Besluit Van De Vlaamse Regering van 14 december 2007
gepubliceerd op 22 april 2008
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming

bron
vlaamse overheid
numac
2008200841
pub.
22/04/2008
prom.
14/12/2007
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

14 DECEMBER 2007. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming


De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 20;

Gelet op het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, inzonderheid op de artikelen 2, 9°, 3, § § 2 en 3, 5, § 4, 6, 7, § § 2 en 3, 8, § 2, 9, § 1, 10, § 6, 12, § § 2 en 5, 19, § 3, 23, § § 2 en 5, 27, 28, § § 2 en 4, 29, 30, 33, 36, 38, § 2, 39, § 2, 45, § 2, 47, § 2, 48, 49, 51, 57, 62, 63, § 2, 66, 67, § 3, 71, § 2, 84, § § 2 en 3, 89, 90, 91, § § 1 en 2, 95, § 2, 97, § 1, 98, 99, 100, 103, 104, § 2, 3°, 106, 107, 109, § 2, 3°, 111, 114, 115, § 4, 2°, 120, § 3, 122, § 3, 125, § 3, 126, 138, 139, § § 2 en 3, 152, 155, § 2, 162, § 1, 163, § 1, 164, 165, 172, § 1, en 178, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 1998, 9 februari 1999, 12 oktober 2001, 7 december 2001, 14 juni 2002, 5 december 2003, 9 januari 2004, 23 april 2004, 22 september 2006, 15 december 2006 en 7 september 2007;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 4 oktober 2007;

Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 30 augustus 2007;

Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 31 augustus 2007;

Gelet op advies 43.678/3 van de Raad van State, gegeven op 7 november 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur;

Na beraadslaging, Besluit : Titel I. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° Bodemdecreet : decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;2° minister : Vlaamse minister, bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid;3° juridische dienst : Juridische Dienst van de afdeling die bevoegd is voor de juridische zaken van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van de Vlaamse overheid;4° Milieuvergunningsdecreet : decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;5° Vlarem I : besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;6° Vlarem II : besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; 7° CMA : Compendium voor Monsterneming en Analyse, vermeld in artikel 7.3.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer.

Titel II. - Doelstellingen en algemene bepalingen Hoofdstuk I. - Doelstellingen Afdeling I. - Richtwaarden voor de bodemkwaliteit

Art. 2.De richtwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3, § 2, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage II, gevoegd bij dit besluit. Afdeling II. - Streefwaarden voor de bodemkwaliteit

Art. 3.De streefwaarden voor de bodemkwaliteit, vermeld in artikel 3, § 3, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage III, gevoegd bij dit besluit.

Hoofdstuk II. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Opstallen die geen grond zijn

Art. 4.De volgende opstallen worden voor de toepassing van het Bodemdecreet niet beschouwd als grond in de zin van artikel 2, 9°, van het Bodemdecreet : 1° scheidingsmuren en omheiningen;2° reclameborden en -zuilen;3° straatmeubilair en abri's;4° antennes en masten;5° hoogspanningsmasten, tellers, laagspanningskasten;6° installaties voor het opwekken van water-, wind- en zonne-energie;7° waterleiding-, elektriciteits- en gasdistributienetwerk;8° datacommunicatie-, computer- en televisiekabelnetwerk;9° rails van trein, tram en metro. Afdeling II. - Monsternemingen en analyses

Art. 5.De monsternemingen in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld.

Art. 6.De analyses in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard.

De OVAM spreekt zich uit binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verzoek om een methode gelijkwaardig te verklaren.

Bij gebrek aan uitspraak binnen die termijn wordt de methode geacht niet gelijkwaardig te zijn.

Als de OVAM een methode gelijkwaardig verklaart, geldt die verklaring alleen voor het laboratorium dat het verzoek heeft ingediend en alleen voor de resterende duur van de erkenning van dat laboratorium. Afdeling III. - Standaardprocedures

Art. 7.De standaardprocedures, vermeld in het Bodemdecreet, worden vastgesteld door de minister.

De besluiten houdende vaststelling van de standaardprocedures worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling IV. - Financiële zekerheden

Onderafdeling I. - Vorm van de financiële zekerheid

Art. 8.Een financiële zekerheid in het kader van het Bodemdecreet kan de volgende vormen aannemen, afzonderlijk of in combinatie : 1° een onherroepelijke garantie van de volgende kredietinstellingen : a) een kredietinstelling die vergund is krachtens de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;b) een kredietinstelling die ressorteert onder een andere lidstaat van de Europese Unie en die, krachtens voormelde wet van 22 maart 1993, haar werkzaamheden op het Belgische grondgebied mag uitoefenen;2° een onherroepelijke garantie van een verzekeringsonderneming die toegelaten is krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;3° een verpande rekening van een kredietinstelling, vermeld in punt 1°. De OVAM kan ook een andere financiële zekerheid aanvaarden als is aangetoond dat die financiële zekerheid voldoende garantie geeft dat de verplichtingen bij of krachtens het Bodemdecreet kunnen worden nagekomen.

Onderafdeling II. - Bedrag en looptijd van de financiële zekerheid

Art. 9.Het bedrag van de financiële zekerheid wordt door de OVAM vastgesteld op basis van een door haar goedgekeurde raming van de kosten van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet moet worden gesteld.

De OVAM kan een lager bedrag dan vermeld in het eerste lid aanvaarden op basis van elementen die de zekerheidsteller aanbrengt om te motiveren dat het risico dat de OVAM de financiële zekerheid moet aanspreken beperkt is.

De OVAM kan een hoger bedrag dan vermeld in het eerste lid vaststellen op basis van een inschatting van de risico's dat de gekozen techniek om de bodemverontreiniging te behandelen niet of in onvoldoende mate leidt tot het realiseren van de doelstellingen van het Bodemdecreet.

Art. 10.De looptijd van de financiële zekerheid moet minstens de duurtijd dekken van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet moet worden gesteld.

Onderafdeling III. - Aanpassing van de gestelde financiële zekerheid

Art. 11.De zekerheidsteller kan bij de OVAM een schriftelijke aanvraag indienen om het bedrag of de looptijd van de gestelde financiële zekerheid te verminderen. De OVAM neemt hierover een beslissing, rekening houdend met de resultaten van de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet werd gesteld en met de nog uit te voeren verplichtingen.

Art. 12.Onder meer in de volgende gevallen kan de OVAM de zekerheidsteller de verplichting opleggen om de vorm, het bedrag of de looptijd van de gestelde financiële zekerheid binnen een door haar bepaalde termijn aan te passen : 1° als de termijn voor de uitvoering van de verplichtingen waarvoor de financiële zekerheid krachtens het Bodemdecreet werd gesteld, niet of in onvoldoende mate wordt nageleefd;2° als de OVAM van oordeel is dat het voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject, het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject of het conform verklaarde risicobeheersplan een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigt;3° als de OVAM van oordeel is dat het nieuwe bodemsaneringsproject of het nieuwe beperkt bodemsaneringsproject, opgelegd krachtens artikel 64, tweede lid, van het Bodemdecreet, een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigt;4° als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject of het beperkt bodemsaneringsproject opgesteld in het kader van de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115 van het Bodemdecreet, een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigt;5° als de OVAM op basis van het eindevaluatieonderzoek van oordeel is dat de resultaten van de bodemsaneringswerken een aanpassing van de gestelde financiële zekerheid rechtvaardigen. Titel III. - Bodemsanering Hoofdstuk I. - Identificatie en inventarisatie van gronden Afdeling I. - Grondeninformatieregister

Onderafdeling I. - Beheer van het Grondeninformatieregister

Art. 13.De OVAM neemt een grond op in het Grondeninformatieregister wanneer ze over de volgende gegevens beschikt : 1° de ligging van de grond : de kadastrale gegevens van de grond of een duidelijke ruimtelijke afbakening van de grond op basis van het in het Vlaamse Gewest gehanteerde coördinatenstelsel die onweerlegbaar de ligging ten opzichte van de perceelsgrenzen bepaalt;2° de identiteit van de eigenaar van de grond;3° minstens een van de volgende gegevens over de grond : a) informatie over de grond afkomstig uit de gemeentelijke inventaris;b) relevante gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit van de grond, vastgesteld door bodemsaneringsdeskundigen, bevoegde instanties als vermeld in het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, of politiediensten.

Art. 14.De in het Grondeninformatieregister aanwezige gegevens worden vervolledigd of bijgewerkt op basis van relevante gegevens die vastgesteld zijn door de personen, diensten en instanties, vermeld in artikel 13, of door instrumenterende ambtenaren.

Art. 15.Op eerste verzoek bezorgen alle diensten van de Vlaamse overheid, de gemeenten en provincies met het oog op het beheer van het Grondeninformatieregister alle nuttige gegevens aan de OVAM en aan de bodemsaneringsdeskundige die handelt in opdracht van de OVAM. Onderafdeling II. Toegankelijkheid van het Grondeninformatieregister

Art. 16.De informatie uit het grondeninformatieregister is toegankelijk via de aanvraag van een bodemattest, via een verzoek om specifieke informatie of via het e-loket van de OVAM, en dit overeenkomstig de procedure en de voorwaarden, vermeld in artikel 17 tot en met 20.

A. Bodemattest

Art. 17.De aanvraag van een bodemattest moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij de OVAM worden ingediend met een volledig ingevuld aanvraagformulier voor een bodemattest. Het model van dat aanvraagformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de coördinaten van de aanvrager;2° de coördinaten van de grond waarop de aanvraag voor bodemattest betrekking heeft;3° als de aanvraag betrekking heeft op een grond zonder kadastraal nummer : een kadastraal plan met aanduiding van de contouren van de grond. Bij de aanvraag van een bodemattest moet overeenkomstig artikel 162, § 9, van het Bodemdecreet, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 162, § 1, van het Bodemdecreet, worden gevoegd.

Art. 18.Als de OVAM de aanvraag van een bodemattest onontvankelijk verklaart, stuurt ze die beslissing binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag naar de aanvrager met vermelding van de reden van niet-ontvankelijkheid.

Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van die beslissing zorgt de aanvrager ervoor dat de aanvraag voldoet aan alle ontvankelijkheidsvereisten, vermeld in het eerste lid. Als dat niet het geval is, wordt de aanvraag geacht definitief onontvankelijk te zijn.

Het bodemattest op aanvraag wordt door de OVAM uitgereikt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

Als de aanvraag op een risicogrond betrekking heeft, wordt het bodemattest door de OVAM uitgereikt binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

B. Specifieke informatie

Art. 19.De OVAM kan op schriftelijk verzoek specifieke informatie verstrekken uit het Grondeninformatieregister.

Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek om specifieke informatie stuurt de OVAM naar de aanvrager een ontwerp van overeenkomst die de modaliteiten van de gevraagde dienstverlening omvat. Die modaliteiten hebben minstens betrekking op de termijn waarbinnen de gevraagde informatie wordt geleverd en de prijs voor die dienstverlening.

C. Digitale informatie via het e-loket van de OVAM

Art. 20.In het kader van de uitvoering van de taken, vermeld in artikelen 28 en 29, kan een bodemsaneringsdeskundige via het e-loket van de OVAM de volgende informatie uit het Grondeninformatieregister opvragen : de verslagen van bodemonderzoeken en de rapporten over bodemsaneringen en over andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van titel III van het Bodemdecreet, in digitale vorm. Afdeling II. - Lijst van risico-inrichtingen

Art. 21.De lijst van risico-inrichtingen is vastgesteld in bijlage I, gevoegd bij dit besluit.

Tijdelijke inrichtingen en verplaatsbare inrichtingen als vermeld in het Milieuvergunningsdecreet worden voor de toepassing van het Bodemdecreet en dit besluit niet beschouwd als risico-inrichtingen. Afdeling III. - Gemeentelijke inventaris van risicogronden

Onderafdeling I. - Beheer van de gemeentelijke inventaris

Art. 22.Een gemeente neemt een grond op in de gemeentelijke inventaris van risicogronden op basis van relevante gegevens over risico-inrichtingen die in de gemeente geëxploiteerd werden of in exploitatie zijn. Het gaat om gegevens die in haar bezit zijn of die haar worden bezorgd door bodemsaneringsdeskundigen, instrumenterende ambtenaren, bevoegde instanties, als vermeld in het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, of politiediensten.

De in de gemeentelijke inventaris aanwezige gegevens worden vervolledigd of bijgewerkt op basis van relevante gegevens die afkomstig zijn van de personen, instanties en diensten, vermeld in het eerste lid.

Art. 23.Voor elke risicogrond wordt in de gemeentelijke inventaris minstens de volgende informatie opgenomen en beheerd : 1° de ligging van de grond : de kadastrale gegevens van de grond of een duidelijke ruimtelijke afbakening van de grond op basis van het in het Vlaamse Gewest gehanteerde coördinatenstelsel die onweerlegbaar de ligging ten opzichte van de perceelsgrenzen bepaalt;2° de risico-inrichtingen die op de grond gevestigd zijn of waren : a) nummer, beschrijving en categorie van de risico-inrichting, zoals ingedeeld in de lijst van risico-inrichtingen;b) start- en einddatum van de exploitatie van de risico-inrichting, voor zover die informatie beschikbaar is;3° de identiteit van de eigenaar.

Art. 24.De gemeente staat niet in voor de juistheid van de gegevens die haar overeenkomstig dit besluit rechtstreeks of onrechtstreeks worden verstrekt.

Art. 25.De minister bepaalt de inhoud en de vorm van het uittreksel, vermeld in artikel 7, § 2, van het Bodemdecreet, evenals de modaliteiten volgens welke het uittreksel aan de OVAM wordt bezorgd.

Onderafdeling II. - Toegankelijkheid van de gemeentelijke inventaris

Art. 26.Overeenkomstig artikel 7 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur bezorgt de gemeente op eenvoudig schriftelijk verzoek informatie uit de gemeentelijke inventaris aan iedereen die erom vraagt.

Hoofdstuk II. - Erkenning als bodemsaneringsdeskundige Afdeling I. - Taken van de bodemsaneringsdeskundige

Art. 27.Twee types van bodemsaneringsdeskundigen worden onderscheiden : een bodemsaneringsdeskundige van type 1 en van type 2.

Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 kan zowel een natuurlijk persoon als een rechtspersoon zijn. Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 kan alleen een rechtspersoon zijn.

De OVAM is van rechtswege erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 2.

Art. 28.Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 is in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit erkend voor de uitvoering van de volgende taken : 1° het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;2° het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen, voor zover die maatregelen geen grondwateronttrekkingen omvatten;3° het leiden van het opstellen van een technisch verslag;4° het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;5° het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet.

Art. 29.Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 is in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit erkend voor de uitvoering van de volgende taken : 1° het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;2° het leiden van de uitvoering van een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek;3° het leiden van de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek;4° het leiden van de opstelling van een bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject, evenals het opstellen van voorstellen van kleine of grote wijziging of aanvulling als vermeld in artikel 63, § 1, van het Bodemdecreet;5° het leiden van de uitvoering van bodemsaneringswerken;6° het leiden van de uitvoering van de nazorg;7° het leiden van de uitvoering van een eindevaluatieonderzoek;8° het leiden van de uitvoering van een siteonderzoek;9° het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen;10° het leiden van het voorstel van gebruiks- en bestemmingsbeperkingen;11° het leiden van de opstelling van een risicobeheersplan;12° het leiden van de uitvoering van risicobeheersmaatregelen en het opstellen van opvolgingsrapporten als vermeld in artikel 88 van het Bodemdecreet;13° het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet;14° het leiden van de uitvoering van een waterbodemonderzoek en van de taken, vermeld in 4° tot en met 13°, met betrekking tot verontreinigde waterbodems;15° het leiden van het opstellen van een technisch verslag;16° het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;17° het opmaken van een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan. Afdeling II. - Voorwaarden tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige

Onderafdeling I. - Bodemsaneringsdeskundige van type 1

Art. 30.§ 1. Om als natuurlijk persoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 gelden de volgende voorwaarden : 1° een grondige kennis hebben van de volgende disciplines : bodemkunde, geologie en scheikunde;2° minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging gedurende de zes jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;3° een grondige kennis hebben van het Bodemdecreet, zijn uitvoeringsbesluiten, de standaardprocedures en de codes van goede praktijk, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit;4° zelf beschikken over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de OVAM;5° zelf de nodige ervaring hebben om het model, vermeld in 4°, te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;6° een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die de activiteiten als bodemsaneringsdeskundige dekt;7° beschikken over de burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;8° wanneer de bodemsaneringsdeskundige : a) een handelaar is : 1) niet in staat van faillissement verkeren of een gerechtelijk akkoord verkregen hebben, dan wel in een soortgelijke toestand verkeren als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;2) niet het voorwerp zijn van een procedure van faillietverklaring of van gerechtelijk akkoord of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de wetten en regelingen van het land waar hij gevestigd is;b) geen handelaar is : 1) niet in staat van kennelijk onvermogen verkeren, dan wel in een soortgelijke toestand als gevolg van enige procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;2) niet het voorwerp zijn van een procedure van collectieve schuldenregeling of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de wetten en regelingen van het land waar hij gevestigd is;9° binnen het jaar na de datum van de erkenning beschikken over een kwaliteitshandboek. § 2. Om als rechtspersoon te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 1 gelden de volgende voorwaarden : 1° opgericht zijn in overeenstemming met de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;2° als het gaat om een handelaar : ingeschreven zijn in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van het land waar hij gevestigd is;3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van de volgende disciplines : bodemkunde, geologie en scheikunde;4° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring heeft in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging gedurende de zes jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;5° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die een grondige kennis heeft van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, de standaardprocedures en de codes van goede praktijk, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit;6° zelf beschikken over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de OVAM;7° een gekwalificeerd persoon in dienst hebben met de nodige ervaring om het model, vermeld in 6°, te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;8° een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die de activiteiten als bodemsaneringsdeskundige dekt;9° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;10° de voorwaarde, vermeld in § 1, 8°, is van overeenkomstige toepassing;11° binnen het jaar na de datum van de erkenning beschikken over een kwaliteitshandboek. Onderafdeling II. - Bodemsaneringsdeskundige van type 2

Art. 31.Om te worden erkend als bodemsaneringsdeskundige van type 2 gelden de volgende voorwaarden : 1° opgericht zijn in overeenstemming met de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;2° als het gaat om een handelaar : ingeschreven zijn in het handels- of beroepsregister volgens de eisen van het land waar hij gevestigd is;3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van de volgende disciplines : biologie, bodemkunde, geologie, microbiologie en scheikunde;4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met een grondige kennis van de disciplines bouwkunde en grondmechanica;5° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring heeft in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico's van bodemverontreiniging gedurende de zes jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;6° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens vijf jaar beroepservaring heeft in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;7° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die kennis heeft van en minstens vijf jaar beroepservaring heeft met werfopvolging gedurende de tien jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;8° minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben die minstens twee jaar ervaring heeft met het opstellen van bestekken voor de aanneming van werken gedurende de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de erkenningsaanvraag;9° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van het Bodemdecreet, zijn uitvoeringsbesluiten en de standaardprocedures en de codes van goede praktijk, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit, alsook van de Vlaamse reglementeringen inzake de milieuvergunning, het grondwaterbeheer en de stedenbouw;10° zelf beschikken over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de OVAM, en minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben met de nodige ervaring om het model te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;11° zelf beschikken of de contractuele beschikking hebben over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de OVAM, en minstens één natuurlijke persoon in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om het model te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;12° zelf beschikken of de contractuele beschikking hebben over de nodige middelen om infrastructuurwerken te ontwerpen en te begeleiden;13° een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid hebben die de activiteiten als bodemsaneringsdeskundige dekt;14° voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;16° de voorwaarde, vermeld in artikel 30, § 1, 8°, is van overeenkomstige toepassing;17° binnen het jaar na de datum van de erkenning beschikken over een kwaliteitshandboek. Onderafdeling III. - Algemene bepalingen

Art. 32.De grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 1°, en § 2, 3°, en artikel 31, 3° en 4°, moet worden aangetoond met academische diploma's of diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of ermee gelijkgestelde diploma's.

De grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 3°, en § 2, 5°, en artikel 31, 9°, kan worden aangetoond met academische diploma's of diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of ermee gelijkgestelde diploma's, of moet blijken uit een curriculum vitae, referentielijst of getuigschrift. De beroepservaring, vermeld in artikel 30, § 1, 2°, en § 2, 4°, en artikel 31, 5°, tot en met 8°, en 11°, moet blijken uit een curriculum vitae, getuigschrift, referentielijst of beschrijving van de opgedane relevante ervaring. De OVAM beoordeelt of de door de bodemsaneringsdeskundige voorgestelde personen beschikken over die vereiste grondige kennis of beroepservaring.

Het ter beschikking hebben, vermeld in artikel 31, 4°, 11°, en 12°, moet van die aard zijn dat de uit het Bodemdecreet voortvloeiende termijnen kunnen worden nageleefd.

Het in dienst hebben, vermeld in artikel 30, § 2,3°,tot en met 5°, en 7°, en 31, 4°, tot en met 9°, en 11°, moet worden begrepen als de arbeid ter beschikking hebben van een werknemer in ondergeschikt verband via arbeidsovereenkomst, of de diensten op continue basis ter beschikking hebben van een zelfstandige op voorwaarde dat die persoon de kennis of ervaring, vermeld in artikel 30 of 31, via die dienstverlening ter beschikking stelt van maximaal drie bodemsaneringsdeskundigen. Afdeling III. - Procedure tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige

Onderafdeling I. - Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning

Art. 33.De aanvraag om als bodemsaneringsdeskundige erkend te worden, wordt bij aangetekende brief gericht aan de minister, per adres van de OVAM.

Art. 34.§ 1. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag voor de erkenning als bodemsaneringsdeskundige de volgende gegevens bevatten : 1° als het een rechtspersoon betreft : a) de statuten van de rechtspersoon;b) de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon gemachtigd zijn om de rechtspersoon ten aanzien van derden te verbinden;2° een kopie van de diploma's waarmee de grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 1°, en § 2,3°, en artikel 31, 3°, en 4°, en in voorkomend geval de grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 3°, en § 2, 5°, en artikel 31, 9°, wordt aangetoond;3° een curriculum vitae, getuigschrift, referentielijst of beschrijving van de opgedane relevante ervaring van de personen die beschikken over de grondige kennis, vermeld in artikel 30, § 1, 3°, en § 2, 5°, en artikel 31, 9°, en de beroepservaring, vermeld in artikel 30, § 1, 2°, en § 2, 4°, en artikel 31, 5°, tot en met 8°, en 11°, waaruit die kennis en ervaring blijkt;4° een bewijs dat de aanvrager de beschikking heeft over de modellen, vermeld in artikel 30 of 31;5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager zich tot het volgende verbindt : a) binnen een termijn van dertig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid als vermeld in artikel 30 of 31 te sluiten en de OVAM in kennis te stellen van de afgesloten polis;b) binnen een termijn van honderdtachtig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing de noodzakelijke personen, vermeld in artikel 30 of 31, in dienst te nemen of contractueel ter beschikking te hebben, voor zover hij die personen nog niet in dienst heeft of contractueel ter beschikking heeft;c) alle analyses van monsters en al het veldwerk uit te voeren of te laten uitvoeren als vermeld in artikel 36, 2°;6° een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de persoon, vermeld in artikel 30, § 1, of van de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden;7° als de aanvrager handelaar is, een recent bewijs waaruit blijkt dat de aanvrager : a) niet in staat van faillissement of van vereffening verkeert of een gerechtelijk akkoord verkregen heeft, dan wel in een soortgelijke toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure die geldt in het land waar hij gevestigd is;b) niet het voorwerp is van een procedure van faillietverklaring of van gerechtelijk akkoord of van een andere soortgelijke procedure die voorkomt in de wetten en regelingen van het land waar hij gevestigd is;8° een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft. § 2. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag voor de erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 2 naast de gegevens, vermeld in § 1, ook een bewijs bevatten dat de aanvrager zelf beschikt of de contractuele beschikking heeft over de middelen om infrastructuurwerken te ontwerpen en te begeleiden. § 3. De OVAM kan een model van aanvraagformulier tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige ter beschikking stellen.

Onderafdeling II. - Beoordeling, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning

Art. 35.De procedure voor de behandeling van de aanvragen tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige is als volgt : 1° de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij de OVAM zich tevens uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.

Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw bij aangetekende brief aan de OVAM toegestuurd. De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij de OVAM zich tevens uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag; 3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;4° de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;5° binnen honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM bij aangetekende brief aan de aanvrager betekend.De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Afdeling IV. - Voorwaarden voor het gebruik van de erkenning als

bodemsaneringsdeskundige

Art. 36.In het kader van het gebruik van de erkenning is de bodemsaneringsdeskundige ertoe gehouden : 1° alle monsters die genomen worden in het kader van het Bodemdecreet te laten analyseren overeenkomstig het CMA of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard bij een laboratorium dat erkend is voor de uit te voeren metingen krachtens het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;2° het veldwerk uit te voeren, of erop toe te zien dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard;3° op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de OVAM mee te delen waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en dit besluit wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de OVAM;4° de taken, vermeld in artikel 28 of 29, uit te voeren in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit;5° in elk rapport, verslag of project, opgesteld krachtens het Bodemdecreet of dit besluit, te verklaren dat hij niet verkeert in een van de gevallen van onverenigbaarheid als vermeld in artikel 46;6° de verslagen, rapporten en projecten, opgesteld krachtens het Bodemdecreet en dit besluit, als auteurs mee te laten ondertekenen door de personen die beschikken over de kennis of ervaring, vermeld in artikel 30 of 31, als bepaald in de standaardprocedures, vermeld in het Bodemdecreet. De OVAM beoordeelt of de door de bodemsaneringsdeskundige voorgestelde personen beschikken over de vereiste kennis en ervaring, en ze kent die personen de bevoegdheid toe om welbepaalde verslagen, rapporten en projecten, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit, als auteur mee te ondertekenen of ze weigert die bevoegdheid; 7° onverwijld de volgende wijzigingen aan de OVAM te melden : a) wijziging van de personen met handtekeningbevoegdheid, vermeld in punt 6°;b) wijziging van de modellen, vermeld in artikel 30 en 31, of wijziging van de personen met de vereiste ervaring om die modellen te hanteren en de resultaten ervan te interpreteren;8° een klachtenregister bij te houden dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;9° jaarlijks een jaarverslag op te stellen.Het jaarverslag bevat minstens de volgende elementen : a) een overzicht van de personen, vermeld in artikel 30 of 31, die beschikken over de vereist kennis en beroepservaring;b) een evaluatie van de genomen acties omtrent de kwaliteitsborging, de opleiding van het personeel en de inhoud van het klachtenregister. De bodemsaneringsdeskundige bezorgt de jaarverslagen op eenvoudig verzoek aan de OVAM; 10° een kwaliteitshandboek op te maken en actueel te houden. Afdeling V

Schorsing en opheffing van de handtekeningsbevoegdheid en van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige Onderafdeling I. - Schorsing en opheffing van de handtekeningsbevoegdheid

Art. 37.Naar aanleiding van een ernstige fout of van herhaaldelijke fouten in de verslagen, rapporten of projecten van de bodemsaneringsdeskundige of naar aanleiding van eigen onderzoeksdaden kan de OVAM overgaan tot een herevaluatie om te onderzoeken of de personen met handtekeningsbevoegdheid wel degelijk beschikken over de vereiste kennis en ervaring, vermeld in artikel 30 of 31.

De OVAM kan op basis van de herevaluatie de handtekeningbevoegdheid van de personen, vermeld in artikel 36, 6°, schorsen, voor een termijn van dertig dagen tot honderdtachtig dagen, of opheffen.

Art. 38.De OVAM brengt de bodemsaneringsdeskundige en de houder van de handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige, bij aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing of opheffing van de handtekeningsbevoegdheid. Binnen een termijn van dertig dagen na datum van ontvangst van die brief kan de houder van de handtekeningsbevoegdheid alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing of opheffing van de handtekeningsbevoegdheid te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de OVAM kenbaar te maken. De OVAM neemt een beslissing over de schorsing of de opheffing, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten of de eventueel meegedeelde verweermiddelen.

In geval van schorsing of opheffing van de handtekeningsbevoegdheid betekent de OVAM die beslissing bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige en aan de houder van de handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige.

Onderafdeling II. - Schorsing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige

Art. 39.De minister kan te allen tijde de erkenning als bodemsaneringsdeskundige schorsen voor een termijn van maximaal honderdtachtig dagen in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige voert de taken, vermeld in artikel 28 of 29, niet reglementair of niet objectief uit;2° de bodemsaneringsdeskundige houdt onvoldoende toezicht op het veldwerk of het gebruik van de correcte analysemethode;3° de bodemsaneringsdeskundige voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30 of 31;4° de bodemsaneringsdeskundige leeft de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 36, niet na;5° de bodemsaneringsdeskundige begaat onregelmatigheden bij de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 28 of 29;6° de bodemsaneringsdeskundige is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsethiek van de bodemsaneringsdeskundige in kwestie aantast.

Art. 40.De minister brengt de bodemsaneringsdeskundige bij aangetekende brief op de hoogte van zijn voornemen tot schorsing van de erkenning met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na datum van ontvangst van die brief kan de bodemsaneringsdeskundige alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De minister neemt een beslissing over de schorsing van de erkenning, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten of de eventueel meegedeelde verweermiddelen.

In geval van schorsing van de erkenning wordt die beslissing door de minister bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Onderafdeling III. - Opheffing van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige

Art. 41.De minister kan te allen tijde de erkenning als bodemsaneringsdeskundige opheffen in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige voert de taken, vermeld in artikel 28 of 29, herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uit;2° de bodemsaneringsdeskundige houdt herhaaldelijk onvoldoende toezicht op veldwerk of het gebruik van de correcte analysemethode;3° de bodemsaneringsdeskundige voldoet bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog steeds niet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 39, 3°, geschorst werd;4° de bodemsaneringsdeskundige leeft de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 36, bij herhaling niet na;5° de bodemsaneringsdeskundige begaat ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden bij de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 28 of 29;6° de bodemsaneringsdeskundige is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsethiek van de bodemsaneringsdeskundige in ernstige mate aantast.

Art. 42.De bepalingen van artikel 40 zijn van overeenkomstige toepassing.

Onderafdeling IV. - Opheffing van rechtswege van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige

Art. 43.§ 1. De erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 1 wordt van rechtswege opgeheven als de bodemsaneringsdeskundige gedurende twee opeenvolgende volledige kalenderjaren minder dan tien technische verslagen en minder dan tien verslagen van oriënterend bodemonderzoek heeft opgemaakt, en bij een erkende bodembeheerorganisatie, respectievelijk bij de OVAM heeft ingediend.

De erkenning als bodemsaneringsdeskundige van type 2 wordt van rechtswege opgeheven als de bodemsaneringsdeskundige gedurende twee opeenvolgende volledige kalenderjaren minder dan tien verslagen van oriënterend bodemonderzoek, minder dan vijf verslagen van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of beschrijvend bodemonderzoek, en minder dan drie bodemsaneringsprojecten of beperkte bodemsaneringsprojecten heeft opgemaakt en bij de OVAM heeft ingediend.

De beslissingen houdende vaststelling van de opheffing van de erkenning worden door de minister bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de bodemsaneringsdeskundigen die van rechtswege erkend zijn.

Art. 44.§ 1. De erkenning als bodemsaneringsdeskundige wordt van rechtswege opgeheven in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige heeft na het verstrijken van de termijn van dertig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing niet het bewijs geleverd dat hij de voorgeschreven verzekering voor beroepsaansprakelijkheid heeft afgesloten;2° de bodemsaneringsdeskundige heeft na het verstrijken van de termijn van honderdtachtig dagen na de datum van de erkenningsbeslissing niet het bewijs geleverd de personen, vermeld in artikel 30 of 31, in dienst of contractueel ter beschikking te hebben;3° de bodemsaneringsdeskundige beschikt na het verstrijken van de termijn van een jaar na de datum van de erkenningsbeslissing nog niet over een kwaliteitshandboek als vermeld in artikel 30 of 31;4° de bodemsaneringsdeskundige heeft zijn activiteiten als bodemsaneringsdeskundige stopgezet. De beslissingen houdende vaststelling van de opheffing van de erkenning worden door de minister bij aangetekende brief aan de bodemsaneringsdeskundige betekend en bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2.De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de bodemsaneringsdeskundigen die van rechtswege erkend zijn. Afdeling VI. - Duur en overdraagbaarheid van de erkenning als

bodemsaneringsdeskundige

Art. 45.De erkenning als bodemsaneringsdeskundige geldt voor onbepaalde duur, voor zover ze niet wordt geschorst of opgeheven.

De erkenning kan niet aan derden worden overgedragen. Afdeling VII. - Onverenigbaarheden

Art. 46.Van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige kan geen gebruik worden gemaakt in de volgende gevallen : 1° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die voor rekening van de bodemsaneringsdeskundige een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent, is bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad, met de opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - met de opdrachtgever of met de uitvoerder van de werken of de maatregelen, of met ieder ander persoon die voor rekening van voormelde opdrachtgever respectievelijk uitvoerder, een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent;2° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die voor rekening van de bodemsaneringsdeskundige een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent, is zelf of bij tussenpersoon eigenaar, mede-eigenaar of werkend vennoot van de opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - van de opdrachtgever of van de uitvoerder van de werken of de maatregelen;3° de bodemsaneringsdeskundige of een persoon die voor rekening van de bodemsaneringsdeskundige een directie- of bestuursbevoegdheid uitoefent, oefent in rechte of in feite, zelf of bij tussenpersoon, een directie- of beheersbevoegdheid uit bij voormelde opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - van de opdrachtgever of van de uitvoerder;4° de activiteiten van de bodemsaneringsdeskundige worden in die hoedanigheid, als natuurlijke of rechtspersoon, rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk gefinancierd, gecontroleerd of beheerd, in welke vorm dan ook, door de opdrachtgever of de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of de risicobeheersmaatregelen;5° zowel de bodemsaneringsdeskundige als de opdrachtgever, of - als het de leiding van bodemsaneringswerken of risicobeheersmaatregelen betreft - zowel de bodemsaneringsdeskundige als de uitvoerder van de bodemsaneringswerken of de risicobeheersmaatregelen, worden rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk gefinancierd, gecontroleerd of beheerd door één persoon. In afwijking van het eerste lid kan de minister op gemotiveerd schriftelijk verzoek van de opdrachtgever of de bodemsaneringsdeskundige beslissen dat in de gevallen van onverenigbaarheid, vermeld in het eerste lid, toch gebruik kan worden gemaakt van de erkenning als bodemsaneringsdeskundige, als hij van oordeel is dat de kwaliteit van de uitvoering van de werkzaamheden kan worden gewaarborgd en als de verzoeker er zich toe verbindt de bijkomende controlekosten van de OVAM te vergoeden. De minister neemt een beslissing binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het gemotiveerde schriftelijke verzoek.

Hoofdstuk III.- Verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren en te (pre)financieren Afdeling I. Saneringscriterium bij nieuwe bodemverontreiniging

Art. 47.De bodemsaneringsnormen, vermeld in artikel 9, § 1, van het Bodemdecreet, worden vastgesteld in bijlage IV, gevoegd bij dit besluit. Afdeling II. - Saneringsdoel

Art. 48.Bij de evaluatie van de beste beschikbare technieken die geen overmatige kosten met zich meebrengen, moet rekening worden gehouden met de volgende elementen : 1° de verschillende milieuhygiënische criteria van de beschouwde technieken, zoals : a) de mate van het behalen van de decretale doelstellingen;b) de eventuele beperkingen op het gebruik van de grond na de bodemsanering;c) de verschillende milieubaten;d) de tijd die het zal vergen om de bodem te saneren;2° de verschillende technische criteria van de beschouwde technieken, zoals : a) de mogelijke hinder voor de omgeving;b) de mate waarin toekomstige schade zal voorkomen;c) de mate waarin bij de uitvoering onbedoelde schade kan worden vermeden d) de noodzakelijke maatregelen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;3° de kosten van de uitvoering van de bodemsanering en de eventuele bijkomende kosten die gekoppeld zijn aan de restverontreiniging.

Art. 49.De nadere regels voor de afweging van de verschillende technieken worden bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet. Afdeling III. - Vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend

bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren Onderafdeling I. - Kennisvoorwaarde

Art. 50.Bij de beoordeling van het feit of de eigenaar al dan niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving, vermeld in artikel 12, § 2, 3°, en artikel 23, § 2, 3°, van het Bodemdecreet, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de volgende elementen : 1° het tijdstip van de verwerving;2° vermeldingen of aanwijzingen in de aankoopakte;3° de hoedanigheid van de eigenaar;4° de ervaring of beroepskennis van de eigenaar;5° de aard, de zintuiglijke waarneembaarheid of de algemene bekendheid van de bodemverontreiniging;6° de aard van de inrichting die aanleiding heeft gegeven tot de bodemverontreiniging;7° de toestand van en de voorkennis over de verontreinigde grond;8° beschikbare documenten met betrekking tot de verontreinigde grond. Onderafdeling II. Procedure tot aanvraag van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren A. Nieuwe bodemverontreiniging

Art. 51.De persoon, vermeld in artikel 11 van het Bodemdecreet, betekent zijn gemotiveerd standpunt tot vrijstelling van de plicht als vermeld in artikel 12 van het Bodemdecreet bij aangetekende brief aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de brief van de OVAM waarin hem wordt gewezen op zijn zelfstandige verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren of om tot bodemsanering over te gaan.

De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de persoon, vermeld in artikel 11 van het Bodemdecreet, voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1 of § 2, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 12, § 3, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt die persoon in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerd standpunt.

B. Historische bodemverontreiniging

Art. 52.Voor de aanmaning, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, kunnen de personen, vermeld in artikel 22 van het Bodemdecreet, op elk tijdstip bij aangetekende brief hun gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de plicht als vermeld in artikel 23 van het Bodemdecreet aan de OVAM betekenen.

De OVAM neemt het gemotiveerde standpunt op in het dossier van de grond.

Na de aanmaning betekent de persoon die krachtens artikel 22 van het Bodemdecreet werd aangemaand bij aangetekende brief zijn gemotiveerde standpunt aan de OVAM. Hij doet dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van de aanmaning.

De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of de aangemaande persoon voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden, vermeld in artikel 23, § 1 of § 2, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 23, § 3, van het Bodemdecreet, van toepassing is.

De OVAM stelt die persoon in kennis van haar beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt.

Onderafdeling III. - Overdracht van de vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren Art 53. Als de persoon die de grond overdraagt voor een bepaalde bodemverontreiniging krachtens artikel 12 of 23 van het Bodemdecreet vrijstelling van de verplichting tot het uitvoeren van het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de verwerving van de grond van rechtswege over op de verwerver als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden : 1° de verwerver of zijn rechtsvoorganger heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;2° de verontreiniging is niet tot stand gekomen tijdens een periode dat de verwerver of zijn rechtsvoorganger eigendoms- of gebruiksrechten op de grond had;3° de verwerver heeft op het moment dat de grond wordt overgedragen geen eigendomsrechten op de grond.

Art. 54.De vrijstelling van de verplichting om het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering uit te voeren die krachtens artikel 53 op de verwerver is overgegaan, vervalt van rechtswege wanneer de aanwezige bodemverontreiniging die in de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring werd gekwalificeerd als geen ernstige bodemverontreiniging, opnieuw een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu door een wijziging van de kenmerken, functies of eigenschappen van de bodem.

Hoofdstuk IV. - Oriënterend bodemonderzoek en beschrijvend bodemonderzoek Afdeling I. - Oriënterend bodemonderzoek

Onderafdeling I. - Aanvullende onderzoeksverrichtingen en conformverklaring van het oriënterend bodemonderzoek

Art. 55.Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de bepalingen van artikel 28 van het Bodemdecreet. Als de OVAM van oordeel is dat het oriënterend bodemonderzoek niet conform die bepalingen werd uitgevoerd, kan ze overeenkomstig artikel 28, § 3, van het Bodemdecreet op elk ogenblik administratieve of technische aanvullende onderzoeksverrichtingen opleggen.

Als de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend.

Art. 56.Als de OVAM van oordeel is dat de aanvullende onderzoeksverrichtingen samen met het uitgevoerde bodemonderzoek, vermeld in artikel 28, § 3, van het Bodemdecreet, aan de vereisten van artikel 28 van het Bodemdecreet beantwoorden, levert ze een bodemattest af aan de opdrachtgever van het oriënterend bodemonderzoek waarin dit wordt vermeld. Dat bodemattest geldt als conformiteitsattest voor het oriënterend bodemonderzoek.

Art. 57.Als de OVAM zich niet binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van de aanvullende onderzoeksverrichtingen heeft uitgesproken, worden de aanvullende onderzoeksverrichtingen samen met het uitgevoerde bodemonderzoek, vermeld in artikel 28, § 3, van het Bodemdecreet, geacht conform de bepalingen van artikel 28 van het Bodemdecreet te zijn.

Onderafdeling II. - Verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren A. Overdracht van risicogrond bij gedwongen mede-eigendom

Art. 58.Een oriënterend bodemonderzoek wordt in de volgende gevallen op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde uitgevoerd voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek : 1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel.

Art. 59.Een eenmalig oriënterend bodemonderzoek wordt in de volgende gevallen op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars uitgevoerd : 1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de mede-eigendom. Het eenmalige oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd voor 31 december 2014, tenzij er eerder een overdracht van een privatief of gemeenschappelijk deel plaatsvindt. In dat geval wordt het eenmalige oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd voor de eerste overdracht.

Als de vereniging van mede-eigenaars nalaat het oriënterend bodemonderzoek uit te voeren, ook binnen dertig dagen nadat de overdrager haar daartoe bij aangetekende brief in gebreke heeft gesteld, kan de overdrager zelf opdracht geven tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek en de eraan verbonden kosten verhalen op de vereniging van mede-eigenaars. Hij kan ook van de vereniging van mede-eigenaars een voorschot vorderen voor de betaling van de kosten van het oriënterend bodemonderzoek.

Art. 60.Er hoeft geen oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd voor de overdracht van een privatief of gemeenschappelijk deel als in de gemeenschappelijke delen een risico-inrichting gevestigd is die uitsluitend bestemd is ten behoeve van de mede-eigendom, voor zover geen enkel van de gevallen, vermeld in artikel 58 en 59, van toepassing is.

B. Periodieke verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren

Art. 61.De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de lijst in bijlage I bij dit besluit onder de kolom 'categorie' met de letter B zijn aangeduid, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema : 1° een eerste maal : a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2011;b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat : voor 31 december 2015;c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen zes jaar na de aanvang van de exploitatie;d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen tien jaar na de aanvang van de exploitatie;2° vervolgens periodiek om de tien jaar.

Art. 62.De exploitanten van de risico-inrichtingen die in de lijst in bijlage I bij dit besluit onder de kolom 'categorie' met de letter A zijn aangeduid, moeten op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren volgens het volgende tijdschema : 1° een eerste maal : a) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie voor 29 oktober 1995 is aangevat : voor 31 december 2013;b) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie tussen 29 oktober 1995 en de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat : voor 31 december 2017;c) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar geen oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen twaalf jaar na de aanvang van de exploitatie;d) de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie na de inwerkingtreding van dit besluit is aangevat en waar een oriënterend bodemonderzoek op de grond werd uitgevoerd binnen de periode van tien jaar voor de aanvang van de exploitatie : binnen twintig jaar na de aanvang van de exploitatie;2° vervolgens periodiek om de twintig jaar.

Art. 63.De periodieke verplichting om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren geldt niet voor tijdelijke inrichtingen en verplaatsbare inrichtingen als vermeld in het Milieuvergunningsdecreet.

Onderafdeling III. - Uitzondering op de verplichting om een volledig nieuw oriënterend bodemonderzoek uit te voeren A. Geen nieuw oriënterend bodemonderzoek

Art. 64.Er hoeft geen nieuw oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd als voldaan is aan de twee volgende voorwaarden : 1° sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek is of was op de te onderzoeken grond geen risico-inrichting gevestigd;2° de bestemming van de te onderzoeken grond conform de vigerende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen is sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek niet in die zin gewijzigd dat een bestemmingstype met een lagere bodemsaneringsnorm van toepassing is.

Art. 65.Als sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek op de te onderzoeken grond een risico-inrichting gevestigd is of was, hoeft geen nieuw oriënterend bodemonderzoek te worden uitgevoerd als voldaan is aan de twee volgende voorwaarden : 1° de ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek dateert van minder dan een jaar voor de rechtshandeling die of het rechtsfeit dat krachtens het Bodemdecreet de verplichting tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek met zich meebrengt;2° sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek heeft er zich geen schadegeval op de grond voorgedaan. B. Beperkte aanvulling van het oriënterend bodemonderzoek

Art. 66.In de gevallen, vermeld in artikel 64 en 65, moet een beperkte aanvulling van het meest recente oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd als de ruimtelijke omschrijving van de onderzochte grond niet meer overeenstemt met de ruimtelijke omschrijving van de grond waarop de onderzoeksplicht rust. De beperkte aanvulling wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 28, § 2, van het Bodemdecreet.

C. Bundeling en aanvulling van de beschikbare onderzoeksgegevens

Art. 67.Als sedert de datum van ondertekening van het meest recente verslag van oriënterend bodemonderzoek op de grond een risico-inrichting gevestigd is of was, kan het oriënterend bodemonderzoek worden beperkt tot een bundeling en aanvulling van de beschikbare onderzoeksgegevens, als voldaan is aan een van de volgende voorwaarden : 1° een beschrijvend bodemonderzoek waarbij onder meer de mogelijke bodemverontreiniging van alle op de grond gevestigde risico-inrichtingen werd onderzocht, werd uitgevoerd minder dan een jaar voor de rechtshandeling die of het rechtsfeit dat krachtens het Bodemdecreet de verplichting tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek met zich meebrengt;2° een bodemsanering die de bodemverontreiniging van alle op de grond gevestigde risico-inrichtingen tot voorwerp heeft, is in uitvoering;3° de OVAM heeft minder dan een jaar voor de rechtshandeling die of het rechtsfeit dat krachtens het Bodemdecreet de verplichting tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek met zich meebrengt, een eindverklaring uitgereikt voor een bodemsanering die de bodemverontreiniging van alle op de grond gevestigde risico-inrichtingen tot voorwerp had. Afdeling II. - Beschrijvend bodemonderzoek

Art. 68.Overeenkomstig artikel 39, § 1, van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek uit over de conformiteit van het beschrijvend bodemonderzoek met de bepalingen van artikel 38 van het Bodemdecreet.

Art. 69.Als de OVAM van oordeel is dat het beschrijvend bodemonderzoek conform de vereisten van artikel 38 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, reikt ze een conformiteitsattest uit voor het beschrijvend bodemonderzoek.

Als in het verslag van het beschrijvend bodemonderzoek gegevens, vermeld in artikel 38, § 1, tweede lid, van het Bodemdecreet, opgenomen zijn, kan de OVAM een uitspraak over die gegevens in het conformiteitsattest van het beschrijvend bodemonderzoek opnemen.

Art. 70.Als de OVAM van oordeel is dat het beschrijvend bodemonderzoek niet conform de vereisten van artikel 38 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op.

De OVAM kan een termijn bepalen waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM moet worden bezorgd.

Art. 71.De OVAM stelt de opdrachtgever van het beschrijvend bodemonderzoek in kennis van de beslissingen, vermeld in artikel 69 en 70. Afdeling III. - Oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek

Art. 72.Overeenkomstig artikel 45, § 1, van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek uit over de conformiteit van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek met de bepalingen van artikel 44 van het Bodemdecreet.

Art. 73.Als de OVAM van oordeel is dat het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek conform de vereisten van artikel 44 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, reikt ze een conformiteitsattest uit voor het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek.

De bepaling van artikel 69, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Art. 74.Als de OVAM van oordeel is dat het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek niet werd uitgevoerd conform de vereisten van artikel 44 van het Bodemdecreet, maar wel voldoet aan de vereisten van artikel 28 van het Bodemdecreet, beschouwt ze het verslag van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek als een verslag van oriënterend bodemonderzoek.

Om het ingediende bodemonderzoek alsnog aan de vereisten van artikel 44 van het Bodemdecreet te laten voldoen, kunnen aanvullende onderzoeksverrichtingen worden uitgevoerd en kan het verslag ervan aan de OVAM worden bezorgd.

Art. 75.Als de OVAM van oordeel is dat het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek niet conform de vereisten van artikel 44 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd en evenmin voldoet aan de vereisten van artikel 28 van het Bodemdecreet, legt de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen op om het ingediende bodemonderzoek te laten voldoen aan de vereisten van artikel 28 van het Bodemdecreet.

De OVAM kan een termijn bepalen waarbinnen die aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM moet worden bezorgd.

Om het ingediende bodemonderzoek alsnog aan de vereisten van artikel 44 van het Bodemdecreet te laten voldoen, kunnen naast de aanvullende onderzoeksverrichtingen, vermeld in het eerste lid, nog bijkomende aanvullende onderzoeksverrichtingen worden uitgevoerd en kan het verslag ervan aan de OVAM worden bezorgd.

Art. 76.De OVAM stelt de opdrachtgever van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek in kennis van de beslissingen, vermeld in artikelen 73 tot en met 75.

Hoofdstuk V.- Bodemsanering Afdeling I. - Bodemsaneringsproject

Onderafdeling I. - Kennisgeving van het bodemsaneringsproject aan de OVAM

Art. 77.Het bodemsaneringsproject wordt aan de OVAM betekend bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs of wordt afgegeven op de zetel van de OVAM tegen ontvangstbewijs. Het bodemsaneringsproject wordt bij de OVAM ingediend in het aantal exemplaren en ondertekend zoals bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet.

Onderafdeling II. - Inhoud van het bodemsaneringsproject

Art. 78.Een bodemsaneringsproject bevat minstens de volgende gegevens : 1° een niet-technische samenvatting van het bodemsaneringsproject;2° de volgende identificatiegegevens : a) de identificatie van de te saneren gronden waarop het bodemsaneringsproject betrekking heeft;b) de identificatie van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren, inclusief de coördinaten van hun eigenaar en gebruiker en, indien van toepassing, de coördinaten van de vereniging van mede-eigenaars;3° de volgende specifieke informatie in geval van : a) een gefaseerd bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een gefaseerd bodemsaneringsproject wordt opgesteld;b) aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject : de aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject;c) een nieuw bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een nieuw bodemsaneringsproject wordt opgesteld;4° een overzicht van de verontreinigingstoestand en de eventueel uitgevoerde maatregelen en pilootproeven : a) de resultaten van de relevante conform verklaarde oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken, beschrijvende bodemonderzoeken of waterbodemonderzoeken die in voorkomend geval geactualiseerd werden;b) de resultaten van de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van Titel III van het Bodemdecreet, die in voorkomend geval genomen werden, voor zover die een impact hebben op het bodemsaneringsproject;c) de resultaten van de pilootproeven die in voorkomend geval werden uitgevoerd;5° de volgende informatie over de behandeling van de bodemverontreiniging en de eventuele nazorg : a) wat de technische mogelijkheden betreft om de bodemverontreiniging te behandelen : 1) de verschillende technische mogelijkheden om de bodemverontreiniging te behandelen en de resultaten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken naar de haalbaarheid van die technische mogelijkheden;2) een raming van de kostprijs van die technische mogelijkheden;3) een aanduiding van de impact van die technische mogelijkheden op het leefmilieu en van de resultaten waartoe ze zullen leiden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet en met de eventuele beperkingen die ze zullen meebrengen bij het toekomstige gebruik van de verontreinigde gronden;4) een afweging van de in overweging genomen relevante technische mogelijkheden om de beste beschikbare techniek voor te stellen overeenkomstig artikel 48;b) de maatregelen die de opsteller van het bodemsaneringsproject voorstelt te nemen overeenkomstig artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet, en de termijnen waarbinnen die maatregelen zullen worden genomen;c) de verenigbaarheid van het potentiële gebruik van de verontreinigde gronden na bodemsanering met de vigerende of voorlopig vastgelegde bestemming;d) de beperkingen die tijdens of na de uitvoering van de bodemsanering zullen gelden krachtens artikel 72 van het Bodemdecreet;e) de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigende stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt;f) de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;g) de weerslag van de uitvoering van de bodemsaneringswerken op de naburige gronden;h) de activiteiten op de naburige gronden voor zover die een impact kunnen hebben op de bodemsanering;i) de eventuele nazorg en de termijn waarvoor die van kracht is;6° de volgende gegevens over eventuele vergunningsplichtige activiteiten in het kader van de bodemsaneringswerken : a) als de uitvoering van de bodemsaneringswerken activiteiten omvat die krachtens het Milieuvergunningsdecreet meldings- of vergunningsplichtig of krachtens het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn : de relevante gegevens over die vergunningsplichtige activiteiten;b) als de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of het veranderen van een inrichting impliceert waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is krachtens de geldende wetgeving : de relevante gegevens daarover. Onderafdeling III. - Ontvankelijkheid en volledigheid van het bodemsaneringsproject

Art. 79.Het bodemsaneringsproject is onontvankelijk als de kennisgeving van het bodemsaneringsproject niet conform de bepalingen van artikel 77 is.

Het bodemsaneringsproject is onvolledig als het bodemsaneringsproject niet minstens de gegevens, vermeld in artikel 78, bevat.

Art. 80.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid en de volledigheid van het bodemsaneringsproject. Als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject onontvankelijk of onvolledig is, stelt ze de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject in kennis van die beslissing binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject.

Onderafdeling IV. - Kennisgeving door de OVAM van de indiening van een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject

Art. 81.De OVAM brengt de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om de verdere bodemsanering uit te voeren binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject op de hoogte dat een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject bij de OVAM werd ingediend.

In de kennisgeving vermeldt de OVAM dat ze de mogelijkheid hebben om : 1° kennis te nemen van het bodemsaneringsproject op de zetel van de OVAM, en bij de diensten van de gemeente als de bodemsaneringswerken inrichtingen omvatten die vergunningsplichtig zijn krachtens het Milieuvergunningsdecreet;2° bezwaren of opmerkingen op het bodemsaneringsproject bij aangetekende brief aan de OVAM mee te delen binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van die kennisgeving. Als de grond waarop werken noodzakelijk zijn om de verdere bodemsanering uit te voeren een mede-eigendom als vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek betreft, doet de OVAM de kennisgeving, in afwijking van het eerste lid, alleen aan de vereniging van mede-eigenaars. De vereniging van mede-eigenaars brengt de eigenaars en gebruikers van die mede-eigendom op de hoogte van de kennisgeving van de OVAM binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan.

Art. 82.De kennisgevingsverplichting, vermeld in artikel 81, geldt niet ten aanzien van de eigenaars en gebruikers waarvan het gedagtekende en ondertekende akkoord of de gedagtekende en ondertekende bezwaren of opmerkingen opgenomen zijn in het bodemsaneringsproject.

Onderafdeling V. - Openbaar onderzoek en advies

Art. 83.Als het bodemsaneringsproject inrichtingen omvat die krachtens het Milieuvergunningsdecreet vergunningsplichtig zijn, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de volgende instanties : 1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de vergunningsplichtige inrichtingen worden gevestigd;2° de andere overheidsorganen die krachtens artikel 12, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet aangewezen zijn om advies uit te brengen over een milieuvergunningsaanvraag voor die inrichtingen, met uitzondering van de OVAM.

Art. 84.Als het bodemsaneringsproject werken omvat die krachtens het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, bevoegd krachtens voormeld decreet.

Art. 85.Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een milieueffectrapport of een veiligheidsrapport vereist is, legt de OVAM het ontvankelijke en volledige bodemsaneringsproject binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan voor advies voor aan de bevoegde administratie.

Art. 86.In de gevallen, vermeld in artikel 83 tot en met 85, bezorgt de OVAM binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst ervan het bodemsaneringsproject aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de vergunningsplichtige inrichtingen of werken gevestigd zijn of uitgevoerd worden, en waarop werken worden uitgevoerd waarvoor een milieueffectrapport of een veiligheidsrapport vereist is.

Binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan maakt de burgemeester het bodemsaneringsproject gedurende dertig dagen bekend door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiële berichten van bekendmaking. Gedurende diezelfde periode van dertig dagen legt hij het bodemsaneringsproject ter inzage bij de diensten van het gemeentebestuur. Tijdens die periode van bekendmaking kan iedereen schriftelijk bezwaren en opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen. Na afloop van de periode van bekendmaking maakt de burgemeester een proces-verbaal op over de ingediende bezwaren en opmerkingen. Uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject wordt het proces-verbaal aan de OVAM bezorgd.

De adviesverlenende instanties, vermeld in artikel 83 tot en met 85, verlenen hun advies over het bodemsaneringsproject aan de OVAM uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject.

Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt aangenomen dat een gunstig advies werd uitgebracht en kan de procedure worden voortgezet.

Onderafdeling VI. - Conformverklaring van het bodemsaneringsproject

Art. 87.Overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het bodemsaneringsproject met de vereisten van artikel 47 en 48 van het Bodemdecreet, en met de procedure, vastgesteld krachtens artikel 49 van het Bodemdecreet.

Art. 88.§ 1. Als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject conform de vereisten van artikel 47 en 48 van het Bodemdecreet werd opgesteld en de procedure, vermeld in artikel 49 van het Bodemdecreet, werd nageleefd, levert ze een conformiteitsattest af voor het bodemsaneringsproject.

Met behoud van de mogelijkheid van de OVAM om wijzigingen of aanvullingen op te leggen, kan de OVAM eenzijdig aanvullingen of bijzondere voorwaarden in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject opnemen. § 2. De kennisgeving van de beslissing over de conformverklaring van het bodemsaneringsproject wordt gedaan overeenkomstig artikel 50, § 2, van het Bodemdecreet.

Art. 89.§ 1. Als de OVAM van oordeel is dat het bodemsaneringsproject niet conform de vereisten van artikel 47 en 48 van het Bodemdecreet werd opgesteld, en de procedure, vermeld in artikel 49 van het Bodemdecreet, niet werd nageleefd, legt ze aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject op.

Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen het aangepaste bodemsaneringsproject aan de OVAM moet worden bezorgd. Het aangepast bodemsaneringsproject wordt aan de OVAM bezorgd op dezelfde wijze als vermeld in artikel 77 van dit besluit. § 2. De OVAM stelt de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject in kennis van de beslissing over het opleggen van aanvullingen op of wijzigingen aan het bodemsaneringsproject. Afdeling II. - Beperkt bodemsaneringsproject

Onderafdeling I. - Kennisgeving van het beperkte bodemsaneringsproject aan de OVAM

Art. 90.Het beperkt bodemsaneringsproject wordt aan de OVAM betekend bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs of afgegeven op de zetel van de OVAM tegen ontvangstbewijs. Het beperkt bodemsaneringsproject wordt bij de OVAM ingediend in het aantal exemplaren en ondertekend zoals bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 57 juncto artikel 47, § 2, van het Bodemdecreet.

Onderafdeling II. - Inhoud van het beperkt bodemsaneringsproject

Art. 91.Het beperkt bodemsaneringsproject bevat minstens de volgende gegevens : 1° een niet-technische samenvatting van het beperkt bodemsaneringsproject;2° de volgende identificatiegegevens : a) de identificatie van de te saneren gronden waarop het beperkt bodemsaneringsproject betrekking heeft;b) de identificatie van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren, inclusief de coördinaten van hun eigenaar en gebruiker en, indien van toepassing, de coördinaten van de vereniging van mede-eigenaars;3° de volgende specifieke informatie in geval van : a) een gefaseerd beperkt bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een gefaseerd beperkt bodemsaneringsproject wordt opgesteld;b) aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject : de aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject;c) een nieuw beperkt bodemsaneringsproject : de motivatie waarom een nieuw beperkt bodemsaneringsproject wordt opgesteld;4° het advies van de bevoegde administratie als de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of veranderen impliceert van een inrichting waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is krachtens de geldende wetgeving;5° een overzicht van de verontreinigingstoestand en andere randvoorwaarden : a) de resultaten van de relevante conformverklaarde oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken, beschrijvende bodemonderzoeken of waterbodemonderzoeken die in voorkomend geval geactualiseerd werden;b) de resultaten van de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van Titel III van het Bodemdecreet, die in voorkomend geval genomen werden, voor zover die een impact hebben op het beperkt bodemsaneringsproject;c) de resultaten van de pilootproeven die in voorkomend geval werden uitgevoerd;6° de volgende informatie over de behandeling van de bodemverontreiniging en de eventuele nazorg : a) wat de technische mogelijkheden betreft om de bodemverontreiniging te behandelen : 1) de verschillende relevante technische mogelijkheden om de bodemverontreiniging te behandelen en de resultaten van de eventueel uitgevoerde onderzoeken naar de haalbaarheid van die technische mogelijkheden;2) een raming van de kostprijs van die technische mogelijkheden;3) een aanduiding van de impact van die technische mogelijkheden op het leefmilieu en van de resultaten waartoe ze zullen leiden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet en met de eventuele beperkingen die ze zullen meebrengen bij het toekomstig gebruik van de verontreinigde gronden;4) een afweging van de in overweging genomen relevante technische mogelijkheden om de beste beschikbare techniek voor te stellen overeenkomstig artikel 48;b) de maatregelen die de opsteller van het bodemsaneringsproject voorstelt te nemen overeenkomstig artikel 10 of 21 van het Bodemdecreet en de termijnen waarbinnen die maatregelen zullen worden genomen;c) de verenigbaarheid van het potentiële gebruik van de verontreinigde gronden na bodemsanering met de vigerende of voorlopig vastgelegde bestemming;d) de beperkingen die tijdens of na de uitvoering van de bodemsanering zullen gelden krachtens artikel 72 van het Bodemdecreet;e) de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigende stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt;f) de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de bodemsaneringswerken;g) de weerslag van de uitvoering van de bodemsaneringswerken op de naburige gronden;h) de activiteiten op de naburige gronden voor zover die een impact kunnen hebben op de bodemsanering;i) de eventuele nazorg en de termijn waarvoor die van kracht is. Onderafdeling III. - Ontvankelijkheid en volledigheid van het beperkt bodemsaneringsproject

Art. 92.Het beperkt bodemsaneringsproject is onontvankelijk in de volgende gevallen : 1° de kennisgeving van het beperkt bodemsaneringsproject wordt niet gedaan overeenkomstig artikel 90;2° de OVAM is van oordeel dat de voorgestelde bodemsaneringswerken niet binnen een termijn van honderdtachtig dagen kunnen worden uitgevoerd. Het beperkt bodemsaneringsproject is onvolledig als het niet minstens de gegevens, vermeld in artikel 91, bevat.

Art. 93.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid en de volledigheid van het beperkt bodemsaneringsproject. Als de OVAM van oordeel is dat het beperkt bodemsaneringsproject onontvankelijk of onvolledig is, deelt ze die beslissing aan de opdrachtgever van het beperkt bodemsaneringsproject mee binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het beperkt bodemsaneringsproject en het schriftelijk akkoord van de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren.

Onderafdeling IV. - Conformverklaring van het beperkt bodemsaneringsproject

Art. 94.Overeenkomstig artikel 58, § 1, van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit van het beperkt bodemsaneringsproject met de vereisten, vermeld in artikelen 56 en 57 van het Bodemdecreet uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het beperkt bodemsaneringsproject en het schriftelijk akkoord van de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop bodemsaneringswerken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om het beperkt bodemsaneringsproject uit te voeren.

Art. 95.§ 1. Als de OVAM van oordeel is dat het beperkt bodemsaneringsproject conform de vereisten, vermeld in artikelen 56 en 57 van het Bodemdecreet werd opgesteld, reikt ze een conformiteitsattest uit voor het beperkt bodemsaneringsproject.

Met behoud van de mogelijkheid van de OVAM om wijzigingen of aanvullingen op te leggen, kan de OVAM eenzijdig aanvullingen of bijzondere voorwaarden in het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject opnemen. § 2. De OVAM brengt het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject ter kennis van : 1° de opdrachtgever van het beperkt bodemsaneringsproject;2° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de gronden gelegen zijn waarop de bodemsaneringswerken zullen worden uitgevoerd. Op bevel van de burgemeester wordt het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan bekendgemaakt door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn, en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiële berichten van bekendmaking.

Het conformiteitsattest van het beperkt bodemsaneringsproject wordt gedurende dertig dagen ter inzage gelegd bij de diensten van het gemeentebestuur.

Art. 96.§ 1. Als de OVAM van oordeel is dat het beperkt bodemsaneringsproject niet conform de vereisten vermeld in artikelen 56 en 57 van het Bodemdecreet werd opgesteld, legt ze aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject op. § 2. De OVAM stelt de opdrachtgever van het beperkt bodemsaneringsproject in kennis van de beslissing over het opleggen van aanvullingen op of wijzigingen aan het beperkt bodemsaneringsproject Als de OVAM wijzigingen aan of aanvullingen op het beperkt bodemsaneringsproject oplegt, bepaalt ze de termijn waarbinnen het aangepaste beperkt bodemsaneringsproject aan haar moet worden bezorgd.

Het aangepast beperkt bodemsaneringsproject wordt aan de OVAM bezorgd op dezelfde wijze als vermeld in artikel 90. Afdeling III. - Bodemsaneringswerken

Onderafdeling I. - Wijziging of aanvulling van het conformverklaarde bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken A. Kleine wijziging of aanvulling

Art. 97.De opdrachtgever van het bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken kan tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken een kleine wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject doen, als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden : 1° door de aanpassing worden de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject niet gewijzigd;2° door de aanpassing worden geen bijkomende gronden in de bodemsanering betrokken;3° de aanpassing valt niet onder een van de gevallen, vermeld in artikel 102.

Art. 98.Een kleine wijziging of aanvulling van het bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige en wordt gemeld aan de OVAM overeenkomstig de standaardprocedure, vermeld in artikel 62 van het Bodemdecreet.

B. Grote wijziging of aanvulling

Art. 99.De opdrachtgever van het bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken kan tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken een voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject bij de OVAM indienen, als de voorgestelde aanpassing niet valt onder een van de gevallen, vermeld in artikel 102.

Art. 100.Een voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het conform verklaarde bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige en aan de OVAM bezorgd overeenkomstig de standaardprocedure, vermeld in artikel 62 van het Bodemdecreet.

Uiterlijk negentig dagen na ontvangst van het voorstel tot grote wijziging of aanvulling keurt OVAM het voorstel goed of af. Bij de goedkeuring van het voorstel tot grote wijziging of aanvulling van het bodemsaneringsproject kan de OVAM de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject wijzigen of aanvullen.

De OVAM stelt de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken in kennis van haar beslissing over het voorstel van grote wijziging of aanvulling, in voorkomend geval met de aangepaste voorwaarden van het conformiteitsattest.

Onderafdeling II. - Aanvulling of wijziging van het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken

Art. 101.De bepalingen van artikelen 97 tot en met 100 zijn van overeenkomstige toepassing.

Onderafdeling III. - Nieuw bodemsaneringsproject of nieuw beperkt bodemsaneringsproject tijdens de bodemsaneringswerken

Art. 102.In de volgende gevallen kan de opdrachtgever van het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject of de bodemsaneringswerken tijdens de uitvoering van de bodemsaneringswerken geen voorstel tot kleine of grote wijziging of aanvulling bij de OVAM indienen, maar moet hij de voorgestelde aanpassing aanvragen door een nieuw bodemsaneringsproject of een nieuw beperkt bodemsaneringsproject op te stellen : 1° door de voorgestelde aanpassing worden de maatregelen ter behandeling van de bodemverontreiniging, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, in die mate gewijzigd dat een bijkomende vergunning noodzakelijk is;2° door de voorgestelde aanpassing wordt de meldings- of milieuvergunningsplichtige inrichting, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, krachtens de bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet ingedeeld in een hogere klasse;3° door de voorgestelde aanpassing is voor de meldings- of milieuvergunningsplichtige inrichting, opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject, krachtens de geldende regelgeving een milieu-effectenrapport of een veiligheidsrapport vereist;4° de voorgestelde aanpassing heeft betrekking op de lozingswijze of houdt een aanpassing van de emissiegrenswaarden in;5° door de voorgestelde aanpassing wordt een duidelijk onderscheidbare bodemverontreinigingskern die niet is opgenomen in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject in de bodemsanering betrokken;6° door de voorgestelde aanpassing wordt een bodemverontreiniging met verontreinigende stoffen met duidelijk andere stofeigenschappen dan de verontreinigende stoffen die in het conform verklaarde bodemsaneringsproject of het conform verklaarde beperkt bodemsaneringsproject zijn opgenomen, in de bodemsanering betrokken;7° door de voorgestelde aanpassing worden bijkomende gronden in de bodemsanering betrokken zonder dat het akkoord van de eigenaars en gebruikers van die gronden werd verkregen. Onderafdeling IV. - Kennisgeving van de bodemsaneringswerken en plaatsbeschrijving

Art. 103.De opdrachtgever van de bodemsaneringswerken stelt tijdig de volgende personen in kennis van de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken : 1° de eigenaars en gebruikers van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;2° de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop de uitvoering van de bodemsaneringswerken mogelijk een negatieve weerslag kan hebben. De kennisgeving vermeldt in het kort de doelstelling van de bodemsaneringswerken en bevat een uitnodiging voor de plaatsbeschrijving.

Art. 104.Ten minste acht dagen voor de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken maakt een beëdigd landmeter, op verzoek van de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken, een plaatsbeschrijving op van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren alsook van de gronden waarop mogelijk een negatieve weerslag kan worden verwacht ten gevolge van de uitvoering van de bodemsaneringswerken. De eigenaars en gebruikers van die gronden kunnen opmerkingen in het proces-verbaal van de plaatsbeschrijving laten opnemen.

Hoofdstuk VI. - Andere maatregelen Afdeling I. - Risicobeheer

Onderafdeling I. - Verzoek tot toepassing van risicobeheer

Art. 105.Overeenkomstig artikel 84, § 2, eerste lid, van het Bodemdecreet dient de persoon die wenst over te gaan tot risicobeheer, bij de OVAM, bij aangetekende brief een verzoek in tot toepassing van risicobeheer.

Art. 106.Het verzoek tot toepassing van risicobeheer wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige. Het verzoek bevat minstens de volgende gegevens : 1° de identificatie van de gronden die het voorwerp uitmaken van het verzoek tot toepassing van risicobeheer;2° de beschrijving van de bodemverontreiniging die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot toepassing van risicobeheer en van de risico's die uitgaan van die bodemverontreiniging;3° de doelstellingen van het risicobeheersplan;4° de motivatie waaruit blijkt dat het concrete geval van bodemverontreiniging valt onder het toepassingsgebied van het risicobeheer zoals dat vastgesteld is bij en krachtens het Bodemdecreet;5° een onderbouwde timing voor het indienen van het risicobeheersplan en de aanvang van de risicobeheersmaatregelen, en een onderbouwde inschatting van de verwachte duur van het risicobeheer.

Art. 107.De OVAM spreekt zich uit over het verzoek tot toepassing van risicobeheer binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst ervan.

Als de OVAM het verzoek tot toepassing van risicobeheer goedkeurt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen het risicobeheersplan moet worden opgesteld en bij de OVAM moet worden ingediend. Als binnen die termijn geen risicobeheersplan bij de OVAM werd ingediend, vervalt van rechtswege de goedkeuring tot toepassing van risicobeheer.

Onderafdeling II. - Risicobeheersplan A. Kennisgeving van het risicobeheersplan

Art. 108.Het risicobeheersplan wordt aan de OVAM betekend bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs of afgegeven op de zetel van de OVAM tegen ontvangstbewijs. Het risicobeheersplan wordt bij de OVAM ingediend in het aantal exemplaren en ondertekend zoals bepaald in de standaardprocedure, vermeld in artikel 84, § 2, tweede lid, van het Bodemdecreet.

B. Inhoud van het risicobeheersplan

Art. 109.Een risicobeheersplan bevat minstens de volgende gegevens : 1° een niet-technische samenvatting van het risicobeheersplan;2° de volgende identificatiegegevens : a) de identificatie van de gronden waarop het risicobeheer van toepassing is;b) de identificatie van de gronden waarop werken noodzakelijk zijn om het risicobeheer te realiseren en de coördinaten van hun eigenaar en gebruiker en, in voorkomend geval, de coördinaten van de vereniging van mede-eigenaars;3° de volgende specifieke informatie in geval van : a) aanvullingen op of wijzigingen aan het risicobeheersplan : de aanvullingen op of wijzigingen aan het risicobeheersplan;b) een nieuw risicobeheersplan : de motivatie waarom een nieuw risicobeheersplan wordt opgesteld;4° een overzicht van de verontreinigingstoestand en andere randvoorwaarden : a) de resultaten van de relevante conform verklaarde oriënterende en beschrijvende bodemonderzoeken, beschrijvende bodemonderzoeken of waterbodemonderzoeken die in voorkomend geval geactualiseerd werden;b) de resultaten van de andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van titel III van het Bodemdecreet, die in voorkomend geval genomen werden, voor zover die andere maatregelen een impact hebben op het risicobeheersplan;c) de resultaten van de pilootproeven die in voorkomend geval werden uitgevoerd;5° de volgende informatie over het beheersen van de risico's verbonden aan de bodemverontreiniging en de opvolging ervan : a) wat de risicobeheersmaatregelen betreft : 1) een evaluatie van de verschillende relevante technische mogelijkheden om de risico's die verbonden zijn aan de bodemverontreiniging te beheersen en de resultaten van de eventuele onderzoeken naar de haalbaarheid van die technische mogelijkheden;2) de risicobeheersmaatregelen die de opsteller voorstelt te nemen om de risico's die verbonden zijn aan de bodemverontreiniging te beheersen;3) een raming van de kostprijs van de risicobeheersmaatregelen;4) de termijnen waarbinnen de risicobeheersmaatregelen zullen worden genomen;5) in voorkomend geval een voorstel van maximale looptijd van de risicobeheersmaatregelen;6) de weerslag van de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen op de naburige gronden en het leefmilieu;b) de doelstellingen van het risicobeheersplan;c) de beperkingen die tijdens het risicobeheer zullen gelden krachtens artikel 72 van het Bodemdecreet;d) de wijze waarop de tijdelijk of definitief weggenomen verontreinigde stoffen of delen van de bodem of opstallen zullen worden behandeld of verwerkt;e) de beschrijving van de maatregelen die zullen worden genomen om zowel de milieuveiligheid als de arbeidsveiligheid te verzekeren bij de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen;f) de activiteiten op de naburige gronden voor zover die een impact kunnen hebben op het risicobeheer;g) wat de opvolging van het risicobeheer betreft : 1) een beschrijving van de maatregelen die de opsteller voorstelt te nemen om de effectiviteit van de risicobeheersmaatregelen op te volgen, en een voorstel van periodiciteit van de opvolgingsrapporten betreffende de uitvoering van die maatregelen;2) een beslissingsschema waarin wordt aangegeven op welke wijze de risico's van de bodemverontreiniging worden bewaakt en welke maatregelen zullen worden getroffen op basis van de resultaten van die bewaking;3) eventuele hiaten met betrekking tot de bodemverontreiniging en een planning om die hiaten in te vullen;6° de volgende gegevens over eventuele vergunningsplichtige activiteiten in het kader van het risicobeheer : a) als de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen activiteiten omvat die krachtens het Milieuvergunningsdecreet meldings- of vergunningsplichtig of krachtens het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening vergunningsplichtig zijn : de relevante gegevens over die vergunningsplichtige activiteiten;b) als de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen het exploiteren of het veranderen van een inrichting impliceert waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport vereist is krachtens de geldende wetgeving : de relevante gegevens daarover. C. Ontvankelijkheid en volledigheid van het risicobeheersplan

Art. 110.Het risicobeheersplan is onontvankelijk in de volgende gevallen : 1° de kennisgeving van het risicobeheersplan wordt niet gedaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 108;2° het risicobeheersplan wordt ingediend zonder dat de OVAM een verzoek tot toepassing van risicobeheer heeft ontvangen of goedgekeurd. Het risicobeheersplan is onvolledig als het niet minstens de gegevens, vermeld in artikel 109, bevat.

Art. 111.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid en de volledigheid van het risicobeheersplan. Als de OVAM van oordeel is dat het risicobeheersplan onontvankelijk of onvolledig is, stelt ze de opdrachtgever van het risicobeheersplan in kennis van die beslissing binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het risicobeheersplan.

D. Kennisgeving door de OVAM van de indiening van een ontvankelijk en volledig risicobeheersplan

Art. 112.De bepalingen van artikelen 81 en 82 zijn van overeenkomstige toepassing.

E. Openbaar onderzoek en adviesverlening

Art. 113.De bepalingen van artikelen 83 tot en met 86 zijn van overeenkomstige toepassing.

F. Conformverklaring van het risicobeheersplan

Art. 114.De bepalingen van artikel 87 tot en met 89 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 115.Een voorstel van financiële zekerheid als vermeld in artikel 90 van het Bodemdecreet wordt samen met het risicobeheersplan bij de OVAM ingediend.

De OVAM spreekt zich uiterlijk op het moment van de conformverklaring van het risicobeheersplan uit over het voorstel van financiële zekerheid.

De OVAM kan een termijn vaststellen waarbinnen de financiële zekerheid moet worden gesteld. Als de financiële zekerheid niet binnen die termijn gesteld en door de OVAM aanvaard wordt, vervalt de conformverklaring van het risicobeheersplan van rechtswege.

Onderafdeling III. - Opvolgingsrapporten

Art. 116.De opvolgingsrapporten worden opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 84, § 2, tweede lid, van het Bodemdecreet. De opvolgingsrapporten worden opgesteld en bij de OVAM ingediend overeenkomstig de periodiciteit zoals die vastgelegd is in het conformiteitsattest van het risicobeheersplan.

Art. 117.De bepalingen van artikel 97 tot en met artikel 100, en van artikelen 102 tot en met 104 zijn van overeenkomstige toepassing.

Onderafdeling IV. - Verhouding tussen risicobeheer en saneringsplicht

Art. 118.In geval van toepassing van risicobeheer voor een welbepaalde bodemverontreiniging wordt de verplichting om bodemsanering uit te voeren met betrekking tot die bodemverontreiniging geschorst vanaf de datum van de beslissing van de OVAM houdende conformverklaring van het risicobeheersplan.

Art. 119.De schorsing van de verplichting tot bodemsanering wordt opgeheven in de volgende gevallen : 1° de OVAM is op basis van de opvolgingsrapporten van oordeel dat de uitvoering van de risicobeheersmaatregelen niet of in onvoldoende mate leidt tot het beheersen van de risico's die verbonden zijn aan de bodemverontreiniging;2° de OVAM stelt vast dat de risicobeheersmaatregelen niet of in onvoldoende mate worden uitgevoerd;3° de OVAM is op basis van de opvolgingsrapporten van oordeel dat de doelstellingen van het beleid inzake bodemsanering, vermeld in artikel 3, § 1, en § 2, van het Bodemdecreet, niet meer worden gehaald;4° de OVAM stelt vast dat het risicobeheersplan niet of in onvoldoende mate wordt geactualiseerd binnen de termijn, vermeld in artikel 86 van het Bodemdecreet;5° de OVAM stelt vast dat de financiële zekerheid niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 90 van het Bodemdecreet;6° de OVAM stelt vast dat de opvolgingsrapporten niet of in onvoldoende mate volgens de vastgestelde periodiciteit worden opgemaakt en bij de OVAM worden ingediend;7° de grond waarop het risicobeheer wordt uitgevoerd wordt overgedragen, tenzij de verwerver voor de overdracht jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan het risicobeheer verder uit te voeren overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 84 tot en met 89 van het Bodemdecreet, en de verwerver heeft voldaan aan de verplichtingen, vermeld in artikel 109, § 2, of artikel 115, § 4, van het Bodemdecreet;8° de opdrachtgever van het risicobeheer verzoekt tot stopzetting van het risicobeheer.

Art. 120.De OVAM stelt de saneringsplichtige en de opdrachtgever van het risicobeheer in kennis van haar beslissing houdende opheffing van de schorsing van de verplichting tot bodemsanering. Afdeling II. - Bodempreventie- en bodembeheersplicht

Onderafdeling I. - Individueel bodempreventie- en bodembeheersplan

Art. 121.Voor de volgende activiteiten moet de persoon die de activiteit verricht een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen en voorleggen aan de OVAM : 1° het chemisch reinigen van textiel, alsook alle industriële of commerciële activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie; Overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet kan de persoon die een activiteit, vermeld in het eerst lid, verricht, voor die verplichting een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie.

Art. 122.Het individuele bodempreventie- en bodembeheersplan, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, wordt opgemaakt onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2, en moet jaarlijks geactualiseerd worden.

Het individuele bodempreventie- en bodembeheersplan moet de volgende maatregelen en documenten bevatten voor zover die relevant zijn in het geval in kwestie : 1° een rapport over de volgende aspecten inzake preventie van bodemverontreiniging : a) de milieuvergunningstoestand;b) de infrastructuurvoorziening met het oog op bodembescherming;c) de reeds genomen maatregelen ter voorkoming van nieuwe bodemverontreiniging;d) de nog te nemen maatregelen ter voorkoming van nieuwe bodemverontreiniging;2° een rapport over de volgende aspecten inzake het beheersen van de bestaande bodemverontreiniging die het gevolg is van de activiteiten waarvoor het bodempreventie- en bodembeheersplan moet worden opgemaakt : a) de resultaten van risicogerichte metingen die in voorkomend geval als voorzorgsmaatregel uitgevoerd werden;b) de reeds genomen maatregelen om de bodemverontreiniging te beheersen en de verspreiding ervan te voorkomen;c) de nog te nemen maatregelen om de bodemverontreiniging te beheersen en de verspreiding ervan te voorkomen;d) de te nemen maatregelen voor een optimale aanpak van de bodemverontreiniging;e) de mogelijke gevolgen van de bodemverontreiniging voor de exploitant, eigenaar, gebruiker en het personeel van de inrichting, alsook voor de omgeving;3° maatregelen voor de voorlichting en sensibilisering van het personeel en de omgeving over de maatregelen die opgenomen zijn in het rapport, vermeld in punt 1° en 2°;4° een financieel plan dat het bewijs bevat van de opbouw van een financiële reserve die overeenstemt met de geschatte kosten van het oriënterend bodemonderzoek, het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering die het gevolg is van de bodemverontreiniging die veroorzaakt is door de activiteit waarvoor het bodempreventie- en bodembeheersplan moet worden opgemaakt.De financiële reserve moet jaarlijks opgebouwd worden met minstens 10 % van de geschatte kosten; 5° een planning van alle periodieke bodemonderzoeken die uitgevoerd moeten worden.

Art. 123.Het individuele bodempreventie- en bodembeheersplan wordt jaarlijks aan de OVAM betekend bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk op 31 december. Het eerste individuele bodempreventie- en bodembeheersplan wordt aan de OVAM voorgelegd uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op de bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, in het Belgisch Staatsblad.

Binnen een termijn van honderdtwintig dagen na ontvangst ervan verklaart de OVAM dat het individuele bodempreventie- en bodembeheersplan conform de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten is, of legt ze aanvullingen op of wijzigingen aan het plan op.

Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, wordt het aangepaste individuele bodempreventie- en bodembeheersplan bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de OVAM betekend binnen een door de OVAM bepaalde termijn. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het aangepaste plan spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit ervan zoals bepaald in het tweede lid.

Onderafdeling II. - Sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan

Art. 124.Het sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan, vermeld in artikel 91, § 3, van het Bodemdecreet, wordt opgesteld door een erkende bodemsaneringsorganisatie. Het sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan moet een algemeen en een individueel deel bevatten, en wordt jaarlijks geactualiseerd.

Het algemene deel van het sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan moet de volgende documenten bevatten : 1° een inventaris van de bekende specifieke bodemverontreiniging, veroorzaakt door de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht;2° een beschrijving van de specifieke aard van de verontreiniging, vermeld in punt 1°;3° een opsomming van de maatregelen die algemeen geformuleerd kunnen worden ter voorkoming van nieuwe en ter beheersing van bestaande bodemverontreiniging, veroorzaakt door de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht;4° een financieel plan met de geschatte gecumuleerde kosten van de beschrijvende bodemonderzoeken en de bodemsaneringen die het gevolg zijn van de bodemverontreiniging, veroorzaakt door de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht, voor alle personen die voor de uitvoering van hun verplichtingen, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, een beroep doen op de bodemsaneringsorganisatie. Het individuele deel van het sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan moet voor elke persoon die voor de uitvoering van zijn verplichtingen, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, een beroep doet op de bodemsaneringsorganisatie, de volgende documenten bevatten : 1° een opsomming van eventueel afwijkende of aanvullende maatregelen in de zin van het tweede lid;2° een weergave van de resultaten van de risicogerichte metingen die eventueel als voorzorgsmaatregel uitgevoerd werden.

Art. 125.Het sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan wordt jaarlijks aan de OVAM betekend bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs, uiterlijk op 31 december. Het eerste sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan wordt aan de OVAM voorgelegd, uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op de datum van de beslissing over de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie.

Binnen een termijn van honderdtwintig dagen na ontvangst ervan verklaart de OVAM dat het sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan conform de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten is, of legt ze aanvullingen op of wijzigingen aan het plan op.

Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, wordt het aangepaste sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan aan de OVAM betekend bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs binnen een door de OVAM bepaalde termijn. Binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de ontvangst van het aangepaste plan spreekt de OVAM zich uit over de conformiteit ervan zoals bepaald in het tweede lid.

Hoofdstuk VII. - Vrijwillige uitvoering van beschrijvend bodemonderzoek, bodemsanering of andere maatregelen Afdeling I. - Bodemsaneringsorganisaties

Onderafdeling I. - Erkenning van een bodemsaneringsorganisatie

Art. 126.Een bodemsaneringsorganisatie kan erkend worden door de Vlaamse Regering als ze voldoet aan de voorwaarden van het Bodemdecreet, en aan de volgende aanvullende erkenningsvoorwaarden : 1° een bodemsaneringsorganisatie is opgericht als vereniging zonder winstgevend doel overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;2° een bodemsaneringsorganisatie heeft als statutair doel de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikelen 96 en 97 van het Bodemdecreet;3° de bestuurders van de bodemsaneringsorganisatie en de personen die de bodemsaneringsorganisatie kunnen verbinden, hebben hun burgerlijke en politieke rechten.

Art. 127.§ 1. De aanvraag tot erkenning wordt ingediend bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs bij de minister. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag minstens de volgende gegevens bevatten : 1° een kopie van de statuten zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad ;2° een financieel plan waarin onder meer de volgende gegevens zijn opgenomen : a) de wijze waarop de financieringsmiddelen geïnd worden;b) de wijze waarop de opbrengsten worden toegewezen ten voordele van de werking van de bodemsaneringsorganisatie;c) een schatting van de uitgaven, inclusief de werkingskosten;d) de financieringswijze van eventuele tekorten;3° een model van overeenkomst voor de nakoming door de bodemsaneringsorganisatie van de individuele verplichting tot opmaak van het bodempreventie- en bodembeheersplan als vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet en volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 132, § 1;4° een model van overeenkomst als vermeld in artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet, met de gegevens, vermeld in artikel 132, § 2;5° een ondernemingsplan;6° de vermelding van de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht;7° het bewijs van de representativiteit van de organisaties, vermeld in artikel 95, § 2, van het Bodemdecreet;8° een bewijs van goed zedelijk gedrag van de bestuurders en oprichters van de bodemsaneringsorganisatie en van de personen die de bodemsaneringsorganisatie kunnen verbinden. § 2. Op advies van de OVAM stuurt de minister binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager waarbij de minister zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag. De minister verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige wijzigingen of aanvullingen. Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt de aangepaste aanvraag opnieuw bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs naar de minister gestuurd. De minister verzendt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aangepaste aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de minister zich op advies van de OVAM ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangepaste aanvraag. § 3. De minister heeft het recht aanvullende stukken op te vragen bij de bodemsaneringsorganisatie die een erkenningsaanvraag heeft ingediend.

Art. 128.Op advies van de OVAM bezorgt de minister een voorstel van beslissing over de erkenning aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing over de erkenning binnen een termijn van negentig dagen na de verzending van het ontvangstbewijs van de aanvraag waarbij die ook ontvankelijk werd verklaard.

Binnen een termijn van tien dagen na het nemen van de beslissing, wordt de beslissing van de Vlaamse Regering over de erkenning bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de aanvrager betekend. De beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

De beslissing over de erkenning als bodemsaneringsorganisatie blijft van rechtswege geschorst tot aan de voorlegging van de verzekeringsovereenkomst, vermeld in artikel 129, 3°.

Een bodemsaneringsorganisatie wordt erkend voor een periode van maximaal dertig jaar.

Onderafdeling II. - Voorwaarden voor het gebruik van de erkenning

Art. 129.Een erkende bodemsaneringsorganisatie is gehouden tot : 1° het blijven voldoen aan de voorwaarden van de erkenning, vermeld in artikel 126;2° het verstrekken van alle relevante informatie op afdoende en tijdige wijze;3° het sluiten van een verzekeringscontract tot dekking van de schade die voortvloeit uit de uitoefening van de taken, vermeld in artikel 96 en 97 van het Bodemdecreet, binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing over de erkenning als bodemsaneringsorganisatie;4° jaarlijks voor 31 december het opmaken en ter goedkeuring voorleggen aan de OVAM van het sectorale bodempreventie- en bodembeheersplan;5° jaarlijks voor 31 december en voor het eerst het jaar na de erkenning het opmaken en ter goedkeuring voorleggen aan de OVAM van een saneringsprogramma als vermeld in artikel 97, § 2, van het Bodemdecreet.Het jaarlijks saneringsprogramma moet minstens de volgende documenten bevatten : a) een lijst van alle taken waartoe de bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet;b) een evaluatie van de prioriteit van de tijdens het werkingsjaar uit te voeren taken, gesteund op het risico van de vastgestelde verontreiniging voor mens en milieu, socio-economische overwegingen, en de financiële draagkracht van de bodemsaneringsorganisatie;c) een raming van de globale kostprijs van de tijdens het werkingsjaar uit te voeren taken;d) een omstandig verslag betreffende de tenuitvoerlegging van het vorige saneringsprogramma, met inbegrip van een toelichting van de eventuele afwijkingen van dat programma;e) een gedetailleerd overzicht van de uitgevoerde werken die voor subsidiëring in aanmerking kwamen;6° jaarlijks voor 15 maart en voor het eerst in het jaar dat volgt na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing over de erkenning als bodemsaneringsorganisatie, het indienen bij de OVAM van de volgende documenten : a) een financieel jaarverslag, geattesteerd door een bedrijfsrevisor;b) een verklaring door een bedrijfsrevisor dat de boekhouding volgens de juiste principes is gehouden;c) een verslag van een bedrijfsrevisor over de balansen en resultatenrekeningen van het voorbije jaar;d) de begroting voor het volgende jaar;7° het jaarlijks indienen bij de OVAM van alle nuttige gegevens en prognoses over de uitvoering en de financiering van de bodemsaneringen in het voorbije en het lopende werkingsjaar.De informatie moet gebundeld worden als bijlage bij het jaarlijkse saneringsprogramma.

Eventuele afwijkingen tussen de uitgevoerde taken en wat vooropgesteld was in het saneringsprogramma van het voorgaande jaar, moeten verantwoord worden. Onder nuttige gegevens worden onder andere begrepen : a) het aantal uitgevoerde bodemonderzoeken, opgestelde bodemsaneringsprojecten, gestarte bodemsaneringswerken en afgesloten bodemsaneringen, voorzorgsmaatregelen en nazorg;b) een statistisch verslag over de resultaten van de bodemonderzoeken;c) een statistisch verslag over de kostprijs van de bodemonderzoeken, de bodemsaneringsprojecten en de bodemsaneringswerken, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het vaste deel van de aarde en het grondwater;d) een statistisch verslag over de gebruikte bodemsaneringstechnieken en de frequentie waarmee ze gebruikt worden;e) een statistisch verslag over de grondbalans per terrein waarop bodemsaneringswerken plaatsvinden of hebben plaatsgevonden met een overzicht van de hoeveelheid uitgegraven bodem, alsook de plaats en wijze van verwerking;8° het meedelen aan de minister bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs van elke wijziging van de statuten, samenstelling van de algemene vergadering of raad van bestuur binnen een termijn van vijf werkdagen;9° het bijhouden van een klachtenregister dat ter inzage ligt van de OVAM;10° het bijhouden van alle relevante documenten en gegevens over de uitvoering van de taken, vermeld in artikelen 96 en 97 van het Bodemdecreet, op digitale drager volgens een formaat dat bepaald wordt door de OVAM. Onderafdeling III. - Wetgeving overheidsopdrachten

Art. 130.Een erkende bodemsaneringsorganisatie moet de reglementering inzake overheidsopdrachten naleven voor alle aannemingen van werken, leveringen en diensten die ze in het kader van haar opdracht gunt met betrekking tot het onderzoek en de sanering van bodemverontreiniging die veroorzaakt is door de activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.

Onderafdeling IV. - Toezicht op een erkende bodemsaneringsorganisatie

Art. 131.§ 1. De OVAM kan elk onderzoek uitvoeren dat ze noodzakelijk acht bij de uitoefening van haar bevoegdheden, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit. De OVAM kan daarvoor op elk moment een erkende bodemsaneringsorganisatie vragen om mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken over de uitvoering van haar taken, vermeld in artikel 96 of 97 van het Bodemdecreet. De OVAM kan alle documenten en gegevens van een erkende bodemsaneringsorganisatie opvragen. De bestuurders en de personeelsleden van een bodemsaneringsorganisatie moeten aan de OVAM alle toelichtingen en elke vorm van informatie verschaffen als ze daarom verzoekt.

De OVAM heeft het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te laten voorleggen. De OVAM kan ook een erkende bodemsaneringsorganisatie verzoeken om in haar bijzijn en met haar uitrusting kopieën te maken in de door de OVAM gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de controle uit te oefenen op de naleving van de verplichtingen, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit. § 2. De documenten en informatie, vermeld in § 1, moeten op verzoek van de OVAM binnen een door haar bepaalde termijn worden meegedeeld. § 3. De OVAM kan te allen tijde de boekhouding laten nazien door een bedrijfsrevisor die ze aanstelt. Die opdracht wordt dan uitgevoerd op kosten van de erkende bodemsaneringsorganisatie. § 4. De OVAM evalueert het jaarlijkse saneringsprogramma dat haar door de erkende bodemsaneringsorganisatie overeenkomstig artikel 129, 5°, wordt voorgelegd, en geeft haar goedkeuring of weigering binnen een termijn van zestig dagen nadat het programma werd voorgelegd. In geval van weigering moet een aangepast saneringsprogramma, dat rekening houdt met de door de OVAM geformuleerde opmerkingen, worden ingediend binnen de termijn die de OVAM bepaalt. § 5. De OVAM verifieert hoe de erkende bodemsaneringsorganisatie de haar toevertrouwde taken waarneemt, alsook de informatie die aan haar moet worden meegedeeld krachtens het Bodemdecreet of dit besluit.

Onderafdeling V. - Voorwaarden van de overeenkomsten

Art. 132.§ 1. Het model van overeenkomst, vermeld in artikel 127, § 1, 3°, moet minstens de volgende gegevens vermelden : 1° de naam van de partijen;2° de uitdrukkelijke vermelding ter uitvoering van welke decretale bepaling de overeenkomst wordt gesloten;3° de taken van de bodemsaneringsorganisatie, vermeld in het Bodemdecreet en dit besluit;4° de wederzijdse informatieverplichting van de bodemsaneringsorganisatie en de contractant;5° de looptijd van de overeenkomst;6° de betalingsvoorwaarden;7° de sancties bij niet-naleving van de verbintenissen door de bodemsaneringsorganisatie of de contractant. § 2. Het model van overeenkomst, vermeld in artikel 127, § 1, 4°, moet minstens de volgende gegevens vermelden : 1° de naam van de partijen;2° de uitdrukkelijke vermelding ter uitvoering van welke decretale bepaling de overeenkomst wordt gesloten;3° de verplichtingen van de bodemsaneringsorganisatie, en minstens : a) de omschrijving van de verontreiniging waarvoor de bodemsaneringsorganisatie de bodemsaneringsplicht overneemt;b) de voorwaarden van kennisgeving van de contractant door de bodemsaneringsorganisatie over de uitvoering van de overeenkomst;c) de wijze van informatieverlening aan de contractant;d) de wijze van betaling door de contractant;e) de wijze van zekerheidstelling door de contractant;f) het jaarlijks inlichten van de contractant over de verwachte uitvoeringsdatum van de onderzoeken en de bodemsanering;g) het feit dat de contractant ingelicht zal worden over de eventuele schorsing of intrekking van de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie en de wijze waarop dat in voorkomend geval zal gebeuren;4° de looptijd van de overeenkomst;5° de betalings- en terugbetalingsvoorwaarden tussen de partijen in geval van tekort of overschot bij beëindiging van de erkenningsperiode van de bodemsaneringsorganisatie;6° de verplichtingen van de contractant : a) de tijdige en correcte betaling van de overeengekomen bedragen volgens de te bepalen voorwaarden;b) de uitdrukkelijke aanvaarding van het saneringsprogramma en de saneringswijze, vermeld in het conform verklaarde bodemsaneringsproject;c) de meldingsplicht over het bestaan van de overeenkomst door de contractant aan derden-belanghebbenden;d) de tijdige schriftelijke mededeling aan de bodemsaneringsorganisatie van alle informatie die van belang kan zijn voor of bij de uitvoering van de overeenkomst;7° de sancties bij niet-naleving van de verbintenissen door de partijen, onder andere de terugkeer van de saneringsplicht in geval van tekortkomingen van de contractant;8° de regeling bij overdracht door de contractant van zijn activiteit waarvoor de bodemsaneringsorganisatie werd opgericht. § 3. De contractant, vermeld in § 2, 6°, is degene die een overeenkomst met de erkende bodemsaneringsorganisatie sluit als vermeld in artikel 127, § 1, 3° en 4°. § 4. De erkende bodemsaneringsorganisatie kan bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs bij de Vlaamse Regering steeds een verzoek indienen tot wijziging van de modellen, vermeld in artikel 132, § 1 en § 2. De Vlaamse Regering neemt daarover, op voorstel van de minister, een beslissing binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verzoek.

Onderafdeling VI. - Schorsing en opheffing van de erkenning van een bodemsaneringsorganisatie

Art. 133.§ 1. Als een erkende bodemsaneringsorganisatie een van de verplichtingen, vermeld in het Bodemdecreet of dit besluit, niet of onvoldoende nakomt, kan de minister, op advies van de OVAM, een waarschuwing richten aan de bodemsaneringsorganisatie. § 2. Na advies van de OVAM kan de minister aan de Vlaamse Regering voorstellen om de erkenning van de bodemsaneringsorganisatie te schorsen of op te heffen als daartoe gegronde redenen bestaan, in het bijzonder in de volgende gevallen : 1° de erkende bodemsaneringsorganisatie voldoet niet of in onvoldoende mate aan de verplichtingen, vermeld in dit besluit, het Bodemdecreet of de aangegane overeenkomsten, in het bijzonder haar bodemsaneringsverplichting;2° de erkende bodemsaneringsorganisatie geeft onvoldoende gevolg aan de waarschuwing, vermeld in § 1;3° de erkende bodemsaneringsorganisatie handelt niet overeenkomstig de wetten, decreten, besluiten of de eigen statuten;4° er wordt afwending van gelden vastgesteld. § 3. De minister brengt de erkende bodemsaneringsorganisatie bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs op de hoogte van het voornemen tot schorsing of opheffing van de erkenning met vermelding van de reden. Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van die brief kan de bodemsaneringsorganisatie haar verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. De bodemsaneringsorganisatie kan ook binnen diezelfde periode gehoord worden als ze daarom verzoekt. § 4. Binnen een termijn van dertig dagen na verloop van de termijn, vermeld in § 3, neemt de Vlaamse Regering een beslissing over de schorsing of opheffing van de erkenning. In geval de Vlaamse Regering de erkenning schorst of opheft, stelt de minister de erkende bodemsaneringsorganisatie bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in kennis van die beslissing. De beslissing tot schorsing of de opheffing van de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 5. De schorsing van de erkenning wordt pas beëindigd nadat de minister, op advies van de OVAM, de bodemsaneringsorganisatie daarvan bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in kennis heeft gesteld.

De beëindiging van de schorsing van de erkenning wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 6. Bij opheffing van de erkenning heeft de bodemsaneringsorganisatie alleen de mogelijkheid om opnieuw erkend te worden na het doorlopen van een nieuwe procedure tot erkenning als vermeld in artikelen 126 tot en met 128.

Onderafdeling VII. - Subsidiëring van een bodemsaneringsorganisatie A. Subsidie in het kader van artikel 98 van het Bodemdecreet

Art. 134.Overeenkomstig artikel 98 van het Bodemdecreet kan de Vlaamse Regering binnen de daartoe in de begroting van het Vlaamse Gewest vastgelegde kredieten, bijdragen in de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet, evenals in de werkingskosten noodzakelijk om die taken uit te kunnen voeren. Die bijdrage is maximaal gelijk aan de som van alle bijdragen die de bodemsaneringsorganisatie ontvangen heeft in het kader van de overeenkomsten die gesloten zijn ter uitvoering van artikel 97 van het Bodemdecreet, met behoud van de toepassing van de bepalingen van het tweede lid.

De bijdrage, vermeld in het eerste lid, kan alleen betrekking hebben op de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet, voor zover die betrekking hebben op en aangewend worden voor historische bodemverontreiniging.

Als er sprake is van gemengde bodemverontreiniging, kan de bijdrage, vermeld in het eerste lid, alleen betrekking hebben op en aangewend worden voor de gedeeltelijke financiering van de taken, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet en alleen voor het als historisch te beschouwen deel van de bodemverontreiniging.

Art. 135.Een erkende bodemsaneringsorganisatie die van de mogelijkheid, vermeld in artikel 98 van het Bodemdecreet, wil gebruikmaken, moet daartoe bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs minstens vijfjaarlijks een voorstel van subsidiëringsprogramma bezorgen aan de Vlaamse Regering, per adres van de minister, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 136 en 137.

Als de Vlaamse Regering het voorstel, vermeld in het eerste lid, goedkeurt, moet de bodemsaneringsorganisatie voor de vaststelling en uitkering van de bijdrage jaarlijks bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs een aanvraag tot subsidiëring indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de minister, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 138 en 139. Die aanvraag heeft steeds betrekking op de subsidiëring van de werking van de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat volgt op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidiëring.

In afwijking van het tweede lid, kan de bodemsaneringsorganisatie in het jaar dat ze haar erkenning aanvraagt een aanvraag tot startsubsidiëring van haar werking in dat jaar indienen. In afwijking van artikel 134, eerste lid, kan het bedrag van die subsidie hoger zijn dan de bijdragen die de bodemsaneringsorganisatie ontvangt in het jaar dat ze erkend wordt. Het verschil tussen die subsidie en de bijdragen ontvangen in dat jaar, wordt in mindering gebracht van de subsidie in het daaropvolgende jaar.

B. Voorwaarden en procedure voor de toekenning van de subsidie

Art. 136.Het eerste voorstel van subsidiëringsprogramma, vermeld in artikel 135, eerste lid, kan op zijn vroegst ingediend worden met de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 127. De volgende voorstellen van subsidiëringsprogramma moeten uiterlijk ingediend worden op 28 februari van het vierde subsidiejaar van het lopende subsidiëringsprogramma. Het voorstel van subsidiëringsprogramma moet gebaseerd zijn op de volgende prognoses en rapporten : 1° de prognose van de som van alle bedragen die de bodemsaneringsorganisatie de volgende vijf jaar meent te zullen ontvangen in het kader van de door haar gesloten of te sluiten overeenkomsten, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet;2° een verantwoording van de omvang van de gelden, vermeld in punt 1°, in verhouding tot het financiële draagvlak van alle natuurlijke personen of rechtspersonen die de activiteit uitoefenen waarvoor de bodemsaneringsorganisatie is opgericht.Dat draagvlak moet bepaald worden op basis van een omstandig rapport over de financiële impact van de verplichtingen die de toepassing van het Bodemdecreet op die personen heeft, gerelateerd aan een omstandig rapport over de financiële analyse van de personen met bepaling van hun algemene financiële draagvlak.

Art. 137.De minister bezorgt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van een voorstel van subsidiëringsprogramma een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van het voorstel.

De minister kan steeds om de nodige wijzigingen of aanvullingen verzoeken.

Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt het aangepaste voorstel van subsidiëringsprogramma opnieuw ingediend overeenkomstig artikel 135, eerste lid. De minister zendt binnen dertig dagen na ontvangst van het aangepaste voorstel een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich opnieuw uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van het voorstel van subsidiëringsprogramma.

Op advies van de OVAM bezorgt de minister een voorstel van beslissing over het voorstel van subsidiëringsprogramma aan de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering spreekt zich uit over het voorstel van subsidiëringsprogramma binnen een termijn van negentig dagen na het versturen van het ontvangstbewijs waarbij het voorstel tot subsidiëringsprogramma ontvankelijk en volledig werd verklaard. Binnen tien dagen nadat de beslissing genomen is, wordt die aan de bodemsaneringsorganisatie betekend.

Alle documenten die met de toepassing van dit artikel verstuurd worden, worden verstuurd bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.

Art. 138.Een jaarlijkse aanvraag tot subsidiëring als vermeld in artikel 135 moet gebaseerd zijn op de volgende prognoses en rapporten : 1° de twee meest recente saneringsprogramma's, vermeld in artikel 129, 5°;2° de prognose van de som van alle bedragen die de bodemsaneringsorganisatie het lopende en het volgende jaar meent te zullen ontvangen in het kader van de door haar gesloten of te sluiten overeenkomsten, vermeld in artikel 97 van het Bodemdecreet;3° een financieel jaarverslag, geattesteerd door een bedrijfsrevisor, van het voorbije werkingsjaar.

Art. 139.Een aanvraag tot subsidiëring als vermeld in artikel 135, tweede lid, moet voor het eerst ingediend worden uiterlijk op de laatste dag van de maand die volgt op de beslissing, vermeld in artikel 137, derde lid. Nadien moet de aanvraag tot subsidiëring jaarlijks ingediend worden, uiterlijk op 31 maart.

Een aanvraag tot subsidiëring als vermeld in artikel 135, derde lid, kan ten vroegste ingediend worden samen met de erkenningsaanvraag, vermeld in artikel 127, § 1.

De minister bezorgt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van een aanvraag tot subsidiëring een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag. De minister kan steeds om de nodige wijzigingen of aanvullingen verzoeken.

Als de minister om wijzigingen of aanvullingen verzoekt, wordt de aangepaste aanvraag tot subsidiëring opnieuw ingediend overeenkomstig artikel 135, tweede lid. De minister zendt binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de aangepaste aanvraag een ontvangstbewijs aan de bodemsaneringsorganisatie, waarbij hij zich opnieuw uitspreekt over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aangepaste aanvraag tot subsidiëring.

De Vlaamse Regering spreekt zich, uiterlijk op 30 november van het jaar waarin de subsidie werd aangevraagd, uit over de aanvraag tot subsidiëring, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting door het Vlaams Parlement. De Vlaamse Regering houdt bij dat besluit rekening met haar besluit over het voorstel van subsidiëringsprogramma. Ze kan op basis van de intussen verkregen informatie en verslagen, vermeld in artikel 138, verrekenen wat te veel of te weinig werd uitbetaald in de voorgaande jaren.

Art. 140.De subsidie wordt uiterlijk op 31 december van het jaar waarop ze betrekking heeft, overgeschreven op de rekening van de bodemsaneringsorganisatie.

Hoofdstuk VIII. - Overdrachten Afdeling I. - Melding van overdracht van een risicogrond

Art. 141.De melding van overdracht van een risicogrond, vermeld in artikel 103 van het Bodemdecreet, moet bij aangetekende brief worden gericht aan de OVAM. De melding moet gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor overdracht. Het model van dit meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de gegevens van de overdrager;2° de gegevens van de persoon die de melding doet;3° de identificatie van de over te dragen risicogrond;4° de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek of van het laatst uitgevoerde oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek;5° gegevens op basis waarvan kan worden vastgesteld of krachtens de bepalingen van het Bodemdecreet voor de overdracht van de risicogrond geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd;6° het bewijs van lastgeving als de overdrager niet de melding doet. Overeenkomstig artikel 103 van het Bodemdecreet voegt de overdragerbij de melding een verslag van oriënterend bodemonderzoek of van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek dat conform artikel 28, 29, 30, 36 of 44 van het Bodemdecreet rechtsgeldig is voor de overdracht van de risicogrond.

Art. 142.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van overdracht van een risicogrond.

Als de OVAM van oordeel is dat de melding van overdracht onontvankelijk is, deelt ze die beslissing binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van overdracht bij aangetekende brief mee aan de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde. Als de melding van overdracht onontvankelijk is, wordt de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 104, § 1, en artikel 109, § 1, van het Bodemdecreet, gestuit vanaf de datum van de beslissing van de OVAM over de niet-ontvankelijkheid van de melding van overdracht. De stuiting duurt tot de dag dat de OVAM een ontvankelijke melding van overdracht heeft ontvangen. Afdeling II. - Procedure tot vrijstelling van de saneringsplicht

Art. 143.De overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde betekent zijn gemotiveerde standpunt tot vrijstelling van de saneringsplicht als vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet bij aangetekende brief aan de OVAM. De OVAM onderzoekt het gemotiveerde standpunt en oordeelt of voldaan is aan een van de elementen, vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet, of dat de afwijking, vermeld in artikel 105, § 2, of artikel 110, § 2, van het Bodemdecreet, van toepassing is. De OVAM stelt de overdrager of de gemandateerde binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het gemotiveerde standpunt in kennis van haar beslissing.

Art. 144.De risicogrond kan overgedragen worden als de OVAM haar beslissing heeft meegedeeld dat aan een van de elementen, vermeld in artikel 105, § 1, of artikel 110, § 1, van het Bodemdecreet, voldaan is, en dat de afwijking vermeld in artikel 105, § 2, of artikel 110, § 2, van het Bodemdecreet, niet van toepassing is. Afdeling III. - Overdracht van de vrijstelling van saneringsplicht

Art. 145.Als de overdrager van een risicogrond voor een bepaalde bodemverontreiniging krachtens artikel 105, § 1, 2° of 3°, of krachtens artikel 110, § 1,2° of 3°, van het Bodemdecreet vrijstelling van de saneringsplicht heeft verkregen, gaat die vrijstelling op het moment van de overdracht van de grond van rechtswege over op de verwerver als voldaan is aan de drie volgende voorwaarden : 1° de verwerver of zijn rechtsvoorganger heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt;2° de verontreiniging is niet tot stand gekomen tijdens een periode dat de verwerver of zijn rechtsvoorganger eigendoms- of gebruiksrechten op de grond had;3° de verwerver heeft op het moment dat de overdracht van de grond plaatsvindt, geen eigendomsrechten op de grond.

Art. 146.De vrijstelling van de saneringsplicht die krachtens artikel 145 op de verwerver is overgegaan, vervalt van rechtswege wanneer de aanwezige bodemverontreiniging die in de conformverklaring van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek of van het beschrijvend bodemonderzoek, of in de eindverklaring werd gekwalificeerd als geen ernstige bodemverontreiniging, opnieuw een risico oplevert of kan opleveren tot nadelige beïnvloeding van mens of milieu door een wijziging van de kenmerken, functies of eigenschappen van de bodem. Afdeling IV. - Overname van de uitvoering van de verplichtingen

Art. 147.De verplichtingen die krachtens artikel 102 tot en met 113 van het Bodemdecreet moeten worden vervuld voordat tot overdracht van een risicogrond kan worden overgegaan, kunnen worden overgenomen door de volgende personen : 1° de verwerver.In dat geval meldt de verwerver, de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen; 2° een persoon die beschikt over een rechtsgeldige titel om de overdracht te doen uitvoeren.Die persoon meldt aan de OVAM dat hij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen. Hij voegt bij die melding een afschrift van die rechtsgeldige titel; 3° een derde.In dat geval melden de derde, de overdrager of in voorkomend geval de gemandateerde dat ze met onderlinge toestemming gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot overname van de uitvoering van die verplichtingen.

Art. 148.In geval van openbare verkoop van een risicogrond waarbij de verwerver met toepassing van artikel 147 de uitvoering van de verplichtingen overneemt, kan de overdracht van de risicogrond plaatsvinden voordat de verwerver de verplichtingen, vermeld in artikel 104, § 2, 2° en 3°, van het Bodemdecreet of artikel 109, § 2, 2° en 3° van het Bodemdecreet, heeft vervuld, op voorwaarde dat in de verkoopsvoorwaarden van de openbare verkoop als ontbindende voorwaarde is opgenomen dat de verkoop van de risicogrond wordt ontbonden als de verwerver die verplichtingen niet binnen een termijn van vijfenveertig dagen na datum van de overdracht heeft vervuld.Hetzelfde geldt voor de verplichtingen, vermeld in artikel 115, § 4, van het Bodemdecreet, in geval van openbare verkoop van een risicogrond door de versnelde overdrachtsprocedure, vermeld in artikel 115 van het Bodemdecreet.

Hoofdstuk IX.- Onteigening van gronden

Art. 149.De melding van onteigening van een risicogrond, vermeld in artikel 120, § 3, van het Bodemdecreet, moet bij aangetekende brief worden gericht aan de OVAM. De melding moetgedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor onteigening. Het model van dat meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de gegevens van de onteigenende overheid;2° de gegevens van de persoon die de melding doet;3° de identificatie van de te onteigenen risicogrond;4° de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek of van het laatst uitgevoerde oriënterend en beschrijvende bodemonderzoek;5° een kopie van de beslissing over het voornemen tot onteigening van de risicogrond;6° gegevens op basis waarvan kan worden bepaald of krachtens het Bodemdecreet voor de onteigening van de risicogrond geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 120, § 3, van het Bodemdecreet voegt de onteigenende overheidbij de melding een verslag van oriënterend bodemonderzoek of van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek dat conform artikel 28, 31, 36 of 44 van het Bodemdecreet rechtsgeldig is voor de onteigening van de risicogrond.

Art. 150.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van onteigening van een risicogrond.

Als de OVAM van oordeel is dat de melding van onteigening onontvankelijk is, stelt ze de onteigenende overheid binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding van onteigening in kennis van die beslissing. Als de melding van onteigening onontvankelijk is, wordt de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 121, § 1, van het Bodemdecreet, gestuit vanaf de datum van de beslissing van de OVAM over de niet-ontvankelijkheid van de melding van onteigening. De stuiting duurt tot de dag dat de OVAM een ontvankelijke melding van onteigening heeft ontvangen.

Hoofdstuk X. - Sluiting van een risico-inrichting

Art. 151.De melding van sluiting van een risico-inrichting, vermeld in artikel 122, § 3, van het Bodemdecreet, moet bij aangetekende brief worden gericht aan de OVAM. De melding moet gedaan worden met een volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend meldingsformulier voor sluiting. Het model van dat meldingsformulier wordt vastgesteld bij besluit van de minister en voorziet in ieder geval in de opvraging van de volgende gegevens : 1° de gegevens van de exploitant;2° de gegevens van de persoon die de melding doet;3° de identificatie van de grond waar de risico-inrichting gevestigd was;4° de verwijzing naar het verslag van het laatst uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek of oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek;5° de datum van de sluiting of voorgenomen sluiting van de risico-inrichting;6° gegevens op basis waarvan kan worden bepaald of krachtens het Bodemdecreet voor de sluiting van de risico-inrichting geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd;7° het bewijs van lastgeving als de exploitant niet de melding doet. Overeenkomstig artikel 122, § 3, van het Bodemdecreet voegt de exploitantbij de melding een verslag van oriënterend bodemonderzoek of van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek dat conform artikelen 28, 36, 44 of 122, § 1, van het Bodemdecreet rechtsgeldig is voor de sluiting van een risico-inrichting.

Art. 152.De OVAM onderzoekt de ontvankelijkheid van de melding van sluiting van een risico-inrichting.

Als de OVAM van oordeel is dat de melding van sluiting onontvankelijk is, stelt ze de exploitant binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van de melding in kennis van die beslissing.

Als de melding van sluiting niet-ontvankelijk is, wordt de termijn van zestig dagen, vermeld in artikel 122, § 4, van het Bodemdecreet juncto artikel 104, § 1, en artikel 109, § 1, van het Bodemdecreet, gestuit vanaf de datum van de beslissing van de OVAM over de niet-ontvankelijkheid van de melding van sluiting. De stuiting duurt tot de dag dat de OVAM een ontvankelijke melding van sluiting heeft ontvangen.

Hoofdstuk XII.- Waterbodems Afdeling I. - Kennisgeving van het waterbodemonderzoek

Art. 153.Het verslag van het waterbodemonderzoek dat uitgevoerd is krachtens artikel 124, § 1, van het Bodemdecreet, wordt binnen een termijn van dertig dagen na het afsluiten ervan bij de OVAM ingediend. Afdeling II. - Conformverklaring van het waterbodemonderzoek

Art. 154.Overeenkomstig artikel 126 van het Bodemdecreet spreekt de OVAM zich binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het verslag van het waterbodemonderzoek uit over de conformiteit van het waterbodemonderzoek met de bepalingen van artikel 125 van het Bodemdecreet.

Art. 155.Als de OVAM van oordeel is dat het waterbodemonderzoek conform de vereisten, vermeld in artikel 125 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, reikt ze een conformiteitsattest voor het waterbodemonderzoek uit.

Als in het verslag van het waterbodemonderzoek gegevens als vermeld in artikel 125, § 4, tweede lid, van het Bodemdecreet opgenomen zijn, kan de OVAM een uitspraak over die gegevens in het conformiteitsattest van het waterbodemonderzoek opnemen.

Art. 156.Als de OVAM van oordeel is dat het waterbodemonderzoek niet conform de vereisten van artikel 125 van het Bodemdecreet werd uitgevoerd, legt ze aanvullende onderzoeksverrichtingen op. De OVAM bepaalt de termijn waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend. Als de aanvullende onderzoeksverrichtingen niet of in onvoldoende mate werden uitgevoerd, kan de minister de OVAM gelasten ambtshalve de nodige aanvullende onderzoeksverrichtingen uit te voeren.

Art. 157.De OVAM stelt de opdrachtgever van het waterbodemonderzoek in kennis van de beslissingen, vermeld in artikelen 155 en 156.

Hoofdstuk XIII.- Het gebruik van uitgegraven bodem Afdeling I. - Definities

Art. 158.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° ontvangende grond : grond waarop de uitgegraven bodem wordt gebruikt;2° verdachte grond : a) risicogrond;b) grond die opgenomen is in het Grondeninformatieregister, voor zover in een bodemonderzoek in het vaste deel van de aarde van die grond concentraties van stoffen werden aangetroffen die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde;c) openbare weg, oude wegbedding en wegberm;d) grond waarvoor aanwijzingen bestaan voor de aanwezigheid in het vaste deel van de aarde van stoffen in concentraties die hoger liggen dan de richtwaarden voor de bodemkwaliteit voor het vaste deel van de aarde, en die werd aangewezen door de minister;3° bouwkundig bodemgebruik : niet-vormvast gebruik van uitgegraven bodem in een waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk en elk ander niet-vormvast gebruik van uitgegraven bodem waarin de functie van de uitgegraven bodem duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem;4° vormvast product : elk product waarin uitgegraven bodem als grondstof wordt gebruikt en dat vormvast is gemaakt door middel van bindmiddelen of thermische processen;5° fysisch scheiden : wegnemen van een deel of het geheel van de steenfractie en bodemvreemde materialen, andere dan stenen, uit uitgegraven bodem;6° tussentijdse opslagplaats : locatie voor een in de tijd beperkte opslag van uitgegraven bodem in afwachting van het gebruik van de uitgegraven bodem;7° kadastrale werkzone : zone die vastgesteld is in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken.Het betreft kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden; 8° zone voor het gebruik ter plaatse : zone waarbinnen de uitgegraven bodem op dezelfde plaats wordt teruggelegd;9° initiatiefnemer grondwerken : bouwheer van de grondwerken op de plaats van de uitgraving;10° uitvoerder grondwerken : natuurlijke persoon of rechtspersoon die de grondwerken uitvoert in opdracht en voor rekening van de initiatiefnemer grondwerken;11° eindgebruiker : a) eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond die de opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de uitgegraven bodem;b) eigenaar of exploitant van de vergunde inrichting die de uitgegraven bodem aanvaardt met het oog op het gebruik in een vormvast product;12° zoneringsplan : plan van de plaats van de uitgraving waarop de verschillende gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of uitgegraven bodem grafisch worden voorgesteld;13° opmetingstabel : tabel waarop de volumes en de gebruiksmogelijkheden van de uit te graven of de uitgegraven bodem vermeld staan. Afdeling II. - Toepassingsgebied

Art. 159.De bepalingen van dit hoofdstuk regelen het gebruik van uitgegraven bodem als bodem, en het gebruik van uitgegraven bodem voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product. Afdeling III. - Voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven bodem

Onderafdeling I. - Algemeen

Art. 160.Het is verboden om verscheidene partijen uitgegraven bodem met verschillende milieuhygiënische kwaliteit tijdens of na de uitgraving ervan te mengen met de bedoeling om door de lagere concentratie van één of meer stoffen die aanwezig zijn in de uitgegraven bodem, voor de aldus gemengde uitgegraven bodem een gebruiksmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-gemengde uitgegraven bodem niet is toegestaan.

Onderafdeling II. - Gebruik van uitgegraven bodem als bodem A. Algemeen gebruik

Art. 161.§ 1. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, kan vrij als bodem worden gebruikt. § 2. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan als bodem worden gebruikt onder de vijf volgende voorwaarden : 1° er wordt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaakt;2° de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;3° de concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan 80 % van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV;4° de gemiddelde concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan de concentraties in de ontvangende grond. Voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij kan hiervan afgeweken worden tot maximaal de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III; 5° de uitgegraven bodem wordt vóór het gebruik als bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen als hij concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden van bijlage IV voor bestemmingstype III of als hij concentraties van verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, waardoor hij niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° en 2°, voor het gebruik als bodem voldoet.Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwijderd.

Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag en een studie van de ontvangende grond wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan.

Art. 162.Met behoud van de toepassing van de voorwaarden van artikel 161 kan uitgegraven bodem alleen als bodem worden gebruikt, op voorwaarde dat het gehalte aan stenen die niet van nature aanwezig zijn, maximaal vijf massaprocent bedraagt, de afmeting van de stenen die niet van nature aanwezig zijn, niet groter is dan vijftig millimeter, en het gehalte aan andere bodemvreemde materialen maximaal één massa- en volumeprocent bedraagt.

B. Gebruik binnen een kadastrale werkzone

Art. 163.Een kadastrale werkzone wordt afgebakend volgens een code van goede praktijk die wordt ingevuld op basis van kenmerken die een betekenisvol effect hebben op het milieu, of die een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden.

De code van goede praktijk voor het afbakenen van een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.

Art. 164.In afwijking van artikel 161, § 2, en artikel 162 is het gebruik van uitgegraven bodem als bodem binnen een kadastrale werkzone toegestaan onder de volgende voorwaarden : 1° uitgegraven bodem met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk zijn aan 80 % van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld, overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, kan binnen de kadastrale werkzone vrij worden gebruikt;2° uitgegraven bodem met concentraties van stoffen die hoger zijn dan 80 % van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangende grond wordt ingedeeld overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage IV, kan binnen de kadastrale werkzone gebruikt worden onder de volgende voorwaarden : a) er wordt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaakt;b) de mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op;c) de uitgegraven bodem wordt gebruikt volgens een code van goede praktijk. De code van goede praktijk voor het gebruik van uitgegraven bodem binnen een kadastrale werkzone wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.

Art. 165.Met behoud van de toepassing van de voorwaarden van artikel 164 kan uitgegraven bodem alleen als bodem worden gebruikt binnen een kadastrale werkzone, op voorwaarde dat het gehalte aan bodemvreemde materialen, andere dan stenen of steenachtig materiaal, maximaal één massa- en volumeprocent bedraagt.

C. Gebruik binnen een zone voor het gebruik ter plaatse

Art. 166.Een zone voor het gebruik ter plaatse wordt afgebakend volgens een code van goede praktijk.

De code van goede praktijk voor het afbakenen van een zone voor het gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.

Art. 167.In afwijking van de voorwaarden van artikelen 161 en 162, kan uitgegraven bodem binnen een zone voor het gebruik ter plaatse gebruikt worden volgens een code van goede praktijk.

De code van goede praktijk voor het gebruik van uitgegraven bodem binnen een zone voor het gebruik ter plaatse wordt op voorstel van de OVAM vastgesteld door de minister.

Onderafdeling III Gebruik van uitgegraven bodem voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product A. Algemeen gebruik

Art. 168.§ 1. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die lager zijn dan of gelijk zijn aan de waarden, vermeld in bijlage V, kan vrij worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product. § 2. Uitgegraven bodem die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, kan worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de drie volgende voorwaarden : 1° de concentraties van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan de waarden, vermeld in bijlage VI;2° de uitloogbaarheidswaarden van stoffen in de uitgegraven bodem zijn lager dan of gelijk aan de uitloogbaarheidswaarden, vermeld in bijlage VII;3° de uitgegraven bodem wordt voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen indien hij concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage VI.Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwijderd. § 3. Uitgegraven bodem waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, kan worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product onder de twee volgende voorwaarden : 1° het gebruik van de uitgegraven bodem kan geen bijkomende verontreiniging van het grondwater veroorzaken;2° mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen levert geen bijkomend risico op. Als de uitgegraven bodem voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt de uitgegraven bodem gereinigd door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen. Als de uitgegraven bodem niet reinigbaar is door gebruik te maken van de beste beschikbare technieken die geen overmatig hoge kosten met zich meebrengen, wordt de uitgegraven bodem verwijderd.

Aan de hand van een conform verklaard technisch verslag wordt nagegaan of aan die voorwaarden is voldaan.

Art. 169.Met behoud van de toepassing van de voorwaarden van artikel 168 kan uitgegraven bodem alleen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt, op voorwaarde dat het gehalte aan bodemvreemde materialen, andere dan stenen of steenachtig materiaal, maximaal één massa- en volumeprocent bedraagt.

Art. 170.Uitgegraven bodem die niet voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 168, § 2, 2°, kan toch worden gebruikt voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product op voorwaarde dat het beoogde gebruik geen bijkomende verontreiniging van de onderliggende bodem kan veroorzaken en dat een mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico kan opleveren.

Dat wordt aangetoond aan de hand van een aanvullend onderzoek dat ter beoordeling en goedkeuring aan de OVAM wordt bezorgd.

Art. 171.De minister stelt een lijst vast van bouwkundig bodemgebruik van uitgegraven bodem waarin de functie van de uitgegraven bodem duidelijk te onderscheiden is van de functie van de onderliggende of omringende bodem.

De minister stelt een lijst vast van vormvaste toepassingen van uitgegraven bodem.

B. Gebruik binnen een kadastrale werkzone

Art. 172.In afwijking van de voorwaarden van artikel 168 kan uitgegraven bodem die voldoet aan de voorwaarden voor gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone, vermeld in artikel 164 en 165, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone. Afdeling IV. - Traceerbaarheidsprocedure

Onderafdeling I. - Algemene bepalingen A. Verplichtingen

Art. 173.§ 1. Voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem en voor het gebruik van uitgegraven bodem voor bouwkundig bodemgebruik en in een vormvast product wordt een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt, behalve in de volgende gevallen : 1° de uitgegraven bodem is afkomstig van een niet-verdachte grond en de totale uitgraving bedraagt minder dan 250 m3;2° de uitgegraven bodem is afkomstig van een verdachte grond, de totale uitgraving bedraagt minder dan 250 m3 en de uitgegraven bodem wordt binnen de kadastrale werkzone gebruikt volgens de code van goede praktijk inzake het gebruik van uitgegraven bodem binnen een kadastrale werkzone;3° de uitgegraven bodem wordt binnen de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt volgens de code van goede praktijk inzake het gebruik van uitgegraven bodem binnen een zone voor het gebruik ter plaatse;4° de uitgegraven bodem is afkomstig van een uitgraving in het kader van een bodemsanering en wordt gebruikt volgens de voorwaarden van het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject of beperkt bodemsaneringsproject. § 2. In afwijking van de gevallen, vermeld in § 1, 1° en 2°, wordt toch een technisch verslag opgemaakt en worden een grondverzettoelating en een bodembeheerrapport uitgereikt als de uitgegraven bodem afkomstig is van een samengestelde partij uitgegraven bodem die op zijn beurt afkomstig is van een of meer uitgravingen, het totale volume van de samengestelde partij uitgegraven bodem groter is of was dan 250 m3 en die partij niet binnen de kadastrale werkzone of de zone voor het gebruik ter plaatse opnieuw gebruikt wordt. § 3. Voor het transport van uitgegraven bodem naar een tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum moet geen technisch verslag worden opgemaakt.

Art. 174.De initiatiefnemer grondwerken neemt in de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag of de contractuele documenten clausules op die waarborgen dat de regelen met betrekking tot het gebruik van uitgegraven bodem, vermeld in dit hoofdstuk, toegepast worden.

B. Opmaak van het technisch verslag

Art. 175.§ 1. De verplichting om het technisch verslag op te maken berust bij de initiatiefnemer grondwerken. § 2. De verplichting om het technisch verslag op te maken kan met toestemming van de initiatiefnemer grondwerken door de volgende inrichtingen worden overgenomen : 1° een vergunde inrichting als vermeld in subrubriek 20.3.5 of rubriek 30 van bijlage 1 van Vlarem I, voor de door die inrichting aanvaarde uitgegraven bodem met het oog op de verwerking ervan. Ze legt een register aan voor de identificatie van de grond waar de te verwerken bodem uitgegraven werd; 2° een grondreinigingscentrum, vergund conform de bepalingen van de bevoegde overheid, voor de door dat centrum aanvaarde uitgegraven bodem met het oog op de reiniging ervan;3° een tussentijdse opslagplaats, waarbij aan de vergunnings- of meldingsplicht voldaan is, voor de door die opslagplaats aanvaarde uitgegraven bodem.

Art. 176.Het technisch verslag wordt opgemaakt voordat de uitgegraven bodem wordt gebruikt.

C. Opmaak van de studie van de ontvangende grond

Art. 177.Voor het gebruik van uitgegraven bodem als bodem overeenkomstig artikel 161, § 2, die concentraties van stoffen bevat die hoger zijn dan de waarden, vermeld in bijlage V, of waarvan men weet of redelijkerwijs kan aannemen dat hij verontreinigende stoffen bevat die niet vermeld zijn in bijlage V, wordt een studie van de ontvangende grond opgemaakt.

Art. 178.De verplichting om de studie van de ontvangende grond op te maken berust bij de eigenaar, exploitant of gebruiker van de ontvangende grond, die opdracht heeft gegeven tot het gebruik van de uitgegraven bodem op de ontvangende grond.

Art. 179.De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt voordat de uitgegraven bodem op de ontvangende grond gebruikt wordt.

Onderafdeling II. - Documenten grondverzet A. Technisch verslag

Art. 180.§ 1. Het technisch verslag wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige op basis van een representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure voor de opmaak van een technisch verslag. § 2. Het technisch verslag bevat de volgende gegevens : 1° de identificatie van de grond waar de bodem uitgegraven werd of zal worden;2° de identiteit van de eigenaar van de grond waar de bodem uitgegraven werd of zal worden;3° de identiteit van de initiatiefnemer grondwerken;4° de beknopte omschrijving van de grondwerken;5° het zoneringsplan en de opmetingstabel, indien van toepassing;6° het verslag met de analyseresultaten van representatieve mengmonsters met vermelding van de naam van het laboratorium;7° de verklaring van de bodemsaneringsdeskundige dat de uitgegraven bodem werd bemonsterd en geanalyseerd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;8° de onderstaande gegevens, als de uitgegraven bodem binnen de kadastrale werkzone gebruikt zal worden : a) de afbakening van de kadastrale werkzone;b) de voorwaarden waaronder de uitgegraven bodem binnen de kadastrale werkzone gebruikt mag worden, indien van toepassing;c) de voorwaarden voor de tussentijdse opslag van de uitgegraven bodem, indien van toepassing;9° het gehalte aan stenen, steenachtig materiaal en andere bodemvreemde materialen in de uitgegraven bodem;10° de interpretatie en de besluiten op basis van de analyseresultaten;11° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de bodem kan worden uitgegraven;12° de voorwaarden en uitvoeringsbepalingen waaronder de uitgegraven bodem kan worden gebruikt. B. Studie van de ontvangende grond

Art. 181.§ 1. De studie van de ontvangende grond wordt opgemaakt onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige volgens een standaardprocedure die vastgesteld wordt door de minister op voorstel van de OVAM. § 2. De studie van de ontvangende grond bepaalt op basis van de kenmerken van de ontvangende grond de kenmerken waaraan de aangevoerde uitgegraven bodem moet voldoen opdat het gebruik ervan als bodem geen bijkomende verontreiniging in het grondwater kan veroorzaken en mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico oplevert op de ontvangende grond. § 3. De studie van de ontvangende grond bevat de volgende gegevens : 1° de identificatie van de ontvangende grond;2° de identiteit van de eigenaar, exploitant en gebruiker van de ontvangende grond;3° de voorwaarden waaronder de te aanvaarden uitgegraven bodem op de ontvangende grond kan worden gebruikt. C. Grondverzettoelating

Art. 182.§ 1. De grondverzettoelating wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. De grondverzettoelating kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats of een erkend grondreinigingscentrum voor de uitgegraven bodem die door haar werd aanvaard. § 2. De grondverzettoelating wordt uitgereikt op basis van een beschrijving van het beoogde gebruik van de uitgegraven bodem en de verklaringen ter zake, zoals opgelegd in de conformverklaring van het technisch verslag.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid wordt de grondverzettoelating bij de procedure kleine hoeveelheden, vermeld in artikel 197 tot en met 199, uitgereikt op basis van een verklaring dat de uitgegraven bodem op verschillende bestemmingen geleverd zal worden.

De grondverzettoelating bevestigt het beoogde gebruik en staat toe dat de uitgegraven bodem verplaatst wordt. § 3. De grondverzettoelating bevat de volgende gegevens : 1° de identiteit van de uitvoerder grondwerken;2° de nodige verwijzingen naar het technisch verslag en de conformverklaring van het technisch verslag;3° de plaats van bestemming van de uitgegraven bodem;4° de beschrijving van het beoogde gebruik van de uitgegraven bodem;5° indien van toepassing : de nodige verwijzingen naar de studie van de ontvangende grond, de acceptatievoorwaarden van een groeve of graverij, de gebruiksvoorwaarden van het conformiteitsattest van een bodemsaneringsproject, of de gebruiksvoorwaarden voor het gebruik voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product;6° aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen die afhankelijk zijn van het beoogde gebruik, indien van toepassing. D. Transportdocument

Art. 183.§ 1. Het transportdocument wordt opgemaakt door de vervoerder, de uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum. § 2. Het transportdocument bevat de volgende gegevens : 1° de identiteit van de uitvoerder grondwerken, indien van toepassing;2° de identiteit van de vervoerder;3° de datum van transport van de uitgegraven bodem;4° de plaats van vertrek van de uitgegraven bodem;5° de plaats van bestemming van de uitgegraven bodem;6° de hoeveelheid uitgegraven bodem;7° de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating, indien van toepassing. § 3. De uitvoerder grondwerken bewaart het volledig ingevulde transportdocument gedurende een periode van minstens vijf jaar.

E. Bodembeheerrapport

Art. 184.§ 1. Het bodembeheerrapport wordt opgemaakt door een erkende bodembeheerorganisatie. Het bodembeheerrapport kan ook worden opgemaakt door een erkende tussentijdse opslagplaats of een erkend grondreinigingscentrum voor de uitgegraven bodem die de opslagplaats of het centrum heeft aanvaard. § 2. Het bodembeheerrapport attesteert de levering van de uitgegraven bodem op de plaats van het beoogde gebruik en bevestigt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in de conformverklaring van het technisch verslag en in de grondverzettoelating. § 3. Het bodembeheerrapport bevat minstens de volgende gegevens : 1° de nodige verwijzingen naar de grondverzettoelating;2° de datum van de levering;3° het volume geleverde uitgegraven bodem. Onderafdeling III. - Administratieve procedure grondverzet A. Procedure via een erkende bodembeheerorganisatie

Art. 185.De initiatiefnemer grondwerken of een inrichting als vermeld in artikel 175, § 2, bezorgt het technisch verslag aan een erkende bodembeheerorganisatie.

De erkende bodembeheerorganisatie registreert het technisch verslag en bevestigt uiterlijk binnen vijf werkdagen de ontvangst ervan aan de initiatiefnemer grondwerken of de inrichting, vermeld in het eerste lid.

Art. 186.§ 1. Binnen een termijn van dertig werkdagen na ontvangst van het technisch verslag spreekt de erkende bodembeheerorganisatie zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit en bezorgt het conformiteitsattest aan de initiatiefnemer grondwerken of de inrichting, vermeld in artikel 175, § 2, 1° tot en met 3°, of legt aanvullingen op. § 2. De erkende bodembeheerorganisatie beoordeelt de conformiteit van het technisch verslag met de bepalingen van dit besluit op basis van de volgende elementen : 1° de controle op de administratieve volledigheid;2° de controle op de representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure van het technisch verslag;3° de interpretatie van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel, en indien van toepassing het zoneringsplan;4° de controle op de uitvoerbaarheid van de selectieve uitgraving van de verschillende ontgravingsvakken, indien van toepassing;5° de controle op de afbakening van de kadastrale werkzone, indien van toepassing. § 3. Als in het technisch verslag de gebruiksmogelijkheden van de uitgegraven bodem overeenkomstig dit hoofdstuk, de bijbehorende codes van goede praktijk en de bijbehorende standaardprocedures onvoldoende onderzocht werden, kan de erkende bodembeheerorganisatie in de conformverklaring van het technisch verslag voorwaarden en uitvoeringsbepalingen opleggen voor het beoogde gebruik van de uitgegraven bodem.

Art. 187.Als de erkende bodembeheerorganisatie aanvullingen op het technisch verslag oplegt, wordt de termijn, vermeld in artikel 186, § 1, gestuit.

Als de erkende bodembeheerorganisatie het technisch verslag gemotiveerd niet- conform verklaart, wordt de procedure hervat vanaf artikel 185, eerste lid.

Art. 188.Een conformverklaring van het technisch verslag door een erkende bodembeheerorganisatie is tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheerorganisaties.

De erkende bodembeheerorganisatie die niet akkoord gaat met de conformverklaring van het technisch verslag door een andere erkende bodembeheerorganisatie, kan binnen een termijn van dertig dagen nadat de conformverklaring haar werd aangeboden, tegen die conformverklaring beroep aantekenen bij de OVAM. Het beroepschrift wordt aangetekend met ontvangstbewijs verzonden. Het beroep is schorsend.

De OVAM doet uitspraak binnen een termijn van negentig dagen na ontvangst van het beroepschrift.

Art. 189.Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.

Art. 190.Voordat de uitgegraven bodem wordt verplaatst, vraagt de uitvoerder grondwerken een grondverzettoelating aan bij de erkende bodembeheerorganisatie, aan wie de startdatum van de grondwerken werd gemeld.

Binnen een termijn van vijf werkdagen na de aanvraag reikt de erkende bodembeheerorganisatie een grondverzettoelating uit. In geval van beroep tegen de conformverklaring van het technisch verslag overeenkomstig artikel 188, tweede lid, wordt de termijn opgeschort.

Art. 191.Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de uitgegraven bodem gevoegd.

Art. 192.De uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie. Daarin wordt bevestigd dat de uitgegraven bodem overeenkomstig de grondverzettoelating is geleverd.

Op basis van de ontvangstverklaring levert de erkende bodembeheerorganisatie het bodembeheerrapport af aan de uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum.

De uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer grondwerken en aan de eindgebruiker.

B. Procedure bij gebruik of verhandeling van uitgegraven bodem door een erkende tussentijdse opslagplaats of door een erkend grondreinigingscentrum

Art. 193.§ 1. De erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum beschikt over een technisch verslag van de aanvaarde uitgegraven bodem en spreekt zich uit over de conformiteit ervan met de bepalingen van dit besluit, of legt aanvullingen op. § 2. De erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum beoordeelt de conformiteit van het technisch verslag met de bepalingen van dit besluit op basis van de volgende elementen : 1° de controle op de administratieve volledigheid;2° de controle op de representatieve bemonstering volgens de standaardprocedure van het technisch verslag;3° de interpretatie van de besluiten van het technisch verslag, met inbegrip van de vertaling van de beoordeling van de analyseresultaten naar de opmetingstabel, en indien van toepassing het zoneringsplan.

Art. 194.Voordat de uitgegraven bodem wordt verhandeld, maakt de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum een grondverzettoelating op.

Art. 195.Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de uitgegraven bodem gevoegd.

Art. 196.Op basis van de ontvangstverklaring maakt de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum het bodembeheerrapport op en bezorgt een kopie ervan aan de eindgebruiker.

C. Procedure kleine hoeveelheden

Art. 197.In afwijking van artikelen 192 en 196 kan voor het gebruik van een hoeveelheid uitgegraven bodem kleiner dan 250 m3 die voldoet aan de voorwaarden van artikel 161, § 1 en 162 of aan de voorwaarden van artikelen 168 en 169, voor het uitreiken van een bodembeheerrapport de procedure, vermeld in artikel 198 en 199, gevolgd worden.

Art. 198.De uitvoerder grondwerken, de tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum bezorgt een ontvangstverklaring aan de erkende bodembeheerorganisatie, erkende tussentijdse opslagplaats of erkend grondreinigingscentrum die de grondverzettoelating heeft uitgereikt. Daarin wordt bevestigd dat de uitgegraven bodem op de plaats van bestemming is geleverd of gebruikt zal worden overeenkomstig de grondverzettoelating.

Art. 199.Op basis van de ontvangstverklaring en een lijst met verschillende bestemmingen reikt de erkende bodembeheerorganisatie, de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum een bodembeheerrapport uit.

De uitvoerder grondwerken bezorgt een kopie van het bodembeheerrapport aan de initiatiefnemer grondwerken.

D. Procedure bij transport van uitgegraven bodem naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum

Art. 200.Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 m3 uitgegraven bodem of van meer dan 50 m3 uitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie.

Tijdens het transport wordt een transportdocument bij de uitgegraven bodem gevoegd.

De tussentijdse opslagplaats of het grondreinigingscentrum meldt de ontvangst van de uitgegraven bodem aan de erkende bodembeheerorganisatie.

Bij de opslag van de uitgegraven bodem volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats of het niet-erkende grondreinigingscentrum een procedure die een erkende bodembeheerorganisatie in staat stelt de uitgegraven bodem te traceren.

Art. 201.§ 1. Voor het gebruik van de aangevoerde uitgegraven bodem, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de niet-erkende tussentijdse opslagplaats of het niet-erkende grondreinigingscentrum de procedure via een erkende bodembeheerorganisatie, vermeld in artikelen 185 tot en met 192. § 2. Voor het gebruik van de aangevoerde uitgegraven bodem, waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, volgt de erkende tussentijdse opslagplaats of het erkende grondreinigingscentrum de procedure, vermeld in artikelen 193 tot en met 196. Afdeling V. - Bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats en

grondreinigingscentrum : erkenning in het kader van de regeling over het gebruik van uitgegraven bodem Onderafdeling I. - Voorwaarden voor de erkenning en het gebruik van de erkenning

Art. 202.§ 1. Om als bodembeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, gewijzigd bij de wet van 2 mei 2002;2° voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij het gebruik van uitgegraven bodem.Een bodembeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties die voldoende representatief zijn voor de sectoren die bij het gebruik van uitgegraven bodem betrokken zijn, een mandaat bekleden; 3° uitsluitend als statutair doel hebben, het uitvoeren van de taken die in dit besluit zijn toegewezen, het leveren van studiewerk over uitgegraven of uit te graven bodem en het verstrekken van informatie en advies over uitgegraven bodem;4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van bodemkunde of geologie, fysica en scheikunde;5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;6° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis hebben van dit hoofdstuk;7° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in het beoordelen van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en in het beoordelen van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;8° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van uitgegraven bodem overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;9° voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het uitvoeren van steekproefsgewijze werfcontroles en van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen : a) een klachtenregister;b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie op die technische verslagen.De technische verslagen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; c) een register van de grondverzettoelatingen.De grondverzettoelatingen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; d) een register van conformverklaringen van technische verslagen.De conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; e) een register van bodembeheerrapporten.De bodembeheerrapporten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; 10° beschikken over een procedure die de organisatie in staat stelt uitgegraven bodem te traceren, met inbegrip van het traceren van uitgegraven bodem via een niet-erkende tussentijdse opslagplaats of een niet-erkend grondreinigingscentrum;11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;13° op verzoek van de OVAM de gegevens betreffende verontreinigde gronden, optredende grondstromen en hun kwaliteit ter beschikking stellen van de OVAM.Als documenten door middel van een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden die op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd. § 2. De grondige kennis, vermeld in § 1, 4°, wordt aangetoond met academische diploma's, diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie. § 3. De ervaring, vermeld in § 1, 5°, 7° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae. § 4. De grondige kennis, vermeld in § 1, 6° en 8°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM.

Art. 203.§ 1. Om als tussentijdse opslagplaats of als grondreinigingscentrum voor uitgegraven bodem erkend te worden en erkend te blijven, moet de opslagplaats of het centrum aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° a) als tussentijdse opslagplaats : een rechtspersoon zijn, opgericht in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of een openbaar bestuur of intergemeentelijk samenwerkingsverband in het Vlaamse Gewest zijn;b) als grondreinigingscentrum : een rechtspersoon zijn die opgericht is in de vorm van een handelsvennootschap, met een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest;2° voor de handelsvennootschappen : niet in staat van faillissement verkeren, noch het voorwerp uitmaken van een procedure tot faillietverklaring, noch een gerechtelijk akkoord hebben aangevraagd of verkregen;3° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van fysica en scheikunde;4° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die minstens drie jaar beroepservaring hebben in een milieusector die relevant is voor de uitvoering van bodemsanering of het gebruik van afvalstoffen als secundaire grondstof gedurende de zes jaar die aan de datum van de erkenningsaanvraag voorafgaan;5° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die een grondige kennis hebben van dit hoofdstuk;6° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben met de nodige ervaring in het beoordelen van bemonsteringsprocedures en analyseresultaten en voor het beoordelen van het technisch verslag op de praktische uitvoerbaarheid ervan;7° een of meer natuurlijke personen in dienst hebben of contractueel ter beschikking hebben die samen een grondige kennis en ervaring hebben om het gebruik van uitgegraven bodem overeenkomstig dit hoofdstuk te garanderen;8° voldoen aan een door de OVAM goedgekeurd kwaliteitsreglement dat administratieve en technische bepalingen bevat over de interne organisatie van de verhandeling van uitgegraven bodem.Dat kwaliteitsreglement bevat minstens : a) een procedure voor het in ontvangst nemen van, het opslaan van, het fysisch scheiden of reinigen en het afleveren van uitgegraven bodem;b) bepalingen in verband met de opmaak van registers voor aan- en afvoer van uitgegraven bodem;c) bepalingen in verband met de opmaak van een dossier per aanvaarde partij uitgegraven bodem;d) bepalingen in verband met het naleven van de codes van goede praktijk inzake aanvaarding, opslag, samenvoeging, reiniging, bemonstering en analyse van uitgegraven bodem;9° voldoen aan een intern systeem dat de opslagplaats of het centrum in staat stelt de taken die opgelegd zijn door of krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van het bijhouden van de volgende registers die ter inzage van de toezichthoudende overheid liggen : a) een klachtenregister;b) een register van de technische verslagen, met inbegrip van de opmerkingen van de organisatie op die technische verslagen.De technische verslagen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; c) een register van de grondverzettoelatingen.De grondverzettoelatingen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; d) een register van conformverklaringen van technische verslagen.De conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; e) een register van bodembeheerrapporten.De bodembeheerrapporten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard; 10° beschikken over een procedure die de opslagplaats of het centrum in staat stelt de door haar verhandelde uitgegraven bodem te traceren;11° beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;12° wat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden betreft : beschikken over hun burgerlijke en politieke rechten en geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving van een lidstaat van de Europese Unie;13° op verzoek van de OVAM de gegevens betreffende verontreinigde gronden, optredende grondstromen en hun kwaliteit ter beschikking stellen van de OVAM.Als documenten door middel van een geïnformatiseerd systeem worden opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, worden die op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd; 14° beschikken over de nodige infrastructuur en installaties voor de exploitatie van de inrichting;15° beschikken over de nodige vergunningen overeenkomstig de bepalingen van de geldende wetgeving;16° beschikken over een keuringsattest waarin een erkende bodembeheerorganisatie attesteert dat aan de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 15°, is voldaan.Het keuringsattest is maximaal honderd zestig dagen oud. De keuring voldoet aan de procedure die de OVAM heeft goedgekeurd; 17° voldoen aan de voorwaarden die opgelegd zijn door of krachtens Vlarem I en II. § 2. De grondige kennis, vermeld in § 1, 3°, wordt aangetoond met academische diploma's, met diploma's van het hoger onderwijs van het lange type of met daarmee gelijkgestelde diploma's, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie. § 3. De ervaring, vermeld in § 1, 4°, 6° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae. § 4. De grondige kennis, vermeld in § 1, 5° en 7°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of aan de hand van een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM. Onderafdeling II. - Procedure tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum A. Ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning

Art. 204.De aanvraag om erkend te worden als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum, vermeld in artikelen 202 en 203, wordt bij aangetekende brief gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.

Art. 205.Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag voor erkenning minstens de volgende gegevens : 1° de statuten van de rechtspersoon;2° de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon;3° een kopie van de diploma's, vermeld in artikel 202, § 2, respectievelijk artikel 203, § 2;4° een curriculum vitae van de personen die over de kennis en ervaring, vermeld in artikel 202, § 1, 4° tot en met 8°, respectievelijk artikel 203, § 1, 3° tot en met 7°, beschikken, waaruit die kennis en ervaring blijkt;5° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;6° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal sluiten, als vermeld in artikel 202, § 1, 11°, respectievelijk artikel 203, § 1, 11°, en de OVAM van de gesloten polis op de hoogte zal brengen;7° een recent getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de personen, als vermeld in artikel 202, § 1, 12°, respectievelijk artikel 203, § 1, 12°;8° een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen drie maanden na de erkenning de personen, vermeld in artikel 202, § 1, 4° tot en met 8° en artikel 203, § 1, 3° tot en met 7°, in dienst zal hebben;9° wat de handelsverenigingen en de verenigingen zonder winstgevend oogmerk betreft : een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft;10° wat de tussentijdse opslagplaatsen en grondreinigingscentra betreft : een beschrijving van de infrastructuur en installaties als vermeld in artikel 203, § 1, 14°. B. Behandeling, advies en beslissing over de aanvraag tot erkenning

Art. 206.De procedure voor de behandeling van de aanvragen tot erkenning als bodembeheerorganisatie, tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum is als volgt : 1° de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;2° de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn. Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw bij aangetekende brief aan de OVAM toegestuurd. De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs aan de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag; 3° de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;4° de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;5° binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM bij aangetekende brief aan de aanvrager betekend.De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Onderafdeling III. - Schorsing, opheffing en niet-overdraagbaarheid van de erkenning A. Schorsing van de erkenning

Art. 207.§ 1. De minister kan te allen tijde de erkenning, vermeld in artikelen 202 en 203, schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen : 1° de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit niet reglementair of niet objectief uit;2° de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 202 of 203;3° de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;4° de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;5° bij een erkende bodembeheerorganisatie wordt de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project niet gegarandeerd. § 2. De minister brengt de houder van de erkenning bij aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. § 3. De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM bij aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 4. De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.

B. Opheffing van de erkenning

Art. 208.§ 1. De minister kan te allen tijde de erkenning, vermeld in artikelen 202 en 203, opheffen in de volgende gevallen : 1° als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;2° als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog steeds niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij op grond van artikel 207, § 1, 2°, geschorst werd;3° als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het conform verklaren van technische verslagen, bij het uitreiken van grondverzettoelatingen en van bodembeheerrapporten, en bij het toepassen van de procedures van dit besluit;4° als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;5° als bij een erkende bodembeheerorganisatie de onafhankelijkheid tegenover de betrokkenen bij een project bij herhaling niet gegarandeerd wordt. § 2. De minister brengt de houder van de erkenning bij aangetekende brief op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken. § 3. De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM bij aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 4. De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.

C. Overdraagbaarheid van de erkenning

Art. 209.Erkenningen zijn niet overdraagbaar.

Onderafdeling IV. - Overname door de OVAM van de taken van een erkende bodembeheerorganisatie

Art. 210.De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een bodembeheerorganisatie de volgende taken overnemen : 1° technische verslagen conform verklaren;2° grondverzettoelatingen uitreiken;3° bodembeheerrapporten uitreiken;4° keuringsattesten als vermeld in artikel 203, § 1, 16°, uitreiken. Hoofdstuk XV. - Administratief beroep Afdeling I. - Ontvankelijkheid van het beroep

Art. 211.Het beroep, vermeld in artikel 146 en 153 van het Bodemdecreet, wordt bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs betekend of tegen ontvangstbewijs afgegeven aan de Vlaamse Regering, per adres van de juridische dienst.

Bij het beroep, vermeld in artikel 153 van het Bodemdecreet, wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd.

Art. 212.De juridische dienst onderzoekt de ontvankelijkheid van het beroep.

Als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep onontvankelijk is, deelt het hoofd van de juridische dienst die beslissing bij aangetekende brief mee aan de indiener van het beroep en de OVAM. Als de juridische dienst van oordeel is dat het beroep ontvankelijk is, deelt ze die beslissing bij aangetekende brief mee aan de indiener van het beroep, de OVAM en de volgende personen : 1° als het gaat om een beroep als vermeld in artikel 146 van het Bodemdecreet, dat schorsend is : de personen, vermeld in artikel 50, § 2, van het Bodemdecreet;2° in de andere gevallen : a) de plichtige, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet;b) de opdrachtgever van het beschrijvend bodemonderzoek, het oriënterende en beschrijvend bodemonderzoek, het bodemsaneringsproject, het beperkt bodemsaneringsproject, het risicobeheer of het waterbodemonderzoek waarop het beroep betrekking heeft. Afdeling II. - Nota met opmerkingen en stavingsstukken

Art. 213.Binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van ontvankelijkheid van het beroep kunnen de personen, vermeld in artikel 212, met uitzondering van de indiener van het beroep, bij ter post aangetekende zending tegen ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs een nota met opmerkingen en stavingstukken indienen bij de Vlaamse Regering, per adres van de juridische dienst.

Hoofdstuk XVII. - Retributies Afdeling I. - Toegang tot het Grondeninformatieregister

Onderafdeling I. - Algemene bepaling

Art. 214.De toegankelijkheid van het Grondeninformatieregister is afhankelijk van de betaling van een retributie.

Onderafdeling II. - Bodemattest

Art. 215.§ 1. Het bedrag van de retributie voor de uitreiking van een bodemattest op aanvraag krachtens artikel 5, § 2, tweede lid, en artikel 101, § 1, van het Bodemdecreet is vastgesteld als volgt : 1° voor een grond die een of meer kadastrale percelen omvat, bedraagt de retributie 30 euro per kadastraal perceel;2° voor een grond zonder kadastraal perceelnummer : a) als er in het Grondeninformatieregister geen gegevens met betrekking tot delen van die grond beschikbaar zijn, bedraagt de retributie 30 euro per sectie, of bij gebrek aan indeling per sectie, 30 euro per afdeling;b) als er in het Grondeninformatieregister gegevens met betrekking tot delen van die grond beschikbaar zijn, bedraagt de retributie 30 euro per deel van die grond waarvoor gegevens beschikbaar zijn;3° voor een grond die een of meer delen van een kadastraal perceel omvat, bedraagt de retributie 120 euro per deel van een kadastraal perceel. § 2. Voor de vaststelling van het bedrag van de retributie voor de uitreiking van een bodemattest op aanvraag krachtens artikel 119 van het Bodemdecreet zijn de bepalingen van § 1, 2°, a) en b), van overeenkomstige toepassing.

Art. 216.De aanvrager moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.

In geval van een onontvankelijke aanvraag wordt de retributie niet teruggestort, tenzij de aanvrager hierom schriftelijk verzoekt binnen een termijn van zestig dagen na datum van ontvangst van de beslissing van de OVAM waarbij de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. In ieder geval wordt een retributie van 30 euro per aanvraag ingehouden.

Art. 217.Het bedrag van de retributie wordt tweejaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex en wel als volgt : het bedrag van de retributie wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan de vaststelling van het vigerende bedrag; het zo verkregen getal wordt afgerond tot het gehele getal.

Uiterlijk op 1 januari wordt het aangepaste bedrag van de retributie door de minister bekendgemaakt.

Onderafdeling III. - Specifieke informatie

Art. 218.§ 1. Het bedrag van de retributie voor specifieke informatie als vermeld in artikel 20 is gelijk aan de kosten voor het verstrekken van de gevraagde informatie en wordt bepaald door de OVAM na de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vraag tot maatwerk. § 2. Voor de berekening van de kosten doet de OVAM een zo realistisch mogelijke inschatting van het aantal werkuren die verricht zullen moeten worden om de gevraagde informatie aan te leveren, en vermenigvuldigt ze die met het uurtarief van de in te zetten personeelsleden. Dit uurtarief is enkel afhankelijk van het niveau van de ingezette personeelsleden.

Per niveau is dit uurtarief gelijk aan de gemiddelde kost van een werkuur van de diverse personeelsleden van de OVAM binnen dit niveau, met inbegrip van de overheadkosten. De OVAM maakt deze uurtarieven bekend op haar website en bezorgt ze op eerste verzoek aan iedereen die er om vraagt.

Onderafdeling IV. - Digitale informatie via het e-loket van de OVAM

Art. 219.Het bedrag van de retributie voor verstrekken van digitale informatie uit het Grondeninformatieregister via het e-loket van de OVAM krachtens artikel 20 is vastgesteld als volgt : 1° voor het verstrekken van de informatie opgenomen in een rapport dat reeds volledig werd gedigitaliseerd in het Grondeninformatieregister : 50 euro per rapport;2° voor het verstrekken van de informatie opgenomen in een rapport dat nog niet volledig werd gedigitaliseerd in het Grondeninformatieregister : 100 euro per rapport. Het bedrag van de retributie wordt betaald via een lopende rekening bij de OVAM. De bepalingen van artikel 217 zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling II. - Ambtshalve optreden van de OVAM ten laste van een in

gebreke blijvende plichtige

Art. 220.De retributie, vermeld in artikel 162, § 8, van het Bodemdecreet, bedraagt 10 % van de kosten van het ambtshalve uitgevoerde oriënterend bodemonderzoek, het siteonderzoek, het beschrijvend bodemonderzoek, de bodemsanering of andere maatregelen, vermeld in hoofdstuk VI van het Bodemdecreet.

Art. 221.De in gebreke blijvende moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop het ambtshalve optreden van de OVAM betrekking heeft. Afdeling III. - Beoordeling van een aanvraag tot toepassing van

bevoegdheden van de Vlaamse Regering

Art. 222.De beoordeling van een aanvraag tot het toestaan van een afwijking door de Vlaamse Regering krachtens artikel 164 of 165 van het Bodemdecreet is afhankelijk van de betaling van een retributie.

De persoon die een aanvraag als vermeld in het eerste lid wenst in te dienen, contacteert voorafgaandelijk de OVAM met het verzoek het bedrag van de retributie vast te stellen. Het bedrag van de retributie is gelijk aan de kosten voor het behandelen van de aanvraag en wordt door de OVAM binnen tien dagen na hogervermeld verzoek meegedeeld aan deze persoon. De bepalingen van artikel 218, § 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

De aanvrager moet de verschuldigde retributie storten op het rekeningnummer van de OVAM met vermelding van zijn naam en de identificatie van de grond waarop de aanvraag betrekking heeft.

Hoofdstuk XVIII. - Bevoegdheden van de Vlaamse Regering

Art. 223.Het verzoek tot toepassing van de bevoegdheden, vermeld in artikelen 164 en 165 van het Bodemdecreet, wordt bij aangetekende brief bij de Vlaamse Regering ingediend, per adres van de OVAM. Titel V. - Toezicht

Art. 224.De minister wijst de ambtenaren en de contractuele personeelsleden van de OVAM aan die toezicht uitoefenen op de uitvoering van de bodemsanering en op de naleving van de bepalingen van het Bodemdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

Titel VI. - Slotbepalingen Hoofdstuk I. - Opheffingsbepalingen

Art. 225.Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 december 1998, 9 februari 1999, 12 oktober 2001, 7 december 2001, 14 juni 2002, 28 november 2003, 5 december 2003, 9 januari 2004, 23 april 2004, 22 september 2006, 15 december 2006 en 7 september 2007, wordt opgeheven.

Hoofdstuk II. - Overgangsbepalingen

Art. 226.Artikel 45, eerste lid, is alleen van toepassing op bodemsaneringsdeskundigen die krachtens dit besluit werden erkend.

Bodemsaneringsdeskundigen die krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering werden erkend, moeten binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de volgende erkenningsvoorwaarden : 1° voor een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : a) natuurlijk persoon : de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, 1° tot en met 3°, en 5°;b) rechtspersoon : de voorwaarden, vermeld in artikel 30, § 2, 3° tot en met 5° en 7°;2° voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de voorwaarden, vermeld in artikel 31, § 1, 3°, 5° tot en met 9°.

Art. 227.De formaliteit, vermeld in artikel 19, § 3, van het Bodemdecreet, hoeft niet te worden vervuld voor de gronden die krachtens artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering door de Vlaamse Regering of bij delegatie door de minister werden aangewezen als gronden met historische bodemverontreiniging waar bodemsanering moet plaatsvinden en waarop bij de inwerkingtreding van het Bodemdecreet bodemsanering of nazorg in uitvoering was voor die historische bodemverontreiniging.

Art. 228.Voor de bodemverontreiniging die in het kader van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering door de OVAM werd gekwalificeerd als een niet te onderscheiden gemengde bodemverontreiniging, blijven uitsluitend de bepalingen voor nieuwe bodemverontreiniging gelden tot wanneer de OVAM, op initiatief van de saneringsplichtige op basis van een gemotiveerd voorstel van een bodemsaneringsdeskundige in een verslag van bodemonderzoek, een uitspraak heeft gedaan over een verdeling als vermeld in artikel 27, § 1, van het Bodemdecreet.

Art. 229.Bodemonderzoeken, bodemsaneringsprojecten en eindevaluatieonderzoeken die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend en die na de inwerkingtreding ervan door de OVAM worden beoordeeld, worden getoetst aan de decretale bepalingen en aan de standaardprocedures of codes van goede praktijk die golden op het ogenblik dat het bodemonderzoek, bodemsaneringsproject of eindevaluatieonderzoek werd ingediend.

Art. 230.De meldingen van de overdracht van een risicogrond, van de onteigening van een grond en van de sluiting van een risico-inrichting die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend, worden door de OVAM beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de melding werd ingediend.

Art. 231.De technische verslagen die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij een erkende bodembeheerorganisatie of bij een tussentijdse opslagplaats of grondreinigingscentrum voor uitgegraven bodem werden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de procedures en normen die van toepassing waren op het ogenblik dat het technisch verslag werd ingediend, voor zover de uitgegraven bodem wordt gebruikt binnen hondertachtig dagen na de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 232.De ontvankelijkheid van de administratieve beroepen die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit werden ingediend, wordt beoordeeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat het administratief beroep werd ingediend.

Art. 233.De aanvragen voor een bodemattest die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit bij de OVAM werden ingediend, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag voor een bodemattest werd ingediend.

Art. 234.Met behoud van de toepassing van artikelen 61 en 62 zijn de exploitanten die hun periodieke onderzoeksplicht als bepaald in artikel 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering nog niet zijn nagekomen voor de inwerkingtreding van dit besluit, ertoe gehouden om die verplichting alsnog uit te voeren binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 235.De aanvragen tot erkenning als bodemsaneringsdeskundige, als bodembeheerorganisatie, als tussentijdse opslagplaats, als grondreinigingscentrum of als bodemsaneringsorganisatie die voor de inwerkingtreding van het Bodemdecreet en dit besluit werden ingediend en waarover nog geen beslissing genomen werd, worden beoordeeld en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik dat de aanvraag werd ingediend.

Hoofdstuk III. - Inwerkingstredingsbepalingen

Art. 236.Het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, met uitzondering van artikel 176, § 2, en dit besluit treden in werking op 1 juni 2008.

Hoofdstuk IV. - Uitvoeringsbepaling

Art. 237.De Minister, bevoegd voor het Leefmilieu en het Waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 14 december 2007 De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS

Bijlage I. - Lijst van risico-inrichtingen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

Brussel, 14 december 2007.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

Brussel, 14 december 2007.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Brussel, 14 december 2007.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Brussel, 14 december 2007.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^