Besluit Van De Vlaamse Regering van 14 december 2012
gepubliceerd op 30 januari 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren

bron
vlaamse overheid
numac
2013035070
pub.
30/01/2013
prom.
14/12/2012
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

14 DECEMBER 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2012 pub. 01/08/2012 numac 2012204382 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen op de binnenwateren, met in het bijzonder de toepassing van de artikelen 5 en 6, tweede lid van dit decreet;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 24 november 2011;

Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen van 21 juni 2012;

Gelet op het advies van de Vlaamse Havencommissie van 27 juni 2012;

Gelet op advies 51.770/3 van de Raad van State, gegeven op 25 september 2012, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare werken;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Dit besluit voorziet onder meer in de verdere uitvoering aan de gedeeltelijke omzetting, met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, van Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land en de gedeeltelijke omzetting met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren van Richtlijn 2010/61/EG van de Commissie van 2 september 2010 tot eerste aanpassing van de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, met behoud van de toepassing van de wet van 5 juni 1972 op de veiligheid van de vaartuigen en het koninklijk besluit van 31 juli 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/07/2009 pub. 01/09/2009 numac 2009011359 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende aerosols type koninklijk besluit prom. 31/07/2009 pub. 19/08/2009 numac 2009009580 bron federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan en houdende wijzigingen van diverse be type koninklijk besluit prom. 31/07/2009 pub. 31/08/2009 numac 2009003326 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Koninklijk besluit houdende gedeeltelijke verdeling, betreffende schadevergoedingen en gerechtskosten van het derde trimester van 2009, van het provisioneel krediet ingeschreven in het programma 03-41-1 van de wet houdende de algemene uitgavenbegroting vo sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren; HOOFDSTUK 2. - Definities

Art. 2.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° ADN : de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, gesloten te Genève op 26 mei 2000, als gewijzigd;2° ADR : Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg;3° afzender : de onderneming die zelf of voor derden gevaarlijke goederen verzendt.Indien het vervoer plaats vindt op grond van een vervoersovereenkomst, dan geldt als afzender de afzender volgens deze overeenkomst. Bij tankschepen met een lege of geloste ladingstank wordt met het oog op de vereiste vervoersdocumenten de schipper als afzender beschouwd; 4° belader : de onderneming die : a) verpakte gevaarlijke goederen, kleine containers of transporttanks in of op een vervoermiddel of container laadt;b) een grote container, bulkcontainer, MEGC, tankcontainer of transporttank op een vervoermiddel laadt;c) een voertuig of een wagon in of op een schip laadt;decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2012 pub. 01/08/2012 numac 2012204382 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren sluiten : Decreet van 6 juli 2012Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2012 pub. 01/08/2012 numac 2012204382 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen op de binnenwateren;6° deskundige : persoon die over het gepaste ADN-certificaat beschikt, bekomen na een examen, zoals afgenomen door de bevoegde federale overheidsdienst;7° geadresseerde : de geadresseerde volgens de vervoersovereenkomst. Als de geadresseerde volgens de bepalingen van de vervoersovereenkomst een derde aanwijst, dan geldt die derde als geadresseerde in de zin van het ADN. Als het vervoer plaatsvindt zonder vervoersovereenkomst, is de geadresseerde de onderneming die de gevaarlijke goederen bij aankomst in ontvangst neemt; 8° IBC : Intermediate Bulk Container : een stijve of flexibele, verplaatsbare verpakking die niet in hoofdstuk 6.1 van het ADR is genoemd en die : a) een inhoud heeft van : 1) ten hoogste 3,0 m3 voor vaste stoffen en vloeistoffen van de verpakkingsgroepen II en III;2) ten hoogste 1,5 m3 voor vaste stoffen van verpakkingsgroep I, verpakt in flexibele IBC's, IBC's van stijve kunststof, combinatie-IBC's, kartonnen IBC's of houten IBC's;3) ten hoogste 3,0 m3 voor vaste stoffen van verpakkingsgroep I, verpakt in metalen IBC's;4) ten hoogste 3,0 m3 voor radioactieve stoffen van klasse 7;b) ontworpen is voor behandeling met mechanische hulpmiddelen; c) de belastingen bij de behandeling en het vervoer kan doorstaan, zoals die door beproevingen volgens hoofdstuk 6.5 van het ADR zijn vastgesteld; 9° IMDG-code : de internationale IMO-code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee;10° klasse : de indeling in klassen van gevaarlijke goederen is geldig, zoals opgenomen in het Koninklijk Besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren van 31 juli 2009, in het bijzonder het deel 2 van de bijlage;11° MEGC : Multiple Element Gas Container : een hulpmiddel bij het vervoer, dat bestaat uit elementen die door een verzamelleiding met elkaar zijn verbonden en die duurzaam in een raamwerk zijn gemonteerd. Als elementen van een gascontainer met verschillende elementen worden beschouwd flessen, grote cilinders, drukvaten en flessenbatterijen, alsook tanks met een inhoud van meer dan 450 liter voor gassen; 12° ontvanger : de onderneming die het vervoer ontvangt;13° RID : het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen, bijlage C van de COTIF (verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer);14° tabel : tabel A, tabel C en tabel DE : hiermee wordt bedoeld de tabel A, tabel C of tabel DE van deel 3;hoofdstuk 3.2 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/07/2009 pub. 01/09/2009 numac 2009011359 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende aerosols type koninklijk besluit prom. 31/07/2009 pub. 19/08/2009 numac 2009009580 bron federale overheidsdienst justitie Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan en houdende wijzigingen van diverse be type koninklijk besluit prom. 31/07/2009 pub. 31/08/2009 numac 2009003326 bron federale overheidsdienst budget en beheerscontrole Koninklijk besluit houdende gedeeltelijke verdeling, betreffende schadevergoedingen en gerechtskosten van het derde trimester van 2009, van het provisioneel krediet ingeschreven in het programma 03-41-1 van de wet houdende de algemene uitgavenbegroting vo sluiten betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren en latere wijzigingen; 15° tankschip : een schip dat gebouwd is voor het vervoer van stoffen in ladingtanks;16° verpakkingsgroep : een groep, waarin bepaalde stoffen op grond van hun gevaarlijkheid tijdens het vervoer zijn ingedeeld voor verpakkingsgroepen.De verpakkingsgroepen hebben de volgende betekenis : Verpakkingsgroep I : zeer gevaarlijke stoffen, Verpakkingsgroep II : gevaarlijke stoffen, Verpakkingsgroep III : minder gevaarlijke stoffen, Het Koninklijk Besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren van 31 juli 2009, in het bijzonder het deel 2 van de bijlage, bevat deze verpakkingsgroepen; 17° vervoerder : de onderneming die het vervoer met of zonder vervoersovereenkomst uitvoert;18° verzender : de onderneming die het vervoer verzendt;19° vuller : de onderneming die : a) gevaarlijke goederen in een tank (tankwagen, afneembare tank of tankcontainer), in een batterijwagen of in een gascontainer met verschillende elementen (MEGC) laadt;b) gevaarlijke goederen in een ladingtank laadt;c) gevaarlijke goederen los gestort in een schip, een voertuig, een grote container of een kleine container laadt.

Art. 3.De Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid en het vervoer, wijst binnen zijn beleidsdomein de bevoegde autoriteit aan die instaat voor de uitoefening van de bepalingen van het decreet. HOOFDSTUK 3. - Verplichtingen van de betrokkenen Titel 1. - De belangrijkste betrokkenen Afdeling 1. - Vervoerder

Art. 4.De vervoerder waakt erover dat tijdens het laden, vervoeren en lossen en bij de overige behandeling van gevaarlijke goederen in laadruimen of ladingtanks de -voorschriften van het decreet en de uitvoeringsbesluiten in acht worden genomen. Dat moet gebeuren op basis van de vervoersdocumenten en de bijbehorende documenten door een visuele inspectie van het schip en de containers en van de lading.

De vervoerder van gevaarlijke goederen, waarop het decreet van toepassing is, is verplicht om hiervan melding te maken bij de bevoegde autoriteit van zodra hij een onder toezicht van het decreet vallend water binnen vaart of wanneer hij zijn lig- of aanmeerplaats verlaat. Hij vermeldt hierbij welke goederen hij aan boord heeft, de classificatienummers, de hoeveelheid en zijn reisplan.

Art. 5.De vervoerder kan echter bij de uitoefening van zijn taken, vermeld in artikel 4, vertrouwen op de informatie en gegevens die hem door andere betrokkenen ter beschikking zijn gesteld.

Art. 6.Als de vervoerder, overeenkomstig artikel 4, een overtreding van de voorschriften van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten vaststelt, mag hij de zending niet verder vervoeren tot aan de voorschriften is voldaan. Afdeling 2. - Geadresseerde

Art. 7.Het is de geadresseerde verboden de aanneming van de gevaarlijke goederen zonder dwingende redenen te vertragen. De geadresseerde is verplicht voor, tijdens en na het lossen te controleren of de voorschriften van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, die hem betreffen, zijn nageleefd. Hij moet in het bijzonder : 1° in de gevallen, vermeld in het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, de voorgeschreven reiniging en decontaminatie van schepen uitvoeren;2° waarborgen dat zowel in de omgeving van het voor- als het achterschip geschikte middelen aanwezig zijn om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten. Titel 2. - De overige betrokkenen

Art. 8.In het onderstaande zijn de overige betrokkenen en hun plichten aangegeven. De plichten van de andere betrokkenen vloeien voort uit de zorg voor de veiligheid, als die betrokkenen weten of zouden moeten weten dat ze hun opdrachten uitvoeren in het kader van vervoer dat is onderworpen aan de voorschriften van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Afdeling 1. - Belader

Art. 9.De belader heeft in het bijzonder de volgende plichten : 1° hij mag gevaarlijke goederen alleen aan de vervoerder aanbieden als ze volgens de voorschriften van het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten vervoerd mogen worden;2° als hij verpakte gevaarlijke goederen of ongereinigde lege verpakkingen voor vervoer aanbiedt, moet hij controleren of de verpakking is beschadigd.Hij mag een collo, waarvan de verpakking is beschadigd, in het bijzonder als die lekt, zodat de gevaarlijke stof naar buiten komt of kan komen, alleen ten vervoer aanbieden nadat het gebrek is opgeheven. Hetzelfde geldt voor ongereinigde lege verpakkingen; 3° hij moet bij het laden van gevaarlijke goederen in schepen, voertuigen, wagens, grote of kleine containers de bijzondere voorschriften voor het laden en de behandeling naleven;4° hij moet bij het laden van colli de samenladingsverboden naleven, en hij moet daarbij rekening houden met gevaarlijke goederen die zich al in het schip, het voertuig of de grote container bevinden.Voorts moet hij de voorschriften voor de scheiding van levensmiddelen, genotmiddelen of voer voor dieren naleven; 5° hij moet waarborgen dat zowel in de omgeving van het voor- als het achterschip geschikte middelen aanwezig zijn om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten.

Art. 10.De belader mag echter in de gevallen, vermeld in artikel 9, 1° en 4°, vertrouwen op de informatie en gegevens die hem door andere betrokkenen ter beschikking zijn gesteld. Afdeling 2. - Vuller

Art. 11.De vuller heeft in het bijzonder de volgende plichten met betrekking tot het vullen van tanks, zoals tankwagens, batterijwagens, reservoirwagens, afneembare tanks, transporttanks, tankcontainers en MEGC's : 1° hij moet vóór het vullen van de tanks zich ervan vergewissen dat de tanks en de uitrustingsdelen technisch in goede staat zijn;2° hij moet zich ervan vergewissen dat bij de tanks de datum van de volgende beproeving niet is overschreden;3° hij mag tanks alleen vullen met gevaarlijke goederen waarvoor die tanks zijn toegelaten;4° hij moet bij het vullen van de tanks de voorschriften voor gevaarlijke goederen in direct aan elkaar grenzende compartimenten van de tank naleven;5° hij moet bij het vullen van de tanks de hoogst toelaatbare vullingsgraad of de hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud voor de te beladen stof aanhouden;6° hij moet na het vullen van de tanks de dichtheid van de afsluitinrichtingen controleren;7° hij moet erop letten dat zich aan de buitenkant van de tanks die door hem gevuld zijn, geen gevaarlijke resten van de inhoud bevinden.

Art. 12.De vuller heeft in het bijzonder de volgende plichten met betrekking tot het vullen van voertuigen, wagens of containers met losgestorte gevaarlijke goederen : 1° hij moet vóór het vullen van de voertuigen, wagens of containers zich ervan vergewissen dat de voertuigen, wagens of containers, en eventueel hun uitrustingsdelen, technisch in goede staat zijn en dat het vervoer van de betreffende losgestorte gevaarlijke goederen in die voertuigen, wagens of containers is toegelaten; 2° hij moet bij het vullen van voertuigen of containers met losgestorte gevaarlijke goederen zich ervan vergewissen dat de voorschriften, vermeld in hoofdstuk 7.3 van het ADR of het RID, in acht worden genomen.

Art. 13.De vuller heeft in het bijzonder de volgende plichten met betrekking tot het vullen van ladingtanks : 1° hij moet vóór het vullen van de ladingtanks van een tankschip zijn deel van de controlelijst, waarvan het model opgenomen is in bijlage 1, conform de bepalingen van dit besluit overeenkomstig invullen;2° hij mag ladingtanks alleen vullen met gevaarlijke goederen waarvoor de tanks zijn toegelaten;3° hij moet, indien noodzakelijk, bij het vervoer van stoffen met een smeltpunt dat groter is dan of gelijk is aan 0° C, een verwarmingsinstructie meegeven;4° hij moet waarborgen dat bij het laden de gever voor het inschakelen van de overvulbeveiliging de door de walinstallatie gegeven en gevoede stroomkring onderbreekt en dat hij maatregelen tegen een overloper neemt;5° hij moet waarborgen dat zowel in de omgeving van het voor- als het achterschip geschikte middelen aanwezig zijn om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten;6° hij moet waarborgen dat in de gasterugvoer- of gaspendelleiding, als die vereist is, een vlamkerende inrichting aanwezig is, die het schip tegen detonatie en vlamdoorslag vanuit de wal beschermt;7° hij moet waarborgen dat de laadsnelheid in overeenstemming is met de laadinstructie en dat de druk aan het walaansluitpunt de openingsdruk van het snelafblaasventiel niet te boven gaat;8° hij moet waarborgen dat de door hem ter beschikking gestelde pakkingen tussen de verbindingsflenzen in de land-schipverbinding van de laad- en losleidingen uit materiaal bestaan dat noch door de lading wordt aangetast of een ontleding van de lading tot gevolg kan hebben, noch met de lading schadelijke of gevaarlijke verbindingen kan aangaan;9° hij moet waarborgen dat tijdens de totale duur van de overslag een voortdurend en doelmatig toezicht is verzekerd.

Art. 14.De vuller heeft in het bijzonder de volgende plichten met betrekking tot het vullen van schepen met losgestorte gevaarlijke goederen : 1° hij mag het schip alleen vullen met gevaarlijke goederen waarvoor het schip is toegelaten;2° hij moet waarborgen dat zowel in de omgeving van het voor- als het achterschip geschikte middelen aanwezig zijn om het schip, ook in noodgevallen, te verlaten. HOOFDSTUK 4. - Voorschriften voor het laden, vervoeren, lossen en de overige behandeling van de lading Afdeling 1. - Drogeladingschepen

Art. 15.Het ventileren van de laadruimen is alleen noodzakelijk als dat in dit besluit of in het bijkomende voorschrift 'VE...' in 3.2, tabel A, kolom 10, is opgelegd.

Art. 16.Vóór het laden zijn aanvullende maatregelen alleen noodzakelijk als die in dit besluit of in het bijkomende voorschrift 'LO...' in 3.2, tabel A, kolom 11, zijn opgelegd.

Art. 17.Tijdens het behandelen en stuwen van de lading zijn aanvullende maatregelen alleen noodzakelijk als die in dit besluit of in het voorschrift 'HA...' in 3.2, tabel A, kolom 11, zijn voorgeschreven.

Art. 18.Tijdens het laden, vervoeren, lossen en behandelen van de lading zijn aanvullende maatregelen alleen noodzakelijk als die in dit besluit of in het voorschrift 'IN...' in 3.2, tabel A, kolom 11, zijn voorgeschreven.

Art. 19.Gevaarlijke goederen mogen alleen op de door de bevoegde autoriteit aangewezen of voor dat doel toegestane plaatsen geladen of gelost worden.

Art. 20.Als stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in 3.2, tabel A, kolom 12, het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, aan boord zijn, mogen goederen van welke soort ook alleen op door de bevoegde autoriteit aangewezen of voor dat doel toegestane plaatsen geladen of gelost worden.

Art. 21.Laad- en loshandelingen van stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in 3.2, tabel A, kolom 12, het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit worden aangevangen. Dat is ook van toepassing op het laden en lossen van andere goederen als stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in 3.2, tabel A, kolom 12, het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, aan boord zijn.

Art. 22.Laad- en loshandelingen van stoffen en voorwerpen van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in tabel A, kolom 12, het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, moeten tijdens onweer worden onderbroken.

Art. 23.Het is verboden zonder toestemming van de bevoegde autoriteit de lading geheel of gedeeltelijk buiten een daarvoor toegelaten overslagplaats over te slaan in een ander schip.

Art. 24.Als in 3.2, tabel A, kolom 6, bij een stof of een voorwerp het bijzondere voorschrift 802 is aangegeven, moeten de volgende voorzorgsmaatregelen ten opzichte van levensmiddelen, genotmiddelen en voer voor dieren in acht worden genomen.

Op colli, alsook op ongereinigde lege verpakkingen, met inbegrip van grote verpakkingen en IBC's, die voorzien zijn van etiketten volgens model nummer 6.1 of 6.2 of die voorzien zijn van etiketten van klasse 9, voor zover die goederen van klasse 9 UN 2212, 2315, 2590, 3151, 3152 en 3245 bevatten, mogen in laadruimen, in containers en op laad-, los- en overslagplaatsen geen colli, waarvan bekend is dat ze levensmiddelen, genotmiddelen of voer voor dieren bevatten, worden gestapeld of in de onmiddellijke nabijheid worden geladen.

Als die colli, voorzien van de etiketten, toch in de onmiddellijke nabijheid worden geladen van colli waarvan bekend is dat ze levensmiddelen, genotmiddelen of voer voor dieren bevatten, moeten ze daarvan gescheiden zijn op een van de volgende wijzen, tenzij de colli met de etiketten voorzien zijn van een aanvullende verpakking of volledig afgedekt zijn : 1° door volwandige scheidingswanden.Die scheidingswanden moeten even hoog zijn als de colli, voorzien van de etiketten; 2° door colli die niet zijn voorzien van etiketten volgens model nummer 6.1, 6.2 of 9, zoals bepaald in hoofdstuk 5.2 kenmerken en etikettering van ADN, of door colli die voorzien zijn van etiketten van klasse 9, maar die geen goederen van klasse 9, UN 2212, 2315, 2590, 3151, 3152 en 3245 bevatten; 3° door een afstand van ten minste 0,8 meter.

Art. 25.Tijdens het laden en lossen moeten colli met gevaarlijke goederen tegen accidentele beschadiging worden beschermd.

Art. 26.Zonder toestemming van de bevoegde autoriteit is het vullen en ledigen van vaten, tankwagens, ketelwagens, IBC's, grote verpakkingen, MEGC's, transporttanks of tankcontainers aan boord van het schip verboden. Afdeling 2. - Behandelen en vervoeren van nucleaire goederen

Art. 27.Iedere groep van colli, oververpakkingen en containers, die splijtbare stof bevat en in een opslag als tussenopslag is opgeslagen, moet zodanig worden beperkt dat de totale som van de criticaliteitsveiligheidsindices in de groep niet meer bedraagt dan 50. Iedere groep moet dusdanig worden gestuwd dat tussen de groep en andere groepen een ruimte van ten minste 6 meter wordt gehandhaafd.

Art. 28.In de gevallen waarin de totale som van de criticaliteitsveiligheidsindices aan boord van een voertuig of in een container meer bedraagt dan 50, zoals toegestaan in tabel DE, moet de opslag zodanig plaatsvinden dat ten opzichte van andere groepen van colli, oververpakkingen of containers met splijtbare stoffen of ten opzichte van andere voertuigen met radioactieve stoffen een ruimte van ten minste 6 meter gehandhaafd blijft.

De tussenruimte tussen de groepen kan voor andere gevaarlijke goederen conform het ADN worden gebruikt. Het vervoer van andere goederen samen met zendingen onder exclusief gebruik is toegestaan onder de voorwaarde dat de voorzorgsmaatregelen daarvoor uitsluitend door de belader worden getroffen en het vervoer niet op grond van andere voorschriften verboden is.

Art. 29.Als het duidelijk is dat een collo beschadigd is of lekt, of als er wordt vermoed dat het collo lekt of beschadigd is, moet toegang tot het collo worden beperkt en moet een gekwalificeerd persoon zo snel mogelijk de omvang van de besmetting en het resulterende stralingsniveau van het collo vaststellen. De omvang van de vaststelling moet zich uitstrekken tot het collo, het voertuig, de wagen, het schip, de aangrenzende laad- en losplaatsen en, zo nodig, alle andere goederen die in het schip zijn vervoerd.

Overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit vastgestelde voorschriften moeten aanvullende maatregelen ter bescherming van personen, bezittingen en het milieu worden genomen om de gevolgen van een dergelijke lekkage of schade te ondervangen en tot een minimum te beperken.

Art. 30.Beschadigde colli of colli waaruit meer radioactieve inhoud lekt dan de toegestane grenswaarden voor normale vervoersomstandigheden, mogen onder toezicht worden overgebracht naar een aanvaardbare, tijdelijke tussenopslagplaats, en mogen pas verder worden vervoerd nadat ze zijn hersteld of gereconditioneerd en ontsmet.

Art. 31.Als noch de afzender, noch de ontvanger kan worden vastgesteld, of als de zending niet aan de ontvanger kan worden afgeleverd en de vervoerder geen instructies van de verzender heeft, moet de zending op een veilige plaats worden opgeslagen. De bevoegde autoriteit moet zo spoedig mogelijk worden ingelicht en moet worden verzocht om aanwijzingen te verstrekken over hoe verder moet worden gehandeld. Afdeling 3. - Tankschepen

Art. 32.Tijdens het laden of lossen van stoffen van klasse 2 en klasse 3, UN 1280 en 2983, moet op twee plaatsen aan boord van het schip voor en achter en op twee plaatsen aan de wal direct bij de toegang tot het schip en op voldoende afstand door middel van een schakelaar de laad- of loshandeling kunnen worden onderbroken. Dat wil zeggen dat het snelsluitventiel direct aan de buigzame verbindingsleiding tussen schip en wal moet kunnen worden gesloten.

Het ontkoppelingssysteem moet ontworpen zijn volgens het geslotencircuitprincipe.

Art. 33.Het ontgassen van geloste of lege ladingtanks naar de atmosfeer is onder de volgende voorwaarden alleen toegestaan als het op grond van andere internationale of nationale wettelijke voorschriften niet verboden is.

Art. 34.Geloste of lege ladingtanks die gevaarlijke stoffen van klasse 2, klasse 3 met classificatiecode T in tabel C, kolom 3b, klasse 6.1 of klasse 8 met verpakkingsgroep I in tabel C, kolom 4, hebben bevat, mogen alleen door deskundige personen of door firma's die daarvoor aangewezen zijn door de bevoegde autoriteit, worden ontgast. Het ontgassen mag alleen worden uitgevoerd op plaatsen waar de bevoegde autoriteit het toelaat.

Art. 35.Geloste of lege ladingtanks die andere dan de gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 34, hebben bevat, mogen tijdens de vaart met behulp van geschikte ventilatie-inrichtingen worden ontgast als de tankdeksels zijn gesloten en de afvoer van het gas-luchtmengsel via vlamkerende inrichtingen, die een duurbrand kunnen doorstaan, plaatsvindt. Onder normale bedrijfsomstandigheden moet op de plaats van uittreding van het gas-luchtmengsel de concentratie aan product minder dan 50 % van de onderste explosiegrens bedragen. Geschikte ventilatie-inrichtingen bij de zuigende ontgassing mogen alleen worden gebruikt met een vlamkerende inrichting die direct op de zuigzijde van de ventilator aangebracht is. De gasconcentratie moet bij blazende of zuigende werking van de ventilatie-inrichtingen tijdens de eerste twee uur na het begin van het ontgassen ieder uur door een deskundige worden gemeten. De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd.

In de buurt van sluizen, inclusief hun voorhavens, is ontgassen verboden.

Art. 36.Als het ontgassen van ladingtanks die de gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 34, hebben bevat, op de plaatsen die daarvoor door de bevoegde autoriteit aangewezen zijn of die voor dat doel toegelaten zijn, niet mogelijk is, kan tijdens de vaart worden ontgast als : 1° voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 34, waarbij de gasconcentratie in het uitgeblazen mengsel op de plaats van de uittreding echter niet meer dan 10 % van de onderste explosiegrens bedraagt;2° gevaar voor de bemanning is uitgesloten;3° alle toegangen en openingen van ruimten, die met de buitenlucht in verbinding staan, zijn gesloten.Dat is niet van toepassing op luchttoevoeropeningen van de machinekamer en op overdrukinrichtingen; 4° de bemanningsleden die aan dek werken, geschikte veiligheidsuitrusting dragen;5° het ontgassen niet in de nabijheid van sluizen, inclusief hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden plaatsvindt.

Art. 37.Vloeibaar, onverpakt scheepsbedrijfsafval mag alleen door zuigen overgenomen worden.

Art. 38.Het afmeren en de overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval mag niet tijdens het laden en lossen van stoffen, waarvoor in 3.2, tabel C, kolom 16, explosiebescherming wordt vereist, en evenmin tijdens het ontgassen van tankschepen plaatsvinden. Dat is niet van toepassing op bilgeboten als voldaan is aan de eisen van de explosiebescherming voor de gevaarlijke stof.

Art. 39.Het afmeren en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen mag niet tijdens het laden en lossen van stoffen, waarvoor in 3.2, tabel C, kolom 16, explosiebescherming wordt vereist, en evenmin tijdens het ontgassen van tankschepen. Dat is niet van toepassing op bunkerboten als voldaan is aan de eisen van de explosiebescherming voor de gevaarlijke stof.

Art. 40.De bevoegde autoriteit kan afwijkingen van artikel 35 en 36 toelaten, en tijdens het lossen kan ze ook afwijkingen van artikel 37 toelaten.

Art. 41.Tankschepen mogen alleen geladen, gelost of ontgast worden op de plaatsen die door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen of op de plaatsen waar dat is toegelaten.

Art. 42.De overname van vloeibaar, onverpakt, olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen is geen laden of lossen als vermeld in artikel 32.

Art. 43.Het is verboden zonder toestemming van de bevoegde autoriteit de lading geheel of gedeeltelijk buiten een daarvoor toegelaten overslagplaats over te slaan.

Art. 44.Met het laden en lossen mag niet worden begonnen zolang de controlelijst waarvan het model opgenomen is in bijlage 1, die betrekking heeft op de betreffende lading, niet is ingevuld en vraag 1 tot en met 8 van de controlelijst nog niet zijn aangekruist ter bevestiging. Vragen die niet van toepassing zijn, moet worden doorgestreept. De lijst moet in tweevoud worden ingevuld en zowel door de schipper of door de door hem met de verantwoording belaste persoon aan boord als door de voor de overslag verantwoordelijke persoon van de walinstallatie worden ondertekend. Als niet alle vragen die van toepassing zijn, positief kunnen worden beantwoord, is de overslag alleen met toestemming van de bevoegde autoriteit toegestaan.

Art. 45.De controlelijst moet overeenkomen met het model als bedoeld in bijlage 1 bij dit besluit.

Art. 46.De controlelijst zal gedrukt zijn in een taal die ten minste wordt begrepen door de schipper en door de persoon van de walinstallatie die verantwoordelijk is voor de overslag.

Art. 47.Artikel 38, 39 en 40 zijn niet van toepassing tijdens de overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval in bilgeboten en tijdens de afgifte van scheepsaandrijfstoffen vanuit bunkerboten.

Art. 48.Als restanten van de vorige lading gevaarlijke reacties met de beoogde lading kunnen veroorzaken, moeten die restanten in voldoende mate worden verwijderd.

Gevaarlijke stoffen moeten, als ze met andere gevaarlijke stoffen reageren, door middel van een kofferdam, een lege ruimte, een pompkamer, een lege ladingtank of een ladingtank, beladen met een stof die niet met de lading reageert, gescheiden worden.

Als een ladingtank leeg is en niet schoongemaakt is of restanten van een stof bevat die gevaarlijk kunnen reageren met andere gevaarlijke stoffen, is de scheiding niet noodzakelijk als de schipper geschikte maatregelen heeft genomen om een gevaarlijke reactie te voorkomen.

Als het schip is uitgerust met laad- of losleidingen onder dek, die door de ladingtanks worden gevoerd, mogen stoffen die gevaarlijk kunnen reageren met elkaar, niet samen geladen of vervoerd worden.

Art. 49.Voor de aanvang van het laden moeten, indien mogelijk, alle voorgeschreven veiligheids- en controle-inrichtingen, alsook alle uitrustingsstukken, getest worden en op hun werkzaamheid worden gecontroleerd.

Art. 50.Voor de aanvang van het laden moet de overloopbeveiliging aan de walinstallatie worden aangesloten.

Art. 51.Na iedere lossing moeten de ladingtanks en de laad- en losleidingen met behulp van het nalenssysteem, conform de voorwaarden zoals ze bij de beproeving zijn vastgelegd, worden geledigd. Dat is niet van toepassing als de nieuwe lading qua stof gelijk is aan de voorafgaande.

Ladingrestanten moeten met behulp van de inrichting voor de afgifte van restanten aan land worden afgegeven of in de eigen restladingtank of in toegestane IBC's, tankcontainers of transporttanks worden opgeslagen volgens de bepalingen van dit besluit.

Art. 52.Tijdens het vullen van de restladingtanks of de toegelaten IBC's of tankcontainers moeten de uittredende gassen op veilige wijze worden afgevoerd.

Art. 53.Na het nalenzen moeten de ladingtanks en de laad- en losleidingen, als dat noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudwerkzaamheden, worden gereinigd en ontgast.

Die reiniging en ontgassing moeten worden gecontroleerd door personen of firma's die erkend zijn door de bevoegde autoriteit. Ontgassen mag alleen worden uitgevoerd op plaatsen waar de bevoegde autoriteit er toestemming voor heeft verleend.

Art. 54.De laadsnelheid alsook de maximale pompdruk moeten bepaald worden met het akkoord van het personeel van de walinstallatie.

Art. 55.Onder de voor het laden of lossen gebruikte walaansluitingen moeten voorzieningen zijn aangebracht om eventueel lekvloeistof te kunnen opnemen. Dat is niet van toepassing op stoffen van klasse 2.

Art. 56.Bij terugvoer van het gas-luchtmengsel van de wal in het schip mag de druk aan het walaansluitpunt niet hoger zijn dan de openingsdruk van het snelafblaasventiel.

Art. 57.Als de gasverzamelleiding of de gasafvoerleiding van het schip wordt aangesloten aan de walinstallatie, moet, bij stoffen waarvoor in 3.2, tabel C, kolom 17, explosiebescherming wordt vereist, de gasterugvoer- of gaspendelleiding van de walinstallatie zodanig zijn uitgevoerd dat het schip tegen detonatie en vlamdoorslag vanaf de wal wordt beschermd. De bescherming tegen detonatie en vlamdoorslag vanaf de wal is niet noodzakelijk als de ladingtanks inert gemaakt zijn.

Art. 58.Als bij stoffen van klasse 2 of 6.1 in 3.2, tabel C, kolom 20, toezicht vereist is, moet het laden of lossen plaatsvinden onder toezicht van een persoon die daarvoor gemachtigd is door de afzender of de ontvanger en die niet tot de bemanning behoort.

Art. 59.Tijdens het laden of lossen van ladingtanks mag niets anders worden geladen of gelost. De bevoegde autoriteit kan tijdens het lossen uitzonderingen toestaan. HOOFDSTUK 5. - Algemene voorschriften Afdeling 1. - Algemeen

Art. 60.Het is verboden vuur of onbeschermd licht te gebruiken als stoffen en voorwerpen van klasse 1, subklasse 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 of 1.6, aan boord zijn en de laadruimen geopend zijn, of als de te laden goederen zich binnen een afstand van minder dan 50 meter van het schip bevinden.

Art. 61.Elektrisch geleidende verbindingen tussen schip en wal, alsook werktuigen, die in de beschermde zone worden gebruikt, moeten zodanig zijn vervaardigd, dat ze geen ontstekingsbron vormen.

Art. 62.De bevoegde autoriteit mag beperkingen opleggen aan de opname in duwkonvooien met grote afmetingen van vaartuigen die gevaarlijke goederen vervoeren of die niet ontgast zijn.

Art. 63.Als vaartuigen die stoffen of voorwerpen vervoeren van klasse 1 en goederen van klasse 4.1 of 5.2, waarvoor in 3.2, tabel A, kolom 12, het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, en goederen van klasse 7, (UN 2912, 2913, 2915, 2916, 2917, 2919, 2977, 2978 en 3321 tot en met 3333), mag de bevoegde autoriteit beperkingen opleggen aan de afmetingen van duwkonvooien en de samenstelling ervan. Tijdelijk voorspan is echter toegestaan. Afdeling 2. - Ligplaats.

Art. 64.Schepen die gevaarlijke goederen vervoeren, mogen geen ligplaats nemen op een geringe afstand van andere schepen, zoals in het koninklijk besluit van 24 september 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 24/09/2006 pub. 12/10/2006 numac 2006202943 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 28 juni 2005, gesloten in het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden voor de jaren 2005-2006 type koninklijk besluit prom. 24/09/2006 pub. 20/11/2006 numac 2006202921 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 2006, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer, tot vaststelling van een financiële vergoeding voor nachtarbeid voor de werklieden e type koninklijk besluit prom. 24/09/2006 pub. 20/11/2006 numac 2006012422 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 december 2004, gesloten in het Paritair Subcomité voor het stads- en streekvervoer van het Vlaamse Gewest, betreffende de vaststelling van de minimum sluiten houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk en latere wijzigingen voorgeschreven is.

Art. 65.Schepen moeten stevig worden vastgemaakt, maar zodanig dat in de elektrische kabels en in de buigzame leidingen geen spanning kan optreden en dat ze in geval van gevaar snel kunnen worden losgemaakt.

Art. 66.Aan boord van stilliggende schepen die een seinvoering als vermeld in 3.2, tabel A, kolom 12, moeten voeren, moet zich permanent een deskundige bevinden. De bevoegde autoriteit kan de schepen die stilliggen in een haven of op plaatsen die daarvoor zijn toegelaten, van die verplichting ontslaan.

Art. 67.§ 1. Buiten de door de bevoegde autoriteit speciaal aangegeven ligplaatsen mag bij het ligplaats nemen de onderstaande afstand niet worden onderschreden : 1° 100 m van gesloten woongebieden, kunstwerken en tankopslagplaatsen, als het schip conform 3.2, tabel A, kolom 12, een seinvoering met één blauwe kegel of één blauw licht moet voeren; 2° 100 m van kunstwerken en tankopslagplaatsen en 300 m van gesloten woongebieden, als het schip conform 3.2, tabel A, kolom 12, een seinvoering met twee blauwe kegels of twee blauwe lichten moet voeren; 3° 500 m van gesloten woongebieden, kunstwerken en tankopslagplaatsen, als het schip conform 3.2, tabel A, kolom 12, een seinvoering met drie blauwe kegels of drie blauwe lichten moet voeren.

Tijdens het wachten voor sluizen of bruggen is het toegestaan geringere afstanden aan te houden. In die gevallen geldt echter een minimale afstand van 100 m. § 2. De bevoegde autoriteit kan met het oog op de plaatselijke omstandigheden geringere afstanden als de afstanden, vermeld in paragraaf 1, toelaten.

Art. 68.Als het varen van een schip dat stoffen en voorwerpen van klasse 1 of goederen van klasse 4.1 of 5.2 vervoert, waarvoor in 3.2, tabel A, kolom 12, het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, gevaar kan opleveren ten gevolge van invloeden van buitenaf of ten gevolge van omstandigheden die betrekking hebben op het schip zelf, moet het schip, met inachtneming van de voorschriften, vermeld in artikel 33, 34 en 35, op een geschikte plaats die zo ver mogelijk verwijderd is van woonhuizen, havens, kunstwerken of opslagplaatsen voor gassen of brandbare vloeistoffen, worden afgemeerd.

De bevoegde autoriteit moet onmiddellijk op de hoogte worden gebracht.

Art. 69.Ligplaatsen binnen overslaginstallaties voor gevaarlijke goederen moeten op degelijke wijze worden beveiligd, goed verlicht zijn en, als dat mogelijk en passend is, voor het publiek ontoegankelijk zijn. Afdeling 3. - Ventilatie

Art. 70.Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan als ze in 3.2, tabel A, kolom 10, worden vermeld : 1° VE01 : laadruimen die deze stof bevatten, moeten met het volle vermogen van de ventilatoren worden geventileerd als na meting is vastgesteld dat de gasconcentratie van gassen die uit de lading komen, boven 10 % van de onderste explosiegrens komt.De meting moet direct na het laden worden uitgevoerd. Een herhalingsmeting moet na één uur worden uitgevoerd. De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd; 2° VE02 : laadruimen die deze stof bevatten, moeten met het volle vermogen van de ventilatoren worden geventileerd als na meting is vastgesteld dat de laadruimen niet vrij zijn van gassen die uit de lading komen.De meting moet direct na het laden worden uitgevoerd.

Een herhalingsmeting moet na één uur worden uitgevoerd.

De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd; 3° VE03 : ruimten, zoals laadruimen, woningen en machinekamers, die grenzen aan een laadruim dat deze stof bevat, moeten worden geventileerd.De laadruimen die deze stof hebben bevat, moeten na het lossen mechanisch worden geventileerd. Na het ventileren moet de gasconcentratie in deze laadruimen worden gemeten. De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd; 4° VE04 : als spuitbussen conform de bijzondere bepaling 327 voor hergebruik of voor verwijderingsdoeleinden worden vervoerd, zijn de bijzondere bepalingen VE01 en VE02 van toepassing. Afdeling 4. - Maatregelen voor het laden van de lading

Art. 71.Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan, als ze in 3.2, tabel A, kolom 11, worden vermeld : 1° LO01 : voor het laden van deze stoffen of voorwerpen moet men zich ervan vergewissen dat in het laadruim geen metalen voorwerpen, die geen geïntegreerd deel van het schip zijn, aanwezig zijn;2° LO02 : het losgestort laden van deze stof mag alleen plaatsvinden als de temperatuur ervan niet hoger is dan 55° C;3° LO03 : voor het losgestort of onverpakt laden van deze stof moet men zich ervan vergewissen dat de betreffende laadruimen zo droog mogelijk zijn;4° LO04 : voor het losgestort laden van deze stof moet men zich ervan vergewissen dat er in het laadruim geen los organisch materiaal aanwezig is;5° LO05 : vóór het vervoer van drukvaten moet er zekerheid zijn dat de druk zich ten gevolge van een eventuele waterstofvorming niet heeft verhoogd.

Art. 72.Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan als ze in 3.2, tabel A, kolom 11, worden vermeld : 1° HA01 : deze stoffen of voorwerpen moeten ten minste 3 m verwijderd van woningen, machinekamers, van het stuurhuis en van warmtebronnen worden geplaatst;2° HA02 : deze stoffen of voorwerpen moeten ten minste 2 m van de huid van het schip worden geplaatst;3° HA03 : tijdens de behandeling van deze stoffen of voorwerpen moet wrijving, stoten, schokken, kantelen en vallen worden vermeden.Alle colli die zich in hetzelfde laadruim bevinden, moeten zo worden geplaatst en vastgezet dat schokken en wrijvingen tijdens het vervoer zijn uitgesloten; 4° HA04 : het is verboden op colli met deze stoffen of voorwerpen ongevaarlijke goederen te plaatsen;5° HA05 : als deze stoffen of voorwerpen in het zelfde laadruim worden geladen, moeten deze stoffen of voorwerpen na alle andere goederen worden geladen en vóór alle andere goederen worden gelost.Dat is niet van toepassing als de stoffen en voorwerpen van klasse 1 zich in containers bevinden; 6° HA06 : tijdens het laden of lossen van deze stoffen of voorwerpen mogen andere laadruimen en brandstoftanks niet geladen of gelost worden.De bevoegde autoriteit kan afwijkingen toestaan; 7° HA07 : het is verboden deze goederen losgestort of onverpakt te laden of te lossen als het gevaar bestaat dat de stof door weersinvloeden nat wordt;8° HA08 : als de met deze goederen beladen colli niet in een container zijn geplaatst, moeten ze op roosters geplaatst worden en moeten ze met waterdichte kleden afgedekt worden, die zodanig zijn aangebracht dat het water naar de buitenkant afloopt en de ventilatie niet wordt gehinderd;9° HA09 : tijdens het losgestorte vervoer van deze goederen mogen in hetzelfde laadruim geen brandbare stoffen worden geplaatst;10° HA10 : deze goederen moeten aan dek in de beschermde zone worden geplaatst.Zeeschepen voldoen aan deze stuwvoorschriften als aan de voorschriften van de IMDG-code is voldaan.

Art. 73.Aan de volgende aanvullende eisen moet worden voldaan als ze in 3.2, tabel A, kolom 11, worden vermeld : 1° IN01 : na het laden en na het lossen van deze goederen, losgestort of onverpakt, en vóór het verlaten van de overslagplaats moet door de afzender of door de ontvanger de gasconcentratie in de woningen, machinekamers en aangrenzende laadruimen met behulp van een gasdetectiemeter worden gemeten.Voor personen de laadruimen betreden en voor het lossen moet de gasconcentratie door de ontvanger van de lading worden gemeten. Het laadruim mag pas worden betreden en met het lossen mag pas worden aangevangen als de gasconcentratie in de vrije ruimte boven de lading beneden 50 % van de onderste explosiegrens ligt. Als in deze ruimten gasconcentraties die van belang zijn, worden vastgesteld, moeten door de afzender of de ontvanger onmiddellijk de noodzakelijke maatregelen voor de veiligheid worden getroffen; 2° IN02 : als een laadruim deze goederen losgestort of onverpakt bevat, moet in alle andere ruimten van het schip, die door de bemanning betreden kunnen worden, de gasconcentratie ten minste eenmaal per acht uur met behulp van een giftigheidsmeter worden gemeten.De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd; 3° IN03 : als een laadruim deze goederen losgestort of onverpakt bevat, moet de schipper dagelijks bij de lensputten of de pompkokers controleren of er op het scheepsvlak in het laadruim water staat.Als op het scheepsvlak in het laadruim water staat, moet dat onmiddellijk worden verwijderd. HOOFDSTUK 6. - Slotbepaling

Art. 74.De Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid en het vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 14 december 2012.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, H. CREVITS

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2012 Brussel, 14 december 2012.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken, H. CREVITS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^