Besluit Van De Vlaamse Regering van 06 september 2019
gepubliceerd op 14 oktober 2019
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de nadere regels over de projectmethodologie en de projectstuurgroep in het kader van de basisbereikbaarheid

bron
vlaamse overheid
numac
2019014881
pub.
14/10/2019
prom.
06/09/2019
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2019014881

VLAAMSE OVERHEID


6 SEPTEMBER 2019. - Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van de nadere regels over de projectmethodologie en de projectstuurgroep in het kader van de basisbereikbaarheid


DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/04/2019 pub. 12/06/2019 numac 2019012697 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de basisbereikbaarheid sluiten betreffende de basisbereikbaarheid, artikel 25 tot en met 29 en artikel 68;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 25/01/2013 pub. 19/02/2013 numac 2013200881 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bemestingsadvisering voor groenteteelten en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 200 sluiten tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 mei 2019;

Gelet op het advies van de Mobiliteitsraad Vlaanderen, gegeven op 6 juni 2019;

Gelet op advies nr. 66.479/1/V van de Raad van State, gegeven op 12 augustus 2019, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Buitenlands Beleid, Onroerend Erfgoed en Dierenwelzijn;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° besluit van 25 januari 2013: het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 25/01/2013 pub. 19/02/2013 numac 2013200881 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bemestingsadvisering voor groenteteelten en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 200 sluiten tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid;2° decreet Basisbereikbaarheid: het decreet van 26 april 2019Relevante gevonden documenten type decreet prom. 26/04/2019 pub. 12/06/2019 numac 2019012697 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de basisbereikbaarheid sluiten betreffende de basisbereikbaarheid;3° initiatiefnemer: elke rechtspersoon in opdracht waarvan projecten worden uitgevoerd of een lokaal mobiliteitsplan als vermeld in artikel 12, § 2, van het decreet Basisbereikbaarheid, of een ander mobiliteitsgerelateerd lokaal beleidsplan, wordt opgemaakt;4° project: een maatregel die of een geheel van maatregelen dat betrekking heeft op: a) de verbetering van bestaande mobiliteitsinfrastructuur of de aanleg van nieuwe mobiliteitsinfrastructuur;b) de uitbouw van een kwaliteitsvol openbaar personenvervoer;c) andere maatregelen dan de maatregelen, vermeld in punt a) en b), die bijdragen tot de uitvoering van het mobiliteitsbeleid en basisbereikbaarheid;5° projectstuurgroep, afgekort PSG: een projectstuurgroep als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet Basisbereikbaarheid. HOOFDSTUK 2. - De opmaak en evaluatie van projecten Afdeling 1. - Projectmethodologie

Art. 2.§ 1. De projecten, vermeld in artikel 4 tot en met 6, worden door de initiatiefnemer op een gecoördineerde en geïntegreerde wijze ontworpen, uitgewerkt, geanalyseerd en geëvalueerd. Dat gebeurt op een gefaseerde wijze, waarbij de volgende fasen worden onderscheiden: 1° een onderzoeksfase waarin de feitelijke, financiële en juridische context en de eventuele oplossingsvarianten voor een mobiliteitsprobleem worden geanalyseerd en waarbij de voorkeursoplossing wordt aangewezen.De PSG, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 1, sluit die fase af met een startkeuze; 2° een ontwerpfase waarin het voorontwerp wordt uitgewerkt op basis van de gekozen oplossing.De PSG sluit die fase af met een projectkeuze; 3° een evaluatiefase waarin aangegeven wordt hoe het project of de cluster van samenhangende projecten bijdraagt tot de oplossing van het mobiliteitsprobleem, vermeld in 1°. § 2. De initiatiefnemer rapporteert aan de PSG met de volgende documenten over de processtappen die conform paragraaf 1, worden doorlopen: 1° een startnota als vermeld in het tweede lid;2° een projectnota als vermeld in het derde lid;3° een evaluatienota als vermeld in het vierde lid. De startnota omvat: 1° de situering, probleemstelling en doelstelling;2° de planningscontext en randvoorwaarden;3° een ruimtelijke en verkeerskundige analyse;4° een beschrijving van de redelijke oplossingsrichtingen;5° een afweging van de voorkeursoplossing op basis van de oplossingsrichtingen in het licht van de vooropgestelde doelstelling, de analyse, de overige randvoorwaarden en aandachtspunten, inclusief een kostenraming;6° in voorkomend geval een overzicht van de procedures die voor de uitvoering van de voorkeursoplossing worden doorlopen. De projectnota omvat: 1° een samenvattende beschrijving van de uitgangspunten van de voorkeursoplossing waarbij de eventuele wijzigingen worden aangewezen;2° de inhoudelijke uitwerking van het project met, als dat relevant is, de volgende onderdelen: a) de technische uitwerking;b) de specifieke ontwerpdetails;c) de flankerende maatregelen;3° de concrete afspraken over de evaluatie van het project;4° de kostenraming van het project, en, in de gevallen vermeld in artikel 4, § 1, 8°, van dit besluit, een cofinancieringsplan als vermeld in artikel 45, § 3, van het besluit van 25 januari 2013;5° in voorkomend geval de procedures die voor de uitvoering van het project worden doorlopen. De evaluatienota omvat: 1° een analyse van het proces;2° een analyse van het project en de effecten ervan in het licht van de probleemstelling en doelstelling;3° een conclusie, met: a) een omschrijving van de maatregelen die in voorkomend geval zijn vereist om het project in kwestie te optimaliseren, inclusief de financiële impact van die maatregelen;b) een omschrijving van de belangrijkste succesfactoren en leerpunten over vergelijkbare projecten. In afwijking van het eerste lid kan de initiatiefnemer beslissen om de processtappen, vermeld in paragraaf 1, te integreren 1° ofwel als de PSG van oordeel is dat voor de uitvoering van het project geen redelijke alternatieven aanwezig zijn;2° ofwel als in het kader van andere rapportages of beoordelingen reeds een systematische analyse van de redelijke oplossingsrichtingen werd opgemaakt. In deze gevallen wordt gerapporteerd met een unieke verantwoordingsnota als vermeld in het zesde lid.

De unieke verantwoordingsnota bevat de elementen, vermeld in het tweede lid, 1°, 2°, 3°, 5°, en het derde lid, 2°, 3°, 4° en 5°.

Voor projecten voor het openbaar personenvervoer als vermeld in artikel 5, omvat de unieke verantwoordingsnota: 1° de situering en doelstelling van het project;2° de planningscontext;3° een analyse met de beschrijving van het actuele aanbod;4° de kernpunten en de beschrijving van het project;5° een motivatie van het project in het licht van de vooropgestelde doelstelling en de analyse;6° de verwachte impact van het project;7° de doorstroming van het geregeld vervoer en halte-infrastructuur;8° een omschrijving van de communicatie en promotie;9° het flankerend beleid;10° een kostenraming.

Art. 3.De initiatiefnemer kan beslissen om de evaluatie, vermeld in artikel 2, § 1, 3°, uit te voeren voor een cluster van samenhangende projecten.

De initiatiefnemer beslist daarvoor op basis van een of meer van de volgende criteria: 1° de ruimtelijke samenhang van de projecten in kwestie;2° de vergelijkbaarheid van de projecten in kwestie. Afdeling 2. - Toepassingsgebied

Art. 4.§ 1. De infrastructuurgebonden projecten betreffen: 1° de aanleg van nieuwe gewestwegen of de herinrichting van bestaande gewestwegen, met inbegrip van de bijbehorende kruispunten;2° de aanleg van nieuwe fietsinfrastructuur of de herinrichting van bestaande fietsinfrastructuur langs gewestwegen;3° de aanleg van nieuwe fietsinfrastructuur of de herinrichting van bestaande fietsinfrastructuur langs wegen die een alternatief is voor fietsinfrastructuur langs gewestwegen;4° de aanleg van nieuwe fietsinfrastructuur of de herinrichting van bestaande fietsinfrastructuur langs wegen die niet onder het beheer van het Vlaamse Gewest vallen en die behoren tot het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk;5° de aanleg van nieuwe, ongelijkvloers kruisende, gemeentelijke fietsinfrastructuur op trajecten van het bovenlokale functionele fietsroutenetwerk boven of onder gewestwegen;6° de plaatsing van openbare verlichting langs gewestwegen door de gemeente;7° de aanleg of herinrichting van wegen die gericht is op de beveiliging van schoolbuurten;8° de aanleg of herinrichting van wegen die gericht is op de duurzame ontsluiting van een tewerkstellings-, winkel- of dienstenzone van bovenlokaal belang of met een significante mobiliteitsimpact;9° de herinrichting van stationsomgevingen;10° de aanleg, heraanleg of herinrichting van tram- en busbanen en andere infrastructuurgebonden doorstromingsmaatregelen voor het geregeld vervoer;11° de aanleg of herinrichting van mobipunten en carpoolparkings als vermeld in artikel 42 van het decreet Basisbereikbaarheid;12° de aanleg of de plaatsing van schermen en gronddammen langs een gewestweg die het wegverkeerslawaai verminderen;13° het bouwen of vernieuwen van sluizen, bruggen en stuwen op of langs waterwegen en die aansluiten op of onderdeel vormen van het waterwegennetwerk, het wegennetwerk of het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk;14° de aanleg, heraanleg of herinrichting van laad- en loskaaien langs waterwegen, die worden ontsloten op het wegennetwerk;15° de aanleg, heraanleg of herinrichting van publiek toegankelijke infrastructuurprojecten op watergebonden gronden. § 2. De infrastructuurgebonden projecten, vermeld in paragraaf 1, 1° tot en met 11°, en 13° tot en met 15°, worden uitgevoerd conform artikel 2, § 1, op voorwaarde dat voldaan is aan een van de volgende voorwaarden: 1° de totale investeringskosten van de werken worden op ten minste 500.000 euro geraamd; 2° het betreft geen werken aan of op autosnelwegen;3° het betreft geen baggerwerkzaamheden voor de instandhouding van de diepten van waterwegen;4° het betreft geen dringende herstellingen aan bestaande infrastructuur. De infrastructuurgebonden projecten, vermeld in paragraaf 1, 12°, worden uitgevoerd conform artikel 2, § 1, op voorwaarde dat voldaan is aan een van de volgende voorwaarden: 1° de totale investeringskosten van de werken worden op ten minste 500.000 euro geraamd; 2° het betreft geen dringende herstellingen aan bestaande infrastructuur; 3° het betreft geen projecten of maatregelen die kaderen in de uitvoering van de geluidsactieplannen, vermeld in artikel 2.2.4.4.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of opgelegd als milderende maatregel in het kader van de milieueffectrapportage, vermeld in titel IV, hoofdstuk II en III, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

In afwijking van het eerste en het tweede lid worden infrastructuurgebonden projecten, ongeacht het bedrag van de totale investeringskosten, in de volgende gevallen uitgevoerd conform artikel 2, § 1: 1° het betreft werken waarvoor een subsidie wordt aangevraagd op basis van het besluit van 25 januari 2013;2° er wordt een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 53 van het besluit van 25 januari 2013, opgemaakt;3° op gemotiveerd verzoek van een of meer leden van de vervoerregioraad. § 3. In dit artikel wordt verstaan onder: 1° gewestweg: de weg die eigendom is of onder het beheer valt van het Vlaamse Gewest;2° watergebonden gronden: de gronden die eigendom zijn of onder het beheer vallen van de waterwegbeheerder;3° waterweg: een bevaarbare waterloop of een bevaarbaar kanaal in het Vlaamse Gewest, met inbegrip van kunstwerken, langsinfrastructuur en dienstgebouwen.

Art. 5.De projectmethodologie, vermeld in artikel 2, § 1, van dit besluit, is van toepassing op de projecten voor de wijziging, zijnde een vermindering, een aanpassing of een verhoging van het aanbod van het openbaar personenvervoer, vermeld in artikel 32 van het decreet Basisbereikbaarheid, inclusief de verplaatsing van de haltes of de bediening van mobipunten als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden: 1° het aanbod op de lijn wordt met meer van 10% van de plaatskilometers op de deze lijn aangepast.Met plaatskilometers wordt bedoeld het aantal gereden kilometers vermenigvuldigd met de reizigerscapaciteit; 2° het betreft geen versterkingsritten als vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/07/2002 pub. 31/08/2002 numac 2002036097 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende het geregeld vervoer, de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het vervoer voor eigen rekening en het ongeregeld vervoer sluiten betreffende het geregeld vervoer, de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het vervoer voor eigen rekening en het ongeregeld vervoer;3° het betreft geen tijdelijke netwerkmaatregel ten gevolge van werken of calamiteiten aan de vaste route van een lijn;4° op gemotiveerd verzoek van een of meer leden van de vervoerregioraad. Voor de projecten, vermeld in het eerste lid, wordt een unieke verantwoordingsnota opgesteld. De unieke verantwoordingsnota wordt opgemaakt conform artikel 2, § 2, zevende lid.

Art. 6.§ 1. De niet-infrastructuurgebonden projecten betreffen de volgende projecten en maatregelen: 1° de niet-infrastructuurgebonden projecten ter ondersteuning van het mobiliteitsbeleid, vermeld in artikel 29, eerste lid, 3°, van het decreet Basisbereikbaarheid;2° de flankerende maatregelen, vermeld in artikel 46 van het decreet Basisbereikbaarheid. § 2. De niet-infrastructuurgebonden projecten, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd conform artikel 2, § 1, op voorwaarde dat voldaan is aan een van de volgende voorwaarden: 1° het betreft projecten waarvoor een subsidie wordt verleend door een entiteit van het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 03/06/2005 pub. 22/09/2005 numac 2005036144 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie sluiten met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;2° er wordt een samenwerkingsovereenkomst als vermeld in artikel 30 van het decreet Basisbereikbaarheid, opgemaakt;3° op gemotiveerd verzoek van een of meer leden van de vervoerregioraad. Voor de projecten, vermeld in het eerste lid, wordt een unieke verantwoordingsnota opgesteld. De unieke verantwoordingsnota wordt opgemaakt conform artikel 2, § 2, zesde lid.

Art. 7.Als er voor de infrastructuurgebonden projecten, vermeld in artikel 4, § 1, van dit besluit, een plan-MER over plannen en programma's moet worden opgemaakt, conform titel IV, hoofdstuk II, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, kan de startkeuze, vermeld in artikel 2, § 1, 1° van dit besluit, op zijn vroegst genomen worden nadat de bevoegde administratie, vermeld in artikel 4.1.1, § 1, 12°, van het voormelde decreet, het plan-MER conform artikel 4.2.11, § 4, van het voormelde decreet, heeft goedgekeurd.

Als er voor de infrastructuurgebonden projecten, vermeld in artikel 4, § 1, van dit besluit, een project-MER moet worden opgemaakt, conform titel IV, hoofdstuk III, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, kan de projectkeuze, vermeld in artikel 2, § 1, 2° van dit besluit, op zijn vroegst genomen worden nadat de bevoegde administratie vermeld in artikel 4.1.1, § 1, 12° van het voormelde decreet, het project-MER conform artikel 4.3.8, § 3, van het voormelde decreet, heeft goedgekeurd.

Als er voor de infrastructuurgebonden projecten, vermeld in artikel 4, § 1, van dit besluit, een ruimtelijk uitvoeringsplan moet worden opgemaakt, conform titel II, hoofdstuk II, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, wordt de projectmethodologie, vermeld in artikel 2, § 1, van dit besluit, beperkt tot een ontwerpfase en een evaluatiefase.

Als de infrastructuurgebonden projecten, vermeld in artikel 4, § 1, van dit besluit, onderworpen worden aan de geïntegreerde besluitvormingsprocedure, conform hoofdstuk 2 van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035706 bron vlaamse overheid Decreet betreffende complexe projecten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035897 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning sluiten betreffende complexe projecten, wordt de projectmethodologie, vermeld in artikel 2, § 1, van dit besluit, niet gevolgd. HOOFDSTUK 3. - Organisatorische omkadering en taakverdeling Afdeling 1. - De projectstuurgroep

Art. 8.§ 1. De initiatiefnemer stelt een PSG in om de projecten, vermeld in artikel 4 tot en met 6, te begeleiden. § 2. Als het gaat om een gedeeld project met meer dan één initiatiefnemer, wordt de PSG voorgezeten door een voorzitter die wordt aangewezen onder de initiatiefnemers van het project. § 3. De PSG bestaat uit de leden, vermeld in artikel 26, § 2, van het decreet Basisbereikbaarheid, in voorkomend geval aangevuld met leden die andere besturen, instanties en administraties vertegenwoordigen. § 4. De voorzitter van de PSG waakt erover dat de samenstelling van de PSG bijdraagt tot een multidisciplinaire aanpak van mobiliteitsproblemen met aandacht voor alle vervoersmodi, de verkeersveiligheid, en de verhoging van het draagvlak en de beraadslaging binnen de PSG. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te bereiken, kunnen bijkomende leden tot de werking van de PSG uitgenodigd worden, hetzij voor het gehele begeleidingstraject, hetzij voor bepaalde aspecten.

Met behoud van de toepassing van het vierde tot en met achtste lid, beslist de voorzitter van de PSG ambtshalve of op verzoek van een of meer leden tot de uitbreiding van de samenstelling van de PSG. Projectpartners die instaan voor cofinanciering van het project, worden altijd uitgenodigd om deel uit te maken van de PSG. Voor een project waarvoor subsidies kunnen worden aangevraagd, wordt de bevoegde instantie, vermeld in artikel 37, § 2, van het besluit van 25 januari 2013, altijd uitgenodigd, als die bevoegde instantie voor het project in kwestie niet samenvalt met een lid dat al deel uitmaakt van de PSG. Als de interne exploitant van het kernnet en aanvullend net geen initiatiefnemer is, wordt die altijd uitgenodigd als het project in kwestie is gelokaliseerd op of nabij een traject van het kernnet of aanvullend net.

In de volgende gevallen wordt naargelang het geval een vertegenwoordiger van de naamloze vennootschap van publiek recht en autonoom overheidsbedrijf Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen of de naamloze vennootschap van publiek recht en autonoom overheidsbedrijf Infrabel uitgenodigd om deel uit te maken van de PSG: 1° bij de begeleiding van de voorbereiding en de opmaak van een openbaarvervoerproject dat aansluit op het treinnet;2° bij de begeleiding van de voorbereiding en de opmaak van projecten voor de herinrichting van stationsomgevingen;3° bij de begeleiding van de voorbereiding en de opmaak van projecten die liggen in de nabijheid van spoorinfrastructuur voor treinverkeer. Als er voor de uitvoering van een project een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is vereist, worden vertegenwoordigers van de instanties die advies verlenen bij de aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met toepassing van artikel 24, eerste lid, artikel 42, eerste lid, of artikel 59, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035706 bron vlaamse overheid Decreet betreffende complexe projecten type decreet prom. 25/04/2014 pub. 23/10/2014 numac 2014036510 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de omgevingsvergunning type decreet prom. 25/04/2014 pub. 27/08/2014 numac 2014035897 bron vlaamse overheid Decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning sluiten betreffende de omgevingsvergunning, uitgenodigd om deel uit te maken van de PSG.

Art. 9.§ 1. De voorzitter van de PSG nodigt de leden uit om deel te nemen aan de PSG. De leden wijzen daarvoor hun vertegenwoordiging aan. § 2. De PSG vergadert telkens als dat noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken, vermeld in artikel 27 van het decreet Basisbereikbaarheid.

De vergaderingen van de PSG worden samengeroepen met een ordetermijn van ten laatste twee weken voor de vergadering. De uitnodiging vermeldt ten minste de datum, de plaats en de agenda van de vergadering en bevat een inventaris van alle relevante dossierstukken die ook als bijlage bij de uitnodiging zijn gevoegd.

Het ontwerpverslag is uiterlijk twee weken na de vergadering beschikbaar voor de leden van de PSG. Afdeling 2. - Taakstelling

Art. 10.De PSG voert de taken, vermeld in artikel 27 van het decreet Basisbereikbaarheid, uit.

Art. 11.De PSG staat in voor de inherente kwaliteitszorg van de projecten en plannen die ze begeleidt.

De leden van de PSG zetten hun expertise in om ertoe bij te dragen dat het voorliggende project of plan minstens voldoet aan de relevante regelgeving, zoals de bepalingen van het decreet Basisbereikbaarheid, het decreet van 20 april 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/04/2001 pub. 21/08/2001 numac 2001035930 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en tot oprichting van de Mobiliteitsraad van Vlaanderen type decreet prom. 20/04/2001 pub. 13/07/2001 numac 2001035753 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende een aanpassing van de regelgeving betreffende het tertiair onderwijs sluiten betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg en de uitvoeringsbesluiten ervan, de richtinggevende bepalingen van het toepasselijk mobiliteitsplan en, in voorkomend geval, de samenwerkingsovereenkomst, vermeld in artikel 30 van het decreet Basisbereikbaarheid. Daarnaast wordt het project of plan getoetst aan de geldige normen en ontwerprichtlijnen, vademecums, de verkeersveiligheid, de ruimtelijke inpasbaarheid, de doorlooptijd en de budgettaire haalbaarheid.

Art. 12.De PSG waakt erover dat er een akkoord tot stand komt over het terugdringen van een negatieve impact op de kwaliteitseisen van het openbaar vervoer tijdens en na wegwerkzaamheden als vermeld in artikel 48, § 2, tweede lid, van het decreet Basisbereikbaarheid.

In voorkomend geval zorgt de PSG er zelf voor dat het akkoord, vermeld in het eerste lid, tot stand komt.

De maatregelen die deel uitmaken van het akkoord, vermeld in het eerste lid, worden in het voorkomend geval opgenomen in de projectnota of de unieke verantwoordingsnota, vermeld in artikel 2, § 2, derde en zesde lid. Afdeling 3. - Beraadslaging

Art. 13.De PSG begeleidt de plannen en projecten en brengt haar aanbevelingen samen tot er een consensus wordt bereikt over de gewenste startkeuze als vermeld in artikel 2, § 1, 1°, over de gewenste projectkeuze als vermeld in artikel 2, § 1, 2° en over de evaluatie vermeld in artikel 2, § 1, 3°.

De eindverantwoordelijkheid voor de voortgang van het project ligt bij de initiatiefnemer, die de consensus vaststelt.

Art. 14.§ 1. Als de PSG geen consensus bereikt over het plan of project, stelt de initiatiefnemer dat formeel vast en wordt dat in het verslag van de PSG vermeld. De initiatiefnemer geeft in het verslag ook de richting aan waarin het project wordt voortgezet.

De betrokken leden in de PSG die zich niet kunnen verzoenen met de richting, vermeld in het eerste lid, kunnen een verzoek tot bemiddeling indienen bij de voorzitters van de betrokken vervoerregioraad, vermeld in artikel 7, § 2, tweede lid, van het decreet Basisbereikbaarheid. Dat verzoek tot bemiddeling wordt ingediend binnen vijftien dagen vanaf de eerste weekdag die volgt op de dag waarop de leden het verslag van de PSG hebben ontvangen.

Als de initiatiefnemer of de indiener van het verzoek tot bemiddeling dezelfde gemeente vertegenwoordigt als de voorzitter van de vervoerregioraad, kan die voorzitter de bemiddeling niet mee begeleiden. § 2. Het verzoek wordt ingediend langs elektronische weg met ontvangstbewijs op het e-mailadres van de vervoerregioraad in kwestie.

Het verzoek tot bemiddeling voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° het vermeldt de voor- en achternaam en de hoedanigheid van de indiener;2° het bevat een omschrijving van de ingeroepen argumenten;3° het bevat een kopie van het verslag van de beraadslaging waaruit blijkt dat het bezwaar van de indiener ervoor heeft gezorgd dat er geen consensus is bereikt. De voorzitters beoordelen de ontvankelijkheid van het verzoek en brengen de indiener van het verzoek op de hoogte van hun beslissing over de ontvankelijkheid.

Art. 15.De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen en de PSG bezorgen de voorzitters van de vervoerregioraad op eenvoudig verzoek alle documenten en inlichtingen die relevant zijn voor de bemiddeling.

In het eerste lid wordt verstaan onder diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest: de Vlaamse ministeries en agentschappen die respectievelijk zijn opgericht en ingedeeld per beleidsdomein bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 03/06/2005 pub. 22/09/2005 numac 2005036144 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie sluiten met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.

Art. 16.De voorzitters van de vervoerregioraad starten de bemiddeling binnen een ordetermijn van dertig dagen na de dag waarop de voorzitters het verzoek tot bemiddeling of, in voorkomend geval, van de documenten of de inlichtingen, vermeld in artikel 15, hebben ontvangen.

Art. 17.De initiatiefnemer brengt de leden van de PSG op de hoogte van het resultaat van de bemiddeling en geeft de richting aan waarin het project wordt voortgezet. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen

Art. 18.In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 25/01/2013 pub. 19/02/2013 numac 2013200881 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de bemestingsadvisering voor groenteteelten en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het decreet van 22 december 200 sluiten tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobiliteitsbeleid worden de woorden "de organisatorische omkadering" opgeheven.

Art. 19.In artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 24 februari 2017, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt: "14° besluit van 6 september 2019: het besluit van de Vlaamse Regering van 6 september 2019 tot bepaling van de nadere regels over de projectmethodologie en de projectstuurgroep in het kader van de basisbereikbaarheid.".

Art. 20.In titel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 november 2015, 24 februari 2017 en 15 december 2017, wordt hoofdstuk 1, dat bestaat uit artikel 2 tot en met 18, opgeheven.

Art. 21.In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid opgeheven;2° paragraaf 2 wordt opgeheven.

Art. 22.In titel 2, hoofdstuk 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/12/2017 pub. 02/03/2018 numac 2018010883 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobi sluiten, worden afdeling 2, die bestaat uit artikel 21 tot en met 27, en afdeling 3, die bestaat uit artikel 28 tot en met 35, opgeheven.

Art. 23.In artikel 37 van hetzelfde besluit worden in paragraaf 2, tweede lid, de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 1°, b) wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 4° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 4°, van het besluit van 6 september 2019";2° in punt 2°, a), wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 6° " vervangen door de zinsnede"vermeld in artikel 4, § 1, 7°, van het besluit van 6 september 2019": 3° in punt 2°, b) wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 7° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 8°, van het besluit van 6 september 2019";4° in punt 2°, c) wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 3° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 3°, van het besluit van 6 september 2019" en;5° in punt 2°, d) wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 11° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 5°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 24.In artikel 41 van hetzelfde besluit wordt in paragraaf 1, eerste lid de zinsnede "vermeld in artikel 25, 4° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 2, § 2, derde lid, 4°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 25.In artikel 43 van hetzelfde besluit wordt in paragraaf 1, eerste lid de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 6° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 7°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 26.In artikel 44 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 2 opgeheven.

Art. 27.In artikel 45 van hetzelfde besluit wordt in paragraaf 1, eerste lid de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 7° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 8°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 28.In artikel 46 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 29.In artikel 47 van hetzelfde besluit wordt in paragraaf 1 de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 3° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 3°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 30.In artikel 48 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/12/2017 pub. 02/03/2018 numac 2018010883 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobi sluiten, wordt paragraaf 2 opgeheven.

Art. 31.In artikel 48/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/12/2017 pub. 02/03/2018 numac 2018010883 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobi sluiten, wordt in paragraaf 1, eerste lid, de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 11° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 5°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 32.In artikel 48/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/12/2017 pub. 02/03/2018 numac 2018010883 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobi sluiten, wordt in paragraaf 1, eerste lid de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 4° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 4°, van het besluit van 6 september 2019".

Art. 33.In artikel 50 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2017Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 15/12/2017 pub. 02/03/2018 numac 2018010883 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 januari 2013 tot bepaling van de nadere regels betreffende de organisatorische omkadering, de financiering en de samenwerking voor het mobi sluiten, wordt paragraaf 2 opgeheven.

Art. 34.In artikel 53 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 2, eerste lid" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, van het besluit van 6 september 2019";2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: " § 2.Voor de projecten vermeld in artikel 5 van het besluit van 6 september 2019, die worden uitgevoerd volgens de methodologie vermeld in artikel 2 van hetzelfde besluit wordt een samenwerkingsovereenkomst voor netmanagement geregeld vervoer afgesloten."; 3° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 2, eerste lid" vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 2, eerste lid, van het besluit van 6 september 2019";4° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 1, 10° " vervangen door de zinsnede "vermeld in artikel 4, § 1, 12°, van het besluit van 6 september 2019" en de zinsnede "vermeld in artikel 21, § 2, tweede lid" door de zinsnede "artikel 4, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit". HOOFSTUK 5. - Slotbepaling

Art. 35.De Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 6 september 2019.

De minister-president van de Vlaamse Regering, L. HOMANS De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Buitenlands Beleid, Onroerend Erfgoed en Dierenwelzijn, B. WEYTS


begin


Publicatie : 2019-10-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^