodig de vertegenwoordiger van de beheerder, woont deze vergaderingen bij en maakt hiervan een verslag op, dat wordt bewaard door het gemeenschapshuis. TITEL 5. - Normen met betrekking tot de gezinsopvang HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut, organisatie en capaciteit

Art. 135.De gezinsopvang wordt georganiseerd door een privaatrechtelijke rechtspersoon of door een fysieke persoon. Een gezin mag niet meer dan 3 residenten opvangen. Afdeling 2. - Overeenkomst en administratief vertrouwelijk dossier

Art. 136.§ 1. De beheerder van de gezinsopvang sluit met de resident of zijn gevolmachtigde een overeenkomst af.

Een kopie hiervan wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde. § 2. De type-overeenkomst of elke wijziging ervan wordt overgezonden naar de administratie. De administratie kan op elk moment de voorlegging vragen van de overeenkomsten die werden afgesloten tussen de gezinsopvang en een resident of zijn gevolmachtigde.

De administratie beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de datum van de ontvangst van de documenten, om een type-overeenkomst of elke wijziging ervan te erkennen of te weigeren. Bij gebreke van een advies van de administratie binnen de termijn van dertig dagen, wordt de overeenkomst als erkend beschouwd.

Een kopie van de nieuwe overeenkomst wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt bewaard in het vertrouwelijk dossier van de resident. De wijzigingen treden in werking op de dertigste dag na de kennisgeving. § 3. De overeenkomst bepaalt verplicht, op een duidelijke en volledige manier : 1° de identiteit van de resident/s;2° de algemene en bijzondere verblijfsvoorwaarden in de gezinsopvang;3° de dagelijkse en maandelijkse verblijfsprijs, de lijst met de gedekte prestaties en de gedetailleerde opsomming en de volledige omschrijving van alle eventuele supplementen, met hun prijs alsook de vermelding van het verbod om supplementen die niet worden vermeld in de overeenkomst te factureren.De verblijfsprijs omvat verplicht, naast de woning, de maaltijden, het onderhoud van het linnengoed en de hulp verstrekt door de gezinsopvang bij de handelingen van het dagelijks leven van de resident.

Wanneer de resident zijn intrek neemt in een kamer in de loop van een maand is hij voor deze maand een bedrag verschuldigd dat in verhouding is met het nog resterende deel van de maand. 4° De betalingsmodaliteiten van de verblijfsprijs en eventuele supplementen.Bij betaling via de bank wordt het rekeningnummer vermeld waarop de betalingen dienen te worden uitgevoerd. Bij contante betaling dient een ontvangstbewijs te worden afgeleverd door de gezinsopvang; 5° het bedrag van de eventuele betaalde waarborg en de bestemming ervan.Dit bedrag mag niet hoger zijn dan de maandelijkse verblijfsprijs.

Wanneer er een waarborg vereist is, wordt deze door de partijen op een individuele rekening geplaatst die wordt geopend op naam van de resident bij een kredietsinstelling, met vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke vordering die resulteert uit de volledige of gedeeltelijke niet-naleving van de verplichtingen van de resident » De interesten die voortkomen uit de als dusdanig geplaatste som, worden gekapitaliseerd ten voordele van de resident.

Er kan slechts beschikt worden over de waarborg, zowel over de hoofdsom als over de interesten, door een van beide partijen, mits het voorleggen van hetzij een uitdrukkelijk akkoord dat na de afsluiting van de overeenkomst werd opgesteld, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing.

Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of beroep en zonder borgtocht noch kantonnement.

Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de resident of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventuele verschuldigde kosten en vergoedingen krachtens de overeenkomst; 6° het absolute verbod voor de resident om hetzij bij zijn opname, hetzij erna het beheer van zijn geld en zijn goederen toe te vertrouwen aan een lid van de gezinsopvang of aan een hieraan verwante persoon, tot in de 3e graad.7° ongeacht het verbod bedoeld in 5°, de voorwaarden voor inbewaringneming van de goederen en de waardepapieren die door de resident worden toevertrouwd aan de gezinsopvang, hun beheermodaliteiten alsook het bewijs van aanduiding van de persoon of personen die belast is/zijn met dit beheer. Op vraag van de resident of zijn gevolmachtigde kan een bescheiden som door de gezinsopvang bewaard worden voor lopende uitgaven; 8° de verplichting voor de resident om zijn persoonlijke uitgaven zelf te bekostigen;9° de kortingsvoorwaarden op de verblijfsprijs van de resident in geval van een medisch verantwoorde afwezigheid of elke andere afwezigheid van een onafgebroken duur en langer dan 7 dagen, die vooraf wordt aangekondigd;10° Opzeggingsvoorwaarden van de overeenkomst. De overeenkomst wordt in principe afgesloten voor een onbepaalde duur, met inachtneming van een proefperiode van een maand. Tijdens de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits inachtneming van een voorafgaande kennisgeving van ten minste 7 dagen.

Na de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment worden ontbonden mits inachtneming van de vastgestelde opzegtermijn.

De opzegtermijn mag niet korter zijn dan zestig dagen bij ontbinding van de overeenkomst door de gezinsopvang, uitgezonderd om dringende of ernstige reden die volgens de regels wordt gemotiveerd. Deze bedraagt vijftien dagen bij ontbinding door de resident of zijn gevolmachtigde.

De resident die door de gezinsopvang wordt ontslagen mag de overeenkomst ontbinden zonder voorafgaande kennisgeving, op elk moment tijdens de duur van de vooropzeg van zestig dagen gegeven door de gezinsopvang. Wanneer een van de partijen de overeenkomst ontbindt zonder de opzegtermijn in acht te nemen, kan zij ertoe gehouden worden aan de andere partij een schadevergoeding te betalen ter compensatie van de vastgestelde vooropzeg.

De opzegging wordt gegeven per aangetekende brief of door overhandiging van een schriftelijk document met een ontvangstbewijs.

De opzegtermijn vangt aan op de derde werkdag die volgt op de datum van de aankondiging.

De ontbinding door de gezinsopvang dient gemotiveerd te worden. Tenzij de gezinsopvang enkel valide residenten toelaat, en deze voorwaarde werd voorzien in de algemene verblijfsvoorwaarden, is het feit dat de persoon verzorging nodig heeft geen geldige reden. In dat geval kan enkel een advies gemotiveerd door de behandelende geneesheer de ontbinding rechtvaardigen.

Het overlijden of het definitieve vertrek om medische reden, op basis van een certificaat van de behandelende geneesheer dat aangeeft dat de verzorging in een andere instelling dient te gebeuren, heeft automatisch de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg binnen een termijn van maximum 15 dagen. Na deze termijn mag de directeur de kamer vrijmaken op kosten van de resident of, in voorkomend geval, van zijn gevolmachtigde. 11° de vakantieperiodes van de gezinsopvang en de modaliteiten van de tenlasteneming van de resident gedurende de vakantiedagen en de onvoorziene afwezigheden van de gezinsopvang.12° de modaliteiten met betrekking tot de opvang van de resident binnen het gezin en de regels van het gemeenschapsleven, met name het respect voor het privéleven van de resident en van de gezinsopvang, de regels met betrekking tot bezoeken aan de resident, uitstappen en afwezigheden van de resident. § 3. De overeenkomst vermeldt eveneens de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken voor de regeling van alle geschillen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst en de bevoegdheid van de Franse Gemeenschapscommissie voor de inachtneming van de normen voorzien in dit besluit. § 4. De overeenkomst voorziet de mogelijkheid voor de resident om meubelen, persoonlijke voorwerpen en een inventaris van deze goederen in te brengen. De gedetailleerde plaatsbeschrijving van de kamer die door de resident bezet wordt is bijgevoegd bij de overeenkomst. Ze wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen. Wanneer er geen plaatsbeschrijving werd opgesteld vóór zijn opname, wordt de resident geacht de kamer toegewezen gekregen te hebben in de staat waarin ze zich bevindt bij zijn vertrek en kan hij niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade. § 5. In de overeenkomst kunnen de toelatingsvoorwaarden voor een huisdier worden vermeld. § 6. Iedere bepaling die strijdig is met de bepalingen van dit artikel is van rechtswege nietig. Afdeling 3. - Administratief vertrouwelijk dossier

Art. 137.De beheerder houdt per resident of per koppel residenten een dossier bij dat de volgende elementen bevat : 1° de individuele fiche van de inwoners met minstens de vermelding van : a) hun identiteit en geboortedatum;b) de door de resident vermelde contactpersonen;c) de gegevens van de behandelende geneesheer van de resident/s;d) eventueel de personen of instellingen voor hulp of filosofische of religieuze steun die op verzoek van de resident dienen gecontacteerd te worden;2° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 136;3° de kopie van de gedetailleerde facturen gericht aan de residenten;4° in voorkomend geval de medische gegevens die de resident in zijn dossier wenst te laten opnemen. Afdeling 4. - Verplichte verzekeringen

Art. 138.De verplichte verzekeringen in hoofde van de beheerder zijn : 1° verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen luxegoederen van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. HOOFDSTUK 2. - Normen met betrekking tot de voor de residenten toegankelijke woningen en leefruimten Afdeling 1. - Veiligheid

Art. 139.De naleving van de normen van de huisvestingscode wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar het gemeenschapshuis gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; Afdeling 2. - Lokalen

Art. 140.De maximale capaciteit van de kamers bedraagt twee personen.

De totale oppervlakte van de kamers, zonder sanitaire ruimten, bedraagt minstens 12 m2 voor een persoon en 18 m2 voor 2 personen. Ze beschikt over privésanitair dat tenminste een WC, een wastafel, een douche of een bad omvat.

De resident heeft tenminste toegang tot de volgende familiale ruimten : het salon en de eetzaal of de woonkamer, de keuken, de tuin of het terras. HOOFDSTUK 3. - Normen met betrekking tot de maaltijden, de hulp bij het dagelijks leven, de deelname van de resident aan het familiale leven en tot de minimale vorming van de verantwoordelijke van de gezinsopvang

Art. 141.§ 1. Het verzorgingspersoneel verstrekt de nodige hulp aan de residenten bij het dagelijks leven. Deze hulp omvat, indien nodig, de hulp bij het opstaan en het gaan slapen, de hulp bij het wassen en de hulp bij de maaltijden. De gezinsopvang doet beroep op een externe dienst voor thuishulp of thuiszorg indien zij niet over een gekwalificeerde persoon beschikt om de vereiste hulp of verzorging te verstrekken aan de resident. De woning en het linnengoed van de resident worden onderhouden door de gezinsopvang. § 2. De resident krijgt minstens één warme maaltijd per dag, bij voorkeur s middags. Op vraag van de resident worden de voorgeschreven diëten nageleefd. § 3. De gezinsopvang biedt de resident een gezinsopvang en een begeleiding gedurende heel zijn verblijf. Ze ziet erop toe de resident te laten deelnemen aan het familiale leven, met inachtneming van het privéleven van de resident en van de gezinsopvang. § 4. De verantwoordelijke van een gezinsopvang dient houder te zijn van een certificaat van tenminste dertig uur opleiding uitgereikt door een vormingsoperator die een erkende opleiding organiseert van directeur van een rustoord.

Deze opleiding betreft de veroudering, de gezondheid en de psychologie van bejaarden. De houders van een diploma van geneeskundige, verpleger of verzorger worden geacht de vereiste opleiding te hebben genoten.

TITEL 6. - Procedures met betrekking tot de erkenning van residentiële instellingen HOOFDSTUK 1. - Principieel akkoord

Art. 142.§ 1. De aanvraag tot principieel akkoord wordt ingediend door de aanvrager, per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs bij de Minister. Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel 12 van het decreet.

Het model van de nota bedoeld in artikel 12, 1°, van het decreet, met betrekking tot het project van residentiële instelling, is vastgelegd in bijlage 6.

Het model van de nota bedoeld in artikel 12, 4°, van het decreet, met betrekking tot het ontwerp van het financieel plan, is vastgelegd in bijlage 7. § 2. De administratie verwittigt de aanvrager van de ontvankelijkheid van het dossier en behandelt het dossier.

Wanneer de programmatie niet toelaat een principieel akkoord toe te kennen aan alle kandidaten waarvan de dossiers worden onderzocht, worden de volgende selectiecriteria gebruikt : 1° kwaliteit van het leefproject;2° kosten voor de residenten;3° in geval van gelijkheid van deze criteria, wordt prioriteit gegeven aan het eerste ontvankelijk verklaarde dossier. Op basis van het administratieve dossier en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister een beslissing betreffende de toekenning of de weigering van het principieel akkoord. De administratie licht de aanvrager in over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. § 3. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging van het principieel akkoord wordt ingediend en behandeld volgens dezelfde modaliteiten als de aanvraag van een principieel akkoord. HOOFDSTUK 2. - Voorlopige erkenning en erkenning

Art. 143.§ 1. De aanvraag van een erkenning wordt ingediend door de beheerder, per aangetekende brief of bij de Minister afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel 14, § 1 van het decreet. § 2. Het model van de nota dat het leefproject beschrijft, bedoeld in artikel 14, § 1, 1° van het decreet, is vastgelegd in bijlage 8 van dit besluit. Het leefproject vervolledigd het project van residentiële instelling zoals het werd ingediend voor het verkrijgen van het principieel akkoord. Elke relevante wijziging wat betreft het type van toegelaten resident, de architectuur van het gebouw of de begrippen inzake huisvesting, dient gemotiveerd te worden en dient het voorwerp uit te maken van een akkoord van de Minister, na het advies van de Adviesraad. § 3. Het dossier bevat naast de elementen voorzien in punten 1° tot 9° van het artikel 14, § 1, van het decreet, de volgende elementen : 1° een kopie van de overeenkomst of van het verkoop- of huurcontract van het gebouw waarvoor een principieel akkoord werd toegekend indien de beheerder van de instelling niet de aanvrager is waaraan het principieel akkoord werd toegekend.2° een kopie van de diploma's en kwalificatiecertificaten van de directeur om aan te tonen dat hij aan de kwalificatievoorwaarden bedoeld in artikel 52 voldoet. § 4. De modellen van de nota's met betrekking tot de bijzondere erkenning, bedoeld in artikel 14, § 2, 1° en 2° van het decreet zijn vastgelegd in bijlage 5. § 5. De administratie verwittigt de aanvrager van de ontvankelijkheid van het dossier en behandelt het dossier.

Wanneer het dossier ontvankelijk wordt verklaard, wendt de Minister zich tot de Adviesraad die haar advies verstrekt binnen de eenentwintig dagen nadat haar advies werd gevraagd, op basis van de administratief dossier en van de inspectie met betrekking tot de overeenstemming van de lokalen met de plannen van het gebouw en met de architecturale normen. De Minister neemt een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de voorlopige erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning binnen de termijn van vijfenveertig dagen na de datum van ontvankelijkheid. De administratie licht de beheerder in over de beslissing van de Minister binnen de vijftien dagen die erop volgen. § 6. De gemotiveerde aanvraag tot verlenging van de voorlopige erkenning of de voorlopige bijzondere erkenning bedoeld in artikel 17 van het decreet wordt ingediend door de beheerder volgens dezelfde modaliteiten als de aanvraag tot erkenning, en dit ten vroegste negentig dagen en ten laatste dertig dagen voor de vervaltijd van de voorlopige erkenning. Deze aanvraag wordt behandeld volgens dezelfde modaliteiten als de aanvraag tot erkenning.

Art. 144.Op basis van de administratief dossier dat het inspectierapport bevat met betrekking tot de inachtneming van de normen en tot de verwezenlijking van het leefproject bedoeld in artikel 14, § 1, 1° of 14, § 2, 1°, van het decreet en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de erkenning of van de bijzondere erkenning ten laatste vijftien dagen voor de vervaltijd van de voorlopige erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning, legt de duur, die de zes jaar niet mag overschrijden, ervan vast en informeert de beheerder. HOOFDSTUK 3. - Beroep in geval van weigering van een principieel akkoord,van een erkenning of van een voorlopige bijzondere erkenning en van een erkenning of van een bijzondere erkenning of in geval van verlies van rechtswege van de erkenning of de voorlopige bijzondere erkenning bij gebreke van beslissing

Art. 145.§ 1. In geval van weigering van een principieel akkoord, van een erkenning of van een voorlopige bijzondere erkenning, van een erkenning of van een bijzondere erkenning, wordt het beroep van de aanvrager of van de beheerder ingediend bij het College. Het beroep in geval van weigering van een erkenning of van een bijzondere erkenning is opschortend maar de residentiële instelling mag geen nieuwe residenten opnemen tijdens de duur van de procedure.

Het beroep wordt ingediend bij de Minister per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig dagen van de bekendmaking van de weigering door de administratie. Het gaat vergezeld van een verweerschrift met betrekking tot de elementen of de gebreken die aan de basis liggen van de weigering. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie. § 2. De administratie behandelt het dossier. De aanvrager of de beheerder wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de Adviesraad binnen de maand van neerlegging van het verweerschrift. Hij kan zich op deze zitting laten vergezellen door de raadsman van zijn keuze. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 15 dagen van deze zitting of binnen de maand nadat haar advies werd gevraagd indien de aanvrager of de beheerder niet gehoord wenst te worden. § 3. Het College neemt zijn beslissing wat betreft het ingediende beroep binnen de maand van het advies van de Adviesraad.

De administratie informeert de aanvrager of de beheerder over de beslissing van het College binnen de 15 dagen die erop volgen. De briefwisseling met betrekking tot deze procedure wordt per aangetekende zending verstuurd.

Art. 146.§ 1. In geval van verlies van rechtswege van een erkenning of van een voorlopige bijzondere erkenning bij gebreke van beslissing, kan de beheerder bij het College een opschortend beroep indienen binnen de vijftien dagen van het verlies van de erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning.

Het beroep, dat vergezeld gaat van een verweerschrift met betrekking tot de afwezigheid van beslissing en tot de eventuele gebreken, wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs bij de Minister. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie. § 2. De administratie behandelt het dossier. De aanvrager of de beheerder wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de Adviesraad binnen de vijftien dagen van neerlegging van het verweerschrift. Hij kan zich op deze zitting laten vergezellen door de raadsman van zijn keuze. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 15 dagen van deze zitting of binnen de maand van de neerlegging van het verweerschrift indien de aanvrager of de beheerder niet gehoord wenst te worden. § 3. Het College neemt zijn beslissing wat betreft het ingediende beroep binnen de maand van het advies van de Adviesraad.

De administratie informeert de aanvrager of de beheerder over de beslissing van het College binnen de 15 dagen die erop volgen. De briefwisseling met betrekking tot deze procedure wordt per aangetekende zending verstuurd. HOOFDSTUK 4. - Opschorting, intrekking of opgelegde wijziging van een erkenning of bijzondere erkenning

Art. 147.§ 1. Indien de residentiële instelling de erkenningsnormen niet naleeft, dan stuurt het College haar een verwittiging en verzoekt haar om zich onmiddellijk te voegen naar de normen indien de situatie een dringende correctie vereist, of binnen een termijn van een week of maximum drie maanden in de andere gevallen. § 2. Indien de residentiële instelling bij het verstrijken van de termijn de erkenningsnormen niet naleeft, dan stelt de administratie aan de Minister voor een procedure te starten tot opschorting, intrekking of opgelegde wijziging van de erkenning of bijzondere erkenning. § 3. De Minister volgt de procedure bedoeld in artikel 21, § 2, van het decreet. § 4. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van het College binnen de vijftien dagen die erop volgen. § 5. Indien de beheerder waarvan de instelling het voorwerp vormt van een opschorting, stelt dat hij zich heeft aangepast aan de erkenningsnormen, vraagt hij per aangetekende brief een inspectie om deze naleving te komen vaststellen.

De inspectie vindt plaats binnen de acht dagen na de aanvraag en er wordt een verslag opgemaakt dat wordt overgezonden aan de beheerder en aan de Minister. De Minister neemt de beslissing tot opheffing van de opschorting en deelt deze mee aan de beheerder. § 6. In geval van meningsverschil van de beheerder met de beslissing van de Minister, en ongeacht de aanwending van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt, kan de beheerder een beroep aantekenen bij het College volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 145. HOOFDSTUK 5. - Dringende sluiting

Art. 148.§ 1. De dringende sluiting voorzien in artikel 23, § 1, van het decreet wordt opgelegd door de Minister. De administratie is belast met de begeleiding van de evacuatie van de residenten. § 2. Het College neemt de beslissing betreffende de intrekking van de erkenning en de definitieve sluiting van de instelling. HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de erkenning

Art. 149.§ 1. De aanvraag tot wijziging van de erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie.

De administratie behandelt het dossier en laat het vervolledigen door de beheerder indien nodig. De administratie informeert de beheerder over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot wijziging van de erkenning. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 2 maanden na de ontvankelijkverklaring.

Op basis van het administratief dossier en eventueel het verslag van de inspectie, en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister de beslissing betreffende de wijziging van de erkenning. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. § 2. In geval van meningsverschil van de beheerder met de beslissing van de Minister, en ongeacht de aanwending van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt, kan de beheerder een beroep aantekenen bij het College volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 145. HOOFDSTUK 7. - Hernieuwing van de erkenning

Art. 150.§ 1. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning of de bijzondere erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden naar de administratie. § 2. De vernieuwing van de elementen van het dossier van erkenning bedoeld in artikelen 14, § 1, 1° tot 9° van het decreet, is de volgende : 1° de nota met betrekking tot het leefproject bevat een evaluatie van de manier waarop hieraan tegemoet werd gekomen tijdens de erkenningsperiode die eerstdaags vervalt en de eventuele wijzigingen die de beheerder wenst aan te brengen;2° een plan met opmeting van de lokalen waarin duidelijk elke aangebrachte wijziging sedert de vorige erkenning wordt weergegeven;3° de kopie van de verplichte verzekeringscontracten, eventuele bijaktes en bewijzen van de laatste betalingen. § 3. De vernieuwing van de elementen van het dossier van erkenning bedoeld in artikelen 14, § 2, 1° tot 3°, van het decreet, is de volgende : 1° de nota met betrekking tot het leefproject bevat een evaluatie van de manier waarop hieraan tegemoet werd gekomen, in het bijzonder op de plaatsen beoogd door de bijzondere erkenning tijdens de bijzondere erkenningsperiode die eerstdaags vervalt en de eventuele wijzigingen die de beheerder wenst aan te brengen;2° een plan met opmeting van de lokalen waarin duidelijk elke aangebrachte wijziging sedert de vorige erkenning wordt weergegeven; § 4. De administratie behandelt het dossier en informeert de beheerder over de ontvankelijkheid ervan. Wanneer het dossier ontvankelijk wordt verklaard en na een inspectie met betrekking tot de inachtneming van de normen en de verwezenlijking van het leefproject bedoeld in artikel 14, § 1, 1° of 14, § 2, 1° van het decreet, wendt de Minister zich tot de Adviesraad, die haar advies verstrekt binnen de twee maanden nadat haar advies werd gevraagd. De Minister neemt de beslissing wat betreft de hernieuwing of de weigering tot hernieuwing van de erkenning of de bijzondere erkenning ten laatste vijftien dagen voor de vervaldatum van de erkenning of van de bijzondere erkenning en legt de duur, die niet langer mag zijn dan zes jaar, ervan vast. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van de Minister tijdens de daaropvolgende maand en ten laatste tien dagen voor de vervaldatum van de erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning. § 5. De beroepsprocedure in geval van weigering tot hernieuwing van de erkenning of van de bijzondere erkenning wordt voorzien in artikel 145.

Het beroep in geval van weigering tot erkenning is opschortend maar de residentiële instelling mag geen nieuwe residenten opnemen tijdens de duur van deze procedure. HOOFDSTUK 8. - Vrijwillige sluiting

Art. 151.De beheerder die vrijwillig een residentiële instelling wenst te sluiten brengt de Minister hiervan op de hoogte per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs en zendt gelijktijdig een kopie van deze brief naar de administratie. Hij brengt gelijktijdig het personeel en de residenten van de residentiële instelling op de hoogte. De instelling mag geen nieuwe residenten opnemen na de aankondiging van de sluiting.

De administratie onderzoekt of de maatregelen ter informering en overplaatsing van de residenten goed werden uitgevoerd en stelt de sluiting vast van de instelling. De administratie brengt de Minister, die akte neemt van de sluiting, op de hoogte en informeert de Adviesraad. HOOFDSTUK 9. - Overname van residentiële instellingen

Art. 152.§ 1. De residentiële instellingen die een voorlopige erkenning of een erkenning hebben alsook aanvullende bijzondere erkenningen kunnen worden overgenomen door een andere beheerder volgens de volgende modaliteiten : 1° De overdragende beheerder brengt de Minister per aangetekende brief op de hoogte van zijn intentie om zijn residentiële instelling over te laten en van de identiteit van de beheerder-overnemer ten laatste twee maanden voor de overdracht;2° de beheerder-overnemer dient ten laatste vijfenveertig dagen voor de overdracht bij de Minister per aangetekende brief een aanvraag in tot overname van erkenning.Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. 3° de aanvraag tot overname van erkenning gaat vergezeld van de volgende documenten : a) het leefproject bedoeld in artikel 14, § 1, 1° van het vastgelegde decreet volgens het model vastgelegd in bijlage 8 van dit besluit door de beheerderovernemer;b) indien nodig, de nota's met betrekking tot de bijzondere erkenningen bedoeld in artikel 14, § 2, 1° en 2°, van het decreet, opgesteld door de beheerderovernemer volgens het model vastgelegd in bijlage 9 van dit besluit;c) de elementen van het erkenningsdossier bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9° van het decreet;d) de kopie van de diploma's en de kwalificatiecertificaten van de nieuwe directeur, indien nodig als bewijs dat hij voldoet aan de kwalificatievoorwaarden vermeld in artikel 52 van dit besluit. § 2. De administratie behandelt het dossier en laat het verbeteren of aanvullen binnen de vijftien dagen na ontvangst. Het brengt de overdragende en overnemende beheerders op de hoogte van de ontvankelijkheid van het dossier. § 3. De Adviesraad verstrekt een advies over de overname van de erkenning binnen de maand na de ontvankelijkverklaring van het dossier. § 4. Op basis van het administratief dossier, na advies van de Adviesraad en na ontvangst van de akte van overname van de instelling, neemt de Minister zijn beslissing betreffende de overname van de erkenning. Deze treedt in werking op de datum van de overname van de instelling indien het dossier op die datum ontvankelijk is of ten vroegste op de datum van de ontvankelijkverklaring van het dossier. § 5. De nieuwe beheerder informeert het personeel en de residenten over de overname en bezorgt hen het leefproject bedoeld in § 1, 3°, a).

TITEL 7. - Dagonthaaldiensten : normen en toekenning van toelagen HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie

Art. 153.De dagonthaaldienst wordt georganiseerd door een vereniging zonder winstoogmerk, waarvan de activiteitenzetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het is bij voorkeur bestemd voor de bejaarden die niet in een residentiële instelling bestemd voor bejaarden verblijven en de residenten van een rustoord of van een rust-en verzorgingsoord hebben geen toegang tot deze dienst. De statuten vermelden de naam van de persoon die ermee belast is de vereniging naar behoren te vertegenwoordigen bij de administratie. Afdeling 2. - Reglement van inwendige orde

Art. 154.§ 1. De dagonthaaldienst stelt een reglement van inwendige orde op. In het reglement van inwendige orde dienen de door het rustoord voorgestelde principes voor zijn leefproject geconcretiseerd te worden.

Het reglement van inwendige orde wordt voor de eerste opname ondertekend voor ontvangst en akkoord door de begunstigde of, in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde. Een kopie ervan wordt overhandigd aan de begunstigde en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde. § 2. Het reglement van inwendige orde of elke wijziging wordt aan de administratie overgezonden. De administratie beschikt over een termijn van 30 dagen vanaf de datum van ontvangst van de documenten, om het reglement of de aangebrachte wijzigingen goed te keuren of te weigeren. Bij gebreke van advies van de administratie binnen de termijn van 30 dagen, wordt het reglement beschouwd als goedgekeurd.

Een exemplaar van het nieuwe reglement wordt overhandigd aan de begunstigde en eventueel aan zijn gevolmachtigde en er wordt een voor ontvangst en akkoord ondertekend exemplaar bewaard in het vertrouwelijk dossier van de begunstigde. De wijzigingen worden toegepast vanaf de 30e dag volgend op de datum van de aankondiging. § 3. Het reglement van inwendige orde bevat tenminste de volgende elementen : 1° de opvangvoorwaarden en -modaliteiten in de dienst;2° de opzeggingsvoorwaarden en -modaliteiten van de overeenkomst die werd afgesloten met de dienst;3° de regels met betrekking tot de organisatie van de opvang : a) diensturen van de opvang;b) eventuele organisatie van de verplaatsingen tussen de woonplaats en de dagonthaaldienst;c) frequentie van de opvang en regels met betrekking tot de afwezigheden;d) inschrijvingsprocedure voor de activiteiten;e) eventuele geleverde maaltijden en diensten.4° de facturatiemodaliteiten van de opvang, de maaltijden en de diensten en de betalingsmodaliteiten van de facturen; Afdeling 3. - Overeenkomst

Art. 155.§ 1. De dagonthaaldienst sluit een overeenkomst af met de begunstigde.

Een kopie ervan wordt overhandigd aan de resident en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde. § 2. De type-overeenkomst of elke wijziging ervan wordt overgezonden naar de administratie. De administratie kan op elk moment de voorlegging vragen van de overeenkomsten die werden afgesloten tussen de dagonthaaldienst en een begunstigde of zijn gevolmachtigde.

De administratie beschikt over een termijn van dertig dagen vanaf de datum van de ontvangst van de documenten, om een type-overeenkomst of elke wijziging ervan te erkennen of te weigeren.

Bij gebreke van een advies van de administratie binnen de termijn van dertig dagen, wordt de overeenkomst als erkend beschouwd. Een kopie van de nieuwe overeenkomst wordt overhandigd aan de begunstigde en, in voorkomend geval, aan zijn gevolmachtigde en een kopie ondertekend voor ontvangst en akkoord wordt bewaard in het vertrouwelijk dossier van de begunstigde. De wijzigingen treden in werking op de dertigste dag na de kennisgeving. § 3. De overeenkomst bepaalt verplicht, op een duidelijke en volledige manier : 1° de identiteit van de begunstigde;2° het aantal dagen en uren waarop de opvang wordt voorzien;3° de prijs per dag of per halve dag voor de opvang, de eventuele maaltijden en de aangeboden diensten met inbegrip van de maaltijden en diensten geleverd door toeleveranciers en wijzigingsmodaliteiten van deze prijzen. § 4. Iedere bepaling die de bepalingen van dit artikel schendt is van rechtswege nietig. Afdeling 4. - Participatie van de begunstigden

Art. 156.De dagonthaaldienst organiseert een participatiecommissie van begunstigden. Deze is ermee belast haar advies te geven over de organisatie van de opvang en over de kwaliteit van de geleverde diensten;

De directeur woont deze vergaderingen bij en maakt hiervan een verslag op, dat wordt bewaard door de dagonthaaldienst. Afdeling 5. - Administratief dossier

Art. 157.De dagonthaaldienst houdt voor elke begunstigde een dossier bij dat tenminste de volgende elementen bevat : 1° Zijn identiteit en geboortedatum;2° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 155;3° het ontvangstbewijs van het reglement van inwendige orde, ondertekend door de begunstigde;4° de kopie van de gedetailleerde facturen gericht aan de residenten; Afdeling 6. - Verplichte verzekeringen.

Art. 158.De verplichte verzekeringen zijn : 1° verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid van het hoofd van de onderneming;2° brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid en clausule van afstand van verhaal tegen de residenten.Deze verzekering dekt geen persoonlijke goederen van de residenten, deze dienen ze ieder voor zich te verzekeren. 3° een verzekering voor de vrijwilligers indien de dienst beroep doet op vrijwilligers. HOOFDSTUK 2. - Architecturale normen en uitrusting Afdeling 1. - Capaciteit

Art. 159.De capaciteit van een dagonthaaldienst bedraagt minimun vijftien en maximum veertig personen, die gelijktijdig worden opgevangen. Afdeling 2. - Veiligheid

Art. 160.§ 1. De bepalingen van het Koninklijk besluit van 12 maart 1974 ter vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden dienen te beantwoorden zijn van toepassing op de dagonthaaldiensten. Deze rusthuizen dienen bovendien uitgerust te zijn met een algemeen systeem voor branddetectie voorzien van een jaarlijks onderhoudscontract. § 2. De rusthuizen die worden goedgekeurd na de inwerkingtreding van deze bepaling, alsook de uitbreidingen, nieuwe vestigingen en gebouwen die het voorwerp zijn van grote renovatiewerken van rusthuizen bedoeld in § 1, dienen de veiligheidsnormen vermeld in bijlage 3B van dit besluit in acht te nemen; § 3. De naleving van de bedoelde normen wordt vastgesteld door een attest dat wordt afgeleverd door de burgemeester van de gemeente waar de dagonthaaldienst gelegen is, op basis van een rapport van de regionale brandweerdienst; Afdeling 3. - Lokalen en uitrusting

Art. 161.§ 1. De dagonthaaldienst beschikt tenminste over de volgende lokalen en uitrusting : 1° een polyvalente zaal met een oppervlakte van minimum 3 m2 per opgevangen persoon, uitgerust met het volgende meubilair : a) een tafel en voldoende stoelen voor het aantal opgevangen personen;b) stoelen en zitbanken aangepast aan bejaarden;2° een rustzaal uitgerust met een bed of een relaxzetel.Wanneer de dagonthaaldienst geïntegreerd is in een verblijfsstructuur, kan er een slaapkamer van deze structuur, die hier speciaal voor voorzien is, dienst doen als rustzaal; 3° een kantoor waar indien nodig een onderhoud kan plaatsvinden in alle vertrouwelijkheid;4° een keuken die minstens uitgerust is met een wasbak, een koelkast, een kookplaat waarop koude en warme maaltijden en dranken kunnen bereid worden;5° een afzonderlijke WC met een wastafel met koud en warm stromend water. § 2. De lokalen bedoeld in § 1 zijn toegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit, met name voor rolstoelgebruikers. HOOFDSTUK 3 Afdeling 1. - Uurregeling

Art. 162.De dagonthaaldienst vangt de begunstigden op van maandag tot vrijdag, behalve op feestdagen.

De opvang dient tenminste zeven uur per dag aangeboden te worden, en dit tussen 8u.30m. en 18 uur. Afdeling 2. - Gezamenlijke activiteiten en activiteitenverslag

Art. 163.De dagonthaaldienst organiseert gezamenlijke activiteiten die het behoud van de zelfstandigheid van de begunstigden stimuleert, alsook hun deelname aan het sociale leven.

Ze organiseert activiteiten ter voorkoming van het verlies van autonomie voor de begunstigden. Ze organiseert tevens recreatieve activiteiten. Ze begeleidt de begunstigden bij hun socio-sanitaire ontwikkeling en werkt hiertoe samen met socio-sanitaire actoren die actief zijn op het grondgebied van de gemeente.

Art. 164.De dagonthaaldienst helpt de begunstigden bij de organisatie van hun verplaatsingen tussen hun woonplaats en de dienst. De dagonthaaldienst kan zelf deze verplaatsingen regelen.

Art. 165.De dagonthaaldienst levert 's middags een warme maaltijd aan de begunstigden die de hele dag in de dienst aanwezig zijn. Deze maaltijd wordt bereid door het personeel van de dienst of door een externe dienstverlening. Het menu wordt tenminste een week op voorhand aan de begunstigden meegedeeld.

De menu's worden gedurende 3 maanden bewaard en kunnen geraadpleegd worden door de administratiesleden die belast zijn met de inspectie.

In de loop van de ochtend en in de loop van de namiddag worden een lichte maaltijd en een drankje aangeboden. Deze maaltijden en dranken zijn inbegrepen in de prijs voor een halve of hele opvangdag. Er is op elk moment voldoende gratis drinkwater beschikbaar voor de begunstigden. Bij warme temperaturen zal hier speciale aandacht aan worden geschonken.

Art. 166.De dagonthaaldienst houdt een dagelijks register bij van de aanwezigheden alsook van de georganiseerde activiteiten. Dit register kan geraadpleegd worden door de administratiesleden belast met de inspectie.

Art. 167.De dagonthaaldienst stelt jaarlijks een activiteitenrapport op dat tenminste de volgende vermeldingen bevat : 1° het personeel van de dienst;2° het aantal opgevangen personen (totaal, daggemiddelde, eventuele schommelingen van dit gemiddelde in de loop van het jaar); 3° socio-economische en socio-sanitaire gegevens die anoniem worden gehouden, met betrekking tot de begunstigden (leeftijd, geslacht, gezinssituatie, zelfstandigheidsgraad, problemen die werden ondervonden,.); 4° de georganiseerde activiteiten;5° een analyse van de gegevens bedoeld in punten 2° tot 4°;6° de partnerships en samenwerkingen;7° de ondervonden problemen, commentaren, projecten en vooruitzichten. Afdeling 3. - Functionele verbintenissen

Art. 168.De dagonthaaldienst gaat een functionele verbintenis aan met een dienst voor thuisverzorging of een coördinatiecentrum voor thuiszorg en dienstverlening aan huis. Hiertoe sluit ze een overeenkomst af die, uitgezonderd in geval van tegenstand van de begunstigde of zijn gevolmachtigde, een samenwerking en een uitwisseling van informatie voorziet in geval van tenlasteneming van een begunstigde van de dagonthaaldienst door de dienst voor thuishulp of het coördinatiecentrum voor thuiszorg en dienstverlening aan huis. HOOFDSTUK 4. - Personeelsnormen

Art. 169.§ 1. De dagonthaaldienst beschikt over tenminste 1,5 VE gekwalificeerd personeel.

De benodigde kwalificaties zijn : 1° sociaal assistent;2° gezinshulp;3° opvoeder in de gerontologie;4° zorgkundige;5° ergotherapeut; De functie van directeur kan worden ingevuld door een personeelslid.

De Minister kan andere kwalificaties toelaten mits een gemotiveerde aanvraag van de dagonthaaldienst en na advies van de Adviesraad. § 2. In naleving van de wet van 3 juli 2005 met betrekking tot de rechten van vrijwilligers, kan de dagonthaaldienst samenwerken met vrijwilligers. Indien deze niet over een kwalificatie beschikken bedoeld in § 1 mogen zij niet alleen instaan voor de opvang van de begunstigden. HOOFDSTUK 5. - Toekenning van toelagen

Art. 170.Het College kent een forfaitaire toelage toe van euro 50.000 als bijdrage in de personeels-en werkingskosten van de dagonthaaldienst. Deze toelage wordt geïndexeerd volgens de volgende modaliteiten : euro 50.000 x de gezondheidsindex op 31 december van het vorig jaar gezondheidsindex op 31 december 2008.

Art. 171.§ 1. De toelagen worden uitbetaald in 4 voorschotten en een saldo. Drie voorschotten van 25 % worden uitbetaald voor 15 februari, 15 mei en 15 augustus, een voorschot van 20 % wordt uitbetaald voor 15 november en het saldo wordt uitbetaald na goedkeuring van de bewijsstukken ten laatste op 31 oktober van het volgend jaar. § 2. Om haar toelage te rechtvaardigen dient de dagonthaaldienst tegen 30 juni van het volgend jaar de volgende documenten in : 1° de rekeningen en de balansen van de dienst en van de vereniging zonder winstoogmerk, goedgekeurd door de algemene vergadering;2° de loonfiches van het personeel van de dagonthaaldienst;3° eventueel de betalingsbewijzen van de terugbetalingen van de kosten of forfaitaire vergoedingen van de vrijwilligers;4° het activiteitenverslag bedoeld in artikel 167. TITEL 8. - Diensten voor tele-bewaking : normen en toekenningsvoorwaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie

Art. 172.De dienst voor tele-bewaking wordt georganiseerd door een vzw waarvan de activiteitenzetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Afdeling 2. - Overeenkomst

Art. 173.De dienst voor tele-bewaking sluit een overeenkomst af met de begunstigden, waarin tenminste de volgende elementen vermeld worden : 1° de namen, adressen en geboortedatum van de begunstigden en van de leden van zijn gezin;2° de interventiemodaliteiten in geval van een oproep van de begunstigde;3° de tariefvoorwaarden verbonden aan de geleverde diensten en met name : 4° de tariefverlaging die eventueel werd toegekend;5° de tarieven voor de eventuele interventies van professionals geleverd door de dienst. Afdeling 3. - Administratief vertrouwelijk dossier

Art. 174.De dienst voor tele-bewaking houdt voor elke begunstigde een vertrouwelijk dossier bij dat de volgende elementen bevat : 1° de kopie van de overeenkomst bedoeld in artikel 173; 2°, de volledige gegevens van de personen of diensten die door de begunstigde werden aangeduid voor eventuele interventies; 3° informatie met betrekking tot de toegangsmodaliteiten tot de woning van de begunstigde in geval van een oproep tot interventie;4° een lijst met de contacten tussen de dienst voor tele-bewaking en de begunstigde alsook met de eventuele oproepen en interventies. Afdeling 4. - Verplichte verzekeringen

Art. 175.Een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid voor het hoofd van de onderneming is verplicht. HOOFDSTUK 2. - Personeels-en werkingsnormen

Art. 176.De dienst voor tele-bewaking waarborgt een permanente dienst van 24 uur op 24 uur en 7 dagen op 7 door gekwalificeerd en opgeleid personeel. Hiertoe beschikt ze over een voldoende aantal personeelsleden om deze permanentie te verzekeren.

Het toezichtspersoneel is tenminste houder van een diploma van het hoger secundair onderwijs of van een opleidingscertificaat van gezinshulp of een als gelijkwaardig erkend diploma.

Een specifieke opleiding van 30 uur voor beheer van oproepen en beheer van noodgevallen wordt aan het personeelslid gegeven door de dienst voor telebewaking alvorens hij alleen mag instaan voor het toezicht.

Een personeelslid dat tenminste houder is van een diploma van niet-universitair hoger onderwijs, neemt de functie van directeur op zich.

Art. 177.§ 1. De dienst voor tele-bewaking biedt zijn begunstigden de volgende interventiemogelijkheden in geval van oproep : 1° oproep naar een persoon die de begunstigde heeft aangeduid volgens een lijst van personen die werden aangeduid bij de toetreding tot de dienst.Deze lijst wordt actueel gehouden op vraag van de begunstigde of tenminste om de 6 maanden; 2° oproep naar de behandelende geneesheer aangeduid door de begunstigde;3° oproep naar een professional bedoeld in artikel 178, geleverd door de dienst;4° oproep naar de medische urgentiedienst. § 2. De mogelijke interventiemodaliteiten voor elke begunstigde worden bepaald door de begunstigde bij zijn toetreding tot de dienst of op zijn verzoek en worden vermeld in de overeenkomst bedoeld in artikel 173.

Art. 178.§ 1. De dienst voor tele-bewaking verzekert zelf of laat een interventiemogelijkheid in de woning van de begunstigde door gekwalificeerd personeel verzekeren door een dienst waarmee ze een samenwerkingsovereenkomst sluit.

De vereiste kwalificaties voor dit personeel zijn : 1° gezinshulp;2° zorgkundige;3° verpleger. § 2. De dienst treft de nodige praktische maatregelen om de toegang tot de woning van de begunstigden door professionals mogelijk te maken. HOOFDSTUK 3. - Normen met betrekking tot de uitrusting

Art. 179.De dienst voor tele-bewaking stelt een apparaat voor tele-bewaking en een draagbaar oproepsysteem ter beschikking van de begunstigden, die aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° het materiaal laat de begunstigde toe om de dienst op te roepen en met de dienst in contact te treden vanuit alle vertrekken van zijn woning;2° het materiaal wordt onderhouden door de dienst voor tele-bewaking en de goede werking ervan wordt minstens een maal per week getest;3° wanneer het materiaal niet of slecht functioneert, wordt het materiaal hersteld of vervangen binnen een termijn van 24 uur.

Art. 180.De dienst voor tele-bewaking beschikt over een ontvangstcentrale voor de oproepen. De identiteit van de oproepers, de data en uren van de oproepen, de identiteit van de hulpverleners alsook de uitgevoerde interventies als gevolg van de oproepen worden geregistreerd via de computer. HOOFDSTUK 4. - Toekenning van toelagen

Art. 181.Het College kent een toelage toe aan de dienst voor tele-bewaking wanneer deze een tariefverlaging van minstens 15 euro per maand toepast voor de begunstigden die aan de volgende voorwaarden beantwoorden : 1° de leeftijd van de begunstigde is minimum zestig jaar, erkend als invalide, en de inkomsten liggen niet hoger dan het bedrag dat toegang geeft tot het OMNIO-statuut in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging;2° de begunstigde is een persoon van tenminste vijfenzeventig jaar, waarvan de inkomsten het bedrag dat toegang geeft tot het OMNIO-statuut in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging niet overschrijden.

Art. 182.Het bedrag van de jaarlijkse toelage is gelijk aan : 1° (het aantal begunstigden bedoeld in artikel 181) x (het aantal maanden van het beoogde jaar, gedurende welke de begunstigden een tariefverlaging genoten hebben) x (15 euro);2° (het aantal begunstigden bedoeld in artikel 181) x (1,25 euro voor de beheerskosten van de tariefverlaging).

Art. 183.De bedragen van 15 euro en van 1,25 euro bedoeld in artikel 182 worden geïndexeerd vanaf 1 januari 2009 volgens de volgende modaliteiten : Bedragen in euro x gezondheidsindex van december van het vorige jaar gezondheidsindex van december 2008.

Art. 184.§ 1. Om haar toelage te rechtvaardigen legt de dienst driemaandelijks de volgende documenten voor aan de administratie : 1° de lijst met vermelding van de geboortedatum van de begunstigden waaraan een tariefverlaging wordt toegekend;2° de documenten die deze tariefverlaging voor elke begunstigde rechtvaardigen : a) een attest met betrekking tot de erkenning van de handicap voor een nieuwe begunstigde;b) de kopie van een document dat het OMNIO-statuut in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging bevestigt. § 2. De dienst legt jaarlijks, ten laatste tegen 30 juni van het volgend jaar, de volgende documenten voor : 1° de rekeningen en balansen van de dienst en, indien nodig, van de vzw die de dienst organiseert;2° een activiteitenrapport waarin de statistische gegevens met betrekking tot het aantal begunstigden, het aantal oproepen en het aantal uitgevoerde interventies tijdens het afgelopen jaar, worden hernomen.

Art. 185.De toelagen bedoeld in artikel 182 worden driemaandelijks uitbetaald volgens de volgende modaliteiten : 1° een bedrag overeenkomstig met 25 % van de toegekende toelage voor het op twee na laatste jaar wordt toegekend op 15 februari, 15 mei en 15 augustus als voorschotten.2° een bedrag gelijk aan 20 % van de toegekende toelage voor het op twee na laatste jaar wordt toegekend op 15 november bij wijze van voorschot.3° het saldo wordt, na controle van de bewijsstukken, uitbetaald ten laatste tegen 31 december van het volgend jaar. TITEL 9. - Dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden : normen en toekenning van toelagen HOOFDSTUK 1. - Algemene normen Afdeling 1. - Statuut en organisatie

Art. 186.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden wordt georganiseerd door een vzw waarvan de activiteitenzetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Afdeling 2. - Verplichte verzekeringen

Art. 187.De verplichte verzekeringen zijn : 1° een verzekering voor burgerlijke aansprakelijkheid voor het hoofd van de onderneming;2° een brandverzekering met objectieve aansprakelijkheid. HOOFDSTUK 2. - Architecturale normen

Art. 188.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden beschikt over lokalen waar een onderhoud kan plaatsvinden in alle vertrouwelijkheid, een wachtzaal en een WC die toegankelijk is voor de consulterende artsen. HOOFDSTUK 3. - Werkingsnormen

Art. 189.§ 1. De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden is de referentie voor het groot publiek voor de oproepen betreffende « mishandeling ».

Ze informeert de Brusselse bevolking over de mishandeling van bejaarden, de verschillende vormen, hoe deze kan herkend worden en de hulpverleningsmogelijkheden die geboden worden. § 2. 1° Ze biedt een eerste opvang voor slachtoffers, getuigen van mishandeling of elke andere mogelijke betrokkene en verwijst hen door naar de meest geschikte professionals om te bemiddelen met het oog op de oplossing van deze situaties van mishandeling; 2° Ze coördineert tussen de professionals van de sociale- en gezondheidsverenigingen, de nodige interventies in situaties van mishandeling;3° Ze steunt en begeleidt de slachtoffers van mishandeling;4° Ze realiseert deze opdrachten met inachtneming van de deontologische regels die van toepassing zijn op deze werkers. § 3. Ze analyseert deze situaties op een globale manier teneinde preventief te kunnen werken.

Ze werkt samen met de Brusselse socio-sanitaire actoren en, indien mogelijk, tevens met de andere diensten voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden die in België of in het buitenland bestaan om bij te dragen tot een preventiebeleid tegen de mishandeling van bejaarden en het publiek te sensibiliseren teneinde te ijveren voor het cultiveren van goede houdingen en gedragingen.

Art. 190.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden stelt elk jaar een activiteitenverslag op waarin de volgende elementen worden vermeld : 1° het personeel van de dienst;2° het aantal geholpen personen en het aantal nieuw geopende dossiers tijdens het voorbije jaar; 3° socio-economische en socio-sanitaire gegevens, die anoniem worden gehouden, met betrekking tot de begunstigden en tot de situaties van mishandeling die hebben plaatsgehad (leeftijd, geslacht, gezinssituatie, zelfstandigheidsgraad, type van verblijfplaats, relatie tussen het slachtoffer en diegene die verantwoordelijk is voor de mishandeling...); 4° de activiteiten van de dienst inzake sensibilisering en preventie;5° de partnerships en samenwerkingen;6° een analyse van de gegevens bedoeld in punten 2° en 3°;7° de ondervonden problemen, commentaren, projecten en vooruitzichten. HOOFDSTUK 4. - Personeelsnormen

Art. 191.De dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden beschikt over tenminste 1,5 VE gekwalificeerd personeel.

De toegelaten kwalificaties zijn de volgende : 1° jurist;2° psycholoog;3° sociaal assistent;4° assistent in de psychologie. Een personeelslid mag de functie van directeur vervullen. HOOFDSTUK 5. - Toekenning van toelagen

Art. 192.Het College kent een forfaitaire toelage toe van euro 50.000 als bijdrage in de personeels-en werkingskosten. Deze toelage wordt geïndexeerd volgens de volgende modaliteiten : euro 50.000 x de gezondheidsindex op 31 december van het vorige jaar gezondheidsindex op 31 december 2008.

Art. 193.§ 1. De toelagen worden uitbetaald in 4 voorschotten en een saldo. Drie voorschotten van 25 % worden uitbetaald voor 15 februari, 15 mei en 15 augustus, een voorschot van 20 % wordt uitbetaald voor 15 november en het saldo wordt uitbetaald na goedkeuring van de bewijsstukken ten laatste op 31 oktober van het volgend jaar. § 2. Om haar toelage te rechtvaardigen dient de dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden tegen 30 juni van het volgend jaar de volgende documenten in : 1° de rekeningen en de balansen van de dienst en van de vereniging zonder winstoogmerk, goedgekeurd door de algemene vergadering;2° de loonfiches van het personeel van de dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden;3° het activiteitenverslag bedoeld in artikel 190. TITEL 10. - Procedures met betrekking tot de erkenning van niet-residentiële diensten HOOFDSTUK 1. - Voorlopige erkenning en erkenning

Art. 194.§ 1. De aanvraag van een erkenning wordt ingediend door de beheerder per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs bij de Minister. Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. De aanvraag gaat vergezeld van het dossier bedoeld in artikel 29 van het decreet. § 2. Het model van de nota's die het type van dienst en het project van onthaal of dienstverlening beschrijft bedoeld in artikel 29, 1° en 5° van het decreet, is vastgelegd in bijlage 10. § 3. Het dossier bevat naast de elementen voorzien in punten 1° tot 7° van het artikel 29 van het decreet, de kopie van de diploma's en kwalificatiecertificaten van het personeel die aantonen dat het voldoet aan de kwalificatievoorwaarden bedoeld in artikelen 169, 176, 178 of 191 van dit besluit. § 4. De administratie verwittigt de aanvrager van de ontvankelijkheid van het dossier en behandelt het dossier.

Wanneer het dossier ontvankelijk wordt verklaard, wendt de Minister zich tot de Adviesraad die haar advies verstrekt binnen de dertig dagen nadat haar advies werd gevraagd, op basis van het administratief dossier en van de inspectie met betrekking tot de overeenstemming van de lokalen met de plannen van het gebouw en met de architecturale normen. De Minister neemt een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de voorlopige erkenning of van de voorlopige bijzondere erkenning binnen de termijn van dertig dagen na het advies van de Adviesraad. De administratie licht de beheerder in over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt.

Art. 195.Op basis van het administratief dossier dat het inspectierapport met betrekking tot de inachtneming van de normen en tot de verwezenlijking van het project van onthaal of dienstverlening bedoeld in artikel 29, 1°, van het decreet en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister een beslissing wat betreft de toekenning of de weigering van de erkenning ten laatste vijftien dagen voor de vervaltijd van de voorlopige erkenning, legt de duur, die de zes jaar niet mag overschrijden, ervan vast en informeert de beheerder over de beslissing van de Minister. HOOFDSTUK 2. - Beroep in geval van weigering van voorlopige erkenning of erkenning

Art. 196.§ 1. In geval van weigering van een voorlopige erkenning of van een erkenning wordt het beroep van de beheerder ingediend bij het College.

Het beroep wordt ingediend bij de Minister per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs, binnen de dertig dagen van de bekendmaking van de weigering door de administratie. Het gaat vergezeld van een verweerschrift met betrekking tot de elementen of de gebreken die aan de basis liggen van de weigering. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie. § 2. De administratie behandelt het dossier. De aanvrager of de beheerder wordt uitgenodigd om gehoord te worden door de Adviesraad binnen de maand van neerlegging van het verweerschrift. Hij kan zich op deze zitting laten vergezellen door de raadsman van zijn keuze. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 15 dagen van deze zitting of binnen de maand nadat haar advies werd gevraagd, indien de aanvrager of de beheerder niet gehoord wenst te worden. § 3. Het College neemt zijn beslissing wat betreft het ingediende beroep binnen de maand van het advies van de Adviesraad.

De administratie informeert de aanvrager of de beheerder over de beslissing van het College binnen de 15 dagen die erop volgen. De briefwisseling met betrekking tot deze procedure wordt per aangetekende zending verstuurd. HOOFDSTUK 3 Intrekking of opgelegde wijziging van een erkenning

Art. 197.§ 1. Indien de dienst de erkenningsnormen niet naleeft, dan stuurt de administratie haar een verwittiging en verzoekt haar om zich onmiddellijk te voegen naar de normen indien de situatie een dringende correctie vereist of binnen een termijn van een week of maximum drie maanden in de andere gevallen. § 2. Indien de instelling bij het verstrijken van de termijn de erkenningsnormen niet naleeft, dan stelt de administratie aan de Minister voor om een procedure van intrekking of opgelegde wijziging te starten. § 3. De Minister volgt de procedure bedoeld in artikel 35, § 2 van het decreet. § 4. De Administratie informeert de beheerder over de beslissing van het College binnen de vijftien dagen die erop volgen. HOOFDSTUK 4. - Dringende sluiting

Art. 198.§ 1. De dringende sluiting voorzien in artikel 37, § 1, van het decreet wordt opgelegd door de Minister. De administratie is belast met de begeleiding van de informatie die wordt gegeven aan de begunstigden wat betreft de diensten die diensten bieden van hetzelfde type. § 2. Het College neemt de beslissing betreffende de intrekking van de erkenning en de definitieve sluiting van de instelling. HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de erkenning

Art. 199.§ 1. De aanvraag tot wijziging van de erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden aan de administratie.

De administratie behandelt het dossier en laat het vervolledigen door de beheerder indien nodig. De administratie informeert de beheerder over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot wijziging van de erkenning. De Adviesraad verstrekt haar advies binnen de 2 maanden na de onafhankelijkheidsverklaring.

Op basis van het administratief dossier en eventueel het verslag van de inspectie, en na advies van de Adviesraad, neemt de Minister de beslissing betreffende de wijziging van de erkenning. De administratie informeert de beheerder over de beslissing van de Minister binnen de maand die erop volgt. § 2. In geval van meningsverschil van de beheerder met de beslissing van de Minister, en ongeacht de aanwending van de rechtsmiddelen waarover hij beschikt, kan de beheerder een beroep aantekenen bij het College volgens de modaliteiten vastgelegd in artikel 196. HOOFDSTUK 6. - Hernieuwing van de erkenning

Art. 200.§ 1. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning of de bijzondere erkenning wordt bij de Minister ingediend door de beheerder per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. Een kopie wordt gelijktijdig overgezonden naar de administratie. § 2. De vernieuwing van de elementen van het dossier van erkenning bedoeld in artikelen 29, 1° tot 7°, van het decreet, is de volgende : 1° de nota met betrekking tot het project van onthaal of dienstverlening bedoeld in punten 1° en 5° van het decreet, bevat een evaluatie van de manier waarop hieraan tegemoet werd gekomen tijdens de erkenningsperiode die eerstdaags vervalt en de eventuele wijzigingen die de beheerder wenst aan te brengen;2° het plan van de dienst waarin duidelijk elke aangebrachte wijziging sedert de vorige erkenning wordt weergegeven;3° De kopie van de verplichte verzekeringscontracten, eventuele bijaktes en bewijzen van de laatste betalingen. HOOFDSTUK 7. - Vrijwillige sluiting

Art. 201.De beheerder die vrijwillig een dienst wenst te sluiten brengt de Minister hiervan op de hoogte per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs en zendt gelijktijdig een kopie van deze brief naar de administratie.

De administratie onderzoekt of de maatregelen ter overplaatsing van de begunstigden goed werden uitgevoerd en stelt de sluiting vast van de instelling.

De administratie brengt de Minister, die akte neemt van de sluiting,op de hoogte en informeert de Adviesraad. HOOFDSTUK 8. - Overname van niet-residentiële instellingen

Art. 202.§ 1. De niet-residentiële instellingen die een voorlopige erkenning of een erkenning hebben kunnen worden overgenomen door een andere beheerder volgens de volgende modaliteiten : 1° De overdragende beheerder brengt de Minister per aangetekende brief op de hoogte van zijn intentie om zijn niet-residentiële instelling over te laten en van de identiteit van de beheerder-overnemer ten laatste twee maanden voor de overdracht;2° de beheerder-overnemer dient ten laatste vijfenveertig dagen voor de overdracht bij de Minister per aangetekende brief een aanvraag in tot overname van erkenning.Een kopie wordt gelijktijdig aan de administratie overgezonden. 3° de aanvraag tot overname van erkenning gaat vergezeld van de volgende documenten : a) het project van onthaal of dienstverlening bedoeld in artikel 29, 1° en 5° van het vastgelegde decreet volgens het model vastgelegd in bijlage 10 van dit besluit door de beheerder-overnemer;b) de elementen van het erkenningsdossier bedoeld in artikel 29, 2°, 3° en 7° van het decreet;d) de kopie van de diploma's en de kwalificatiecertificaten van de nieuwe directeur, indien nodig als bewijs dat hij voldoet aan de kwalificatievoorwaarden vermeld in artikel 169, 176 of 191 van dit besluit. § 2. De administratie behandelt het dossier en laat het verbeteren of indien nodig aanvullen, binnen de vijftien dagen na ontvangst. Het brengt de overdragende en overnemende beheerders op de hoogte van de ontvankelijkheid van het dossier. § 3. De Adviesraad verstrekt een advies over de overname van de erkenning binnen de maand na de ontvankelijkverklaring van het dossier. § 4. Op basis van het administratief dossier, na advies van de Adviesraad en na ontvangst van de akte van overname van de instelling, neemt de Minister zijn beslissing betreffende de overname van de erkenning. Deze treedt in werking op de datum van de overname van de instelling indien het dossier op die datum ontvankelijk is of ten vroegste op de datum van de ontvankelijkverklaring van het dossier.

TITEL 9. - Overgangs- en opheffingsbepalingen

Art. 203.De rustoorden die erkend zijn of een voorlopige werkingsvergunning hebben krachtens artikel 51 van het decreet,dienen ten laatste 6 maanden voor de vervaltijd van hun erkenning of hun voorlopige werkingsvergunning, een aanvraag tot erkenning in.

Art. 204.De toelagen voor de diensten voor tele-bewaking bedoeld in artikelen 182 tot 185 worden berekend voor het jaar 2009 volgens de gegevens met betrekking tot het aantal begunstigden die in aanmerking komen, die beschikbaar zijn bij de administratie en hebben betrekking op de toegekende bijdragen aan deze begunstigden in 2008, krachtens het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 23 maart 1995 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de bijdrage van de Franse Gemeenschapscommissie in de aansluitings-, plaatsings-, en huurkosten van een telefoontoestel alsook in de kosten van een systeem voor veiligheidsbewaking ten gunste van zwaar gehandicapte personen, geïsoleerde personen en gezinnen met zwaar gehandicapte personen en/of bejaarden die als geïsoleerd kunnen worden beschouwd, voor het jaar 2008 in de erkende diensten.

Art. 205.Het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 23 maart 1995 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de bijdrage van de Franse Gemeenschapscommissie in de aansluitings-, plaatsings-, en huurkosten van een telefoontoestel alsook in de kosten van een systeem voor veiligheidsbewaking ten gunste van zwaar gehandicapte personen, geïsoleerde personen en gezinnen met zwaar gehandicapte personen en/of bejaarden die als geïsoleerd kunnen worden beschouwd, wordt opgeheven.

Art. 206.Dit besluit treedt in werking op 1 juni 2009, met uitzondering van artikel 25 § 2 dat in werking zal treden op de datum vastgelegd door het College.

De bepalingen van artikel 25 § 1 zijn van toepassing op alle rustoorden die in afwachting zijn van de inwerkingtreding van artikel 25 § 2.

Art. 207.Het decreet van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden treedt in werking op 1 juni 2009.

Art. 208.Het Lid van het College dat bevoegd is voor Sociale Actie en Gezin wordt belast met de uitvoering van dit besluit;

Brussel, 2 april 2009.

Voor het College van de Franse Gemeenschapscommissie : Het Lid van het College, belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 1. - Model van het reglement van inwendige orde (Artikel 9, 8° van het decreet en artikelen 9 en 10 van het besluit) 1 : Informatie betreffende het rustoord : ? naam van het rustoord; ? adres, telefoon, e-mail; ? beheerder; ? statuut; ? vertegenwoordiger(s) van de beheerder; ? directeur; ? rustoord erkend door de Franse Gemeenschapscommissie onder erkenningsnummer. 2 : Criteria voor de opname en de stopzetting van het verblijf in het rustoord (met inbegrip van de graden van validiteit, afhankelijkheid en gezondheid van de personen die opgenomen worden in het rustoord). 3 : Rechten en plichten van de resident.

Deze worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van het besluit. § 1. Aan de resident wordt de grootst mogelijke vrijheid toegekend, voor zover deze geen nadeel berokkent aan de andere residenten. De resident is met name verplicht om de persoonlijke hygiënemaatregelen in acht te nemen en zich te houden aan de veiligheidsregels. § 2. De resident heeft de volledige vrijheid van verkeer en om naar buiten te gaan, behalve in het geval van een tegengesteld advies van de behandelende geneesheer en het schriftelijk akkoord van de wettelijke vertegenwoordiger van de resident, te voegen bij het vertrouwelijk dossier van de betrokkene. De resident dient het personeel echter te informeren of zijn afwezigheden, in het bijzonder op de tijdstippen van de maaltijden. ? Preciseren van de informatiemodaliteiten- en termijnen in geval van afwezigheid en openings-en sluitingstijden van de deuren van het rustoord. § 3. De resident heeft het recht om de bezoekers te ontvangen van zijn keuze. De bezoekdagen- en uren zijn zo breed mogelijk vastgelegd, ten minste drie uur in de namiddag en twee uur na 18 uur, alle dagen van de week met inbegrip van zonen feestdagen; de bezoekers worden geacht de werkingsregels van de instelling na te leven. ? Preciseren van de bezoekuren. § 4. Elke dwangmaatregel tegenover de resident is verboden. Wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk blijkt vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand van de resident, dient deze te worden voorgesteld door de verzorgingsploeg en gerechtvaardigd te worden met een medisch attest dat bij het medisch dossier van de betrokkene wordt gevoegd, samen met een schriftelijk akkoord van de wettelijke vertegenwoordiger van de resident. De maatregel kan slechts worden genomen mits strikte naleving van de rechten van de betrokkene; § 5. De resident heeft recht op respect voor zijn privacy en zijn affectieve en seksuele leven, de bezoekers en de personeelsleden zijn met name verplicht om de resident te verwittigen alvorens zijn kamer te betreden. § 6. De resident of zijn gevolmachtigde kiest vrij zijn arts, uitgezonderd bij noodgevallen. Deze arts heeft vrije toegang tot de instelling op de uren en dagen die worden overeengekomen met de directeur, - De uren voorzien voor de doktersbezoeken preciseren (uitgezonderd dringende gevallen). § 7. De resident heeft vrije keuze wat betreft het paramedisch personeel en de kinesitherapie, met uitzondering van het verplegend personeel dat voorzien is in de personeelsnormen en aangeworven werd door het rustoord middels een arbeidsovereenkomst.

Het paramedisch personeel gekozen door de resident heeft vrije toegang tot de instelling op de dagen en uren die worden overeengekomen met de directeur. ? De uren voorzien voor het door de resident gekozen paramedisch personeel preciseren.

NB : Wanneer de instelling over paramedisch personeel beschikt, loontrekkend of via het ziekenfonds, staat dit vermeld in het reglement van inwendige orde. § 8. De resident heeft vrije keuze wat betreft zijn apotheker, op zijn eigen verantwoordelijkheid of die van zijn gevolmachtigde.

Wanneer de resident niet bij machte is om de medicijnen die hem werden voorgeschreven zelf in ontvangst te nemen, is het rustoord verplicht om zijn medicijnen af te leveren met naleving van het Koninklijk besluit van 31 mei 1885 houdende goedkeuring der nieuwe onderrichtingen voor de geneesheren, de apothekers en de drogisten. § 9 Aan de resident wordt de volledige vrijheid verzekerd van filosofische, politieke en religieuze meningsuiting. Er mag hem geen enkele verplichting van commerciële, culturele, religieuze, politieke of taalkundige aard worden opgelegd. De door de resident gevraagde bedienaars van de erediensten of lekenconsulenten mogen hem vrij bezoeken. Het klimaat en de faciliteiten eigen aan de vervulling van hun opdracht zijn aanwezig. Familie, vrienden en de door de resident gevraagde bedienaars van de erediensten of lekenconsulenten hebben op elk moment vrije toegang wanneer zij een stervende dienen bij te staan.

De resident verbindt zich ertoe om het reglement van het rustoord na te leven en rekening te houden met de eisen van het gemeenschapsleven. 4 : Rechten en plichten van het rustoord Het rustoord verbindt zich ertoe om de resident toe te laten een leven te leiden overeenkomstig met de menselijke waardigheid en de nodige middelen te bewerkstelligen om het leefproject dat het voorstelt concreet te maken. Een exemplaar van dit leefproject wordt aan de resident overhandigd. 5 : Uurroosters van het rustoord : ? Opstaan en naar bed brengen voor residenten die hier hulp bij nodig hebben; ? Maaltijden. 6 : Activiteiten georganiseerd door het rustoord : ? Regelmatige activiteiten georganiseerd door het rustoord; ? Eventuele inschrijvingsmodaliteiten. 7 : Indiening van opmerkingen of klachten : Alle opmerkingen kunnen zowel door de resident, of in voorkomend geval, door zijn gevolmachtigde, als door zijn familie gemaakt worden bij de directeur. ? Het uurrooster van de permanentie van de directeur preciseren ? De indienings- en onderzoeksmodaliteiten van de opmerkingen en de klachten preciseren. 8 : Participatiecommissie : Overeenkomstig artikel 17 van het besluit enz...wordt binnen het rustoord een participatiecommissie opgericht.

Iedere resident, of in voorkomend geval; zijn gevolmachtigde, heeft het recht hier deel van uit te maken.

De participatiecommissie is samengesteld uit residenten of hun gevolmachtigden.

De nominatieve lijst van de leden van de participatiecommissie alsook de wijzigingen die hierin worden aangebracht, worden meegedeeld aan de residenten, en in voorkomend geval, aan hun gevolmachtigden.

De participatiecommissie stelt haar eigen relement van inwendige orde op. Een kopie wordt ter informatie overgezonden aan het bestuur en aan de residenten, en in voorkomend geval, aan hun gevolmachtigden. houdt tenminste een maal per trimester een vergadering. Ze heeft een adviesbevoegdheid hetzij op eigen initiatief, hetzij op vraag van de beheerder of van de directeur van de instelling op elke vraag over de algemene werking van de instelling.

Er wordt een verslag van de vergaderingen opgemaakt dat kan geraadpleegd worden door de residenten of door hun familieleden en hun vertegenwoordigers.

De ambtenaren die belast zijn met de inspectie kunnen deze verslagen op elk moment raadplegen.

De commissie krijgt hulp van het personeel van het rustoord, teneinde de goede werking ervan te verzekeren. De directeur of zijn vertegenwoordiger kan de vergaderingen van de commissie bijwonen.

De kalender van de vergaderingen wordt drie weken op voorhand geafficheerd op een voor iedereen zichtbare plaats. ? Preciseren : modaliteiten van kandidaatstelling in de commissie, uurroosters van de vergaderingen 9 : Inspecties en de dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden. ? De bevoegde inspectiedienst is : Franse Gemeenschapscommissie Inspectie van de rustoorden Paleizenstraat 42, 1030 Brussel Tel. : 02-800 80 00.

E-mail : information@cocof.irisnet.be ? Federale Gezondheidsinspectie FOD Volksgezondheid Place Horta 40, bte 10, 1060 Bruxelles Tél. : 02-524 71 11 E-mail : info@health.fgov.be ? Dienst voor hulpverlening aan mishandelde bejaarden.

SEPAM (Luisterdienst voor Mishandelde Bejaarde Personen) Anspachlaan 59, 1000 Brussel Tel. 02-223 13 43 E-mail : sepam@inforhomes-asbl.be Voor ontvangst van een kopie van dit reglement van inwendige orde en akkoord Gedaan te.., op..

De resident Of de gevolmachtigde Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 2. - Model van overeenkomst tussen de instelling en de resident (Artikel 9, 14° van het decreet en artikelen 12 en 13 van het besluit) 1 : Deze overeenkomst wordt afgesloten tussen : ? het rustoord . . . . . vertegenwoordigd door . . . . . (naam en functie -beheerder, vertegenwoordiger van de beheerder of directeur) gesitueerd :adres van het rustoord ? en Dhr en/of Mevr . . . . . (naam van de resident) wonende te . . . . . (adres voor de opname in het rustoord) of Mr of Mevr . . . . . gevolmachtigde van Dhr of Mevr . . . . . (naam van de resident) adres van de gevolmachtigde adres van de resident NB : Indien de resident niet bij machte is om de overeenkomst zelf af te sluiten, en indien hij niet beschikt over een wettelijke vertegenwoordiger of een gevolmachtigde, vraagt de directeur om een wettelijke vertegenwoordiger aan te duiden die er speciaal mee belast wordt hem te vertegenwoordigen. 2 : Algemene en bijzondere verblijfsvoorwaarden in het rustoord; 3 : Verblijfsprijs per dag en per maand (verwijzen naar bijlage 5 betreffende de verblijfsprijs per dag) ? de verblijfsprijs omvat de volgende prestaties : lijst met de prestaties die inbegrepen zijn in de dagprijs ? eventuele supplementen zijn : lijst met de supplemeten en de prijs ? op de volgende diensten worden trimestriële voorschotten aan derden toegestaan : lijst met diensten gefactureerd aan derden; ? voorwaarden voor verlaging van de verblijfsprijs van de resident in geval van medisch verantwoorde afwezigheid, of afwezigheid wegens elke andere reden met een ononderbroken duur van 7 dagen, die vooraf wordt gemeld. Ieder supplement dat niet opgenomen werd in deze overeenkomst is verboden.

Wanneer de resident zijn intrek neemt in een kamer in de loop van een maand is hij voor deze maand een bedrag verschuldigd dat in verhouding is met het nog resterende deel van de maand. 4 : de voorwaarden voor de tenlasteneming van de zorgen en de hulpverlening in de dagelijkse levenshandelingen wanneer de ziekte-en invaliditeitsverzekering van de resident ontoereikend is. 5 : De betalingsmodaliteiten van de verblijfsprijs en eventuele supplementen.

NB : Bij betaling via de bank wordt het rekeningnummer vermeld waarop de betalingen dienen te worden uitgevoerd. Bij contante betaling dient een ontvangstbewijs te worden afgeleverd door het rustoord; 6 : het bedrag van de eventuele betaalde waarborg en de bestemming ervan. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan de maandelijkse verblijfsprijs.

Wanneer er een waarborg vereist is, wordt deze door de partijen op een individuele rekening geplaatst die wordt geopend op naam van de resident bij een kredietsinstelling, met vermelding van de bestemming : « waarborg voor elke vordering die resulteert uit de volledige of gedeeltelijke niet-naleving van de verplichtingen van de resident ».

De interesten die voortkomen uit de als dusdanig geplaatste som, worden gekapitaliseerd ten voordele van de resident.

Er kan slechts beschikt worden over de waarborg, zowel over de hoofdsom als over de interesten, door een van beide partijen, mits het voorleggen van hetzij een uitdrukkelijk akkoord dat na de afsluiting van de overeenkomst werd opgesteld, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift van een gerechtelijke beslissing. Deze beslissing is uitvoerbaar Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of beroep en zonder borgtocht noch kantonnement.

Bij het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de resident of aan zijn rechthebbenden uitgekeerd, na aftrek van alle eventuele verschuldigde kosten en vergoedingen krachtens de overeenkomst. 7 : het absolute verbod voor de resident om hetzij bij zijn opname, hetzij erna het beheer van zijn geld en zijn goederen toe te vertrouwen aan een lid van de gezinsopvang of aan een hieraan verwante persoon, tot in de 3e graad. 8 : ongeacht het verbod bedoeld in 5°, de voorwaarden voor inbewaringneming van de goederen en de waardepapieren die door de resident worden toevertrouwd aan de gezinsopvang, hun beheermodaliteiten alsook het bewijs van aanduiding van de persoon of personen die belast is/zijn met dit beheer.

Op vraag van de resident of zijn gevolmachtigde kan een bescheiden som door de gezinsopvang bewaard worden voor lopende uitgaven. 9 : de verplichting voor de resident om zijn persoonlijke uitgaven zelf te bekostigen. 10 : het kamernummer, en eventueel het bednummer dat wordt toegekend aan de resident met vermelding van het maximum aantal residenten dat worden toegelaten in de kamer. Uitgezonderd tegengesteld advies van de behandelende geneesheer, mag er geen wijziging van kamer of van bed worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de resident en, in voorkomend geval, van zijn gevolmachtigde; 11 : Opzeggingsvoorwaarden van de overeenkomst.

De overeenkomst wordt in principe afgesloten voor een onbepaalde duur, met inachtneming van een proefperiode van een maand. Tijdens de proefperiode kunnen de twee partijen de overeenkomst ontbinden mits inachtneming van een voorafgaande kennisgeving van ten minste 7 dagen.

Na de proefperiode kan de overeenkomst op elk moment worden ontbonden mits inachtneming van de vastgestelde opzegtermijn.

De opzegtermijn mag niet korter zijn dan zestig dagen bij ontbinding van de overeenkomst door het rustoord. Deze bedraagt vijftien dagen bij ontbinding door de resident of zijn gevolmachtigde. De resident die uit het rustoord wordt ontslagen mag de overeenkomst ontbinden zonder voorafgaande kennisgeving, op elk moment tijdens de duur van de vooropzeg van 60 dagen gegeven door het rustoord.

Wanneer een van de partijen de overeenkomst ontbindt zonder de opzegtermijn in acht te nemen, kan zij ertoe gehouden worden aan de andere partij een schadevergoeding te betalen ter compensatie van de vastgestelde vooropzeg.

De opzegging wordt gegeven per aangetekende brief of door overhandiging van een schriftelijk document met een ontvangstbewijs.

De opzegtermijn vangt aan op de derde werkdag die volgt op de datum van de aankondiging.

De ontbinding door het rustoord dient gemotiveerd te worden. Tenzij het rustoord enkel valide residenten toelaat, is het feit dat de persoon zorgen nodig heeft geen geldige reden. In dat geval kan enkel een advies gemotiveerd door de behandelende geneesheer de ontbinding rechtvaardigen.

Het overlijden of het definitieve vertrek om medische reden, op basis van een certificaat van de behandelende geneesheer dat aangeeft dat de verzorging in een andere instelling dient te gebeuren, heeft automatisch de ontbinding van de overeenkomst tot gevolg binnen een termijn van maximum 15 dagen. Na deze termijn mag de directeur de kamer vrijmaken op kosten van de resident of, in voorkomend geval, van zijn rechthebbenden.

In afwijking van wat voorafgaat, kunnen overeenkomsten worden vastgesteld voor een bepaalde duur wanneer het gaat om een verblijf met een maximale duur van 90 dagen in een tehuis dat speciaal erkend is voor kort verblijf. Voor deze overeenkomsten is geen enkele stilzwijgende verlenging toegelaten. 12 : De burgerlijke rechtbanken van Brussel zijn bevoegd voor de regeling van alle geschillen met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst; 13 : Er bestaat een participatiecommissie in het rustoord en de resident of zijn gevolmachtigde mag vragen om hier lid van te zijn. 14 :De gedetailleerde plaatsbeschrijving van de kamer die door de resident bezet wordt is bijgevoegd bij de overeenkomst. Ze wordt gedateerd en ondertekend door beide partijen. Wanneer er geen plaatsbeschrijving werd opgesteld vóór zijn opname, wordt de resident geacht de kamer toegewezen gekregen te hebben in de staat waarin ze zich bevindt bij zijn vertrek en kan hij niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade. 15 : In de overeenkomst kunnen de toelatingsvoorwaarden voor een huisdier worden vermeld. 16 : In de overeenkomst wordt het bestaan van een sterfkamer of, bij gebreke, een overeenkomst afgesloten met een begrafenisonderneming.

Gedaan te ......., op ......... Handtekening van de partijen : Voor het rustoord, naam, voornaam en functie De resident : naam, voornaam Of de gevolmachtigde : naam, voornaam Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 3A. - Onderhoud, controle en bewoning (Artikel 9, 1° van het decreet en artikel 25 van het besluit) § 1. ONDERHOUD EN CONTROLE § 1.1 Algemene inleiding § 1.1.1 De technische uitrusting van de instelling wordt in goede staat gehouden § 1.1.2 De directie van de instelling ziet erop toe dat de nodige keuringen, bezoeken en controles uitgevoerd worden door een instelling die erkend is voor dit type van controles en dat hier een verslag van wordt opgemaakt, waarvan zij gedurende 6 jaar een exemplaar bewaart in een veiligheidsdossier en zenden respectievelijk een exemplaar aan het bestuur en aan de burgemeester van de gemeente waar de instelling gevestigd is. § 1.2 Liften en goederenliften De liften en de goederenliften worden gekeurd en bezocht zoals vastgesteld in de bepalingen van het Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming. Dit voorschrift wordt uitgebreid, ter aanvulling van de voorschriften van het artikel 28 van het Algemeen Reglement van de Arbeidsbescherming, aan alle in dit besluit bedoelde instellingen. § 1.3 Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie De elektrische installaties zijn bezocht door een instelling die door het Ministerie van Economische Zaken erkend is, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming : - bij hun inbedrijfstelling, alsook wanneer belangrijke wijzigingen worden aangebracht; - één keer per jaar voor alle installaties.

Die voorschriften betreffen ook al de in dit besluit bedoelde instellingen, ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming. § 1.4 Installaties met brandbaar gas dat langs openbare leidingen wordt gevoerd § 1.4.1 Vóór de inbedrijstelling van een installatie of een gedeeltelijk vernieuwde installatie, wordt deze nagezien overeenkomstig de voorschriften van het Koninklijk Besluit van 28 juni 1971 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van gasdistributies door middel van leidingen. § 1.4.2 Bovendien worden alle nieuwe installaties en alle belangrijke wijzigingen van een installatie onderworpen, alvorens de bestrijking en de schildering op het nieuwe gedeelte en/of het gewijzigde gedeelte aan te brengen, aan de volgende consecutieve controles : - een controle van de leidingen : nadat de verdeelmeters en de afsluitkranen zijn ontkoppeld, terwijl de buizen zijn dichtgestopt, worden de leidingen onderworpen aan een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan tienmaal de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl al de koppelingen, verbindingen, lasnaden, enz., ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie. - een controle van de koppeling van de apparaten : de dichtheid van de terug aangekoppelde afsluitkranen en verdeelmeters wordt nagezien door een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl deze kranen en koppelingen van de meters ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie.

In beide gevallen wordt de drukproef uitgevoerd d.m.v. een inert gas.

De voormelde controles moeten uitgevoerd worden door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.

De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het procesverbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. § 1.4.3. De nieuwe geplaatste verbruikstoestellen worden vóór hun ingebruikstelling getest door een bevoegde installateur die nagaat of ze goed werken. § 1.4.4. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme.

Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. § 1.4.5. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.

Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » en de normen NBN D 51-003 en D 51-004. - een dichtheidsproef op al de installatie, die bestaat uit : a) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. b) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone. § 1.5. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen en oxidatieve gassen. § 1.5.1. Vooraleer de installatie in gebruik genomen wordt : - wordt de leiding aan een drukproef onderworpen waarbij de druk minstens gelijk is aan anderhalve keer de maximale bedrijfsdruk. De proefdruk mag in geen geval minder dan 3 bar zijn. Het onder druk zetten gebeurt uitsluitend d.m.v. inert gas. - Indien de proefdruk meer bedraagt dan de maximale druk die voorzien is voor een op de leiding gemonteerd onderdeel, zoals een ontspanner, een regelaar, een meter of een veiligheidsklep, worden deze onderdelen eerst buiten bedrijf gesteld. De testen worden zo zorgvuldig mogelijk uitgevoerd, ten einde de dichtheid te controleren, de vervormingen en de defekten op te sporen die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen. De proeven worden gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie;

Nieuwe proeven worden gedaan, na herstelling of vervanging van de defekte stukken, totdat ze een gunstig resultaat geven.

Bij elke belangrijke wijziging wordt het gewijzigde gedeelte van de installatie aan de hierboven beschreven testen onderworpen.

De inspecties waarvan sprake in deze paragraaf worden uitgevoerd door een daartoe uitgerust zelfstandig organisme. De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het proces-verbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. § 1.5.2. Vooraleer de verbruikstoestellen in gebruik genomen worden, worden ze getest door een bevoegde installateur om na te gaan of ze goed werken. § 1.5.3. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme.

Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. § 1.5.4. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.

Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », aan de normen NBN D 51-003 et D51-004, de voorschriften van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 (gewijzigd) betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders en de code van goede praktijk betreffende dit soort installatie. - een dichtheidsproef op heel de installatie, die bestaat uit : a) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; b) een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; c) een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal).Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking); - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone. § 1.6 Installaties voor verwarming en klimaatregeling. § 1.6.1.1 Een keer per jaar worden de installaties voor centrale verwarming en de centrale klimaatregelingsinstallaties nagezien door een bevoegde installateur. Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. § 1.6.1.2 Voor de centrale verwarming wordt deze inspectie uitgevoerd vóór de ingebruikneming van de installaties. § 1.6.2. De vaste of verplaatsbare afvoerleidingen voor rook of verbrandingsgas moeten steeds in goede staat zijn.

Elke gebroken of gebarsten leiding moet hersteld of vervangen worden vooraleer ze terug in werking gesteld wordt.

Na een schouwbrand wordt de koker waar het vuur ontstond over zijn hele lengte nagezien en geveegd, daarna wordt een dichtheidstest uitgevoerd. § 1.6.3. De roosters, tralies of korven worden gereinigd zo dikwijls als nodig blijkt. § 1.6.4. De installaties voor centrale verwarming met vaste of vloeibare brandstof worden gecontroleerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof. § 1.7 Installaties voor branddetectie, toestellen en middelen voor melding, waarschuwing, alarm en brandblussing. § 1.7.1 De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden in ontvangst genomen en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21100 « Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler » en bijvoegsel. § 1.7.2 Eenmaal per jaar worden de andere elektrische brandmeldingsinstallaties dan de openbare telefoonlijnen, alsook de elektrische waarschuwings- en alarmtoestellen in ontvangst genomen, gecontroleerd en nagezien door een organisme dat door het Ministerie van Economische Zaken erkend werd voor de controle van de elektrische installaties. § 1.7.3. De draagbare of verplaatsbare snelblussers worden jaarlijks nagezien. § 1.7.4. Elk jaar worden door een daartoe uitgerust organisme de muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten nagezien, alsmede hun hulpstukken en de voedingsleidingen.

Bij deze gelegenheid dient tevens gecontroleerd te worden of de afsluitkleppen van de muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten volledig geopend zijn. § 2. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE BEWONING § 2.1 Algemeen.

Buiten hetgeen voorzien is door deze reglementering, neemt de directie van de instelling alle nodige maatregelen om de bewoners van de instelling te beschermen tegen de gevolgen van brand en paniek. De permanente maatregelen die in dat opzicht door de directie genomen worden, zullen vermeld worden in het veiligheidsdossier. § 2.2 Doorgangen. § 2.2.1 Het is verboden in de doorgangen die bij evacuatie gebruikt worden, meubelen, karretjes of andere voorwerpen op te stapelen of neer te zetten. Met instemming van de territoriaal bevoegde brandweer mogen sommige vaste meubelen in de doorgangen geplaatst worden voor zover : - de nuttige breedte van de doorgangen door deze meubelen niet verminderd wordt, zelfs wanneer hun deuren open zijn; - de meubelen vastgelegd worden of niet verplaatst en/of omgegooid kunnen worden bij de evacuatie van het gebouw; § 2.2.2 In de gemeenschappelijke lokalen, die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek, zoals de refter, de kapel, enz., wordt het meubilair zodanig geplaatst dat men gemakkelijk door kan. 8.2.3. In geen geval mag de goede werking belemmerd worden van de zelfsluitende deuren of de bij brand zelfsluitende deuren of luiken. § 2.3 Keukens, kooktoestellen en vloeistofverwarmers. § 2.3.1 Kooktoestellen en vloeistofverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van elk brandbaar materiaal. § 2.3.2 Het gebruik van kooktoestellen of vloeistofverwarmers is in de kamers van de bewoners of in de wachtzalen enkel toegelaten als het om elektrische toestellen gaat die voldoende veilig zijn. § 2.4 Installaties voor elektrische drijfkracht, verlichting en signalisatie.

De soepele leidingen die de elektrische verplaatsbare toestellen voeden, mogen geen hinder zijn voor het doorgaand verkeer van personen. § 2.5 Afval en huisvuil.

Stofvodden en afval waarin zelfontbranding kan optreden of die gemakkelijk brandbaar zijn, worden bewaard in metalen vaten met deksel of opgeborgen in een plaats waar ze geen brandgevaar opleveren. § 2.6 Voorlichting van het personeel en van de bewoners op het gebied van de bescherming en de brandbestrijding. § 2.6.1 Tenminste 50 % van de personeelsleden dient een opleiding inzake veilighied te hebben gevolgd. Deze opleiding wordt gegeven door een gekwalificeerde instelling en is erkend als permanente vorming voor het personeel. Bij het veiligheidsdossier dient een geactualiseerde lijst gevoegd te worden van de personeelsleden die de opleiding hebben gevolgd. § 2.6.2 Instructies in voldoend aantal uitgehangen op plaatsen waar ze goed leesbaar zijn : a) lichten het personeel in over de bij brand te volgen gedragslijnen en namelijk voor : - het onmiddellijk melden van de brand; - het in werking stellen van waarschuwings- en alarmtoestellen of -middelen en van de brandblusapparaten; - de te treffen schikkingen om de veiligheid van de bewoners, het personeel en eventueel het publiek te verzekeren; - de te nemen maatregelen om de tussenkomst van de bevoegde brandweer te vergemakkelijken; b) lichten de bewoners voor betreffende het alarm, ten einde : - hen in staat te stellen het overeenstemmende signaal te identificeren; - hen de gedragslijnen te leren die zij moeten volgen bij alarm, alsook het te volgen evacuatietraject.

Aan elk nieuw personeelslid, met inbegrip van stagaires en vervangers, wordt een exemplaar van deze instructies overhandigd. § 2.6.3 De directie stelt een evacuatie- en interventieplan op en de plannen beantwoorden aan de minimumvereisten die bepaald zijn door het College(artikel 28).

Een exemplaar van deze plannen wordt door de directeur naar de Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verstuurd. § 2.6.4 Branddetectie.

Al de personeelsleden moeten in kennis worden gesteld van de werking en de interpretatie van de signalen van de installatie voor branddetectie. § 2.7 Allerlei. § 2.7.1 De directie van de instelling zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen. § 2.7.2 Zonder afbreuk te doen aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, is het verboden in de nabijheid van deze houders te roken, brandende voorwerpen te brengen of vuur te maken op minder dat 5 m van de vaste houders, en op minder dan 2,5 m van de verplaatsbare houders.

Dit verbod wordt aangeplakt. § 2.7.3 Elk toestel dat bestemd is om vast geïnstalleerd te worden, moet geleverd worden samen met een voor de gebruiker bestemde gebruiks- en onderhoudsaanwijzing, opgemaakt in het Frans, waarin alle nodige inlichtingen worden gegeven om het toestel veilig en doelmatig te gebruiken. De directie houdt deze aanwijzingen ter beschikking van de gebruikers. § 2.7.4 Na de werkuren van de niet-bestendige diensten wordt in de inrichting een ronde gedaan met het doel zich ervan te vergewissen dat er in de verlaten lokalen geen ongeval- of brandrisico is. § 2.7.5 Een plan van elke verdieping wordt aangeplakt bij elke toegang van deze verdieping. Een plan van de kelderverdiepingen wordt aangeplakt op het gelijkvloers en bij het uitgangspunt van de trappen die naar de kelderverdiepingen leiden. Die plannen verschaffen inlichtingen over de verdeling en de bestemming van de lokalen en inzonderheid over de ligging van de technische lokalen, de toegangswegen, de nooduitgangen, de evacuatietrajecten en de plaatsen waar apparaten voor brandbestrijding zijn aangebracht. § 2.7.6 De omgeving van de plaatsen waar handbediende toestellen voor melding, waarschuwing of alarm of apparaten voor de brandbestrijding geplaatst of aangebracht zijn, moet steeds vrij blijven en worden aangegeven door pictogrammen, zodat deze toestellen of apparaten onverwijld gebruikt kunnen worden. § 2.7.7 Pictogrammen overeenkomstig met het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids-en gezondheidssignalisatie op het werk, dienen onder meer aan te duiden : a) de uitgangen, de nooduitgangen, de aanwijzing van de evacuatietrajecten en de trappen die hiernaar leiden;b) de plaatsen waar het verboden is te roken;c) de plaats waar de apparaten voor brandbestrijding beschikbaar zijn;d) de plaats waar toestellen voor waarschuwing of alarm beschikbaar zijn; Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 4. - Regels inzake gelijkstelling van de buitendiensten (Artikel 9, 4° van het decreet en artikel 56, § 3 van het besluit) 1.Om nadere regels vast te leggen voor de gelijkstelling van de door buitendiensten verstrekte diensten met hotelpersoneelskosten en voor de raming ervan in voltijdse equivalenten, moeten de vier categorieën taken die door die diensten overgenomen kunnen worden, precies vastgesteld worden.

Het gaat om : 1. de netheid en de hygiëne van de lokalen, of taken i.v.m. het dagelijks onderhoud van de lokalen (niet van de wegen, parken en tuinen); 2. het technisch onderhoud, of het niet-gespecialiseerde onderhoud dat door niet-gespecialiseerde personen verricht kan worden (niet de taken waarvoor de instelling hoe dan ook beroep moet doen op een gespecialiseerde arbeider, bv.voor het onderhoud van de liften); 3. de taken beddegoed en wasserij die betrekking hebben op het onderhoud van hotellinnen (beddegoed, gordijnen, tafellakens en servetten, kledij van de personeelsleden,.), behalve het persoonlijke wasgoed van de ingezetenen; 4. de taken keuken en restaurant hoeven niet omschreven te worden.2. Als de rustoordbeheerder geen schriftelijk bewijs kan voorleggen van het juiste bedrag van de hotelpersoneelskosten voor dienstverleningen van buitendiensten, worden de door de buitendiensten gedragen arbeidskosten berekend op grond van het aan het rustoord gefactureerde bedrag, exclusief BTW op dat bedrag wordt een percentage toegepast al naar gelang het soort diensten om geen rekening te houden met de winstmarge, de gebruikte producten,enz.: ? Reiniging (netheid/hygiëne) : 90 %; ? Technisch onderhoud : 80 %; ? Beddegoed/Wasserij : 65 %; ? Keuken/Restaurant : 40 %. 3. Om het aantal VTE's te berekenen dat verkregen wordt door de door buitendiensten verstrekte diensten gelijk te stellen met personeelskosten moeten de door het rustoord voor 1 VTE gedragen arbeidskosten eerst bepaald worden. ? Reiniging (netheid/hygiëne) : aaaa euro (*); ? Technisch onderhoud : bbbbb euro (*); ? Beddegoed/Wasserij : ccccc euro (*); ? Keuken/Restaurant : dddd euro (*). (*) Deze bedragen zijn berekend op grond van de weging van de verschillende schalen die gelden krachtens het koninklijk besluit van 16 juli 1997 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 24 juni 1996, met toepassing van index 1,xxxx en verhoogd met de werkgeverslasten.

Als de rustoordbeheerder geen schriftelijk bewijs kan voorleggen van het juiste aantal VTE's die diensten van het punt 1 in deze bijlage bedoelde buitendiensten verstrekt hebben, wordt het aantal VTE's, berekend door de diensten van buitendiensten met personeelskosten gelijk te stellen, verkregen door de in punt 2 van deze bijlage bedoelde bedragen te delen door de hierboven vermelde bedragen.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 5. - Dagprijs- verplichte en facultatieve elementen (artikel 9, 13° van het decreet en artikel 84 van het besluit) Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 6. - Principeakkoord, modelnota betreffende het type en de beschrijving van de residentiële instelling (artikel 12, § 1, 1° van het decreet en artikel 142, § 1 van het besluit) 1. Inlichtingen betreffende de aanvrager : a) identiteit,adres, statuut, identiteit van de vertegenwoordiger(s) indien de aanvrager een rechtspersoon is;b) informatie over een eventuele overeenkoomst met de toekomstige beheerder indien deze niet de aanvrager is.2. Type van instelling bedoeld in de aanvraag van een principeakkoord en eventuele beoogde aanvullende bijzondere erkenningen;3. Voorziene naam voor de residentiële instelling;4. Opvattingen van de aanvrager inzake huisvesting voor bejaarden;5. Beoogde capaciteit van de instelling en capaciteit van de eventuele bijzondere erkenningen (eventueel de progressieve capaciteit(en) en de voorziene evolutie van de capaciteit in de tijd tot de maximale capaciteit);6. Type van beoogde residenten (afhankelijkheidsprofielen, specifieke pathologieën, andere eigenschappen) en eventuele afwijkingen inzake de beoogde leeftijd (cf.artikel 3, c) van het decreet); 7. Geografische situering van de instelling (gemeente, wijk, type woonklimaat van de straat, openbaar vervoer, nabije handelszaken en diensten, enz.) en verantwoording van de gekozen vestiging (demografische criteria, bezetting van de gemeente en de wijk door andere residentiële instellingen); 8. Architectuur van het gebouw en van het aangrenzende terrein (tuin) en inrichting van de voorziene ruimte : adequatie met het beoogde type van instelling en type van residenten alsook met de opvattingen inzake huisvesting voor bejaarden;9. Beoogde prijsmarges voor de diverse types van kamers of woningen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 7. - Principeakkoord, ontwerpmodel van het financieel plan (artikel 12, § 1, 4° van het decreet en artikel 142, § 1 van het besluit) I. Definitie Het financieel plan is een dagboek dat toelaat de uitvoerbaarheid en de rentabiliteit van een project te analyseren. Het betreft eerst en vooral een financiële synthese van alle elementen van het project en bevat : 1. de balansraming bij de start van de actviteiten en aan het einde van twee boekjaren;2. een investeringsplan;3. een raming van de winst-en verliesrekening;4. een thesaurietabel II.De balansramingen Het betreft de fotografie van het erfgoed en de financiële middelen van een onderneming op een bepaald moment. Twee gevallen kunnen voorkomen : ? de onderneming start met haar activiteiten. Tabel XX geeft de elementen weer van de beginbalans bij de aanvang van het boekjaar N; ? de onderneming is reeds actief sedert één of meerdere boekjaren. In dit geval dient enkel de kolom met betrekking tot het vorig boekjaar (N-1) worden ingevuld.

De ramingen van balans N, bij afsluiting, N+1 en N+2 houden rekening met de gekende elementen in het investeringsplan, de raming van de winst-en verliesrekeningen en de thesaurietabellen.

III. Een investeringsplan De tabel XX met betrekking tot de investeringen, de afschrijvingen en de restwaarden van de boekjaren N, N+1 en N+2 zal dienen voorzien te worden van een verklarende bijlage waarin de details en de kosten van de geplande investeringen, alsook het totaal van de reeds gerealiseerde investeringen, hernomen worden.

IV. Een winst- en verliesrekening Het model van de winst- en verliesrekening (tabel xx) dient verklaard te worden door een bijlage die de details weergeeft van de samenstelling van de opbrengsten en de lasten. In deze vrije bijlage dienen met name de volgende elementen hernomen te worden : Voor de opbrengsten : ? het aantal kamers en hun respectieve prijzen; ? het verwachte bezettingspercentage; ? een berekening van de opbrengesten van het RIZIV; ? (indien de vereenvoudigde financiële tabel niet wordt gebruikt dan volstaan de gemiddelde N-1 dagprijs en de voorziene evolutie voor de actieve entiteiten).

Voor de lasten : ? schatting van het aantal VE's estimation du nombre d'ETP de membres du personnel exprimé par grande catégorie du personnel et sa traduction en coût; ? lijst van de dagelijkse kosten (goederen, diensten en diverse goederen, afschrijvingen enz.), uitgaven voor voeding per dag en per resident.

V. een thesaurietabel De berekening van de financiën synthetiseert de financiële gevolgen van de activiteiten van de onderneming. Ze wordt beschouwd als een een bindmiddel tussen de balansraming en de raming van de winst-en verliesrekening. Bij tabel XX zal een vrije verklarende bijlage worden gevoegd die toelaat de samenstelling van de raming van de financiën te begrijpen en hierin zal met name rekening worden gehouden met : ? de betalingstermijn van de klanten, van het RIZIV, enz.; ? krediet leveranciers; ? verkregen kasfaciliteit, diverse kredieten Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Bijlage 8. - Modelnota betreffende het leefproject (artikel 14, § 1, 1° van het decreet en artikel 143, § 2 van het besluit) 1.Informatie met betrekking tot de beheerder : naam, adres, telefoonnummer, statuut, naam/namen van de vertegenwoordiger(s) in geval van een rechtspersoon. 2. Type van instelling bedoeld in de erkenningsaanvraag en eventuele aanvullende bijzondere erkenningen die gelijktijdig worden aangevraagd.3. Naam van de residentiële instelling.4. Gevraagde capaciteit van de instelling en capaciteit van de eventuele aanvullende speciale erkenningen (eventueel de progressieve capaciteit(en) en de voorziene evolutie van de capaciteit in de tijd tot de maximale capaciteit).5. Type van beoogde residenten (afhankelijkheidsprofielen, specifieke pathologieën, andere eigenschappen) en eventuele afwijkingen inzake de beoogde leeftijd(cf.Art. 3, 1° c) van het decreet); 6. Geografische situering van de instelling (gemeente, wijk, type woonklimaat van de straat, openbaar vervoer, nabije handelszaken en diensten, enz.) en verantwoording van de gekozen vestiging; 7. Opvattingen van de beheerder inzake huisvesting voor bejaarden en voorziene middelen om deze te realiseren : p de residentiële instelling als leefomgeving; p de plaats van de resident in de residentiële instelling (rechten, plichten); p de organisatie van het leven in de residentiële instelling (met inbegrip van de uurroosters); p opvattingen inzake verzorging en de organisatie ervan; p sociaal leven, deelname aan activiteiten van de residenten; p de plaats van de familie en de naasten in de residentiële instelling; p de rol van de directie en van het personeel in het leefproject van de residentiële instelling en hun relaties met de resident en zijn naasten; p de harmonieuze samenleving van de diverse types van residenten; p indien nodig, de specifieke maatregelen die worden genomen voor de residenten jonger dan 60 jaar; p de kwaliteit in de residentiële instelling; p de culturele diversiteit in de residentiële instelling en de voorziene middelen om deze te vergemakkelijken; p het beheer van de klachten van de residenten. 8. Architectuur en inrichting van het gebouw en het aangrenzende terrein (tuin) : adequatie met het beoogde type van instelling en type van residenten alsook met de opvattingen inzake huisvesting voor bejaarden;9. Voorziene prijzen voor de verschillende types kamers of woningen.10. Andere specificiteiten van de residentiële instelling.11. Eventuele wijzigingen aan het project van de residentiële instelling en verantwoording van deze wijzigingen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 9. - Modelnota's met betrekking tot de aanvullende bijzondere erkenning (Artikel 14, § 2, 1° en 2° van het decreet en artikel 143, § 4 van het besluit) 1. Informatie betreffende de beheerder a) identiteit,adres, statuut, identiteit van de vertegenwoordiger(s) indien de beheerder een rechtspersoon is;2. Erkenning en andere lopende bijzondere erkenning (en : type(s), capaciteit(en), duur.Type van instelling bedoeld in de aanvraag van een principeakkoord en eventuele beoogde aanvullende bijzondere erkenningen; 3. Type van de aangevraagde bijzondere erkenning;4. Verantwoording van de aanvraag van een aanvullende speciale erkenning;5. Type van beoogde residenten (afhankelijkheidsprofielen, specifieke pathologieën, andere eigenschappen);6. Wijzigingen aan het leefproject van de instelling : A.Voor het gedeelte van de instelling beoogd door de bijzondere erkenning : a) type van beoogde residenten;b) wijzigingen inzake personeel;c) wijzigingen inzake werking;d) wijzigingen inzake diensten en verzorging aan de residenten. B. Voor het gedeelte van de instelling die niet rechtstreeks beoogd wordt door deze bijzondere erkenning : a) beoogde gevolgen op het leefproject bestemd voor de residenten (diensten en verzorging aan de residenten, werking);b) beoogde middelen om de harmonieuze samenleving van de verschillende voorziene types van residenten te bevorderen. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

Bijlage 10. - Modelnota's met de beschrijving van het type van de diensten en het project van onthaal of dienstverlening (Artikel 29,1°en 5° van het decreet en artikel 194, § 2 van het besluit) 1. Informatie betreffende de beheerder a) identiteit,adres, statuut, identiteit van de vertegenwoordiger(s) van de beheerder;2. Type van de diensten beoogd door de aanvraag tot erkenning.3. Type van de aangevraagde bijzondere erkenning;4. Opvattingen inzake opvang of diensten voor bejaarden die de beheerder wenst te verwezenlijken.5. Eventuele capaciteit van de dienst (opvang) of geraamd aantal begunstigden per jaar (telebewaking). 6. Type van beoogde begunstigden (profielen van eventuele afhankelijkheid, specifieke pathologie(ën), gezinssituatie, enz.). 7. Geografische situering (gemeente, wijk, type woonklimaat van de straat, openbaar vervoer, nabije handelszaken en diensten enz) en verantwoording van de gekozen vestiging.8. Naleving van de programmatiecriteria.9. Architectuur van het gebouw en het aangrenzend terrein (tuin) en inrichting van de ruimte voorzien voor de opvangdiensten : adequatie met het beoogde type van instelling en type van residenten alsook met de opvattingen inzake huisvesting voor bejaarden;10. Beschikbaar personeel (statuten, financieringsbronnen) en eventueel personeel waarvoor een subsidie werd gevraagd en kwalificaties van het personeel.11. Werking van de dienst : toegangsuren, geleverde diensten, organisatie van de actviteiten en maaltijden (opvang) enz.12. Samenwerkingen met andere actoren van het socio-sanitaire netwerk (rollen van de partners, samenwerkingsmodaliteiten).13. Voorziene prijzen voor de opvang of de diensten (telebewaking). Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie houdende toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 22 maart 2007 betreffende het te voeren beleid inzake de huisvesting en het onthaal van bejaarden.

Het Lid van het College belast met de Sociale Actie en het Gezin, E. KIR De Voorzitter van het College, B. CEREXHE

^