Besluit Van De Vlaamse Regering van 18 februari 2011
gepubliceerd op 21 maart 2011
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid

bron
vlaamse overheid
numac
2011035237
pub.
21/03/2011
prom.
18/02/2011
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

18 FEBRUARI 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/06/2009 pub. 02/09/2009 numac 2009035737 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid sluiten tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid


De minister-president van de Vlaamse Regering;

De Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport;

VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING Bij het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/06/2009 pub. 02/09/2009 numac 2009035737 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid sluiten tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid 1. Situering Op initiatief van de Vlaamse ministers van Ruimtelijke Ordening en Gelijke Kansen werd op 5 juni 2009 de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Deze nieuwe verordening vervangt de oude wetgeving over toegankelijkheid van publieke gebouwen (federale wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 28/01/2011 numac 2011000030 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de toegang van gehandicapten tot gebouwen toegankelijk voor het publiek. - Duitse vertaling sluiten), die achterhaald was en in de praktijk vaak dode letter bleef.

Met de nieuwe verordening zullen de toegankelijkheidsregels verplichtend opgenomen worden in de procedure tot het bekomen van een bouwvergunning. Deze nieuwe regelgeving is sinds 1 maart 2010 van kracht.

Er werd weloverwogen gekozen voor een inbedding van deze nieuwe regelgeving binnen de structuren van ruimtelijke ordening. Dit houdt dus in dat de toegankelijkheidsregels verplichtend worden opgenomen in de voorwaarden tot het verkrijgen van de bouwvergunning (werken die het voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag moeten m.a.w. aan de normbepalingen voldoen en niet de werken die reeds in het verleden vergund werden) en dat op de uitvoering ervan wordt toegezien middels het handhavingsbeleid voorzien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Het ontwikkelen van normen en richtlijnen, en het vervatten ervan binnen een stedenbouwkundige verordening lag ook in lijn met de VN-Conventie betreffende de rechten van personen met een handicap.

Deze legt de ratificerende staten in art. 9 onder meer op om de nodige maatregelen te nemen om minimale standaardregels en richtlijnen inzake toegankelijkheid te ontwikkelen en te controleren op naleving.

Aansluitend op de goedkeuring van de stedenbouwkundige toegankelijkheidsverordening werden vanuit het Vlaamse Gelijkekansenbeleid een aantal flankerende initiatieven opgezet : - er worden informatiesessies georganiseerd voor de belangrijkste stakeholders. - er werd door het Vlaams Expertisecentrum Toegankelijkheid (Enter VZW) een toegankelijkheidhandboek uitgewerkt dat alle basisprincipes beschrijft om te komen tot een integraal toegankelijk gebouw. Dit handboek biedt de architect o.a. extra duiding bij het waarom en de doelstellingen van de toegankelijkheidsnormen van de verordening. - een elektronische quick-scan wordt ontwikkeld. Dit instrument zal de ontwerper bij aanvang van zijn project, aan de hand van een aantal vragen, een eerste beeld geven van de toegankelijkheidsrichtlijnen waar zijn project zal moeten aan voldoen. - een elektronische checklist wordt ontwikkeld. Aan de hand van specifieke vragen zal een document gegenereerd worden dat de architect en/of bouwheer kan toevoegen aan zijn/haar bouwaanvraag. Dit document zal zodoende aan de vergunningverlenende ambtenaar een overzicht bieden van de toegankelijkheidseisen waar het specifieke project moet aan voldoen.

Bij de uitwerking van deze flankerende initiatieven (voorbereiden presentaties, uitschrijven van de logische doorloop van de verordening ten bate van de quicks-can en checklist,...) werd het echter duidelijk dat de tekst van de verordening nog een aantal fouten bevat.

De diverse vragen die al vanuit verschillende sectoren werden gesteld, toonden ook aan dat de tekst van een aantal artikelen duidelijker zou kunnen geformuleerd worden.

Gezien het belang van een correcte en zo toegankelijk mogelijke regelgeving dienen deze materiële fouten rechtgezet te worden. Dit is een ideale gelegenheid om tevens alle aanpassingen die de tekst verduidelijken en die een eenduidige interpretatie kunnen verzekeren, onmiddellijk door te voeren. 2. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Artikel 1, dat de definities bevat wordt volledig vervangen door een nieuw artikel 1, omdat door de toevoeging van 2 nieuwe definities, en het schrappen van 3 definities, de nummering verandert, ook van de andere definities. Er wordt allereerst een definitie van « accommodatie » toegevoegd en dit op uitdrukkelijke vraag van de sector. Deze definitie stond wel reeds in het verslag aan de Vlaamse Regering, met name onder de bespreking van artikel 4. De link met de definitie van '(toeristische) verblijfsaccommodatie' werd, conform een opmerking van de Raad van State in deze zin, versterkt.

Omdat verder in het wijzigingsbesluit de term « gebouwen die bestemd zijn voor toerisme of verblijfsaccommodatie » vervangen wordt door « gebouwen die bestemd zijn voor toeristische verblijfsaccommodatie » wordt overeenkomstig de definitie « verblijfsaccommodatie » vervangen door de definitie « toeristische verblijfsaccommodatie » om niet de indruk te wekken dat er naast « toeristische » verblijfsaccommodatie ook nog andere vormen van « verblijfsaccommodatie » mogelijk zijn.

Deze definitie is ontleend aan artikel 141 van de wet van 1 maart 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/2007 pub. 14/03/2007 numac 2007200604 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister Wet houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen. De definitie werd wel enigszins aangepast om te verduidelijken dat 'toeristische' en 'professionele' redenen niet op dezelfde hoogte staan, doch dat het in hoofdzaak om 'toeristische' redenen moet gaan, dit om te vermijden dat logies voor seizoensarbeiders hier ook zouden onder vallen.

De definitie van « groepswoningbouw » wordt verwijderd, gezien deze term niet langer gebruikt wordt, naar aanleiding van het schrappen van deze term in artikel 5, 1e lid (waarover verder meer).

Er wordt voor de duidelijkheid een definitie toegevoegd van 'gesloten trappenhal', waarvan tengevolge van huidig wijzigingsbesluit sprake is in de artikelen 24 en 25.

De definitie van « voorbehouden parkeerplaats » wordt verwijderd, omdat deze niets toevoegt aan wat reeds in artikel 27, laatste lid, opgenomen is.

Tot slot worden de normbepalingen die nog in de definities stonden van « doucheruimte » en « douchezone » en daar bijgevolg niet thuishoorden, verhuisd naar een nieuw artikel 31/1 onder 'hoofdstuk III. - Normbepalingen', 'Afdeling VII. - Bepalingen met betrekking tot het aangepast karakter van constructies of delen van constructies'. Ze onder de definities behouden zou er immers toe leiden dat de normbepalingen enkel van toepassing zouden zijn op die doucheruimtes die al voorzien zijn van een vrije en vlakke draairuimte of douchezones die reeds beschikken over een slipvrij oppervlak, uitgevoerd gelijklopend met de vloer en die maximaal twee procent hellen.

Er kan geen gevolg gegeven worden aan de vraag van de VLACORO om eveneens « gemeenschappelijke ruimte » en « eigen parkeerplaats » te definiëren, gezien deze woorden enkel in hun gebruikelijke betekenis gehanteerd zijn in deze verordening.

Artikel 2 Met dit artikel wordt artikel 2, § 2, 4. geschrapt omdat dit verder onder artikel 3 ondergebracht wordt.

Daarnaast wordt, zoals terecht gevraagd door de VLACORO, toegevoegd dat de verordening tevens van toepassing is in geval van meldingsplichtige werken. Ofschoon dit ook volgt uit artikel 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 16/07/2010 pub. 10/09/2010 numac 2010035576 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening sluiten betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is het transparanter het daarnaast ook uitdrukkelijk in de verordening op te nemen. Het wordt daarentegen niet opgenomen in de artikelen 33 en 34, ofschoon gesuggereerd door de Raad van State omdat de artikelen 33 en 34 afwijkingen op de verordening regelen. Zodra afgeweken wordt van bepalingen van de verordening in het kader van een melding, is er immers niet langer sprake van louter meldingsplichtige werken, maar wel van vergunningsplichtige werken.

Artikel 3 Met dit artikel wordt in lid 1 en lid 2 'een constructie' telkens vervangen door 'een of meerdere constructies'. Het gebruik van het enkelvoud leek er op te wijzen dat de berekening van de totale publiek toegankelijke oppervlakte telkens per constructie diende te gebeuren, zelfs al bevinden zich verschillende constructies op 1 zelfde terrein.

De definitie van 'totale publiek toegankelijke oppervlakte' wijst wel duidelijk op het tegendeel door expliciet te verwijzen naar de bijgebouwen. Om alle misverstanden te vermijden wordt de tekst in artikel 3 ook aangepast, zodat het ontegensprekelijk vaststaat dat de oppervlaktes van alle constructies, die aanwezig zijn op het terrein, samengeteld dienen te worden om de totale publiek toegankelijke oppervlakte te berekenen.

Daarnaast wordt het vroegere artikel 2, § 2, 4 onder artikel 3 gebracht. Het betreft de uitzondering voor zeer kleine gebouwen, zijnde gebouwen met een totale publiek toegankelijke oppervlakte die kleiner is dan 150 m2. Door dit punt in artikel 2 op te nemen ontstond immers de indruk dat dit punt ook van toepassing was op de gebouwen, die vallen onder artikelen 4 en 5 van de verordening. De uitzondering voor deze zeer kleine gebouwen is niet volledig, gezien de artikelen in de verordening m.b.t. de toegangsdeur wel nageleefd dient te worden. Dit nu ook toepassen op de gebouwen van artikel 4 en 5, die juist het aantal kamers/wooneenheden/accommodaties als vertrekpunt nemen en niet de oppervlakte, zou ertoe leiden dat die gebouwen, die niet het aantal vereiste kamers/wooneenheden/accommodaties hebben om onder toepassing van artikelen 4 en 5 te vallen, toch ook voor de toegangsdeur moeten voldoen aan de verordening. Dit eisen creëert helemaal geen meerwaarde (in tegenstelling tot b.v. winkels), als mensen voor de rest niet tot aan de kamers/wooneenheden/accommodaties geraken en/of er gebruik kunnen van maken. Daarenboven kon het ertoe leiden dat gebouwen van artikel 4 en 5, die groter zijn dan 150 m2, doch over minder kamers/wooneenheden/accommodaties beschikken dan voorzien in artikelen 4 en 5, aan niets moeten voldoen, ook niet voor wat betreft de toegangsdeur, terwijl accommodaties, kleiner dan 150 m2 steeds moeten voldoen voor wat betreft de toegangsdeur.

Door het vroegere artikel 2, § 2, 4 onder artikel 3 te brengen en uitdrukkelijk op te nemen dat een toegankelijke toegangsdeur niet vereist is voor de gebouwen van artikelen 4 en 5 (tegemoet komend aan de terechte opmerking in deze zin van de VVSG) verdwijnt deze inconsequentie.

De verplichtingen voor de kleine gebouwen die wel een toegankelijke toegangsdeur moeten hebben, worden met deze wijziging uitgebreid tot alle verplichtingen m.b.t. de toegang tot een gebouw en de mogelijkheid om deze toegang te gebruiken. Het heeft immers geen zin de toegangsdeur toegankelijk te maken, als de weg ernaar toe, door b.v. de aanwezigheid van trapjes voor de deur, niet toegankelijk is of als er geen ruimte voor de deur is die een rolstoelgebruiker in staat stelt de deur te openen. Dit kan er uiteraard niet toe leiden dat bij verbouwingswerken b.v. het grondpeil van de gelijkvloerse verdieping verlaagd moet worden. Dit zou te ver gaan. Dit zijn duidelijk werkzaamheden die constructief niet in verhouding staan tot de gevraagde verbouwing in de zin van dit besluit. Het is een verstrenging, zoals de VLACORO terecht stelt. Daarom wordt voor deze bepaling een overgangsperiode voorzien (zie verder artikel 32).

Er wordt tevens verduidelijkt dat een afwijking op basis van artikel 33 ook hier mogelijk blijft. Dit is zeker het geval wanneer constructieve werkzaamheden nodig zijn, die niet in verhouding staan tot de gevraagde verbouwing, zoals bv. het aanpassen van het grondpeil van de gelijkvloerse verdieping, enkel en alleen om aan de bepalingen van de verordening te voldoen.

Artikel 4 De oorspronkelijke bewoording « gebouwen, bestemd voor toerisme of verblijfsaccommodatie » gaf de indruk dat ook b.v. gewone toeristische infokantoren, zonder verblijfsaccommodatie onder artikel 4 vielen, ofschoon ze vervolgens onmogelijk verplicht konden worden het gebouw, overeenkomstig dit artikel, toegankelijk te maken, gezien de toepassing van dit artikel afhangt van het aantal accommodaties.

M.a.w. gebouwen zoals toeristische infokantoren zouden op deze manier niet toegankelijk moeten zijn. Dit was uiteraard nooit de bedoeling.

Door de oorspronkelijke bewoording te vervangen door « gebouwen, bestemd voor toeristische verblijfsaccommodatie » zou het voortaan duidelijk moeten zijn dat b.v. toeristische infokantoren onder de algemene regeling van artikel 3 vallen.

Met dit artikel wordt daarnaast de verplichting om de gemeenschappelijke delen van gebouwen voor toeristische verblijfsaccommodatie met 3 tot 10 accommodaties toegankelijk te maken, ingeperkt tot de verbruiksruimtes van meer dan 150 m2. Vanaf deze grootte kan men immers vermoeden dat de verbruiksruimtes niet enkel bestemd zijn voor de logees, maar ook voor externen. Het had immers weinig zin gemeenschappelijke delen, die uitsluitend gebruikt worden door logees, toegankelijk te maken, als er voor het overig geen enkele verplichting bestaat om de kamers toegankelijk te maken.

Anderzijds liet het samenlezen van artikel 4 met artikel 3, toe te argumenteren dat dezelfde inrichtingen, hoofdzakelijk zonder gebouwen (kampeerterreinen), die normalerwijze via artikel 3 gevat kunnen worden, zodra de totale publiek toegankelijk oppervlakte van de constructies op het terrein (zoals verbruiksruimte, sanitair,...), groter is dan 150 m2, toch aan de verordening ontsnappen, zodra er 1 gebouw met 1 accommodatie (zoals een bungalow) op het terrein aanwezig is. Dan is er immers sprake van een gebouw, als vermeld in artikel 4, terwijl artikel 4 pas geldt vanaf 3 accommodaties. Omdat dit nooit de bedoeling was en omdat het gevolg van artikel 4, § 2 zich voortaan beperkt tot de verbruiksruimtes van meer dan 150 m2, wordt de tussencategorie afgeschaft en geldt § 2 van artikel 4 voortaan voor alle toeristische verblijfsaccommodaties met 1 tot 10 accommodaties.

Artikel 5 In het eerste lid van dit artikel wordt de term « groepswoningbouw » geschrapt. Deze term werd hier aanvankelijk geïntroduceerd, enkel met de bedoeling te vermijden dat bouwheren aan de regeling zouden trachten te ontsnappen door meergezinswoningen op te splitsen. Men zou het zelfde aantal wooneenheden verspreid over hetzelfde aantal niveaus ook in 2 afzonderlijk tegen elkaar gelegen gebouwen met elk een aparte inkom, kunnen realiseren en zo 2 meergezinswoningen van beperktere omvang hebben, die elk apart niet voldoen aan de minimale voorwaarden van het toepassingsgebied, doch samen wel hieraan zouden voldoen. De term 'groepswoningbouw' liet toe deze niveaus en wooneenheden toch samen te tellen, zelfs al waren ze verspreid over verschillende gebouwen. Het had evenwel ook het ongewenste effect dat eveneens kleinere gebouwtjes, die deel uitmaakten van een groter geheel, met maar 2 verdiepingen ook al verplicht waren een lift te voorzien. Thans wordt uitdrukkelijk bepaald dat verschillende gebouwen, die fysiek één geheel vormen toch samen geteld worden voor het berekenen van het aantal wooneenheden, maar dat enkel voor die delen, die toegangsdeuren hebben tot meer dan twee niveaus, de bepalingen van de verordening moeten nageleefd worden. Deze bepaling geldt voortaan ook voor kamerwoningen, studentenhuizen of studentengemeenschapshuizen. Het gelijkvloers, op de trap naar andere verdiepingen na, moet wel altijd voldoen. De bepaling dat verschillende gebouwen, die fysiek één geheel vormen samengeteld moeten worden, wordt, in het belang van de eenvormigheid, doorgetrokken naar de andere types van gebouwen uit dit artikel 5.

Er wordt daarnaast in datzelfde eerste lid verduidelijkt dat de normen enkel van toepassing zijn op de publieke zijde van de toegangsdeuren tot de wooneenheden en niet op de zijde van de deur, die grenst aan de binnenkant van het appartement. Dit is meer conform de oorspronkelijke bedoeling. Men heeft immers nooit willen ingrijpen in het private gedeelte van dergelijke wooneenheden. Dezelfde wijziging wordt doorgevoerd in het tweede lid.

Omdat het niet consistent gebruik van de termen « kamers » en « wooneenheden » voor onduidelijkheid zorgde, wordt met dit artikel voor wat betreft kamerwoningen, studentenhuizen of studentengemeenschapshuizen elke verwijzing naar « wooneenheden » verwijderd en vervangen door een verwijzing naar « kamers », gezien deze gebouwen, per definitie, enkel samengesteld kunnen zijn uit « kamers » en wordt voor wat betreft gezondheidsinstellingen en welzijnsinstellingen elke verwijzing naar « kamers » opengetrokken naar « kamers of wooneenheden », gezien voor dergelijke instellingen beide woonvormen mogelijk zijn.

Daarenboven wordt verduidelijkt dat dit artikel enkel van toepassing is op gezondheidsinstellingen en welzijnsinstellingen met kamers of wooneenheden. Bij gezondheidsinstellingen en welzijnsinstellingen zonder kamers of wooneenheden, zoals b.v. O.C.M.W.'s, is de algemene regeling van artikel 3 van toepassing. Indien immers enkel artikel 5 van toepassing zou zijn, zouden deze gebouwen, helemaal niet toegankelijk moeten zijn gezien artikel 5 helemaal opgebouwd is rond het aantal kamers/wooneenheden dat een dergelijke instelling heeft. In deze context dient nog opgemerkt dat de VLACORO niet akkoord is met het feit dat de verordening ingrijpt op de privatieve delen van kamers en wooneenheden van gezondheids- en welzijnsinstellingen. Op dit punt wijzigt de verordening thans niet ten opzichte van vroeger.

Daarenboven dient er op gewezen dat het privatieve karakter van kamers of wooneenheden binnen deze inrichtingen zeer relatief is, gezien het grote verloop dat deze kenmerkt. Vaak betreft het korte verblijven, waarbij de bezoekbaarheid van de kamer of wooneenheid even belangrijk is.

Artikel 6 Met de toevoeging van artikelen 4 en 5 in de verwijzing in artikel 6, wordt nu ook de soepelere regeling voor verbruiksruimtes van toepassing op de verbruiksruimtes in de gebouwen, die onder toepassing vallen van artikelen 4 en 5 en wordt dus een zekere anomalie rechtgezet.

Er wordt tevens verduidelijkt dat het gaat om een concrete toepassing van de afwijkingsmogelijkheden van artikel 33 of 34, § 1. Dit is geen verstrenging, zoals de VLACORO onterecht opmerkt, doch een verduidelijking van de bedoeling die achter het gebruik van de term 'afwijking' van bij het begin zat en dit in tegenstelling tot de term in afwijking van' elders in de tekst, in louter juridische zin.

Artikel 7 De artikelen 7 en 8 worden opgeheven, om verder opnieuw opgenomen te worden onder de nieuwe artikelen 29/1 en 29/2. Zij hoorden immers niet thuis onder Hoofdstuk II. Toepassingsgebied, gezien ze reeds normbepalingen bevatten. Door ze onder Hoofdstuk II te behouden, gaf men de indruk dat alle publiek toegankelijke kleedruimtes of pashokjes en alle publiek toegankelijke toiletten en douches aan de bepalingen van de verordening dienden te voldoen en niet enkel deze, die behoren tot de gebouwen, die overeenkomstig artikelen 3, 4 of 5 onder het toepassingsgebied van de verordening vallen. Dit is nooit de bedoeling geweest. Bijgevolg worden deze 2 artikelen best verplaatst naar Hoofdstuk III. Normbepalingen, en meer bepaald Afdeling VII onder het hoofdstuk m.b.t. aangepaste ruimtes, waar ze echt thuis horen.

Artikel 8 Voor alle duidelijkheid wordt aan artikel 9 toegevoegd dat de hierin opgenomen mogelijkheden tot afwijking, voorbeelden zijn die onder artikelen 33 en 34, § 1 vallen. Dit is geen verstrenging, zoals de VLACORO onterecht opmerkt, doch een verduidelijking van de bedoeling die achter het gebruik van de term 'afwijking' van bij het begin zat en dit in tegenstelling tot de term 'in afwijking van' elders in de tekst, in louter juridische zin.

Artikel 9 Om consistent te zijn met de terminologie, gebruikt in artikel 27, 3e lid, 1° wordt 'parkeergelegenheid' hier vervangen door 'parkeervoorziening'. Dit heeft verder geen inhoudelijke implicaties.

Artikel 10 In artikel 12, § 2 wordt verduidelijkt dat de maat van 2,30 meter een afwerkingsmaat betreft. Het onderscheid tussen ruwbouwmaten enerzijds en afwerkingsmaten anderzijds is van groot belang. De ruwbouwmaten zijn noodzakelijk omdat enkel deze maten aangeduid worden op de plannen, die bij een bouwaanvraag gevoegd worden. De afwerkingsmaten zijn noodzakelijk omdat deze doorslaggevend zijn voor de effectieve graad van toegankelijkheid van een constructie. Deze wijziging kan niet beschouwd worden als een verstrenging, zoals de VLACORO onterecht stelt, maar als een verduidelijking. De visie dat het oorspronkelijk een ruwbouwmaat betrof, vond net zomin steun in de tekst van de verordening, als de visie dat het een afwerkingsmaat betrof.

Artikel 11 Omdat « looprichting » in artikel 13 zou kunnen impliceren dat zou kunnen volstaan worden met b.v. het leggen van een 3-tal noppentegels, als indicatie van de te volgen « richting », maar daarom nog niet verplicht het hele pad naar de delen, die bereikbaar moeten zijn, met noppentegels te markeren, wordt dit woord best vervangen door « het traject ». De vroegere mogelijke niet bedoelde minder strikte interpretatie wordt hierdoor onmogelijk. Het klopt dan ook niet, zoals de VLACORO stelt, dat hiermee een verstrenging van de regelgeving wordt doorgevoerd.

Artikel 12 Artikel 16 liet enkel hellingen, in functie van afwatering, in de richting dwars op de looprichting toe voor buitenpaden en niet voor binnenpaden. Dit was een onnodige beperking. Ook voor binnenpaden kan een helling in functie van de afwatering verreist zijn, bv. in ondergrondse parkings. Dit wordt met deze wijziging rechtgezet.

Artikel 13 In artikel 18 wordt verduidelijkt dat de afwijkingsmogelijkheden, vervat in het derde en vierde lid, mogelijke afwijkingen zijn in uitvoering van artikelen 33 en 34, § 1. Zo is voortaan duidelijk dat b.v. in geval van grote gebouwen, ook hier de voorwaarde van het voorafgaand advies van artikel 34, § 1 geldt. Dit is geen verstrenging, zoals de VLACORO onterecht opmerkt, doch een verduidelijking van de bedoeling die achter het gebruik van de term 'afwijking' van bij het begin zat en dit in tegenstelling tot de term 'in afwijking van' elders in de tekst, in louter juridische zin.

Daarnaast wordt in het vierde lid meteen ook « gebouwen, bestemd voor toerisme of verblijfsaccommodatie » vervangen door « gebouwen, bestemd voor toeristische verblijfsaccommodatie » conform de gelijkaardige wijziging in artikel 4.

Artikel 14 In artikel 19, § 2 en § 4 werd telkens een tussenbordes van 150 cm op 150 cm geëist. Uiteindelijk blijkt deze afmeting enkel vereist indien de helling van richting verandert. Dit wordt nu met de wijziging in deze zin aangepast. In § 2 wordt de beperking tot combinaties van hellingen met verschillend hellingspercentage opgeheven, zodat het ook van toepassing wordt op combinaties van hellingen met gelijk hellingspercentage.

Daarenboven wordt in § 3 toegevoegd dat ook de vrije en vlakke draairuimte in één richting mag hellen in functie van de afwatering.

De VLACORO beschouwt deze wijziging als een verstrenging (waarschijnlijk om de boven aangehaalde reden dat niveauverschillen van minder dan 4 % niet als hellingen beschouwd worden), doch anderzijds deed de formulering 'vrije en vlakke' (= vrij van niveauverschillen volgens de definitie) draairuimte aanvankelijk vermoeden dat deze draairuimte helemaal niet kon hellen. Men zou bijgevolg evengoed kunnen stellen dat het een versoepeling betreft gezien de draairuimte voortaan wel kan hellen, voor zover dit nodig is voor de afwatering. § 8 van artikel 19 wordt opgeheven, omdat het niets toevoegt aan wat reeds staat in § 3 en de nieuwe § 2 (dat nu ook van toepassing is op combinaties van hellingen met gelijk hellingspercentage).

Er is hier dan ook absoluut geen sprake van een verstrenging, zoals de VLACORO stelt, gezien § 2 voortaan ook regelt wat in § 8 stond.

Artikel 15 De toevoeging « gemeten tussen de onafgewerkte binnenmuren » in artikel 20 deed verkeerdelijk de indruk ontstaan dat de verplichting van een doorgang zonder obstakels enkel zou gelden voor binnentrappen en niet voor buitentrappen. Deze indruk leefde blijkbaar ook bij de VLACORO, die deze wijziging bijgevolg als een verstrenging beschouwt.

Het is evenwel louter een verduidelijking van de bedoeling, die van bij het begin achter deze bepaling zat.

De term « vrije en vlakke doorgangsbreedte » bleek daarenboven niet bruikbaar in het geval van trappen. In de definities staat immers dat het hierbij gaat over « een doorgang, gang of toegang, vrij van obstakels, niveauverschillen of treden,... », terwijl een trap per definitie 'treden' heeft. De formulering werd dan ook enigszins aangepast.

In § 3 van artikel 20 wordt daarenboven verduidelijkt dat de som van tweemaal de optrede en eenmaal de aantrede van een trede ook een veelvoud mag zijn van het opgegeven getal 'tussen 57 cm en 63 cm'.

Deze mogelijkheid was overigens al opgenomen in het verslag aan de Vlaamse Regering.

Er wordt tenslotte een laatste paragraaf aan dit artikel toegevoegd, die een vrijstelling inbouwt van de verplichtingen m.b.t. trappen in geval van meergezinswoningen en kamerwoningen/ studentenhuizen/studentengemeenschapshuizen, wanneer er minstens een toegankelijke lift, conform artikel 21 aanwezig is, omdat de nodige oppervlakte voor beiden samen te zeer de beschikbare oppervlakte voor bewoning kan hypothekeren, vooral in smalle woningen en bij aanwezigheid van een lift, trappen sowieso minder frequent gebruikt worden.

Artikel 16 In artikel 21, § 2 wordt « liftdeur » vervangen door « lifttoegang » zodat ook bijplateauliften, die vaak geen deur hebben, bij de instap- en uitstapzone een vrije en vlakke draairuimte verzekerd wordt. De VLACORO ziet dit als een verstrenging. Het zou echter weinig logisch zijn een dergelijke vrije draairuimte te eisen voor klassieke liften, doch niet voor 'plateauliften', die doorgaans net geïnstalleerd worden voor personen met een beperkte mobiliteit (de groep die belang heeft bij de aanwezigheid van een vrije draairuimte) om kleine niveauverschillen te kunnen opvangen.

Artikel 17 In artikel 22, § 1 wordt verduidelijkt dat de aangegeven maat een afwerkingsmaat is. Het onderscheid tussen ruwbouwmaten enerzijds en afwerkingsmaten anderzijds is van groot belang. De ruwbouwmaten zijn noodzakelijk omdat enkel deze maten aangeduid worden op de plannen, die bij een bouwaanvraag gevoegd worden. De afwerkingsmaten zijn noodzakelijk omdat deze doorslaggevend zijn voor de effectieve graad van toegankelijkheid van een constructie. Deze wijziging kan niet beschouwd worden als een verstrenging, zoals de VLACORO onterecht stelt, maar als een verduidelijking. De visie dat het oorspronkelijk een ruwbouwmaat betrof, vond net zomin steun in de tekst van de verordening, als de visie dat het een afwerkingsmaat betrof.

Daarenboven wordt de minimumhoogte van de deur met 1 centimeter verlaagd, gezien 2,09 meter de standaardhoogte zou zijn.

Artikel 18 In het belang van consistent woordgebruik wordt in artikel 23 'personen met een beperking' vervangen door personen met een handicap'.

Artikel 19 De mogelijkheid in artikel 24 van overlappende vrije en vlakke draairuimtes werd onterecht beperkt tot gebouwen, als vermeld in artikel 5, alinea's 1 en 2. Deze onterechte beperking wordt bij deze opgeheven. Daarenboven heeft het weinig zin dezelfde eisen te stellen voor deuren of toegangen, die leiden tot trappenhallen, gezien mensen met een rolstoel hier normaal gezien geen gebruik van maken. Daarom werd voor deze deuren uitdrukkelijk in een uitzondering voorzien.

Net zoals in artikel 19, § 3 van het besluit, dient ook toegevoegd dat de vrije en vlakke draairuimte wel mag hellen in functie van de afwatering, doch dit is de enige toegestane helling. Strikt gezien worden niveauverschillen van minder dan 4 % volgens deze verordening niet beschouwd als een helling. Een dergelijk stijgingspercentage in de vrije en vlakke draairuimte kan uiteraard niet. Een rolstoelgebruiker zou immers, eens aangekomen aan de deur die moet bediend worden, terug achteruit kunnen rollen. De VLACORO beschouwt deze wijziging als een verstrenging (waarschijnlijk om de boven aangehaalde reden dat niveauverschillen van minder dan 4 % niet als hellingen beschouwd worden), doch anderzijds deed de formulering 'vrije en vlakke' (= vrij van niveauverschillen volgens de definitie) draairuimte aanvankelijk vermoeden dat deze draairuimte helemaal niet kon hellen. Men zou bijgevolg evengoed kunnen stellen dat het een versoepeling betreft gezien de draairuimte voortaan wel kan hellen, voor zover dit nodig is voor de afwatering.

Artikel 20 Ruwbouwmaat- en afwerkingsmaat werden in artikel 25 verkeerdelijk omgewisseld. De tekening in het verslag aan de Vlaamse Regering geeft wel de juiste bedoeling aan.

Daarenboven heeft het, net als in artikel 24, weinig zin dezelfde eisen te stellen voor deuren of toegangen, die leiden tot trappenhallen, gezien mensen met een rolstoel hier normaal gezien geen gebruik van maken. Daarom werd ook hier voor deze deuren uitdrukkelijk in een uitzondering voorzien.

Artikel 21 Ook in artikel 27, ontbrak, analoog aan de situatie van artikel 29/1 een uitzondering op het aantal te voorziene aangepaste en/of voorbehouden parkeerplaatsen, als het aantal parkeerplaatsen, waar aan gewerkt wordt, kleiner is dat het aantal te voorziene aangepaste en/of voorbehouden parkeerplaatsen. In dat geval beperkt de verplichting zich tot de parkeerplaatsen, waar aan gewerkt wordt. Men is m.a.w. niet verplicht te raken aan parkeerplaatsen, waar geen werken aan gepland waren om aan het verplichte aantal te geraken. In deze context merkt de VVP op dat percentages in heel de verordening rechtlijnig moeten doorgetrokken worden. Immers de verordening legt tot 100 parkeerplaatsen 6 % aan aangepaste plaatsen op en eens boven de grens van 100 is dit maar 2 % meer. Zij meent dat er geen reden is om aan te nemen dat het aantal personen met een beperking procentueel afneemt bij een hoger aantal bezoekers. Dit is ook niet zo, maar de redenering moet omgekeerd gemaakt worden. Het zijn de 2 per 100 parkeerplaatsen die het streefcijfer zijn. De 6 % voor kleinere parkings is een soort van minimale capaciteit die steeds aangeboden moet worden, zodat ook bij deze kleinere parkings meer dan 1 plaats voorhanden is, rekening houdend met de realiteit dat wanneer rolstoelers een evenement gaan bezoeken dit mogelijk in gezelschap is van andere rolstoelers.

In het derde lid (dat nu het vierde lid wordt), 2° van artikel 27, wordt de regeling voor schuinparkeren versoepeld. De vereiste lengtemaat van 600 cm is immers niet relevant, gezien de parkeerruimte bij schuinparkeren in de lengte niet fysiek beperkt wordt door de afbakening van andere achterliggende parkeerplaatsen.

In artikel 27, vierde lid (dat nu het vijfde lid wordt) staat nog een foute verwijzing : de datum van het aangehaalde MB is niet 1.10.1976, maar 11.10.1976. Dit wordt met deze wijziging rechtgezet.

Artikel 22 In het werkveld is discussie ontstaan m.b.t. de draagwijdte van het tweede lid van artikel 28. Door de formulering « aan een element als vermeld in het eerste lid moet een verlaagd gedeelte aangebracht worden » is immers niet duidelijk of elk inrichtingselement (zoals b.v. een loket) een verlaagd gedeelte moet hebben of slechts één van deze inrichtingselementen. Om deze discussie de wereld uit te helpen wordt voortaan duidelijk bepaald dat elk element een verlaagd gedeelte moet hebben.

Artikel 23 Artikel 29, eerste en tweede lid gaf door de manier van bewoording aanleiding tot verschillende interpretaties. Bedoeling was dat alle ruimtes met 1 tot 50 zitplaatsen, 2 vrije ruimtes zouden bevatten, ruimtes met 50 tot 99 zitplaatsen, 2 vrije ruimtes + 1 extra vrije ruimte zouden bevatten, ruimtes met 100 tot 149 zitplaatsen, 2 vrije ruimtes + 2 extra vrije ruimtes zouden bevatten, enz. De aangebrachte wijzigingen geven deze bedoeling beter weer.

In het eerste lid wordt daarenboven verduidelijkt dat de verplichting geldt voor elke ruimte binnen het gebouw, waarin een activiteit wordt aangeboden en dat het dus niet volstaat dat b.v. 1 zaal in een cinemacomplex voldoet of dat alle vereiste vrije ruimtes, geteld over alle zalen, zich concentreren in 1 enkele zaal. De doelgroep van de verordening moet, zoals iedereen, gebruik kunnen maken van het volledige aanbod. Dit is altijd de bedoeling geweest van deze bepaling. Omdat er evenwel indicaties waren dat deze bepaling verkeerd kon begrepen worden, wordt thans deze verduidelijking aangebracht. De VLACORO spreekt van een verstrenging,...

Tot slot wordt ook hier een uitzondering toegevoegd op het aantal te voorziene vrije ruimtes, als het aantal zitplaatsen, waar aan gewerkt wordt, kleiner is dat het aantal te voorziene « aangepaste » plaatsen.

In dat geval beperkt de verplichting zich tot de zitplaatsen, waar aan gewerkt wordt. Men is m.a.w. niet verplicht te raken aan zitplaatsen, waar geen werken aan gepland waren om aan het verplichte aantal te geraken.

Artikel 24 Met dit artikel wordt het oude artikel 7 verplaatst en vernummerd tot artikel 29/1. De leden 1 en 2 van dit artikel bevatten tevens een foute verwijzing : met name artikel 11 moet artikel 12 zijn, wat bij deze wijziging wordt rechtgezet.

De regeling wordt tevens enigszins versoepeld. Bij aparte kleedruimtes of pashokjes voor mannen en vrouwen werd immers een aangepaste kleedruimte of pashokje geëist zowel bij de mannen als bij de vrouwen.

De wijziging maakt het mogelijk slechts 1 aangepaste kleedruimte of pashokje te voorzien, zowel voor mannen als voor vrouwen bestemd, op voorwaarde dat deze aangepaste kleedruimte of pashokje zich dan in een neutrale zone bevindt. Dit is immers een gangbare praktijk, die toch de gewenste toegankelijkheid realiseert, maar bovendien ruimtebesparend is. Wat absoluut uit de boze is is dat een man naar een kleedruimte of pashokje moet, gelegen in een zone, die voor de rest volledig bestemd is voor vrouwen of omgekeerd.

Analoog aan artikel 4, § 3 was ook hier nood aan een uitzondering op het aantal te voorziene toegankelijke ruimtes, als het aantal ruimtes, waar aan gewerkt wordt, kleiner is dat het aantal te voorziene toegankelijke ruimtes. In dat geval beperkt de verplichting zich tot de ruimtes, waar aan gewerkt wordt. Men is m.a.w. niet verplicht te raken aan ruimtes, waar geen werken aan gepland waren om aan het verplichte aantal te geraken.

Met dit artikel wordt ook het oude artikel 8 verplaatst en vernummerd tot artikel 29/2. De leden 1 en 2 van dit artikel bevatten tevens een foute verwijzing : met name artikel 11 moet artikel 12 zijn, wat bij deze wijziging wordt rechtgezet.

Deze leden bevatten ook nog verwijzingen naar paragrafen in artikel 30, daar waar dit artikel niet meer bestaat uit paragrafen, gezien dit wettechnisch niet correct bleek. Deze foute verwijzingen wordt met deze wijziging ook rechtgezet.

Door de verwijzing naar artikel 31, 1° en 2° enerzijds en naar artikel 31, 1°, 2° en 3° anderzijds, zou men de indruk kunnen wekken dat de inleidende zin op deze 1°, 2° of 3° zelf niet van toepassing is, wat hier zou kunnen impliceren dat deze bepalingen steeds moeten nageleefd worden, zelfs al voldoet de ruimte aan de afmetingen van artikel 30.

Een dergelijke interpretatie is nooit de bedoeling geweest. Door « inzonderheid » toe te voegen, hopen we de misvatting recht te zetten.

Bij doucheruimtes dient daarenboven niet verwezen te worden naar 2° van artikel 31, gezien dit enkel bepalingen m.b.t. toiletten bevat.

Tot slot dient bij doucheruimtes nog verwezen te worden naar het nieuwe artikel 31/1, dat de normbepalingen m.b.t. doucheruimtes uit de definities heeft gehaald.

In het derde lid vervolgens wordt een gelijkaardige versoepeling ingebouwd als in artikel 29/1 voor pashokjes of kleedruimtes. Bij aparte toiletten of doucheruimtes voor mannen en vrouwen werd immers een aangepast toilet of doucheruimte geëist zowel bij de mannen als bij de vrouwen. De wijziging maakt het mogelijk slechts 1 toegankelijk toilet of doucheruimte te voorzien, zowel voor mannen als voor vrouwen bestemd, op voorwaarde dat dit aangepast toilet of doucheruimte zich dan in een neutrale zone bevindt. Wat absoluut uit de boze is is dat een man naar een toilet of doucheruimte moet, gelegen in een zone, die voor de rest volledig bestemd is voor vrouwen of omgekeerd. Er wordt ook een verwijzing toegevoegd naar artikel 12. Dit volgt logisch al uit de leden 1 en 2 van dit artikel, doch dient toegevoegd voor de volledigheid.

Artikel 25 De verplichting in artikel 31, 3°, g) om een douchekraan op maximum 55 cm van de wand tegen het douchezitje te plaatsen, was weinig zinvol, zonder opgave van een minimale afstand van deze kraan tot het douchezitje. Immers ook een kraan die te dicht bij de wand van het douchezitje geplaatst is, leidt tot oncomfortabele situaties. Er wordt thans toegevoegd dat deze douchekraan ook minstens 45 cm ten opzichte van de wand tegen het douchezitje moet aangebracht worden. Deze logische aanvulling is volgens de VLACORO een verstrenging. Het lijkt evenwel weinig zinvol een douchezitje te voorzien, dat speciaal voor personen met een beperkte mobiliteit bedoeld is, dat dan niet bruikbaar is omdat de kraan verkeerd geplaatst is. Deze verduidelijking in de verordening brengt geen enkele meerkost voor de bouwheer met zich mee.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Artikel 26 Het was nodig een extra bepaling, met name artikel 31/1, toe te voegen om de normbepalingen die nog in de definities stonden van « doucheruimte » en « douchezone » en daar bijgevolg niet thuishoorden, op hun juiste plaats te zetten.

Artikel 27 Artikel 32 spreekt van « kamers of verblijfsaccommodatie », terwijl het in artikel 4, het enige geval waarin sprake is van « aangepast » in de zin van artikel 32, enkel kan gaan om « accommodaties », als onderdeel van « een gebouw, bestemd voor toeristische verblijfsaccommodatie ». In dit artikel 4 werd bewust niet gekozen voor « kamer » omdat dit te beperkend is, wil men ook bungalows, slaapzalen, e.d. vatten. De terminologie dient dan ook aangepast aan deze van artikel 4.

Daarenboven wordt voor de duidelijkheid in het tweede lid toegevoegd dat het gaat over aangepaste parkeerplaatsen, in de zin van artikel 27.

Artikel 28 Analoog aan artikel 34, § 1 wordt ook aan artikel 33 toegevoegd dat aan de adviesvereiste kan worden voorbijgegaan, indien dit advies langer dan 30 dagen op zich laat wachten.

Artikel 29 Het tekstgedeelte van artikel 34, § 1 en § 2 dat stelt dat aan de adviesvereiste kan worden voorbijgegaan, als het advies langer dan 30 dagen op zich laat wachten, wordt aangepast aan de bewoording van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals gevraagd door de VVSG. In de vorige versie voorzag dit voorontwerp van wijzigingsbesluit tevens een § 3, dat de vergunningsaanvrager een extra kans gaf om alsnog een advies aan te vragen, indien hij dit bij aanvang over het hoofd had gezien, zolang de termijnen uit de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening m.b.t. de behandelingen van stedenbouwkundige aanvragen maar gerespecteerd bleven. De VVSG merkte evenwel terecht op dat dit in de praktijk waarschijnlijk weinig soelaas zal brengen, gezien de krappe termijn die vaak rest tussen het moment dat de gemeente vaststelt dat het advies ontbreekt en de uiterste behandelingstermijn van het dossier, met de nodige druk tot gevolg naar de adviesverlenende instanties en de gemeenten toe. Daarenboven is het niet opportuun om die kans om het dossier later in de procedure te vervolledigen enkel te voorzien voor het toegankelijkheidsadvies, en niet voor andere stukken die bij het dossier moeten zitten.

Artikel 30 Er wordt een extra artikel 35/1 onder hoofdstuk IV. Wijziging, overgangs- en slotbepalingen ingevoegd, dat een tijdelijke versoepeling inhoudt op artikel 5, voor meergezinswoningen enerzijds en anderzijds kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen (deels tegemoet komend aan een opmerking van de VLACORO), waar een vergunning voor aangevraagd wordt voor 1 januari 2013. Tot zo lang dienen : - enkel meergezinswoningen met toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan 3 niveaus (in plaats van 2 niveaus) en met minstens 6 wooneenheden - en kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen met toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan 3 niveaus en minstens 20 kamers te voldoen aan de artikelen 15, 16 en 18 tot en met 26 van de verordening, dit zijn de bepalingen m.b.t. gangen, niveauverschillen (en meer in het bijzonder liften), trappen en deuren. Het blijkt immers voor bepaalde sectoren, en dan vooral voor wat betreft de sociale huisvestingssector, bijzonder moeilijk om eerder aan deze bepalingen te voldoen. Het ontwerptraject neemt vaak meerdere jaren in beslag. Voor veel dossiers die nog in de ontwerpfase zitten (en die vaak aanving lang voor de verordening van kracht werd), werd pas een lift voorzien vanaf de derde verdieping. De verordening onverkort toepassen zou betekenen dat veel van deze ontwerpen volledig hertekend moeten worden. De overgangsmaatregel geldt evenwel niet voor de gelijkvloerse verdieping. Hierop blijven alle bepalingen van de verordening kracht, zodra er voor meergezinswoningen enerzijds toegangsdeuren zijn tot wooneenheden op meer dan 2 niveaus en met minstens 6 wooneenheden, en er voor kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen anderzijds toegangsdeuren zijn tot wooneenheden op meer dan 2 niveaus en met minstens 20 kamers conform artikel 5.

Een zelfde bepaling wordt ingevoerd in § 2 voor gezondheidsinstellingen met kamers of wooneenheden, welzijnsinstellingen met kamers of wooneenheden, internaten die verbonden zijn aan onderwijsinstellingen, internaten die onder de bevoegdheid vallen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap en strafinrichtingen, met toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan 3 niveaus en minstens 20 kamers, als er nog geen lift aanwezig is. Is er wel een lift aanwezig in deze gebouwen van minder dan 3 niveaus, blijven alle bepalingen (ook deze van artikel 15, 16 en 19 tot en met 26) van de verordening onverkort van kracht.

Artikel 31 Zoals artikel 37 thans luidt, worden enkel gemeentelijke en provinciale stedenbouwkundige verordeningen uit het verleden m.b.t. toegankelijkheid als onbestaande beschouwd, terwijl uit de oorspronkelijke memorie van toelichting ook reeds bleek dat men het in het geheel niet wenselijk vond dat verschillende regelgeving m.b.t. dezelfde materie naast elkaar zou blijven bestaan. Daarom wordt verduidelijkt, toepassing makend van de mogelijkheid, geboden door artikel 2.3.2, § 1 en § 2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat ook toekomstige gemeentelijke en provinciale stedenbouwkundige verordeningen m.b.t. toegankelijkheid geen bestaansrecht hebben.

De VLACORO, de VVP en de VVSG vragen een afschaffing van het artikel 37 omdat dit het subsidiariteitsprincipe in gedrang brengt, volgens het welk gemeenten en provincies de Vlaamse regelgeving kunnen uitbreiden of inhoudelijk aanvullen. Een volledige afschaffing van artikel 37 is echter niet wenselijk onder andere omwille van de onzekerheid in dit geval m.b.t. het lot van vroegere lokale verordeningen in deze materie. Het artikel diende wel aangepast omwille van conformiteit met de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Artikel 2.3.2., § 1 van deze Codex bepaalt immers dat indien een gewestelijke stedenbouwkundige verordening uitdrukkelijk stelt dat ze niet verder aangevuld of uitgevoerd kan worden door stedenbouwkundige verordeningen op de andere bestuurlijke niveaus, en enkel dan, dat deze gewestelijke stedenbouwkundige verordening tevens kan bepalen dat de bestaande verordeningen op de andere bestuurlijke niveaus ophouden uitwerking te hebben. De vroegere tekst van artikel 37 bepaalde enkel dat de bestaande lokale verordeningen ophielden uitwerking te hebben, zonder evenwel eerst bepaald te hebben dat de gewestelijke verordening niet verder aangevuld of uitgevoerd kon worden door verordeningen op de andere bestuurlijke niveaus.

Artikel 32 Er wordt een extra artikel 37/1 onder hoofdstuk IV. Wijziging, overgangs- en slotbepalingen ingevoegd. Het Vlaamse Gelijkekansenbeleid engageert zich hierbij om, zoals ook vooropgesteld in zijn beleidsnota (OD 11.1), de verordening in 2012 ten gronde te evalueren. De uitgangspunten bij deze evaluatie zijn enerzijds het streven naar integrale toegankelijkheid en anderzijds het streven naar een effectieve en efficiënte regelgeving, overeenkomstig de krachtlijnen van de beleidsnota Ruimtelijke Ordening, met name deze vervat in de strategische doelstelling 8 (ruimtelijk ordeningsinstrumentarium voor en op het ritme van de maatschappij) en de operationele doelstellingen 20 (verdere evaluatie vergunningsprocedures) en 21 (een coherent geheel van wetgeving, duidelijk en leesbaar voor overheden, burgers en bedrijven).

Bij die evaluatie wordt de effectiviteit en de werkbaarheid van het instrument nagegaan in overleg met alle betrokken actoren en sectoren.

Het flankerend beleid wordt daarbij verder op punt gezet en alternatieve instrumenten om de doelstellingen inzake integrale toegankelijkheid te behalen worden mee in kaart gebracht. De evaluatie wordt gecoördineerd door de Vlaamse minister bevoegd voor Gelijke Kansen, in nauwe samenwerking met de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening.

Artikel 33 Gevolg gevend aan de bekommernis van de VLACORO dat bij verstrengingen redelijke overgangstermijnen moeten worden voorzien, wordt in dit artikel bepaald dat de nieuwe regeling m.b.t. kleine gebouwen met een totale publiek toegankelijke oppervlakte van minder dan 150 m2, pas 6 maanden na de publicatie van het wijzigingsbesluit in het Belgisch Staatsblad, in werking treedt. De verstrenging uit dit artikel heeft immers de grootste impact in de praktijk.

Een retroactieve inwerkingtreding voor de versoepelingen, waar de VLACORO op aandringt, lijkt evenwel niet opportuun. Retroactiviteit wordt zelden aanvaard in de rechtspraak, omdat het te veel rechtsonzekerheid creëert. Wat dient er te gebeuren immers met de aanvragen die reeds afgehandeld zijn en waarbij wel rekening gehouden werd met de strengere regelgeving.

Artikel 34 Dit artikel behoeft geen commentaar.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, P. SMET De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, P. MUYTERS

18 FEBRUARI 2011. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/06/2009 pub. 02/09/2009 numac 2009035737 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid sluiten tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid De Vlaamse Regering, Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, artikel 2.3.1;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/06/2009 pub. 02/09/2009 numac 2009035737 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid sluiten tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 15 juni 2010;

Gelet op de overlegvergadering met vertegenwoordigers van VVSG en VVP, gehouden op 8 juli 2010;

Gelet op het advies van de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening, gegeven op 8 september 2010;

Gelet op advies 48.987/1 van de Raad van State, gegeven op 16 december 2010 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport en de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 05/06/2009 pub. 02/09/2009 numac 2009035737 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid sluiten tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening betreffende toegankelijkheid wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° accommodatie : elk onderdeel van een toeristische verblijfsaccommodatie dat als aparte eenheid in zijn geheel voor tijdelijk verblijf wordt verhuurd, zoals, doch niet uitsluitend, eenpersoonskamers, tweepersoonskamers, slaapzalen, bungalows, chalets, vakantiestudio's en trekkershutten, ongeacht het aantal personen dat er gelijktijdig kan verblijven;2° buiteninfrastructuur : het totaal van de onroerende voorzieningen in de openlucht;3° constructie : een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, een publiciteitsinrichting of uithangbord, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds;4° doucheruimte : ruimte, bestemd voor het douchen, uitgerust met een douchezone;5° douchezone : het gedeelte binnen de doucheruimte dat bestemd is voor het douchen;6° functie : het feitelijke gebruik van een constructie of een gedeelte daarvan;7° gesloten trappenhal : door wanden en deuren afgesloten ruimte waarin alleen een trap is ondergebracht;8° gezondheidsinstelling : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van zorgverstrekking, de gezondheidsopvoeding en de preventieve gezondheidszorg, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen;9° handelingen : werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties;10° herbouwen : een constructie volledig afbreken, of meer dan veertig procent van de buitenmuren van een constructie afbreken, en binnen het bestaande bouwvolume van de geheel of gedeeltelijk afgebroken constructie een nieuwe constructie bouwen;11° kamer : woning waarin één of meer van de volgende voorzieningen ontbreken en waarvan de bewoners voor deze voorzieningen afhankelijk zijn van de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt : a) wc;b) bad of douche;c) kookgelegenheid;12° kamerwoning : elk gebouw dat bestaat uit een of meer te huur gestelde of verhuurde kamers en gemeenschappelijke ruimtes;13° meergezinswoningen : constructies of delen van constructies met meer dan twee wooneenheden;14° onderwijsinstelling : een school, internaat, centrum voor volwassenenonderwijs of voor basiseducatie, centrum voor leerlingenbegeleiding, hogeschool, universiteit of onderzoeksinstelling, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, of gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door het Vlaams ministerie van Wetenschap en Innovatie;15° publiek toegankelijk : een ruimte die openstaat voor het publiek of bedoeld is voor gemeenschappelijk gebruik, ook al is de toegang beperkt tot een of meer welbepaalde categorieën van personen, met uitzondering van de ruimtes die alleen toegankelijk zijn voor werknemers, alsook van de technische ruimtes en opslagruimtes die niet dienen als archiefruimte, en van de toegangen en deuropeningen, gangen en overlopen en niveauverschillen die uitsluitend naar die ruimtes leiden;16° sanitair blok : geheel van sanitaire voorzieningen dat bestaat uit een of meer toiletten of uit een of meer douches;17° strafinrichting : een constructie om gedetineerden in bewaring te stellen of in hechtenis te nemen;18° studentengemeenschapshuis : elk gebouw of deel van een gebouw dat door een of meer personen integraal wordt gehuurd en (onder)verhuurd aan een of meer studenten;19° studentenhuis : elk gebouw of deel van een gebouw waarin een of meer kamers te huur worden gesteld of worden verhuurd aan een of meer studenten, met inbegrip van de gemeenschappelijke ruimtes;20° technische ruimte : ruimte voor het plaatsen van de apparatuur die noodzakelijk is voor het functioneren van een constructie, waaronder in elk geval een meterruimte, een liftmachineruimte of een stookruimte;21° toeristische verblijfsaccommodatie : alle gebouwen waar personen, al dan niet om toeristische en eventueel professionele redenen, tijdelijk verblijven zonder dat ze in de bevolkingsregisters ingeschreven zijn;22° totale publiek toegankelijke oppervlakte : de som van de voor het publiek toegankelijke oppervlaktes van de binnenruimtes, berekend tussen de binnenzijden van de buitenmuren, inclusief de oppervlakte die door de binnenmuren zelf wordt ingenomen, van de hele constructie na eventuele werken, inclusief bijgebouwen;23° transferzone : de vrije ruimte die nodig is om een zijdelingse of voorwaartse verplaatsing uit te voeren tussen rolstoel enerzijds, en toiletpot, douchezitje of pashokje anderzijds;24° tussenbordes : een ruimte, vrij van obstakels, niveauverschillen of treden, die gebruikers een rustpunt biedt en rolstoelgebruikers bij hellingen toelaat van richting te veranderen;25° verbouwen : aanpassingswerken doorvoeren binnen het bestaande bouwvolume van een constructie waarvan de buitenmuren voor ten minste zestig procent behouden worden;26° vrije en vlakke doorgangsbreedte : een doorgang, gang of toegang, vrij van obstakels, niveauverschillen of treden, die gebruikers toelaat zich zonder hinder in en langs constructies, delen van constructies of buiteninfrastructuren te verplaatsen;27° vrije en vlakke draairuimte : een ruimte, vrij van obstakels, niveauverschillen of treden, die minstens, na de afwerking en vaste inrichting ervan, een diameter heeft van 150 cm, gemeten buiten het draaivlak van eventuele deuren, poorten of hekjes, en die een rolstoelgebruiker kan benutten om van richting te veranderen;28° welzijnsinstelling : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en die activiteiten uitoefent op het gebied van het gezin, het maatschappelijk welzijn, het onthaal en de integratie van immigranten, de mindervaliden, de bejaarden, de jeugdbescherming en de sociale hulpverlening aan gedetineerden, met het oog op hun sociale re-integratie, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen.»

Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan paragraaf 1 worden de woorden « of een meldingsplicht geldt » toegevoegd;2° in paragraaf 2, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 december 2009Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 04/12/2009 pub. 11/01/2010 numac 2009205974 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van de benaming van het agentschap Ruimtelijke Ordening en Onroerend Erfgoed in het agentschap Ruimte en Erfgoed sluiten, wordt punt 4 opgeheven.

Art. 3.In artikel 3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « een constructie » worden telkens vervangen door de woorden « een of meerdere constructies »;2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Dit besluit is niet van toepassing op handelingen aan gebouwen, waarbij de totale publiek toegankelijke oppervlakte kleiner is dan 150 m2.Met uitzondering van handelingen aan gebouwen, als vermeld in artikel 4 en 5, zijn de bepalingen van artikel 10, § 1, artikel 12 tot en met 14, artikelen 16, 18, 19, artikel 22 tot en met 25 en artikel 33 wel van toepassing op de toegang tot die gebouwen. Die verplichting geldt niet bij verbouwingswerken als de normen alleen gehaald kunnen worden door werkzaamheden die constructief niet in verhouding staan tot de gevraagde verbouwing. »

Art. 4.In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « toerisme of verblijfsaccommodatie » worden telkens vervangen door de woorden « toeristische verblijfsaccommodatie »;2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.Bij handelingen aan gebouwen die bestemd zijn voor toeristische verblijfsaccommodatie waarbij na de handelingen maximaal tien accommodaties beschikbaar zijn, is dit besluit van toepassing op de nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden gemeenschappelijke publiek toegankelijke verbruiksruimtes van meer dan 150 m2, de niet-gelijkvloerse delen van deze ruimtes meegerekend. Het bijhorend sanitair evenals de weg ernaar toe dienen in dit geval eveneens te voldoen aan dit besluit. De niet-gelijkvloerse delen dienen niet te voldoen indien de ruimtes op een andere verdieping of buiteninfrastructuur eenzelfde functie vervullen en voldoen aan de bepalingen van dit besluit. »; 3° de woorden « de bepalingen van artikelen 22 tot en met 26, 30, 31 en 32 » worden telkens vervangen door de woorden « de bepalingen van artikelen 22 tot en met 26 en van artikel 30 tot en met 32 ».

Art. 5.Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 5.Bij handelingen aan meergezinswoningen, waarbij de constructie na de handelingen toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan twee niveaus en minstens zes wooneenheden bevat, is dit besluit van toepassing op de nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden gemeenschappelijke delen, met inbegrip van de publieke zijde van de toegangsdeuren tot elke wooneenheid. Voor die gebouwen, die uit verschillende aansluitende delen bestaan, zijn de bepalingen van de verordening die gelden voor de verdiepingen en voor de trappen naar andere niveaus alleen van toepassing op de onderdelen die toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan twee niveaus hebben.

Bij handelingen aan kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen, waarbij het gebouw toegangsdeuren tot kamers op meer dan twee niveaus en, na de handelingen, minstens twintig kamers bevat, is dit besluit van toepassing op de nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden gemeenschappelijke delen, met inbegrip van de publieke zijde van de toegangsdeuren tot elke kamer. Voor die gebouwen, die uit verschillende aansluitende delen bestaan, zijn de bepalingen van de verordening die gelden voor de verdiepingen en voor de trappen naar andere niveaus alleen van toepassing op de onderdelen die toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan twee niveaus hebben.

Bij handelingen aan gezondheidsinstellingen met kamers of wooneenheden, welzijnsinstellingen met kamers of wooneenheden, internaten die verbonden zijn aan onderwijsinstellingen, internaten die onder de bevoegdheid vallen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of strafinrichtingen, waarbij het gebouw toegangsdeuren tot kamers of wooneenheden op meer dan twee niveaus en, na de handelingen, minstens twintig kamers of wooneenheden bevat, is dit besluit van toepassing op de nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden gemeenschappelijke delen, met inbegrip van de toegangsdeuren tot elke kamer of wooneenheid. » Voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel moeten de wooneenheden of kamers van alle gebouwen die één fysiek aansluitend geheel vormen, ondanks eventuele verschillende toegangen, samengeteld worden.

Art. 6.Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 6.In afwijking van artikelen 3 tot en met 5 en met toepassing van artikelen 33 en 34, § 1, is, bij handelingen aan een publiek toegankelijke verbruiksruimte, namelijk een vertrek of een deel ervan dat bestemd is voor het verbruik van drank of voedsel, die zich over verschillende niveaus uitstrekt, dit besluit alleen van toepassing op de verbruiksruimte op één niveau, op voorwaarde dat op dat niveau dezelfde functies aangeboden worden als op de andere niveaus, zelfs als de totale voor het publiek toegankelijke oppervlakte groter is dan 400 m2. »

Art. 7.Artikel 7 en 8 van hetzelfde besluit worden opgeheven.

Art. 8.Artikel 9 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 9.Als de bestaande toegang tot de publiek toegankelijke delen van een constructie niet voldoet aan de bepalingen van artikel 12 en van artikelen 22 tot en met 25 en als er geen handelingen aan die toegang gepland zijn, moet bij uitbreidings- of verbouwingswerken een toegang tot de publiek toegankelijke delen van de constructie die voldoet aan de bepalingen van artikel 12 en van artikelen 22 tot en met 25, gegarandeerd worden. Onder andere als de geplande handelingen niet raken aan de gevel van de constructie of als het onmogelijk is een ontsluiting naar het openbaar domein te realiseren vanuit het deel waaraan handelingen uitgevoerd worden, kan met toepassing van artikel 33 en artikel 34, § 1, van die verplichting worden afgeweken. »

Art. 9.In artikel 10, § 2, van hetzelfde besluit wordt het woord « parkeergelegenheid » telkens vervangen door het woord « parkeervoorziening ».

Art. 10.In artikel 12, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden « vrije doorgangshoogte » en de woorden « van minstens 2,30 meter » de woorden « , na afwerking, » ingevoegd.

Art. 11.In artikel 13 worden de woorden « De looprichting » vervangen door de woorden « Het traject ».

Art. 12.Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 16.Een looppad mag alleen hellen in de richting dwars op de normale looprichting om een normale afwatering te verzekeren. »

Art. 13.In artikel 18 van hetzelfde besluit worden het derde en het vierde lid vervangen door wat volgt : « Ter uitvoering van artikel 33 en artikel 34, § 1, kan in de aanvraag een afwijking van de verplichting tot het plaatsen van een lift worden opgenomen onder andere als in het aanvraagdossier gemotiveerd aangetoond wordt dat de aanvraag over een gebouw, bestemd voor industrie en ambacht, gaat, dat een of meer ruimtes op de gelijkvloerse verdieping eenzelfde functie hebben als de ruimtes op een andere verdieping die door het ontbreken van de lift ontoegankelijk zijn, en dat de totale oppervlakte die door de afwijking ontoegankelijk blijft, beperkt is tot ten hoogste vijfentwintig procent van de totale publiek toegankelijke oppervlakte.

Ter uitvoering van artikel 33 en artikel 34, § 1, kan in de aanvraag ook een afwijking op de verplichting tot het plaatsen van een lift worden opgenomen als in het aanvraagdossier aangetoond wordt dat de aanvraag over een gebouw bestemd voor toeristische verblijfsaccommodatie gaat en dat het gebouw na de handelingen twee of minder dan twee bouwlagen bevat en na de handelingen maximaal tien accommodaties beschikbaar zijn. »

Art. 14.In artikel 19 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 tot en met 4 worden vervangen door wat volgt : « § 2.Een combinatie van hellingen is toegestaan op voorwaarde dat gezorgd wordt voor een tussenbordes van 120 cm op 150 cm ter hoogte van de overgang. Als een combinatie van hellingen gepaard gaat met een verandering van richting, is een tussenbordes van 150 cm op 150 cm, ter hoogte van de richtingsverandering, vereist. § 3. Bij hellingen met een hellingspercentage van meer dan vier procent moet zowel bovenaan als onderaan voor een vrije en vlakke draairuimte worden gezorgd. Die draairuimte mag maximaal twee procent in één richting hellen met het oog op de afwatering. § 4. Bij een overbrugging van een niveauverschil van meer dan 50 cm of een helling van meer dan 10 m met een hellingspercentage van meer dan vier procent, moet voor een tussenbordes van 120 cm op 150 cm gezorgd worden. Als de helling verandert van richting, is een tussenbordes van 150 cm op 150 cm, ter hoogte van de richtingsverandering, vereist. »; 2° paragraaf 8 wordt opgeheven.

Art. 15.In artikel 20 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.Over de volledige lengte van de trappen en ter hoogte van eventuele tussenbordessen moet voor een breedte van minstens 125 cm gezorgd worden, telkens gemeten tussen de onafgewerkte binnenmuren, indien aanwezig, zodat na afwerking van de eventuele wanden en tussen de leuningen een breedte van minstens 100 cm, vrij van obstakels, gegarandeerd wordt, wat gebruikers toelaat zich zonder hinder via de trap te verplaatsen. »; 2° aan paragraaf 3 worden de woorden « of een veelvoud daarvan » toegevoegd.3° er wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 5.Bij gebouwen als vermeld in artikel 5, eerste en tweede lid, moet niet voldaan worden aan de bepalingen van dit artikel, als het gebouw over een lift beschikt die voldoet aan de bepalingen van artikel 21. »

Art. 16.In artikel 21, § 2, van hetzelfde besluit wordt het woord « liftdeur » vervangen door het woord « lifttoegang ».

Art. 17.In artikel 22 van hetzelfde besluit wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Voor toegangen of deuropeningen moet, na afwerking, een vrije doorgangshoogte van minstens 2,09 meter gegarandeerd worden. »

Art. 18.In artikel 23 van hetzelfde besluit worden de woorden « personen met een beperking » vervangen door de woorden « personen met een handicap ».

Art. 19.In artikel 24 van hetzelfde besluit wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : « Vóór en achter elke toegang of deur waarop dit besluit van toepassing is, met uitsluiting van toegangen tot of deuren naar gesloten trappenhallen, moet voor een vrije en vlakke draairuimte worden gezorgd, die maximaal twee procent in één richting mag hellen met het oog op de afwatering. De vrije en vlakke draairuimtes van meerdere deuren mogen elkaar overlappen. ».

Art. 20.Artikel 25 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 25.Bij een manueel te bedienen deur, met uitsluiting van toegangen tot of deuren naar gesloten trappenhallen, moet naast de krukzijde voor een vrije en vlakke wand- en vloerbreedte worden gezorgd, met een ruwbouwmaat van minstens 45 cm, zodat na de afwerking een vrije en vlakke wand- en vloerbreedte van minstens 50 cm gegarandeerd wordt. »

Art. 21.In artikel 27 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « Als het totale aantal nieuw aan te leggen parkeerplaatsen minder bedraagt dan zes procent van het totale aantal parkeerplaatsen, beperkt de verplichting van het eerste en het tweede lid zich tot de nieuw aan te leggen parkeerplaatsen.»; 2° in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt punt 2° vervangen door wat volgt : « 2° bij dwarsparkeren en schuinparkeren bedraagt de breedte van de aangepaste parkeerplaats minstens 350 cm en bij langsparkeren bedraagt de lengte van de aangepaste parkeerplaats minstens 600 cm;»; 3° het bestaande vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt : « Om als voorbehouden parkeerplaats in aanmerking te komen, moet een parkeerplaats aan de bepalingen van de derde alinea voldoen en voorbehouden worden voor personen met een handicap, conform het koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg van 1 december 1975, en aangegeven volgens de bepalingen van het voormelde koninklijk besluit en het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald.»

Art. 22.In artikel 28, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « een element » vervangen door de woorden « alle elementen ».

Art. 23.Artikel 29 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 29.Bij handelingen aan binnen- of buitenruimtes met vaste inrichtingselementen die dienst doen als zitplaatsen voor toeschouwers of toehoorders, moeten minstens twee vrije ruimtes gereserveerd worden voor personen met een handicap in elke ruimte met minder dan vijftig zitplaatsen waar een voorstelling wordt aangeboden. Elk van die vrije ruimtes moet minstens 90 cm breed en minstens 140 cm diep zijn en moet zich bevinden op een vloer zonder niveauverschillen of hellingen. Op het toegangspad naar die vrije ruimtes en eraan grenzend moet in een vrije en vlakke draairuimte voorzien worden.

Vanaf vijftig zitplaatsen en voor elke extra groep van vijftig zitplaatsen moet bijkomend voor minstens één extra vrije ruimte als vermeld in het eerste lid, gezorgd worden.

Als het totale aantal nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden zitplaatsen minder bedraagt dan de te reserveren vrije ruimtes voor personen met een handicap als vermeld in het eerste en tweede lid, beperkt die verplichting zich tot de nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden zitplaatsen. »

Art. 24.In hoofdstuk III, afdeling VII van hetzelfde besluit worden een artikelen 29/1 en 29/2 ingevoegd, die luiden als volgt : «

Art. 29/1.Bij handelingen aan publiek toegankelijke kleedruimtes of pashokjes moet minstens vier procent van het totale aantal kleedruimtes of pashokjes na de handelingen aan de bepalingen van artikel 12 en van artikelen 22 tot en met 26 voldoen. Ongeacht het totale aantal kleedruimtes of pashokjes na de handelingen moet minstens één kleedruimte of pashokje aan de bepalingen van artikel 12 en van artikelen 22 tot en met 26 voldoen.

Bij aparte kleedruimtes of pashokjes die alleen voor vrouwen of alleen voor mannen bestemd zijn, moet telkens minstens één kleedruimte of pashokje in elke ruimte voldoen aan de bepalingen van artikel 12 en artikelen 22 tot en met 26, tenzij de aangepaste kleedruimte of het aangepaste pashokje, bestemd voor zowel vrouwen als mannen, zich in een zone bevindt die niet gereserveerd is voor mannen dan wel vrouwen.

Als het totale aantal nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden kleedruimtes of pashokjes minder bedraagt dan vier procent van het totale aantal kleedruimtes of pashokjes, beperkt de verplichting van paragraaf 1 zich tot de nieuw te bouwen, te herbouwen, te verbouwen of uit te breiden kleedruimtes of pashokjes.

Art. 29/2.Bij handelingen aan publiek toegankelijke toiletten moet in elk sanitair blok minstens één toilet voldoen aan de bepalingen van artikel 12, 30, eerste lid en artikel 31, inzonderheid 1° en 2°.

Bij handelingen aan publiek toegankelijke doucheruimtes, moet in elk sanitair blok minstens één douche voldoen aan de bepalingen van artikelen 12, 30, tweede en derde lid, artikel 31, inzonderheid 1° en 3°, en artikel 31/1.

Bij aparte toiletten of doucheruimtes die alleen voor vrouwen of alleen voor mannen bestemd zijn, moet telkens minstens één toilet of doucheruimte in elke zone voldoen aan de bepalingen van artikel 12 en artikelen 30 tot en met 31/1, tenzij het aangepaste toilet of de aangepaste doucheruimte, bestemd voor zowel vrouwen als mannen, zich in een zone bevindt die niet gereserveerd is voor mannen dan wel vrouwen. ».

Art. 25.In artikel 31, 3°, van hetzelfde besluit wordt g) vervangen door wat volgt : « g) moet de douchekraan aangebracht worden op een afstand tussen 45 cm en 55 cm van de wand waartegen het douchezitje geplaatst is ».

Art. 26.In hetzelfde besluit wordt een artikel 31/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 31/1.Een doucheruimte is pas aangepast als het een vlakke drempelloze ruimte is en als de ruimte voorzien is van een vrije en vlakke draairuimte.

De douchezone moet bovendien een slipvrij oppervlak hebben, dat gelijkloopt met de vloer en dat maximaal twee procent helt. »

Art. 27.Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 32.Het toilet, de wastafel en de doucheruimte die ter beschikking staan van de gebruiker van een aangepaste accommodatie, als vermeld in artikel 4, moeten aan de bepalingen van dit hoofdstuk voldoen.

Als de aangepaste accommodatie een vakantiewoning betreft, moet vlak bij de ingang van de vakantiewoning in een aangepaste parkeerplaats worden voorzien, overeenkomstig artikel 27. »

Art. 28.In artikel 33 van hetzelfde besluit wordt de zin « Het advies moet steeds binnen dertig dagen na ontvangst van de adviesvraag, verstuurd zijn. » vervangen als volgt : « De adviezen worden uitgebracht binnen een termijn van 30 dagen, ingaand de dag na deze van ontvangst van de adviesvraag. Indien deze termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan. »

Art. 29.In artikel 34, § 1 en § 2 van hetzelfde besluit worden de zinnen « Het advies moet steeds binnen dertig dagen na ontvangst van de adviesvraag verstuurd zijn. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan » telkens vervangen als volgt : « De adviezen worden uitgebracht binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van ontvangst van de adviesvraag. Indien deze termijn wordt overschreden, kan aan de adviesvereiste voorbij worden gegaan. »

Art. 30.In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel 35/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 35/1.§ 1. Voor vergunningsaanvragen die ingediend zijn voor 1 januari 2013, zijn, in afwijking van artikel 5, artikelen 15, 16 en artikelen 18 tot en met 26, alleen van toepassing bij handelingen aan meergezinswoningen, waarbij de constructie na de handelingen toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan drie niveaus en minstens zes wooneenheden bevat en bij handelingen aan kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen, waarbij de constructie na de handelingen toegangsdeuren tot wooneenheden op meer dan drie niveaus en minstens twintig kamers bevat. Voor de gelijkvloerse verdieping, met uitzondering van trappen naar andere niveaus, blijven de toepassingsvoorwaarden van artikel 5 onverkort gelden. § 2. Wanneer het vergunningsaanvragen betreft, ingediend voor 1 januari 2013, met betrekking tot handelingen aan gezondheidsinstellingen met kamers of wooneenheden, welzijnsinstellingen met kamers of wooneenheden, internaten die verbonden zijn aan onderwijsinstellingen, internaten die onder de bevoegdheid vallen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of strafinrichtingen, zijn, in afwijking van artikel 5, artikelen 15, 16 en artikelen 18 tot en met 26, alleen van toepassing als na de handelingen de constructie toegangsdeuren tot wooneenheden bevat op meer dan drie niveaus en minstens twintig kamers bevat. Voor de gelijkvloerse verdieping, met uitzondering van trappen naar andere niveaus, blijven de toepassingsvoorwaarden van artikel 5 onverkort gelden. »

Art. 31.Aan artikel 37 van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd : « Bovendien kan de huidige gewestelijke stedenbouwkundige verordening voortaan niet meer aangevuld of verder uitgevoerd worden met provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen. »

Art. 32.In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een artikel 37/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 37/1.De Vlaamse Regering evalueert twee jaar na de inwerkingtreding de werking van dit besluit. De uitgangspunten bij deze evaluatie zijn enerzijds het streven naar integrale toegankelijkheid en anderzijds het streven naar een effectieve en efficiënte regelgeving. »

Art. 33.Dit besluit treedt in werking de tiende dag volgend op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 3, 2° dat in werking treedt zes maand na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 34.De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het gelijkekansenbeleid zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 18 februari 2011.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, P. SMET De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, P. MUYTERS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^