Besluit Van De Vlaamse Regering van 20 december 2013
gepubliceerd op 31 december 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013

bron
vlaamse overheid
numac
2013036202
pub.
31/12/2013
prom.
20/12/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

VLAAMSE OVERHEID


20 DECEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013


VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING I. ALGEMENE TOELICHTING De gefaseerde uitbreiding van de regionale fiscale bevoegdheden heeft ertoe geleid dat het Vlaamse landschap inzake fiscale regelgeving een amalgaam van naast mekaar bestaande teksten is geworden. Naast de zogenaamde oneigenlijke gewestbelastingen, zoals opgesomd in artikel 3 van de Bijzonder Financieringswet van 16 januari 1989 (waarvan de meest gekende de onroerende voorheffing, de registratie- en successierechten en de groep van verkeersbelastingen zijn), heeft de decreetgever immers ook van zijn autonome fiscale bevoegdheden (artikel 170, § 2, van de Grondwet) gebruik gemaakt om eigen belastingen of heffingen in te voeren. De meest gekende hiervan zijn de belasting op de afvalstoffen, de belasting ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de heffing op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten en de heffing ter bestrijding van de verkrotting van gebouwen en woningen.

En hoewel elke belasting zijn eigen finaliteit en toepassingsgebied heeft, kan niet ontkend worden dat in steeds meer regelgevende teksten moet gezocht worden om iemands "Vlaamse fiscale positie" te kennen. En als men die al in kaart heeft kunnen brengen, moet men vaststellen dat die diverse belastingen dan nog eens volgens een gelijkaardige, maar net niet of zelfs helemaal niet gelijklopende procedure worden geïnd.

De roep naar transparantie, eenvormigheid en vereenvoudiging van de Vlaamse fiscale regelgeving is met de loop der jaren dan ook groter geworden.

De Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (VCF) heeft invulling gegeven aan deze nood en verwachtingen. De VCF kan evenwel maar volledig uitwerking krijgen door een besluit van de Vlaamse Regering dat verdere uitvoering geeft aan de uitgangspunten zoals opgenomen in die VCF. Het voorliggend ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (kortweg BVCF) is hiertoe de aanzet. Samen met de VCF zelf, geeft dit besluit uitvoering aan punt 2.1.3. van de beleidsnota Financiën en Begroting 2009-2014, en aan de beleidsbrief Financiën en Begroting 2012-2013 (p. 32 en p. 34).

De overwegingen om tot een gemaakte regelgeving te komen, werden reeds uitvoerig besproken bij de goedkeuring van het ontwerp van decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Deze blijven onverminderd gelden op het niveau van het uitvoeringsbesluit.

Het BVCF zal in een eerste fase, net zoals de VCF, van toepassing zijn voor volgende door de Vlaamse Belastingdienst op dit ogenblik geïnde belastingen : - De onroerende voorheffing; - De (jaarlijkse) verkeersbelasting (zogeheten geautomatiseerde en niet-geautomatiseerde voertuigen); - De belasting op de inverkeerstelling (BIV); - Het eurovignet; - De verkrottingsheffing woningen en gebouwen; - De leegstandsheffing bedrijfsruimten.

In overeenstemming met de benadering inzake de VCF, maken de uitvoeringsbepalingen van de planbatenheffing geen deel uit van het BVCF. Met het oog op de cohesie tussen de rechtsregels omtrent de planschade enerzijds en de planbatenheffing anderzijds, werd er namelijk voor geopteerd om de fiscale bepalingen inzake de planbatenheffing in de VCRO te laten.

In een later stadium kan het BVCF uitgebreid worden met de regelgeving inzake successie- en registratierechten, en inzake de milieu gerelateerde belastingen. Het is zelfs aan te bevelen deze regelgeving in dezelfde teksten te verwerken. Om hierop te anticiperen werd in de voorliggende ontwerptekst ook niet gesproken van een welbepaalde dienst (zoals bijvoorbeeld de Vlaamse Belastingdienst), maar werd de tekst generiek gemaakt, en wordt er gesproken van de "bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie", gezien deze telkens via het instrumentarium van "Beter Bestuurlijk Beleid" eenduidig worden aangeduid in andere regelgeving.

Het voorliggend ontwerp voorziet de codificatie en opheffing van volgende regelgevingen, van toepassing binnen het Vlaamse Gewest (chronologisch gerangschikt) : - het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen; - het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest; - het koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993; - het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen; - het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; - het koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993; - het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd; - het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen; - de artikelen van hoofdstuk I van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen; - het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.

In de aanhef wordt de verwijzing naar artikel 5 van de bijzondere financieringswet geschrapt aangezien deze volgens de Raad van State geen rechtsgrond biedt voor de bepalingen van het ontwerp.

Het voorliggend ontwerp van besluit is opgedeeld in 7 titels, en behoudt zo de structuur van de VCF zelf, zodat ook snel het geheel van de van toepassing zijnde rechtsregels kan teruggevonden worden.

Titel 1 bevat inleidende bepalingen.

Titel 2 bevat de materieelrechtelijke bepalingen, op uitvoeringsniveau uiteraard.

Titel 3 bevat de procedurebepalingen, ook hier op het niveau van de uitvoerende macht.

Net zoals op decretaal niveau en om tot een uniforme procedure te komen werd in de voorbereiding van voorliggend ontwerp van besluit gewerkt volgens een vast stramien : per item werd nagegaan welke bepalingen relevant waren, welke bepalingen dienden gemoderniseerd te worden, welke bepalingen gelijkaardig waren bij de diverse belastingen (maar anders geformuleerd) en welke bepalingen echt verschillen opleverden. Vervolgens werd onderzocht of die verschillen konden worden weggewerkt of eigen waren aan de aard van de belasting. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat voor heel wat bepalingen een uniforme tekst kan worden voorgesteld.

Door de gebruikte techniek, en voor het verdere goed begrip van de lezer, zal in de artikelsgewijze toelichting gewerkt worden met diverse toelichtingsmethoden : - betreft het een nieuw artikel, dan wordt een omstandige toelichting gegeven; - betreft het de letterlijke overname van een bestaand artikel, dan wordt dit zo vermeld, evenwel zonder dat het huidige artikel geciteerd wordt; - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er enkel tekstuele aanpassingen doorgevoerd in het licht van de beoogde doelstellingen (algemeen en toekomstig gebruik, vereenvoudiging, transparantie), dan worden enkel de aangebrachte wijzigingen geduid, zonder aanhaling van het huidige artikel; - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er grondige wijzigingen doorgevoerd, dan wordt het huidige artikel, respectievelijk worden de huidige artikelen, expliciet geciteerd (cursief) en wordt verder in de toelichting geduid welke wijzigingen worden voorgesteld.

In titel 3 werden ook stelselmatig volgende bewoordingen uit de huidige teksten vervangen : - het woord "ambtenaar" door het woord "personeelslid"; - de woorden "de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd" door de woorden "het bevoegde personeelslid"; - de woorden "de Vlaamse Belastingdienst" door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie".

Dit wordt bij de artikelsgewijze bespreking bijgevolg niet telkens herhaald.

Volgens de Raad van State verdient het aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden.

De decreetgever oordeelde eerder dat de VCF niet het geëigende instrument is om de taakverdeling binnen de administratie uit te werken. Net als de VCF is de BVCF hiervoor niet het geëigende instrument. Die taakverdeling wordt immers geregeld door de diverse oprichtingsbesluiten van de Vlaamse entiteiten en in die zin is de ontworpen bepaling dan ook sluitend. Aangezien voormelde oprichtingsbesluiten besluiten van de Vlaamse Regering zijn zou het toevoegen van een bijlage aan het BVCF met vermelding van de bevoegde entiteiten er op neerkomen dat de Vlaamse Regering opnieuw gaat beslissen wat ze in het verleden al beslist heeft. Bovendien zou het risico op tegenstrijdigheden in de regelgeving bij eventuele toekomstige herstructureringen de Vlaamse Overheid alleen maar verhogen. Tot slot dient er op gewezen te worden dat wanneer het er op aan komt de burger concreet te informeren bij welke dienst hij terecht moet ook de vermeldingen op de aanslagbiljetten, de briefwisseling en de website voldoende informatie verstrekken hieromtrent.

Titel 4 bevat wijzigingsbepalingen.

Titel 5 bevat opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen.

Titel 6 regelt de citeertitel van het besluit.

Titel 7 bevat de bepalingen rond de inwerkingtreding.

De artikelstructuur van het besluit bestaat uit 5 posities. Dit heeft zijn redenen, en is voor een fiscaal instrumentarium - waaraan in functie van de globale beleidsvoering, of de gewijzigde economische context, toch bij regelmaat wijzigingen aan door te voeren zijn - bijna een noodzaak.

Welke zijn die redenen? - Het is volledig transparant : men ziet meteen in welke onderafdeling men zit. - Het laat toe binnen een onderafdeling nadien onbeperkt artikelen toe te voegen, zonder te sleutelen aan de structuur of te werken met bis-artikelen.... - Het sluit zo volledig aan bij de VCF zelf, zodat door samenlezing van de artikelen uit de betrokken afdeling van zowel VCF als BVCF de volledige rechtsregeling kan gevat worden.

Het heeft anderzijds een neveneffect, namelijk dat de tekst artikelen kan bevatten die voorbehouden zijn voor later gebruik. Maar ook deze techniek is niet nieuw, en wordt frequent gebruikt in regelgeving in de Verenigde Staten van Amerika (men gebruikt daar de termen "reserved" of "reserved for later use").

De Raad van State merkt in zijn advies op dat de BVCF dezelfde structuur heeft en op dezelfde - onorthodoxe - wijze is genummerd als de Codex. Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat, aldus de Raad van State, verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt.

De redenen voor deze structuur werden hierboven reeds aangehaald, maar een volledige symmetrie is niet mogelijk omdat momenteel niet altijd corresponderende uitvoeringsbepalingen voorhanden of nodig zijn.

Met het oog op de verlaging van de administratieve lasten ten aanzien van de burger worden de opgelegde formaliteiten zoveel mogelijk afgebouwd. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 2.1.6.0.2 niet langer een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister gevraagd als bewijs van bewoning. De bewoningsvereiste kan immers door de administratie zelf nagekeken worden.

Blijvende aandacht voor de kwaliteitsverbetering van formulieren is noodzakelijk, maar de opname van een formulier in regelgeving bemoeilijkt de kwaliteitsverbetering van het formulier. Om het formulier te wijzigen, moet immers ook de regelgeving aangepast worden en dat is een tijdrovend proces. Daarom zijn formulieren hier maximaal losgekoppeld van de betrokken regelgeving. Overeenkomstig artikel 13 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer met het oog op de toepassing van de regeling in kwestie werd de omschrijving van de te verstrekken gegevens opgenomen in de regelgeving.

Het streven naar kwaliteitsverbetering vertaalt zich ook in het anticiperen op en remediëren aan interpretatieproblemen. Zo bestaat ingevolge het burgerlijk recht de mogelijkheid om via lastgeving op te treden. Aangezien het niet de bedoeling is hier van het gemeen recht af te wijken, werden alle verwijzingen naar het begrip gemachtigde geschrapt. Zo kunnen er geen interpretatieproblemen ontstaan.

Het opstellen van een lijst met artikelen of onderdelen ervan uit het KB/WIB 92, zoals de Raad van State suggereert, lijkt niet zinvol.

De door de Raad van State voorgestelde werkwijze zou de zaken nodeloos compliceren. Met de huidige bepaling is het voor de burger duidelijk dat hij niet meer dient te kijken naar het KB/WIB 92. Dit KB wordt vervangen door de BVCF. De door de Raad van State gesuggereerde werkwijze lost de eventuele onduidelijkheid ook niet op rond bepalingen uit het KB/WIB 92, waarvan men zou kunnen twijfelen of deze van toepassing zijn op de onroerende voorheffing als ze niet opgeheven worden. Indien immers alle op te heffen bepalingen zouden opgesomd worden, zou de burger, bij een artikel dat in die opsomming niet voorkomt, nog niet weten of het hier een bepaling is die moet blijven bestaan voor de onroerende voorheffing of een bepaling die eigenlijk geen betrekking had op de onroerende voorheffing (en daarom ook niet kan worden opgeheven). In dat opzicht is de werkwijze zoals voorgesteld door de Vlaamse Regering veel duidelijker : de burger vindt alle uitvoeringsbepalingen inzake onroerende voorheffing voortaan in de BVCF. Een gelijkaardige werkwijze werd trouwens ook door de decreetgever gevolgd bij de VCF. II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING TITEL 1. - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities Het spreekt voor zich dat de begrippen, gehanteerd in dit uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering, moeten begrepen worden zoals ze gedefinieerd of gebruikt worden in de VCF zelf. Vandaar dat in dit besluit geen verdere nood bestaat aan een definitie-artikel.

Art. 1.1.0.0.1. Sommige begrippen gebruikt voor de heffing van de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten worden gedefinieerd in de respectievelijke uitvoeringsbesluiten waaruit de fiscale bepalingen worden gelicht naar aanleiding van deze codificatie. In dit verband is het belangrijk te benadrukken dat de begrippen gehanteerd voor de heffing van voormelde belastingen moeten worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van de respectievelijke besluiten van de Vlaamse Regering.

TITEL 2. - Belastingheffing De materieelrechtelijke uitvoeringsbepalingen worden samengebracht onder titel 2. Deze bepalingen hebben dezelfde draagwijdte als de draagwijdte gegeven aan de overeenkomstige bepalingen opgeheven naar aanleiding van deze codificatie (zie concordantietabel). De stroomlijning van het woordgebruik en taalgebruik van deze bepalingen beoogt niet de draagwijdte van de bepalingen te wijzigen.

HOOFDSTUK 1. - Onroerende voorheffing Art. 2.1.6.0.1. Zoals vermeld in het advies van de Raad van State, moet in artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd.

HOOFDSTUK 2. - Verkeersbelasting Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.2.6.0.1. Deze bepaling is de overname van de derde paragraaf van artikel 15 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. De eerste en de tweede paragraaf van deze bepaling van het Koninklijk Besluit van 8 juli 1970 zijn opgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, meer bepaald in de artikelen 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3° ; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid en 2.2.6.0.1, § 1, derde lid.

Artikel 2.2.6.0.2. In het advies van de Raad van State wordt gevraagd naar de toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 in het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de VCF. De toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 van de VCF bestaat erin dat het zorgt voor een meer concrete en daarmee meer rechtszekere invulling van de plichten van de bestuurder. De bestuurder moet op verzoek van het bevoegde personeelslid namelijk alle inlichtingen over het gebruik van het voertuig verstrekken.

Art. 2.2.6.0.3. Deze bepaling is de overname van artikel 30 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.

Het artikel voorziet in verdere details betreffende de terugbetalingsregeling, vermeld in artikel 2.2.6.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

In de eerste paragraaf van deze bepaling wordt nu de overeenstemming verzekerd van de verwijzingen in dit besluit met de hernummering van de bepalingen van het WIGB bij de hervorming door de Wet van 25 januari 1999. Zo wordt nu in de inleidende zin bij punt 1 en 2 van paragraaf 1 correct verwezen naar artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. De tweede paragraaf voorziet niet langer dat voor de aanvraag van terugbetaling het nodig is gebruik te maken van een formulier. De beweegreden hiertoe werd reeds toegelicht in de algemene toelichting.

Het tweede lid geeft aan welke gegevens de belastingplichtige dient te verstrekken om een terugbetaling te kunnen bekomen. Zo moet Vlaamse Belastingdienst niet telkens een vraag om bijkomende inlichtingen stellen aan de belastingplichtige en kan die laatste ook volstaan met één schriftelijk contact met de Vlaamse Belastingdienst. Op die manier kunnen aanvragen tot terugbetaling efficiënter behandeld worden, hetgeen zowel tot voordeel strekt van overheid als burger.

HOOFDSTUK 4. - Eurovignet Afdeling 7. - Wijze van heffing Artikel 2.4.7.0.1. Overeenkomstig de bevoegdheidstechnische opmerkingen van de Raad van State wordt dit artikel aangepast. Dit gebeurt concreet door in artikel 2.4.7.0.1 onmiddellijk te verwijzen naar de bijlage bij het Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.

Door die aanpassing kan artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp worden opgeheven. Ook de concordantietabel wordt overeenkomstig aangepast.

HOOFDSTUK 6. - Leegstandheffing bedrijfsruimten Afdeling 7. - Wijze van heffing In het besluit van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten) worden meermaals de begrippen "het goed" en "onroerend goed" gebruikt, terwijl in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten enkel de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsgebouw" worden gedefinieerd.

Uniformisering dringt zich dan ook op. De begrippen "het goed" en "onroerende goederen" worden respectievelijk vervangen door de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsruimten".

Art. 2.6.7.0.4. In artikel 19, § 2, van voormeld besluit wordt verwezen naar het begrip "bedrijfsgebouw". Hoewel dat begrip gedefinieerd is in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing, wordt ervoor geopteerd om hier het begrip te vervangen door het begrip "bedrijfsruimte". Het is immers de bedrijfsruimte die wordt opgenomen in de inventaris en de opschortingen gelden voor de opgenomen bedrijfsruimte. Bovendien wordt zo ook uniformiteit nagestreefd met de terminologie gehanteerd in de VCF op dit punt.

TITEL 3. - Inning en invordering HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen Art. 3.1.0.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 14 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten.

Naar analogie met de verkrottingsheffing woningen en gebouwen, wordt nu ook voor de leegstandheffing bedrijfsruimten expliciet bepaald dat bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend wordt op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoeding en opcentiemen.

Het huidige artikel 16 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten bepaalt dat het bedrag van de administratieve onkostenvergoeding door de Vlaamse Belastingdienst op rekening van de gemeenten zal worden gestort voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarop de verschuldigde heffing dient te worden voldaan, en dit voor zover deze heffing is geïnd en definitief is verworven. Deze werkwijze is al geregeld in de Vlaamse Codex Fiscaliteit zelf (zie artikel 3.1.0.0.4, paragraaf 3 en 4), zodat dit artikel niet moet overgenomen worden.

Art. 3.1.0.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen.

Onder de geïnde heffingen worden ook de ingevorderde heffingen begrepen. Er wordt daarom niet langer uitdrukkelijk vermeld dat de onkostenvergoeding wordt berekend op de geïnde en ingevorderde heffingen. Het woord "verrekend" wordt vervangen door het woord "berekend", aangezien dit tot verwarring kan aanleiding geven; wel degelijk is bedoeld dat de percentages berekend worden op de bedragen die geïnd zijn (en niet bijvoorbeeld op de ingekohierde bedragen).

Art. 3.1.0.0.3, 3.1.0.0.4 en 3.1.0.0.5. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 1, 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen.

Wel werden de verwijzingen rechtgezet.

HOOFDSTUK 2. - Inkohiering Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.2.1.0.1. Dit artikel is gebaseerd op het artikel 128 van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (verder : KB/WIB) en de eerste alinea van het artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verder : KB/WIGB).

Art. 3.2.1.0.2. Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 129 en 130 KB/WIB en op artikel 2 en artikel 3 KB/WIGB. De voorwaarde van jaarlijkse uitvoerbaarverklaring, opgenomen in het huidige artikel 2 KB/WIGB wordt niet langer opgenomen. Dit maakt de procedure nodeloos ingewikkeld. Uitvoerbaarverklaringen voor toekomstige aanslagjaren gebeuren bovendien niet, zodat deze bepaling overbodig wordt.

De niet fiscale bepaling uit artikel 130 KB/WIB en artikel 3 KB/WIGB (de koppeling van een kohier aan een begrotingsjaar) wordt geschrapt, gezien deze problematiek geregeld wordt in het rekendecreet (Decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof) en haar uitvoeringsbesluiten.

Inzake op te heffen bepalingen : De huidige bepaling van artikel 131 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB wordt niet overgenomen, aangezien deze bepaling onnodige beperkingen oplegt aan de wijze van inkohiering. Bovendien verwijst deze bepaling naar de organisatie-opzet van de FOD Financiën (indeling per ontvangkantoor).

De huidige bepaling van artikel 132 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB heeft geen toegevoegde waarde, en wordt bijgevolg evenmin overgenomen. De inkohieringstermijn is immers decretaal bepaald en binnen deze termijn dient het bevoegde personeelslid de inkohiering te voltooien.

Artikel 10, § 1, 1e en 2e lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Er zijn geen bijzondere kohieren, en het spreekt voor zich dat aanslagen binnen de decretaal voorziene termijn aangemaakt worden op basis van de gegevens over de belastbare grondslag. Anderzijds zijn deze bepalingen reeds opgenomen in de VCF (artikel 3.2.1.0.1).

Artikel 10, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient evenmin overgenomen te worden : - het eerste lid is geïntegreerd in de VCF (artikel 3.1.0.0.1, § 2); - het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer : dit lid verwijst immers naar artikel 3, § 3 van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft (verwees naar artikel 38, 2e lid van het decreet, dat zelf werd opgeheven bij decreet van 24 december 2005). - het derde lid heeft geen toegevoegde waarde.

Artikel 11, derde lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Dit lid verwijst immers ook naar artikel 3, § 3, van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft.

Art. 3.2.1.0.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 1, KB/WIB. Daarbij werd de terminologie gemoderniseerd.

Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden Art. 3.2.3.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 2 en § 3, van het KB/WIB. Het nieuwe artikel geldt voor alle belastingen.

Artikel 5 KB/WIGB dat nog gelijkaardig was aan het oude artikel 133 KB/WIB dient dus niet behouden te blijven.

Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze Art. 3.2.5.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 135 KB/WIB en op artikel 12, § 1, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen.

HOOFDSTUK 3. - Aanslagprocedure Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.3.1.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 25 KB/WIGB. Art. 3.3.1.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 26 KB/WIGB. Afdeling 4. - Aanslagbiljet Art. 3.3.4.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 136 KB/WIB, artikel 7 KB/WIGB en op artikel 11, eerste lid van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, doch het toepassingsgebied wordt uitgebreid naar alle belastingen.

Dat het tweede lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen niet dient behouden te blijven werd reeds in de memorie van Toelichting bij de VCF (artikel 3.3.5.0.2) uitvoerig toegelicht.

Het derde lid, de laatste zin van het vierde lid, het vijfde en achtste lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen hebben geen rechtsgrond meer (zie infra) en kunnen bijgevolg opgeheven worden.

De eerste zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen aangezien de vermeldingen die moeten worden voorzien op het aanslagbiljet reeds in de codex zijn vastgelegd.

De tweede zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen. Welke entiteit bevoegd is voor de invordering van belastingen blijkt immers uit de regels i.v.m. beter bestuurlijk beleid (waaronder de oprichtingsbesluiten van de diverse agentschappen en departementen).

Het zesde en zevende lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen werden reeds geregeld in de VCF zelf (artikel 3.1.0.0.1), en kunnen bijgevolg eveneens opgeheven worden.

HOOFDSTUK 4. - Betalingen Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.4.1.0.1. Het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 137 en 141 KB/WIB. De verwijzing in artikel 137 KB/WIB naar artikel 177 KB/WIB dient niet te worden overgenomen : Artikel 177 KB/WIB heeft betrekking op de vestiging en invordering, van de belasting van niet-inwoners op meerwaarden op onroerende goederen.

Het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 138 KB/WIB. Omwille van het eurovignet waar gewerkt wordt met uitnodigingen tot betaling dient de verwijzing naar het concept `aangifte' behouden te blijven.

Omdat kantooruren eenvoudig moeten kunnen worden aangepast wordt artikel 144 KB/WIB niet opgenomen in dit besluit.

Afdeling 3. - Wijze van betaling Art. 3.4.3.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 1, KB/WIB 92.

Dit artikel bepaalt dat het bevoegde personeelslid, in bijzondere omstandigheden, andere wijzen van betaling kan toestaan. Hierbij kan dan worden gedacht aan de betaling in contanten of betaling via kredietkaart bij de controles ter plaatse. Het is evenwel niet wenselijk deze betalingsmogelijkheden als algemene regel in te voeren, doch in bepaalde situaties of wanneer de nodige terminals ter beschikking kunnen gesteld worden kan het wel wenselijk zijn dergelijke betalingswijzen te aanvaarden.

Art. 3.4.3.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 141 KB/WIB 92.

Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier Art. 3.4.4.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 2, KB/WIB 92. Deze bepaling maakt tevens de overname van artikel 11 KB/WIGB overbodig.Dat artikel luidt momenteel als volgt : "Als de belastingschuldige een aanslagbiljet ontvangt van de belastingen, vermeld in artikel 3 of 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, moet hij de erbij gevoegde richtlijnen volgen en gebruik maken van het overschrijvingsformulier." Afdeling 5. - Bewijs van betaling Art. 3.4.5.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139 § 3 KB/WIB 92.

Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling Art. 3.4.6.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 142, § 1, KB/WIB. Paragraaf 2 werd niet langer behouden gezien hier het gemeen recht (burgerlijk wetboek) kan gelden.

Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering Art. 3.4.7.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van het Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.

Artikel 4 van dit KB wordt niet overgenomen gelet op het feit dat dit verwijst naar het inmiddels opgeheven artikel 3 van hetzelfde KB, en enkel een overgangsmaatregel betrof in het kader van de invoering van de euro.

Gevolg gevend aan de bemerking van de Raad van State wordt de verwijzing naar artikel 3.4.7.0.5 van de VCF in zijn geheel, vervangen door een verwijzing naar paragraaf 1 van dat artikel.

Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten Art. 3.4.8.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.

Het artikel werd aangepast op het vlak van de verwijzing, en verder enkel terminologisch.

Het geeft uitvoering aan artikel 3.4.8.0.1, § 2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

HOOFDSTUK 10. - Invordering Afdeling 3. - Vervolging Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 3.10.3.1.1. Op basis van het eerste lid van dit artikel kan de Vlaamse Belastingdienst of een andere bevoegde entiteit overgaan tot invordering van de heffingen die niet betaald werden binnen de uiterste betaaltermijn. Dit artikel is gebaseerd op het huidige artikel 146 KB/WIB en artikel 13 KB/WIGB, zij het dat er voor werd geopteerd de bewoording van de tekst te vereenvoudigen.

Het tweede lid voorziet in de twee klassieke wijzen van invordering : rechtstreeks bij de belastingschuldigen of onrechtstreeks bij derden.

Deze bepaling is geïnspireerd op het huidige artikel 147 KB/WIB. Bij de rechtstreekse vervolging geeft de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften opdracht aan een gerechtsdeurwaarder om deze vervolging in te stellen. Bij de onrechtstreekse vervolgingen wordt niet altijd beroep gedaan op een gerechtsdeurwaarder. Het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag waarbij uitvoerend beslag onder derden wordt gelegd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gebeurt via aangetekende brieven (cfr. artikel 3.10.3.3.1 BVCF). Bijgevolg wordt bij deze onrechtstreekse vervolging geen dwangschrift uitgevaardigd.

Enkel in het geval het uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd, overeenkomstig artikel 3.10.3.3.2 BVCF en artikel 1539 tot en met 1544 Ger.W., wordt een persoonlijk of gemeenschappelijk dwangschrift overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder.

De Raad van State merkt op dat het bevestigen bij besluit van de Vlaamse Regering van een federale wettelijke norm vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt niet kan worden aanvaard. Daarom worden in artikel 3.10.3.1.1 de woorden "krachtens het bij de wet toegestane verhaal" geschrapt.

Gelet op voormeld standpunt van de Raad van State dient bovendien artikel 3.10.3.1.2 uit het ontwerp volledig te worden geschrapt.

Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.2.1. Dit artikel is gebaseerd op de bepalingen zoals voorzien in artikel 148 KB/WIB. Het tweede lid ("Die vervolgingen zijn gerechtelijk en de geldigverklaring behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken.") wordt niet overgenomen. Deze bepaling behoort niet tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. Bovendien spreekt het voor zich dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. In dezelfde zin werden evenmin de artikelen 157, 158 en 159 van het KB/WIB overgenomen.

Art. 3.10.3.2.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 151 KB/WIB. Deze bepaling luidt als volgt : "Wanneer de termijn van het dwangbevel verstreken is, doet de ontvanger overgaan tot uitvoerend beslag op roerend goed, hetwelk geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, behoudens de afwijkingen vastgesteld in de hierna volgende artikelen 152 tot 154." Het laatste luik van dit artikel, waarin verwezen wordt naar het Gerechtelijk Wetboek, werd niet overgenomen. De artikelen 3.10.3.2.3 en 3.10.3.2.4 blijven evenwel behouden als afwijking op het gemeen recht. Artikel 3.10.3.2.4 geeft bovendien uitvoering aan artikel 3.10.3.2.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

Art. 3.10.3.2.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 153 KB/WIB. Art. 3.10.3.2.4. Dit artikel is gebaseerd op artikel 154 KB/WIB. Art. 3.10.3.2.5. Art. 161 KB/WIB bepaalt : "Het is de ontvangers en instrumenterende deurwaarders verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks enig voorwerp, waarvan zij de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en van ontzetting voor de deurwaarders van de directe belastingen of toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen voor de gerechtsdeurwaarders." De sanctie van de nietigheid van de verkoop bij aankoop door de gerechtsdeurwaarder is echter geregeld in artikel 1596 van het Burgerlijk Wetboek, de tuchtstraf is voorzien in artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de gerechtsdeurwaarders vormt artikel 161 KB/WIB dus een overbodige herhaling Ten aanzien van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie blijft deze bepaling wel relevant en bijgevolg werd deze geactualiseerd.

Art. 3.10.3.2.6. Dit artikel is gebaseerd op artikel 162 KB/WIB. Het artikel werd verduidelijkt door de toevoeging van de artikelen uit het Gerechtelijk Wetboek die hier van toepassing zijn.

Een aantal bepalingen werden niet overgenomen : Artikel 152 KB/WIB bepaalt : "Vóór de inbeslagneming verzoekt de instrumenterende deurwaarder de belastingschuldige hem de kwitantie te vertonen van de op zijn aanslagen gestorte afkortingen en vermeldt dit verzoek in het proces-verbaal van beslag." Deze bepaling is achterhaald en wordt in de praktijk niet meer toegepast aangezien de gerechtsdeurwaarder steeds bij de administratie het openstaande saldo kan opvragen.

Daarom wordt deze bepaling niet in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit opgenomen.

Art. 155 KB/WIB bepaalt : "Alvorens te verkopen, doet de instrumenterende deurwaarder daarvan aangifte ten kantore van de registratie. Hij vermeldt deze formaliteit in het proces-verbaal van verkoop." Aangezien deze bepaling een herhaling vormt van hetgeen geregeld is in de artikelen 77 en 227 van het Wetboek Registratierechten wordt deze niet terug opgenomen.

Art. 156 KB/WIB bepaalt : "Zo geen koper opdaagt, wordt de verkoop verdaagd en worden de voorwerpen, krachtens een toestemming van de beslagrechter, naar de naburige markt of naar een andere, meer geschikte plaats gevoerd.

De instrumenterende deurwaarder stelt proces-verbaal van niet-toewijzing op en gaat tot een nieuwe verkoop over." Deze bepaling werd niet overgenomen. Eerst en vooral dient de fiscale wetgeving geen specifieke bepalingen te voorzien die eigenlijk thuis horen in het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien is deze bepaling verouderd. Goederen waarvoor geen koper wordt gevonden worden niet openbaar verkocht, niet opgeladen of vernietigd.

Art. 3.10.3.2.7. Dit artikel is gebaseerd op artikel 163 KB/WIB : "De ontvanger rekent de hem gestorte sommen aan volgens de in artikel 143 gestelde regelen; hij geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen en betaalt hem het eventuele overschot terug." De bepaling dat `aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen wordt gedaan' wordt evenwel niet overgenomen. Het is in de praktijk niet haalbaar, en bovendien niet zinvol, om telkens per aangetekende brief een kennisgeving van de aanrekening te doen. Dit gebeurt wel per gewone brief.

Verder spreekt het voor zich dat eventuele overschotten worden terugbetaald, ook in geval van invordering via gerechtsdeurwaarder.

Evenwel is pas sprake van een overschot indien alle openstaande schulden zijn betaald, dus ook diegene die niet in het dwangbevel werden opgenomen.

Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.3.1 en art. 3.10.3.3.2. Deze artikelen betreffen de regeling inzake het zogenaamde vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag.

Deze bepalingen zijn gebaseerd op het huidige artikel 164 en 165 KB/WIB (zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest). Er werden slechts enkele technische aanpassingen doorgevoerd : 1° de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd wordt vervangen door het bevoegde personeelslid;2° de boete wordt vervangen door de administratieve geldboete;3° voorheffingen worden geschrapt wegens niet van toepassing. Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten Art. 3.10.3.4.1. Dit artikel is de letterlijke overname van artikel 172 KB/WIB. Art. 3.10.3.4.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 173 KB/WIB en artikel 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen.

Artikel 173 KB/WIB luidt als volgt : "De vervolgingskosten vallen ten laste van de achterstallige belastingschuldigen.

Die kosten komen volledig toe aan de instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder hebben. Ze komen aan de Schatkist toe, voor vervolgingen die door deurwaarders van de directe belastingen zijn gedaan; de Minister van Financiën is evenwel gemachtigd om een gedeelte daarvan aan die deurwaarders toe te kennen.

In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger gemachtigd worden aan de instrumenterende deurwaarder de vervolgingskosten voor te schieten." Art. 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen luidt als volgt : "De invorderingskosten komen ten laste van de belastingplichtige. De kosten van invordering zijn de vervolgingskosten gemaakt met toepassing van artikel 40, § § 2 en 3 van het decreet." Er werden evenwel een aantal belangrijke aanpassingen doorgevoerd. Er wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen de `instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder' hebben en `deurwaarders van de directe belastingen' vermits de Vlaamse administratie enkel werkt met gerechtsdeurwaarders (en niet de figuur kennen van deurwaarders bij de directe belastingen). Er is dan ook niet langer voorzien dat de Vlaamse minister bevoegd voor de Financiën een deel van de vervolgingskosten kan toekennen aan de deurwaarder.

Bovendien worden aan de gerechtsdeurwaarder geen vervolgingskosten voorgeschoten.

Art. 3.10.3.4.3. Dit artikel voorziet dat de door de gerechtsdeurwaarders gemaakte kosten die niet kunnen worden gerecupereerd worden betaald door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Evenwel worden een aantal kosten voorzien die niet worden aanvaard.

De opsomming is gebaseerd op deze van artikel 174 KB/WIB. In het licht van de aanbeveling van de Raad van State wordt artikel 3.10.3.4.3 geherformuleerd en onderverdeeld in twee leden. In tegenstelling tot wat de Raad van State suggereert was het in de oorspronkelijk ontworpen bepaling niet alleen de bedoeling om aan te geven welke kosten niet bij de belastingschuldige kunnen worden gerecupereerd maar vooral ook welke kosten niet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden terugbetaald (in geval van niet-recuperatie bij de belastingschuldige). Dit wordt op aangeven van de Raad van State verduidelijkt. Verder worden op aangeven van de Raad van State de woorden `onder meer' geschrapt.

Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen Art. 3.10.3.5.1. De bepalingen rond de met vervolging belaste personen worden geactualiseerd. Tot op heden was in de artikelen 168-171 KB/WIB sprake van `deurwaarders van de directe belastingen'.

Belastingdeurwaarders bestaan al geruime tijd niet meer. Dat waren ambtenaren uit de schoot van het vroegere ministerie van financiën die als deurwaarder optraden, maar dan specifiek voor de invordering van fiscale schulden.

Binnen de Vlaamse Belastingdienst zijn er geen dergelijke deurwaarders. De Vlaamse Belastingdienst doet voor de gedwongen invordering immers beroep op de `gewone' gerechtsdeurwaarders (cf.

Gerechtelijk Wetboek, Deel II, Boek IV - gerechtsdeurwaarders).

Een en ander betekent dat de artikelen 168-171 KB/WIB eigenlijk niet meer relevant zijn en niet dienen te worden behouden in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Voor het overige blijft artikel 167 KB/WIB relevant, zij het dat de toepassing ervan wordt beperkt tot de gerechtsdeurwaarders.

De Raad van State merkt in zijn advies op dat de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders een zaak is van de federale wetgever en dat de Vlaamse Regering zich in beginsel niet op dat terrein kan begeven.

Daarom moet de zinsnede "en, desnoods, toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen" worden geschrapt.

Afdeling 5. - Zekerheden Onderafdeling 1. - Waarborg Art. 3.10.5.1.1. tot en met 3.10.5.1.7. De tekst van deze artikelen is gebaseerd op art. 211, 213,214, 215, 217, 218 en 219 KB/WIB. In artikel 3.10.5.1.1 werd wel een actualisering doorgevoerd : waar in artikel 211 KB/WIB wordt verwezen naar goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die gelegen zijn in België of in een land waarmede België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen wordt nu ook verwezen naar die goederen gelegen in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen.

Artikel 212 KB/WIB wordt niet overgenomen want is gericht op inkomstenbelastingen.

Artikel 216 KB/WIB wordt evenmin overgenomen. Het eerste lid heeft betrekking op aannemers. Een regeling betreffende het tweede en derde lid behoort niet de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest.

HOOFDSTUK 12. - Verplichtingen van derden Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen Artikel 3.12.2.0.1 tot en met artikel 3.12.2.0.4. De artikelen 3.12.2.0.1 tot en met 3.12.2.0.4 bepalen de modaliteiten van de aanvraag van het attest en van het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Artikel 3.12.2.0.1 is gebaseerd op artikel 221 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. Er wordt evenwel niet langer vereist dat de aanvraag en het attest worden gesteld op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit. Daarnaast worden de woorden "directeur-generaal van de directe belastingen" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie".

Artikel 3.12.2.0.2 is gebaseerd op artikel 222 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. Er wordt enkel een legistieke aanpassing doorgevoerd.

Artikel 3.12.2.0.3 is gebaseerd op artikel 223 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. In het attest zullen enkel de ingekohierde en vervallen openstaande schulden worden opgenomen.

Het begrip "eisbaar" wordt vervangen zodat ondubbelzinnig vaststaat dat enkel de ingekohierde belastingen waarvoor de betalingstermijn verstreken is kunnen worden vermeld in het attest. Daarnaast wordt ook een legistieke aanpassing doorgevoerd en worden de woorden "de in artikel 220 aangewezen ambtenaar" vervangen door de woorden "het bevoegde personeelslid".

Artikel 3.12.2.0.4 is gebaseerd op artikel 224 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. In het attest zullen enkel de ingekohierde en vervallen openstaande schulden worden opgenomen.

Het begrip "eisbaar" wordt vervangen zodat ondubbelzinnig vaststaat dat enkel de ingekohierde belastingen waarvoor de betalingstermijn verstreken is kunnen worden vermeld in het attest. Er wordt een legistieke aanpassing doorgevoerd, de woorden "de in artikel 220 aangewezen ambtenaar" worden vervangen door de woorden "het bevoegde personeelslid" en de woorden "het bevoegde ontvangkantoor" worden vervangen door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie".

De bepaling van artikel 220 KB/WIB is voor de Vlaamse administratie niet relevant, en kan derhalve geschrapt worden.

Het bevoegde personeelslid is gedefinieerd in de codex zelf.

HOOFDSTUK 13. - Onderzoek en controle Afdeling 2. - Controle ter plaatse Art. 3.13.2.0.1. Dit artikel verleent de bevoegdheid tot het opsporen van inbreuken en het vaststellen van processen-verbaal.

Het artikel is gebaseerd op : 1° Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 : "De personeelsleden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, zijn bevoegd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, de processen-verbaal over het eurovignet op te stellen, en om het ontdoken bedrag van het eurovignet, verhoogd met de administratieve boete, onmiddellijk te innen." 2° Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen. Art. 2 : "De controle op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en hun uitvoeringsbesluiten wordt uitgeoefend door ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst die daartoe aangewezen worden door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst.

De controleurs beschikken, tijdens opsporing van overtredingen, bij de afwikkeling ervan en bij het opstellen van processen-verbaal, over de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie." Artikel 2, 2e lid van dit laatst genoemde besluit wordt niet mee opgenomen gezien dit reeds werd overgenomen in artikel 3.13.2.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Art. 14/1, § 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen : "De personeelsleden, aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, zijn bevoegd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest de overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, de processen-verbaal over de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen op te stellen.

Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleggingen van de overtreders worden gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Vlaamse minister bevoegd voor de financiën, op vervolging en benaarstiging van het personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, domicilie kiezend in zijn kantoren, zij zijn vrijgesteld van bevestiging of visum en van betekening.

De processen-verbaal worden toegezonden aan de personeelsleden die daartoe door de Vlaamse minister bevoegd voor de financiën zijn aangewezen." Het tweede en derde lid van artikel 14/1, § 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt geschrapt. Deze bepaling is niet langer relevant binnen de organisatie van de Vlaamse Belastingdienst, maar is toegespitst op de organisatie van de federale belastingadministratie. De opmaak van de processen-verbaal en de vormvereisten worden bepaald in artikel 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

Art. 176 KB/WIB'92 "Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, zijn de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beëdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen.

Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld.

De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Minister van Financiën zijn aangewezen." Het tweede en derde lid van artikel 176 KB/WIB'92 wordt geschrapt.

Deze bepaling is niet langer relevant binnen de organisatie van de Vlaamse Belastingdienst, maar is toegespitst op de organisatie van de federale belastingadministratie. De opmaak van de processen-verbaal en de vormvereisten worden bepaald in artikel 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.

De verwijzing naar de andere categorieën van personen die bevoegd zijn om op enige wijze controle op de naleving van de wetten uit te oefenen zoals aangeduid in het eerste lid, werd behouden. Evenwel werd de verwijzing naar deze categorieën geactualiseerd. Zo spreken we niet meer over rijkswacht of de gerechtelijke agenten bij de parketten, maar wordt verwezen naar `andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie'. Daarnaast werden de categorieën die niet langer in de praktijk enige controle uitoefenen geschrapt. Het betreft hier de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, de beëdigde gemeenteambtenaren, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht.

Bovenstaande artikelen werden samengevoegd tot één artikel gezien de gelijkaardige inhoud.

De bevoegde personen om deze controletaken uit te oefenen worden aangeduid met de term `bevoegde personeelsleden'. Doorheen het WIB'92, het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `de bevoegde personeelsleden'.

De Raad van State merkt op dat artikel 3.13.2.0.1 van de Codex op grond van de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Vlaamse Regering enkel nader kan worden uitgewerkt in zoverre de ontworpen bepaling betrekking heeft op de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet.

De ontworpen bepaling moet volgens de Raad van State daarom uitdrukkelijk worden beperkt tot die belastingen.

Uit verder onderzoek is evenwel gebleken dat art. 3.17.0.0.1 VCF eveneens een rechtsgrond biedt aan de ontworpen bepalingen voor de overige belastingen. Teneinde ook op dit punt de nodige uniformiteit te behouden en gelet op het feit dat er in de VCF alsnog een rechtsgrond voor handen is, is het niet aangewezen de ontworpen bepaling te beperken tot de verkeersbelastingen in de ruime zin.

Art. 3.13.2.0.2. Dit artikel betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen.

Het toepassingsgebied van deze bepaling wordt uitgebreid naar alle belastingen gezien de bevoegde personeelsleden die specifieke controletaken uitoefenen steeds dienen te beschikken over de vereiste legitimatiekaart en dit ongeacht de aard van de belasting.

Art. 3.13.2.0.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen.

De term `controleur' wordt vervangen door `het bevoegd personeelslid'.

Doorheen het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `bevoegd personeelslid'.

Daarnaast wordt de term `of diens aangestelde' uit de tekst geschrapt gezien de delegatie van bevoegdheden wordt geregeld bij een afzonderlijk delegatiebesluit.

Ook het tweede lid van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen wordt geschrapt. Een uitdrukkelijke verwijzing naar het delegatiebesluit is overbodig.

Artikel 3.13.2.0.3. betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen.

Deze bepaling wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. De bevoegde personeelsleden die een bepaalde controletaak uitoefenen dienen steeds over een legitimatiekaart te beschikken en deze in de voorgeschreven gevallen onmiddellijk terug te bezorgen.

Art. 3.13.2.0.4. Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen.

De term `controleurs' wordt vervangen door `bevoegde personeelsleden'.

Doorheen het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `de bevoegde personeelsleden'.

Ook de term `het intern verzelfstandigd agentschap de Vlaamse Belastingdienst' wordt vervangen door de term `de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie' teneinde doorheen de codex steeds dezelfde term te gebruiken om de belastingadministratie aan te duiden.

Artikel 3.13.2.0.4. betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen.

HOOFDSTUK 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes Art. 3.18.0.0.1. Dit artikel is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet.

De verwijzing naar de bepalingen van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen werd vervangen door de overeenstemmende verwijzing naar de codex.

Er werd echter nog een categorie D. toegevoegd. Daarbij wordt een boete opgelegd voor die gevallen waarbij het eurovignet minder dan een maand te laat wordt betaald. Zie infra bij de toelichting over de bijlage.

Artikel 13 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt niet overgenomen gezien artikel 40, § 1 van het decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen evenmin wordt overgenomen.

Zodoende heeft het artikel niet langer rechtsgrond.

TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen Art. 4.1.0.0.1 tot en met 4.1.0.0.4. Het betreft de opheffing van de bepalingen uit het KB/WIGB die betrekking hebben op de inning van de verkeersbelasting en de belasting op de inverkeerstelling. Deze werden immers in dit besluit geïntegreerd. Op de suggestie van de Raad van State om de opheffing in te perken met de woorden "zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest" wordt ingegaan.

Artikel 14/1 van het KB/WIGB bepaalt de bevoegdheden inzake de controle op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Daarnaast regelt artikel 14 van het KB/WIGB op welke wijze deze bevoegdheden buiten het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden uitgeoefend.

Dit heeft als gevolg dat een persoon die in Vlaanderen woont en die zich buiten het Vlaamse Gewest op het Belgisch grondgebied begeeft onderworpen kan worden aan een controle door de bevoegde instanties zoals opgesomd in artikel 14 van het KB/WIGB. Het Vlaamse Gewest heeft niet de bevoegdheid om de regels inzake de controle buiten haar grondgebied te regelen. Het betreft een federale bevoegdheid. Vandaar dat artikel 14 van het KB/WIGB dient behouden te blijven.

Art. 4.2.0.0.1 tot en met 4.2.0.0.8. De definities uit artikel 1 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen blijven in dit BVR behouden, mits aanpassing van een kruisverwijzing naar de VCF. Ook artikel 2, 4, 5, 5bis, 6, 6bis, 7, 8, 9, 9bis, 9ter, 10, § 1, derde lid, 19bis en 20 blijven in het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen behouden omdat het niet-fiscale bepalingen betreft.

Hetzelfde geldt voor de bijlagen van dat besluit.

De problematiek, behandeld in artikel 3, § 1, § 2 en § 4, 12, § 3, 16, 18 eerste zin van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, werd geïntegreerd in de VCF, zodat deze bepalingen niet langer in dit besluit moeten worden opgenomen.

Artikel 3, § 3 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt ook opgeheven omdat de rechtsgrond niet langer aanwezig is.

Artikel 38 tweede lid van het oorspronkelijke leegstandsdecreet luidde als volgt : "De Vlaamse Regering, kan op aanvraag van de gemeente, de gemeenteontvanger en de gewestelijke ontvanger machtigen om, namens het Vlaamse Gewest, de heffing en de gemeentelijke opcentiemen te innen met betrekking tot de gebouwen en/of woningen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen. In voorkomend geval dient de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger het bedrag van de heffing door te storten op de rekening van het Vlaamse Gewest ten laatste op het einde van de maand die volgt op de maand van de inning." Bij decreet van 24 december houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 (artikel 43) werd het tweede lid van artikel 38 evenwel opgeheven. Hierdoor zijn ook een aantal uitvoeringsbepalingen zonder voorwerp komen te vallen.

Artikel 14 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt niet overgenomen. De eerste zin van paragraaf 1 is decretaal geregeld; de tweede zin heeft geen toegevoegde waarde, want dit is een evidente mogelijkheid. Ook het eerste lid van paragraaf 2 kent reeds een decretale regeling en het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer.

Artikel 15 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt opgeheven omdat deze bepaling integraal in dit besluit werd opgenomen.

Artikel 18, tweede zin, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt opgeheven en niet overgenomen. De schorsing van de verjaringstermijn voor de duur van de opschorting van de heffing is niet zinvol omdat de betalingstermijn niet start wanneer een heffing is opgeschort, en bijgevolg ook niet de verjaring.

De artikelen 19ter en 20 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen worden evenmin overgenomen. Artikel 19ter geeft uitvoering aan artikel 44bis van het decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen, maar gezien dit artikel 44bis vernietigd werd door het Arbitragehof (bij arrest Arbitragehof nr. 180/2005, 7 december 2005 (B.S., 19 december 2005)), behoeft het geen uitvoering meer. Artikel 20 betrof een overgangsmaatregel en sloeg op een termijn die inmiddels reeds vele jaren voorbij is.

Art. 4.3.0.0.1 en 4.3.0.0.2. Het betreft de opheffing van de in dit besluit geïntegreerde uitvoeringsbepalingen betreffende de leegstandheffing bedrijfsruimten.

Artikel 1 t.e.m. 13 en 20 t.e.m. 31 blijven in het BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten behouden omdat het niet-fiscale bepalingen betreft. Hetzelfde geldt voor de opheffings- en overgangsbepalingen.

De problematiek, behandeld in artikel 15 van het BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten, werd geïntegreerd in de VCF, zodat deze bepalingen niet in dit besluit moeten worden opgenomen.

Artikel 18, 18bis, 18ter en 19 van dit besluit worden opgeheven omdat deze bepalingen integraal in dit besluit werden opgenomen.

In artikel 31, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, dient een verwijzing aangepast te worden aan de bepalingen van de VCF. Art. 4.4.0.0.1. Deze bepaling beoogt een oplossing te bieden voor kruisverwijzingen naar opgeheven bepalingen. Concordantietabel 1 van bijlage 2 geeft in deze gevallen aan op welke manier de opgeheven bepaling moet worden gelezen.

Bepalingen uit vroegere regelgeving waarvoor geen corresponderende bepalingen bestaan in dit besluit worden niet in de concordantietabel vermeld. Hetzelfde geldt voor bepalingen in het besluit die geen corresponderende bepalingen kennen in de vroegere regelgeving.

TITEL 7. - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen Art. 7.0.0.0.1. Dit artikel regelt de inwerkingtreding, en is afgestemd op de inwerkingtreding van de VCF zelf.

De Raad van State merkt op dat de inwerkingtreding van het te nemen besluit dient te worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Codex.

De inwerkingtredingsbepaling werd in die zin aangepast.

Bijlage 1 - belastingverhogingen van toepassing inzake inbreuken tegen titel 2, hoofdstuk 4 met betrekking tot het eurovignet.

De schaal van de belastingverhogingen is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet. Evenwel werden enkele wijzigingen aangebracht : Boetecategorie A Schrapping van de soort overtreding `vervanging van een voertuig (onder een andere nummerplaat) zonder regularisatie van het eurovignet' onder boetecategorie A. Er wordt niet langer voorzien in deze specifieke overtreding. Deze bepaling kende amper toepassing omwille van de vele interpretatieproblemen. Zo is het voor een belastingplichtige met een groot wagenpark moeilijk om aan te tonen wanneer er sprake is van vervanging van een voertuig.

Daarnaast is het ook niet te verantwoorden dat enkel in de gevallen van vervanging van een voertuig A door B waarbij een andere nummerplaat verkregen wordt een boete van eenmaal het niet betaalde bedrag wordt opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet.

In geval van aankoop van een nieuw voertuig dat geen oud voertuig vervangt of in geval van vervanging van een voertuig waarbij eenzelfde nummerplaat behouden blijft wordt een boete van tweemaal het niet betaalde bedrag opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet.

Dit verschil in behandeling wordt rechtgezet en er wordt een eenvormig systeem opgezet waarbij in alle bovenstaande situaties een boete wordt opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet.

Invoeging van boetecategorie D - Eerste lid : Het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet voorziet niet in een boete voor de gevallen waarin een persoon minder dan een maand te laat heeft betaald.

Voor de invoering van het besluit van de Vlaamse Regering voorzag artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 in een boete van 250 euro wegens `andere inbreuken'.

Deze boete werd toegepast indien een belastingplichtige zijn eurovignet minder dan een maand te laat had betaald (indien meer dan een maand te laat betaald werd in een zwaardere boete voorzien).

Bij de invoering van het besluit van de Vlaamse Regering oordeelde de Raad van State dat de term `andere inbreuken' te algemeen was en niet mocht worden opgenomen in het boetebesluit van de Vlaamse Regering.

Hierdoor is ongewild de bestraffing van de personen die minder dan een maand te laat hun eurovignet hebben betaald weggevallen.

Via dit ontwerp van besluit wordt er aan de tabel tot vaststelling van de boeteschalen een categorie D. toegevoegd waarbij ten aanzien van belastingplichtigen wiens eurovignet minder dan een maand is vervallen een boete van 250 euro wordt opgelegd. - Tweede lid : In geval van diefstal, verlies of vervanging van een kentekenplaat zal de inschrijving in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid (hierna DIV) verbonden aan deze kentekenplaat worden geschrapt. Indien met betrekking tot datzelfde voertuig voor dezelfde belastingplichtige een nieuwe kentekenplaat wordt afgeleverd door de DIV, dan is de lopende aangifte eurovignet met betrekking tot de vorige kentekenplaat niet langer geldig. De belastingplichtige dient een nieuwe aangifte eurovignet te doen.

Indien de belastingplichtige dit niet deed zal normaliter een boete worden opgelegd van categorie B wegens het niet hebben van een eurovignet. Gelet evenwel op de specifieke situatie (zoals bijvoorbeeld diefstal, verlies of vervanging van een kentekenplaat) zal een minder zware boete worden opgelegd mits de drie in het besluit opgesomde voorwaarden cumulatief zijn voldaan : - het gaat enkel om de gevallen waarbij de overtreding werd vastgesteld binnen de twee maanden volgend op de schrapping bij de DIV van de oude kentekenplaat. Ingevolge een schrapping van een kentekenplaat zal het eurovignet automatisch worden stopgezet.

De belastingplichtige krijgt hiervan melding zodat hij weet dat zijn oude eurovignet niet langer geldig is en dat een nieuwe aangifte vereist is. De administratieve verwerking van de schrapping van het eurovignet naar aanleiding van de schrapping bij de DIV kan tot twee maanden in beslag nemen. In die tussentijd zal een mildere boete worden gehandhaafd. - deze boete wordt opgelegd voor zover de belastingplichtige ten tijde van de schrapping van de vorige kentekenplaat over een geldig eurovignet beschikte. - daarnaast is wel vereist dat de belastingplichtige zijn aangifte eurovignet binnen de 30 dagen volgend op de vaststelling van de overtreding op basis van de nieuwe kentekenplaat in orde brengt.

RAAD VAN STATE Afdeling Wetgeving Advies 54.433/3 van 16 december 2013 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit' Op 6 november 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 16 december 2013, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit'.

Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 3 december 2013.

De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, Jan SMETS en Jeroen VAN NIEUWENHOVE staatsraden, Lieven DENYS en Johan PUT, assessoren, en Marleen VERSCHRAEGHEN, toegevoegd griffier.

Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 16 december 2013. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan (1). STREKKING VAN HET ONTWERP 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe om de uitvoering te regelen van de "Vlaamse Codex Fiscaliteit" (hierna : Codex), die is vastgesteld bij het decreet `houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit'.(2) Het gaat in hoofdzaak om het in één corpus samenbrengen van de bepalingen van de besluiten die zullen worden opgeheven (artikel 5.0.0.0.1 van het ontwerp). Zowel voor de Codex als voor dit uitvoeringsbesluit - met als citeertitel : "besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit", zie het artikel 6.0.0.0.1 van het ontwerp - gelden dezelfde uitgangspunten en doelstellingen, namelijk de Vlaamse fiscale regels samenbrengen, op mekaar afstemmen, ordenen en moderniseren.

Net als de Codex zal het te nemen besluit in een eerste fase van toepassing zijn op de belastingen waarvan de Vlaamse Belastingdienst de inning reeds verzekert : de onroerende voorheffing, de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet, de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en de leegstandsheffing bedrijfsruimten. (3) Net als de Codex is ook het uitvoeringsbesluit zo geconcipieerd dat het later kan worden uitgebreid tot andere belastingen. 3. Zoals de Codex is ook het voorliggende ontwerp opgedeeld in zeven titels.De eerste titel bevat de inleidende bepalingen, terwijl in titel 2 ("Belastingheffing") de materieelrechtelijke bepalingen zijn ondergebracht en in titel 3 ("Inning en invordering") de procedurebepalingen. De titels 4 en 5 groeperen respectievelijk de wijzigingsbepalingen en de opheffings- en overgangsbepalingen. Titel 6 legt de citeertitel van het uitvoeringsbesluit vast en titel 7 regelt de inwerkingtreding (titel 2 : vanaf het aanslagjaar 2014; de overige titels vanaf 1 januari 2014) en bevat de uitvoeringsbepaling.

DRAAGWIJDTE VAN HET ONDERZOEK DOOR DE AFDELING WETGEVING 4. Behoudens in geval van wijziging van de juridische context verleent de Raad van State, afdeling Wetgeving, in de regel geen nieuw advies over bepalingen die reeds eerder werden onderzocht of die zijn gewijzigd ten gevolge van in vroegere adviezen gemaakte opmerkingen. Met betrekking tot de desbetreffende bepalingen van het ontwerp waarvoor de context niet is gewijzigd, wordt in hoofdzaak verwezen naar de vroegere adviezen. Vooral de bepalingen die volledig nieuw zijn of die wijzigingen hebben ondergaan die niet het gevolg zijn van eerdere adviezen van de Raad van State, afdeling Wetgeving, zijn derhalve onderzocht en maken in de eerste plaats het voorwerp uit van dit advies. 5. De concordantietabellen die als bijlage 2 bij het ontwerp zijn gevoegd, bevatten geen lijst van de bepalingen die niet in het uitvoeringsbesluit zijn opgenomen, zoals de wijzigingsbepalingen en de overgangsbepalingen die geen nut meer hebben, en evenmin worden de bepalingen opgelijst die geen pendant hebben in de huidige regelgeving.Dit maakt het zeer moeilijk om een volledig zicht te krijgen op alle rechtsgevolgen die het aannemen van het besluit zal hebben.

ALGEMENE OPMERKINGEN 6. Het ontwerp heeft dezelfde structuur en is op dezelfde - onorthodoxe - wijze genummerd als de Codex.Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt. 7. In artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 8°, van de Codex wordt "entiteit van de Vlaamse administratie" omschreven als "een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement als vermeld in het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 en in de in uitvoering van dat decreet goedgekeurde oprichtingsbesluiten". Die definitie geldt automatisch ook voor het uitvoeringsbesluit.

Het gegeven dat in het ontwerp telkens gewag wordt gemaakt van "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie" (zie bv. het artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, van het ontwerp), en niet wordt aangegeven om welke entiteit het precies gaat, komt de transparantie van de regelgeving niet ten goede.

In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt daarover gezegd dat de tekst bewust generiek is gemaakt met het oog op de uitbreiding van de ontworpen regeling met de regels inzake andere belastingen en dat "deze telkens via het instrumentarium van `Beter Bestuurlijk Beleid' eenduidig worden aangeduid in andere regelgeving".

Het verdient echter aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid - de belastingplichtigen moeten bijvoorbeeld duidelijk weten welke ambtenaar of dienst bevoegdheid heeft om onderzoeksverrichtingen uit te voeren - voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden. 8. De gemachtigde heeft een aantal wijzigingen van de Codex aangekondigd.Enerzijds gaat het om een amendement op het programmadecreet 2014, neergelegd in de commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting van het Vlaams Parlement, en anderzijds om een ontwerpdecreet (4) uitgaande van de Vlaamse Regering, die beide zouden kunnen resulteren in een aanpassing van artikel 3.1.0.0.6 van de Codex, in welk geval artikel 3.1.0.0.3 van het ontwerp zal moeten worden bijgesteld. De afdeling Wetgeving van de Raad van State kan zich echter enkel uitspreken over de haar om advies voorgelegde tekst van artikel 3.1.0.0.3 van het ontworpen besluit en kan niet vooruitlopen op wat het Vlaams Parlement zal beslissen. Indien de betrokken bepaling van het ontwerp naar aanleiding van de wijziging van de Codex dient te worden aangepast, zal de ontworpen wijziging alsnog om advies moeten worden voorgelegd.

BEVOEGDHEID 9. De manier waarop in het ontwerp wordt verwezen naar federale regels (het woord "Overeenkomstig", gevolgd door het artikel waarnaar verwezen wordt) kan in beginsel worden aanvaard.De wijze waarop dit gebeurt in de artikelen 2.4.7.0.1 en 2.4.7.0.2 van het ontwerp, in verband met de wijze van heffing van het eurovignet, is echter in strijd met de bevoegdheidsverdeling.

Terwijl er in artikel 2.4.7.0.1 aan wordt herinnerd dat de regels tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is, federaal zijn bepaald bij artikel 1 (5) van het Koninklijk besluit van 8 september 1997 `tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is', wordt in dat artikel ook verder gegaan, door te verwijzen naar artikel 2.4.7.0.2 en in dat laatste artikel die regels - trouwens ook die in verband met wegen die volledig buiten het Vlaamse Gewest vallen - opnieuw vast te stellen. Een dergelijke manier van werken kan niet worden aanvaard. Het artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp dient dan ook zonder meer weggelaten te worden. 10. In het artikel 3.10.3.1.1 van het ontwerp wordt bepaald dat de onrechtstreekse vervolging "krachtens het bij de wet toegestane verhaal tegen derden [wordt] ingesteld" en in het artikel 3.10.3.1.2 van het ontwerp wordt gesteld dat de "wettelijke bepalingen betreffende de inhoud en de betekening van exploten (...) van toepassing zijn op de akten van gerechtelijke vervolgingen". Deze bepalingen behoren tot titel 3 ("Inning en invordering"), hoofdstuk 10 ("Invordering"), van het ontwerp.

In het artikel 3.10.3.5.1, tweede lid, van het ontwerp wordt dan weer bepaald dat de gerechtsdeurwaarders voor de vervolgingen die zij op vraag van de belastingsadministratie doen, "geen aanspraak [mogen] maken op hogere of andere rechten of kosten dan die welke in artikel 3.10.3.4.1 vastgesteld zijn, op straffe van terugbetaling, schadevergoeding en, desnoods, toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen". Artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek handelt evenwel over specifieke tuchtstraffen ingeval een gerechtsdeurwaarder zichzelf rechtstreeks of onrechtstreeks de roerende goederen toewijst waarvan de verkoop hem is opgedragen : afzetting in geval van herhaling en voor de eerste overtreding schorsing gedurende drie maanden en een geldboete van "duizend frank" voor elk door hem gekocht voorwerp. (6) Het bevestigen bij besluit van de Vlaamse Regering van een federale wettelijke norm kan vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt niet worden aanvaard. (7) Bovendien lijkt het artikel 3.10.3.5.1, tweede lid, van het ontwerp ook in te houden dat de sancties bepaald bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek voor een specifiek geval, ook zouden gelden in het in de ontworpen bepaling geschetste geval. De tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders is evenwel zaak van de federale wetgever en op dat terrein kan de Vlaamse Regering zich in beginsel niet begeven.

RECHTSGROND 11. De rechtsgrond voor het ontworpen besluit wordt in hoofdzaak gevormd door tal van bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Daarnaast wordt in de aanhef ook melding gemaakt van de algemene uitvoeringsbevoegdheid (artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen') en van artikel 5 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 `betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten' (hierna : bijzondere financieringswet). 11.1. In artikel 5 van de bijzondere financieringswet kan geen rechtsgrond worden gevonden voor bepalingen van het ontwerp. 11.2. Voor een aantal bepalingen van het ontwerp dient inderdaad een beroep te worden gedaan op artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gelezen in samenhang met bepalingen van de Codex. Dat is het geval voor de artikelen 2.5.6.0.1, 3.3.1.0.2 en 3.13.2.0.2 en voor nog tal van andere bepalingen van het ontwerp. 12. Voor artikel 3.13.2.0.1 van het ontwerp verwijst de gemachtigde naar de artikelen 3.13.2.0.1 en 3.1.0.0.1 van de Codex als rechtsgrond.

Gelet op de redactie ervan kan artikel 3.13.2.0.1 van de Codex op grond van de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Vlaamse Regering evenwel enkel nader worden uitgewerkt in zoverre de ontworpen bepaling betrekking heeft op de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet.

De gemachtigde heeft bevestigd dat in het artikel van het ontwerp enkel de verkeersbelastingen in de ruime zin van het woord zijn beoogd. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt de ontworpen bepaling het best uitdrukkelijk beperkt tot die belastingen.

ONDERZOEK VAN DE TEKST AANHEF 13. Gelet op wat sub 11.1 is opgemerkt, dient het tweede lid van de aanhef te worden geschrapt.

Artikel 2.1.6.0.1 14. Op de vraag waarom hier "de belastingplichtige" wordt vermeld, terwijl in artikel 2.1.6.0.2 van de Codex gewag wordt gemaakt van "de belastingschuldige", antwoordde de gemachtigde het volgende : "In artikel 2.1.6.0.1, tweede lid van het BVCF wordt verwezen naar de identificatie van de `belastingplichtige' omdat dat diegene is op wiens naam de belasting is ingekohierd. In artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF moet daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd. In het derde lid moet de materiële vergissing dus worden rechtgezet." Artikel 2.2.6.0.2 15. In het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de Codex, is niet duidelijk wat de toegevoegde waarde is van het bepaalde in artikel 2.2.6.0.2 van het ontwerp.

Artikel 3.4.7.0.1 16. Op de vraag of in artikel 3.4.7.0.1 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 3.4.7.0.5 van de Codex in zijn geheel, dan wel enkel naar paragraaf 1 ervan, antwoordde de gemachtigde het volgende : "Aangezien de op te heffen bepaling (art. 2 van het Koninklijk Besluit van 19 december 2001) verwijst naar artikel 12, § 2, van de EUV wet wordt hier enkel 3.4.7.0.5, § 1, bedoeld. Dit moet dan ook in die zin aangepast worden." Artikel 3.10.3.4.3 17. In artikel 3.10.3.4.3 van het ontwerp wordt bepaald dat de vervolgingskosten die niet bij de belastingschuldigen kunnen worden gerecupereerd, gedragen worden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie (lees : de Vlaamse Belastingdienst). Voorts bevat het artikel een opsomming van een aantal ("onder meer") kosten die "niet aanvaard" worden.

De rechtszekerheid is niet gediend met het gebruik van de woorden "onder meer". Wellicht is het de bedoeling om eerst de algemene regel te formuleren (wat niet bij de belastingschuldigen gerecupereerd kan worden, wordt gedragen door de Vlaamse Belastingdienst) en in tweede instantie aan te geven welke kosten niet bij de belastingplichtigen gerecupereerd mogen worden. Indien dat effectief de bedoeling is, zou dit beter tot uiting moeten worden gebracht. Het verdient overigens aanbeveling om het artikel in twee leden onder te verdelen.

Artikel 3.10.5.1.1 18. Aan de gemachtigde is gevraagd of artikel 3.10.5.1.1 van het ontwerp in overeenstemming is met artikel 3.10.5.1.1 van de Codex, vermits in die bepaling van de Codex slechts melding wordt gemaakt van "goederen in België die het pand van het Vlaamse Gewest vormen", terwijl in de betrokken bepaling van het ontwerp in verband met de goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen de voorwaarde voorkomt dat het moet gaan om goederen "die liggen in België of in een land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU".

Daarover om toelichting verzocht, antwoordde de gemachtigde wat volgt : "Ons inziens is geen sprake van een tegenstrijdigheid. Eerst en vooral dient er op gewezen te worden dat ook in het huidige artikel 211 KB WIB (cf. art 3.10.5.1.1) goederen worden geviseerd die in het buitenland gelegen zijn, met name in landen waarmede België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen. Aangezien er naast bilaterale verdragen nu ook een Europese Richtlijn is zou het onlogisch zijn daar niet naar te verwijzen.

De mogelijkheid om een waarborg te nemen (WANNEER) hangt af van de venale waarde van de in België gelegen onroerende goederen die reeds het pand vormen van het Vlaamse Gewest (cf. art. 3.10.5.1.1 VCF).

Bij de berekening van de waarborg (3.10.5.1.1 BVCF) (GROOTTE) dient wel rekening gehouden te worden met de nettoverkoopwaarde van de goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die liggen in België of in een land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of (in de ontworpen bepaling) in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU. Art. 3.10.5.1.3 BVCF bepaalt WELKE onroerende goederen als waarborg mogen worden gegeven. De onroerende goederen die als hypothecaire waarborg worden aangeboden, moeten in België liggen.

Dat laatste sluit evenwel niet uit dat via de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse bijstand of via de intussen omgezette Richtlijn 2010/24/EU wel reeds bv. een wettelijke hypotheek werd genomen in het buitenland." Met die zienswijze kan worden ingestemd.

Artikelen 4.1.0.0.1 en 4.1.0.0.2 19. Aan de gemachtigde is gevraagd voor welke belastingen de in de artikelen 4.1.0.0.1 en 4.1.0.0.2 van het ontwerp opgesomde bepalingen uit titel I ("Aan de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen gemene bepalingen") van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 worden opgeheven, gelet op het gegeven dat artikel 5.0.0.0.1, 2°, van de Codex enkel de opheffing van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen betreft "zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest".

De gemachtigde antwoordde dat enkel de verkeersbelasting en de belasting op inverkeerstelling worden beoogd. Dat zou tot uiting moeten worden gebracht in de ontworpen opheffingsbepaling.

Artikel 5.0.0.0.1 20. Artikel 5.0.0.0.1, 1°, van het ontwerp strekt tot de opheffing van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 `tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992', "zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest".

De artikelen of onderdelen ervan die worden opgeheven, zullen expliciet moeten worden opgesomd. Voor de burger is het, zeker in deze materie, immers moeilijk uit te maken voor welke van de bepalingen het Vlaamse Gewest bevoegd is en welke bepalingen dus worden opgeheven.

Artikel 7.0.0.0.1 21. De inwerkingtreding van het te nemen besluit dient te worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Codex.Beide regelingen stemmen grotendeels overeen, maar er is geen rekening gehouden met de uitzonderingsregeling voor artikel 5.0.0.0.1, 2° en 3°, van de Codex die immers niet op 1 januari 2014 in werking treden.

Bijlage 2 22. De tweede bijlage die bij het ontwerp is gevoegd bevat twee concordantietabellen.Concordantietabel 1 geeft voor elk artikel van de oorspronkelijke teksten het daarmee overeenstemmende artikel van het ontwerp aan, terwijl in concordantietabel 2 kan worden nagekeken wat voor de verschillende artikels van het ontwerp het daarmee overeenstemmende artikel van de oorspronkelijke teksten is.

In de concordantietabellen komen echter ook tabellen voor (namelijk de tabellen 1, 5, 8, 13, 15 in respectievelijk concordantietabel 1 en concordantietabel 2) waarin melding wordt gemaakt van wettelijke of decretale bepalingen. Het is niet duidelijk wat de bedoeling en het nut daarvan is.

DE GRIFFIER M. VERSCHRAEGHEN. DE VOORZITTER, J. BAERT. _______ Nota's (1) Gelet op de toegemeten termijn (de adviesaanvraag dateert van 6 november 2013 en de adviestermijn is verlengd tot 16 december 2013, maar het Vlaams Parlement heeft de Vlaamse Codex Fiscaliteit pas op 4 december 2013 aangenomen) en op het gegeven dat nog tal van andere aan termijnen gebonden adviesaanvragen dienden te worden behandeld, heeft de Raad van State geen doorgedreven onderzoek van het ontwerp kunnen verrichten.Het advies dient met dit voorbehoud te worden gelezen. (2) Dit decreet is goedgekeurd door het Vlaams Parlement en ter bekrachtiging aan de Vlaamse Regering overgezonden, maar is op het moment dat dit advies wordt gegeven nog niet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.Voor zijn onderzoek heeft de afdeling Wetgeving zich gebaseerd op de ontwerptekst neergelegd door de Vlaamse Regering (Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2210/1, 279-366), die op 19 november 2013 ongewijzigd is aangenomen door de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement (Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2210/2, 7) en op 4 december 2013 door de plenaire vergadering (Hand. 4 december 2013;

Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2210/3). (3) Uit het bij het ontwerp gevoegde verslag aan de Vlaamse Regering blijkt dat men er aan denkt om de regeling in een later stadium uit te breiden met de regelgeving inzake successie- en registratierechten en inzake de milieugerelateerde belastingen. (4) Voorontwerp van decreet `houdende invoering van een versnelde afbouw in de onroerende voorheffing van het belastbaar kadastraal inkomen van materieel en outillage ten gevolge van nieuwe investeringen', waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 28 oktober 2013 advies 54.211/3 heeft verstrekt (Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2296/1). (5) In het eerste artikel van het Koninklijk besluit van 8 september 1997 wordt verwezen naar de bijlage bij het besluit.Het is de lijst opgenomen in die bijlage, die wordt hernomen in het artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp. (6) In dit verband heeft de gemachtigde volgende toelichting verstrekt : "Het feit dat enkel verwezen wordt naar artikel 533 Ger.Wb. doet vanzelfsprekend geen afbreuk aan de toepasselijkheid van de overige tuchtsancties en de procedures dienaangaande. Bij wijze van voorbeeld werd er (ook reeds in het KB WIB) een verwijzing gemaakt naar artikel 533 W Ger. Wb., maar in feite zijn alle bepalingen van hoofdstuk VI van Boek IV het Gerechtelijk wetboek van toepassing. Het was geenszins de bedoeling, noch in het KB WIB, noch in de ontworpen bepaling van de BVCF, dat enkel de tuchtsanctie van artikel 533 Ger. Wb van toepassing zou zijn." (7) Nog afgezien van de vaststelling dat dit tot verwarring leidt met betrekking tot de precieze juridische aard van het voorschrift. 20 DECEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit;

Gelet op het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling voor wat betreft het Vlaamse Gewest;

Gelet op het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wat de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest betreft;

Gelet op het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen;

Gelet op het besluit van 1 juli 1997 van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;

Gelet op het Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;

Gelet op het Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd; Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet;

Gelet op het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;

Gelet op het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 oktober 2013;

Gelet op advies 54.433/3 van de Raad van State, gegeven op 16 december 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport;

Na beraadslaging, Besluit : TITEL 1. - Inleidende bepalingen HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities Artikel 1.1.0.0.1. De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen.

De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.

TITEL 2. - Belastingheffing HOOFDSTUK 1. - Onroerende voorheffing Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp Art. 2.1.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.1.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.1.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.1.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.1.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.1.6.0.1. De aanvraag tot het verkrijgen van de vrijstelling van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1° en 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Op de aanvraag tot terugbetaling worden de volgende gegevens vermeld: 1° naam van de belastingplichtige;2° adres van de belastingplichtige;3° de ligging van het onroerend goed. De aanvraag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt door de belastingschuldige ondertekend.

Art. 2.1.6.0.2. De aanvrager moet de volgende documenten bij zijn aanvraag voegen om de vrijstelling van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, te verkrijgen: 1° een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning;2° een afschrift van de verbouwingsplannen, opgemaakt door de architect;3° een afschrift van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de verbouwingswerkzaamheden, opgemaakt tussen de bouwheer en de aannemer of architect. Art. 2.1.6.0.3. De aanvrager moet de volgende documenten bij zijn aanvraag voegen om de vrijstelling van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, te verkrijgen: 1° een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning voor de renovatiewerkzaamheden, vermeld in artikel 2.5.7.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013; 2° een afschrift van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de renovatiewerkzaamheden, opgemaakt tussen de bouwheer en de aannemer of architect;3° een attest waaruit blijkt dat het onroerend goed waarvoor de vrijstelling van de onroerende voorheffing wordt aangevraagd, vanaf ten vroegste 1 januari 2003 uit de inventaris van de verwaarloosde gebouwen of woningen, of uit de inventaris van de ongeschikte of onbewoonbare woningen is geschrapt. Art. 2.1.6.0.4. Als het onroerend goed waarvoor de vrijstelling kan worden toegekend, samen met een aanpalend onroerend goed wordt verbouwd tot één pand met één kadastraal inkomen, moet, in afwijking van artikel 2.1.6.0.2 en 2.1.6.0.3, de aanvraag in twee fasen worden ingediend: 1° in een eerste fase moeten de documenten, vermeld in respectievelijk artikel 2.1.6.0.2, 1° en 2°, en artikel 2.1.6.0.3, 1°, worden voorgelegd zodra ze voorhanden zijn; 2° in een tweede fase moeten de documenten, vermeld in respectievelijk artikel 2.1.6.0.2, 3° en artikel 2.1.6.0.3, 2° en 3°, worden voorgelegd zodra kan worden aangetoond dat: a) het onroerend goed in kwestie effectief wordt bewoond, met toepassing van artikel 2.1.6.0.2; b) het onroerend goed in kwestie uit de inventaris van de verwaarloosde gebouwen of woningen, of uit de inventaris van de ongeschikte of onbewoonbare woningen is geschrapt, met toepassing van artikel 2.1.6.0.3.

Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.1.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 2. - Verkeersbelasting Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp Art. 2.2.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.2.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.2.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.2.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.2.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.2.6.0.1. Conform artikel 2.2.6.0.1, § 3, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kunnen de vrijstellingen, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, worden bewezen door het bijhouden van een rittenblad.

Voor het rittenblad, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende vormvoorschriften en verplichtingen: 1° het rittenblad is een papieren document dat op uitdrukkelijk verzoek door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan de belastingplichtige wordt afgeleverd.Het rittenblad wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voorzien van een droogstempel en een geldigheidsperiode. Bij gebrek daaraan is het rittenblad niet geldig en kan het niet dienen als bewijs van de vrijstelling; 2° het rittenblad bevat een tabel van dertig afzonderlijke vakken, genummerd van één tot en met dertig.Voor de aanvang van elke ritdag vermeldt de belastingplichtige in onuitwisbare inkt de datum van gebruik, voluit geschreven, in het eerste openstaande vak. Het wijzigen, overschrijven, aanvullen of schrappen van de ingeschreven datum en iedere handeling waardoor een vak voor verschillende dagen kan worden gebruikt, maken dat vak ongeldig; 3° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 moet het rittenblad zich steeds in het voertuig bevinden. Bij controle moet de gebruiker het volledig ingevulde rittenblad steeds kunnen voorleggen; 4° de belastingplichtige die niet langer voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en § 2, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en zoals bepaald in dit besluit, moet zijn vrijstelling uitdrukkelijk stopzetten bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie; 5° het rittenblad kan niet worden vervangen en er kan evenmin een duplicaat worden afgeleverd.Bij verlies, vernietiging of diefstal is de belastingplichtige de belasting verschuldigd vanaf het begin van het belastbaar tijdperk.

Voor het rittenblad, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende bepalingen voor de aanvang en de geldigheidsduur: 1° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 is de geldigheidsduur van een rittenblad beperkt tot maximaal twaalf opeenvolgende maanden, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbaar tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort. Er kan maar één rittenblad verkregen worden voor hetzelfde voertuig door dezelfde belastingplichtige binnen een periode van twaalf maanden die volgt op de aanvangsdatum van het rittenblad. Deze voorwaarde geldt ook als het voertuig onder een andere nummerplaat wordt ingeschreven door dezelfde belastingplichtige binnen die periode van twaalf maanden; 2° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kan de belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatst geldige rittenblad, geen nieuw rittenblad aanvragen; 3° de belastingplichtige die in de loop van het belastbaar tijdperk het rittenblad stopzet zonder zijn aangifte voor de verkeersbelasting gelijktijdig stop te zetten, is de belasting verschuldigd vanaf het begin van het belastbaar tijdperk; 4° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kan de belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van zijn lopende belastbaar tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd, geen nieuw rittenblad aanvragen.

In afwijking van het derde lid, 1°, kan voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 waarvoor het belastbaar tijdperk niet start op 1 januari maar in de loop van het kalenderjaar, tijdens dat kalenderjaar een rittenblad worden aangevraagd voor het daaropvolgende belastbaar tijdperk.

Als een belastingplichtige het rittenblad, vermeld in het eerste lid, verkeerd gebruikt of er misbruik van maakt en niet voldoet aan de in dit besluit opgelegde vereisten, vervalt de vrijstelling voor het desbetreffende aanslagjaar en is de belasting verschuldigd voor het belastbaar tijdperk waarvoor het rittenblad werd aangevraagd.

Art. 2.2.6.0.2. De bestuurder moet op verzoek van het bevoegde personeelslid alle inlichtingen over het gebruik van het voertuig verstrekken.

Art. 2.2.6.0.3. § 1. De terugbetaling (T), vermeld in artikel 2.2.6.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt berekend volgens volgende formules: 1° voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 : T = t * n / 30 De parameters worden gedefinieerd als volgt : a) t = de verkeersbelasting die voor het voertuig werd betaald;b) n = het aantal schijven van 5500 kilometer, begrepen in het traject dat tijdens de belastbare periode door het voertuig per spoor werd afgelegd in het kader van het gecombineerd rail-wegvervoer onder staten van de Europese Economische Ruimte met vertrek of aankomst in België of in transito over het Belgische grondgebied. De waarde van de factor n mag niet hoger zijn dan 24.

Gedeelten van schijven betreffende trajecten van meer dan 5500 kilometer tellen voor een volledige schijf als ze meer dan 2750 kilometer tellen, of worden weggelaten als ze 2750 kilometer of minder tellen. 2° voor de aanhangwagens en opleggers, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013: T = t * n / (d + v) * 30 De parameters worden gedefinieerd als volgt : a) t = het totaalbedrag van de door de belastingplichtige betaalde verkeersbelasting, met uitzondering van de belasting met betrekking tot de aanhangwagens en opleggers die dienen voor het vervoer van zaken over de weg tegen vergoeding en waarvoor geen algemene vergunning voor nationaal vervoer als vermeld in artikel 15 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg werd uitgereikt;b) n = het totale aantal schijven van 5500 kilometer, begrepen in het traject dat tijdens de belastbare periode door elke aanhangwagen en oplegger waarvoor de verkeersbelasting begrepen is in de factor t, per spoor werd afgelegd in het kader van het gecombineerd rail-wegvervoer in staten, gelegen in de Europese Economische Ruimte met vertrek of aankomst in België of in transito over het Belgische grondgebied.De waarde van de factor n mag niet hoger zijn dan 24 maal de waarde van de factor v. Gedeelten van schijven betreffende trajecten van meer dan 5500 kilometer per aanhangwagen en oplegger tellen voor een volledige schijf als ze meer dan 2750 kilometer tellen, of worden weggelaten als ze 2750 kilometer of minder tellen. c) d = het aantal aangiften op basis waarvan de verkeersbelasting, begrepen in de factor t, door de belastingplichtige werd betaald;d) v = het aantal aanhangwagens en opleggers die in aanmerking worden genomen om de factor n te bepalen. § 2. De aanvraag tot terugbetaling wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Op de aanvraag tot terugbetaling worden de volgende gegevens vermeld: 1° naam van de belastingplichtige;2° adres van de belastingplichtige;3° rekeningnummer voor de terugbetaling;4° nummerplaat van het desbetreffende voertuig. De aanvraag wordt ingediend na het verstrijken van het jaar waarvoor de terugbetaling wordt gevraagd en, op straffe van verval, uiterlijk op 30 april van het daaropvolgende jaar.

De aanvraag, vermeld in het eerste tot en met derde lid, wordt door de belastingplichtige ondertekend.

Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.2.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 3. - Belasting op de inverkeerstelling Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp Art. 2.3.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.3.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.3.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.3.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.3.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.3.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.3.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 4. - Eurovignet Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp Art. 2.4.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.4.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.4.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.4.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.4.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.4.6.0.1. Overeenkomstig artikel 2.4.6.0.1, § 2, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, kan de vrijstelling, vermeld in artikel 2.4.6.0.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, worden bewezen door het bijhouden van een rittenblad.

Voor het rittenblad, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende vormvoorschriften en verplichtingen: 1° het rittenblad is een papieren document dat op uitdrukkelijk verzoek door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan de belastingplichtige wordt afgeleverd.Het rittenblad wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voorzien van een droogstempel en een geldigheidsperiode. Bij gebrek daaraan is het rittenblad niet geldig en kan het niet dienen als bewijs van de vrijstelling; 2° het rittenblad bevat een tabel van dertig afzonderlijke vakken, genummerd van één tot en met dertig.Voor de aanvang van elke ritdag vermeldt de belastingplichtige in onuitwisbare inkt de datum van gebruik, voluit geschreven, in het eerste openstaande vak. Het wijzigen, overschrijven, aanvullen of schrappen van de ingeschreven datum en iedere handeling waardoor een vak voor verschillende dagen kan worden gebruikt, maken dat vak ongeldig; 3° overeenkomstig artikel 2.4.6.0.1, § 2, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 moet het rittenblad zich steeds in het voertuig bevinden. Bij controle moet de gebruiker het volledig ingevulde rittenblad steeds volledig ingevuld kunnen voorleggen; 4° de belastingplichtige die niet langer voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.4.6.0.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en zoals bepaald in dit besluit, moet zijn vrijstelling uitdrukkelijk stopzetten bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie; 5° het rittenblad kan niet worden vervangen en er kan evenmin een duplicaat worden afgeleverd.Bij verlies, vernietiging of diefstal is de belastingplichtige de belasting verschuldigd vanaf het begin van het belastbaar tijdperk.

Voor het rittenblad, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende bepalingen voor de aanvang en de geldigheidsduur: 1° overeenkomstig artikel 2.4.6.0.1, § 2, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 is de geldigheidsduur van een rittenblad beperkt tot maximaal twaalf opeenvolgende maanden, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbaar tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort. Er kan maar één rittenblad verkregen worden voor hetzelfde voertuig door dezelfde belastingplichtige binnen een periode van twaalf maanden die volgt op de aanvangsdatum van het rittenblad. Deze voorwaarde geldt ook als het voertuig onder een andere nummerplaat wordt ingeschreven door dezelfde belastingplichtige binnen die periode van twaalf maanden; 2° overeenkomstig artikel 2.4.6.0.1, § 2, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kan de belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatst geldige rittenblad, geen nieuw rittenblad aanvragen; 3° de belastingplichtige die in de loop van het belastbaar tijdperk het rittenblad stopzet zonder zijn aangifte voor het eurovignet gelijktijdig stop te zetten, is de belasting verschuldigd vanaf het begin van het belastbaar tijdperk; 4° overeenkomstig artikel 2.4.6.0.1, § 2, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kan de belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van zijn lopende belastbaar tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd, geen nieuw rittenblad aanvragen.

In afwijking van het derde lid, 1°, kan voor de voertuigen waarvoor een gecombineerd rittenblad met toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, en artikel 2.4.6.0.1, § 1, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, werd afgeleverd en waarvan het belastbaar tijdperk niet start op 1 januari, maar in de loop van het kalenderjaar, tijdens dat kalenderjaar een rittenblad worden aangevraagd voor het daaropvolgende belastbaar tijdperk.

Als een belastingplichtige het rittenblad, vermeld in het eerste lid, verkeerd gebruikt of er misbruik van maakt en niet voldoet aan de in dit besluit opgelegde vereisten, vervalt de vrijstelling voor het desbetreffende aanslagjaar en is de belasting verschuldigd voor het belastbaar tijdperk waarvoor het rittenblad werd aangevraagd.

Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.4.7.0.1. Overeenkomstig artikel 1 van het Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is, omvat het wegennet, vermeld in artikel 2.4.7.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, de op het Belgische grondgebied gelegen gedeelten van de verkeerswegen die worden bepaald overeenkomstig de bijlage bij het Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.

HOOFDSTUK 5. - Verkrottingsheffing woningen en gebouwen Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp Art. 2.5.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.5.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.5.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.5.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.5.6.0.1. De houder van een zakelijk recht die meent in aanmerking te komen voor de vrijstelling van de heffing, vermeld in artikel 2.5.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet een verklaring op erewoord overleggen dat hij op het vermelde adres is ingeschreven en daar zijn hoofdverblijf heeft, en dat hij over geen andere woning beschikt.

Die verklaring kan worden overgelegd tot uiterlijk het einde van de bezwaartermijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. De verklaring geldt totdat ze wordt herroepen door de houder van het zakelijk recht. De houder van het zakelijk recht moet zijn verklaring herroepen zodra hij niet langer voldoet aan de voorwaarden om de vrijstelling van de heffing te krijgen.

Zolang de houder van het zakelijk recht geen aanslagbiljet heeft ontvangen, moet de verklaring worden overgelegd aan het agentschap of, in voorkomend geval, aan de administratieve eenheid, vermeld in artikel 2, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen. Na de ontvangst van het aanslagbiljet moet de verklaring worden overgelegd aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Een onvolledige of onjuiste verklaring en een te late herroeping worden beschouwd als een ontduiking van de heffing.

Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.5.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 6. - Leegstandheffing bedrijfsruimten Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp Art. 2.6.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Belastingplichtigen Art. 2.6.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Belastbare grondslag Art. 2.6.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Tarieven Art. 2.6.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Verminderingen Art. 2.6.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Vrijstellingen Art. 2.6.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 7. - Wijze van heffing Art. 2.6.7.0.1. § 1. De eigenaar stuurt het vernieuwingsvoorstel of het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn, vermeld in artikel 2.6.7.1.1 en artikel 2.6.7.1.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met een aangetekende brief naar het departement. § 2. Het vernieuwingsvoorstel omvat de volgende documenten: 1° een situatietekening die het mogelijk maakt de ligging van de bedrijfsruimte te bepalen ten opzichte van de omliggende bebouwing;2° een beschrijving van de aard en omvang van de geplande werkzaamheden die de reden van opname in de inventaris moeten opheffen, alsook een kostprijsraming;3° een summiere beschrijving van de beoogde (her)bestemmingswerkzaamheden;4° de geplande aanvangsdatum en de uitvoeringstermijn van de werkzaamheden;5° de stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning, als die vereist zijn, volgens de aard van de werkzaamheden. De aanvraag tot opschorting van de heffing wordt eveneens bijgevoegd. § 3. Het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn wordt gestaafd door de nodige stukken die aantonen dat: 1° de aanvraag voor subsidiëring krachtens artikel 42, § 1, van het decreet wegens budgettaire redenen niet werd ingewilligd; 2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in artikel 2.6.7.1.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013; 3° de aanvaarde vernieuwing omwille van economische, ruimtelijke, juridische en/of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in artikel 2.6.7.1.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

De aanvraag tot verlenging van de opschorting van de heffing wordt eveneens bijgevoegd. § 4. Het departement onderzoekt of het vernieuwingsvoorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting volledig is, overeenkomstig paragraaf 2 en paragraaf 3.

Als het voorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting onvolledig wordt bevonden, brengt het departement de aanvrager binnen vijftien kalenderdagen na de betekening van de indiening van het voorstel of van het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn per aangetekende zending hiervan op de hoogte, met vermelding van de ontbrekende gegevens.

Als het voorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting volledig wordt bevonden, brengt het departement de indiener binnen vijftien kalenderdagen daarvan met een aangetekende brief op de hoogte.

Als het departement binnen vijftien kalenderdagen geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht volledig te zijn. § 5. Het departement betekent zijn beslissing over de al dan niet aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel of van het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn, samen met de eventuele vermelding van de opschorting van de heffing, hetzij na de verzendingsdatum van het schrijven inzake de volledigheid van het voorstel tot vernieuwing, hetzij na de dag die volgt op het verstrijken van de termijn vermeld in paragraaf 4, derde lid, in het geval het departement geen schrijven inzake de volledigheid heeft betekend. § 6. Als het departement binnen de termijn van dertig kalenderdagen nog geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting geacht aanvaard te zijn. Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting.

Art. 2.6.7.0.2. De eigenaar stuurt het verzoek tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een definitief gesloten brownfieldconvenant met een aangetekende brief naar het departement.

De aanvraag tot opschorting moet worden gestaafd door een afschrift van het brownfieldconvenant, dat definitief werd gesloten met toepassing van hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten.

Het departement betekent de al dan niet aanvaarding van het voorstel tot opschorting aan de indiener binnen dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de aangetekende brief over de aanvraag tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een definitief gesloten brownfieldconvenant.

Als het departement binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht aanvaard te zijn.

Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting van de heffing.

Art. 2.6.7.0.3. De eigenaar stuurt het verzoek tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met een aangetekende brief naar het departement. De aanvraag tot opschorting moet worden gestaafd door een afschrift van het door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met toepassing van titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

Het departement betekent de al dan niet aanvaarding van het voorstel tot opschorting aan de indiener binnen dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de aangetekende brief over de aanvraag tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject.

Als het departement binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht aanvaard te zijn.

Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting van de heffing.

Art. 2.6.7.0.4. De eigenaar stuurt het verzoek tot opschorting voor tijdelijk om bedrijfseconomische redenen leegstaande maar niet verwaarloosde bedrijfsruimten, met een aangetekende brief naar het departement. De aanvraag tot opschorting moet worden gestaafd door een verslag van de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie waarin de gemeente ligt.

Het departement kan het verzoek tot opschorting aanvaarden als aan de hand van het verslag, opgemaakt door de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie waarin de gemeente ligt, blijkt dat de leegstaande bedrijfsruimte onmiddellijk kan worden hergebruikt.

Het departement betekent de al dan niet aanvaarding van het voorstel tot opschorting aan de indiener binnen dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de aangetekende brief over de aanvraag tot opschorting voor tijdelijk om bedrijfseconomische redenen leegstaande maar niet vervallen bedrijfsruimten.

Als het departement binnen de termijn, vermeld in het derde lid, geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht aanvaard te zijn.

Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting.

TITEL 3. - Inning en invordering HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen Art. 3.1.0.0.1. Een bedrag van 20 % van de elk jaar geïnde leegstandsheffing bedrijfsruimten, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen, de nalatigheidsinteresten, de administratieve geldboetes en de kosten, wordt aan de gemeenten doorgestort als vergoeding voor de administratiekosten die ze in het kader van die heffing moeten maken voor de bedrijfsruimten die op hun grondgebied liggen.

Bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen wordt het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoedingen en opcentiemen.

Art. 3.1.0.0.2. De gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze ter uitvoering van de verkrottingsheffing woningen en gebouwen moeten maken: 1° een eenmalige vergoeding van 15 % van de opbrengst van de eerste belasting met betrekking tot de onroerende goederen die op het grondgebied van de gemeente liggen, met een maximum van 125 euro per belaste woning of gebouw, voor elk gebouw of elke woning waarvan de gemeente de correcte gegevens en indicaties, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen, heeft meegedeeld aan het agentschap;2° vanaf de eerste heffing, 6% van de jaarlijkse opbrengst van de belasting met betrekking tot de onroerende goederen die op het grondgebied van de gemeente liggen voor het beheer van de inventaris, inclusief de opsporings- en vaststellingskosten, op voorwaarde dat de gebouwen of woningen werden gesignaleerd overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen. De gemeentelijke opcentiemen, de nalatigheidsinteresten, de administratieve geldboetes en de kosten worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de opbrengst van de belasting, vermeld in het vorige lid.

De onkostenvergoeding wordt berekend op de geïnde heffingen.

De vergoedingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden toegekend ongeacht het tijdstip waarop de gegevens werden meegedeeld, op voorwaarde dat de belasting voor het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tijdig kon worden opgenomen in het kohier.

Bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen wordt het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoedingen en opcentiemen.

Art. 3.1.0.0.3. De vergoeding, vermeld in artikel 3.1.0.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt uiterlijk op 31 mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, berekend op basis van de door het kadaster aangeleverde informatie over materieel en outillage, en op basis van de door het Vlaams Energieagentschap aangeleverde informatie over de energiezuinige woningen en gebouwen, ingevolge de toepassing van artikel 2.1.5.0.1, § 2, en artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 4°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

Art. 3.1.0.0.4. De vergoeding, vermeld in artikel 3.1.0.0.3, wordt uitbetaald, samen met het saldo van de opcentiemen, vermeld in artikel 3.1.0.0.4, § 5, 5°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en wordt uiterlijk gestort op de laatste bankwerkdag van de maand juli van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie.

Art. 3.1.0.0.5. Gederfde opbrengsten die ontstaan na het tijdstip, vermeld in artikel 3.1.0.0.3, worden halfjaarlijks, uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand december en de maand juni, doorgestort.

HOOFDSTUK 2. - Inkohiering Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.2.1.0.1. De kohieren worden opgemaakt hetzij per belasting afzonderlijk, hetzij gezamenlijk voor verschillende belastingen.

Art. 3.2.1.0.2. Kohieren kunnen betrekking hebben op een of meer aanslagjaren. De tarieven en eventueel de opcentiemen en de opdeciem in verband met de respectieve aanslagjaren zijn van toepassing.

Art. 3.2.1.0.3. De aanslagen worden op naam van de betrokken belastingplichtigen ingekohierd.

Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring Art. 3.2.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden Art. 3.2.3.0.1. Aanslagen ten laste van overleden belastingplichtigen worden ingekohierd op hun naam, voorafgegaan van het woord "Nalatenschap".

Als een onroerend goed in onverdeeldheid toebehoort aan meerdere belastingplichtigen, wordt de aanslag ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van hen, gevolgd door de vermelding "en rechthebbenden".

Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap Art. 3.2.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze Art. 3.2.5.0.1. De belastingen en toebehoren worden in elk stadium van de berekening in euro vastgesteld en afgerond op de cent.

HOOFDSTUK 3. - Aanslagprocedure Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.3.1.0.1. De aangifte van een voertuig, vermeld in artikel 3.3.1.0.1 of 3.3.1.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, geschiedt door middel van een formulier, afgeleverd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

De belastingplichtige dient de aangifte behoorlijk ingevuld en ondertekend in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Art. 3.3.1.0.2. De belastingplichtige geeft elke wijziging van de elementen van de aangifte aan voordat hij het voertuig in zijn gewijzigde toestand gebruikt.

Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk Art. 3.3.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Aanslagtermijn Art. 3.3.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Aanslagbiljet Art. 3.3.4.0.1. Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet gezonden.

Afdeling 5. - Verzending Art. 3.3.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 4. - Betalingen Afdeling 1. - Algemeen Art. 3.4.1.0.1. De belastingen worden betaald aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

De betaling van de belastingen mag alleen geëist worden ingeval ze verschuldigd zijn blijkens een aangifte of een uitvoerbaar verklaard kohier.

Afdeling 2. - Betaaltermijn Art. 3.4.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Wijze van betaling Art. 3.4.3.0.1. De belastingen en toebehoren moeten worden betaald: 1° ofwel door storting of overschrijving op de rekening van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;2° ofwel met een gecertificeerde of gewaarborgde, vooraf gekruiste cheque ten gunste van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, getrokken op een financiële instelling die aangesloten of vertegenwoordigd is bij een betaalsysteem dat bereikbaarheid garandeert voor alle banken;3° ofwel door een elektronische betaling met een debetkaart, verricht aan een betaalterminal in de kantoren van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die over een betaalterminal beschikken. Onder debetkaart wordt verstaan, de door een financiële instelling uitgegeven plastic kaart die het, aan de hand van de gegevens op de chip, mogelijk maakt via elektronische weg een betalingsverrichting ten gunste van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie uit te voeren.

Het bevoegde personeelslid kan in bijzondere omstandigheden andere wijzen van betaling toestaan.

Art. 3.4.3.0.2. Belastingen waarvoor een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vervolgingen instelt, kunnen in afwijking van artikel 3.4.1.0.1 en 3.4.3.0.1 betaald worden in handen van die gerechtsdeurwaarder.

Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier Art. 3.4.4.0.1. De belastingschuldige moet bij de betaling de gestructureerde mededeling vermelden die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft opgegeven.

Afdeling 5. - Bewijs van betaling Art. 3.4.5.0.1. Behoudens tegenbewijs gelden als bewijs van betaling: 1° voor stortingen, de door de naamloze vennootschap van publiek recht bpost of door de financiële instelling gedagtekende ontvangstbewijzen;2° voor overschrijvingen, cheques en elektronische betalingen met een debetkaart, verricht aan een betaalterminal in de kantoren van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, de rekeninguittreksels en erbij behorende stukken. Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling Art. 3.4.6.0.1. Betalingen van belastingen en toebehoren hebben uitwerking: 1° voor stortingen en voor overschrijvingen, op de datum waarop de rekening van het Vlaamse Gewest wordt gecrediteerd;2° voor betalingen met een gecertificeerde of gewaarborgde cheque, op de datum waarop de cheque door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is ontvangen; 3° voor de betalingen, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, op de datum van de afgifte van de fondsen in handen van de gerechtsdeurwaarder; 4° voor de elektronische betalingen met een debetkaart, verricht aan een betaalterminal in de kantoren van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de rekeninghouder zelf heeft uitgevoerd, op de werkelijke datum van de verrichting. Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering Art. 3.4.7.0.1. De aanvraag tot de evenredige teruggave van de belasting, vermeld in artikel 3.4.7.0.5, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet gestaafd worden met documenten waaruit de inactiviteit van het voertuig op een rechtstreekse of onrechtstreekse manier blijkt.

Documenten die de inactiviteit kunnen staven, zijn onder meer: 1° documenten, uitgereikt in het kader van de arbeidsreglementering;2° documenten in het kader van de sociale wetgeving;3° documenten in het kader van de rij- en rusttijden;4° vrachtbrieven;5° documenten in verband met herstellingen aan het voertuig. Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten Art. 3.4.8.0.1. Als een belastingschuldige met toepassing van artikel 3.4.8.0.1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, verzoekt om gespreide betaling van het eurovignet, moet het bevoegde personeelslid bij de schrapping van de nummerplaat, bij een wijziging van de fiscale parameters van het voertuig (aantal assen, emissienorm van de motor) of bij de vervanging van het voertuig, op verzoek van de belastingschuldige, respectievelijk terugbetalen of aanrekenen volgens de volgende formule: B = [Euv' - (Euv x n/360)] - 25 euro, waarbij: 1° B = het totaal bedrag van de teruggave of van het aan te rekenen bedrag;2° Euv' = het bedrag van het eurovignet dat al voor het voertuig werd betaald in het kader van de gespreide betaling;3° Euv = het jaarbedrag dat voor het voertuig verschuldigd is;4° n = de aangevangen volledige dagen van de belastbare periode, waarbij iedere maand wordt beschouwd als een geheel van dertig dagen. Dat cijfer moet steeds afgerond worden op het hogere veelvoud van 30; 5° 25 euro = het wettelijk vastgestelde bedrag van de administratiekosten. HOOFDSTUK 5. - Bezwaar Afdeling 1. - Ontvangstmelding Art. 3.5.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Bezwaartermijn Art. 3.5.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen Art. 3.5.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden Art. 3.5.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Behandeltijd Art. 3.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar Art. 3.5.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 7. - Collectieve beslissing Art. 3.5.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 8. - Hoorzitting Art. 3.5.8.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 9. - Kennisgeving Art. 3.5.9.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 6. - Ambtshalve ontheffing Art. 3.6.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 7. - Nietigverklaring Art. 3.7.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 8. - Gerechtelijk beroep Art. 3.8.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 9. - Interesten Afdeling 1. - Nalatigheidinteresten Art. 3.9.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Moratoriuminteresten Art. 3.9.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 10. - Invordering Afdeling 1. - Herinnering Art. 3.10.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Laatste herinnering Art. 3.10.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Vervolging Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 3.10.3.1.1. De belastingen die niet binnen de wettelijke termijnen voldaan zijn, worden ingevorderd via rechtstreekse of onrechtstreekse vervolging.

De rechtstreekse vervolging is gericht tegen de belastingschuldigen of hun vertegenwoordiger. De onrechtstreekse vervolging wordt tegen derden ingesteld. De vervolging waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bijstand vraagt van een gerechtsdeurwaarder, wordt ingesteld ingevolge persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften, uitgevaardigd door de bevoegde personeelsleden die in het bezit zijn van de kohieren.

Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.2.1. De rechtstreekse vervolgingen omvatten: 1° het dwangbevel;2° het uitvoerend beslag op roerend goed;3° het beslag op tak- en wortelvaste vruchten;4° het uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen;5° het uitvoerend beslag op onroerend goed. Art. 3.10.3.2.2. Als de termijn, vermeld in artikel 3.10.3.2.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 verstreken is, kan overgegaan worden tot uitvoerend beslag op roerend goed.

Art. 3.10.3.2.3. Uitvoerend beslag op roerend goed wordt gelegd niettegenstaande verzet tegen het dwangbevel, tenzij de gerechtsdeurwaarder het nuttig acht om daarover de mening van het bevoegde personeelslid in te winnen die, naargelang van het geval, de schorsing of de voortzetting van verdere vervolgingen gelast.

Alleen verzet aangaande de vorm van de akten schorst de tenuitvoerlegging, met dien verstande dat de verkoop van de in beslag genomen voorwerpen pas kan geschieden na een gerechtelijke beslissing.

Art. 3.10.3.2.4. Tegenover belastingschuldigen die door wegneming van roerende voorwerpen of anderszins pogen de waarborgen van de Schatkist te doen verdwijnen of gewoon te verminderen, kan het bevoegde personeelslid rechtstreeks uitvoerend beslag op roerend goed doen leggen zonder voorafgaande betekening van een dwangbevel.

In dat geval behelst het exploot van inbeslagneming het dwangbevel vóór beslag en bevat het de diverse vermeldingen, vermeld in artikel 3.10.3.2.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, derde lid, alsook de gronden voor het niet vooraf betekenen van een dwangbevel.

Art. 3.10.3.2.5. Het is de bevoegde personeelsleden verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks, enig voorwerp waarvan ze de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en met oplegging van de tuchtstraffen, bepaald in het Vlaams Personeelsstatuut.

Art. 3.10.3.2.6. Als geen andere schuldeisers beslag of verzet hebben gedaan, wordt de bruto-opbrengst van de verkoop gestort in handen van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

De gerechtsdeurwaarder trekt evenwel eerst de vervolgingskosten af die hem toekomen.

Als andere schuldeisers beslag of verzet hebben gedaan, voert de gerechtsdeurwaarder de evenredige verdeling uit op de wijze, bepaald in artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 3.10.3.2.7. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie rekent de hem gestorte sommen aan volgens de regels, vermeld in artikel 3.4.7.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en betaalt de belastingschuldige het eventuele overschot terug.

Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging Art. 3.10.3.3.1. § 1. Het bevoegde personeelslid kan met een aangetekende brief uitvoerend beslag onder derden leggen op de sommen en zaken die aan een belastingschuldige verschuldigd zijn of toebehoren, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door die laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen en toebehoren. Het beslag wordt eveneens met een aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd. Als de belastingschuldige noch in België, noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen verblijfplaats heeft, wordt het beslag aangezegd met aangetekende brief aan de met toepassing van artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegde procureur des Konings.

Dat beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.

De belastingschuldige kan tegen het beslag met een aangetekende brief verzet aantekenen bij het bevoegde personeelslid binnen 15 dagen, te rekenen vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van afgifte ter post van de aanzegging van het beslag. De belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn met een aangetekende brief de derde-beslagene inlichten.

Als het beslag slaat op inkomsten als vermeld in artikel 1409, § 1 en § 1bis, en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste waarvan het model bepaald is door de minister van Justitie overeenkomstig artikel 1409ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. Het beslag, vermeld in paragraaf 1, geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden door het bevoegde personeelslid dat met de invordering is belast, van een bericht van beslag als vermeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek. § 3. Onder voorbehoud van paragraaf 1 zijn op dat beslag de bepalingen toepasselijk van artikel 1539, 1540, 1542, eerste en tweede lid, en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, met dien verstande dat het bedrag van het beslag wordt afgegeven in handen van het bevoegde personeelslid. § 4. De kosten voor de aangetekende brieven, vermeld in paragraaf 1 en 3, zijn ten laste van de belastingschuldige. § 5. De belastingschuldige wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen.

Art. 3.10.3.3.2. Het uitvoerend beslag onder derden moet worden uitgevoerd door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot op de wijze, bepaald in artikel 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, als blijkt: 1° dat de belastingschuldige zich verzet tegen het beslag, vermeld in artikel 3.10.3.3.1, § 1; 2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de belastingschuldige betwist; 3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden vóór het beslag, vermeld in artikel 3.10.3.3.1, § 1, gedaan door andere schuldeisers; 4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt. In de gevallen, vermeld in het eerste lid, blijft het beslag dat het bevoegde personeelslid overeenkomstig artikel 3.10.3.3.1, § 1, heeft gelegd, zijn bewarend effect behouden als een uitvoerend beslag onder derden bij gerechtsdeurwaardersexploot wordt gelegd als vermeld in artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na de afgifte ter post van het verzet van de belastingschuldige, vermeld in artikel 3.10.3.3.1, § 1, derde lid, of van de verklaring, vermeld in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek.

Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten Art. 3.10.3.4.1. De vervolgingskosten worden bepaald volgens de regels die gelden voor de akten van de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken.

Art. 3.10.3.4.2. De vervolgingskosten vallen ten laste van de belastingschuldigen.

Art. 3.10.3.4.3. De vervolgingskosten die niet bij de belastingschuldigen kunnen worden gerecupereerd, worden gedragen door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

Volgende kosten kunnen noch bij de belastingschuldigen noch bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden gerecupereerd: 1° kosten van akten die niet met de oorspronkelijke stukken kunnen worden gestaafd;2° kosten die het gevolg zijn van vervolgingen die willekeurig, zonder dwangschrift of in een met deze reglementering strijdige orde gedaan zijn;3° kosten, gedaan tegen kennelijk onvermogende belastingschuldigen. Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen Art. 3.10.3.5.1. De vervolgingen worden ingesteld door gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de dwangbevelen en die de beslagleggingen en de verkopingen doen.

De gerechtsdeurwaarders mogen voor die vervolgingen geen aanspraak maken op hogere of andere rechten of kosten dan die welke in artikel 3.10.3.4.1 vastgesteld zijn, op straffe van terugbetaling en schadevergoeding.

Afdeling 4. - Bijzondere gevallen Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijk samenwonenden Art. 3.10.4.1.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen Art. 3.10.4.2.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen Art. 3.10.4.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld Art. 3.10.4.4.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar Art. 3.10.4.5.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen Art. 3.10.4.6.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 5. - Zekerheden Onderafdeling 1. - Waarborg Art. 3.10.5.1.1. De omvang van de waarborg, voorgeschreven in artikel 3.10.5.1.1, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt bij beslissing van het bevoegde personeelslid vastgelegd.

Ze moet gelijk zijn aan het vermoedelijke bedrag van de verplichtingen over een jaar die op grond van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 aan de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon kunnen worden opgelegd, na aftrek van de nettoverkoopwaarde van zijn goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die liggen in België of in een land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU van de raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen.

De waarborg mag evenwel in geen geval minder dan 750 euro bedragen.

Art. 3.10.5.1.2. De te verstrekken waarborg bestaat hetzij uit een zakelijke zekerheid in de vorm van een hypotheekvestiging of van een borgtocht in geld, hetzij uit een persoonlijke borgstelling.

Het bevoegde personeelslid mag andere wijzen van waarborgstelling aanvaarden.

Indien nodig mogen de voormelde wijzen gelijktijdig worden aangewend om de totale zekerheid te verstrekken.

Art. 3.10.5.1.3. De onroerende goederen die als hypothecaire waarborg worden aangeboden, moeten in België liggen.

Als het om gebouwen gaat, dan wordt vóór de aanneming van de hypothecaire aanwending bewijs gegeven van voldoende verzekering tegen brand. In de akte moet worden vermeld dat de regelmatige betaling van de premie jaarlijks zal worden bewezen op straffe van verval van de aanneming.

In alle gevallen wordt bewijs verstrekt van de eigendom en van de hypothecaire staat van het onroerend goed, en wordt de waarde daarvan op kosten van de belastingschuldige vastgelegd door alle middelen die voldoening schenken en onder meer door een schatting van een algemeen als bevoegd erkende deskundige, als dat door het bevoegde personeelslid geëist wordt.

Art. 3.10.5.1.4. Borgtochten in geld worden gestort of overgeschreven op de rekening op naam van de Deposito- en Consignatiekas. In alles, en inzonderheid met betrekking tot de interest die aan de deponent verschuldigd is, worden ze met deposito's bij de Deposito- en Consignatiekas gelijkgesteld.

Art. 3.10.5.1.5. De persoonlijke borg moet volgens de Belgische wet bekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan en aangenomen worden door het bevoegde personeelslid.

Art. 3.10.5.1.6. Als de zakelijke zekerheid of de gegoedheid van de persoonlijke borg wegens enige oorzaak zoals waardevermindering van de tot zekerheid dienende onroerende goederen of merkelijke vermindering van het fortuin van de borg onvoldoende wordt geacht, moet de belastingschuldige op het eerste verzoek van het bevoegde personeelslid een nieuwe zakelijke zekerheid of een nieuwe persoonlijke borg stellen.

Art. 3.10.5.1.7. In de akten wordt de administratie vertegenwoordigd door het bevoegde personeelslid.

Samen met de nodige inlichtingen en bewijsstukken en binnen de termijn, vastgesteld in artikel 3.10.5.1.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, overhandigt de belastingschuldige aan dat personeelslid hetzij het ontwerp van akte van hypotheekvestiging, van verpanding van een inschrijving op naam of van verbintenis van de persoonlijke borg, hetzij het stortingsbewijs of het bewijs van deponering voor borgtochten in geld.

Onderafdeling 2. - Voorrecht Art. 3.10.5.2.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek Art. 3.10.5.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 11. - Wederzijdse internationale bijstand Art. 3.11.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 12. - Verplichtingen van derden Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden Art. 3.12.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen Art. 3.12.2.0.1. Het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt uitgereikt nadat de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon een aanvraag heeft ingediend.

Het attest wordt uitgereikt binnen acht dagen na de indiening van de aanvraag.

Art. 3.12.2.0.2. Per krediet, lening of voorschot waarvoor een voordeel inzake economische expansie is aangevraagd, hoeven de kredietinstellingen en -inrichtingen, vermeld in artikel 3.12.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, in principe, in het bezit zijn van maar één attest.

De datum van uitreiking van dat attest mag niet vroeger zijn dan één maand vóór de datum van de aanvraag tot verkrijging van het voordeel, en mag ook niet later zijn dan die datum.

Er moet evenwel een nieuw attest worden voorgelegd als de beslissing tot toekenning van het voordeel niet is genomen binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het attest.

Art. 3.12.2.0.3. Een exemplaar van het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt door het bevoegde personeelslid gezonden aan de overheid, vermeld in de aanvraag van het attest.

Als uit het attest blijkt dat een bedrag als belastingen of toebehoren verschuldigd is waarvoor de betalingstermijn verstreken is en dat gevestigd werd op naam van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een voordeel inzake economische expansie heeft aangevraagd, bepaalt de beslissing tot toekenning van het voordeel dat de kredietinstelling of -inrichting de fondsen niet geheel mag vrijgeven, tenzij de betrokkene zijn belastingschuld heeft betaald.

Art. 3.12.2.0.4. § 1. Als uit het uitgereikte attest dat aan de kredietinstelling of -inrichting wordt overgelegd, blijkt dat een bedrag als belastingen of toebehoren verschuldigd is waarvoor de betalingstermijn verstreken is en dat gevestigd werd op naam van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een krediet, lening of voorschot is verleend waarvoor een voordeel inzake economische expansie is aangevraagd, mogen de fondsen die afkomstig zijn van het krediet, de lening of het voorschot ten belope van dat bedrag niet worden vrijgegeven, tenzij de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon een attest overlegt waarin het bevoegde personeelslid verklaart dat die belastingen en bijbehoren betaald zijn.

Met instemming van de belastingschuldige mag de kredietinstelling of -inrichting die fondsen evenwel rechtstreeks overmaken aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. § 2. In het geval, vermeld in artikel 3.12.2.0.2, derde lid, hoeft de kredietinstelling of -inrichting met de gegevens van het nieuwe attest alleen rekening te houden als de fondsen nog niet zijn vrijgegeven vóór het verstrijken van de in die bepaling vermelde termijn van zes maanden.

HOOFDSTUK 13. - Onderzoek en controle Afdeling 1. - Administratieve controle Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 3.13.1.1.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingplichtige Art. 3.13.1.2.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 3. - Plichten van derden Art. 3.13.1.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instellingen Art. 3.13.1.4.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Controle ter plaatse Art. 3.13.2.0.1. Onverminderd de bevoegdheden die toevertrouwd worden aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie, aan ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen en de ambtenaren van het kadaster, zijn de bevoegde personeelsleden gemachtigd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest overtredingen op te sporen en om de processen-verbaal op te stellen wegens schending van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, alsook om het ontdoken bedrag van de belasting, verhoogd met de administratieve geldboete, onmiddellijk te innen.

Art. 3.13.2.0.2. Het bevoegde personeelslid legitimeert zich met een legitimatiekaart die de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft uitgereikt overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met de inspectie- of controlebevoegdheden.

Art. 3.13.2.0.3. Zodra aan zijn aanwijzing een einde komt, bezorgt het bevoegde personeelslid de legitimatiekaart onmiddellijk terug aan de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het bevoegde personeelslid moet het verlies van de legitimatiekaart onmiddellijk aan de leidend ambtenaar melden.

Art. 3.13.2.0.4. Voor de toepassing van artikel 3.13.2.0.1, 3.13.2.0.2 en 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 dragen de bevoegde personeelsleden een uniform waarvan het model wordt bepaald door de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

HOOFDSTUK 14. - Verjaring Afdeling 1. - Termijn Art. 3.14.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Stuiting Art. 3.14.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Schorsing Art. 3.14.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 15. - Strafrechtelijke vervolging Afdeling 1. - Algemene bepalingen Art. 3.15.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 2. - Opsporing van inbreuken Art. 3.15.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

Afdeling 3. - Strafrechtelijke sancties Art. 3.15.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 16. - Verval van het recht op vertegenwoordiging Art. 3.16.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 17. - Bewijsmiddelen van de administratie Art. 3.17.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

HOOFDSTUK 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes Art. 3.18.0.0.1. Overeenkomstig artikel 3.18.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt de belastingverhoging die van toepassing is op de inbreuken tegen titel 2, hoofdstuk 4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 of tegen dit besluit, geregeld volgens de schaal, opgenomen in de bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd.

HOOFDSTUK 19. - Beroepsgeheim Art. 3.19.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen Art. 4.1.0.0.1. In titel I van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, worden hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 7, hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 8, 10 en 11, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 12, en hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 13, opgeheven.

Art. 4.1.0.0.2. Artikel 14/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, wordt opgeheven.

Art. 4.1.0.0.3. In titel II van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012, worden hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 15 en 16, hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 17 tot en met 22, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 23 en 24, hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 25 en 26, en hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 30, opgeheven.

Art. 4.1.0.0.4. Titel V van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 14 april 1993 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, die bestaat uit artikel 58 en 58bis, wordt opgeheven.

Hoofdstuk 2. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen Art. 4.2.0.0.1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998, 30 juni 2006, 10 juli 2009 en 20 mei 2011, wordt punt 1° vervangen door wat volgt : "1° decreet: titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.".

Art. 4.2.0.0.2. Artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, wordt opgeheven.

Art. 4.2.0.0.3. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, worden artikel 10, § 1, eerste en tweede lid, artikel 10, § 2, artikel 11 en artikel 12 opgeheven.

Art. 4.2.0.0.4. Hoofdstuk V van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, dat bestaat uit artikel 13, wordt opgeheven.

Art. 4.2.0.0.5. Hoofdstuk VI van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, dat bestaat uit artikel 14, wordt opgeheven.

Art. 4.2.0.0.6. Hoofdstuk VII van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2009, dat bestaat uit artikel 15, 16 en 18, wordt opgeheven.

Art. 4.2.0.0.7. Hoofdstuk VIII van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, dat bestaat uit artikel 19, wordt opgeheven.

Art. 4.2.0.0.8. Artikel 19ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004, wordt opgeheven.

Hoofdstuk 3. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten Art. 4.3.0.0.1. Hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, dat bestaat uit artikel 14, 15, 16, 18, 18bis, 18ter en 19, wordt opgeheven.

Art. 4.3.0.0.2. In artikel 31, 1°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "artikel 18" vervangen door de zinsnede "artikel 2.6.7.0.1 van het besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013".

HOOFDSTUK 4. - Kruisverwijzingen Art. 4.4.0.0.1. Kruisverwijzingen naar de bepalingen die naar aanleiding van deze codificatie zijn opgeheven, moeten worden gelezen overeenkomstig concordantietabel 1 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen Art. 5.0.0.0.1. De volgende regelingen worden opgeheven : 1° het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013;2° het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 en 7 december 2012;3° het Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011;4° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006;5° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen;6° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013;7° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet;8° hoofdstuk I van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;9° het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 december 2002. TITEL 6. - Citeertitel Art. 6.0.0.0.1. Dit besluit wordt aangehaald als: besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013.

TITEL 7. - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen Art. 7.0.0.0.1. Titel 1, 3, 4, 5, 6 en 7 van dit besluit treden in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van titel 4, hoofdstuk 1 en artikel 5.0.0.0.1, 2°, 3° en 8° die in werking treden vanaf aanslagjaar 2014 voor wat betreft de bepalingen van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet die overeenkomstig de concordantietabel 1 uit bijlage 1 een corresponderende bepaling hebben in titel 2 van dit besluit.

Titel 2 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2014.

Art. 7.0.0.0.2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 20 december 2013.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS

Bijlage 1. - Belastingverhogingen die van toepassing zijn op inbreuken tegen titel 2, hoofdstuk 4 met betrekking tot het eurovignet.

soort overtreding

niveau boete

A.

- eurovignet al meer dan een maand vervallen;

eenmaal het niet-betaalde bedrag, met een minimum van 250 euro en een maximum van 1550 euro

B.

- geen eurovignet; - te lage tariefcategorie voor het eurovignet; - eurovignet betaald in het buitenland voor een in België ingeschreven voertuig;

tweemaal het niet-betaalde bedrag, met een minimum van 250 euro en een maximum van 3100 euro

C.

- inbreuk op artikel 2.4.6.0.1, § 1, 2°, of § 2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (misbruik van het rittenblad); - valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken;

driemaal het niet-betaalde bedrag, met een minimum van 250 euro en een maximum van 4650 euro

D.

- eurovignet minder dan een maand vervallen; - in afwijking van de boete, bepaald in B, bij vaststelling van de overtreding wegens het nalaten van een nieuwe aangifte bij wijziging van de kentekenplaat met betrekking tot hetzelfde voertuig op naam van dezelfde belastingplichtige, voorzover aan volgende voorwaarden cumulatief is voldaan : - de overtreding wordt vastgesteld voor het einde van de tweede maand die volgt op de maand van de schrapping van de vorige kentekenplaat voor hetzelfde voertuig en dezelfde belastingplichtige; - op het ogenblik van de schrapping van de vorige kentekenplaat uit het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid was er een geldig eurovignet voor hetzelfde voertuig en dezelfde belastingplichtige; - binnen dertig dagen na de vaststelling van de overtreding wordt er een nieuwe aangifte ingediend voor een eurovignet voor hetzelfde voertuig door dezelfde belastingplichtige op basis van de nieuwe kentekenplaat.

250 euro


Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

Brussel, 20 december 2013.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS

Bijlage 2. - Concordantietabellen Concordantietabel 1 Tabel 1 : WIB 92

Bepaling WIB 92

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 300

Art. 3.2.1.0.1

Art. 300

Art. 3.2.1.0.2

Art. 300

Art. 3.2.3.0.1

Art. 300

Art. 3.2.5.0.1

Art. 300

Art. 3.4.1.0.1

Art. 300

Art. 3.4.3.0.1

Art. 300

Art. 3.4.3.0.2

Art. 300

Art. 3.4.4.0.1

Art. 300

Art. 3.4.5.0.1

Art. 300

Art. 3.4.6.0.1

Art. 300

Art. 3.10.3.1.1

Art. 300

Art. 3.10.3.2.1

Art. 300

Art. 3.10.3.2.2

Art. 300

Art. 3.10.3.2.3

Art. 300

Art. 3.10.3.2.4

Art. 300

Art. 3.10.3.2.5

Art. 300

Art. 3.10.3.2.6

Art. 300

Art. 3.10.3.2.7

Art. 300

Art. 3.10.3.3.1

Art. 300

Art. 3.10.3.3.2

Art. 300

Art. 3.10.3.4.1

Art. 300

Art. 3.10.3.4.2

Art. 300

Art. 3.10.3.4.3

Art. 300

Art. 3.10.3.5.1

Art. 300

Art. 3.10.5.1.1

Art. 300

Art. 3.10.5.1.2

Art. 300

Art. 3.10.5.1.3

Art. 300

Art. 3.10.5.1.4

Art. 300

Art. 3.10.5.1.5

Art. 300

Art. 3.10.5.1.6

Art. 300

Art. 3.10.5.1.7

Art. 300

Art. 3.12.2.0.1

Art. 300

Art. 3.12.2.0.2

Art. 300

Art. 3.12.2.0.3

Art. 300

Art. 3.12.2.0.4

Art. 300

Art. 3.13.2.0.1


Tabel 2 : Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92)

Bepaling KB/WIB 92

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 128

Art. 3.2.1.0.1

Art. 129

Art. 3.2.1.0.2

Art. 130

Art. 3.2.1.0.2

Art. 133, § 1

Art. 3.2.1.0.3

Art. 133, § 2

Art. 3.2.3.0.1

Art. 133, § 3

Art. 3.2.3.0.1

Art. 134

Art. 3.2.5.0.1

Art. 135

Art. 3.2.5.0.1

Art. 136

Art. 3.3.4.0.1

Art. 137

Art. 3.4.1.0.1

Art. 138

Art. 3.4.1.0.1

Art. 139, § 1

Art. 3.4.3.0.1

Art. 139, § 2

Art. 3.4.4.0.1

Art. 139, § 3

Art. 3.4.5.0.1

Art. 141

Art. 3.4.3.0.2

Art. 142

Art. 3.4.6.0.1

Art. 146

Art. 3.10.3.1.1

Art. 147

Art. 3.10.3.1.1

Art. 148

Art. 3.10.3.2.1

Art. 151

Art. 3.10.3.2.2

Art. 153

Art. 3.10.3.2.3

Art. 154

Art. 3.10.3.2.4

Art. 161

Art. 3.10.3.2.5

Art. 162

Art. 3.10.3.2.6

Art. 163

Art. 3.10.3.2.7

Art. 164

Art. 3.10.3.3.1

Art. 165

Art. 3.10.3.3.2

Art. 167

Art. 3.10.3.5.1

Art. 172

Art. 3.10.3.4.1

Art. 173

Art. 3.10.3.4.2

Art. 174

Art. 3.10.3.4.3

Art. 176

Art. 3.13.2.0.1

Art. 211

Art. 3.10.5.1.1

Art. 213

Art. 3.10.5.1.2

Art. 214

Art. 3.10.5.1.3

Art. 215

Art. 3.10.5.1.4

Art. 217

Art. 3.10.5.1.5

Art. 218

Art. 3.10.5.1.6

Art. 219

Art. 3.10.5.1.7

Art. 221

Art. 3.12.2.0.1

Art. 222

Art. 3.12.2.0.2

Art. 223

Art. 3.12.2.0.3

Art. 224

Art. 3.12.2.0.4


Tabel 3 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd

Bepaling besluit 18 juli 2003

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art.1

Art. 2.1.6.0.1

Art. 2

Art. 2.1.6.0.2

Art. 3

Art. 2.1.6.0.3

Art. 4

Art. 2.1.6.0.4


Tabel 4 : Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen

Bepaling besluit 23 juli 2010

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 1

Art. 3.1.0.0.3

Art. 2

Art. 3.1.0.0.4

Art. 4

Art. 3.1.0.0.5


Tabel 5 : Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB)

Bepaling WIGB

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 2

Art. 3.2.1.0.1

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 2

Art. 3.2.3.0.1

Art. 2

Art. 3.2.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.1.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.2

Art. 2

Art. 3.4.4.0.1

Art. 2

Art. 3.4.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.6.0.1

Art. 2

Art. 3.10.3.1.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.2

Art. 2

Art. 3.10.3.2.3

Art. 2

Art. 3.10.3.2.4

Art. 2

Art. 3.10.3.2.5

Art. 2

Art. 3.10.3.2.6

Art. 2

Art. 3.10.3.2.7

Art. 2

Art. 3.10.3.3.1

Art. 2

Art. 3.10.3.3.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.1

Art. 2

Art. 3.10.3.4.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.3

Art. 2

Art. 3.10.3.5.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.2

Art. 2

Art. 3.10.5.1.3

Art. 2

Art. 3.10.5.1.4

Art. 2

Art. 3.10.5.1.5

Art. 2

Art. 3.10.5.1.6

Art. 2

Art. 3.10.5.1.7

Art. 2

Art. 3.12.2.0.1

Art. 2

Art. 3.12.2.0.2

Art. 2

Art. 3.12.2.0.3

Art. 2

Art. 3.12.2.0.4

Art. 2

Art. 3.13.2.0.1


Tabel 6 : Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (KB/WIGB)

Bepaling KB/WIGB

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 2

Art. 3.2.1.0.1

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 3, tweede zinsdeel

Art. 3.2.1.0.2

Art. 5

Art. 3.2.3.0.1

Art. 6

Art. 3.2.5.0.1

Art. 7

Art. 3.3.4.0.1

Art. 10

Art. 3.4.3.0.1

Art. 10

Art. 3.4.3.0.2

Art. 10

Art. 3.4.4.0.1

Art. 10

Art. 3.4.5.0.1

Art. 10

Art. 3.4.6.0.1

Art. 11

Art. 3.4.4.0.1

Art. 13

Art. 3.10.3.1.1

Art. 14/1

Art. 3.13.2.0.1

Art. 15, § 3

Art. 2.2.6.0.1

Art. 16

Art. 2.2.6.0.2

Art. 25

Art. 3.3.1.0.1

Art. 26

Art. 3.3.1.0.2

Art. 30

Art. 2.2.6.0.3


Tabel 7 : Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen

Bepaling besluit 10 december 2010

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 1

Art. 3.13.2.0.1

Art. 2, eerste lid

Art. 3.13.2.0.1

Art. 4

Art. 3.13.2.0.2

Art. 5

Art. 3.13.2.0.3

Art. 3

Art. 3.13.2.0.4


Tabel 8 : Wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Eurovignetwet)

Bepaling Eurovignetwet

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 2

Art. 3.2.1.0.1

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 2

Art. 3.2.3.0.1

Art. 2

Art. 3.2.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.1.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.2

Art. 2

Art. 3.4.4.0.1

Art. 2

Art. 3.4.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.6.0.1

Art. 2

Art. 3.10.3.1.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.2

Art. 2

Art. 3.10.3.2.3

Art. 2

Art. 3.10.3.2.4

Art. 2

Art. 3.10.3.2.5

Art. 2

Art. 3.10.3.2.6

Art. 2

Art. 3.10.3.2.7

Art. 2

Art. 3.10.3.3.1

Art. 2

Art. 3.10.3.3.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.1

Art. 2

Art. 3.10.3.4.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.3

Art. 2

Art. 3.10.3.5.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.2

Art. 2

Art. 3.10.5.1.3

Art. 2

Art. 3.10.5.1.4

Art. 2

Art. 3.10.5.1.5

Art. 2

Art. 3.10.5.1.6

Art. 2

Art. 3.10.5.1.7

Art. 2

Art. 3.12.2.0.1

Art. 2

Art. 3.12.2.0.2

Art. 2

Art. 3.12.2.0.3

Art. 2

Art. 3.12.2.0.4

Art. 2

Art. 3.13.2.0.1


Tabel 9 : Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993

Bepaling besluit 9 januari 1995

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 1

Art. 3.13.2.0.1

Art. 2/1

Art. 2.4.6.0.1


Tabel 10 : Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is

Bepaling besluit 8 september 1997

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 1

Art. 2.4.7.0.1


Tabel 11 : Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993

Bepaling besluit 19 december 2001

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 1

Art. 3.4.8.0.1

Art. 2

Art. 3.4.7.0.1


Tabel 12 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet

Bepaling besluit 18 maart 2011

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 3

Art. 3.18.0.0.1

Bijlage

Bijlage 1


Tabel 13 : Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen)

Bepaling decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 40bis

Art. 3.2.1.0.1

Art. 40bis

Art. 3.2.1.0.2

Art. 40bis

Art. 3.2.3.0.1

Art. 40bis

Art. 3.2.5.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.1.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.3.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.3.0.2

Art. 40bis

Art. 3.4.4.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.5.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.6.0.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.1.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.2

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.3

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.4

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.5

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.6

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.7

Art. 40bis

Art. 3.10.3.3.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.3.2

Art. 40bis

Art. 3.10.3.4.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.4.2

Art. 40bis

Art. 3.10.3.4.3

Art. 40bis

Art. 3.10.3.5.1

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.1

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.2

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.3

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.4

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.5

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.6

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.7

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.1

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.2

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.3

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.4

Art. 40bis

Art. 3.13.2.0.1


Tabel 14 : Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen

Bepaling besluit 2 april 1996

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 11, eerste lid

Art. 3.3.4.0.1

Art. 12, § 1

Art. 3.2.5.0.1

Art. 12, § 2

Art. 3.10.3.4.2

Art. 15

Art. 2.5.6.0.1

Art. 19

Art. 3.1.0.0.2


Tabel 15 : Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten)

Bepaling decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 33

Art. 3.2.1.0.1

Art. 33

Art. 3.2.1.0.2

Art. 33

Art. 3.2.3.0.1

Art. 33

Art. 3.2.5.0.1

Art. 33

Art. 3.4.1.0.1

Art. 33

Art. 3.4.3.0.1

Art. 33

Art. 3.4.3.0.2

Art. 33

Art. 3.4.4.0.1

Art. 33

Art. 3.4.5.0.1

Art. 33

Art. 3.4.6.0.1

Art. 33

Art. 3.10.3.1.1

Art. 33

Art. 3.10.3.2.1

Art. 33

Art. 3.10.3.2.2

Art. 33

Art. 3.10.3.2.3

Art. 33

Art. 3.10.3.2.4

Art. 33

Art. 3.10.3.2.5

Art. 33

Art. 3.10.3.2.6

Art. 33

Art. 3.10.3.2.7

Art. 33

Art. 3.10.3.3.1

Art. 33

Art. 3.10.3.3.2

Art. 33

Art. 3.10.3.4.1

Art. 33

Art. 3.10.3.4.2

Art. 33

Art. 3.10.3.4.3

Art. 33

Art. 3.10.3.5.1

Art. 33

Art. 3.10.5.1.1

Art. 33

Art. 3.10.5.1.2

Art. 33

Art. 3.10.5.1.3

Art. 33

Art. 3.10.5.1.4

Art. 33

Art. 3.10.5.1.5

Art. 33

Art. 3.10.5.1.6

Art. 33

Art. 3.10.5.1.7

Art. 33

Art. 3.12.2.0.1

Art. 33

Art. 3.12.2.0.2

Art. 33

Art. 3.12.2.0.3

Art. 33

Art. 3.12.2.0.4

Art. 33

Art. 3.13.2.0.1


Tabel 16 : Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten

Bepaling besluit 1 juli 1997

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Art. 14

Art. 3.1.0.0.1

Art. 18

Art. 2.6.7.0.1

Art. 18bis

Art. 2.6.7.0.2

Art. 18ter

Art. 2.6.7.0.3

Art. 19

Art. 2.6.7.0.4


Concordantietabel 2 Tabel 1 : WIB 92

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling WIB 92

Art. 3.2.1.0.1

Art. 300

Art. 3.2.1.0.2

Art. 300

Art. 3.2.3.0.1

Art. 300

Art. 3.2.5.0.1

Art. 300

Art. 3.4.1.0.1

Art. 300

Art. 3.4.3.0.1

Art. 300

Art. 3.4.3.0.2

Art. 300

Art. 3.4.4.0.1

Art. 300

Art. 3.4.5.0.1

Art. 300

Art. 3.4.6.0.1

Art. 300

Art. 3.10.3.1.1

Art. 300

Art. 3.10.3.2.1

Art. 300

Art. 3.10.3.2.2

Art. 300

Art. 3.10.3.2.3

Art. 300

Art. 3.10.3.2.4

Art. 300

Art. 3.10.3.2.5

Art. 300

Art. 3.10.3.2.6

Art. 300

Art. 3.10.3.2.7

Art. 300

Art. 3.10.3.3.1

Art. 300

Art. 3.10.3.3.2

Art. 300

Art. 3.10.3.4.1

Art. 300

Art. 3.10.3.4.2

Art. 300

Art. 3.10.3.4.3

Art. 300

Art. 3.10.3.5.1

Art. 300

Art. 3.10.5.1.1

Art. 300

Art. 3.10.5.1.2

Art. 300

Art. 3.10.5.1.3

Art. 300

Art. 3.10.5.1.4

Art. 300

Art. 3.10.5.1.5

Art. 300

Art. 3.10.5.1.6

Art. 300

Art. 3.10.5.1.7

Art. 300

Art. 3.12.2.0.1

Art. 300

Art. 3.12.2.0.2

Art. 300

Art. 3.12.2.0.3

Art. 300

Art. 3.12.2.0.4

Art. 300

Art. 3.13.2.0.1

Art. 300


Tabel 2 : Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92)

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling KB/WIB 92

Art. 3.2.1.0.1

Art. 128

Art. 3.2.1.0.2

Art. 129

Art. 3.2.1.0.2

Art. 130

Art. 3.2.1.0.3

Art. 133, § 1

Art. 3.2.3.0.1

Art. 133, § 2

Art. 3.2.3.0.1

Art. 133, § 3

Art. 3.2.5.0.1

Art. 134

Art. 3.2.5.0.1

Art. 135

Art. 3.3.4.0.1

Art. 136

Art. 3.4.1.0.1

Art. 137

Art. 3.4.1.0.1

Art. 138

Art. 3.4.3.0.1

Art. 139, § 1

Art. 3.4.3.0.2

Art. 141

Art. 3.4.4.0.1

Art. 139, § 2

Art. 3.4.5.0.1

Art. 139, § 3

Art. 3.4.6.0.1

Art. 142

Art. 3.10.3.1.1

Art. 146

Art. 3.10.3.1.1

Art. 147

Art. 3.10.3.2.1

Art. 148

Art. 3.10.3.2.2

Art. 151

Art. 3.10.3.2.3

Art. 153

Art. 3.10.3.2.4

Art. 154

Art. 3.10.3.2.5

Art. 161

Art. 3.10.3.2.6

Art. 162

Art. 3.10.3.2.7

Art. 163

Art. 3.10.3.3.1

Art. 164

Art. 3.10.3.3.2

Art. 165

Art. 3.10.3.4.1

Art. 172

Art. 3.10.3.4.2

Art. 173

Art. 3.10.3.4.3

Art. 174

Art. 3.10.3.5.1

Art. 167

Art. 3.10.5.1.1

Art. 211

Art. 3.10.5.1.2

Art. 213

Art. 3.10.5.1.3

Art. 214

Art. 3.10.5.1.4

Art. 215

Art. 3.10.5.1.5

Art. 217

Art. 3.10.5.1.6

Art. 218

Art. 3.10.5.1.7

Art. 219

Art. 3.12.2.0.1

Art. 221

Art. 3.12.2.0.2

Art. 222

Art. 3.12.2.0.3

Art. 223

Art. 3.12.2.0.4

Art. 224

Art. 3.13.2.0.1

Art. 176


Tabel 3 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 18 juli 2003

Art.2.1.6.0.1

Art. 1

Art. 2.1.6.0.2

Art. 2

Art. 2.1.6.0.3

Art. 3

Art. 2.1.6.0.4

Art. 4


Tabel 4 : Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 23 juli 2010

Art. 3.1.0.0.3

Art. 1

Art. 3.1.0.0.4

Art. 2

Art. 3.1.0.0.5

Art. 4


Tabel 5 : Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB)

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling WIGB

Art. 3.2.1.0.1

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 2

Art. 3.2.3.0.1

Art. 2

Art. 3.2.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.1.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.2

Art. 2

Art. 3.4.4.0.1

Art. 2

Art. 3.4.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.6.0.1

Art. 2

Art. 3.10.3.1.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.2

Art. 2

Art. 3.10.3.2.3

Art. 2

Art. 3.10.3.2.4

Art. 2

Art. 3.10.3.2.5

Art. 2

Art. 3.10.3.2.6

Art. 2

Art. 3.10.3.2.7

Art. 2

Art. 3.10.3.3.1

Art. 2

Art. 3.10.3.3.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.1

Art. 2

Art. 3.10.3.4.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.3

Art. 2

Art. 3.10.3.5.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.2

Art. 2

Art. 3.10.5.1.3

Art. 2

Art. 3.10.5.1.4

Art. 2

Art. 3.10.5.1.5

Art. 2

Art. 3.10.5.1.6

Art. 2

Art. 3.10.5.1.7

Art. 2

Art. 3.12.2.0.1

Art. 2

Art. 3.12.2.0.2

Art. 2

Art. 3.12.2.0.3

Art. 2

Art. 3.12.2.0.4

Art. 2

Art. 3.13.2.0.1

Art. 2


Tabel 6 : Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (KB/WIGB)

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling KB/WIGB

Art. 2.2.6.0.1

Art. 15, § 3

Art. 2.2.6.0.2

Art. 16

Art. 2.2.6.0.3

Art. 30

Art. 3.2.1.0.1

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 3, tweede zinsdeel

Art. 3.2.3.0.1

Art. 5

Art. 3.2.5.0.1

Art. 6

Art. 3.3.1.0.1

Art. 25

Art. 3.3.1.0.2

Art. 26

Art. 3.3.4.0.1

Art. 7

Art. 3.4.3.0.1

Art. 10

Art. 3.4.3.0.2

Art. 10

Art. 3.4.4.0.1

Art. 10

Art. 3.4.4.0.1

Art. 11

Art. 3.4.5.0.1

Art. 10

Art. 3.4.6.0.1

Art. 10

Art. 3.10.3.1.1

Art. 13

Art. 3.13.2.0.1

Art. 14/1


Tabel 7 : Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 10 december 2010

Art. 3.13.2.0.1

Art. 1

Art. 3.13.2.0.1

Art. 2, eerste lid

Art. 3.13.2.0.2

Art. 4

Art. 3.13.2.0.3

Art. 5

Art. 3.13.2.0.4

Art. 3


Tabel 8 : Wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Eurovignetwet)

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling Eurovignetwet

Art. 3.2.1.0.1

Art. 2

Art. 3.2.1.0.2

Art. 2

Art. 3.2.3.0.1

Art. 2

Art. 3.2.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.1.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.1

Art. 2

Art. 3.4.3.0.2

Art. 2

Art. 3.4.4.0.1

Art. 2

Art. 3.4.5.0.1

Art. 2

Art. 3.4.6.0.1

Art. 2

Art. 3.10.3.1.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.1

Art. 2

Art. 3.10.3.2.2

Art. 2

Art. 3.10.3.2.3

Art. 2

Art. 3.10.3.2.4

Art. 2

Art. 3.10.3.2.5

Art. 2

Art. 3.10.3.2.6

Art. 2

Art. 3.10.3.2.7

Art. 2

Art. 3.10.3.3.1

Art. 2

Art. 3.10.3.3.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.1

Art. 2

Art. 3.10.3.4.2

Art. 2

Art. 3.10.3.4.3

Art. 2

Art. 3.10.3.5.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.1

Art. 2

Art. 3.10.5.1.2

Art. 2

Art. 3.10.5.1.3

Art. 2

Art. 3.10.5.1.4

Art. 2

Art. 3.10.5.1.5

Art. 2

Art. 3.10.5.1.6

Art. 2

Art. 3.10.5.1.7

Art. 2

Art. 3.12.2.0.1

Art. 2

Art. 3.12.2.0.2

Art. 2

Art. 3.12.2.0.3

Art. 2

Art. 3.12.2.0.4

Art. 2

Art. 3.13.2.0.1

Art. 2


Tabel 9 : Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 9 januari 1995

Art. 2.4.6.0.1

Art. 2/1

Art. 3.13.2.0.1

Art. 1


Tabel 10 : Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 8 september 1997

Art. 2.4.7.0.1

Art. 1


Tabel 11 : Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 19 december 2001

Art. 3.4.7.0.1

Art. 2

Art. 3.4.8.0.1

Art. 1


Tabel 12 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 18 maart 2011

Art. 3.18.0.0.1

Art. 3

Bijlage 1

Bijlage


Tabel 13 : Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen)

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen

Art. 3.2.1.0.1

Art. 40bis

Art. 3.2.1.0.2

Art. 40bis

Art. 3.2.3.0.1

Art. 40bis

Art. 3.2.5.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.1.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.3.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.3.0.2

Art. 40bis

Art. 3.4.4.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.5.0.1

Art. 40bis

Art. 3.4.6.0.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.1.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.2

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.3

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.4

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.5

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.6

Art. 40bis

Art. 3.10.3.2.7

Art. 40bis

Art. 3.10.3.3.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.3.2

Art. 40bis

Art. 3.10.3.4.1

Art. 40bis

Art. 3.10.3.4.2

Art. 40bis

Art. 3.10.3.4.3

Art. 40bis

Art. 3.10.3.5.1

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.1

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.2

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.3

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.4

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.5

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.6

Art. 40bis

Art. 3.10.5.1.7

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.1

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.2

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.3

Art. 40bis

Art. 3.12.2.0.4

Art. 40bis

Art. 3.13.2.0.1

Art. 40bis


Tabel 14 : Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 2 april 1996

Art. 2.5.6.0.1

Art. 15

Art. 3.1.0.0.2

Art. 19

Art. 3.2.5.0.1

Art. 12, § 1

Art. 3.3.4.0.1

Art. 11, eerste lid

Art. 3.10.3.4.2

Art. 12, § 2


Tabel 15 : Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten)

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten

Art. 3.2.1.0.1

Art. 33

Art. 3.2.1.0.2

Art. 33

Art. 3.2.3.0.1

Art. 33

Art. 3.2.5.0.1

Art. 33

Art. 3.4.1.0.1

Art. 33

Art. 3.4.3.0.1

Art. 33

Art. 3.4.3.0.2

Art. 33

Art. 3.4.4.0.1

Art. 33

Art. 3.4.5.0.1

Art. 33

Art. 3.4.6.0.1

Art. 33

Art. 3.10.3.1.1

Art. 33

Art. 3.10.3.2.1

Art. 33

Art. 3.10.3.2.2

Art. 33

Art. 3.10.3.2.3

Art. 33

Art. 3.10.3.2.4

Art. 33

Art. 3.10.3.2.5

Art. 33

Art. 3.10.3.2.6

Art. 33

Art. 3.10.3.2.7

Art. 33

Art. 3.10.3.3.1

Art. 33

Art. 3.10.3.3.2

Art. 33

Art. 3.10.3.4.1

Art. 33

Art. 3.10.3.4.2

Art. 33

Art. 3.10.3.4.3

Art. 33

Art. 3.10.3.5.1

Art. 33

Art. 3.10.5.1.1

Art. 33

Art. 3.10.5.1.2

Art. 33

Art. 3.10.5.1.3

Art. 33

Art. 3.10.5.1.4

Art. 33

Art. 3.10.5.1.5

Art. 33

Art. 3.10.5.1.6

Art. 33

Art. 3.10.5.1.7

Art. 33

Art. 3.12.2.0.1

Art. 33

Art. 3.12.2.0.2

Art. 33

Art. 3.12.2.0.3

Art. 33

Art. 3.12.2.0.4

Art. 33

Art. 3.13.2.0.1

Art. 33


Tabel 16 : Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten

Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit

Bepaling besluit 1 juli 1997

Art. 2.6.7.0.1

Art. 18

Art. 2.6.7.0.2

Art. 18bis

Art. 2.6.7.0.3

Art. 18ter

Art. 2.6.7.0.4

Art. 19

Art. 3.1.0.0.1

Art. 14


Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^