Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 09 februari 2018
gepubliceerd op 28 februari 2018

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de handhaving van de ruimtelijke ordening en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten

bron
vlaamse overheid
numac
2018011042
pub.
28/02/2018
prom.
09/02/2018
ELI
eli/besluit/2018/02/09/2018011042/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

9 FEBRUARI 2018. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de handhaving van de ruimtelijke ordening en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten


DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20 en 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 16.2.5, zesde lid, ingevoegd bij decreet van 25 april 2014;

Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), meer bepaald de bepalingen in de VCRO opgenomen bij decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, in voorkomend geval na wijziging, vervanging, invoeging of toevoeging bij decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, artikel 1.4.9, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na wijziging bij decreet van 8 december 2017, artikel 5.6.3, § 4, tweede lid, gewijzigd bij decreet van 4 mei 2016, artikel 6.1.1, 3°, vervangen bij decreet van 25 april 2014, na wijziging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.2.5, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na wijziging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.2.5/1, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na invoeging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.2.11, § 2 en § 6, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.2.14, derde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.3.1, § 3, tweede lid en § 5, vierde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, alsook § 5, tweede lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na vervanging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.3.3, § 1, derde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na toevoeging toegevoegd bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.3.4, § 4, derde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, alsook § 5, eerste en vijfde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na toevoeging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.3.14, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.2, § 1, eerste lid en § 2, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.7, § 2, tweede lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na vervanging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.4.11, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.13, tweede lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.14, derde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.15, § 1, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na vervanging bij decreet van 8 december 2017, alsook § 2, eerste lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.4.16, derde tot vijfde lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, na vervanging respectievelijk toevoeging bij decreet van 8 december 2017, artikel 6.4.19, § 2, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 6.6.1, § 3, tweede lid, toegevoegd bij decreet van 25 april 2014, artikel 7.7.6, vervangen bij decreet van 25 april 2014, artikel 7.7.9 en 7.7.10, toegevoegd bij decreet van 8 december 2017;

Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, artikel 145, eerste lid;

Gelet op het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, dat wijzigingen aanbrengt aan het voornoemde decreet van 25 april 2014 en dat bijkomende overgangsbepalingen invoert in Titel VII, hoofdstuk VII, van de VCRO;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 houdende de aanwijzing van ambtenaren die bevoegd zijn om de misdrijven op het gebied van de ruimtelijke ordening en stedenbouw op te sporen en vast te stellen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de berekening en de betaling van de meerwaarde;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de minnelijke schikking inzake ruimtelijke ordening;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende de selectiecriteria en de vergoedings-, presentie- en reiskostenregeling van de leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2010 houdende de vaststelling van het procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 tot wijziging van diverse besluiten wat betreft de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en in het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen;

Overwegende het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017 tot wijziging van diverse besluiten, wat betreft de oprichting van het beleidsdomein Omgeving;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 31 mei 2017;

Gelet op het protocol nr. 369.1188 van 20 oktober 2017 van comité XVIII;

Gelet op het protocol nr. 2017/6 van 15 november 2017 van comité C1;

Gelet op advies 62.637/1 van de Raad van State, gegeven op 30 januari 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Citeeropschrift

Artikel 1.Dit besluit wordt aangehaald als: het Handhavingsbesluit Ruimtelijke Ordening van 9 februari 2018. HOOFDSTUK 2. - Definities

Art. 2.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° departement: het Departement Omgeving van het Vlaams Ministerie van Omgeving, vermeld in artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie; 2° gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid, vermeld in artikel 6.1.1, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; 3° gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur: het personeelslid, vermeld in artikel 6.1.1, 3°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; 4° Hoge Raad: de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, vermeld in artikel 6.3.7, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; 5° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor ruimtelijke ordening; 6° verbalisant ruimtelijke ordening: het personeelslid, vermeld in artikel 6.2.5/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; 7° beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen: a) een aangetekende brief;b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld. HOOFDSTUK 3. - Gewestelijke personeelsleden inzake herstel en invordering

Art. 3.De leidend ambtenaar van het departement kan op het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest de functie uitoefenen van gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur.

Art. 4.§ 1. De minister stelt de andere gewestelijke stedenbouwkundige inspecteurs dan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, vermeld in artikel 3 van dit besluit, aan. De minister kan die bevoegdheid delegeren tot op het meest functionele niveau.

Het aanstellingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De aanstelling kan op elk moment worden beeïndigd hetzij op verzoek van de betrokkene, hetzij op initiatief van de minister. § 2. Ter uitvoering van artikel 7.7.10, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan de minister de aanstelling van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1°, van de voormelde codex, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, beëindigen. De minister kan die bevoegdheid delegeren tot op het meest functionele niveau. § 3. De aanstellingen vermeld in dit artikel eindigen van rechtswege wanneer de betrokkene de afdeling die belast is met de uitvoering van de handhavingstaken op het beleidsveld ruimtelijke ordening verlaat.

Art. 5.De leidend ambtenaar van het departement wordt aangewezen als de ambtenaar die bevoegd is om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren als vermeld in artikel 6.2.11, § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

De leidend ambtenaar van het departement is bevoegd om andere ambtenaren van het departement aan te wijzen als ambtenaar als vermeld in het eerste lid.

De leidend ambtenaar van het departement kan de bevoegdheid, vermeld in het tweede lid, delegeren tot op het meest functionele niveau.

Art. 6.De leidend ambtenaar van het departement wordt aangewezen als ambtenaar die bevoegd is om dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren als vermeld in artikel 6.4.11 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

De leidend ambtenaar van het departement is bevoegd om andere ambtenaren van het departement aan te wijzen als ambtenaar als vermeld in het eerste lid.

De leidend ambtenaar van het departement kan de bevoegdheid, vermeld in het tweede lid, delegeren tot op het meest functionele niveau. HOOFDSTUK 4. - Verbalisanten ruimtelijke ordening

Art. 7.§ 1. De leidend ambtenaar van het departement is bevoegd om de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening aan te wijzen.

De bevoegdheid, vermeld in het eerste lid, kan betrekking hebben op personeelsleden van een andere gewestelijke entiteit als met het hoofd van de betrokken entiteit een protocol werd gesloten over de vaststellings- en opsporingsbevoegdheid. Het protocol mag geen afbreuk doen aan het Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening, vermeld in artikel 6.1.3, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met inbegrip van het traject en de prioriteiten die daarin zijn opgenomen.

De leidend ambtenaar van het departement kan de bevoegdheden, vermeld in het eerste en tweede lid, delegeren tot op het meest functionele niveau. § 2. Ter uitvoering van artikel 7.7.9, eerste en tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan de leidend ambtenaar van het departement de aanwijzing op grond van artikel 6.1.5 van de voormelde codex, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, beëindigen. De leidend ambtenaar van het departement kan die bevoegdheid delegeren tot op het meest functionele niveau.

Art. 8.De minister wijst onder de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening de personeelsleden aan die voor het opsporen en vaststellen van de stedenbouwkundige misdrijven, vermeld in titel VI van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 2, van de voormelde codex, verkrijgen.

Ter uitvoering van artikel 7.7.10, eerste lid, van de voormelde codex, kan de minister de bevoegdheden van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur als verbalisant ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 1, eerste lid, 1°, van de voormelde codex, en de daartoe behouden hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, beëindigen.

Art. 9.Behalve in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.5/1, § 3, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, leggen de contractuele personeelsleden voordat ze hun opdracht kunnen vervullen, de eed af in handen van de overheid die hen heeft aangewezen conform artikel 6.2.5/1, § 1, van de voormelde codex.

Voor de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening geldt de volgende regeling: 1° de contractuele personeelsleden van een departement leggen de eed af in handen van de leidend ambtenaar van dat departement;2° de contractuele personeelsleden van een agentschap leggen de eed af in handen van de leidend ambtenaar van dat agentschap. HOOFDSTUK 5. - Het verslag van vaststelling

Art. 10.De minister kan de vorm van het verslag van vaststelling, vermeld in artikel 6.2.5, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, bepalen. HOOFDSTUK 6. - Het voorstel tot betaling van een geldsom

Art. 11.Het voorstel tot betaling van een geldsom wordt schriftelijk gedaan met een beveiligde zending, en omvat minstens de volgende gegevens: 1° de datum en nummer van het verslag van vaststelling of het proces-verbaal;2° de vastgestelde stedenbouwkundige inbreuk of het vastgestelde stedenbouwkundige misdrijf, inclusief de geschonden regelgeving;3° de decretale grondslag voor de toepassing van een voorstel tot betaling van een geldsom;4° de voorgestelde geldsom, alsook de betalingstermijn en de wijze van betaling;5° de gevolgen in geval van niet-tijdige betaling van de voorgestelde geldsom. HOOFDSTUK 7. - De herstelvordering

Art. 12.Een herstelvordering als vermeld in artikel 6.3.1 en 6.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevat op straffe van onontvankelijkheid de volgende stukken, inlichtingen of gegevens: 1° de kadastrale identificatie van het onroerend goed waarop de schendingen zijn gepleegd op het ogenblik dat de herstelvordering wordt ingeleid;2° een beschrijving van de wederrechtelijk uitgevoerde handelingen;3° de vermelding van de geldende voorschriften op het ogenblik van de schending; 4° het voorafgaand advies van de Hoge Raad of de vermelding van het feit dat hetzij geen advies werd verleend, hetzij een advies werd verleend buiten de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 6.3.11, § 2, eerste lid, van de voormelde codex.

Onverminderd de verplichting tot het voorzien van de stukken, de inlichtingen of de gegevens, vermeld in het eerste lid, worden de volgende stukken, inlichtingen of gegevens bij de herstelvordering gevoegd: 1° de vermelding van de geldende voorschriften op het ogenblik dat de herstelvordering wordt ingeleid;2° in voorkomend geval de vermelding van eerdere rechterlijke herstelmaatregelen of de bestuurlijke maatregelen met betrekking tot het onroerend goed, die door een vonnis, arrest, bestuurlijk besluit of minnelijke schikking zijn opgelegd of overeengekomen, hetzij een afschrift ervan;3° de vermelding van het totale meerwaardebedrag en de berekening ervan in geval van een vordering tot het betalen van een meerwaarde;4° een genummerde lijst van al de bijgevoegde stukken, vermeld in punt 1° tot en met 3°, en het eerste lid.

Art. 13.Respectievelijk de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester bezorgt binnen zeven dagen na het indienen van de herstelvordering, vermeld in artikel 6.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een melding daarvan aan de overtreder met een beveiligde zending. HOOFDSTUK 8. - Bedrag en betaling van een meerwaardesom

Art. 14.Voor de berekening van het meerwaardebedrag als forfaitaire vergoeding voor de illegale gevolgen van een schending als vermeld in artikel 6.2.1 en 6.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, worden de forfaitaire vergoedingen gehanteerd, vermeld in artikel 15 van dit besluit.

Art. 15.De meerwaarde wordt vastgesteld op basis van de vergoeding respectievelijk per vierkante meter vloeroppervlakte, per strekkende meter of per stuk binnen de vork van de reguliere en de maximumvergoedingen, vermeld in de volgende tabel:

Voor:

Eenheid

Reguliere vergoeding in € per m2 bruto vloeroppervlakte/ strekkende meter/stuk

Maximumvergoeding in € per m2 bruto vloeroppervlakte/ strekkende meter/stuk

RKG

AGRARISCH

ANDERE

RKG

AGRARISCH

ANDERE

Alle delen van woningen en appartementen, andere dan onbewoonbare kelders en zolders

Per m2

500

250

100

1.000

750

600

Onbewoonbare kelder

Per m2

125

62,50

25

250

187,5

150

Onbewoonbare zolder

Per m2

187,5

93,75

37,5

375

281,25

225

Handelsgebouwen, kantoren of winkels

Per m2

250

125

50

500

375

300

Agrarische gebouwen, industriële gebouwen of andere bedrijfsgebouwen

Per m2

165

82,50

33

330

247,5

198

Garages, bergplaatsen, tuinhuizen of andere losstaande of accessoire constructies

Per m2

82,5

41,25

16,5

165

123,75

99

Het aanleggen of wijzigen van openlucht recreatieve terreinen - artikel 4.2.1, 8° VCRO

Per m2

32,5

16,25

6,5

65

48,75

39

Het aanleggen of wijzigen van openlucht recreatieve terreinen met bijzondere infrastructuren of grondverhardingen

Per m2

40

20

8

80

60

48

Het aanleggen of inrichten van gronden - artikel 4.2.1, 5° VCRO

Per m2

32,5

16,25

6,5

65

48,75

39

Het aanleggen of inrichten van gronden met grondverhardingen of andere losstaande of accessoire constructies

Per m2

40

20

8

80

60

48

Een gevelde hoogstammige boom

Per stuk

165

82,5

33

330

247,5

198

Een reliëfwijziging

Per m2

7,5

3,75

1,5

15

11,25

9

Een afsluiting

Per strek-kende meter

7,5

3,75

1,5

15

11,25

9


Het forfaitaire bedrag wordt berekend op basis van de reguliere vergoeding. Dat forfaitaire bedrag kan maximaal verhoogd worden tot aan een bedrag op basis van de maximumvergoeding op voorwaarde dat uitdrukkelijk wordt gemotiveerd op welke elementen die verhoging gesteund is. In dit laatste geval kan onder meer rekening worden gehouden met de reële vermogensvoordelen, die het gevolg zijn van onder meer comfortverbetering, duurzaam materiaalgebruik of economische voordelen.

In een ruimtelijk kwetsbaar gebied zijn de reguliere en maximumvergoedingen van de kolom met het opschrift "RKG" in de tabel, vermeld in het eerste lid, van toepassing.

In een agrarisch gebied of een landschappelijk waardevol agrarisch gebied zijn de reguliere en de maximumvergoedingen van de kolom met het opschrift "agrarisch" in de tabel, vermeld in het eerste lid, van toepassing.

In een zone met een bestemming van een andere aard dan de bestemming, vermeld in het derde en vierde lid, zijn de reguliere en de maximumvergoedingen van de kolom met het opschrift "andere" in de tabel, vermeld in het eerste lid, van toepassing.

Art. 16.§ 1. De vloeroppervlakte, vermeld in artikel 15 van dit besluit, wordt berekend over de verschillende bouwlagen van een constructie. De bruto vloeroppervlakte wordt buitenmaats berekend.

Alleen het bouwfysische gedeelte van de constructie dat afgebroken zou moeten worden om een tot een herstel in de oorspronkelijke toestand te komen of het bouwfysische gedeelte waarvan het strijdige gebruik gestaakt moet worden, wordt als berekeningsbasis genomen. In geval van illegale verbouwings- of uitbreidingswerken waardoor een gebouw zijn hoofdzakelijk vergunde karakter verliest, kan de berekeningsbasis alleen betrekking hebben op het bouwfysische deel van de verbouwde of de uitgebreide delen. Het bouwfysische gedeelte waarvoor bijkomend aan de meerwaarde bouw- of aanpassingswerken worden voorzien, wordt niet meegerekend in de berekeningsbasis voor de meerwaarde. Voor schendingen van de inplanting van constructies worden alleen de delen van de vloeroppervlakte in de berekeningsbasis meegenomen die buiten de vergunde of vergund geachte inplanting gelegen zijn. § 2. De bedragen, vermeld in artikel 15 van dit besluit, worden vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit besluit, jaarlijks aangepast aan de evolutie van het cijfer van de gezondheidsindex, zoals bepaald in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, volgens de volgende formule: Nieuw bedrag: basisbedrag x gezondheidsindex van de maand december die voorafgaat aan de maand januari waarin de aanpassing plaatsvindt/gezondheidsindex december 2017.

De bedragen die volgens de formule, vermeld in het eerste lid, berekend zijn, worden naar de hogere eenheid afgerond.

Art. 17.De vordering tot het betalen van een meerwaarde die krachtens artikel 6.3.1 of 6.3.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt ingeleid, vermeldt het totale meerwaardebedrag en de berekening ervan.

Hetzelfde geldt voor het besluit tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, vermeld in artikel 6.4.7 en 6.4.14 van de voormelde codex, en voor de beslissing na beroep, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15 van de voormelde codex, telkens als daarin beslist wordt tot het opleggen of handhaven van de betaling van een meerwaarde.

Art. 18.Tenzij bij kwijting als vermeld in artikel 6.3.1, § 5, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, moet het bedrag van de meerwaarde uiterlijk bij het verstrijken van de toegestane betalingstermijn worden gestort op de rekening van het Grondfonds, vermeld in artikel 5.6.3 van de voormelde codex.

De rekenplichtige ambtenaar van het Grondfonds, die daartoe wordt aangewezen door de leidend ambtenaar van het departement, brengt de overheid die het meerwaardebedrag heeft gevorderd of opgelegd en, voor zover verschillend, de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op de hoogte van de storting.

Vanaf het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid, is de wettelijke verwijlintrest op het door de rechter bepaalde bedrag van de meerwaarde verschuldigd zonder verdere ingebrekestelling. HOOFDSTUK 9. - Bewaring en teruggave van in het kader van bestuursdwang meegenomen zaken

Art. 19.§ 1. Als zaken op grond van de bevoegdheid, vermeld in artikel 6.4.13 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, worden meegevoerd en opgeslagen, maakt de bevoegde overheid of de gerechtsdeurwaarder, vermeld in artikel 6.4.12 van de voormelde codex, daarvan melding in een proces-verbaal. Een afschrift wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had en, als dat een andere persoon is en als die bekend is, aan de rechthebbende. § 2. De bevoegde overheid zorgt voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft die zaken terug aan de rechthebbende. De bevoegde overheid is bevoegd om de afgifte op te schorten tot de kosten, vermeld in artikel 6.4.10 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, die worden vermeerderd met de kosten van bewaring, zijn voldaan. Als geen van de rechthebbenden als overtreder kan worden beschouwd, mag de afgifte evenwel alleen afhankelijk worden gesteld van de betaling van de kosten van bewaring. § 3. Als de meegevoerde en opgeslagen zaken niet binnen drie maanden na het meevoeren worden opgeëist door de rechthebbende, is de bevoegde overheid gerechtigd ze te verkopen of, als verkoop naar haar oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.

De termijn van drie maanden, vermeld in het eerste lid, hoeft niet te worden afgewacht zodra de kosten van bewaring, vermeerderd met de kosten die geraamd zijn voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.

Verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging kan evenwel nooit plaatsvinden binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift, vermeld in paragraaf 1, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft. HOOFDSTUK 1 0. - Uitsluiting, wijziging of intrekking van een bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom

Art. 20.De inbreuken, vermeld in artikel 6.2.2, 2°, 3°, 4° en 5°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zijn uitgesloten als grondslag voor de toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom.

Hetzelfde geldt ten opzichte van de eigenaar, vermeld in artikel 6.2.2, 7°, van de voormelde codex, als het de inbreuken, vermeld in punt 3° en 5° van het voormelde artikel, betreft.

Art. 21.De belanghebbende, vermeld in artikel 6.4.2, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening richt het gemotiveerde verzoek tot wijziging of intrekking van de bestuurlijke maatregel met een beveiligde zending aan degene die de bestuurlijke maatregel heeft opgelegd.

De persoon die de bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom heeft opgelegd, beslist over de wijziging of intrekking binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de indiening van het gemotiveerde verzoek.

In een besluit houdende de wijziging of intrekking van een bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom worden minstens de volgende gegevens vermeld: 1° de mate waarin de opgelegde maatregelen al dan niet zijn uitgevoerd en de mate waarin het herstel van de goede ruimtelijke ordening al dan niet werd bereikt;2° de omstandigheden die zich voordoen die een wijziging of intrekking van de maatregelen vereisen. Het besluit houdende de wijziging of intrekking van een bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom wordt aan degene aan wie de maatregel werd opgelegd, meegedeeld met een beveiligde zending binnen een termijn van tien dagen na de ondertekening van het besluit.

Degene die een bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom heeft gewijzigd of ingetrokken, meldt dat aan de betrokken gemeente, respectievelijk aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, voor zover de gemeentelijke dan wel gewestelijke bevoegde overheid niet betrokken was bij dat besluit tot wijziging of intrekking. HOOFDSTUK 1 1. - Aanvraag van een minnelijke schikking

Art. 22.§ 1. De aanvraag tot minnelijke schikking, vermeld in artikel 6.4.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt door de overtreder of belanghebbende schriftelijk ingediend bij de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijk stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester. De aanvraag wordt met een beveiligde zending gedaan.

De overheid die een aanvraag ontvangt, laat daarvan onmiddellijk bericht aan de andere overheden, vermeld in het eerste lid, en stelt de opsteller van het proces-verbaal of vaststellingsverslag daarvan op de hoogte.

De minister kan het model vaststellen van een aanvraagformulier dat in het geval, vermeld in artikel 6.4.19 van voormelde codex, gebruikt moet worden. § 2. De aanvraag tot minnelijke schikking bevat op straffe van onontvankelijkheid de volgende stukken, inlichtingen en gegevens: 1° de naam, voornaam en de woonplaats of de maatschappelijke benaming en zetel van de aanvrager of aanvragers;2° de hoedanigheid waarin de aanvrager of aanvragers optreden en hun rechten op het perceel of op de constructies;3° een opgave van alle personen die zakelijke rechten hebben op het goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft;4° de kadastrale identificatie van het onroerend goed;5° een beschrijving van de feiten en het voorwerp van het herstel;6° een beschrijving van de voorgestelde wijze van het herstel;7° de handtekening van de aanvrager of aanvragers of hun raadsman. § 3. Onverminderd paragraaf 2 bevat de aanvraag tot minnelijke schikking de volgende stukken, inlichtingen of gegevens: 1° het telefoonnummer en het e-mailadres van de aanvrager of aanvragers;2° voor rechtspersonen, verenigingen en groeperingen de meest recente statuten waaruit de hoedanigheid en de aanstelling van de bevoegde organen blijkt, of het ondernemingsnummer en de beslissing van de bevoegde organen om de aanvraag in te dienen;3° de processen-verbaal of de verslagen van vaststelling, en alle andere stukken en inlichtingen die relevant zijn voor de beoordeling;4° een genummerde lijst van al de bijgevoegde stukken, vermeld in paragraaf 2, en deze paragraaf. § 4. De aanvrager of aanvragers vermelden in de aanvraag of zij al dan niet bereid zijn in het kader van de minnelijke schikking bouw- of aanpassingswerken uit te voeren. Zij kunnen zelf bouw- of aanpassingswerken voorstellen. § 5. De aanvraag wordt mee ondertekend door de architect als het herstel, met inbegrip van de in voorkomend geval voorgestelde bouw- of aanpassingswerken, handelingen betreft waarvoor de medewerking van een architect vereist is.

In de aanvraag begroot de architect, als dat van toepassing is, het meerwaardebedrag. § 6. De overheid die een aanvraag ontvangt, gaat na of de aanvraag volledig en regelmatig is. Ze kan aanvullende stukken en gegevens bij de aanvrager of aanvragers opvragen. De aanvullende stukken en gegevens worden haar door de aanvrager of aanvragers per beveiligde zending bezorgd binnen een vervaltermijn van dertig dagen na de datum van het opvragen hiervan. HOOFDSTUK 1 2. - Procedure inzake opeisbare dwangsommen

Art. 23.§ 1. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, die de dwangsomtitel heeft doen betekenen, neemt ambtshalve een beslissing om de opeisbare dwangsomschuld al dan niet geheel of gedeeltelijk in te vorderen als vermeld in artikel 6.3.4, § 4, tweede lid, en artikel 6.4.16, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening binnen een termijn van negentig dagen na de datum van de afgifte van een proces-verbaal van vaststelling van uitvoering als vermeld in artikel 6.3.6, 6.4.9, 6.4.15, § 2, en artikel 6.4.21 van de voormelde codex. § 2. De schuldenaren van de opeisbare dwangsom worden met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing, vermeld in paragraaf 1. § 3. Als de beslissing, vermeld in paragraaf 1, door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur wordt genomen, wordt er op dezelfde dag van de verzending, vermeld in paragraaf 2, een afschrift van de beslissing meegedeeld aan de minister, vermeld in artikel 25 § 1.

Art. 24.§ 1. Het eenvoudige verzoek, vermeld in artikel 6.3.4, § 4, en artikel 6.4.16, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt ingediend bij respectievelijk de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, die de dwangsomtitel heeft doen betekenen.

Als de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester vaststelt dat het verzoek ten onrechte aan hem is gericht, stuurt hij het onmiddellijk door aan de bevoegde persoon en brengt hij de verzoeker daarvan op de hoogte. § 2. Er kunnen aan de verzoeker stukken, inlichtingen of gegevens gevraagd worden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het verzoek. § 3. Het eenvoudige verzoek wordt binnen een termijn van negentig dagen behandeld en de verzoeker wordt met een gewone brief op de hoogte gebracht van de beslissing. § 4. Als de beslissing, vermeld in paragraaf 3, door de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur wordt genomen, wordt er op dezelfde dag van de verzending, vermeld in paragraaf 3, een afschrift van de beslissing meegedeeld aan de minister, vermeld in artikel 25 § 1.

Art. 25.§ 1. Het gemotiveerde verzoek, vermeld in artikel 6.3.4, § 5, en artikel 6.4.16, vierde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt met een beveiligde zending ingediend bij respectievelijk het college van burgemeester en schepenen van de gemeente, in naam van wie de dwangsomtitel wordt uitgevoerd of haar gemachtigde, dan wel bij de Vlaamse Regering, in naam van wie de dwangsomtitel wordt uitgevoerd, of haar gemachtigde. In het laatste geval wordt het verzoek gericht aan de minister, op het adres van het departement, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel. § 2. Het verzoek bevat op straffe van onontvankelijkheid de volgende stukken, inlichtingen of gegevens: 1° de naam, voornaam en de woonplaats of de maatschappelijke benaming en zetel van de verzoeker en de hoedanigheid van de verzoeker;2° de kadastrale identificatie van het onroerend goed;3° een afschrift van de dwangsomtitel en de betekening ervan;4° de inhoudelijke motieven;5° een overzicht van de gestelde handelingen en de genomen engagementen inzake de hoofdveroordeling;6° een overzicht van de gehele of gedeeltelijke realisatie van het herstel;7° de handtekening van de verzoeker of zijn raadsman. § 3. Onverminderd de verplichting tot het voorzien van de stukken, de inlichtingen of de gegevens, vermeld in paragraaf 2, worden de volgende stukken, inlichtingen of gegevens bij het verzoek gevoegd: 1° het telefoonnummer en het e-mailadres van de verzoeker;2° voor rechtspersonen, verenigingen en groeperingen de meest recente statuten waaruit de hoedanigheid en de aanstelling van de bevoegde organen blijkt, of het ondernemingsnummer en de beslissing van de bevoegde organen om de aanvraag in te dienen;3° de processen-verbaal die zijn opgesteld na het opeisbaar worden van de dwangsommen;4° de stukken die de verzoeker nuttig acht voor de beoordeling van zijn verzoek;5° de bewijzen van betaling en de aanduiding van de periode waarop de betalingen betrekking hebben of de vermelding dat er geen betalingen zijn; 6° de vermelding en de stukken van eerdere verzoeken die op grond van artikel 6.3.4, § 4 of § 5, hetzij artikel 6.4.16, derde of vierde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zijn ingediend en de betreffende beslissingen; 7° een genummerde lijst van al de bijgevoegde stukken, vermeld in paragraaf 2 en deze paragraaf. Als wordt vastgesteld dat er gegevens, inlichtingen en stukken als vermeld in paragraaf 3, ontbreken, kan aan de verzoeker worden gevraagd om het dossier aan te vullen. § 4. De overheid die het gemotiveerde verzoek, vermeld in paragraaf 1, ontvangt, onderzoekt de ontvankelijkheid: 1° als het verzoek onontvankelijk wordt bevonden, wordt de verzoeker daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht binnen veertien dagen na de ontvangst van het verzoek.De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden verzoek is daarmee beëindigd; 2° als het verzoek ontvankelijk wordt bevonden, wordt de verzoeker daarvan met een beveiligde zending op de hoogte gebracht binnen veertien dagen na de ontvangst van het verzoek.

Art. 26.Het administratief dossier wordt door de overheid die het gemotiveerde verzoek ontvangt, onmiddellijk met een beveiligde zending aan de Hoge Raad bezorgd met de vraag om schriftelijk advies uit te brengen.

Art. 27.De Hoge Raad brengt conform artikel 6.3.12, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zijn advies uit binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de ontvangst van de adviesaanvraag en bezorgt dat advies onmiddellijk met een beveiligde zending aan de aanvragende overheid.

Art. 28.De beslissing over het gemotiveerde verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van de verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsom wordt respectievelijk door de gemeente of haar gemachtigde, of door de minister genomen binnen een ordetermijn van negentig dagen.

Die termijn van negentig dagen is geschorst tijdens de periode van het advies van de Hoge Raad of tot het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 27 van dit besluit.

De beslissing over het gemotiveerde verzoek om tijdelijk of definitief af te zien van de verdere inning van een opeisbaar geworden dwangsom, wordt binnen een termijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan de verzoeker. Conform artikel 6.3.4, § 5, vierde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt een afschrift bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in de betekening van de dwangsomtitel. HOOFDSTUK 1 3. - Beroep tegen de bestuurlijke maatregelen van bestuursdwang of last onder dwangsom

Art. 29.Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom en de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan de vermoedelijke overtreder beroep aantekenen bij de minister. Het beroep wordt ingediend met een beveiligde zending die gericht is aan de minister, op het adres van het departement, Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 Brussel.

Het beroepschrift voldoet op straffe van onontvankelijkheid aan de volgende voorwaarden: 1° de naam, voornaam en de woonplaats of de maatschappelijke benaming en de zetel vermelden van de beroepsindiener.Als de woonplaatskeuze bij de raadsman van de beroepsindiener wordt gedaan, wordt dat in het beroepschrift aangegeven; 2° ondertekend zijn door de beroepsindiener of zijn raadsman.In geval van ondertekening door een raadsman wordt een schriftelijke machtiging bijgevoegd, tenzij de raadsman ingeschreven is als advocaat of advocaat-stagiair; 3° het voorwerp van het beroep vermelden, met een omschrijving van de ingeroepen argumenten;4° een kopie van de bestreden beslissing bevatten;5° in voorkomend geval een inventaris van de overtuigingsstukken bevatten.

Art. 30.De gewestelijke beroepsinstantie of haar gemachtigde onderzoekt het beroep, vermeld in artikel 29 van dit besluit, op zijn ontvankelijkheid: 1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, brengt de gewestelijke beroepsinstantie of haar gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep.De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd; 2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, brengt de gewestelijke beroepsinstantie of haar gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd, daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. Binnen tien dagen na de ontvangst van de beveiligde zending, vermeld in het eerste lid, 2°, dient de persoon die de bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom heeft opgelegd, of zijn gemachtigde het administratieve dossier met een beveiligde zending in bij de gewestelijke beroepsinstantie. Dat administratieve dossier bevat minstens een kopie van de processen-verbaal of van de verslagen van vaststelling die geleid hebben tot de bestreden beslissing, en alle andere stukken en inlichtingen die relevant zijn voor de beoordeling van het beroep.

Na ontvangst van het administratieve dossier bezorgt de gewestelijke beroepsinstantie het volledige dossier onmiddellijk aan de Hoge Raad met het verzoek schriftelijk advies uit te brengen over de herstelmaatregel. Die bezorging kan digitaal gedaan worden.

De Hoge Raad brengt zijn advies uit binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen vanaf de dag na de ontvangst van de adviesaanvraag en bezorgt dat advies onmiddellijk aan de gewestelijke beroepsinstantie.

De gewestelijke beroepsinstantie of haar gemachtigde stelt binnen een termijn van vijfenveertig dagen, die geschorst is tijdens de periode van het advies van de Hoge Raad of tot het verstrijken van de termijn, vermeld in het vierde lid, een advies op over het beroep, vermeld in artikel 29 van dit besluit, en bezorgt dat onmiddellijk aan de minister.

De gewestelijke beroepsinstantie of haar gemachtigde brengt de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd op de hoogte van de termijnverlenging, vermeld in artikel 6.4.8, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

De gewestelijke beroepsinstantie of haar gemachtigde bezorgt de beslissing van de minister of een eensluidend verklaarde kopie ervan met een beveiligde zending aan de beroepsindiener en aan de persoon die de bestuurlijke maatregel van bestuursdwang of last onder dwangsom heeft opgelegd, binnen een termijn van tien dagen na de datum van de beslissing.

In dit artikel wordt verstaan onder gewestelijke beroepsinstantie: de subentiteit van het departement, die aangewezen is om de beroepen tegen de administratieve besluiten, vermeld in artikel 6.4.8 en 6.4.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, te behandelen. HOOFDSTUK 1 4. - Het herstelattest

Art. 31.§ 1. Het herstelattest, vermeld in artikel 6.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt aangevraagd bij het college van burgemeester en schepenen dat bevoegd is voor het grondgebied waar het onroerend goed dat of de constructie die het voorwerp heeft uitgemaakt van de rechterlijke herstelmaatregel of de bestuurlijke maatregel, gelegen is.

Het attest wordt enkel uitgereikt voor de rechterlijke herstelmaatregelen of de bestuurlijke maatregelen die door een vonnis, arrest, bestuurlijk besluit of minnelijke schikking zijn opgelegd of overeengekomen nà de inwerkingtreding van artikel 89 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, zoals bepaald in artikel 7.7.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Het attest bevat de volgende gegevens: 1° de identificatie van de aanvrager;2° de kadastrale identificatie van het onroerend goed of de constructie;3° de gegevens met betrekking tot de beslissing, uitspraak of minnelijke schikking waarin het herstel werd opgelegd, bevolen of overeengekomen;4° de gegevens met betrekking tot het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering;5° een beschrijving van het herstel en in voorkomend geval een afschrift van het beeldverslag;6° de bevestiging dat het voorwerp van de uitgevoerde herstelmaatregelen in de door het herstelattest gedocumenteerde staat behouden kan blijven; 7° de tekst van artikel 6.6.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. § 2. Behoudens het geval vermeld in paragraaf 4, wordt voor de aanvraag gebruikgemaakt van het daartoe bestemde aanvraagformulier, waarvan de modellen worden vastgesteld door de minister. Die aanvraagformulieren kunnen worden verkregen bij de gemeentelijke overheid.

De aanvraag omvat een aanvraagformulier met al de volgende bijlagen: 1° een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering;2° een afschrift van de beslissing of uitspraak waarin het herstel werd opgelegd of bevolen;3° een beeldverslag van de actuele herstelde toestand in een reeks van minstens drie foto's en vergezeld van een inplantingsplan waarop is aangeduid vanuit welke positie de foto's zijn genomen. § 3. Het attest wordt uitgereikt na de betaling van een vergoeding aan het college van burgemeester en schepenen, vermeld in paragraaf 1. De vergoeding voor het herstellattest bedraagt maximaal 100 euro. § 4. Nadat de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester, vermeld in paragraaf 1, het proces-verbaal van vaststelling van uitvoering van de minnelijke schikking, vermeld in artikel 6.4.21 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, heeft ontvangen, wordt in afwijking van paragraaf 2, het herstelattest op eenvoudig verzoek uitgereikt aan de aanvrager na de betaling van de vergoeding, vermeld in paragraaf 3. § 5. De minister bepaalt de vorm van het herstelattest. HOOFDSTUK 1 5. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van

28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel

Art. 32.In het opschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel wordt het woord "bekrachtigd" opgeheven.

Art. 33.In artikel 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 2° wordt tussen de zinsnede "Ruimtelijke Ordening," en de woorden "wordt vastgesteld" de zinsnede "zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 83 en 116 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning," ingevoegd;2° aan punt 3° wordt de zinsnede ", zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 20 en 36 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning" toegevoegd.

Art. 34.In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 en 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt opgeheven;2° aan paragraaf 2, tweede lid, 4°, wordt de zinsnede "zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 83 en 116 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning" toegevoegd.

Art. 35.In artikel 3 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en de woorden "waarin de betrokkene" de zinsnede ", zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 83 en 116 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning," ingevoegd;2° in het derde lid, 6°, wordt tussen de woorden "van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en de zinsnede "en van artikel 4 en 5" de zinsnede ", zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 83 en 116 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning" ingevoegd.

Art. 36.In artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 en 15 juli 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening" en de zinsnede ", worden gericht" de zinsnede ", zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 83 en 116 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning," ingevoegd;2° in het eerste en tweede lid worden de woorden "stedenbouwkundige inspecteur" telkens vervangen door "gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur".

Art. 37.Aan artikel 6, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009, wordt de zinsnede ", zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van artikel 83 en 116 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning," toegevoegd. Afdeling 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse regering van

19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld

Art. 38.Artikel 9 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 2000 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan personen moeten voldoen om als ambtenaar ruimtelijke ordening te kunnen worden aangesteld, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en gewijzigd bij het besluit van 17 februari 2017, wordt opgeheven. Afdeling 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van

12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Art. 39.In hoofdstuk IV van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 februari 2017, wordt het opschrift van afdeling II vervangen door wat volgt: "Afdeling II. Handhavingsrapport".

Art. 40.In artikel 6 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste en tweede lid wordt het woord "milieuhandhavingsrapport" vervangen door het woord "handhavingsrapport"; 2° in het eerste lid wordt de zinsnede "16.2.5, vierde lid" vervangen door de zinsnede "16.2.5, vijfde lid".

Art. 41.In artikel 6/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juni 2016, wordt het woord "milieuhandhavingsrapport" vervangen door het woord "handhavingsrapport". Afdeling 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van

4 september 2009 betreffende de selectiecriteria en de vergoedings-, presentie- en reiskostenregeling van de leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.

Art. 42.In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 betreffende de selectiecriteria en de vergoedings-, presentie- en reiskostenregeling van de leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid worden de woorden "het Handhavingsbeleid" vervangen door de woorden "de Handhavingsuitvoering".

Art. 43.In artikel 1 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 1° worden de woorden "het Handhavingsbeleid" vervangen door de zinsnede "de Handhavingsuitvoering, vermeld in artikel 6.3.7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening"; 2° in punt 3° wordt de zinsnede "6.1.39" vervangen door de zinsnede "6.3.16".

Art. 44.In artikel 4, § 1, van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "6.1.38" vervangen door de zinsnede "6.3.16".

Art. 45.In artikel 9 van hetzelfde besluit wordt tussen de woorden "Ruimtelijke Ordening" en de woorden "van rechtswege" de zinsnede ", zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het artikel 112 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning," ingevoegd.

Art. 46.In artikel 10 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede "6.1.40" vervangen door de zinsnede "6.3.17". Afdeling 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van

1 oktober 2010 houdende de vaststelling van het procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid

Art. 47.In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2010 houdende de vaststelling van het procedure- en werkingsreglement van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid worden de woorden "het Handhavingsbeleid" vervangen door de woorden "de Handhavingsuitvoering". Afdeling 6. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van

15 juli 2016 tot wijziging van diverse besluiten wat betreft de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en in het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen

Art. 48.Artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 tot wijziging van diverse besluiten wat betreft de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en in het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 1 6. - Slotbepalingen

Art. 49.De volgende regelingen worden opgeheven: 1° het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 houdende de aanwijzing van ambtenaren die bevoegd zijn om de misdrijven op het gebied van de ruimtelijke ordening en stedenbouw op te sporen en vast te stellen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, 23 juni 2006, 5 juni 2009 en 15 juli 2016;2° het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de berekening en de betaling van de meerwaarde, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001, 14 mei 2004, 23 juni 2006, 29 mei 2009, 15 juli 2016 en 24 februari 2017;3° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009 betreffende de minnelijke schikking inzake ruimtelijke ordening.

Art. 50.Elk bestaand protocol dat gesloten is in het kader van artikel 7, § 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Inspectie RWO en dat van kracht is gebleven op grond van artikel 29 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 tot wijziging van diverse besluiten wat betreft de integratie van de opdrachten van het agentschap Inspectie RWO in het departement Leefmilieu, Natuur en Energie en in het agentschap Wonen-Vlaanderen, alsook betreffende de begrotingsfondsen, blijft van kracht zolang dat niet is vervangen door een protocol als vermeld in artikel 7, § 1, tweede lid, van dit besluit.

Art. 51.De volgende regelgevende teksten treden in werking op 1 maart 2018: 1° het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, met uitzondering van de artikelen, vermeld in artikel 145, tweede lid van het voormelde decreet;2° dit besluit.

Art. 52.De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 9 februari 2018.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

^