Besluit Van De Vlaamse Regering van 20 december 2013
gepubliceerd op 30 januari 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het kwaliteitstoezicht op de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft

bron
vlaamse overheid
numac
2014035088
pub.
30/01/2014
prom.
20/12/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

20 DECEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende het kwaliteitstoezicht op de centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wat de leertijd betreft


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen", artikel 37, § 5, ingevoegd bij het decreet van 10 juli 2008 en gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009;

Gelet op het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, artikel 43, vervangen bij het decreet van 21 december 2012;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 augustus 2013;

Gelet op het advies van de raad van bestuur van Syntra Vlaanderen, gegeven op 27 september 2013;

Gelet op advies 54.476/1 van de Raad van State, gegeven op 16 december 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel en de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° centrum : een centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen als vermeld in artikel 2, 6°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";2° centrumbestuur : het orgaan dat voor het centrum de bestuurshandelingen verricht, overeenkomstig de door de statuten toegewezen bevoegdheden;3° decreet van 7 mei 2004 : het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen";4° decreet van 10 juli 2008 : het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap;5° erkenning : de mogelijkheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen, vermeld in artikel 81, 82 en 83 van het decreet van 10 juli 2008, toe te kennen of te laten toekennen;6° kalenderdag : elke dag van het jaar, uitgezonderd de dagen tijdens de herfst-, de kerst-, de krokus-, de paas- en de zomervakantie;7° leertijd : de opleiding, vermeld in artikel 27 van het decreet van 7 mei 2004;8° opheffing van de erkenning : een van de volgende opheffingen van de erkenning : a) de opheffing, in welbepaalde opleidingen van het centrum binnen de leertijd, van de mogelijkheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen, vermeld in artikel 81 van het decreet van 10 juli 2008, toe te kennen of te laten toekennen;b) de opheffing, in alle opleidingen van het centrum binnen de leertijd, van de mogelijkheid om aan de jongeren een of meer van de van rechtswege geldende studiebewijzen, vermeld in artikel 82 van het decreet van 10 juli 2008, toe te kennen of te laten toekennen;c) de opheffing, in alle opleidingen van het centrum binnen de leertijd, van de mogelijkheid om aan de jongeren de van rechtswege geldende studiebewijzen, vermeld in artikel 81, 82 en 83 van het decreet van 10 juli 2008, toe te kennen of te laten toekennen;9° Syntra Vlaanderen : het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen, opgericht bij artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen".

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op de leertijd.

Art. 3.Het kwaliteitstoezicht van de onderwijsinspectie op de opleidingsprogramma's van de centra, vermeld in artikel 43 van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs, wordt uitgeoefend door middel van doorlichtingen conform de bepalingen van dit besluit.

De onderwijsinspectie zal met Syntra Vlaanderen over de concrete werkwijze een samenwerkingsprotocol sluiten. HOOFDSTUK 2. - Opzet van een doorlichting

Art. 4.Ieder centrum komt binnen een periode van tien jaar minimaal een keer aan bod om te worden doorgelicht.

Art. 5.Tijdens een doorlichting van een centrum wordt nagegaan of het centrum de onderwijsreglementering respecteert en of het centrum op systematische wijze zijn eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt.

Als tijdens een doorlichting tekorten worden vastgesteld, wordt onderzocht of het centrum die tekorten al dan niet zelfstandig en zonder externe ondersteuning kan wegwerken.

Art. 6.Het referentiekader dat bij de doorlichtingen wordt gehanteerd, is hetzelfde als het referentiekader bij doorlichting van onderwijsinstellingen zoals opgenomen in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2010 tot uitvoering van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van onderwijs met betrekking tot het referentiekader van de inspectie.

Art. 7.De onderwijsinspectie is niet bevoegd voor de controle op de invulling van het pedagogische of agogische project, noch voor de controle op de gebruikte pedagogische, agogische, artistieke of begeleidingsmethoden. Ze is evenmin bevoegd voor het toezicht op het onderwijs in de levensbeschouwelijke vakken.

De onderwijsinspectie oefent haar opdrachten uit op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de centra gegarandeerd wordt.

De onderwijsinspectie oefent haar opdrachten uit op zodanige wijze dat de centra niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is. Daarbij waakt ze erover bij de centra alleen gegevens of documenten op te vragen die met het oog op het toezicht noodzakelijke informatie bevatten.

Art. 8.De onderwijsinspectie baseert zich voor de bepaling van de frequentie en de intensiteit van de doorlichting op het profiel van het centrum dat tot stand komt op basis van : 1° een reeks vooraf vastgestelde en meegedeelde gegevens over het centrum.Die gegevens zijn gerelateerd aan elementen van het referentiekader; 2° het vorige doorlichtingsverslag en, in voorkomend geval, de verslagen van de opvolgingsdoorlichtingen. In afwijking van het eerste lid kan naar aanleiding van ernstige klachten over een centrum, op verzoek van de Vlaamse Regering, een doorlichting worden uitgevoerd.

Art. 9.Een doorlichting kan nooit leiden tot een beoordeling van de rol van het centrumbestuur of van individuele personeelsleden. HOOFDSTUK 3. - Doorlichtingsteam

Art. 10.Een doorlichting wordt uitgevoerd door een doorlichtingsteam dat bestaat uit ten minste twee leden van de onderwijsinspectie.

Art. 11.Het doorlichtingsteam kan worden uitgebreid met een of meer externe deskundigen. De onderwijsinspectie motiveert de deelname van die deskundigen aan het doorlichtingsteam en brengt het centrum daarvan vooraf op de hoogte.

De externe deskundige die deelneemt aan een doorlichting, is volwaardig lid van het doorlichtingsteam. Hij participeert in de voorbereiding, de feitelijke doorlichting en de verslaggeving. De externe deskundige ontvangt voor zijn prestaties een vergoeding die gelijk is aan de vergoeding van een externe deskundige die betrokken is bij doorlichting van een onderwijsinstelling, tenzij de externe deskundige een personeelslid is van Syntra Vlaanderen. HOOFDSTUK 4. - Doorlichtingsprocedure

Art. 12.De doorlichting bestaat uit de volgende drie fases : 1° het vooronderzoek;2° de fase van de doorlichtingsbezoeken;3° de fase van de verslaggeving.

Art. 13.Voor het vooronderzoek wordt binnen de onderwijsinspectie een dossierbeheerder aangewezen.

Na afloop van het vooronderzoek wordt een onderwijsinspecteur aangewezen als inspecteur-verslaggever. Die is verantwoordelijk voor de organisatie van de doorlichtingsbezoeken en voor de verslaggeving tijdens de verslaggevingsfase.

Art. 14.De onderwijsinspectie kondigt schriftelijk aan dat een centrum zal worden doorgelicht. Die aankondiging wordt gezonden aan het centrumbestuur en vermeldt de periode waarin de doorlichting zal plaatsvinden. De schriftelijke mededeling wordt verstuurd ten minste dertig kalenderdagen voor het aangekondigde begin van de periode waarin het centrum zal worden doorgelicht.

In afwijking van het eerste lid worden de centrumbesturen waarvan de doorlichtingsbezoeken in de maand september zullen plaatsvinden, uiterlijk op 20 augustus op de hoogte gebracht.

Er worden geen doorlichtingsbezoeken uitgevoerd tussen 10 juni en 15 september.

Art. 15.De mededeling waarin de doorlichting wordt aangekondigd, vermeldt uitdrukkelijk de informatie die tijdens de periode waarin het centrum kan worden doorgelicht, in het centrum ter beschikking moet zijn van het doorlichtingsteam. Bij die mededeling wordt een vragenlijst gevoegd, die het centrum voor het begin van de aangekondigde periode waarin het centrum zal worden doorgelicht, ingevuld aan de onderwijsinspectie bezorgt.

De leden van het doorlichtingsteam kunnen tijdens een doorlichtingsbezoek de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum verzoeken om bijkomende relevante documenten ter beschikking te stellen.

De leden van het doorlichtingsteam kunnen tijdens een doorlichtingsbezoek bijkomende relevante informatie verzamelen door lessen en centrumgebonden activiteiten bij te wonen, en door gesprekken te voeren met personeelsleden alsook met het centrumbestuur, met de ouders van de jongeren of met relevante derden.

Tijdens de lessen en aanverwante activiteiten kan bijkomende relevante informatie worden ingewonnen via gesprekken met de jongeren.

Art. 16.Het centrum moet de inspectie tijdens de doorlichting kunnen aantonen hoe de kwaliteit van de ingerichte opleidingen wordt gewaarborgd. Het centrum kiest zelf de wijze waarop dat gebeurt.

Art. 17.Het centrumbestuur wordt door de onderwijsinspectie schriftelijk verwittigd als de doorlichtingsbezoeken afgelopen zijn.

De datum van het laatste doorlichtingsbezoek geldt als datum voor het einde van de fase van de doorlichtingsbezoeken.

Art. 18.Uiterlijk zestig kalenderdagen nadat de fase van de doorlichtingsbezoeken beëindigd is, wordt het centrumbestuur geïnformeerd over de bevindingen door middel van een gesprek tussen leden van het doorlichtingsteam en een vertegenwoordiger van het centrumbestuur over het ontwerpverslag.

Uiterlijk zestig kalenderdagen na het gesprek stuurt de onderwijsinspectie het definitieve verslag naar de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum en naar het centrumbestuur. Het verslag wordt gedateerd bij het versturen ervan.

Het centrumbestuur viseert het verslag van de doorlichting en stuurt het binnen dertig kalenderdagen na ontvangst terug naar de onderwijsinspectie en maakt eventueel melding van zijn opmerkingen.

Die opmerkingen worden ongewijzigd opgenomen in het verslag.

Art. 19.Het doorlichtingsverslag is een objectieve weergave van de beoordeling van de kwaliteit van het centrum. Het bestaat uit een beschrijvend gedeelte, een concluderend gedeelte en hetzij een advies aan de Vlaamse Regering over de erkenning, hetzij een voorstel aan Syntra Vlaanderen over de subsidiëring. Het doorlichtingsteam, met inbegrip van de deelnemende externe deskundigen, stelt in consensus het doorlichtingsverslag op.

Het beschrijvende gedeelte van het doorlichtingsverslag vermeldt de vaststellingen die naar aanleiding van de doorlichting zijn gedaan.

Het concluderende gedeelte omvat de conclusies. In dat gedeelte wordt uitdrukkelijk vermeld in welke mate het centrum de onderwijsreglementering respecteert en of het centrum op systematische wijze zijn eigen kwaliteit onderzoekt en bewaakt.

Het advies aan de Vlaamse Regering over de erkenning kan op drie manieren worden uitgebracht : 1° een gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning gunstig wordt geadviseerd;2° een beperkt gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning gunstig wordt geadviseerd als binnen een bepaalde periode voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het advies;3° een ongunstig advies : dat houdt in dat geadviseerd wordt om de procedure tot opheffing van de erkenning op te starten.Er wordt ook vermeld of het centrum zonder of met externe ondersteuning de vastgestelde tekortkomingen zal kunnen remediëren.

Het voorstel aan Syntra Vlaanderen over de subsidiëring, dat slaat op het geheel van de opleidingen van het centrum binnen de leertijd of op een of meer afzonderlijke opleidingen van het centrum binnen de leertijd, leidt tot een beslissing als vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het stelsel van leren en werken in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 20.Het verslag wordt aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, aan Syntra Vlaanderen en aan het centrumbestuur bezorgd.

Art. 21.Een exemplaar van het volledige doorlichtingsverslag ligt op het secretariaat van het centrum ter inzage. Binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het definitieve doorlichtingsverslag informeert de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum de jongeren en de ouders over de mogelijkheid tot inzage. Het verslag wordt bovendien binnen dertig kalenderdagen na ontvangst door de directeur-afgevaardigd bestuurder van het centrum geagendeerd en integraal besproken op een personeelsvergadering.

Art. 22.In geval van een beperkt gunstig advies over de erkenning kan het centrumbestuur binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies een gemotiveerd tegenvoorstel doen wat betreft de periode waarin moet worden voldaan aan de voorwaarden, vermeld in het advies.

De inspecteur-generaal van het onderwijs meldt de ontvangst van het tegenvoorstel en deelt de genomen beslissing binnen de dertig kalenderdagen mee aan het centrumbestuur, zo niet wordt het tegenvoorstel aanvaard. HOOFDSTUK 5. - Opvolgingsdoorlichting na beperkt gunstig advies over de erkenning

Art. 23.Bij een beperkt gunstig advies volgt na de periode, vermeld in het advies, een opvolgingsdoorlichting, waarbij wordt nagegaan of de vastgestelde tekortkomingen voldoende zijn geremedieerd.

De opvolgingsdoorlichting mag op zijn vroegst plaatsvinden negentig kalenderdagen na de datum waarop het definitieve verslag is bezorgd.

Bij een opvolgingsdoorlichting zijn de bepalingen van artikel 13 tot en met 21, met uitzondering van artikel 19, van overeenkomstige toepassing.

Art. 24.De opvolgingsdoorlichting resulteert in een opvolgingsverslag dat bestaat uit een concluderend gedeelte en een advies.

Het concluderende gedeelte omvat de conclusies van de opvolging.

Het advies kan op twee manieren worden uitgebracht : 1° een gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning gunstig wordt geadviseerd;2° een ongunstig advies : dat houdt in dat geadviseerd wordt om de procedure tot opheffing van de erkenning op te starten. HOOFDSTUK 6. - Opheffing van erkenning na ongunstig advies

Art. 25.§ 1. Bij een ongunstig advies wordt de procedure tot opheffing van de erkenning opgestart. De Vlaamse Regering brengt het centrumbestuur en Syntra Vlaanderen daarvan op de hoogte. § 2. Het centrumbestuur kan binnen een termijn van zestig kalenderdagen na die mededeling de opschorting van de procedure tot opheffing van de erkenning aanvragen op basis van een door het centrumbestuur uitgewerkt verbeteringsplan. De termijn van zestig kalenderdagen is niet van toepassing voor tekorten die op de veiligheid, bewoonbaarheid en hygiëne slaan. De Vlaamse Regering deelt voor die tekorten de termijn mee aan het centrumbestuur.

Als de Vlaamse Regering dat verbeteringsplan goedkeurt, deelt ze aan het centrumbestuur en Syntra Vlaanderen de termijn van de opschorting van de procedure mee. Die termijn van opschorting bedraagt minimaal twaalf maanden en maximaal zesendertig maanden, te rekenen vanaf de datum van goedkeuring van het verbeteringsplan. In geval van toepassing van tekorten die op de veiligheid, bewoonbaarheid en hygiëne slaan, geldt er geen minimale termijn.

De Vlaamse Regering deelt binnen zestig kalenderdagen na de indiening van het verbeteringsplan, haar beslissing over de goedkeuring aan het centrumbestuur mee. Als de Vlaamse Regering die termijn overschrijdt, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn en is de termijn van opschorting die welke door het centrumbestuur is voorgesteld in het verbeteringsplan.

Art. 26.Het college dat de opheffing van de erkenning aan de Vlaamse Regering kan voorstellen, vermeld in artikel 37, § 6, van het decreet van 7 mei 2004, en artikel 15, tweede en derde lid, van het decreet van 10 juli 2008, bestaat conform de hiervoor vermelde bepalingen uit een gelijk aantal leden van de onderwijsinspectie en personeelsleden van Syntra Vlaanderen. Die leden en personeelsleden mogen geen deel hebben uitgemaakt van het doorlichtingsteam van het centrum.

De inspecteur-generaal van het onderwijs en de gedelegeerd bestuurder van Syntra Vlaanderen, in gezamenlijk overleg, stellen het college samen en kunnen een voorzitter aanduiden. Die voorzitter kan niet behoren tot de onderwijsinspectie of tot Syntra Vlaanderen.

Art. 27.Het college wordt samengesteld binnen dertig kalenderdagen : 1° na afloop van de periode van zestig kalenderdagen die volgt op de beslissing van de Vlaamse Regering om de procedure tot opheffing van de erkenning op te starten als de instelling geen verbeteringsplan heeft ingediend;2° na de betekening van de beslissing van de Vlaamse Regering tot weigering van de opschorting van de procedure tot opheffing van de erkenning omdat het ingediende verbeteringsplan niet goedgekeurd is;3° na het einde van de duur van de opschorting van de procedure tot opheffing van de erkenning als het ingediende verbeteringsplan goedgekeurd is of geacht wordt goedgekeurd te zijn geweest.

Art. 28.Het college kan een beroep doen op externe deskundigen. De externe deskundige neemt geen deel aan de deliberaties, zijn rapport komt onafhankelijk tot stand en wordt bij de eindbespreking van het college ter bespreking voorgelegd.

Art. 29.Het college voert zijn opdracht uit binnen zestig kalenderdagen na de samenstelling ervan en kan alle onderzoekdaden verrichten. Het centrumbestuur en de directie worden uitgenodigd voor een gesprek binnen de vermelde periode van zestig kalenderdagen. Na verloop van die periode kan de procedure worden voortgezet.

De opdracht omvat in elk geval een nieuwe doorlichting : 1° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 26, § 2, eerste lid, als het centrumbestuur geen verbeteringsplan heeft ingediend;2° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na de betekening van de niet-goedkeuring van het verbeteringsplan van het centrumbestuur door de Vlaamse Regering;3° binnen een termijn van negentig kalenderdagen na het einde van de duur van de opschorting van de procedure tot opheffing van de erkenning als het verbeteringsplan werd goedgekeurd of geacht wordt goedgekeurd te zijn geweest.

Art. 30.De doorlichting resulteert in een definitief advies aan de Vlaamse Regering over de verdere erkenning. Dat advies kan alleen betrekking hebben op de elementen die in het eerdere advies expliciet werden opgesomd.

Het advies, bij gewone meerderheid genomen, kan op drie manieren worden uitgebracht : 1° een gunstig advies : dat houdt in dat de verdere erkenning gunstig wordt geadviseerd;2° een beperkt gunstig advies : dat houdt in dat de erkenning gunstig wordt geadviseerd als binnen een bepaalde periode voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het advies;3° een advies tot definitieve opheffing van de erkenning.In voorkomend geval bevat het advies : a) als het betrekking heeft op afzonderlijke opleidingen en niet op het geheel van de opleidingen binnen de leertijd : een aanbeveling over tijdelijke beperking met betrekking tot het programmeren van bepaalde opleidingen;b) een voorstel over de geleidelijkheid van de opheffing.

Art. 31.Het verslag van het college wordt binnen vijfenveertig kalenderdagen na afloop van de opdracht aan de Vlaamse Regering overgezonden, aan het centrumbestuur betekend en ter kennisgeving overgemaakt aan de gedelegeerd bestuurder van Syntra Vlaanderen.

Het verslag bevat ten minste : 1° het advies;2° in geval van advies tot definitieve opheffing van de erkenning : een duidelijke gemotiveerde beschrijving van de tekorten;3° alle eventuele verslagen van controles van de voorbije drie jaar.

Art. 32.Het centrumbestuur heeft het recht, binnen dertig kalenderdagen na de betekening van het verslag, bij de Vlaamse Regering met een verweerschrift beroep in te stellen tegen het voorstel tot opheffing van de erkenning.

Als geen verweerschrift wordt ingediend, neemt de Vlaamse Regering een definitieve beslissing over de erkenning binnen zestig kalenderdagen na de betekening van het verslag. Als een verweerschrift wordt ingediend, neemt de Vlaamse Regering een definitieve beslissing over de erkenning binnen dertig kalenderdagen na de indiening van dat verweerschrift. In beide gevallen gaat de beslissing in op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.

De beslissing wordt met een aangetekende brief betekend aan het centrumbestuur. Als de beslissing niet binnen acht kalenderdagen aan het centrumbestuur wordt betekend, blijft de erkenning behouden. HOOFDSTUK 7. - Werkingscode

Art. 33.De werkingscode voor de onderwijsinspectie bij het kwaliteitstoezicht op de centra is dezelfde als die bij de controle van onderwijsinstellingen.

Ook het personeel van Syntra Vlaanderen en de externe deskundigen die bij het kwaliteitstoezicht zijn betrokken, houden zich aan de werkingscode.

De werkingscode wordt bekend gemaakt aan de centra en hun personeel. HOOFDSTUK 8. - Openbaarheid

Art. 34.Het doorlichtingsverslag, het opvolgingsverslag en het advies dat uitgebracht werd naar aanleiding van de procedure tot opheffing van de erkenning, kunnen worden geraadpleegd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Art. 35.Het doorlichtingsverslag mag door het centrum niet worden gebruikt met het oog op een promotie- of wervingscampagne. HOOFDSTUK 9. - Slotbepalingen

Art. 36.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014.

Art. 37.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de professionele vorming, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 20 december 2013.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, P. SMET De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, Ph. MUYTERS

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^