Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 19 juli 2002
gepubliceerd op 04 december 2002

Besluit van de Vlaamse regering betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2002036473
pub.
04/12/2002
prom.
19/07/2002
ELI
eli/besluit/2002/07/19/2002036473/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

19 JULI 2002. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs


De Vlaamse regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op het artikel 20;

Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, inzonderheid op de artikelen 138, § 1, 6°, 139bis, § 2 en § 3, 139quater § 1, 3° en 4° en § 2, 139quinquies, § 1, 1° en 3°, 139octies, § 2, 139novies en 178; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project zorgverbreding in het gewoon basisonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000;

Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijke project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 4 juni 2002;

Gelet op het protocol 443 van 14 juni 2002 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergadering van het sectorcomité X en van onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol 211 van 14 juni 2002 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het overkoepelend onderhandelingscomité van het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat de scholen, in functie van de noodzakelijke voorbereidingen voor het schooljaar 2002-2003, tegen eind juni 2002 moeten weten over hoeveel aanvullende lestijden zij in het kader van het geïntegreerd ondersteuningsaanbod kunnen beschikken;

Gelet op het advies 33.686/1 van de afdeling wetgeving van de Raad van State, gegeven op 25 juni 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.Dit besluit is van toepassing op het gewoon basisonderwijs, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° aanvullende lestijden : de aanvullende lestijden bedoeld in artikel 138, § 1, 6° van het decreet basisonderwijs;2° concentratiegraad : de procentuele verhouding tussen het aantal leerlingen die beantwoorden aan één of meer van de in artikel 139bis, § 1, 1°, 2°, 3° en 4° van het decreet basisonderwijs bedoelde gelijkekansenindicatoren en het totaal aantal leerlingen in een school, berekend op 1 februari van het voorafgaande schooljaar;3° decreet basisonderwijs : het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;4° departement : bevoegde dienst of ambtenaar van het departement onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;5° gelijkekansenindicatoren : de gelijkekansenindicatoren bedoeld in artikel 139bis, § 1 van het decreet basisonderwijs;6° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. HOOFDSTUK II. - Gelijkekansenindicatoren

Art. 3.De scholen die beantwoorden aan de in artikel 139ter, eerste lid, 1° van het decreet basisonderwijs bedoelde voorwaarde, melden vóór 1 april voorafgaand aan de in hetzelfde artikel 139ter bedoelde periode van drie schooljaren aan het departement hoeveel regelmatige leerlingen, ingeschreven op de eerste schooldag van februari, beantwoorden aan de gelijkekansenindicatoren.

In afwijking van het eerste lid worden de middelen voor wat betreft de schooljaren 2002-2003 tot en met 2004-2005 berekend op basis van de gegevens die werden aangeleverd op grond van de omzendbrief BAO/2002/02 van 13 februari 2002 betreffende de opvraging van leerlingengegevens in het kader van het gelijke onderwijskansenbeleid voor het gewoon basisonderwijs.

Art. 4.De indicator « de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap » wordt vastgesteld op basis van een verklaring van de persoon, de voorziening of de sociale dienst die de leerling tijdelijk of permanent opneemt.

Art. 5.De gewichten van de gelijkekansenindicatoren worden in toepassing van artikel 139bis, § 3 van het decreet basisonderwijs vastgelegd als volgt : 1° de indicator « het gezin leeft van een vervangingsinkomen » heeft een gewicht van 0,4;2° de indicatoren « de leerling is tijdelijk of permanent buiten het eigen gezinsverband opgenomen door een gezin of persoon, een voorziening of een sociale dienst, bedoeld in de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand, met uitzondering van de internaten gefinancierd of gesubsidieerd door het departement Onderwijs van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap » en « de ouders behoren tot de trekkende bevolking » hebben een gewicht van 0,8;3° de indicator « de moeder is niet in het bezit van een diploma van het secundair onderwijs, een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs » heeft een gewicht van 0,6;4° de indicator « de taal die gebruikt wordt voor de gangbare communicatie in het gezin is niet het Nederlands » heeft een gewicht van 0,2 en dit enkel in combinatie met een andere indicator. Het maximum van de gecumuleerde gewichten bij leerlingen die aan meerdere gelijkekansenindicatoren beantwoorden, bedraagt 1,2. HOOFDSTUK III. - Toekenning van de middelen

Art. 6.§ 1. Het aantal punten, bekomen na toepassing van de bepalingen van artikel 139quater § 1, 1° en 2° van het decreet basisonderwijs, wordt vermenigvuldigd met : 1° een coëfficiënt 1,1, wanneer de school een concentratiegraad van ten minste 80 % heeft, en/of 2° een coëfficiënt 1,5, wanneer de school gelegen is in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. § 2. Het aantal punten, bekomen na toepassing van de bepalingen van artikel 139quater , § 1 van het decreet basisonderwijs, wordt afgerond : 1° naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier;2° naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma vier is of kleiner is dan vier.

Art. 7.§ 1. Het aantal aanvullende lestijden per punt wordt in toepassing van artikel 139quater , § 2, eerste lid van het decreet basisonderwijs berekend als volgt : budget voor het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs x 24 31.634 euro E aantal punten waarbij « E aantal punten » het resultaat is van de optelling van het afgerond aantal punten, vastgesteld overeenkomstig artikel 139quater van het decreet basisonderwijs, van de verschillende scholen met een concentratiegraad van ten minste 10 %. § 2. Wanneer door een stijging van de beschikbare kredieten of door toepassing van artikel 14, eerste lid aanvullende lestijden vrijkomen in de loop van een in artikel 139ter van het decreet basisonderwijs bedoelde periode van drie schooljaren, wordt het aantal lestijden per punt opnieuw berekend.

Art. 8.Het aantal aanvullende lestijden dat een school door vermenigvuldiging van het aantal punten met het aantal aanvullende lestijden per punt bekomt, wordt afgerond : 1° naar de hogere eenheid als het eerste cijfer na de komma groter is dan vier;2° naar de lagere eenheid als het eerste cijfer na de komma gelijk is aan of kleiner is dan vier.

Art. 9.Wanneer het aantal punten, bekomen door een school met een concentratiegraad van ten minste 10 %, lager is dan 6/het aantal aanvullende lestijden per punt, genereert de betrokken school zes aanvullende lestijden.

Art. 10.Het aantal aanvullende lestijden dat een school bekomt, blijft onveranderd gedurende de in artikel 139ter van het decreet basisonderwijs bedoelde periode van drie schooljaren, onverminderd de bepalingen van artikel 7, § 2. Programmaties, fusies en herstructureringen hebben geen effect op het toegekende aantal aanvullende lestijden. HOOFDSTUK IV. - Aanwending van de middelen Afdeling 1. - Gelijkekanseninstrumenten

Art. 11.Een school voldoet aan de bepalingen van artikel 139quinquies, § 1, 1° van het decreet basisonderwijs wanneer zij vanuit een analyse van haar beginsituatie : 1° één cluster van gelijkekanseninstrumenten doelstelling kiest uit de drie clusters, opgenomen in bijlage bij dit besluit, of 2° zelf concrete en samenhangende gelijkekanseninstrumenten uitwerkt met het oog op de versterking van de schoolwerking en de competentie van leerkrachten inzake twee van volgende domeinen : - de motivatie voor ontwikkeling en leren bij de leerlingen verhogen en de ontwikkeling en/of leerwinst bij elke leerling maximaliseren; - de taalvaardigheid (luisteren en spreken, schrijven en begrijpend lezen in functionele contexten) bij leerlingen bevorderen ; - leerlingen in staat stellen om hun sociale en culturele vaardigheden in diverse contexten positief aan te wenden; - optimale studiekeuze waarborgen door studiekeuze- en schoolloopbaanbegeleiding; - een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren ; - leerlingen en ouders die actief betrekken op het klas- en schoolleven en de kwaliteit van deze hun betrokkenheid verhogen. Afdeling 2. - Zelfevaluatie en inspectie :

Art. 12.Rekening houdend met de schoolcontext en de kenmerken van de schoolpopulatie, gaat de onderwijsinspectie bij de controle op de aanwending van de aanvullende lestijden na of, en in welke mate : 1° de in artikel 139quinquies, § 1 van het decreet basisonderwijs bedoelde analyse van de beginsituatie voldoende kwaliteitsvol en volledig werd uitgevoerd;2° de keuze van de gelijkekanseninstrumenten voldoende werd verantwoord in het licht van deze analyse;3° de gelijkekanseninstrumenten werden uitgebouwd ;4° de zelfevaluatie kwaliteitsvol werd uitgevoerd.De zelfevaluatie verloopt kwaliteitsvol wanneer zij : - gepaard gaat met het verzamelen en analyseren van gegevens met betrekking tot de vooropgestelde gelijkekanseninstrumenten; - resulteert in voorstellen voor verbetering van de eigen werking; - voorgelegd wordt aan de participatieraad of de schoolraad.

Art. 13.§ 1. Een negatieve beoordeling door de onderwijsinspectie wordt bij aangetekend schrijven gemeld aan het betrokken schoolbestuur. § 2. Het schoolbestuur kan bij wijze van georganiseerd beroep een verweerschrift indienen bij de Vlaamse regering.

Het verzoek tot behandeling in beroep wordt op straffe van verval betekend binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de in § 1 bedoelde betekening. § 3. Het beroep wordt behandeld door een college van inspecteurs, bijeengeroepen door de minister.

Het college is paritair samengesteld voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het vrij onderwijs, voor de helft uit inspectieleden afkomstig uit het officieel onderwijs.

Deze leden mogen geen deel hebben uitgemaakt van het team dat de negatieve beoordeling heeft uitgebracht.

Het college kiest onder zijn leden een voorzitter. § 4. Het college kan alle onderzoeksdaden verrichten. Het schoolbestuur en de directie worden gehoord.

Het onderzoek resulteert in een voorstel over de bevestiging of verwerping van de negatieve beoordeling. § 5. Uitsluitend de leden van het college kunnen aan de beraadslagingen deelnemen. Het voorstel wordt bij consensus genomen.

Als er geen consensus is, komt er een stemming.

Bij staking van stemmen wordt een voorstel tot verwerping van de negatieve beoordeling geformuleerd. § 6. Het advies wordt binnen een termijn van 15 kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van het verweerschrift, betekend aan de minister en aan het betrokken schoolbestuur. § 7. Het schoolbestuur kan binnen een termijn van 15 kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van het advies, bij de minister een verweerschrift indienen tegen een voorstel tot bevestiging van de negatieve beoordeling. § 8. De Vlaamse regering neemt een definitieve beslissing betreffende de bevestiging of verwerping van de negatieve beoordeling binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van het advies. Indien na het verstrijken van deze termijn geen beslissing werd betekend aan het schoolbestuur, wordt de negatieve beoordeling geacht verworpen te zijn. Afdeling 3. - Terugvorderingen en sancties

Art. 14.Onverminderd de toepassing van artikel 139octies, § 1, 3° lid van het decreet basisonderwijs kunnen misbruiken bij de telling van de regelmatige leerlingen die aan gelijkekansenindicatoren beantwoorden of bij het aanwenden van de aanvullende lestijden, aanleiding geven tot sancties overeenkomstig artikel 178 van het decreet basisonderwijs. Voor wat betreft de schooljaren 2002-2003 tot en met 2004-2005 worden misbruiken bij de telling van leerlingen vastgesteld bij wijze van steekproef.

De door het departement vastgestelde overtredingen worden bij aangetekend schrijven meegedeeld aan het betrokken schoolbestuur. De mededeling verwijst naar de mogelijke sancties.

Art. 15.Binnen een termijn van 30 kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van de in artikel 14, tweede lid bedoelde mededeling, kan het schoolbestuur bij aangetekend schrijven en bij wijze van georganiseerd beroep een verweerschrift indienen bij de minister. De herfstvakantie, kerstvakantie, krokusvakantie, paasvakantie en zomervakantie schorten de termijn van 30 kalenderdagen op.

De minister neemt een beslissing over de eventuele sanctie. De beslissing wordt bij aangetekend schrijven aan het schoolbestuur meegedeeld binnen een vervaltermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de betekening van de in artikel 14, tweede lid bedoelde mededeling. HOOFDSTUK V. - Overgangsmaatregelen

Art. 16.§ 1. Na toepassing van de bepalingen van artikel 139quater van het decreet basisonderwijs, wordt het aantal aanvullende lestijden overeenkomstig artikel 139novies van het decreet basisonderwijs als volgt aangepast : 1° de scholen die door toepassing van de bepalingen van artikel 139quater recht hebben op een aantal aanvullende lestijden dat hoger ligt dan het aantal tijdens het schooljaar 2001-2002 gefinancierde of gesubsidieerde extra lestijden onderwijsvoorrang en/of zorgverbreding, hebben recht op : a) de aanvullende lestijden berekend overeenkomstig artikel 139quater , indien de concentratiegraad ten minste 60 % is;b) een stijging van 50 % van het verschil tussen de aanvullende en de extra lestijden, indien de concentratiegraad lager ligt dan 60 %.2° de scholen die door toepassing van de bepalingen van artikel 139quater geen recht hebben op aanvullende lestijden of recht hebben op een aantal aanvullende lestijden dat lager ligt dan het aantal tijdens het schooljaar 2001-2002 gefinancierde of gesubsidieerde extra lestijden onderwijsvoorrang en zorgverbreding, hebben recht op : a) een aantal aanvullende lestijden dat overeenstemt met het aantal extra lestijden onderwijsvoorrang en/of zorgverbreding voor het schooljaar 2001-2002, wanneer dat aantal extra lestijden lager is dan of gelijk is aan 18;b) een aantal aanvullende lestijden dat overeenstemt met 2/3 van het aantal extra lestijden onderwijsvoorrang en/of zorgverbreding voor het schooljaar 2001-2002, wanneer dat aantal extra lestijden hoger is dan 18, tenzij : - het resultaat van deze bepaling lager ligt dan 18 aanvullende lestijden;in dat geval krijgt de school 18 aanvullende lestijden; - het resultaat van deze bepaling lager ligt dan het resultaat van de toepassing van artikel 139quater van het decreet basisonderwijs; in dat geval blijft de toepassing van dit artikel 139quater behouden.

De bepalingen inzake afronding opgenomen in artikel 8 zijn van overeenkomstige toepassing. § 2. Op scholen die door toepassing van de bepalingen van artikel 139quater van het decreet basisonderwijs recht hebben op een aantal aanvullende lestijden dat gelijk is aan het aantal tijdens het schooljaar 2001-2002 gefinancierde of gesubsidieerde extra lestijden onderwijsvoorrang en/of zorgverbreding, worden geen overgangsmaatregelen toegepast. HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

Art. 17.De volgende regelingen worden opgeheven : 1° het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijk project zorgverbreding in het gewoon basisonderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000;2° het besluit van de Vlaamse regering van 14 juli 1998 betreffende het tijdelijke project onderwijsvoorrang in het basisonderwijs, voor wat betreft het gewoon basisonderwijs.

Art. 18.Dit besluit treedt in werking op 1 september 2002.

Art. 19.De minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 19 juli 2002.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, M. VANDERPOORTEN

Bijlage : gelijkekanseninstrumenten gewoon basisonderwijs Cluster 1. Ontwikkelings- en leerachterstanden remediëren en leerwinst realiseren door middel van : 1.het opnemen van de planning inzake preventie, vaststelling en remediëring van leerachterstanden in het schoolwerkplan; 2. het hanteren van een individueel plan met betrekking tot remediëring bij leerlingen waarbij leerachterstanden zijn vastgesteld. Het plan geeft in het bijzonder aan in welke mate samengewerkt wordt met het betrokken CLB; 3. het actief betrekken van de ouders bij de probleemanalyse en de ondersteuning van de leerling;4. het voeren van een nascholingsbeleid in het kader van de preventie, vaststelling en remediëring van leerachterstanden;5. het hanteren van vormen van flexibele klasorganisatie;6. het gericht differentiëren in het curriculum;7. het positief aanwenden van de heterogeniteit binnen een leerlingengroep door middel van coöperatief leren;8. het ontwikkelen van een leerlingvolgsysteem. Cluster 2. De taalvaardigheid bij leerlingen bevorderen door middel van : 1. het opnemen van een concrete planning met betrekking tot de preventie, vaststelling en remediëring van taalachterstanden in het schoolwerkplan;2. het hanteren van een individueel plan met betrekking tot remediëring bij leerlingen waarbij taalachterstanden zijn vastgesteld. Het plan geeft in het bijzonder aan in welke mate samengewerkt wordt met het betrokken CLB; 3. het actief betrekken van de ouders bij de probleemanalyse en de ondersteuning van de leerling;4. het voeren van een nascholingsbeleid in het kader van de preventie, vaststelling en remediëring van taalachterstanden;5. het positief aanwenden van de taalheterogeniteit binnen een leerlingengroep;6. het hanteren van werkvormen waardoor de mondelinge interactie verhoogt;7. het kiezen van thema's en teksten die aansluiten bij het niveau, de belangstelling en de leefwereld van de leerlingen;8. het aanpakken van leesachterstand via taakgericht werken en remediërend lezen. Cluster 3. Een positief zelfbeeld en sociale competentie bij leerlingen stimuleren door middel van : 1. het opnemen van een concrete planning inzake preventie, vaststelling en remediëring van socio-emotionele en socio-culturele problemen in het schoolwerkplan;2. het hanteren van een individueel plan met betrekking tot remediëring van socio-emotionele en socio-culturele problemen.Het plan geeft in het bijzonder aan in welke mate samengewerkt wordt met het betrokken CLB; 3. het actief betrekken van de ouders bij de probleemanalyse en de ondersteuning van de leerling;4. het voeren van een nascholingsbeleid in het kader van de preventie, vaststelling en remediëring van socio-emotionele en socio-culturele problemen;5. het uitbouwen van coöperatief leren in multiculturele leerlingengroepen ;6. het opbouwen van een samenwerking met de buurt;7. het gericht werken aan de socio-emotionele competentie van de leerlingen via aangepaste inhouden, materialen en activiteiten. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende het geïntegreerd ondersteuningsaanbod in het gewoon basisonderwijs Brussel, 19 juli 2002.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, M. VANDERPOORTEN

^