Besluit Van De Vlaamse Regering van 09 december 2011
gepubliceerd op 17 april 2012
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijsta

bron
vlaamse overheid
numac
2012035419
pub.
17/04/2012
prom.
09/12/2011
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

9 DECEMBER 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, artikel 8, 3° ;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 7 oktober 2011;

Gelet op advies 50.451/1 van de Raad van State, gegeven op 3 november 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Aan artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, 14 mei 2004 en 12 december 2008, wordt een punt 17° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 17° basiskosten : de kosten van een standaardproduct dat een valide persoon voor dezelfde activiteit kan gebruiken. De basiskosten zijn vermeld in de refertelijst. »

Art. 2.Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 14 februari 2003 en 12 december 2008, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 6.De kosten die de personen met een handicap voor hun sociale integratie maken, kunnen niet door het agentschap ten laste genomen worden als de tenlasteneming ervan op wettelijke, decretale of ordonnantiële basis behoort tot de bevoegdheid van andere overheidsdiensten dan het agentschap.

In afwijking van het eerste lid kunnen de kosten voor de aankoop van rolstoelen, elektronische scooters en buggy's, groot formaat, en de kosten van onderhoud, herstel van rolstoelen, elektronische scooters, orthopedische driewielfietsen en buggy's, groot formaat, door het agentschap ten laste genomen worden in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden en criteria, vermeld in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd. »

Art. 3.Aan artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, 17 december 2004, 27 januari 2006 en 12 december 2008, worden een punt 10° en een punt 11° toegevoegd, die luiden als volgt : « 10° standaard computer (desktop of laptop), standaard beeldscherm of groot beeldscherm, televisiescherm, tv-voorzetscherm, telefoonversterker of telefoontoestel met ingebouwde versterking, faxtoestel of toestel met analoge functie, aanhangfiets met één wiel, fietskar of aanhangwagen, badopstapje, badplank, badverkorter, badzit, badstoel, bedtafel, toiletrugleuning, toiletverhoging, toiletzitkussen, serveerwagen, sleutelgreepaanpassingen, leeslamp, leesplank, leestafel, memorecorder, sprekende basisrekenmachine, sprekende huishoudweegschaal, sprekende personenweegschaal, sprekende wekker, sprekende labelpen;11° uitrusting voor collectief gebruik in een door het agentschap erkende voorziening, die krachtens het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden aanspraak kan maken op investeringssubsidies.Het gaat om uitrusting, aanpassingen en hulpmiddelen die door verschillende personen, eventueel opeenvolgend, gebruikt kunnen worden, eventueel na een omkeerbare individuele aanpassing.

Voor zover de uitrusting als redelijkerwijze noodzakelijk kan worden beschouwd voor de doelgroep naar wie de voorziening zich richt, omvat uitrusting onder andere : a) uitrusting en meubilair om te zitten, te slapen, te douchen, transfers te maken en te tillen;b) aanpassing van de slaap-, leef- en badkamer met inbegrip van de eventuele aanvullende uitrusting;c) ADL-hulpmiddelen om te wassen, te baden, te douchen en te slapen;d) signalerings- en omgevingsbedieningssystemen met uitzondering van de zender en de geïndividualiseerde aangepaste bediening als gebruik gemaakt wordt van een systeem dat geïntegreerd is in de rolstoelbesturing of in een communicatietoestel;e) aanpassing van het gebouw in functie van toegankelijkheid.»

Art. 4.Artikel 16 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002, 14 mei 2004, 14 juli 2004, 12 december 2008 en 17 december 2010, wordt het laatste lid vervangen door wat volgt : « De refertebedragen en de basiskosten opgenomen in de refertelijst, en de bedragen opgenomen in bijlage II Rolstoelen, gevoegd bij dit besluit, zijn gebonden aan de referte index 109,23 (basis 1996 = 100) van december 2001.

Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast, rekening gehouden met het indexcijfer der consumptieprijzen bedoeld bij hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, hierna G-index genoemd, volgens de formule : « basisbedrag x G-index dec vorig jaar 109,23 x (G-index dec 2005/G-index dec 2003) x (G-index dec 2010/G-index dec 2009) ».

Art. 5.In hetzelfde besluit wordt een artikel 24/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 24/1.Behalve als een tegemoetkoming wordt toegekend met toepassing van artikel 19, kan het agentschap nooit een bedrag ten laste nemen dat meer bedraagt dan het verschil tussen het bedrag, vermeld op de factuur, en de basiskosten. »

Art. 6.In artikel 31, § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het getal « 250 » vervangen door het getal « 300 »;2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : « Bij een aanvraag op grond van artikel 19 hoeft in afwijking van het eerste lid niet voldaan te zijn aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 4°, maar moet het verschil tussen het bedrag, vermeld op de factuur of de offerte, gevoegd bij de aanvraag, en het refertebedrag en, in voorkomend geval, de basiskosten, meer bedragen dan 300 euro.Er moet bij de aanvraag een motivatie worden gevoegd waarin het bestaan van de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte wordt onderbouwd. »

Art. 7.Bijlage I bij hetzelfde besluit, vervangen bij het ministerieel besluit van 4 mei 2011Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 04/05/2011 pub. 12/05/2011 numac 2011003189 bron federale overheidsdienst financien Ministerieel besluit tot uitvoering van het koninklijk besluit van 3 mei 2011 tot uitvoering van artikel 427 van de programmawet van 27 december 2004 sluiten, wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 8.Bijlage II bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 en 12 december 2008, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 9.Bijlage III bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 10.Met behoud van de toepassing van artikel 9, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap kan het agentschap de aankopen, leveringen of werken die betrekking hebben op individuele materiële bijstand die is toegekend naar aanleiding van een aanvraag die bij het agentschap werd ingediend in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2004 en die plaatsvonden na de einddatum vermeld in de beslissing en voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, ten laste nemen.

Art. 11.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2012.

Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2006.

Dit besluit is van toepassing op de aanvragen van individuele materiële bijstand die bij het agentschap worden ingediend na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 12.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 9 december 2011.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, J. VANDEURZEN

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap Bijlage II bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap Bijlage II. Rolstoelen

Artikel 1.Het agentschap kan de kosten voor de aankoop van een rolstoel en van een elektronische scooter en de kosten voor de aanpassingen aan de rolstoel ten laste nemen na aftrek van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. De weigering van de verzekeringstegemoetkoming mag niet te wijten zijn aan de aanvrager zelf.

Als de aanvraag betrekking heeft op een rolstoel, een elektronische scooter of op aanpassingen aan de rolstoel, die niet vermeld zijn in de lijst van de producten die door het RIZIV aangenomen zijn, kan het agentschap alleen een tegemoetkoming verlenen als aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° in de lijst van de producten die aangenomen zijn door het RIZIV is er geen product dat een evenwaardige oplossing biedt voor de specifieke functiestoornissen van de aanvrager;2° de gevraagde rolstoel of aanpassing aan de rolstoel biedt dezelfde garanties inzake veiligheid en doelmatigheid als de producten die wel in de lijst zijn vermeld. Het agentschap verleent geen tegemoetkoming in de kosten voor de aankoop van of voor de aanpassingen aan een orthopedische driewielfiets en een duwwandelwagen voor kinderen, met uitzondering van een duwwandelwagen, type buggy groot formaat.

Art. 2.In afwijking van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991 betreffende de inschrijving bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap kan de tenlasteneming van de kosten voor de aankoop van rolstoelen op zijn vroegst uitwerking hebben vanaf de eerste dag van de maand waarin een aanvraag van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit is ingediend.

Het dossier, vermeld in artikel 28, § 8, I, 3.1., van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, dat door de adviserend geneesheer wordt doorgestuurd naar het agentschap, vervangt het adviesrapport, vermeld in artikel 9, § 3, 6°, van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering.

Art. 3.Behoudens de afwijkingen, vermeld in artikelen 4, 5, 7 en 8, zijn de bedragen van de tenlasteneming, de hernieuwingstermijn en de cumulatieregeling dezelfde als de bedragen van de tenlasteneming, de hernieuwingstermijn en de cumulatieregeling die in de ZIV-nomenclatuur zijn vastgesteld.

Voor rolstoelen en aanpassingen, die niet vermeld zijn in de lijst van de producten die aangenomen zijn door het RIZIV, is het bedrag van de tenlasteneming gelijk aan de nomenclatuurwaarde van de best vergelijkbare verstrekking die opgenomen is in de ZIV-nomenclatuur.

Art. 4.§ 1. Het agentschap kan in de volgende gevallen een tegemoetkoming verlenen van maximaal 795,83 euro, btw inbegrepen, in de kosten voor de aankoop van een tweede rolstoel die wordt aangevraagd voor de hernieuwingstermijn verstreken is van een rolstoel waarvoor het RIZIV, het ziekenfonds of het agentschap een tegemoetkoming heeft verleend : 1° de persoon met een handicap verblijft in een semi-residentiële of residentiële voorziening.De eerste rolstoel kan niet vervoerd worden en de persoon heeft ook thuis een rolstoel nodig. 2° de persoon met een handicap moet in de woonomgeving een verdieping overbruggen en beschikt daarvoor alleen over een traplift of een rolstoelontoegankelijke lift.3° de persoon met een handicap heeft van het ziekenfonds, het RIZIV of het agentschap een tegemoetkoming verkregen in de kosten voor de aankoop van een elektronische rolstoel. § 2. Het agentschap kan een tegemoetkoming verlenen, als vermeld in paragraaf 1, als aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° het RIZIV of het ziekenfonds verleent geen tegemoetkoming voor de tweede rolstoel;2° de aanvraag heeft betrekking op een manuele rolstoel, met uitzondering van een duwwandelwagen voor kinderen van het type buggy, groot formaat;3° er wordt een factuur of een offerte voor de aankoop van een tweede rolstoel voorgelegd. § 3. De toepassing van dit artikel mag er niet toe leiden dat het agentschap een derde rolstoel ten laste neemt.

Als de factuurprijs van de tweede rolstoel lager is dan het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in paragraaf 1, wordt de factuurprijs ten laste genomen.

Art. 5.In geval van een tegemoetkoming voor een tweede rolstoel, als vermeld in artikel 4, bedraagt de hernieuwingstermijn anderhalve keer de hernieuwingstermijn die vastgesteld is in de ZIV-nomenclatuur als de persoon met een handicap ouder is dan achttien jaar.

Art. 6.In afwijking van artikel 1, eerste lid, kan de persoon met een handicap nadat de hernieuwingstermijn verstreken is voor de tweede rolstoel, waarvoor het agentschap een tegemoetkoming heeft verleend, een aanvraag van een hernieuwing voor de tweede rolstoel indienen bij het agentschap zonder een voorafgaande weigering van het ziekenfonds of het RIZIV.

Art. 7.Als de kosten voor de aankoop van de elektronische rolstoel, met inbegrip van de kosten voor de aanpassingen, tot en met 13.654,73 euro bedragen, worden die kosten ten laste genomen voor het bedrag van de factuurprijs met een maximum van 8.193,27 euro, btw inbegrepen, als blijkt uit de goedkeuring door een arts van het agentschap dat die aankoop noodzakelijk is met het oog op de sociale integratie van personen met een handicap. Dat maximum van 8.193,27 euro wordt verhoogd tot 13.654,73 euro, btw inbegrepen, voor de personen met een handicap die onmogelijk of zeer moeilijk kunnen gebruikmaken van de bovenste ledematen of die uitgesproken houdingsafwijkingen vertonen.

Als de kosten voor de aankoop van de elektronische rolstoel met inbegrip van de kosten voor de aanpassingen, meer dan 13.654,73 euro bedragen, wordt het bedrag van de tenlasteneming vastgesteld door de bijzondere bijstandscommissie, vermeld in artikel 31 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap.

De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op elektronische scooters.

Art. 8.Het agentschap kan een tegemoetkoming verlenen in de kosten voor de aankoop van een duwwandelwagen voor kinderen van het type buggy, groot formaat, voor kinderen van vijf jaar of ouder die aan een van de volgende voorwaarden voldoen : 1° het kind heeft een vertraagde psychomotorische ontwikkeling waardoor de stapfunctie nog niet voldoende verworven is, de verplaatsingen buitenhuis over lange afstand zijn onmogelijk zonder de duwwandelwagen, de verplaatsingsfunctie binnenshuis is licht gestoord;2° de verplaatsingsfunctie van het kind is binnenshuis niet of licht gestoord, omwille van gedragsproblemen is het gebruik van een duwwandelwagen voor verplaatsingen buitenshuis noodzakelijk uit veiligheidsoverwegingen. Bij de aanvraag van een tegemoetkoming voor een duwwandelwagen, als vermeld in het eerste lid, moet een offerte of een factuur worden gevoegd, die de volledige naam van het product en van de producent vermeldt.

Het agentschap verleent een tegemoetkoming voor het bedrag van 80% van de factuurprijs met een maximum van 446,10 euro, btw inbegrepen.

Art. 9.Voor rolstoelen, duwwandelwagens voor kinderen, elektronische scooters en voor orthopedische driewielfietsen komt het agentschap tegemoet in de gefactureerde kosten van herstelling, aanpassing na de aflevering, onderhoud en opladen van batterijen voor een maximumbedrag dat gelijk is aan 40 % van de ZIV-nomenclatuurwaarde, voor de totale gebruiksduur van de rolstoel, de duwwandelwagen voor kinderen, de elektronische scooter of de orthopedische driewielfiets.

Als de aanvraag betrekking heeft op een duwwandelwagen voor kinderen, type buggy, groot formaat, is het maximumbedrag, in afwijking van het eerste lid, gelijk aan 40 % van de tegemoetkoming, die door het agentschap wordt verleend. » Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap Brussel, 9 december 2011.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, J. VANDEURZEN

Bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap Bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap Bijlage III. Specifieke voorwaarden voor de tenlasteneming van hulpmiddelen, opgenomen in de refertelijst van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap. HOOFDSTUK I. - Specifieke voorwaarden voor de tenlasteneming van incontinentiemateriaal

Artikel 1.De refertebedragen voor incontinentiemateriaal worden toegekend voor de aankoop van wegwerpluiers, plastic broekjes en wasbaar incontinentiemateriaal.

Art. 2.Het refertebedrag dat als supplement kan worden toegekend aan incontinente bedlegerige personen, wordt toegekend voor de aankoop van incontinentieonderleggers en incontinentiehoezen voor matrassen.

Een permanent bedlegerige persoon is een persoon die als gevolg van zijn handicap meer dan zestien uur per dag een liggende houding aanneemt.

Art. 3.Het refertebedrag voor incontinentiemateriaal voor kinderen van drie jaar tot en met vier jaar kan alleen worden toegekend voor kinderen met een verstandelijke ontwikkelingsleeftijd van maximaal negen maanden op het moment van de aanvraag of voor kinderen die ten gevolge van fysieke oorzaken geen controle hebben over de defecatie of over de defecatie en mictie, en van wie op basis van de huidige toestand niet verwacht kan worden dat ze ooit zindelijk worden.

Art. 4.Er kan geen tegemoetkoming in de kosten van incontinentiemateriaal worden toegekend in geval van lichte vormen van incontinentie, urge- of aandrangincontinentie, stressincontinentie of occasionele incontinentie.

Art. 5.Bij courant behandelbare vormen van nachtincontinentie of nacht- en dagincontinentie kan alleen een tegemoetkoming in de kosten van incontinentiemateriaal worden toegekend als aangetoond wordt dat de behandeling geen resultaten heeft opgeleverd of als wordt gemotiveerd waarom een behandeling niet mogelijk is.

Art. 6.Het refertebedrag voor passieve zindelijkheid wordt toegekend als het vermogen bestaat om blaas en darm gecontroleerd te ledigen op een daarvoor bestemde plaats en op een gepast tijdstip, maar niet zonder supervisie. Daarmee wordt bedoeld dat een andere persoon het initiatief moet nemen. HOOFDSTUK II. - Specifieke voorwaarden voor de tenlasteneming van statische en dynamische communicatiesystemen, vermeld in tabel 11 Aanvulling/vervanging spraak en tabel 12 Aanvulling intellectuele en andere mentale functies

Art. 7.Het agentschap kan een tegemoetkoming verlenen voor statische communicatiesystemen als aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° de persoon kan zich niet verstaanbaar uitdrukken door middel van spraak, ook niet met een stemversterker;2° er wordt aangetoond dat alle gebruikelijke vormen van behandeling geen resultaten hebben opgeleverd of niet mogelijk zijn als oplossing voor het communicatieprobleem;3° er wordt aangetoond dat communicatietechnieken of niet-technologische hulpmiddelen niet toereikend zijn om het communicatieprobleem op te lossen;4° de persoon beschikt over functionele mogelijkheden op het vlak van motoriek, visus, gehoor en cognitie om de functies van het toestel zelfstandig te kunnen gebruiken;5° er wordt aangetoond dat de persoon met het communicatiesysteem op een actieve en effectieve manier communiceert;6° de persoon communiceert met het gevraagde communicatiesysteem in verschillende, relevante sociale contexten, waarin het getest werd op zijn bruikbaarheid en effectiviteit zoals vermeld in punten 4° en 5°.

Art. 8.Het agentschap kan een tegemoetkoming verlenen voor dynamische communicatiesystemen als aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7, en aan de volgende voorwaarden is voldaan : 1° een statisch systeem is, gelet op de intellectuele mogelijkheden van de persoon en het beperkte aantal boodschappen van het systeem, ontoereikend of de bediening ervan is niet mogelijk ten gevolge van fysieke of zintuiglijke beperkingen;2° er bestaat geen alternatief dat werkt door middel van tekstinvoer, en dat het communicatieprobleem oplost. HOOFDSTUK III. - Specifieke voorwaarden voor de tenlasteneming van pedagogische hulp bij hogere studies, vermeld in tabel 6 Aanvulling gehoor, tabel 7 Vervanging gehoor, tabel 8 Aanvulling zicht en tabel 9 Vervanging zicht van de refertelijst

Art. 9.Het agentschap kan een tegemoetkoming voor pedagogische hulp bij hogere studies verlenen voor inhoudelijke begeleiding buiten de lesuren.

Art. 10.Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming moet de persoon met een handicap een opleiding van het hoger onderwijs of het hoger beroepsonderwijs volgen die georganiseerd wordt overeenkomstig het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen en die leidt tot het behalen van respectievelijk de graad van bachelor of master of het diploma van gegradueerde.

Art. 11.De pedagogische begeleiders moeten geslaagd zijn voor de vakken waarvoor ze begeleiding geven en moeten die vakken op een vergelijkbaar opleidingsniveau hebben gevolgd.

Art. 12.De beslissing tot toekenning van een tegemoetkoming voor pedagogische hulp bij hogere studies geldt voor één jaar en kan jaarlijks worden verlengd voor één jaar.

Voor het behalen van de graad van bachelor of het diploma van gegradueerde kan de persoon met een handicap gedurende maximaal vier jaar aanspraak maken op een tegemoetkoming, voor het behalen van de graad van master gedurende maximaal drie jaar.

De persoon met een handicap kan tevens slechts aanspraak maken op een tegemoetkoming voor het behalen van een eerste diploma gegradueerde, een eerste graad van bachelor en een eerste graad van master.

Art. 13.Het agentschap kan een tegemoetkoming voor pedagogische hulp bij hogere studies pas uitbetalen nadat het de volgende documenten en de volgende informatie heeft ontvangen : 1° een inschrijvingsbewijs in een onderwijsinstelling van het hoger onderwijs of het hoger beroepsonderwijs voor een opleiding als vermeld in artikel 10;2° een gestructureerd voorstel tot pedagogische begeleiding bij de hogere studies met aandacht voor de volgende aspecten : a) initiatieven en acties van de begeleidende dienst van de onderwijsinstelling in functie van de pedagogische hulp;b) de pedagogische hulp die door de student zelf wordt georganiseerd;c) de inhoud en het voorwerp van de pedagogische hulp in functie van de functiestoornis van de betrokken persoon met een handicap;3° informatie over wie de begeleiding en vorming van de pedagogische begeleiders coördineert;4° in voorkomend geval informatie over de begeleidende dienst en de contactpersoon ervan;5° een overzicht van de begeleiders met voorlegging van een document waaruit blijkt dat ze voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 11;6° een overeenkomst tussen de betrokken persoon met een handicap en de begeleiders of begeleidende dienst waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen zijn vastgelegd.

Art. 14.Het agentschap betaalt de tegemoetkoming voor pedagogische hulp bij hogere studies na de voorlegging van een factuur waarin een overzicht wordt gegeven van het aantal gepresteerde uren per begeleider gedurende de periode waarop de facturatie slaat, en van de bedragen die per pedagogische begeleider werden betaald zijn.

De facturen moeten door de betrokken persoon met een handicap voor akkoord zijn getekend.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 december 2011 houdende de wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap.

Brussel, 9 december 2011.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, J. VANDEURZEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^