Besluit Van De Vlaamse Regering van 17 juli 2015
gepubliceerd op 26 augustus 2015
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de steunregelingen voor nuttige groene warmte, de injectie van biomethaan, restwarmte en diepe geothermie

bron
vlaamse overheid
numac
2015036067
pub.
26/08/2015
prom.
17/07/2015
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2015036067

VLAAMSE OVERHEID


17 JULI 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de steunregelingen voor nuttige groene warmte, de injectie van biomethaan, restwarmte en diepe geothermie


DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 8.3.1 en artikel 8.4.1, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2013;

Gelet op het Energiebesluit van 19 november 2010;

Gelet op het begrotingsakkoord, gegeven op 6 mei 2015;

Gelet op het advies van de MiNa-raad, gegeven op 28 mei 2015;

Gelet op het advies van de SERV, gegeven op 28 mei 2015;

Gelet op advies nr. 57.627/3 van de Raad van State, gegeven op 30 juni 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Aan artikel 1.1.1, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010 het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt een punt 2° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "2° /1 aardwarmte uit de diepe ondergrond: aardwarmte vanaf een diepte van ten minste 500 meter ten opzichte van het TAW-referentiepunt (Tweede Algemene Waterpassing);"; 2° punt 3° /1, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, wordt vervangen door wat volgt: "3° /1 Algemene Groepsvrijstellingsverordening: verordening EG nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, en alle latere wijzigingen; 3° in punt 72/1° worden tussen de zinsnede "onder artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7° " en de woorden "om aan een economisch aantoonbare vraag te voldoen" de woorden "of die wordt gewonnen uit aardwarmte uit de diepe ondergrond," ingevoegd.

Art. 2.In titel VII van hetzelfde besluit wordt het opschrift van hoofdstuk IV, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, vervangen door wat volgt: "Ondersteuning van nuttige groene warmte uit biomassa".

Art. 3.In artikel 7.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden tussen de zinsnede "meer dan 1 MW" en de woorden "gelegen in het Vlaamse gewest" de woorden "en, voor zover dat van toepassing is, aan een aangesloten stadsverwarming of -koeling," ingevoegd;2° in paragraaf 1, eerste lid, wordt "het Vlaamse gewest" vervangen door "het Vlaamse Gewest"; 3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds."; 4° In paragraaf 6 wordt de zinsnede "bij een volgende call" vervangen door "bij de volgende call".5° er wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 7.Voor de toepassing van dit hoofdstuk komen alleen nuttige-groenewarmte-installaties in aanmerking die nuttige groene warmte produceren uit een organisch-biologische stof als vermeld in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 6°, of als vermeld in de opsomming van de organisch-biologische stoffen in artikel 6.1.16, § 1, eerste lid, 7°. ".

Art. 4.In artikel 7.4.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een interne opbrengstvoet (hierna: IRR) die groter is dan of gelijk is aan 15 %."; 2° in de eerste paragraaf wordt tussen het vierde en het vijfde lid, die het vijfde en zevende lid worden, een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Er wordt alleen steun toegekend aan stadsverwarming of -koeling die gevoed wordt door ten minste 50 % hernieuwbare energiebronnen of 50 % restwarmte, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.5.1, § 6, 1°, 2° en 3°.De minister kan op advies van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen of restwarmte in de inputstroom van de stadsverwarming of -koeling.".

Art. 5.In artikel 7.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf, tweede lid, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt: "7° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 5°."; 2° in de vierde paragraaf, eerste lid, wordt "zesde lid" vervangen door "achtste lid"; 3° in de vierde paragraaf, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "De minister kan de termijn, vermeld in 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen.".

Art. 6.In artikel 7.4.4, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, wordt de zinsnede "95 %" telkens vervangen door de zinsnede "85 %".

Art. 7.In artikel 7.5.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden tussen de woorden "die aan een economisch aantoonbare vraag voldoet" en de woorden "gelegen in het Vlaamse gewest" de woorden "en, voor zover dat van toepassing is, aan een aangesloten stadsverwarming of -koeling," ingevoegd;2° in paragraaf 1, eerste lid, wordt "het Vlaamse gewest" vervangen door "het Vlaamse Gewest"; 3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds."; 4° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "bij een volgende call" vervangen door "bij de volgende call";5° in paragraaf 6, tweede lid, 2°, wordt het punt b) vervangen door wat volgt: "b) benutting van restwarmte binnen de bedrijfsvestiging waar de warmte gegenereerd wordt.Voor zover het gaat om maatregelen voor de benutting van restwarmte binnen bedrijven die kunnen toetreden tot de energiebeleidsovereenkomst voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (voor VER en niet-VER-bedrijven), komen de maatregelen alleen in aanmerking als het bedrijf voor die vestiging is toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomst en de energiebeleidsovereenkomst naleeft, en voor zover het bedrijf niet verplicht is om die maatregel uit te voeren om te voldoen aan de verplichtingen van die energiebeleidsovereenkomst;"; 6° in paragraaf 6, laatste lid, wordt het woord "convenant" vervangen door het woord "energiebeleidsovereenkomst".

Art. 8.Aan artikel 7.5.2, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Als stadsverwarming of -koeling onderdeel is van de installatie, wordt er alleen steun toegekend als de stadsverwarming of -koeling gevoed wordt door ten minste 50 % hernieuwbare energiebronnen of 50 % restwarmte, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.5.1, § 6, 1°, 2° en 3°.De minister kan op advies van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen of restwarmte in de inputstroom van de stadsverwarming of -koeling."; 2° er worden een vierde en vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt: "In afwijking van artikel 7.5.1, § 1, eerste lid, wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, als die aanvrager de overeenkomst niet heeft ondertekend of ze niet naleeft.

Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een IRR die groter dan of gelijk is aan de IRR van 15 %.

Art. 9.In artikel 7.5.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf, tweede lid, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt: "6° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 4°."; 2° in de vierde paragraaf, eerste lid, wordt "zesde lid" vervangen door "achtste lid"; 3° in de vierde paragraaf, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "De minister kan de termijn, vermeld in 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen.".

Art. 10.In artikel 7.6.1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede na "wordt steun toegekend aan" vervangen door : "1° installaties gelegen in het Vlaamse Gewest voor de productie en de injectie van biomethaan in het aardgasdistributienet of het vervoernet;2° installaties gelegen in het Vlaamse Gewest voor de productie van biomethaan voor de toepassing als biobrandstof. Aan de installatie mogen geen groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten zijn toegekend of kunnen worden toegekend."; 2° in paragraaf 1, eerste lid, wordt "het Vlaamse gewest" vervangen door "het Vlaamse Gewest"; 3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds."; 4° in paragraaf 5 wordt de zinsnede "bij een volgende call" vervangen door "bij de volgende call".

Art. 11.In artikel 7.6.2, § 1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden tussen het eerste en het tweede lid, drie leden ingevoegd, die luiden als volgt: "Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een IRR die groter is dan of gelijk is aan de IRR van 15 %.

Er kan geen steun worden toegekend voor de productie van biomethaan op basis van voedingsgewassen, als het biomethaan toegepast wordt als biobrandstof. De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of het biomethaan op basis van voedingsgewassen is geproduceerd.

Biomethaan toegepast als biobrandstof moet voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 26 november 2011 houdende bepaling van productnormen voor biobrandstoffen.".

Art. 12.In artikel 7.6.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf, tweede lid, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt: "5° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 3°."; 2° in de vierde paragraaf, eerste lid, wordt "zesde lid" vervangen door "achtste lid"; 3° in de vierde paragraaf, eerste lid, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "De minister kan de termijn, vermeld in 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen.".

Art. 13.Aan titel VII van hetzelfde besluit, wordt een hoofdstuk VII, dat bestaat uit artikel 7.7.1 tot en met 7.7.4, toegevoegd, dat luidt als volgt: "HOOFDSTUK VII. Ondersteuning van nuttige groene warmte uit aardwarmte uit de diepe ondergrond Afdeling I. Algemene bepalingen

Art. 7.7.1. § 1. Onder de voorwaarden, vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening en in dit besluit, wordt steun toegekend aan nuttige-groenewarmte-installaties met een bruto thermisch vermogen van meer dan 5 MW en, voor zover dat van toepassing is, aan een aangesloten stadsverwarming of -koeling of elektriciteitsproductie via een Organic-Rankine-Cycle-installatie, voor zover geen warmteafnamepotentieel aanwezig is, gelegen in het Vlaamse Gewest, voor zover er voor die installatie geen groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend.

De steun bedraagt maximaal 2 miljoen euro per investeringsproject. De Vlaamse Regering kan hiervan afwijken indien rekening houdend met dit maximum het voorziene budget niet volledig benut zou worden. "De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar ingeschreven middelen en van de middelen van het Energiefonds."; § 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en toegewezen via een call-systeem.

De minister lanceert minstens om de zes maanden een call.

De minister bepaalt per call het maximale steunbedrag waarvoor projecten kunnen geselecteerd worden. De call wordt voorafgaandelijk als mededeling aan de Vlaamse Regering voorgelegd. § 3. Per call kan hoogstens één steunaanvraag per installatie worden ingediend. § 4. Wanneer door een uitbreiding van een steungerechtigde nuttige-groenewarmte-installatie een bijkomende capaciteit voor de productie van nuttige groene warmte van meer dan 5 MW wordt bekomen, kan deze uitbreiding, mits deze voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.7.2, in aanmerking komen als nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie. De nuttige groene warmte geleverd door deze nieuwe nuttige-groenewarmte-installatie moet gemeten worden met behulp van meetapparatuur die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.7.2, § 2. § 5. Het steunmechanisme en de steunhoogte worden in 2017, en vervolgens om de twee jaar, geëvalueerd voor wat betreft nieuw in te dienen steunaanvragen. § 6. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun omwille van een uitputting van het door de minister bepaalde maximale steunbedrag, vermeld in paragraaf 2, kunnen altijd bij de volgende call een nieuwe principeaanvraag als vermeld in artikel 7.7.3 indienen. Zij kunnen daarbij de reeds ingediende principeaanvraag herbevestigen indien de gegevens nog actueel zijn. In dat geval blijft als indientijdstip het tijdstip behouden waarop de eerste principeaanvraag ontvankelijk werd verklaard. § 7. Voor de toepassing van dit hoofdstuk komen alleen nuttige-groenewarmte-installaties in aanmerking die nuttige groene warmte winnen uit aardwarmte uit de diepe ondergrond en de toepassingen ervan. Afdeling II. De voorwaarden voor toekenning van de ondersteuning

Art. 7.7.2. § 1. In afwijking van artikel 7.7.1, § 1, eerste lid, wordt de steun niet verleend aan een aanvrager die behoort tot een doelgroep waarvoor de Vlaamse Regering een energiebeleidsovereenkomst definitief heeft goedgekeurd, en die de aanvrager niet heeft ondertekend of die hij niet naleeft.

Er wordt geen steun toegekend aan projecten met een IRR die groter is dan of gelijk is aan de IRR van 15 %.

Er kan geen steun worden toegekend aan directe luchtverwarming voor de verwarming van gebouwen, die geen woon- of kantoorgebouwen zijn.

Er kan geen steun worden toegekend aan de boringen voor het winnen van aardwarmte.

Er wordt alleen steun toegekend aan stadsverwarming of -koeling die gevoed wordt door ten minste 50 % hernieuwbare energiebronnen of 50 % restwarmte, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.5.1, § 6, 1°, 2° en 3°.De minister kan op advies van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen of restwarmte in de inputstroom van de stadsverwarming of -koeling.

De steun wordt alleen toegekend aan installaties waarvoor de uitgaven, gerelateerd aan de bouw of aan de vernieuwing van de installatie, dateren van na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap met betrekking tot de toekenning van steun aan de installatie in kwestie volgens 7.7.3, § 2, of aan bestaande installaties die een nieuwe principeaanvraag indienen volgens artikel 7.7.3, § 4, tweede lid. Ook als ze dateren van voor de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap worden uitgaven, gerelateerd aan ontwerp, engineering, of vergunningsaanvragen wel beschouwd als in aanmerking komende kosten, maar enkel voor zover ze dateren van na de principeaanvraag. De minister kan, afhankelijk van de gebruikte productietechnologie, nadere regels vastleggen om te bepalen of een installatie als vernieuwd beschouwd kan worden.

Indien de aanvraag gebeurt door een grote onderneming, dient de aanvrager aan te tonen dat aan één of meer van de volgende criteria is voldaan: a) een wezenlijke toename van de omvang van het project of de activiteit als gevolg van de steun;b) een wezenlijke toename van de reikwijdte van het project of de activiteit als gevolg van de steun;c) een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de begunstigde voor het project of de activiteit als gevolg van de steun;d) een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt voltooid. De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of een aanvraag aan deze criteria, vermeld in het eerste lid, voldoet. § 2. De aanvrager die van de steun wil genieten, voorziet zijn installatie van de nodige meetapparatuur om permanent de nuttige groene warmte te meten, tenzij anders bepaald door het Vlaams Energieagentschap. De nuttige groene warmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van nuttige aanwending gemeten. Als er een noodkoeler of buffervat in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler en het buffervat.

De meetapparatuur, vermeld in het eerste lid, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de terzake geldende internationale en nationale normen. Voor alle meetinstrumenten kan een geldig ijkcertificaat worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.

Het Vlaams Energieagentschap kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen uitgevoerd moeten worden. § 3. In het geval de aanvrager een onderneming is, wordt de grootte van de onderneming, bepaald in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen, vastgesteld op basis van een verklaring op erewoord van de onderneming en op basis van de gegevens van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen.

De gegevens voor de berekening van de jaaromzet, het balanstotaal en het aantal werkzame personen worden vastgesteld op basis van de laatste jaarrekening die bij de Nationale Bank van België is neergelegd vóór de indieningsdatum van de steunaanvraag, en die beschikbaar is via een centrale databank.

Om de omzet te berekenen, wordt een boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden, herberekend tot een periode van twaalf maanden.

Voor ondernemingen die geen jaarrekening moeten opmaken, worden de gegevens voor de berekening van de jaaromzet vastgesteld op basis van de laatste aangifte bij de directe belastingen vóór de indieningsdatum van de steunaanvraag. De gegevens voor de berekening van het aantal werkzame personen worden in dat geval vastgesteld aan de hand van het aantal werknemers die in de onderneming waren tewerkgesteld gedurende de laatste vier kwartalen die de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan attesteren vóór de indieningsdatum van de steunaanvraag.

Bij recent opgerichte ondernemingen waarvan de eerste jaarrekening nog niet is neergelegd en de eerste fiscale aangifte nog niet is uitgevoerd, worden de gegevens vastgesteld op basis van een financieel plan van het eerste productiejaar. § 4. De aanvrager mag op de indieningsdatum van de steunaanvraag geen achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en geen procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij een toegekende steun wordt teruggevorderd. § 5. De aanvrager is verantwoordelijk voor de naleving van de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening. Afdeling III. Indienen en beoordelen van een steunaanvraag

Art. 7.7.3. § 1. Binnen de opengestelde termijn van de call dient de aanvrager een principeaanvraag in. De principeaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier.

De principeaanvraag zal minstens volgende gegevens bevatten: 1° bruto thermisch vermogen;2° investeringskost van de installatie;3° thermisch rendement;4° financiële steun waarop beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;5° aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de in aanmerking komende kosten;6° berekening van de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie en een beschrijving van de referentie-installatie;7° berekening van de IRR van het project met en zonder de aangevraagde steun, vermeld in punt 5°. Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de principeaanvragen aan de hand van volgende criteria: 1° de principeaanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;2° de principeaanvraag is volledig en correct ingevuld. De aanvrager van wie de principe-aanvraag ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.

De aanvrager van wie de principe-aanvraag niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen twee maanden na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe principe-aanvraag in te dienen bij een volgende call. § 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke principe-aanvragen betrekking hebben, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.7.1, § 4, en in artikel 7.7.2. § 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende projecten op basis van de aangevraagde steun. De aangevraagde steun, zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 5°, wordt samen met andere financiële steun zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, uitgedrukt in een totaal steunpercentage van de in aanmerking komende kosten. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat andere ondersteuningsmaatregelen volledig benut worden. Projecten met een lager totaal steunpercentage worden beter gerangschikt. Projecten met éénzelfde totaal steunpercentage worden gerangschikt op indientijdstip, waarbij een vroeger indientijdstip beter gerangschikt wordt. De best gerangschikte projecten worden gesteund tot het budget, bedoeld in artikel 7.7.1, § 2, derde lid, opgebruikt is.

De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om het totale steunpercentage te berekenen.

Het totaal van de uit te betalen steun voor een installatie, inclusief andere financiële ondersteuningsmaatregelen, zal niet hoger zijn dan: 1° 65% van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen;2° 55% van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen;3° 45% van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen;4° 65% van de in aanmerking komende kosten voor andere aanvragers. Projecten waarbij de aangevraagde steun hoger ligt, komen echter niet in aanmerking voor ondersteuning.

De in aanmerking komende kosten zijn de extra investeringskosten van de installatie ten opzichte van de investeringskosten van een referentie-installatie, zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om deze extra investeringskosten te berekenen en kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen wat de referentie-installatie is. De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap ook verder verduidelijken voor welke delen van een installatie of van projecten conform het Energiebesluit geen groenestroomcertificaten of warmte-krachtcertificaten werden toegekend of kunnen worden toegekend, en die dus kunnen beschouwd worden voor het bepalen van de in aanmerking komende kosten.

Investeringen die in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, of het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 2012 tot toekenning van steun aan ondernemingen voor strategische ecologie-investeringen in het Vlaamse Gewest, eveneens rekening houdend met de verdere uitvoeringsbepalingen bij deze besluiten, komen niet in aanmerking voor de steun volgens artikel 7.7.1, § 1.

Het Vlaams Energieagentschap controleert of de opgegeven in aanmerking komende kosten, waarheidsgetrouw zijn op basis van actuele gegevens uit onafhankelijke studies.

Het Vlaams Energieagentschap betekent aan de aanvrager zijn principebeslissing betreffende de al dan niet toekenning van de steun.

Het Vlaams Energieagentschap houdt een databank bij van alle voor ondersteuning goedgekeurde projecten met de maximaal toe te kennen steun.

Het uit te betalen steunbedrag wordt bepaald door toepassing van het steunpercentage, aangevraagd in het kader van dit besluit, zoals vermeld in § 1, tweede lid, 5°, op de werkelijke in aanmerking komende kosten, gestaafd door facturen. Indien de werkelijk bekomen steun uit andere ondersteuningsmaatregelen hoger ligt dan opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 4°, wordt de uit te betalen steun in dezelfde mate verminderd, of wordt de reeds uitbetaalde steun in dezelfde mate teruggevorderd. De aanvrager deelt elk verschil tussen de financiële steun waarop beroep wordt gedaan zoals opgegeven in de aanvraag volgens § 1, tweede lid, 4°, en de werkelijk bekomen steun, onmiddellijk mee aan het Vlaams Energieagentschap. § 4. Projecten die na het toekennen van de principebeslissing, vermeld in § 3, achtste lid, niet aan de volgende voorwaarden voldoen, verliezen hun recht op steun: 1° uiterlijk binnen een jaar na de datum van de principebeslissing een bewijs van de start van de procedure tot het bekomen van een milieueffectrapport als vermeld in titel IV van het DABM, of een aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning of een aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning kunnen voorleggen;2° uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de principebeslissing en gedurende 10 jaar na de datum van ingebruikname beschikken over de vereiste milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen;3° uiterlijk binnen de vier jaar na de datum van de principebeslissing in gebruik genomen zijn; Een beroep bij een administratief rechtscollege schorst de termijnen, vermeld in 1°, 2° en 3°. De minister kan de termijn, vermeld in 1°, op gemotiveerd verzoek verlengen.

Indien aan bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan, zal reeds toegekende steun worden teruggevorderd en kan steeds een nieuwe principe-aanvraag, vermeld in paragraaf 1, ingediend worden. § 5. Nadat een volledig keuringsverslag zoals vermeld in artikel 7.7.4, § 1, werd opgesteld, dient de aanvrager een definitieve steunaanvraag in bij het Vlaams Energieagentschap. De definitieve steunaanvraag wordt ingediend aan de hand van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld elektronisch formulier en omvat minstens volgende informatie: 1° het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 7.7.4, § 1; 2° een technische beschrijving van de installatie as built;3° een energiestroomschema van de installatie as built, met minstens de aanduiding van alle meetinstrumenten en eventuele aanwezige warmtekracht- of groenestroominstallaties;4° een bewijs dat de installatie tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag;5° een beschrijving van de energiebronnen die aangewend zullen worden;6° een kopie van de verleende milieu- en stedenbouwkundige vergunningen. Als uit de definitieve steunaanvraag blijkt dat de installatie as built afwijkt ten opzichte van het door de principebeslissing gevatte dossier, kan het Vlaams Energieagentschap in zijn definitieve beslissing tot toekenning van steun afwijken van de principebeslissing met uitzondering van het maximaal toegekende steunbedrag uit de principebeslissing.

Het Vlaams Energieagentschap betekent zijn definitieve beslissing tot toekenning van de steun aan de aanvrager.

Het Vlaams Energieagentschap houdt in een databank de definitieve beslissing tot toekenning van de steun bij. Afdeling IV. Toekennen van de steun en controle

Art. 7.7.4. § 1. De geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt in het volledige keuringsverslag dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 7.7.2, § 2, zijn verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.7.2, § 2. Het keuringsverslag vermeldt ook alle meterstanden, de datum van ingebruikname en de gebruikte energiebron. Het keuringsverslag wordt door de aanvrager binnen de maand bezorgd aan het Vlaams Energieagentschap.

De aanvrager deelt vanaf de ingebruikname jaarlijks de geproduceerde nuttige groene warmte mee aan het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap bepaalt op welke wijze deze gegevens worden overgemaakt. § 2. De steun wordt uitbetaald in drie schijven: 1° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult: a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;b) de bouw of de vernieuwing van de installatie is gestart;2° 30 % op zijn vroegst dertig dagen na de principebeslissing van het Vlaams Energieagentschap, op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult: a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie voor 60 % zijn uitgevoerd;3° 40 % na de definitieve beslissing van het Vlaams Energieagentschap en op voorwaarde dat de installatie de volgende voorwaarden vervult: a) de aanvrager vraagt de uitbetaling van de schijf aan;b) de onderneming heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of in het kader van subsidiemaatregelen in toepassing van het decreet.Als er achterstallige schulden zijn, wordt de uitbetaling opgeschort tot de onderneming het bewijs levert dat deze schulden werden aangezuiverd; c) de installatie voldoet aan alle voorwaarden vermeld in dit besluit. § 3. De subsidie wordt teruggevorderd binnen tien jaar na de ingebruikname van de installatie in geval van: 1° faillissement, vereffening, boedelafstand, ontbinding, vrijwillige of gerechtelijke verkoop, sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg, als die feiten zich voordoen binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;2° niet-naleving van de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag binnen vijf jaar na de beëindiging van de investeringen;3° niet doorgeven van de geproduceerde groene warmte aan het Vlaams Energieagentschap;4° fraude met de opneming van de meetgegevens;5° niet-naleving van de overige voorwaarden in dit besluit. § 4. Het Vlaams Energieagentschap kan via een controle ter plaatse van de installatie, de meterstanden nagaan en controleren of aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling, is voldaan.

Als aan het Vlaams Energieagentschap de toegang tot de installatie wordt geweigerd, als het Vlaams Energieagentschap vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, of als fraude bij de opneming van de meetgegevens wordt vastgesteld, kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen 10 jaar na de ingebruikname van de installatie.

De steungerechtigde meldt aan het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk: 1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor toekenning van de steun;2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke persoon of rechtspersoon waaraan de steun toegekend moet worden. Bij elke melding van een wijziging als vermeld in het derde lid, 2°, legt de steungerechtigde een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 7.7.4, § 1. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen.".

Art. 14.De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 17 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, A. TURTELBOOM


begin


Publicatie : 2015-08-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^