Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 15 juli 1997
gepubliceerd op 28 oktober 1997

Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, alsook van de verhouding in dewelke het Vlaamse Gewest bijdraagt in de kosten verbonden aan de bouw door de gemeenten van rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximum 500 inwonerequivalenten, evenals houdende vaststelling van nadere regels met betrekking tot de procedure tot vaststelling van subsidiëringsprogramma's

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1997036294
pub.
28/10/1997
prom.
15/07/1997
ELI
eli/besluit/1997/07/15/1997036294/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

15 JULI 1997. Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, alsook van de verhouding in dewelke het Vlaamse Gewest bijdraagt in de kosten verbonden aan de bouw door de gemeenten van rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximum 500 inwonerequivalenten, evenals houdende vaststelling van nadere regels met betrekking tot de procedure tot vaststelling van subsidiëringsprogramma's


De Vlaamse regering, Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, gewijzigd bij wet van 22 mei 1979 en de decreten van 23 december 1980, 5 april 1984, 28 juni 1985, 13 juli 1988, 20 december 1989, 12 december 1990, 21 december 1990, 25 juni 1992, 1 juli 1992, 18 december 1992, 15 december 1993, 22 december 1993, 6 juli 1994, 21 december 1994, 22 december 1995 en 8 juli 1996, in het bijzonder hoofdstuk IIbis betreffende de bijzondere bepalingen voor het Vlaamse Gewest inzake openbare riolen andere dan prioritaire rioleringen en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties, artikelen 32septies, 32duodecies en 32terdecies;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 september 1995;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 1996 houdende vaststelling van de voorwaarden onder dewelke, alsook van de verhouding in dewelke het Vlaamse Gewest bijdraagt in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen, evenals houdende vaststelling van nadere regels met betrekking tot de procedure tot vaststelling van subsidiëringsprogramma's;

Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering op 17 december 1996 betreffende de aanvraag om advies binnen de maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 februari 1997 met toepassing van art. 84, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Overwegende de omzendbrief van 16 juli 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling met betrekking tot de vaststelling van de Code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen en individuele voorbehandelingsinstallaties, gewijzigd op 19 december 1996 door toevoeging van het hoofdstuk "Kleinschalige waterzuiveringsinstallaties";

Overwegende de beheersovereenkomst afgesloten tussen het Vlaamse Gewest en de NV Aquafin d.d. 10 november 1993;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallatie" : rioolwaterzuiveringsinstallatie met een capaciteit schommelend tussen 20 en 500 inwonerequivalenten; 2. "zuiveringszone C" : de zone gedefiniëerd in artikel 1.1.2. van titel II van het VLAREM; 3° "gecentraliseerd lozingspunt" : het lozingspunt dat door de bouw van een kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt gesaneerd;4° "aanvoerleiding" : de leiding die de verbinding maakt tussen het gecentraliseerd lozingspunt en de kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallatie;5° "kosten verbonden aan de bouw van rioolwaterzuiveringsinstallaties" : het geheel van de kosten inclusief BTW, zijnde : a) het grondwerk;b) de bouw en aanleg van het gekozen zuiveringssysteem;c) de bijbehorende infrastructuurwerken;d) de bijbehorende aanvoerleiding; met uitsluiting van : a) de kosten voor studies, toezicht, proeven, grondmechanisch onderzoek, bodemonderzoeken, e.d. b) de kosten voor verwervingen van grond, erfdienstbaarheden, e.d.; c) de aanleg van riolering voor de centralisatie van de vuilvracht;d) het dienstgebouw, wegen en omheining;6° "aanbestedingsprocedure" : de procedure die aanvangt met de bekendmaking van de aanbesteding en eindigt met de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot gunning van het werk;7° "ambtelijke commissie" : de commissie bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 1996 houdende vaststelling van de voorwaarden onder dewelke, alsook van de verhouding in dewelke het Vlaamse Gewest bijdraagt in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen, evenals houdende vaststelling van nadere regels met betrekking tot de procedure tot vaststelling van subsidiëringsprogramma's;8° "emissiegrenswaarden" : de na te leven lozingsvoorwaarden voor rioolwaterzuiveringsinstallaties met een maximum capaciteit van 500 inwonerequivalenten zoals vastgelegd in het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne. HOOFDSTUK II. - Criteria

Art. 2.De rioolwaterzuiveringsprojecten die in aanmerking komen voor subsidie en waarvoor de gemeenten een voorontwerpdossier kunnen indienen bij de Vlaamse Milieumaatschappij dienen aan de volgende criteria te voldoen : 1° het project wordt voorgesteld door de gemeente op basis van een voorontwerpdossier;2° het voorgestelde project is op basis van de voorliggende investeringsprogramma's voor bovengemeentelijke zuiveringsinfrastructuur én op basis van de gemeentelijke rioleringsprogrammatie gesitueerd buiten de zuiveringszones A en B;3° het project beoogt de zuivering van huishoudelijk afvalwater van minimum 20 en op termijn maximum 500 inwonerequivalenten;4° het oppervlaktewater (bron- en drainagewater) en het hemelwater van de verharde oppervlakten (wegen, daken, parkeerplaatsen) moeten zo veel mogelijk afgekoppeld worden van het aan te sluiten rioleringsstelsel (conform de code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen en individuele voorbehandelingsinstallaties);5° er wordt speciale zorg besteed aan het aspect "inpasbaarheid in het landschap".Dienstgebouw, wegen en omheining worden daarom tot het uiterste minimum beperkt; 6° de kostprijs van de aanvoerleiding voor de afvalwaters richting kleinschalige installatie mag de kostprijs van de kleinschalige zuiveringsinstallatie zelf niet overtreffen;7° de totale kostprijs (aanvoerleiding plus uitbouw zuiveringsinstallatie) moet lager liggen dan de kosten van aansluiting op de meest nabije grootschalige zuiveringsinstallatie, voor zover dergelijke aansluiting ecologisch verantwoord is. HOOFDSTUK III. - Gewestbijdrage

Art. 3.De verhouding waarin het Vlaamse Gewest binnen de daartoe in de begroting van de Vlaamse Gemeenschap ingeschreven kredieten kan bijdragen in de kosten verbonden aan de bouw door de gemeenten van kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties, wordt vastgesteld op 50 % van deze kosten.

Art. 4.De in artikel 3 bedoelde gewestbijdrage kan gecumuleerd worden met trekkingsrechten uit het Investeringsfonds overeenkomstig artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden voor toekenning van gewestbijdrage

Art. 5.§ 1. Om in aanmerking te komen voor de in artikel 3 bedoelde gewestbijdrage dient de procedure in acht te worden genomen overeenkomstig het bepaalde in dit artikel. § 2. De ontwerpfase 1 verloopt als volgt : 1° uiterlijk op 1 oktober, twee jaar voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het rollend subsidiëringsprogramma betrekking heeft waarvoor de subsidie voor het rioolwaterzuiveringsproject wordt aangevraagd, dient de gemeente een voorontwerpdossier in 4 exemplaren in bij de Vlaamse Milieumaatschappij;2° de Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt binnen een termijn van 14 kalenderdagen na ontvangst van het voorontwerpdossier een exemplaar ervan aan : a) de NV Aquafin;b) de afdeling AMINABEL van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer;c) de gouverneur van de provincie waarin het rioolwaterzuiveringsproject ligt;3° de NV Aquafin gaat over tot een technische controle van het voorontwerpdossier;deze controle omvat ten minste : a) de toetsing van het voorgestelde concept en de bijbehorende dimensionering aan de minimale eisen gesteld in de code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen en individuele voorbehandelingsinstallaties, in het bijzonder hoofdstuk 10 Kleinschalige waterzuiveringsinstallaties, afhankelijk van de aan te sluiten huishoudelijke vuilvracht en de graad van individuele voorzuivering;b) de controle van de in het voorontwerp bijgevoegde nota inzake de situering van het project binnen een zuiveringszone C;c) een evaluatie van de doorgevoerde scheiding tussen het huishoudelijk afvalwater en hemelwater van verharde oppervlakten en oppervlaktewater, conform de code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen binnen het stelsel van de aan te sluiten rioleringen;d) de toetsing van de aan te sluiten aanvoerleiding aan de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, vastgestelde code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen; e) eventuele opmerkingen en/of suggesties m.b.t. het op te maken ontwerp, resulterend uit voormelde toetsing; 4° de NV Aquafin bezorgt uiterlijk 60 kalenderdagen na ontvangst van het voorontwerpdossier haar verslag van deze technische controle aan de leden van de ambtelijke commissie;als dit verslag er niet is binnen de voormelde termijn, wordt het verslag geacht gunstig te zijn; 5° de ambtelijke commissie geeft op basis van het door de NV Aquafin opgemaakte verslag van de technische controle binnen een termijn van 30 kalenderdagen na ontvangst van het verslag, of in voorkomend geval na het verstrijken van de sub c) bedoelde 60 kalenderdagen, haar beoordeling over het voorontwerpdossier;indien het voorontwerpdossier, al of niet aangepast, wordt goedgekeurd, wordt dit voorontwerp als definitief aanvaard beschouwd; het definitief aanvaarde voorontwerp maakt inzonderheid melding van de aanvaarde raming van de kosten verbonden aan de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. § 3. Het Subsidiëringsprogramma wordt als volgt opgesteld : 1° de Vlaamse Milieumaatschappij maakt op basis van de definitief aanvaarde voorontwerpen het ontwerp van rollend subsidiëringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren op en legt dit ontwerp van rollend subsidiëringsprogramma uiterlijk op 15 februari van het jaar voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het rollend subsidiëringsprogramma betrekking heeft, voor aan de bevoegde Vlaamse minister;2° het in sub 1° bedoelde ontwerp van subsidiëringsprogramma wordt, voor wat de projecten voorzien op hun grondgebied betreft, voorgelegd aan de betrokken gemeente;binnen een termijn van drie maanden beslissen deze gemeenten door middel van een gemeenteraadsbeslissing over de hun aanbelangende projecten met inbegrip van de hieraan gekoppelde financiële planning; de gemeenten maken de beslissing van de gemeenteraad uiterlijk op 1 juni van het jaar voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het rollend subsidiëringsprogramma betrekking heeft over aan de Vlaamse Milieumaatschappij; 3° de Vlaamse Milieumaatschappij legt het ontwerp van rollend subsidiëringsprogramma voor aan de bevoegde Vlaamse minister, uiterlijk op 15 juni van het jaar voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop het rollend subsidiëringsprogramma betrekking heeft;4° de bevoegde Vlaamse minister stelt binnen de budgettaire perken het subsidiëringsprogramma vast en deelt dit aan de betrokken gemeenten mee uiterlijk op 1 juli van het jaar voorafgaand aan het eerste kalenderjaar van de vijf jaren waarop het rollend subsidiëringsprogramma betrekking heeft. § 4. Vastlegging gewestbijdrage : 1° het definitief aanvaarde voorontwerp, opgenomen op het door de Vlaamse regering goedgekeurde programma vormt, na mede-ondertekening door de betrokken gemeente, de basis voor de opmaak van het ontwerp alsook voor de vastlegging van de gewestbijdrage;2° de directeur-generaal van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer legt de definitief aanvaarde voorontwerpen van het subsidiëringsprogramma, met een voorstel tot toekenning van de gewestbijdrage lastens het MINA-fonds, binnen een termijn van 50 dagen voor aan de bevoegde Vlaamse minister;het aldus toegekende bedrag van de gewestbijdrage wordt vastgelegd ten laste van het MINA-fonds; 3° een kopie van de vastlegging van de gewestbijdrage wordt door de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer bezorgd binnen 14 dagen na de toekenning aan elk van de partijen van de ambtelijke commissie alsook aan de gemeente en aan de gouverneur van de provincie waarin het rioolwaterzuiveringsproject ligt. § 5. De ontwerpfase 2 verloopt als volgt : 1° de gemeente dient het ontwerpdossier in 4 exemplaren in bij de gouverneur van de provincie waarin het rioolwaterzuiveringsproject ligt;2° de provinciegouverneur bezorgt binnen een termijn van 14 kalenderdagen na ontvangst van het ontwerpdossier een exemplaar ervan aan : a) de Vlaamse Milieumaatschappij;b) de NV Aquafin;c) de afdeling AMINABEL van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer;3° de NV Aquafin brengt binnen een termijn van dertig kalenderdagen bij de provinciegouverneur advies uit over het ontwerpdossier;4° de provinciegouverneur, ziet het ontwerpdossier na op zijn eenvormigheid met het goedgekeurde voorontwerpdossier;op basis van deze controle en het door de NV Aquafin uitgebrachte advies, doet de provinciegouverneur binnen een termijn van 50 kalenderdagen na ontvangst van het ontwerpdossier uitspraak over het ingediende ontwerpdossier en stelt de gemeente hiervan in kennis alsook elk van de partijen van de ambtelijke commissie; 5° de ontvangst van de kennisgeving van de goedkeuring van het ontwerpdossier door de provinciegouverneur geeft de gemeente het recht de aanbestedingsprocedure in te zetten;6° de gemeente stuurt een aanvraag tot definitieve vaststelling van de gewestbijdrage naar de provinciegouverneur met vermelding van het gunningsbedrag, opgedeeld volgens de in art.1, 5° vermelde rubrieken; het bedrag van de definitieve gewestbijdrage wordt binnen een termijn van 50 kalenderdagen bepaald op basis van het gunningsdossier van de werken in die zin dat het bedrag van de gewestbijdrage : a) niet hoger kan zijn dan de op basis van het definitief aanvaard voorontwerp toegekende gewestbijdrage;b) wordt verminderd tot 50 % van de werkelijke kosten verbonden aan de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie als de kosten op basis van het gunningsdossier lager zijn dan de op basis van het definitief aanvaarde ontwerp toegekende gewestbijdrage; de provinciegouverneur stelt de gemeente alsook elk van de partijen van de ambtelijke commissie binnen 14 dagen na de definitieve vaststelling in kennis van deze definitieve vaststelling van het bedrag van de gewestbijdrage; 7° de vastlegging lastens het MINA-fonds wordt in het geval van 6°, b) verminderd tot het door de provinciegouverneur vastgestelde definitieve bedrag van gewestbijdrage. § 6. De gunning en uitvoering van het werk verloopt als volgt : 1° op straffe van verval van rechtswege van de gewestbijdrage, mag de gemeente de kennisgeving van de goedkeuring van zijn inschrijving aan de betrokken aannemer niet betekenen voor de gemeente door de provinciegouverneur in kennis is gesteld van de definitieve vaststelling van het goedgekeurde bedrag van de gewestbijdrage;2° de gewestbijdrage vervalt van rechtswege als uit het ontwerp- en/of gunningsdossier blijkt dat de gegevens van het voorontwerpdossier - op basis waarvan het werk in het investeringsprogramma werd opgenomen - manifest onjuist zijn;3° het hoger toezicht op de goede uitvoering van het werk gebeurt door de provinciegouverneur, hieromtrent op zijn verzoek geadviseerd door de NV Aquafin;4° na oplevering van het werk dient de gemeente een dossier, met vermelding van de uitgevoerde werken, in 4 exemplaren te bezorgen aan de provinciegouverneur die een exemplaar hiervan bezorgt aan elk van de partijen van de ambtelijke commissie;dit dossier omvat ten minste een grondplan met aanduiding van de constructies in x-, y- en z-coördinaten. § 7. De uitbetaling van de gewestbijdrage verloopt als volgt : 1° op de goedgekeurde gewestbijdrage kan de gemeente een voorschot van maximum 80 % krijgen;dit voorschot kan aan de gemeente uitbetaald worden op voorwaarde dat er een eensluidend verklaard afschrift van de hierna vernoemde documenten overgelegd wordt aan de administratie Milieu-, Natuur-, Land-, en Waterbeheer : a) het bevel van aanvang van het werk;b) het bewijs van betaling - samen met de vorderingsstaten en facturen - waaruit blijkt dat 20 % van het werk waarop de gewestbijdrage slaat, uitgevoerd is; het bedrag van het voorschot wordt afgerond tot het lager gelegen duizendtal; 2° het saldo van de gewestbijdrage wordt betaald na overlegging van de goedgekeurde eindafrekening samen met het proces verbaal van voorlopige oplevering van het werk aan de administratie Milieu-, Natuur-, Land-, en Waterbeheer.

Art. 6.§ 1. Het voorontwerpdossier bedoeld in artikel 5, § 2, 1° dient ten minste de elementen als bepaald in dit artikel te omvatten. § 2. Een nota waaruit blijkt dat het project op basis van de voorliggende investeringsprogramma's voor bovengemeentelijke zuiveringsinfrastructuur en op basis van de gemeentelijke rioleringsprogrammatie in een zuiveringszone C ligt.

Bovendien dient aangegeven dat de installatie derwijze wordt gebouwd dat ze bij de uitbouw van het rioleringsnet cfr. toestand D, zoals omschreven in de code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen en individuele voorbehandelingsinstallaties, nog een functie heeft als randvoorziening bij een op termijn gepland overstort. § 3. Een kostprijsanalyse van de optie "kleinschalige waterzuivering" in vergelijking met de optie "aansluiting van het gecentraliseerd lozingspunt" op een grootschalige rioolwaterzuiveringsinstallatie, rekening houdend met de afschrijvingstermijn van de onderdelen van de installatie. § 4. Een verantwoordingsnota van het aantal aan te sluiten inwonerequivalenten van huishoudelijke oorsprong waarbij de in de toekomst geraamde toename van de vuilvracht bij voorkeur aangegeven wordt op basis van de rioleringstoestanden A, B, C, D en E zoals omschreven in de code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen en individuele voorbehandelingsinstallaties, alsook een nota met betrekking tot de aanwezigheid van individuele voorbehandelingsinstallaties bij de aan te sluiten woningen. § 5. Een verklarende nota met betrekking tot de wijze waarop de scheiding tussen het huishoudelijk afvalwater en het hemelwater van verharde oppervlakten en de afkoppeling van oppervlaktewater werd gerealiseerd binnen het aan te sluiten gebied. § 6. Onverminderd de elementen vervat in de § 1, 2, 3, 4 en 5 dient het voorontwerpdossier eveneens te bevatten : 1° de omschrijving van het voorgestelde concept, met opgave van de relevante dimensioneringsgegevens voor de belangrijkste installatieonderdelen, hierbij dient hoofdstuk 10 "kleinschalige waterzuiveringsinstallaties" van de code van goede praktijk voor de aanleg van openbare riolen en individuele voorbehandelingsinstallaties als referentiekader gehanteerd te worden;de totale benodigde oppervlakte; een korte omschrijving van de werking van de zuivering en de verwachte slibproductie; een grondplan en een plan met de doorsnedes van alle installatieonderdelen; 2° de met het systeem haalbare emissiegrenswaarden voor BZV, CZV en ZS (en eventueel voor totaal N, totaal P en pathogene kiemen);3° de verantwoording van de materiaalkeuze;4° de kostenraming van het werk opgesplitst naar de in artikel 1, 5° genoemde werken;5° een aanduiding van het geplande project op een stafkaart, stratenplan en gewestplan.

Art. 7.Het in artikel 5, § 4, 1° bedoelde ontwerpdossier moet ten minste het bestek en de bijbehorende plannen met een gedetailleerde kostenraming van het werk omvatten.

Art. 8.Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het besluit in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Art. 9.De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 15 juli 1997.

De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Th. KELCHTERMANS

^