Besluit Van De Regering Van De Franse Gemeenschap van 24 november 2011
gepubliceerd op 03 januari 2012
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten voor hulp

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2011029619
pub.
03/01/2012
prom.
24/11/2011
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

24 NOVEMBER 2011. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten voor hulpverlening in open milieu


De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, inzonderheid op artikel 44, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2001, en artikel 47, gewijzigd bij de decreten van 29 maart 2001 en 1 juli 2005;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten voor hulpverlening in open milieu;

Gelet op het advies van de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd, gegeven op 15 maart 2011;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 7 juni 2011;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 23 juni 2011;

Gelet op het advies Nr. 49.963/2/V van de Raad van State, gegeven op 29 augustus 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Gelet op het advies Nr. 50.376/4 van de Raad van State, gegeven op 10 oktober 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten bedoeld bij artikel 43 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, zoals gewijzigd;

Op de voordracht van de Minister van Jeugd;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Paragraaf 3 van artikel 2 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1999 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van en de toekenning van toelagen aan de diensten voor hulpverlening in open milieu, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Regering van de Franse Gemeenschap van 24 maart 2003, 17 juni 2004, 2 oktober 2008 en 15 januari 2009, wordt gewijzigd als volgt : « § 3. In aanvulling van zijn hoofdopdracht bedoeld in § 1 en zonder eraan afbreuk te doen, kan de dienst een buitengewone specifieke actie ontwikkelen, mits voorafgaande mededeling aan het bestuur. De verlenging van deze specifieke actie verder dan een experimentele fase van één jaar vereist de instemming van de Minister tot wiens bevoegdheid de Hulpverlening aan de Jeugd behoort. »

Art. 2.In artikel 3, § 4, van het besluit van 15 maart 1999 wordt de zin « De dienst zorgt er nochtans voor, voor zover mogelijk, dat maatregelen genomen worden zodat de jongere zich niet in het gevaar brengt » vervangen door de zin « De dienst zorgt nochtans, voor zover mogelijk, voor de verbinding met elke aangepaste dienst, zoals bedoeld bij artikel 36, § 2, 1°, van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, inzonderheid zodat de jongere zich niet in het gevaar brengt ».

Art. 3.Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : « Na de aanvraag om individuele hulpverlening te hebben onderzocht en behandeld, stuurt de dienst de jongere prioritair en, in voorkomend geval, zijn familie, zijn leefgenoten of de beslissingsinstantie of -instelling bedoeld bij artikel 5, § 1, 3°, naar elke aangepaste dienst zoals bepaald bij artikel 36, § 2, 1°, van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd. Hij brengt hem, in voorkomend geval, de nodige steun zodat hij zijn rechten kan uitoefenen en elk interpellatiemiddel kan gebruiken. »

Art. 4.Artikel 5 van het besluit wordt gewijzigd als volgt : « De individuele hulpverlening kan : 1° gevraagd worden door de jongere, zijn familie, zijn leefgenoten of een naaste persoon van de jongere;2° aangeboden worden door de dienst aan de jongere, zijn familie of zijn leefgenoten;3° het gevolg zijn van een oriëntatie door de adviseur van de hulpverlening aan de jeugd, de directeur van de hulpverlening aan de jeugd, de jeugdrechter, hierna « de beslissingsinstanties" genoemd, door de procureur des Konings of door elke andere instantie die in contact komt met de jongere.» In overleg met de jongere, in elk geval, bepaalt de dienst of hulpverlening noodzakelijk is.

Met inachtneming van de plichtenleer en, in het bijzonder, het beroepsgeheim, omvat de individuele hulp verleend aan de jongere het werk in netwerk. »

Art. 5.Artikel 6 wordt opgeheven.

Art. 6.In artikel 6/1 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « artikel 6/1 » worden vervangen door de woorden « artikel 6 »;2° artikel 6 wordt opgesteld als volgt : « Voorafgaandelijk aan elke individuele hulpverlening, brengt de dienst de begunstigde op de hoogte van het kader van het specifieke optreden, zoals bedoeld in de artikelen 3 tot 5. Indien een beslissingsinstantie het vraagt en mits voorafgaande instemming van de jeugd, bericht de beslissingsinstantie, per eenvoudige kennisgeving, of een actie ondernomen, voortgezet of beëindigd wordt. »

Art. 7.Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt : « § 1. De gemeenschappelijke actie steunt noodzakelijkerwijze op een sociale diagnose van de actiezone van de dienst.

Deze diagnose wordt ten minste om de drie jaren bijgewerkt. Ze baseert zich op : 1° de analyse van de aanvragen om individuele en collectieve hulpverlening;2° de analyse van het leefmilieu van de jongeren;3° een gezamenlijke bedenking met de Arrondissementsraad voor hulpverlening aan de jeugd inzake algemene preventie;4° de adviezen uitgebracht door de Gemeenschapsraad voor hulpverlening aan de jeugd inzake jeugdbeleid. De sociale diagnose wordt voorgelegd overeenkomstig een rooster bepaald door de Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort. § 2. De gemeenschappelijke actie steunt ook op het overlegwerk, inzonderheid met de diensten betrokken bij de jeugd en, in het bijzonder, de sector van het onderwijs die aanleiding kan geven tot een partnerschap of een samenwerking met inachtneming van de respectieve rollen van de verschillende acteurs en van de plichtenleer. »

Art. 8.Artikel 9 wordt gewijzigd als volgt : « § 1. Op basis van de elementen bedoeld in artikel 8 en naargelang de behoeften : 1° ontwikkelt de dienst collectieve acties met de jongeren in interactie met hun leefmilieu;2° ontwikkelt de dienst collectieve acties van informatie voor de jongeren en hun familie met het oog op de ondersteuning van ouderschap;3° geeft de dienst de uitdrukking van de jongeren door, alsook hun behoeften en hun moeilijkheden bij de sociale, administratieve en politieke instanties en interpelleert ze indien nodig. § 2. De collectieve acties met de jongeren hebben een tijdelijk karakter voor hen. Ze moeten, indien nodig, hen helpen om zich bij de bestaande structuren aan te sluiten.

De collectieve acties moeten tot doel hebben de jongeren die eraan deelnemen hulp te verlenen, waarbij inzonderheid niet alleen een band kan worden gelegd met en tussen de jongeren en hun omgeving maar ook vragen tot uiting kunnen komen en behoeften kunnen worden vastgesteld.

Ze moeten ook een aanvullend karakter hebben ten opzichte van de bestaande activiteiten die toegankelijk zijn voor de betrokken jongeren. § 3. Met inachtneming van paragraaf 2, kan de dienst, in voorkomend geval, deelnemen aan de oprichting van nieuwe structuren op een tijdelijke wijze en mits mededeling aan het bestuur. »

Art. 9.Artikel 15 wordt gewijzigd als volgt : « § 1. De dienst moet toegankelijk zijn inzonderheid buiten de schooluren.

Om de jongeren in hun leefmilieu te ontmoeten kan de dienst elke plaats en elke nadere regel voor het optreden gebruiken binnen de perken van de geografische zone en de nadere regels bepaald in het pedagogische project. § 2. De dienst moet een dossier bijhouden over de nadere regels en de doelstellingen van de verleende individuele hulp. Indien deze hulpverlening, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, wordt begonnen, wordt er een dossier per jongere aangelegd waarvan de anonimiteit wordt gewaarborgd.

De enige gegevens betreffende de jongeren en hun toestand die ter beschikking van de administratie kunnen worden gesteld, dienen strikt anoniem medegedeeld te worden. § 4. Elke actie bedoeld in artikel 9 moet het voorwerp uitmaken van een dossier dat bepaalt dat ze in overeenstemming is met de artikelen 7 en 8. Deze acties worden opgenomen in het jaarverslag. »

Art. 10.Paragraaf 5 van artikel 16 wordt opgeheven.

Art. 11.In artikel 17 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « bedoeld bij artikel 14, 4° » worden vervangen door de woorden « bedoeld bij artikel 14, § 1 »;2° bij punt c) Dienst van categorie 3, worden de woorden « 1 licentiaat » vervangen door de woorden « 1 houder van een licentiaat of een master ».

Art. 12.In artikel 18, § 1, worden de woorden « bedoeld bij artikel 14, 4° » vervangen door de woorden « bedoeld bij artikel 14, § 1 ».

Art. 13.In artikel 19 worden de woorden « bedoeld bij artikel 14, 4° » vervangen door de woorden « bedoeld bij artikel 14, § 1 ».

Art. 14.Artikel 20 wordt opgeheven.

Art. 15.In artikel 27 wordt de laatste zin « een van de maatschappelijke werkers kan door een licentiaat vervangen worden » vervangen door de zin « een van de maatschappelijke werkers kan door een licentiaat of een houder van een master vervangen worden ».

Art. 16.Na artikel 29 van het besluit van 15 maart 1999 wordt een hoofdstuk VIIIbis, luidend als volgt, ingevoegd : « HOOFDSTUK VIIIbis. - Bijzondere bepalingen betreffende de gespecialiseerde diensten voor hoofdzakelijke rechtsbijstand »

Art. 17.In hetzelfde besluit wordt een artikel 29bis, luidend als volgt, ingevoegd : «

Artikel 29bis.De diensten voor hulpverlening in open milieu die het recht gebruiken als hoofdinstrument voor hulpverlening aan jongeren, hun familie of leefgenoten, in verband met hun omgeving en de maatschappij, moeten aan de criteria van dit besluit voldoen. Deze nadere regel van hulpverlening wordt nader bepaald in het erkenningsbesluit van de dienst. »

Art. 18.Er wordt een artikel 29ter ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 29ter.Mits inachtneming van de opdrachten en de beginsels van dit besluit heeft de dienst specifieke opdrachten : 1° In zijn individuele actie deelt de dienst aan de jongeren, hun familie en hun leefgenoten, in een aangepaste taal, een volledige en geschikte rechtsinformatie, waarbij hun de mogelijkheid wordt geboden beter verstand te verkrijgen van hun wettelijke en maatschappelijke omgeving en aldus keuzes te maken en acties te ondernemen met kennis van zaken.Hij staat de jongeren, hun familie en leefgenoten die het vragen bij in hun rechtelijke en maatschappelijke ondernemingen met hun volle implicatie in het hulpverleningsproces. Hij geeft ze de gelegenheid hun rechten te laten gelden, met inbegrip, desgevallend, van de gerechtelijke weg. 2° In het kader van de gemeenschapsactie heeft de dienst tot doel het verbeteren van het juridische en maatschappelijke statuut van de jongeren, inzonderheid door hun inspraak te vergemakkelijken of door te geven bij de politieke en maatschappelijke instanties of via de interpellatie van dezelfde instanties over de inachtneming van de basisrechten van kinderen, jongeren en gezinnen.3° Gedurende de oplossing van individuele toestanden of via de inrichting van opleidingen, studiedagen of verder via de verspreiding van publicaties, zorgt de dienst voor het mededelen van zijn specifieke kennis met andere instellingen die al dan niet onder de sector voor hulpverlening aan de jeugd ressorteren.»

Art. 19.Er wordt een artikel 29quater ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 29quater.De provisionele jaarlijkse toelage om personeelskosten wordt aan de dienst gespecialiseerd in hoofdzakelijk juridische hulpverlening toegekend op basis van de volgende normen inzake personeelssterkte : 1° Dienst van categorie 1 : totaal 3 voltijdse betrekkingen, namelijk : 1 directeur; 2 maatschappelijke werkers, ofwel een opvoeder klasse 1, ofwel een maatschappelijk assistent, ofwel een assistent in de psychologie.

Een ambt van maatschappelijk werker kan door een ambt van licentiaat of master in de rechten vervangen worden. 2° Dienst van categorie 2 : totaal 4 voltijdse betrekkingen, namelijk : 1 directeur; 3 maatschappelijke werkers, ofwel een opvoeder klasse 1, ofwel een maatschappelijk assistent, ofwel een assistent in de psychologie.

Een ambt van maatschappelijk werker kan door een ambt van licentiaat of master in de rechten vervangen worden. 3° Dienst van categorie 3 : totaal 5 voltijdse betrekkingen, namelijk : 1 directeur; 3 maatschappelijke werkers, ofwel een opvoeder klasse 1, ofwel een maatschappelijk assistent, ofwel een assistent in de psychologie; 1 houder van een licentiaat of master in de rechten. »

Art. 20.In hetzelfde besluit wordt een artikel 29quinquies, luidend als volgt, ingevoegd : «

Artikel 29quinquies.Naast de forfaitaire toelage om werkingskosten bedoeld bij de artikelen 35 en 36 van het besluit bedoeld bij artikel 14, § 1, geniet de dienst een forfaitaire jaarlijkse toelage voor een indexeerbaar bedrag van 8.076,00 euro voor de uitvoering van specifieke opdrachten omschreven bij artikel 29ter.

Deze toelage dekt de volgende uitgaven : 1° de documentatiekosten en de kosten voor de juridische opleiding;2° de uitgaven in verband met de vergoeding van advocaten inzake erelonen alsook de kosten met betrekking tot de procedures, met als doel de verdediging van de rechten van de jongeren. De provisionele jaarlijkse maximumtoelage wordt vereffend naar rata van één twaalfde per maand.

Het niet-gebruikte of niet-verantwoorde deel wordt beschouwd als een onverschuldigd bedrag dat teruggevorderd zal worden. »

Art. 21.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2012.

Art. 22.De Minister tot wiens bevoegdheid de hulpverlening aan de jeugd behoort, wordt belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 24 november 2011.

De Minister van Jeugd, Mevr. E. HUYTEBROECK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^