Besluit Van De Vlaamse Regering van 05 december 2003
gepubliceerd op 04 maart 2004
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse regering houdende de voorwaarden van subsidiëring van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, als bedoeld bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 betreffende de erkenn

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2004035329
pub.
04/03/2004
prom.
05/12/2003
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

5 DECEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering houdende de voorwaarden van subsidiëring van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, als bedoeld bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen


De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen, inzonderheid op de artikelen 6, § 3, 9, § 2, 13, 57 tot 61;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, bedoeld bij het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen, inzonderheid op de artikelen 16, § 3, 22, 24, 27 en 28;

Gelet op het advies van de raad van bestuur van het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen, gegeven op 6 juni 2003;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 september 2003;

Gelet op het advies 35.977/1 van de Raad van State, gegeven op 23 oktober 2003, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid en E-government;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen;2° besluit op de erkenning en subsidiëring : het besluit van 14 december 2001 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, bedoeld bij het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen;3° besluit op de leertijd : het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 1996 betreffende de leertijd, bedoeld bij het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen;4° besluit op de ondernemersopleiding : het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1999 betreffende de ondernemersopleiding, bedoeld bij het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen;5° besluit op de voortgezette vorming : het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 2003 betreffende de voortgezette vorming, bedoeld bij het decreet van 23 januari 1991 betreffende de vorming en de begeleiding van de zelfstandigen en de kleine en middelgrote ondernemingen;6° besluit op de lesgevers : het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1991 tot bepaling van de werkvoorwaarden en de geldelijke regeling van de lesgevers in de leertijd, in de ondernemersopleiding, in de bijscholing, in de omscholing en in de opleiding tot bedrijfsbegeleider;7° instituut : het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen, opgericht bij artikel 20 van het decreet;8° centrum : een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, als bedoeld in artikel 57 tot 61 van het decreet.

Art. 2.§ 1. De sectoren van opleidingen in een K.M.O;-beroep, bedoeld in artikel 16, § 3, 1°, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, zijn de volgende : 1° voeding;2° horeca;3° media, beeldvorming en grafische industrie;4° kunst, ambacht, restauratie en precisiemechanica;5° informatica;6° groensector;7° diensten aan personen;8° distributie en bedrijfsbeheer;9° diensten aan bedrijven;10° metaal;11° mobiliteit;12° elektriciteit en elektronica;13° bouw;14° textiel en kleding;15° dieren. § 2. De sectoren, vastgelegd onder § 1, omvatten de opleidingen in een K.M.O.-beroep die zijn erkend overeenkomstig artikel 3 van het besluit op de leertijd, artikel 3 van het besluit op de ondernemersopleiding en artikel 16 van het besluit op de voortgezette vorming.

Bij de erkenning wordt bepaald tot welke sector de opleidingen in een K.M.O;-beroep behoren.

Art. 3.§ 1. Om te beantwoorden aan de vereisten van de integrale kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 16, § 3, 2°, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, moet een centrum : 1° een kwaliteitscoördinator hebben die verantwoordelijk is voor het algemene kwaliteitsbeleid van het centrum en beantwoordt aan het profiel dat opgesteld is door het instituut;2° driejaarlijks voor 15 november via een zelfevaluatie als bedoeld in artikel 26, § 3, tweede lid, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, de kwaliteit van het centrum meten.De zelfevaluatie gebeurt op basis van het door het instituut vastgelegde PROZA-systeem; 3° driejaarlijks voor 15 november aan het instituut een actieplan ter goedkeuring bezorgen, dat moet leiden tot een substantiële verbetering van de kwaliteit van het centrum;4° medewerking verlenen aan de voorbereiding en de organisatie van de visitatie, bedoeld in artikel 26, § 3, tweede lid, van het besluit op de erkenning en subsidiëring;5° de vereiste gegevens en inlichtingen verstrekken aan het externe adviesbureau, dat na een beroep op de mededinging door het instituut is aangewezen voor de evaluatie van de criteria, bedoeld in artikel 26, § 2, eerste lid, 1° tot 4°, van het besluit op de erkenning en subsidiëring. § 2. Na overleg met de centra kan het instituut de vereisten, opgesomd onder § 1, nader preciseren of concretiseren, en de modaliteiten ervan vastleggen.

Art. 4.§ 1. Om te beantwoorden aan de vereisten van de elektronische informatie-uitwisseling, bedoeld in artikel 16, § 3, 3°, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, moet een centrum : 1° een gespecialiseerde medewerker hebben die belast is met de organisatie van de elektronische informatie-uitwisseling;2° elektronisch de informatie aanleveren die door het instituut wordt opgevraagd, voor zover die informatie aansluit bij de bepalingen van het decreet en de uitvoeringsbesluiten;3° de kwaliteit garanderen van de informatie, die elektronisch aangeleverd wordt. De kwaliteit van de informatie betreft de volledigheid, de juistheid, de tijdigheid, de integriteit tijdens de verzending en de door het instituut opgelegde vormvereisten. § 2. Na overleg met de centra kan het instituut de vereisten, opgesomd onder § 1, nader preciseren of concretiseren.

Art. 5.§ 1. Het organisatieplan, bedoeld in artikel 16, § 3, 4°, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, moet de volgende beleidsdoelen met betrekking tot het volgende cursusjaar omvatten : 1° een toetsing van de geplande opleidingen aan de missie, de visie en de strategische doelstellingen van het instituut;2° een overzicht van het opleidingsaanbod, gepland in de leertijd en de gecertificeerde opleidingen;3° een overzicht van de geplande bijscholing van de lesgevers;4° een overzicht van de geplande activiteiten inzake pedagogische organisatie en coördinatie, bedoeld in artikel 6, § 6, van het besluit op de lesgevers;5° een overzicht van het opleidingsaanbod, gepland in de niet-gecertificeerde opleidingen;6° een overzicht van de geplande Europese of andere subsidieerbare projecten, met opgave van de betrokken partners en de vastgestelde co- financiering;7° een overzicht van de geplande initiatieven op het vlak van de pedagogische begeleiding en de voortgangscontrole van de leerlingen en cursisten;8° een overzicht van de initiatieven voor nieuwe of specifieke doelgroepen;9° een overzicht van de geplande investeringen op het vlak van de uitrusting, opgesplitst in nieuwe en bestaande opleidingen. § 2. Overeenkomstig een model, vastgelegd door het instituut, dient het centrum jaarlijks, uiterlijk op 15 mei, een organisatieplan voor het komende cursusjaar in bij het instituut. Met het oog op het tweede semester van hetzelfde cursusjaar kan een aanvullend organisatieplan ingediend worden op uiterlijk 15 december. § 3. Binnen 30 dagen na de ontvangst van het organisatieplan of het aanvullende organisatieplan geeft de administrateur-generaal een gemotiveerd advies aan de raad van bestuur.

De raad van bestuur houdt geen rekening met een laattijdig advies. § 4. Uiterlijk binnen 45 dagen na de ontvangst van het organisatieplan geeft de raad van bestuur zijn goedkeuring of verwerpt hij het organisatieplan, respectievelijk het aanvullende organisatieplan.

Wanneer het organisatieplan of het aanvullende organisatieplan niet wordt verworpen binnen de daartoe gestelde termijn, wordt het organisatieplan, respectievelijk het aanvullende organisatieplan, geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. § 5. Bij een laattijdige indiening of een verwerping van het organisatieplan schort de raad van bestuur de uitbetaling op van de eerstvolgende schijven van de subsidie leertijd en van de subsidie gecertificeerde en niet-gecertificeerde opleidingen.

De opschorting wordt opgeheven op het ogenblik dat een organisatieplan of een aangepast organisatieplan wordt goedgekeurd. § 6. Voor de opleidingen, bedoeld in § 1, die niet in het organisatieplan of het aanvullende organisatieplan zijn opgenomen, kunnen alleen cursussen worden erkend door het instituut als het centrum het ontbreken ervan gegrond motiveert.

Uiterlijk 1 maand na indiening van de aanvraag tot erkenning van de cursus beslist het instituut over de gegrondheid van de motivering : 1° bij een aanvaarding wordt de erkenningsprocedure van de cursus voortgezet;2° bij een verwerping kan het centrum het dossier aanhangig maken bij de raad van bestuur van het instituut. De raad van bestuur beslist uiterlijk 45 dagen na de aanhangigmaking.

Wanneer de motivering niet door de raad van bestuur wordt verworpen binnen de daartoe gestelde termijn, wordt de motivering geacht stilzwijgend te zijn aanvaard.

Art. 6.§ 1. Krachtens artikel 22 van het besluit op de erkenning en subsidiëring geeft het centrum elk jaar voor 15 juli het aantal cursisten door, bedoeld in artikel 19, 2° en 20, 2°, b), van het besluit op de erkenning en subsidiëring. Dat zijn : 1° de cursisten die hebben deelgenomen aan de examens van de tweede zittijd van het jaar t-2 en die niet hebben deelgenomen aan alle examens van de A- en/of B- en/of C-proeven van de eerste zittijd van het jaar t-2;2° de cursisten die hebben deelgenomen aan alle examens van de A- en/of B- en/of C-proeven van de eerste zittijd van het jaar t-1. § 2. Krachtens artikel 22 van het besluit op de erkenning en subsidiëring geeft het centrum elk jaar voor 15 juli het aantal cursisten door, bedoeld in artikel 21, 2°, van het besluit op de erkenning en subsidiëring. Dat zijn de cursisten die inschrijvingsgeld hebben betaald, zoals overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgelegd door het instituut moet blijken uit de boekhouding van het centrum. § 3. Het centrum geeft de cursisten, bedoeld onder § 1 en § 2, door aan het instituut op een formulier dat daartoe is vastgelegd door het instituut. § 4. Na overleg met de centra kan het instituut de bepalingen van § 1 en § 2 nader preciseren of concretiseren.

Art. 7.§ 1. Krachtens artikel 24, §3 van het besluit op de erkenning en subsidiëring volgt het centrum in overleg met het instituut als een goed huisvader het verloop van het investeringsdossier van elke investering. In het bijzonder moet het centrum : 1° elk toekomstig investeringsdossier, waarvan de kostprijs meer bedraagt dan 7500 euro, BTW niet inbegrepen, voorafgaandelijk meedelen aan het instituut overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid;2° elk definitief afgewerkt investeringsdossier, als bedoeld onder 1°, en bijbehorend financieringsdossier voorafgaandelijk voor advies bezorgen aan het instituut overeenkomstig het bepaalde in het derde lid. Als de toekomstige investering meer dan 7500 euro bedraagt en minder dan 25.000 euro, BTW niet inbegrepen, bezorgt het instituut zijn advies aan het centrum binnen de 14 werkdagen na ontvangst van de mededeling.

Als de toekomstige investering 25.000 euro of meer, BTW niet inbegrepen, bedraagt, overlegt het instituut met het centrum. Als er geen overeenstemming bestaat tussen het instituut en het centrum, wordt het verslag van het overleg voorgelegd aan de raad van bestuur.

De raad van bestuur geeft een advies binnen 30 werkdagen na ontvangst van de mededeling.

Indien de raad van bestuur geen advies uitbrengt binnen de daartoe gestelde termijn wordt het investeringsdossier geacht stilzwijgend te zijn aanvaard.

Het instituut bezorgt zijn advies aan het centrum binnen een maand na ontvangst van het investeringsdossier. a) als het advies geheel of gedeeltelijk ongunstig is, kan het centrum het investeringsdossier aanhangig maken bij de raad van bestuur.De raad van bestuur bezorgt zijn advies aan het centrum binnen een maand na de aanhangigmaking ervan.

Indien de raad van bestuur geen advies uitbrengt binnen de daartoe gestelde termijn wordt het investeringsdossier geacht stilzwijgend te zijn aanvaard. b) als van een ongunstig advies kan het centrum de kosten ervan bij eventuele uitvoering van de investering in kwestie, niet aanrekenen op de investeringssubsidie, bedoeld in artikel 24, § 1, van het besluit op de erkenning en subsidiëring. § 2. Na overleg met de centra kan het instituut de bepalingen van § 1 nader preciseren of concretiseren.

Art. 8.Uiterlijk op 30 juni van het jaar van de inwerkingtreding van dit besluit bezorgt elk centrum een inventaris van zijn gebouwen aan het instituut, overeenkomstig de voorwaarden die door het instituut zijn vastgelegd.

Art. 9.§ 1. Krachtens artikel 24, § 4, van het besluit op de erkenning en subsidiëring dient elk centrum jaarlijks de volgende verslagen in bij het instituut : 1° uiterlijk op 15 mei een verslag met een overzicht van de gerealiseerde aanwending van de investeringssubsidie tijdens het voorgaande kalenderjaar en een stand van zaken van de lopende investeringen;2° uiterlijk op 15 december een verslag met een overzicht van de geplande aanwending van de investeringssubsidie tijdens het volgende kalenderjaar. Het instituut bepaalt de voorwaarden van de verslaggeving. § 2. De investeringssubsidie, bedoeld in artikel 24, § 1, van het besluit op de erkenning en subsidiëring kan voor volgende investeringen en afgeleiden aangewend worden : 1° onder voorbehoud van een gunstig advies, bedoeld in artikel 7, § 1, 2°, de investeringen, bedoeld in artikel 61, eerste lid, 5°, van het decreet, die bestemd zijn voor activiteiten van vorming en opleiding van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen;2° de belasting op de toegevoegde waarde en het ereloon en de kosten van de architecten, notarissen, raadgevende ingenieurs en experts van de studiebureaus, die verband houden met de investeringen, bedoeld onder 1°;3° de verplichtingen die voortvloeien uit de bepalingen van artikel 36 van het besluit op de erkenning en subsidiëring;4° de vrijwillige bijdrage, bedoeld in artikel 6, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 december 2002 houdende de subsidiëring van een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, als bedoeld in het besluit op de erkenning en subsidiëring;5° risicovrije beleggingen met het oog op toekomstige investeringen. § 3. Bij ontstentenis van een verslag, als bedoeld onder § 1, 1° en 2°, schort de raad van bestuur de uitbetaling van de eerstvolgende schijven van de investeringssubsidie op. De opschorting wordt opgeheven bij de indiening ervan. § 4. Na overleg met de centra kan het instituut de bepalingen van § 3 nader preciseren of concretiseren.

Art. 10.In artikel 24, § 3, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, worden de woorden « het financieel dossier » vervangen door de woorden « het investeringsdossier ».

Art. 11.In artikel 27, tweede lid, van het besluit op de erkenning en subsidiëring, wordt de datum van « 31 maart » vervangen door de datum van « 30 november ».

Art. 12.De Vlaamse minister, bevoegd voor de middenstandsopleiding, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 5 december 2003.

De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid en E-government, P. CEYSENS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^